[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de regering, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Kamerstuk 36945-VII-2)

Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025

Lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D28173, datum: 2026-06-09, bijgewerkt: 2026-06-16 08:51, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36945 VII-7 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025 .

Onderdeel van zaak 2026Z12401:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 945 VII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025

Nr. 7 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 9 juni 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister en staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Kamerstuk 36945-VII, nr. 2).

De minister en staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Kisteman

De griffier van de commissie,

Honsbeek

Vraag 1:

Vraag:

Hoeveel fte is er sinds 2023 bijgekomen in het rijksambtenarenapparaat op de volgende functiegebieden: communicatieadvisering, participatiecoaching, beleidsadvisering, functiecoaching, projectondersteuning en recruitment managing?

Antwoord:

Het onderscheid is naar de gevraagde functiegebieden is niet te maken in de personeelsadministratie van P-Direkt. Dergelijke functiegebieden zijn namelijk niet te onderscheiden volgens de indeling van het Functiegebouw Rijk (FGR).

Voor het meest actueel beschikbare beeld van de ontwikkeling in het aantal fte’s van de directies communicatie verwijs ik naar het volgende overzicht.

Vraag 2:

Vraag:

Hoe heeft het totale aantal fte aan rijksambtenaren zich in 2025 feitelijk ontwikkeld, afgezet tegen de vooraf geformuleerde budgettaire taakstelling van het kabinet?

Antwoord:

De ontwikkeling van de budgettaire taakstelling van het kabinet Schoof en de ontwikkeling van het totaal aantal fte aan rijksambtenaren staan los van elkaar. De budgettaire taakstelling is ingeboekt en verwerkt in de begrotingen. Het jaar 2025 was het eerste jaar van de budgettaire taakstelling en departementen hebben dit veelal financieel opgelost. Er is door het kabinet Schoof geen fte-doelstelling aan de taakstelling gekoppeld. Daarbij is de omvang van het aantal fte het gevolg van ontwikkelingen zoals verambtelijking, na-ijl effecten van eerdere besluiten meer taken uit te gaan voeren en overige politieke keuzes. In de brief van 3 oktober 2025 (Kamerstukken II 2025/26, 31490, nr. 391) is daarom helder gemaakt dat de ontwikkeling van het aantal fte los staat van het realiseren van de budgettaire taakstelling.

Vraag 3:

Vraag:

(Blz. 17) Kan de minister aangeven hoeveel van de ruim 1,9 miljard euro die in 2025 aan de operatie in Groningen is besteed rechtstreeks bij bewoners terecht is gekomen, hoeveel is uitgekeerd als schadevergoeding en hoeveel is besteed aan uitvoeringskosten, apparaatskosten, advieskosten en externe inhuur?

Antwoord:

In 2025 is € 1,9 mld. gerealiseerd op beleidsartikel 15 Een veilig Groningen met perspectief. Hiermee zijn ca. € 945 mln. uitgaven gedaan voor de schadeafhandeling, ca. € 809 mln. uitgaven voor de versterkingsoperatie en ca. € 202 mln. uitgaven voor het bieden van perspectief aan de Groningers en Noord-Drenten.

Om vragen 3 en 4 gedetailleerd te kunnen beantwoorden gebruik ik voor de cijfers van de schadeafhandeling het IMG jaarverslag, waarin meer inzicht in de verschillende schaderegelingen wordt gegeven. De cijfers in het IMG jaarverslag verschillen op aspecten van het BZK jaarverslag in verband met de timing van de betaling van BZK aan IMG.

In het IMG Jaarverslag 2025 is aangegeven dat in 2025 circa € 642 mln. aan schadevergoedingen is uitgekeerd door het IMG en Commissie Bijzondere Situaties (CBS). Alle € 65 mln. uitgegeven aan ‘niet-bouwkundig versterken’, oftewel kosten die samenhangen met de versterkingswerkzaamheden maar niet direct gelinkt zijn aan de veiligheid. Dit zijn bijvoorbeeld uitgaven voor verduurzaming. Tot slot is € 183 mln. besteed aan apparaatskosten, waaronder externe inhuur en advieskosten vallen. Deze apparaatsuitgaven worden op artikel 11 van de BZK begroting verantwoord. Voor al deze kosten geldt dat deze veelal direct ten goede komen aan bewoners. Bijvoorbeeld in de vorm van een versterkt en verduurzaamd huis, maar ook uitvoeringskosten in de vorm van individuele bewonersbegeleiding, individuele communicatie en advisering. genoemde schadevergoedingen (hetzij in vergoedingen in geld of vergoedingen in natura) komen rechtstreeks bij bewoners terecht. De uitvoeringskosten bedroegen circa € 299 mlnl. inclusief CBS. Hiervan is circa € 160 mln. voor apparaatskosten (uurgebonden kosten) en circa € 139 mln. voor directe uitvoeringskosten (waaronder de kosten voor het beoordelen van schades door deskundigen en ICT-kosten). Belangrijk om te vermelden is dat ook een deel van de uitvoeringskosten zijn toe te rekenen aan uitvoerig contact en begeleiding van bewoners.

Voor de versterkingsoperatie is in totaal circa € 809 mln. uitgegeven. Hiervan is circa € 560 mln. besteed aan ‘bouwkundig versterken’, oftewel uitgaven die direct zorgen voor de uitvoering van de versterking. Daarnaast is € 65 mln. uitgegeven aan ‘niet-bouwkundig versterken’, oftewel kosten die samenhangen met de versterkingswerkzaamheden maar niet direct gelinkt zijn aan de veiligheid. Dit zijn bijvoorbeeld uitgaven voor verduurzaming. Tot slot is € 183 mln. besteed aan apparaatskosten, waaronder externe inhuur en advieskosten vallen. Deze apparaatsuitgaven worden op artikel 11 van de BZK begroting verantwoord. Voor al deze kosten geldt dat deze veelal direct ten goede komen aan bewoners. Bijvoorbeeld in de vorm van een versterkt en verduurzaamd huis, maar ook uitvoeringskosten in de vorm van individuele bewonersbegeleiding, individuele communicatie en advisering.

Vraag 4:

Vraag:

(Blz. 17-21) Kan de minister aangeven welk deel van de 944 miljoen euro aan schadeafhandeling in 2025 is uitgekeerd via vaste vergoedingen, welk deel via maatwerk en welk deel via daadwerkelijk herstel, en hoe wordt geborgd dat geen schade wordt vergoed die niet door gaswinning is veroorzaakt?

Antwoord:

In het IMG Jaarverslag over 2025 staat dat van de ca. € 941 mln., ca. € 642 mln. is uitgekeerd aan schadevergoedingen door het IMG en de CBS. Voor zover het de afhandeling van fysieke schade betreft, heeft het IMG (na aftrek van ontvangen terugvorderingen) ca. € 287 mln. via maatwerk en ca. € 272 mln. via vaste vergoedingen uitgekeerd. Daarnaast heeft het IMG ca. € 2 mln. via daadwerkelijk herstel uitgekeerd.

Bij de vaste vergoedingen en daadwerkelijk herstel wordt er geen onderzoek gedaan naar de schadeoorzaak, maar wordt wel alle aanwezige schade opgenomen en vastgelegd. Voor beide regelingen geldt dat er door het weglaten van het causaliteitsonderzoek er geen borging is voor het vergoeden van schades die niet door gaswinning zijn veroorzaakt. Ik merk op dat de vaste vergoedingen een ruimhartige, relatief eenvoudige en snelle manier om schades af te handelen zijn, zowel voor bewoners als voor het IMG die doelmatiger (sneller én met minder uitvoeringskosten) is dan afhandeling via een individueel maatwerktraject.

Vraag 5:

Vraag:

(Blz. 17-21) U kiest volgens de Algemene Rekenkamer voor zorgvuldigheid boven snelheid. Hoe voorkomt u dat deze keuze in de praktijk neerkomt op steeds ruimere uitkeringen, hogere uitvoeringskosten en minder grip op rechtmatigheid?

Antwoord:

De Algemene Rekenkamer concludeert dat «de minister heeft gekozen voor zorgvuldigheid (‘milder, menselijker en makkelijker’) ook als dat soms ten koste van de snelheid gaat.» Hiermee wordt, zoals de Algemene Rekenkamer erkent, tegemoetgekomen aan de wensen en behoeften van de gedupeerden. Daarnaast is dit ook conform de toezegging naar aanleiding van de parlementaire enquête en is het in dit verband vastgelegd in de wet. Het IMG moet binnen de kaders van de Tijdelijke wet Groningen zijn taak uitvoeren, zodat op die manier aan de door u geuite zorgen tegemoet wordt gekomen. Ik zie zelf geen tegenstelling tussen zorgvuldigheid en rechtmatigheid.

Vraag 6:

Vraag:

(Blz. 18) In 2025 zijn 44.430 vaste vergoedingen toegekend, tegenover 13.920 maatwerktoekenningen en 481 toekenningen voor daadwerkelijk herstel. Hoe beoordeelt u deze verhouding? Leidt dit niet tot een prikkel om vooral geldbedragen aan te vragen in plaats van daadwerkelijk herstel van schade?

Antwoord:

Van belang is dat gedupeerden de vergoeding krijgen waar zij recht op hebben. De keuze voor de schaderegeling ligt te allen tijde bij de bewoner zelf. De bewoner kan kiezen voor een maatwerktraject, een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel. Ik zie dat veel bewoners kiezen voor vaste vergoedingen waaruit ik afleid dat bewoners baat hebben bij een snelle en eenvoudige schadeafhandeling. Binnen het aansprakelijkheidsrecht heeft een gedupeerde recht op een vergoeding in geld.

Vraag 7:

Vraag:

(Blz. 18) De schadeafhandeling met onderzoek naar schadeoorzaak duurde in 2025 gemiddeld 239 dagen, terwijl de norm 182 dagen is. Is de lange behandelduur mede het gevolg van de complexiteit van ruimhartige regelingen, aanvullende vergoedingen en maatwerk, en hoe voorkomt u dat een steeds ruimere regeling juist tot meer vertraging leidt?

Antwoord:

Nee. De gemiddelde behandelduur bij maatwerk werd in 2025 in belangrijke mate negatief beïnvloed doordat bewoners gebruik hadden gemaakt van de mogelijkheid hun schademelding te pauzeren in afwachting van nieuwe schaderegelingen die waren aangekondigd in de kabinetsreactie Nij Begun. De nieuwe regelingen leiden niet tot langere behandelduur. De vaste vergoedingen kennen juist een aanzienlijk kortere behandelduur van enkele weken en zorgen er voor dat een groot aantal schades op een efficiënte en doelmatige manier kunnen worden afgehandeld.

Vraag 8:

Vraag:

(Blz. 18-21) Waarom is ervoor gekozen om in ruime mate te werken met vaste vergoedingen van 10.000 euro zonder volledig onderzoek naar de schadeoorzaak, terwijl dit het risico vergroot dat publieke middelen worden uitgekeerd voor schade die niet aardbevingsgerelateerd is?

Antwoord:

De vaste vergoedingen bieden – zoals bij het antwoord op vraag 4 toegelicht – een doelmatige wijze van schadeafhandeling. Dit is ook al eerder door de Afdeling Advisering van de Raad van State benoemd als reactie op het wetsvoorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen . De reden waarom het bedrag van de vaste eenmalige schadevergoeding is verhoogd naar € 10.000 is erin gelegen dat de vaste eenmalige schadevergoeding daarmee voor een groter deel van de gedupeerden een geschikte afhandelingsmethodiek wordt. Daardoor kan een groter deel van het totale aantal schadeverzoeken worden afgehandeld via de vaste vergoeding, in plaats van via een duurder en langduriger maatwerktraject. Onder aan de streep is dat doelmatiger dan een systeem dat meer verzoeken naar maatwerk leidt, terwijl het bovendien meer gedupeerden voorziet van een snelle en redelijke schadevergoeding.

Vraag 9:

Vraag:

(Blz. 18-21) Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor vaste vergoedingen of aanvullende vaste vergoedingen zijn gecontroleerd op causaliteit, dubbele vergoeding of eerdere schade-uitkeringen?

Antwoord:

Bij de vaste vergoedingen vindt geen onderzoek plaats naar de schadeoorzaak (causaliteit). De vaste eenmalige schadevergoeding is alleen van toepassing indien niet eerder voor het object schade is vergoed. Het is dus onmogelijk is dat er sprake is van een dubbele vergoeding of eerdere schade-uitkeringen. Bovendien worden bij een schademelding alle aanwezige schades in kaart gebracht, zodat die schades in de toekomst niet dubbel kunnen worden vergoed. Bij de Aanvullende Vaste Vergoeding wordt per geval gecontroleerd wat er eerder aan schade-uitkeringen is gedaan.

Vraag 10:

Vraag:

(Blz. 18-21) Hoe wordt gecontroleerd of schadevergoedingen daadwerkelijk worden gebruikt voor schadeherstel, en acht u het wenselijk dat publiek geld wordt uitgekeerd zonder verplichting tot herstel van de schade?

Antwoord:

Bij daadwerkelijk herstel geldt een vergoeding in natura, en daarmee een herstelverplichting. Bij maatwerk kunnen bewoners kiezen voor een vergoeding in Natura (herstel), waarbij alle causale schades worden hersteld. Bij Maatwerk kan ook gekozen worden voor een financiële vergoeding. Een financiële schadevergoeding, zoals bij maatwerk en de vaste vergoedingen, mogen gedupeerden naar eigen inzicht besteden. Daarbij merk ik op dat uit onderzoek is gebleken dat bewoners in ruime meerderheid aangeven de financiële schadevergoeding aan te (willen) wenden voor herstel van schade en/of investering in de woning.

Vraag 11:

Vraag:

(Blz. 18-23) Kunt u toezeggen dat de Kamer voortaan jaarlijks inzicht krijgt in het aantal toegekende schadevergoedingen, het totaalbedrag, het aandeel zonder causaliteitsonderzoek, het aantal afgewezen aanvragen, signalen van misbruik en de financiële omvang van mogelijke overcompensatie?

Antwoord:

Over de genoemde gegevens rapporteert het IMG jaarlijks in zijn jaarverslag. Het jaarverslag over 2025 heeft het IMG op 29 maart jl. verzonden naar de Commissie BZK van uw Kamer, met het verzoek dit te verspreiden onder alle Kamerleden.

Voor zover u met overcompensatie de vergoedingen bedoelt die zijn toegekend voor schade die feitelijk niet door mijnbouw is veroorzaakt. Merk ik om dat bij de forfaitaire vergoedingen en daadwerkelijk herstel geen onderzoek wordt gedaan naar de schadeoorzaak. Daardoor is niet vast te stellen welke schades niet door mijnbouw zijn veroorzaakt.

Vraag 12:

Vraag:

(Blz. 20) Sinds september 2025 kunnen bewoners die eerder minder dan 10.000 euro ontvingen een aanvullende vaste vergoeding krijgen tot dat bedrag; in 2025 zijn 37.019 aanvragen toegekend. Hoe wordt voorkomen dat deze regeling leidt tot stapeling van vergoedingen zonder aantoonbare aanvullende schade?

Antwoord:

De regeling waar u naar verwijst, wordt ingezet – langs dezelfde gedachtegang als bij de vaste eenmalige schadevergoeding (zie vraag 6) – om op een efficiënte manier schades tot € 10.000 af te handelen. Deze regeling staat echter – anders dan de vaste eenmalige schadevergoeding – alleen open voor aanvragers die al eerder een verzoek om schadevergoeding hebben gedaan of voor aanvragers waarbij door een eerdere bewoner al een verzoek tot schadevergoeding is gedaan en is bedoeld om de ongewenste gevolgen op te heffen voor de groep die nooit in aanmerking is gekomen voor de vaste vergoeding en nieuwe schade doelmatig af te handelen (tegen een lager bedrag dan € 10.000,-). Deze regeling leidt dan ook niet tot een opeenstapeling van vergoedingen.

Vraag 13:

Vraag:

(Blz. 21) De Algemene Rekenkamer stelt dat het een politieke keuze is om minder onderzoek te doen naar de schadeoorzaak en ruimhartig schade te vergoeden, met het risico dat te hoge vergoedingen worden uitgekeerd of schade wordt vergoed die niet door bevingen is veroorzaakt. Erkent u dat dit risico reëel is en hoe groot acht u dit risico financieel?

Antwoord:

Het minder onderzoek doen naar de oorzaak van individuele schades, is niet enkel ingegeven door politieke afwegingen. De keuze om de vaste eenmalige schadevergoeding in te voeren is namelijk in 2021 genomen door het IMG als een vorm van forfaitaire schadevergoeding. Dat was geen politieke keuze.

Het loslaten van de causaliteitsbeoordeling bij forfaitaire regelingen is bedoeld om binnen de grenzen van het schadevergoedingsrecht te komen tot een doelmatige schadeafhandeling. Dit is ook al eerder door de Afdeling Advisering van de Raad van State benoemd als reactie op het wetsvoorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen. Forfaitaire vergoedingen zijn gebruikelijk aan de afhandeling van massaschade. Ik wijs erop dat als gevolg van het wettelijk bewijsvermoeden uit artikel 6:177a BW voor de betreffende schades wordt vermoed dat ze door mijnbouw zijn veroorzaakt. Of dat feitelijk ook werkelijk het geval was, is daarmee niet meer doorslaggevend.

Vraag 14:

Vraag:

(Blz. 21) Heeft u zelf onderzoek gedaan naar overcompensatie, misbruik en oneigenlijk gebruik bij de ruimhartige schadeafhandeling en, zo ja, welke bedragen of percentages zijn daarbij vastgesteld?

Antwoord:

Het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik ligt bij het IMG. Het IMG kent met het Bureau Bijzonder Onderzoek een gespecialiseerd team dat onderzoek doet naar fraudemeldingen en malversaties binnen de schadeafhandeling. Het IMG rapporteert hierover in zijn jaarverslag.

Vraag 15:

Vraag:

(Blz. 27-28) Kunt u per departement aangeven welk deel van de taakstelling in 2025 structureel is gerealiseerd en welk deel incidenteel is opgevangen?

Antwoord:

Nee, dit is niet inzichtelijk te maken.

Vraag 16:

Vraag:

(Blz. 27-29) Hoe verhoudt de verdere toename van het totaal aantal rijksambtenaren zich tot het kabinetsdoel om te bezuinigen op apparaatsuitgaven door minder ambtenaren en minder externe inhuur?

Antwoord:

De budgettaire taakstelling is verwerkt in de begrotingen van de departementen. Ministers leggen in hun eigen begrotingen en jaarverslagen verantwoording aan de Tweede Kamer af over hoe zij op een verantwoorde manier de gestelde doelen zullen realiseren. Politieke keuzes kunnen invloed hebben op de omvang van de apparaatsbudgetten. Ook de mogelijke verambtelijking van externe inhuur kan effect hebben op het aantal fte.

Vraag 17:

Vraag:

(Blz. 27-29) Kunt u aangeven hoeveel externe inhuur in 2025 is ingezet binnen de begroting van het ministerie van BZK, uitgesplitst naar kerndepartement, agentschappen, SSC-ICT, Logius, RvIG en de Groningen-operatie?

Antwoord:

De externe inhuur wordt binnen het departement BZK/VRO bijgehouden op uitgavenniveau. Hieronder staat weergegeven hoeveel aan externe inhuur is uitgegeven in 2025:

  • Kerndepartement circa € 35 mln.

  • Agentschappen circa € 225 mln.

    • W.v. SSC-ICT circa € 49,7 mln.

    • W.v. Logius circa € 52,5 mln.

    • W.v. RvIG circa € 14,1 mln.

  • Nationaal Coördinator Groningen circa € 92,5 mln.

De beleidsdirecties die werken voor de Groningen operatie zijn meegenomen onder het kerndepartement.

Vraag 18:

Vraag:

(Blz. 28) Waarom zijn aan de apparaatstaakstelling geen concrete doelen of resultaatafspraken gekoppeld voor het aantal fte, de omvang van externe inhuur en de totale omvang van de Rijksoverheid?

Antwoord:

Politiek is afgesproken dat ministers zelf verantwoordelijk zijn om de taakstelling op een verantwoorde wijze te realiseren en hierover te rapporteren in hun begroting en jaarverslag. In de Kamerbrief van 14 maart 2025 zijn de strategische lijnen geschetst waarlangs de taakstelling invulling kan krijgen. Hierover is op 3 oktober 2025 per brief gerapporteerd aan de Kamer.

Vraag 19:

Vraag:

(Blz. 28) De Algemene Rekenkamer stelt dat onzeker is of het aantal fte uiteindelijk zal afnemen, omdat er geen sturingsdoelen zijn opgenomen voor de omvang van de Rijksoverheid. Bent u bereid alsnog een concreet reductiepad voor het aantal rijks-fte vast te stellen?

Antwoord:

In het regeerakkoord is aangekondigd dat de externe inhuur waar mogelijk wordt teruggebracht van de huidige 15,4% van de totale personele uitgaven naar 10% (de Roemernorm). Er zijn op dit moment geen concrete doelen geformuleerd voor de vermindering van het aantal ambtenaren per departement: dit is de verantwoordelijkheid van elk departement afzonderlijk. De vermindering moet het resultaat zijn van een omvangrijke veranderopgave. Hierover wordt u nader geïnformeerd in de Actieagenda Slagvaardige Overheid, die voor de zomer aan uw Kamer wordt verzonden.

Vraag 20:

Vraag:

(Blz. 28) U geeft aan dat ministeries de taakstelling voor 2025 veelal incidenteel hebben opgevangen en dat de focus lag op plan- en besluitvorming vanaf 2026. Hoe voorkomt u dat de taakstelling doorschuift en uiteindelijk niet leidt tot een kleinere overheid?

Antwoord:

De budgettaire taakstelling is reeds ingeboekt. Departementen zijn hierdoor verplicht om dit te realiseren. Om de taakstelling te realiseren is het van belang om hier tijdig en zorgvuldig mee te beginnen. Dit is in 2025 gedaan zodat de taakstelling ook daadwerkelijk gerealiseerd kan worden.

Vraag 21:

Vraag:

(Blz. 28-29) Bent u bereid om in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk voortaan expliciet te rapporteren over de ontwikkeling van het aantal fte, externe inhuur, apparaatsuitgaven en taakstellingsrealisatie per departement, zodat de Kamer kan controleren of de overheid daadwerkelijk kleiner en doelmatiger wordt?

Antwoord:

In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025, die in mei 2026 is gepubliceerd, wordt al over het aantal fte per ministerie gerapporteerd (Kamerstukken II 2025/26, 31490, nr. 396, zie tabel 34, p115). Op het Dashboard Externe inhuur is een overzicht te vinden van het aandeel externe inhuur per ministerie. Dit dashboard krijgt elk halfjaar een update. Over de apparaatsuitgaven wordt nu rijksbreed gerapporteerd de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025 (zie tabel 31, p105). Rapportage over apparaatsuitgaven per organisatieonderdeel en verantwoording over de realisatie van de taakstelling is belegd bij de departementen zelf en is te vinden in de betreffende departementale begrotingen bij de apparaatsuitgaven.

Vraag 22:

Vraag:

(Blz. 38) Wat is «Nextcloud»? Hoe verhoudt dat zich tot de te ontwikkelen overheidsbrede soevereine clouddienst?

Antwoord:

Nextcloud is een suite van producten die een alternatief kan zijn voor Microsoft 365. Nextcloud is open-source. De grote ICT dienstverleners van het Rijk hebben de opdracht gekregen om gezamenlijk een soevereine digitale werkplek te ontwikkelen. Er wordt onder andere gekeken naar Nextcloud als een onderdeel van een complete digitale werkomgeving. Op dit moment wordt verkend op welke manier de benodigde financiering wordt vormgegeven. Verder wordt ook gekeken naar ervaringen bij andere Europese initiatieven zoals de samenwerking van Frankrijk en Duitsland.

De te ontwikkelen overheidsbrede soevereine clouddienst richt zich in eerste instantie op de realisatie van een containerplatform voor het hosten van applicaties voor de Nederlandse overheid. Dit containerplatform wordt zo vormgegeven dat het technologisch geschikt is om onderdelen van de digitale werkomgeving, zoals bijvoorbeeld Nextcloud, te hosten op de soevereine clouddienst

Vraag 23:

Vraag:

(Blz. 49) Wanneer ontvangt de Kamer de door u aangekondigde concrete doelen voor vermindering van het aantal ambtenaren en externe inhuur, en bevatten deze doelen ook harde plafonds per departement?

Antwoord:

In het regeerakkoord is aangekondigd dat de externe inhuur waar mogelijk wordt teruggebracht van de huidige 15,4% van de totale personele uitgaven naar 10% (de Roemernorm). Er zijn op dit moment geen concrete doelen geformuleerd voor de vermindering van het aantal ambtenaren per departement: deze vermindering moet het resultaat zijn van een omvangrijke veranderopgave en directe zichtbare verbeteringen en is de verantwoordelijkheid van elk departement afzonderlijk. De verantwoording over de ontwikkeling van het aantal ambtenaren vindt jaarlijks plaats via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk. Via de Taskforce Slagvaardige Overheid wordt bewaakt dat de vermindering van het aantal ambtenaren een resultaat is van de benodigde verandering van de overheid.

Vraag 24:

Vraag:

(Blz.49-50) Wat voor soort data van wie worden opgeslagen in het Overheidsdatacenter? Wie hebben er toegang tot deze gegevens?

Antwoord:

In het Overheidsdatacenter (ODC) van SSC-ICT is de data van afnemende ministeries opgeslagen op servers van SSC-ICT. Het betreft data van de kantoorautomatisering en applicaties. Daarnaast biedt SSC-ICT housing diensten aan in het ODC. Dit houdt in dat SSC-ICT zorgdraagt voor huisvesting en stroom maar dat afnemers data op hun eigen servers opslaan.

De beheerders van SSC-ICT hebben elk toegang tot (delen van) de data die in het ODC is opgeslagen op basis van formeel vastgelegde rollen en verantwoordelijkheden, afhankelijk van de specifieke taken die die beheerders hebben. De toegangsrechten worden periodiek gecontroleerd.