Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025
Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D28418, datum: 2026-06-09, bijgewerkt: 2026-06-16 16:56, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (CDA)
- Mede ondertekenaar: M. Verhoev, griffier
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij 36945-VIII Verslag houdende een lijst van vragen inzake Slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025
Onderdeel van kamerstukdossier 36945 VIII-8 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025.
Onderdeel van zaak 2026Z08563:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-07-02 13:30 ⇒ Wetsvoorstel zonder stemming aangenomen. (Besluit)
- 2026-06-04 10:15 ⇒ Betrokken bij de inbreng feitelijke vragen over de Slotwet OCW 2025 d.d. 27 mei 2026. (Besluit)
- 2026-06-04 10:15 ⇒ Agenderen voor het wetgevingsoverleg Slotwet, Jaarverslag 2025 en de Staat van het Onderwijs 2026 d.d. 29 juni 2026. (Besluit)
- 2026-05-27 10:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-05-21 14:10 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
Onderdeel van zaak 2026Z12504:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-18 10:15 ⇒ Betrekken bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel. (Besluit)
- 2026-06-17 14:10 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-05-21 14:10: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-05-27 10:00: Slotwet ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (36945-VIII) (Inbreng feitelijke vragen), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-06-04 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-06-17 14:10: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-18 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-07-02 13:30: Aansluitend: STEMMINGEN (over alle onderwerpen tot en met 1 juli 2026) (Stemmingen), TK
Preview document (🔗 origineel)
36 945 VIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025
Nr. 8 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 27 mei 2026 voorgelegd aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij brief van 9 juni 2026 zijn ze door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie,
Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie,
Van Thiel
| 1 | Welke ontwikkelingen verklaren de verhoging van €0,6 miljoen in de uitgaven binnen artikel 14 Cultuur? Het verschil van € 0,6 miljoen is het verschil van de gerealiseerde uitgaven ten opzichte van de raming van de uitgaven aan artikel 14 Cultuur bij de Tweede suppletoire begroting van najaar 2025. Het verschil van € 0,6 miljoen is het per saldo verschil van alle budgetten van artikel 14. Op sommige budgetten is er meer gerealiseerd dan geraamd, op andere budgetten is er minder gerealiseerd dan geraamd. De gerealiseerde uitgaven waren daarmee 0,4 promille hoger dan die raming. Het is niet mogelijk bij de Tweede suppletoire begroting de uitgaven voor het lopende jaar tot op de laatste euro te voorzien, dat verklaart waarom de uitgaven niet exact gelijk zijn aan de raming. |
| 2 | Welke ontwikkelingen verklaren de verhoging van €2,0 miljoen in de ontvangsten binnen artikel 14 Cultuur? In onderstaande tabel zijn de onderwerpen en bedragen vermeld die per saldo hebben geleid tot de verhoging van (afgerond) € 2 miljoen. |
| 3 | Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de verschuiving van de verplichting voor het Jeugdeducatiefonds (JEF) van €49,4 miljoen die nu begin 2026 in plaats van eind 2025 wordt aangegaan? De verlenging van de projectsubsidie voor het Jeugdeducatiefonds (JEF) heeft wat vertraging opgelopen. Deze is daardoor begin 2026 beschikt en verplicht in plaats van eind 2025. Daarom is het verplichtingenbudget verschoven van 2025 naar 2026. Deze verschuiving van verplichtingen heeft geen invloed gehad op de kasruimte in 2025 en 2026. Dit heeft dus ook geen gevolgen gehad voor het Jeugdeducatiefonds. |
| 4 | Welke lessen trekt u voor de komende jaren uit de verlaging van de subsidieregeling Maatschappelijke Diensttijd (MDT) vanwege een aantal betalingen van eerdere MDT subsidieregelingen die in 2025 waren gepland en dat niet alle ingediende aanvragen voor MDT 2025 konden voldoen aan de gestelde financiële voorwaarden? Voor de regeling MDT 2026 zijn de uitbetalingen van de subsidie directer gekoppeld aan de jaren waarin de middelen op de OCW-begroting staan. Hierdoor zal het minder snel voorkomen dat middelen in een ander jaar moeten worden verstrekt dan de middelen op de OCW-begroting staan. Daarnaast zijn in de regeling MDT 2026 een aantal aanpassingen doorgevoerd in de financiële voorwaarden. Zo is het mogelijk om een garantsteller uit het MDT-partnerschap voor te dragen bij ontbrekend werkkapitaal van de penvoerder. Met deze aanpassingen sluit de toets op de financiële gezondheid van de aanvrager beter aan bij organisaties die MDT willen aanbieden. |
| 5 | Hoe verklaart u de vertragingen in de uitvoering van onderwijshuisvesting in Caribisch Nederland? De bouwprojecten in Caribisch Nederland worden uitgevoerd in eigen beheer van de drie openbare lichamen. Bouwprojecten lopen vertraging op door een combinatie van personeelstekorten, geldgebrek, besluitvorming en een beperkte aannemersmarkt. De beperkte omvang van de eilanden maakt dat de genoemde risico’s daar een groter effect hebben. |
| 6 | Hoe verklaart u het lagere aantal aanvragen op de regelingen zij-instroom en lerarenbeurs dan begroot? Er was bij het begroten van het budget voor deze regelingen ruimte gereserveerd voor een stijging in de jaarlijkse aanvragers. Het aantal aanvragers is echter vrijwel gelijk gebleven ten opzichte van eerdere jaren. |
| 7 | Hoe komt het dat de verplichtingen die in de rest van het jaar nog zouden worden aangegaan voor het Programma Leesbevordering zozeer te ruim werden geraamd, in een tijd dat de leesbevordering nog altijd keiharde noodzaak is? De verplichting die voor de rest van het jaar zou worden aangegaan bleek te hoog geraamd en is in de administratie naar beneden bijgesteld. Dat hield verband met de beschikking die al in 2024 voor meerdere jaren is afgegeven aan de stichting die het programma de Bibliotheek op School uitvoert. De aanpassing van de raming betreft dus enkel de timing van het aangaan van de verplichting. Voor de daadwerkelijke uitgaven ten behoeve van de leesbevordering heeft dit geen consequenties gehad. |
| 8 | Wat verklaart het verschil van €36,3 miljoen tussen de geraamde en gerealiseerde verplichtingen binnen artikel 14 Cultuur? De € 36,3 miljoen is het saldo van de verhogingen en verlagingen op de verschillende financiële instrumenten. Op het instrument bekostiging zit de voornaamste verlaging van de verplichtingen op het budget voor de bekostiging van de monumentenzorg en de bekostiging van de rijkscultuurfondsen. Zie ook het antwoord op vraag 12. Op het instrument subsidies zit de voornaamste verlaging van de verplichtingen op het budget van de subsidies leesbevordering. Zie ook het antwoord op vraag 7. |
| 9 | Welke culturele verplichtingen zijn uiteindelijk niet aangegaan in 2025? De lagere realisaties bij de verplichtingen zijn vooral te vinden bij de budgetten voor de bekostiging van de monumentenzorg (€ 25,2 miljoen, zie ook het antwoord op vraag 12), de bekostiging van de rijkscultuurfondsen (€ 21,1 miljoen, zie ook het antwoord op vraag 12), subsidies leesbevordering (€ 16,7 miljoen, zie ook het antwoord op vraag 7) en het subsidiebudget voor de regeling amateurkunsten (€ 9,1 miljoen, zie ook het antwoord op vraag 17). Voor deze onderwerpen was dus rekening gehouden met meer aan te gane verplichtingen in 2025 dan daadwerkelijk werden aangegaan. |
| 10 | Welke verplichtingen zijn doorgeschoven naar latere jaren? Voor de regeling amateurkunsten zijn de voor de jaren 2026-2028 aan te gane verplichtingen doorgeschoven van 2025 naar latere jaren (€ 9,1 miljoen). De jaarlijkse uitgavenramingen voor deze regeling blijven ongewijzigd. |
| 11 | Waarom bleek de raming voor het Programma Leesbevordering €16,7 miljoen hoger dan uiteindelijk noodzakelijk? De reden hiervan is gelegen in het feit dat de verplichting voor de uitgave in 2024 is aangegaan met een beschikking voor de periode 2024-2025. Hierdoor is het geraamd bedrag aan verplichtingen voor 2025 niet nodig geweest voor dit doel. De uitgaven aan het Programma Leesbevordering zijn voor de jaren 2024 en 2025 geborgd. |
| 12 | Welke onderdelen betroffen de verlagingen van €25,2 miljoen en €21,1 miljoen? De verlaging van € 25,2 miljoen betreft de Subsidieregeling Instandhouding Monumenten (SIM). De raming van de financiële verplichtingen rond deze Regeling is ingewikkeld, mede vanwege de gehanteerde t+5 systematiek en dat hier in sommige van kan worden afgeweken. Een overschrijding van de raming is onrechtmatig. Om die reden wordt ruim geraamd en blijft er vaak een deel van de raming onbenut. Dit betreft enkel de verplichtingen en heeft geen invloed op de daadwerkelijke uitgaven aan de regeling. De verlaging van € 21,1 miljoen betreft de bekostiging van de rijkscultuurfondsen. Het is een lagere bijstelling van de geraamde financiële verplichtingen van deze instellingen. Dit betreft enkel de verplichtingen en heeft geen consequenties voor de daadwerkelijke uitgaven. |
| 13 | Waarom vielen de verplichtingen voor bekostiging €46,9 miljoen lager uit dan geraamd? Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de te hoge ramingen die zijn toegelicht in het antwoord op vraag 12. |
| 14 | Hoe kan het dat verplichtingen voor artikel 14 oorspronkelijk hoger waren geraamd dan uiteindelijk gerealiseerd? Het ramen van verplichtingen is bij het begrotingsartikel 14 Cultuur complex, doordat er verschillende stelsels en regelingen van toepassing zijn met elk hun eigen verplichtingendynamiek (zoals voor een jaar verplichten in het jaar t, voor een jaar verplichten in het jaar t-1, vierjaarlijkse verplichtingen en maatwerkverplichtingen die diverse looptijden kunnen hebben). Verplichtingenramingen worden zo goed mogelijk voorbereid, maar het blijven ramingen: soms wordt door omstandigheden anders gehandeld dan was voorzien en wordt bijvoorbeeld een verplichting die voor een periode van vier jaar zou worden verplicht toch maar voor één jaar verplicht. Het overschrijden van de verplichtingenraming is onrechtmatig. Om die reden wordt bij onzekerheden de raming van het onzekere onderdeel vastgesteld op het bedrag dat voor dat onderdeel naar verwachting maximaal nodig is. Aanpassing van verplichtingenramingen vanwege onzekerheid over het moment waarop een verplichting wordt aangegaan, heeft geen invloed op de uitgavenramingen of realisaties. |
| 15 | Welke gevolgen heeft deze lagere verplichting voor de uitvoering van leesbevorderingsprogramma’s? De lagere verplichtingen hebben geen invloed gehad op de daadwerkelijke uitgaven en op de uitvoering van de leesbevorderingsprogramma’s. |
| 16 | Hoe verhoudt de ontwikkeling van de middelen voor leesbevordering zich tot de ambitie om lezen en bibliotheken te versterken? De middelen voor het programma leesbevordering die beschikbaar waren in 2025 zijn aangewend om het lezen te bevorderen en de bibliotheken te versterken. |
| 17 | Waarom werd in de raming uitgegaan van een vierjarige verplichting voor de regeling amateurkunsten, terwijl de beschikking uiteindelijk alleen betrekking had op 2025? Bij het opstellen van een raming bestaan onzekerheden. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 14, wordt in zo’n geval gekozen voor het ramen van het bedrag dat naar verwachting maximaal nodig is. In het geval van de raming rond de regeling amateurkunsten werd in eerste instantie uitgegaan van het scenario waarin de verplichting voor vier jaar zou worden aangegaan in het jaar 2025. In de uitvoering werd, in overleg met het Fonds Cultuurparticipatie, IPO en de provincies, besloten de regeling op te knippen in een regeling voor 2025 en een vervolgregeling voor de periode 2026-2028. Op deze manier zijn de provincies in staat de benodigde matching in hun begroting te verwerken en de regeling organisatorisch uit te voeren. |
| 18 | Welke gevolgen heeft deze wijziging voor amateurkunstorganisaties? De wijziging heeft financieel geen gevolgen voor amateurkunstorganisaties. Het te ontvangen bedrag per jaar blijft hetzelfde. Wel dienen aanvragers per regeling een aanvraag in, in plaats van een keer voor vier jaar. |
| 19 | Hoe sluit de ontwikkeling van middelen voor amateurkunsten aan bij de ambitie om cultuurparticipatie te versterken? Dat in 2025 geen vierjarige verplichting is aangegaan, heeft geen invloed op de middelen die beschikbaar zijn en blijven voor cultuurparticipatie en de daarop aansluitende ambities. |
| 20 | Waaruit bestaat het positieve saldo van €38,5 miljoen aan verleende en vervallen garanties? Dit saldo van € 38,5 miljoen bestaat uit nieuw aangegane garanties (verleende) van € 77,0 miljoen en vervallen garanties van € 38,5 miljoen. |
| 21 | Welke culturele instellingen of regelingen vallen onder deze garanties? Op artikel 14 Cultuur wordt een drietal garantieregelingen verantwoord;
|