Lijst van vragen en antwoorden over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36945-VIII-2)
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025
Lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D28427, datum: 2026-06-09, bijgewerkt: 2026-06-16 16:40, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (CDA)
- Mede ondertekenaar: M. Verhoev, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36945 VIII-6 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025.
Onderdeel van zaak 2026Z12507:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-25 10:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-06-18 10:15 ⇒ Agenderen voor het schriftelijk overleg over het Jaarverslag 2025 en de Staat van het Onderwijs 2026 d.d. 25 juni 2026. (Besluit)
- 2026-06-16 16:00 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-16 16:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-18 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-06-25 10:00: Jaarverslag 2025 en de Staat van het Onderwijs 2026 (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
36 945 VIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025
Nr. 6 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister en staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het rapport van de Algemene Rekenkamer ‘Resultaten erantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’ (36 945 VII, nr. 2).
De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Koorevaar
De griffier van de commissie,
Verhoev
| 1 | Welke lessen trekt u uit de constatering van zowel het IBO als de Algemene Rekenkamer dat effectieve sturing vraagt om heldere doelen, eenduidige sturing en duidelijke rolverdeling? Dat effectieve sturing vraagt om heldere doelen, eenduidige sturing en een duidelijke rolverdeling sluit aan bij de probleemanalyse uit de herijkingsbrief over de sturing in het funderend onderwijs. Zoals in de brief geconstateerd heeft het de overheid te lang ontbroken aan heldere doelen en een duidelijke visie. De overheid stuurde in het funderend onderwijs te vaak inconsistent en overlaadde het onderwijsveld met wensen en maatregelen, waardoor het voor onderwijsorganisaties niet duidelijk was wat de overheid nu precies van hen verwachtte. Daarnaast moet de interne samenwerking tussen het schoolbestuur, de schoolleider en de leraar nog beter. Op veel plekken gaat het goed, maar nog niet overal heeft de leraar en schoolleider de professionele autonomie die hoort bij het beroep. |
| 2 | Op welke wijze gaat u de uitgangspunten van heldere doelen, eenduidige sturing en een duidelijke rolverdeling leidend maken in toekomstig onderwijsbeleid? In de herijkingsbrief over de sturing in het funderend onderwijs zijn vijf uitgangspunten benoemd voor de sturing bij de beleidsvorming. Het gaat om (1) het nemen van meer regie door de overheid, (2) een langetermijnaanpak en/of heldere doelen op de prioritaire thema’s zoals basisvaardigheden en de aanpak van het lerarentekort, (3) structurele bekostiging voor structurele taken, (4) verdere professionalisering is van belang – waaronder ook een duidelijke rolverdeling binnen de schoolorganisatie en (5) samenwerking wordt de norm. Er wordt gewerkt aan heldere doelen op de prioritaire thema’s, de bekostiging en een duidelijke interne rolverdeling. Hierover wordt uw Kamer via de voortgangsbrief lerarenstrategie op de hoogte gehouden. |
| 3 | Deelt u met de Algemene Rekenkamer dat in het jaarverslag niet wordt stilgestaan bij de resultaten van het gevoerde beleid? Resultaten worden op verschillende plekken in het jaarverslag beschreven. Zo wordt in het beleidsverslag stilgestaan bij de uitgevoerde (beleids)maatregelen van de verschillende OCW-beleidsterreinen. Verder is in de beleidsartikelen uitgewerkt wat de gerealiseerde uitgaven zijn per (beleids)maatregel. |
| 4 | Bent u voornemens in het volgende jaarverslag uitgebreider stil te staan bij de resultaten van het gevoerde beleid? Wij blijven werken aan een betere weergave van de samenhang tussen doelen, resultaten, maatregelen, middelen en indicatoren. Op dit moment wordt in het beleidsverslag per beleidsprioriteit en sub-thema beschreven in hoeverre de doelen zijn behaald aan de hand van de uitgevoerde (beleids)maatregelen. Indien mogelijk vermelden we de bijbehorende beleidsindicatoren en verwijzen we per beleidsprioriteit en sub-thema voor nadere informatie naar ocwincijfers.nl. Onder andere vanwege de behapbaarheid en leesbaarheid van het jaarverslag plaatsen wij deze nadere informatie over de koppeling tussen doelen, resultaten, maatregelen, middelen en indicatoren, aan de hand van monitoringsmatrices, op ocwincijfers.nl. |
| 5 | Hoe beoordeelt u het signaal van de Algemene Rekenkamer dat budgetonzekerheid structureel personeelsbeleid belemmert? Zoals in de herijkingsbrief over de sturing in het funderend onderwijs benoemd besteden besturen gemiddeld 81 procent van hun bekostiging aan personele lasten. Daarom is het van belang om structurele (personele) taken structureel te bekostigen. Daarvoor worden enkele grote subsidies omgezet in bekostiging. |
| 6 | Op welke manier wordt tot dusver gewerkt aan het formuleren van een gezamenlijke, meetbare definitie van ‘gelijke kansen’ in het mbo? Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer zijn er gesprekken met JOBmbo en de MBO Raad om concretere afspraken te maken over wat we van instellingen verwachten ten aanzien van informatievoorziening, het mbo-studentenfonds en de begeleiding en ondersteuning van studenten. Rond de zomer sturen wij uw Kamer een brief waarin wij concreet zullen maken wat we onder gelijke kansen verstaan en wat wij hierin van mbo-instellingen verwachten. |
| 7 | Hoe komt het dat het tot dusver niet gelukt is te komen tot een gezamenlijke, meetbare definitie van 'gelijke kansen' in het mbo? Er is in het mbo vanwege de aard en diversiteit van de doelgroep al veel aandacht voor gelijke kansen, in wet- en regelgeving en in de praktijk. Het komen tot een meetbare definitie is complex omdat het over verschillende aspecten van (potentiële) ongelijkheid gaat. |
| 8 | Hoeveel is er uitgegeven (in miljoenen euro's) aan het bevorderen van kansengelijkheid in het mbo? De ondersteuning en begeleiding van studenten wordt gefinancierd vanuit de reguliere bekostiging die mbo-instellingen via de lumpsum ontvangen. Instellingen ontvangen daarnaast ook middelen uit de Werkagenda MBO, waarin kansengelijkheid één van de thema’s is. Voor verbetering van kansengelijkheid kunnen instellingen middelen uit de Werkagenda MBO inzetten. Over 2025 zijn er nog geen cijfers bekend. Uit de monitoring van 2024 blijkt dat instellingen circa € 322 miljoen besteden aan de prioriteit kansengelijkheid. Hieronder vallen in ieder geval de middelen uit de Kwaliteitsafspraken. Daarnaast voeren sommige instellingen ook andere regelingen op, zoals de versterking aansluiting beroepsonderwijskolom (VABOK), de voormalige subsidieregeling nazorg of vullen ze hun inzet aan met lumpsum middelen. |
| 9 | Hoe worden verschillen tussen mbo-instellingen op het gebied van (stage)begeleiding en studentenondersteuning gemeten en teruggedrongen? Stagebegeleiding en studentenondersteuning zijn onderdeel van de bestuurlijke afspraken in de Werkagenda mbo en het Stagepact mbo 2023-2027. Mbo-instellingen hebben op basis van de landelijke doelstellingen via de regeling kwaliteitsafspraken een ‘kwaliteitsagenda’ opgesteld. Daarin hebben zij de eigen ambities geformuleerd waarmee zij bijdragen aan de doelstellingen uit de Werkagenda en het Stagepact. De agenda’s zijn goedgekeurd door het ministerie en de mbo-instellingen ontvangen middelen voor de uitvoering van hun plan. In de jaarlijkse monitoring van de Werkagenda en het Stagepact wordt de voortgang op de doelstellingen en de acties gemeten op instellingsniveau , waardoor in kaart kan worden gebracht waar grote verschillen tussen instellingen optreden. Daarnaast brengen we ook verschillen in onderwijsresultaten voor verschillende groepen studenten in kaart. Zie bijvoorbeeld de laatste meting van najaar 2025 in de Kamerbrief en bijbehorende rapportages. Ook voert JOBmbo jaarlijks een grootschalig tevredenheidsonderzoek uit onder mbo-studenten. De resultaten hiervan laten per mbo-instelling zien hoe studenten de stagebegeleiding en de extra ondersteuning vanuit school ervaren. Insteek van de hele werkagenda is een lerende aanpak. Doordat onderwijsinstellingen van elkaar leren gaat de kwaliteit in de hele sector omhoog. Het kennispunt Beroepspraktijkvorming van de MBO Raad heeft hierin een belangrijke rol. Daarbij worden er naar aanleiding van de midterm review concrete acties ingezet om scholen te ondersteunen bij het verbeteren van (stage)begeleiding, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 18 december 2025. Instellingen waarvan de plannen of resultaten onder de maat scoren, worden door het ministerie hierop aangesproken. |
| 10 | Waarom is er geen inzicht in hoeveel geld er naar welke pijler gaat van het masterplan basisvaardigheden? In het verantwoordingsonderzoek 2023 is een overzicht opgenomen van de middelen die per pijler van het Masterplan Basisvaardigheden beschikbaar zijn. Om de aansluiting met begrotingsstukken te verbeteren is in de begroting van 2026 de relatie tussen beleidsprioriteiten, doelen, beleid (en maatregelen), indicatoren en middelen inzichtelijk gemaakt. |
| 11 | Hoe komt het dat de Algemene Rekenkamer kan constateren dat indirecte administratieve lasten nog onvoldoende worden meegewogen? Het onderzoek “Hoeveel tijd mag het kosten?” van de Algemene Rekenkamer (ARK) dat vorig jaar is gepubliceerd heeft geleid tot nieuwe inzichten met betrekking tot indirecte administratieve lasten. Dit onderzoek was een directe aanleiding om onze aanpak op het gebied van werkdruk en administratieve lasten verder uit te werken, aan te scherpen en te verstevigen. Goed om te lezen dat de Algemene Rekenkamer constateert dat OCW op de goede weg is met de uitwerking van maatregelen naar aanleiding van het onderzoek en het inzetten op de voorgestelde adviezen uit het rapport. |
| 12 | Welke stappen zet u om beter te controleren of middelen voor extra ondersteuning rechtmatig en doelmatig worden ingezet? In onze bestuurlijke reactie bij dit rapport zijn deze stappen toegelicht en is uitgewerkt hoe wordt omgegaan met de aanbevelingen. Het kabinet neemt de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer over om in overleg met de inspectie en DUO gezamenlijk te onderzoeken hoe het toezicht en de controle beter in te regelen is. Het kabinet betrekt de Algemene Rekenkamer bij deze verkenning naar de mogelijke maatregelen voor deze verbetering. |
| 13 | Hoe gaat u de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer rondom de toelaatbaarheidsverklaringen (tlv-afgifte) uitwerken? Ten aanzien van de toelaatbaarheidsverklaringen (tlv) is een wetswijziging in voorbereiding om de onzekerheid op de controle op de bekostigingscategorie van de tlv weg te nemen. Het kabinet betrekt de Algemene Rekenkamer in de voorbereiding, zodat met zekerheid de onzekerheid met deze wijziging goed wordt opgelost. |
| 14 | Hoe beoordeelt u de constatering van de Algemene Rekenkamer dat er beperkt zicht is op de juiste besteding van middelen voor nieuwkomersbekostiging in het primair en voortgezet onderwijs? De middelen voor nieuwkomers worden verstrekt als (aanvullende) bekostiging. Bekostiging moet worden besteed aan onderwijsdoelen, binnen wettelijke kaders op hoofdlijnen. Verantwoording over bekostiging vindt plaats middels het jaarverslag, en dit geldt dus ook voor nieuwkomersbekostiging. Er is dus evenveel zicht op de juiste besteding van de nieuwkomersbekostiging als op andere doelen van de bekostiging. |
| 15 | Welke gevolgen heeft het vervallen van de persoonsgebonden bewijslast sinds 2021/2022 voor de controleerbaarheid van de bekostiging van nieuwkomersonderwijs? Doordat het vervallen van de bewijslast van de persoonsgebonden bewijslast de administratieve lasten heeft verlicht is ook voor een deel van de nieuwkomersbekostiging onzekerheid in de rechtmatigheid geconstateerd. Dat komt doordat niet voor alle nieuwkomers met zekerheid vastgesteld kan worden dat de gegevens van de nieuwkomers correct zijn opgegeven door de school. Om deze onzekerheid op te lossen wordt ambtshalve nieuwkomersbekostiging in het primair onderwijs voorbereid en is per 1 januari 2026 in het voortgezet onderwijs de startdatum van de nieuwkomersbekostiging gewijzigd van de datum in Nederland naar de datum van eerste inschrijving in het onderwijs. |