[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Lijst van vragen en antwoorden over het jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (Kamerstuk 36945-VIII-1)

Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025

Lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D28428, datum: 2026-06-09, bijgewerkt: 2026-06-16 15:26, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36945 VIII-7 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025.

Onderdeel van zaak 2026Z12508:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 945 VIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025

Nr. 7 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 9 juni 2026

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het Jaarverslag ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (36945-VIII, nr. 1).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Koorevaar

Adjunct-griffier van de commissie,

Van Thiel

1

Waarom is ervoor gekozen de resultaten van de uitgegeven middelen niet mee te nemen in het jaarverslag?

De belangrijkste resultaten zijn uitgewerkt in het beleidsverslag. Op basis van de beleidsprioriteiten in het beleidsverslag is beschreven welke doelen OCW had in 2025 en in hoeverre deze zijn behaald aan de hand van de uitgevoerde (beleids)maatregelen. Per beleidsprioriteit en sub-thema wordt een verwijzing gemaakt naar ocwincijfers.nl om nadere informatie over de koppeling tussen doelen, resultaten, maatregelen, indicatoren en middelen te ontsluiten.

2

Heeft het aantal leerlingen op een school invloed op de onderwijsresultaten, bijvoorbeeld een school met 50, 100, 200, 300 of meer leerlingen per school, wat zijn de onderwijsresultaten van de scholen met deze leerlingenaantallen en kregen deze scholen per blok een herstelopdracht?

Nationale en internationale onderzoeken van de afgelopen vijftien jaar geven aan dat er geen bewijs is van een oorzakelijk verband tussen de schoolgrootte en de resultaten van onderwijs. In de Staat van het Onderwijs 2020 gaf de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) aan dat in 2019 het overgrote deel van de bijna 1.200 scholen met maximaal 100 leerlingen voldeed aan de basiskwaliteit, maar dat deze scholen wel wat vaker dan gemiddeld onvoldoende (3%) of zeer zwakke (1,2%) onderwijskwaliteit hadden. Op basis van recentere data specifiek uit het voortgezet onderwijs kan de inspectie geen samenhang aantonen tussen schoolgrootte en het inspectieoordeel Voldoende of Onvoldoende.

Van herstelopdrachten ‘per blok’ van scholen is geen sprake: de inspectie geeft herstelopdrachten aan een school of bestuur, niet aan groepen scholen of groepen besturen.

3

Hoe toetst u bij nieuwe wet- en regelgeving expliciet op uitvoerbaarheid voor scholen en schoolbesturen?

Dit gebeurt op verschillende manieren. Informeel met behulp van gesprekken met maatschappelijke partners gevoerd worden voorafgaand aan wet- en regelgeving. Formeel gebeurt dit via de internetconsultatie. Dat geeft eenieder de mogelijkheid om zich over de uitvoerbaarheid uit te spreken. Daarnaast werkt het kabinet momenteel– conform motie van Zanten en Rooderkerk (Kamerstuk 27923, nr. 503)– aan een Lerarentoets, waarbij de stem van de leraar over de uitvoerbaarheid van wetgeving of beleidswijzigingen) wordt verankerd.

4

Welke concrete reductiedoelen hanteert u voor administratieve lasten in het funderend onderwijs bij nieuwe beleidsvoorstellen?

Uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat 26% van de leraren die overweegt van baan te wisselen of het onderwijs te verlaten administratie als belangrijkste reden noemt. Het overgrote deel van de administratie die leraren doen volgt niet direct uit wet- en regelgeving maar is opgenomen in schoolbeleid en werkprocessen. Dat maakt dat de ervaren administratieve last sterk per individu en school verschilt. Hierdoor is het niet mogelijk om vaste reductiedoelen te stellen. De oplossing ligt namelijk niet in het schrappen van wet- en regelgeving maar in het verduidelijken wat geadministreerd moet worden. De uiteindelijke vermindering van administratieve lasten vindt uiteindelijk op school plaats, in gesprekken tussen het onderwijspersoneel. Daar kunnen scholen de afweging maken tussen de kosten en baten van administratie, prioriteren en deze efficiënter inrichten.

Het verminderen van administratieve lasten vraagt iets van het gehele onderwijsveld. Onze aanpak is daarmee gericht op verschillende doelen. OCW verlaagt de administratieve last voor scholen door subsidieregelingen onderdeel te maken van de structurele bekostiging of samen te voegen. Zo wordt per 1 januari 2027 de subsidieregeling “Verbetering basisvaardigheden” onderdeel van de structurele bekostiging. Ook wordt met de implementatie van de onderwijsregio’s verschillende subsidieregelingen samengevoegd. Daarnaast wordt met de inspectie onderzocht wat er aanvullend nodig is om scholen meer duidelijkheid te bieden om de ervaren administratieve last te verlagen. Zo is op 1 juni een bijeenkomst georganiseerd samen met de Inspectie van het Onderwijs om te leren van de Vlaamse planlastcalculator. Uw Kamer wordt met de voortgangsbrief lerarenstrategie nog voor de zomer geïnformeerd over de verdere aanpak van administratieve lasten in het onderwijs. Zie ook het antwoord op vraag 11 en vraag 49.

5

Hoe verhoudt de huidige veelheid aan subsidies, programma’s, monitors, sectorafspraken en verantwoordingslijnen zich tot het uitgangspunt van eenduidige sturing?

In de herijkingsbrief over de sturing in het funderend onderwijs is geconstateerd dat de overheid de sturingsinstrumenten, waaronder de bekostiging, niet altijd consistent inzet. Daarnaast overladen de overheid en de politiek het veld met beleidsmaatregelen en is het onvoldoende transparant waaraan bekostiging wordt besteed.

In bovengenoemde brief zijn vervolgens vijf uitgangspunten opgenomen voor het beleid, ongeacht de keuzes met betrekking tot de sturing. Eén van deze uitgangspunten is structurele bekostiging voor structurele taken. Een veelvoud aan incidentele middelen zorgt voor onzekerheid en bemoeilijkt het werken aan beleid voor de lange termijn. Structurele bekostiging voor structurele taken is dus een belangrijk principe om het mogelijk te maken voor scholen om te werken aan beleid dat op de lange termijn gericht is.

Ook in het coalitieakkoord is de ambitie opgenomen om te zorgen voor structurele bekostiging. Het kabinet gaat terughoudend om met het verstrekken van nieuwe subsidies. Het wetsvoorstel gerichte bekostiging met beoogde eerste toepassing vanaf 1 januari 2028 wordt nu voorbereid. Concreet worden allereerst de middelen voor basisvaardigheden omgezet van een subsidie naar structurele bekostiging per 2027.. Daarnaast werkt het kabinet ook aan transparantie van de bekostiging. Uw Kamer wordt hier voor de zomer nader over geïnformeerd.

6

Hoe voorkomt u dat verantwoordingsdruk rond subsidies voor basisvaardigheden leidt tot extra administratieve belasting voor scholen en leraren?

De verantwoordingslast voor de subsidie basisvaardigheden is tot een minimum beperkt door een efficiënt aanvraagproces en door de verantwoording zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij bestaande activiteiten. Voor de subsidieaanvraag is een digitaal aanvraagformulier beschikbaar waar slechts enkele gegevens ingevuld hoeven worden. Na toekenning van de subsidie stellen scholen een activiteitenplan op waarin zij hun keuzes onderbouwen. OCW biedt scholen hierbij ondersteuning met een interventiekaart en startbijeenkomsten.

Voor de verplichte nulmeting en monitoring voor taal en rekenen-wiskunde kan de school aansluiten bij schooleigen toetsen en de gebruikte leerlingvolgsystemen. Uit monitoringsonderzoek blijkt dat de ondersteuning als zeer behulpzaam wordt ervaren. Ook zijn de meeste scholen tevreden over de uitvoering. Per 2027 hoeven scholen geen aanvraag meer in te dienen, omdat met het wetsvoorstel gerichte bekostiging de gelden voor basisvaardigheden zonder aanvraag worden toegekend.

7

Hoe verhoudt incidentele subsidiesturing zich tot het uitgangspunt van vertrouwen in professionele schoolorganisaties?

De grootste subsidies worden omgezet naar bekostiging. Het wetsvoorstel gerichte bekostiging met beoogde eerste toepassing vanaf 1 januari 2028 helpt hier stappen in te zetten. Subsidies zijn mede door dit wetsvoorstel in mindere mate noodzakelijk om te sturen op onderwijsdoelen en kunnen met name worden ingezet bij een tijdelijke taak, pilot of wanneer deze ten behoeve komen van een specifieke doelgroep.

8

Welke stappen gaat u zetten om structurele bekostiging meer leidend te maken dan incidentele programmafinanciering?

Zie het antwoord op vraag 5.

9

Welke gevolgen heeft de instroom van internationale studenten op onderwijscapaciteit en studentenhuisvesting?

De gevolgen van de instroom van internationale studenten voor onderwijscapaciteit en studentenhuisvesting verschillen per opleiding, instelling en regio. Daarbij is van belang dat de instroom past binnen de absorptiecapaciteit: het aantal studenten dat instellingen en regio’s kunnen opvangen zonder dat de kwaliteit van onderwijs of de beschikbaarheid van huisvesting onder druk komt te staan. In sommige regio’s en opleidingen kan internationale instroom juist bijdragen aan het behoud van maatschappelijk en regionaal belangrijke opleidingen die worstelen met dalende studentenaantallen. Het is daarom van belang dat instellingen, samen met lokale partners, goed zicht hebben op hun absorptiecapaciteit en tijdig kunnen bijsturen wanneer deze dreigt onder druk te komen staan. Het wetsvoorstel internationalisering in balans biedt instellingen hiervoor aanvullende sturingsmogelijkheden via de introductie van nieuwe numerus fixusmaatregelen.

De (verwachte) instroom van internationale studenten is een relevante factor in de vraag naar studentenhuisvesting. Internationale studenten maken, anders dan Nederlandse studenten, bijna altijd gebruik van studentenhuisvesting. Zij hebben vaak geen lokaal netwerk of familie in de buurt en zijn dus volledig aangewezen op specifieke woonruimtes. Om deze reden is er, naast verschillende acties voor nationale studenten, ook specifieke aandacht voor de instroom van internationale studenten in het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting (2022-2030).

10

Hoe voorkomt u dat nieuwe verantwoordingsverplichtingen het lerarentekort en de werkdruk verder vergroten?

Bij nieuwe subsidieregelingen en wetten worden de verwachte kosten in de vorm van directe regeldruk in kaart gebracht. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) toetst of de verhouding tussen de opbrengsten en de kosten proportioneel is. Ook vermindert het kabinet verantwoordingsverplichtingen. Zo worden er bijvoorbeeld met de implementatie van de onderwijsregio’s verschillende subsidieregelingen samengevoegd.

Tegelijkertijd concludeert de Algemene Rekenkamer in het onderzoek “Hoeveel tijd mag het kosten?” dat de gevolgen van indirecte administratieve lasten onvoldoende worden meegewogen bij nieuw beleid. Maatregelen om hier zicht op te krijgen zijn onderdeel van de nieuwe aanpak op werkdruk als gevolg van administratieve lasten. Uw Kamer wordt hierover voor de zomer met de voortgangsbrief lerarenstrategie geïnformeerd.

11

Welke ruimte krijgen schoolbesturen om op eigen wijze invulling te geven aan kwaliteitszorg zonder aanvullende registratiedruk?

De minimumeisen voor kwaliteitszorg zijn vastgelegd in wetgeving en worden nader uitgewerkt in de Onderzoekskaders van de inspectie. De inspectie ziet toe op de naleving van deze wettelijke eisen. Hoe deze exact worden ingevuld en of een bestuur daar bovenop extra inzet wil plegen, is aan het bestuur. Aan registratie daarvan worden geen aanvullende eisen gesteld.

12

Welke meetbare resultaten zijn tot op heden bereikt met de investeringen in het Masterplan basisvaardigheden?

Inmiddels is met de subsidie ‘Verbetering basisvaardigheden’ 95 % van de leerlingen bereikt. Schoolleiders zijn in vragenlijstonderzoek uitgesproken positief over het effect van de subsidie op de expertise van het team en de extra aandacht in het onderwijs voor de basisvaardigheden. Ook zien zij eerste positieve effecten bij hun leerlingen op taal en rekenen-wiskunde. Echter, structurele verandering van leerprestaties heeft tijd nodig. In het eerste CPB-deelonderzoek naar de effectiviteit van de regeling is daarom nog geen significant effect van de subsidie op leerprestaties zichtbaar. Dit is volgens het CPB niet verwonderlijk: het is te verwachten dat er in het eerste of het tweede jaar na de toekenning van de subsidie nog geen systematische en betrouwbare effecten zichtbaar zijn in de analyses.

13

Welk deel van deze middelen is besteed in het Caribisch deel van het Koninkrijk?

In de eerste ronde van de subsidie ‘Verbetering Basisvaardigheden’ (schooljaar 2022-2023) hebben 15 scholen (12 po en 3 vo) op Caribisch Nederland in totaal ruim € 5,2 miljoen ontvangen. Dit is circa 2.5% van het totale subsidiebedrag van de eerste ronde.

14

Hoe wordt gemeten of de culturele sector daadwerkelijk bijdraagt aan het verdienvermogen van Nederland?

Bij het CBS wordt door het ministerie van OCW op regelmatige basis de Satellietrekening Cultuur en Media uitgevoerd. Hierin staan meerdere economische gegevens en macrocijfers over onder andere het aandeel van cultuur en media in het bbp en de totale Nederlandse werkgelegenheid. Zo was het aandeel van cultuur en media in het bbp in 2022 3,3%. Daarmee wordt het mogelijk de bijdrage aan het verdienvermogen van Nederland te benaderen.

Daarnaast draagt cultuur bij aan het maatschappelijk verdienvermogen, onder andere door creatieven die in andere sectoren werkzaam zijn. In de meeste recente editie van de Monitor Creatieve Industrie zijn hierover cijfers opgenomen die de toename in van de ‘embedded creatives’ laten zien. Daarbij wordt opgemerkt dat de mate van inbedding van de creatieve professionals in de economie beschouwd kan worden als een indicator voor de mate van belang van creativiteit in de economie.

15

Welke concrete resultaten zijn in 2025 bereikt met het versterken van het cultureel en creatief klimaat?

OCW draagt bij aan het versterken van het culturele en creatieve klimaat door invulling te geven aan de verantwoordelijkheid voor de Wet op het specifiek cultuurbeleid, de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet, de Archiefwet en de Wet op de vaste boekenprijs. OCW draagt bij aan het cultureel klimaat met de basisinfrastructuur (bis) en de rijkscultuurfondsen, stimuleert verbeteringen in het culturele en creatieve klimaat en regisseert op processen waar landelijk inzet op nodig is. In 2025 is specifiek inzet gepleegd op de thema’s genoemd in het beleidsverslag, zoals het realiseren van een toekomstgerichte bibliotheek, opzetten van een meerjarig implementatieprogramma voor de Archiefwet en ophoging van de subsidie instandhouding monumenten (sim). Ook is met de nieuwe bis-periode in 2025 meer geld vrijgekomen voor fair pay, is er meer regionale spreiding binnen de bis en zijn de eerste stappen gezet om de subsidietermijn van vier naar acht jaar te verlengen om meer stabiliteit in de sector te realiseren.

De mate waarin deze inspanningen bijdragen aan de versterking van de culturele en creatieve sector is niet altijd direct zichtbaar. Beleidsmaatregelen vragen om implementatietijd en evaluatie zodat resultaten zichtbaar kunnen worden gemaakt. Zo zullen de extra middelen voor fair pay en de bijbehorende verplichting in 2027 worden geëvalueerd.

16

Hoe wordt de bibliotheekvoorziening in Caribisch Nederland betrokken bij deze zorgplicht?

De zorgplicht voor de bibliotheekvoorzieningen zal, nadat het parlement heeft ingestemd met de aangepaste Wet stelsel openbare bibliotheken, ook gelden voor de openbare lichamen in Caribisch Nederland. Hiervoor ontvangen zij een structureel zorgplichtbudget. Van de openbare lichamen wordt verwacht dat zij na overleg met de lokale bibliotheek, in een meerjarenplan beschrijven op welke manier zij invulling geven aan de zorgplicht. Het meerjarenplan houdt rekening met de lokale omstandigheden, de behoeften en de mogelijkheden. In het meerjarenplan onderbouwen de openbare lichamen hoe rekening is gehouden met de bijdrage die de bibliotheek levert aan lokale maatschappelijke opgaven die tot het domein van de bibliotheek horen. Het meerjarenplan beschrijft tevens hoe de bibliotheek zich verhoudt tot andere sociaal-culturele voorzieningen en onderwijs. Het meerjarenplan licht toe hoe de lokale bibliotheek is betrokken bij de totstandkoming van het meerjarenplan.

17

Welke organisaties nemen deel aan het implementatieprogramma van de Archiefwet?

Het Programma Implementatie Archiefwet (IPA) loopt van 1 januari 2026 tot 31 december 2030. Binnen het programma werkt het ministerie van OCW samen met o.a. het Nationaal Archief, het ministerie van BZK, de Inspectie overheidsinformatie en Erfgoed, het Interprovinciaal overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen, de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en diverse onderwijsinstellingen, zoals de Universiteit van Amsterdam, de hogeschool van Amsterdam en de Reinwardt academie.

Het implementatieprogramma voor de nieuwe Archiefwet richt zich op 4 doelgroepen: 1) alle overheidsorganisaties (voorover ze documenten maken of ontvangen in het kader van hun publieke taak), 2) toezichthouders, 3) archiefdiensten, en 4) de partijen die onderwijs geven aan archief- en informatieprofessionals.

18

Hoeveel middelen zijn structureel geïnvesteerd in het selectieregister?

Voor de bouw en het beheer van het selectieregister is jaarlijks € 1 miljoen gereserveerd.

19

Welke maatregelen worden genomen om digitaal informatiebeheer bij overheidsorganisaties te verbeteren?

Met de modernisering van begrippen en procedures in de vernieuwde Archiefwet is beoogd deze wet makkelijker toepasbaar te maken in de digitale wereld en daarmee is deze wet op zichzelf al een antwoord op de opgave rondom digitale archivering en informatiebeheer. De nieuwe Archiefwet zal op 1 januari 2027 in werking treden. Overheidsorganisaties worden via het implementatieprogramma ondersteund bij het verbeteren van hun beheerstaken door middel van kennis (zoals kennisproducten op gebied van beheer en selectie) en de versterking van het toezicht. Daarbij wordt in dit programma vooral ingezet op het toepassen van beheersregels, informatieoverzicht, en selectiebesluiten. Gezien de achterstanden bij veel archiefvormers zal duurzame versterking van hun informatiebeheer een ingrijpende en langjarige exercitie worden. De nieuwe wet houdt daar rekening mee, en archiefvormers krijgen tijd om te voldoen aan de aangepaste normen. Voor de opbouw van het toezicht en het geven van voorlichting over het aangescherpte toezichtskader, wordt de tijd genomen tot aan de tussentijdse beoordeling van de wet in 2029. Ook wordt er een onderzoek uitgevoerd naar de stand van het decentrale toezicht.

20

Hoe wordt gecontroleerd of instellingen zich houden aan collectieve tariefafspraken?

In de bis-regeling 2025-2028 is opgenomen dat instellingen verplicht zijn om zich aan te sluiten bij een cao of andere tariefafspraken. Bij de subsidieaanvraag hebben instellingen een ‘verklaring getrouwheid’ over de collectieve afspraken over eerlijke beloning aangeleverd. Hier staat tegenover dat door OCW vanaf 2025 structureel € 38,4 miljoen beschikbaar is gesteld voor de bis-instellingen, de Rijkscultuurfondsen en de Erfgoedwet-musea. Via de jaarlijkse monitorgesprekken kan de fair pay verplichting ook aan de orde komen. Uw Kamer is toegezegd om in 2026/2027 een evaluatie uit te voeren naar de fair practice code die zich met name zal richten op het fair pay-beleid. Hierin zal (de naleving van) deze regeling worden meegenomen.

21

Welke gevolgen heeft fair pay voor kleinere culturele instellingen?

Uit het onderzoek ‘fair pay dichterbij’ blijkt dat de relatief grootste uitdaging richting fair pay ligt bij kleinere culturele instellingen. Hierin wordt gesteld dat fair pay in de eerste plaats een goede bedrijfsvoering met een realistische balans tussen activiteiten en beschikbare middelen vereist. In de tweede plaats is het gewenst dat culturele organisaties beschikken over uitgewerkte plannen voor de invoering van fair pay. In de derde plaats is het van belang dat (kleinere) organisaties hun kennis over de fair practice code, de arbeidsvoorwaarden, en de sociale en fiscale wetgeving vergroten. Platform ACCT (gesubsidieerd binnen de bis 2025-2028) vervult de rol als bovensectorale ondersteunende instelling om handvatten te bieden aan de sector inzake arbeidsmarktvraagstukken.

22

Hoe wordt cultuuronderwijs in Caribisch Nederland versterkt?

Het cultuuronderwijs wordt op verschillende manieren versterkt. OCW verstrekt middelen aan het Fonds voor Cultuurparticipatie voor het programma cultuureducatie met kwaliteit (CMK). Met een specifieke projectenregeling gericht op Caribisch Nederland van het FCP wordt dit programma op de drie eilanden uitgevoerd. Dit is gestart in 2021. Het heeft dezelfde penvoerderstructuur als in Europees Nederland, met voorwaarden gericht op de praktijk in Caribisch Nederland. Ook verstrekt het ministerie van OCW sinds 2023 middelen aan de openbare lichamen voor cultuurcoaches die verbinding leggen tussen cultuur en andere sectoren, waaronder het onderwijs. De Cultuurkaart uitgevoerd door het CJP is ook beschikbaar in Caribisch Nederland.

23

Hoeveel culturele instellingen in Caribisch Nederland ontvangen BIS-subsidie?

De Wet op het specifiek cultuurbeleid is expliciet van toepassing voor Caribisch Nederland. Echter zijn voor de lopende subsidieperiode (2025-2028) geen subsidieaanvragen gedaan voor de basisinfrastructuur door instellingen gevestigd in Caribisch Nederland. Volgens opgave van de Rijkscultuurfondsen wordt één instelling meerjarig gesubsidieerd die gevestigd is in Caribisch Nederland. Meer detailinformatie over de aanvragen en de toekenningen is te vinden in de bijlage bij de Kamerbrief Culturele basisinfrastructuur 2025-2028. Via de fondsen wordt op grond van deze subsidieregelingen (project)subsidies verstrekt aan makers en organisaties op Caribisch Nederland.

In de opdracht aan de zes Rijkscultuurfondsen is opgenomen dat zij hun regelingen, voor zover van toepassing en mogelijk, open blijven stellen voor het gehele Koninkrijk. Aanvullend is aan de fondsen gevraagd aandacht te hebben voor de zichtbaarheid en toegankelijkheid van hun regelingen. De fondsen hebben hiervoor o.a. de website https://rijkscultuurfondsen.org/ gelanceerd om aanvragers te helpen het passende fonds en bijbehorende subsidieregelingen te vinden.

24

Welke concrete en meetbare doelen hanteert u momenteel voor basisvaardigheden, passend onderwijs, kansengelijkheid en onderwijskwaliteit?

De doelen voor het Masterplan basisvaardigheden zijn in 2023 met uw Kamer gedeeld. Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de meest recente resultaten.

Voor Passend Onderwijs zijn bij de invoering 7 doelen gesteld, waaronder dat de ondersteuningsbehoefte leidend is, leerlingen en ouders worden gehoord, en leraren worden ondersteund. Deze doelen zijn uitgewerkt in 25 maatregelen. Op 20 mei heeft 2026Z10426&did=2026D23601">uw Kamer de meest recente resultaten ontvangen.

Voor kansengelijkheid zijn doelen en beleidsindicatoren vastgesteld en gekoppeld aan de begrotingscyclus van 2025.

25

Bij welke van de doelen basisvaardigheden, passend onderwijs, kansengelijkheid en onderwijskwaliteit constateert u zelf dat deze momenteel onvoldoende meetbaar of eenduidig zijn geformuleerd?

Voor het Masterplan basisvaardigheden geldt dat er concreet meetbare indicatoren zijn verbonden aan de doelstellingen. Uitzondering daarop is dat er aan het einde van het vo geen toets is die direct het referentieniveau meet dat leerlingen behalen. De leerlingvolgsysteemtoetsen brengen wel in beeld welke referentieniveaus leerlingen in leerjaar 1 tot en met 3 halen voor Nederlands en rekenen-wiskunde. Op dit moment wordt met experts verkend in hoeverre aan de hand van deze bron - eventueel in combinatie met andere bronnen - betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan over het referentieniveau dat leerlingen aan het einde van het vo behalen.

Op thuiszitters had het kabinet binnen Passend Onderwijs nog niet afdoende zicht. Recent is het wetsvoorstel Terugdringen Schoolverzuim aangenomen door uw Kamer. Hiermee wordt het aantal thuiszitters beter inzichtelijk.. Zoals verder aangekondigd in 2026Z10426&did=2026D23601">de brief Van passend naar inclusief onderwijs wordt er naar inclusief onderwijs in 2035 toegewerkt. In het voorjaar van 2027 komt daarvoor een transitieplan. Hierin komen ook voor inclusief onderwijs doelen die eenduidig en meetbaar moeten zijn.

Voor kansengelijkheid is een aantal sectoroverstijgende kernindicatoren vastgelegd die de ontwikkelingen omtrent kansengelijkheid voor langere tijd volgen. Deze kernindicatoren staan in het Dashboard kansengelijkheid en segregatie en geven een beeld of er structurele verschillen in onderwijsloopbanen zijn tussen groepen leerlingen en studenten. Dit dashboard is openbaar en biedt inzichten op landelijk en regionaal niveau. Naast deze kernindicatoren worden de maatregelen omtrent kansengelijkheid ook geëvalueerd bijvoorbeeld via de 2026Z10674&did=2026D24151">monitor school en omgeving.

26

Hoe voorkomt u dat scholen en besturen worden afgerekend op ambities die onvoldoende concreet of consistent zijn uitgewerkt?

Allereerst: de ambities en doelen bij vraag 24 en 25 zijn beleidsdoelen en hebben betrekking op het stelsel als geheel. Individuele scholen worden niet afgerekend op deze ambities. Dit is bij de totstandkoming van het Masterplan ook met het onderwijs en uw Kamer zo gedeeld. De beleidsdoelen helpen uw Kamer en het kabinet om het goede gesprek te voeren over beleidsmaatregelen en het effect hiervan. Het vraagt om een collectieve inspanning van OCW, scholen, leraren en andere partijen in het onderwijs om deze doelen te behalen.

Voor de beoordeling van individuele scholen en besturen gelden de onderwijswetten en het daarop gebaseerde onderzoekskader van de inspectie. In onze onderwijswetgeving is vastgelegd waar deugdelijk onderwijs op een school aan moet voldoen. De onderzoekskaders van de inspectie zijn een nadere uitwerking daarvan. De minimumeisen die aan scholen en besturen worden gesteld zijn daarmee concreet en consistent vastgelegd, en deze eisen worden via het nalevingstoezicht van de inspectie beoordeeld. Daarbovenop worden scholen en besturen gestimuleerd om te werken aan eigen wensen en ambities, onder meer via het stimulerend toezicht van de inspectie.

27

Hoe wordt bij nieuwe beleidsprogramma’s vooraf vastgesteld welke resultaten worden verwacht, binnen welke termijn en hoe deze resultaten meetbaar worden gemaakt?

Voor nieuwe beleidsprogramma’s vormt het beleidskompas het uitgangspunt. Een beleidstheorie wordt benut om op voorhand inzichtelijk te maken op welke wijze het programma beoogt bij te dragen aan beleidsdoelstellingen en de oplossing van maatschappelijke problemen. Er wordt toegewerkt naar een beschrijving vooraf, over hoe het beleid tot het gewenste resultaat kan/moet leiden, inclusief welke aannames daarbij zijn gedaan en welke externe factoren ook invloed kunnen hebben op het resultaat. Daarbij kan de beleidstheorie ook uitgangspunt zijn voor de opzet van beleidsevaluatie en -monitoring, waarmee voortgang op en resultaat van doelstelling inzichtelijk kan worden gemaakt. Overigens kunnen niet bij elk beleidsprogramma de effecten op het niveau van de beleidsdoelstelling eenvoudig inzichtelijk worden gemaakt of worden gemeten. In zulke gevallen kan er vaak wel inzicht worden gegeven in de beleidsinzet en het directe resultaat daarvan. Bijvoorbeeld hoe veel is uitgegeven om een doelstelling te halen en wat er met deze uitgave beleidsmatig gerealiseerd is. Daarnaast wordt bij nieuwe beleidsprogramma’s de Strategische Evaluatie Agenda benut om evaluaties en onderzoeken in te plannen. Daarmee kan op langere termijn inzicht worden gegeven in de effecten van het gevoerde beleid.

28

Welke verantwoordelijkheden liggen volgens u expliciet bij het Rijk, welke bij samenwerkingsverbanden, welke bij schoolbesturen en welke bij scholen zelf?

De Grondwet regelt enerzijds dat het onderwijs een "voorwerp van aanhoudende zorg der regering" is. Dit betekent dat de (rijks)overheid op stelselniveau verantwoordelijk is voor het waarborgen van de (minimum)kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs en daarmee ook de bekostiging van het onderwijs. Anderzijds regelt de Grondwet dat er vrijheid van onderwijs is. Ten behoeve van voornoemde aanhoudende zorg mag de onderwijsvrijheid bij wet worden ingeperkt. De wetgever bepaalt dus in beginsel welke verantwoordelijkheid waar is belegd. Daarbij zijn besturen verantwoordelijk voor onder meer de aansturing van de organisatie, de kwaliteit van het onderwijs en de continuïteit van het onderwijs op de scholen die onder het bestuur vallen. Besturen dienen daarbij schoolleiders en leraren goed in positie te zetten zodat zij in gezamenlijkheid het onderwijskundig beleid op de school goed vorm kunnen geven, onder andere door passende afspraken over taken en verantwoordelijkheden vast te leggen in het management statuut en professioneel statuut. Samenwerkingsverbanden zijn samen met de schoolbesturen verantwoordelijk voor het realiseren van een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. Om dit te kunnen realiseren hebben zij ieder aparte taken en verantwoordelijkheden die in elkaars verlengde liggen en beschreven zijn in het Programma van Eisen.

29

Op welke onderdelen constateert u dat verantwoordelijkheden tussen het Rijk, samenwerkingsverbanden, schoolbesturen en scholen zelf momenteel onvoldoende scherp zijn afgebakend?

Bij afbakening van overlappende taken en verantwoordelijkheden is met enige regelmaat sprake van onscherpte. Die onscherpte is dan ook inherent aan het systeem en kan nooit helemaal worden voorkomen. Een goede samenwerking tussen partijen is dan cruciaal voor de goede uitvoering van de taken. Een voorbeeld van zo’n vraagstuk is de vraag of er sprake is van basisondersteuning voor een leerling, die wordt geleverd en betaald vanuit de school, of dat er sprake is van extra ondersteuning, waar ook het samenwerkingsverband passend onderwijs een rol in heeft. Met de ontwikkeling van de landelijke norm basisondersteuning, die op dit moment wordt gedaan door de AOb en Ouders&Onderwijs, proberen we dit verder te verhelderen.

30

Hoe voorkomt u dat scholen tegelijkertijd op uiteenlopende en soms conflicterende beleidsprioriteiten worden aangesproken?

Het is belangrijk om te zorgen voor langjarige doelen op de prioritaire thema’s. Zo wordt gezorgd voor commitment en focus. Er is gekozen voor een focus op taal en andere basisvaardigheden (rekenen, digitale vaardigheden en burgerschap). Daarnaast wil dit kabinet zorgen voor goed en voldoende onderwijspersoneel en werkt het kabinet aan sociale veiligheid en gelijke behandeling.

31

Op welke wijze bewaakt u dat toezicht bij passend onderwijs proportioneel blijft en niet leidt tot vermindering van handelingsruimte voor scholen en besturen?

De inspectie houdt toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften ten aanzien van passend onderwijs. De inspectie doet dit binnen de kaders van de Wet op het onderwijstoezicht die onder meer voorschrijft dat de inspectie haar taken op zodanige wijze verricht dat instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldige uitoefening van het toezicht noodzakelijk is. De Wet op het onderwijstoezicht schrijft daarbij voor dat de intensiteit van de taakuitoefening van de inspectie afhankelijk is van de kwaliteit van het onderwijs, van de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd, van de mate van naleving van wettelijke voorschriften en van de financiële situatie van de instelling. De inspectie treedt niet in de handelingsruimte van scholen en besturen, maar ziet toe op de naleving van wettelijke voorschriften die deze handelingsruimte bepalen en begrenzen.

32

Welke mogelijkheden ziet u om schoolbesturen meer meerjarige financiële zekerheid te bieden?

Zie het antwoord op vraag 5.

33

Welke afrekenbare doelen staan u voor ogen bij het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid in termen van verbetering van de basisvaardigheden bij kinderen in Nederland?

Vanuit het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid zijn gemeenten verplicht binnen hun gemeente voldoende voorzieningen met voorschoolse educatie aan te bieden, zowel in aantal als in spreiding, voor kinderen met het risico op een onderwijsachterstand. Daarnaast mogen gemeenten de middelen ook besteden aan activiteiten gericht op het bevorderen van de Nederlandse taal bij leerlingen met een taalachterstand en aan afspraken rond voor- en vroegschoolse educatie. De afrekenbare doelen beperken zich tot deze inspanningsverplichtingen. Daarbij heeft een gemeente zich altijd aan de eigen gemeenteraad te verantwoorden.

34

Erkent u dat stabiele en voorspelbare bekostiging een randvoorwaarde is voor kwaliteitsverbetering op lange termijn en welke consequenties verbindt u dan daaraan?

Het is belangrijk dat scholen kunnen rekenen op structurele bekostiging voor structurele taken. In het antwoord op vraag 5 is uiteengezet welke stappen het kabinet daarvoor neemt.

35

Hoe groot is de budgettaire impact van de ruim 23.000 leerlingen in het internationaal schakelonderwijs (ISK) op het voortgezet onderwijsbudget?

In 2025 bedroeg de totale aanvullende bekostiging voor nieuwkomers in het voortgezet onderwijs ongeveer € 262,9 miljoen. De bekostiging voor nieuwkomers is overigens niet direct gerelateerd aan een ISK (internationale schakelklas). De nieuwkomersbekostiging richt zich op leerlingen met een niet-Nederlandse nationaliteit die korter dan twee jaar staan ingeschreven op een school in Nederland. Dit is ongeacht of de leerling is ingeschreven op een ISK. Nieuwkomers in het vo kunnen namelijk – naast de ISK’s – ook naar een reguliere school gaan.

36

Welke ontwikkeling valt te verwachten bij brede brugklassen in Nederland nu de Nationaal Programma Onderwijs Regeling Brede Brugklassen werd stopgezet?

Scholen konden in de periode 2021-2023 eenmalig € 100.000 subsidie ontvangen voor brede brugklassen. Scholen die ervoor kiezen om brede brugklassen in te richten, doen dat in de regel omdat dit past bij hun onderwijsvisie en leerlingenpopulatie. In die zin is niet te verwachten dat scholen door het wegvallen van de (eenmalige) subsidie daar ineens mee stoppen. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken om vanaf 2027 structureel € 58 miljoen beschikbaar te stellen om scholen te ondersteunen en daarmee te stimuleren om een voldoende dekkend aanbod van een goede regionale mix aan brede brugklassen en onderwijs in één richting te realiseren.

37

Wat zijn de gevolgen van het niet uitvoeren van de aangenomen motie Ergin c.s. uit 2024 over de herinvoering van de Ministersplaatsen voor Caribische kandidaten op de beschikbaarheid van (toekomstig) zorgpersoneel op Caribisch Nederland?1

Zoals uw Kamer op 16 december jl. is geïnformeerd wordt de motie Ergin c.s. (2024) samen met VWS uitgevoerd in de vorm van een bredere integrale aanpak om de aansluiting te verbeteren tussen zorgopleidingen met selectie in Europees Nederland en het Caribisch zorgveld. Overige zorgopleidingen zijn vrij toegankelijk voor Caribische studenten. Hiermee zetten we in op het terugdringen van de tekorten aan zorgprofessionals daar, door verbetering van de instroom, doorstroom én uitstroom van Caribische studenten. Het kabinet is pas recent met deze aanpak gestart, waardoor de impact daarvan nog niet direct zichtbaar is. De instroom van Caribische studenten en de integrale programmatische aanpak zal tussentijds gemonitord worden en over drie jaar vindt er een evaluatie plaats.

38

Wat zijn de gevolgen voor de toegankelijkheid van het selectieve hoger onderwijs van het niet uitvoeren van de aanbevelingen uit het NRO2 Consortiumonderzoek ‘Onbedoelde effecten van selectie op de diversiteit van de geneeskundestudenten-populatie en de kandidatenpool: Wat kunnen we eraan doen?’?

Het ministerie van OCW betrekt inzichten uit wetenschappelijk onderzoek bij beleidsvorming, maar neemt niet elke aanbeveling uit beschikbaar onderzoek integraal over. Zo kiest het kabinet er niet voor om voorkeursbeleid op basis van achtergrondkenmerken in selectie mogelijk te maken, maar voor een andere aanpak. Het kabinet is voornemens om kansengelijkheid te vergroten door opleidingen te verplichten om in de onderbouwing van hun selectieprocedure meer rekening te houden met eventuele kansenongelijkheid (internetconsultatie). Ook dienen instellingen de onderbouwing te publiceren op hun website, dat maakt de selectieprocedure transparanter voor aspirant-studenten. Deze voorgestelde wetswijziging sluit goed aan bij andere aanbevelingen uit het genoemde onderzoek. De onderzoekers bevelen namelijk ook aan om oog te houden voor kansengelijkheid bij het ontwerpen van selectieprocedures en de transparantie richting aspirant-studenten te verbeteren.

39

Wat zijn de gevolgen voor de toekomstige beschikbaarheid van zorgverleners in krimpregio’s, van het uitblijven van een reactie van uw zijde op het rapport ‘Selecteren voor de Toekomst: Iedereen een Huisarts’, dat werd uitgevoerd in opdracht van VWS?

De minister van VWS heeft als opdrachtgever van het onderzoek een schriftelijke reactie gegeven op het genoemde rapport, deze reactie is afgestemd met de minister van OCW (Kamerstuk 33 578, nr. 167). Het ministerie van VWS voert in samenwerking met het ministerie van OCW en het veld een verkenning uit naar kansrijke interventies om de spreiding van huisartsen over het land te verbeteren. De inzichten uit het rapport en de onderzoeker van het genoemde rapport zijn hier ook actief bij betrokken. De uitkomsten van de verkenning worden in het derde kwartaal van 2026 met uw Kamer gedeeld. Op basis hiervan zal het kabinet een vervolgaanpak aan uw Kamer voorleggen.

40

Wat zijn de gevolgen van het niet uitvoeren van de aanbevelingen uit het rapport ‘Selecteren voor de Toekomst: Iedereen een Huisarts’, dat is uitgevoerd in opdracht van VWS, voor de toegankelijkheid van de zorg in krimpregio’s zoals Zeeland en Noord-Nederland?

Zoals aangegeven in vraag 39 voert het ministerie van VWS in samenwerking met het veld en met het ministerie van OCW een verkenning uit naar kansrijke interventies om de spreiding van huisartsen over het land te verbeteren. Het genoemde rapport wordt hierbij betrokken. Het huisartsentekort in krimpregio’s is een complex probleem dat een meer integrale blik vergt en niet enkel kan worden opgelost met maatregelen rondom de instroom in de initiële geneeskundeopleiding. Het kabinet presenteert op basis van de verkenning een vervolgaanpak in het derde kwartaal van 2026.

41

Waarom zijn sinds 2023 geen middelen meer opgenomen voor incidentele subsidies voor cultuuruitwisseling?

Het ging hier om incidentele subsidies in het kader van Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) voor cultuuruitwisseling. De middelen zijn ingezet o.a. als dekking voor een taakstelling op HGIS ODA middelen waardoor er geen ruimte meer was voor incidentele subsidies voor cultuuruitwisseling.

42

Op welke wijze ondersteunt OCW momenteel internationale cultuuruitwisseling?

Binnen artikel 8 wordt internationale cultuuruitwisseling niet meer direct gesubsidieerd door middel van een incidentele subsidie. Wel zijn er binnen artikel 8 middelen bestemd voor Vlaams-Nederlands Huis deBuren (zie het instrument Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken).

43

Welke internationale culturele samenwerkingen zijn in 2025 ondersteund?

Zie het antwoord op vraag 42.

44

Welk deel van de middelen voor internationale culturele samenwerking komt ten goede aan Caribisch Nederland?

Binnen artikel 8 zijn onder het (hoofd)budget Overige incidentele subsidies voor een projectsubsidie middelen opgenomen voor een gedeelde leerstoel doorwerking slavernijverleden voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten van 2025 t/m 2027 ad € 0,3 miljoen, en een programma voor lokaal onderzoek naar het slavernijverleden in Caribisch Nederland van 2027 t/m 2028 ad € 0,06 miljoen.

45

Waarom zijn incidentele subsidies voor cultuuruitwisseling sinds 2023 volledig weggevallen, terwijl andere internationale samenwerkingsinstrumenten juist groeien?

De incidentele subsidies voor cultuuruitwisseling zijn onder andere ingezet als dekking voor een taakstelling op HGIS ODA middelen en vallen daarom sinds 2023 weg. Zie ook het antwoord op vraag 41. De andere internationale samenwerkingsinstrumenten groeien door o.a herlabeling van andere (incidentele) subsidies voor internationale samenwerkingsinstrumenten en wijzigingen van doelen.

46

Waarom nemen de middelen voor cultuur binnen de HGIS3 af na 2023 terwijl cultuur als beleidsprioriteit wordt benoemd?

De HGIS-middelen voor cultuur nemen vanaf 2025 af als gevolg van de taakstelling van kabinet Schoof op het HGIS-budget. Deze taakstelling is deels ingevuld door een verlaging van de bijdrage van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan culturele instellingen in het kader van het Internationaal Cultuurbeleid 2025-2028. Vanaf 2029 wordt ook het HGIS-budget van OCW verlaagd als gevolg van deze taakstelling. In het beleidskader Internationaal Cultuurbeleid vanaf 2029 wordt deze verlaging nader ingevuld.

47

Hoe verhouden de ambities rond fair pay zich tot de ontwikkeling van het cultuurbudget?

In de bis-periode 2025-2028 worden belangrijke stappen gezet naar eerlijkere betalingen binnen de culturele en creatieve sector. Per 1 januari 2025 is € 38,4 miljoen extra beschikbaar gesteld om de stap naar ‘fair pay’ te kunnen maken. Dit wordt jaarlijks geïndexeerd. Deze middelen zijn verdeeld over de bis-instellingen, de rijkscultuurfondsen en de Erfgoedwet-musea. Vanuit het rijk is een eerste stap gezet, maar er ligt ook een verantwoordelijkheid bij andere financiers. Daarom heeft OCW met de andere overheden voor de periode 2025-2028 cultuurconvenanten gesloten waarin ook het onderwerp fair pay is opgenomen.

48

In hoeverre sluiten de begrote middelen voor archieven aan bij de groeiende opgave rondom digitale archivering en informatiebeheer?

Voor de implementatie van de Archiefwet heeft het ministerie van OCW tijdelijke middelen vrijgemaakt. Tussen 2025 en 2030 is voor de implementatie circa € 40 miljoen gereserveerd. Daarnaast zijn er structurele middelen gereserveerd voor de uitbreiding van wettelijke taken, voor onderwijs en voor toezicht. Hiervoor is vanaf 2030 € 3,9 miljoen structureel per jaar gereserveerd. Een goede implementatie van de vernieuwde Archiefwet vraagt om inspanning aan de voorkant. Daartoe wordt samen met de (decentrale) overheden gewerkt aan het implementatieprogramma. Maar het op orde hebben van de informatiehuishouding betreft een reguliere taak van overheidsorganisaties en is geen nieuwe verplichting. De kosten voor het op orde houden van hun informatiehuishouding moeten overheden zelf uit bestaande middelen financieren. De mate waarin overheden ingrijpende maatregelen moeten nemen om hun digitale informatie duurzaam toegankelijk te maken en houden wisselt, en is grotendeels afhankelijk van de achterstanden in hun informatiebeheer.

49

Welke maatregelen worden genomen om administratieve lasten voor leraren te verminderen?

Het kabinet verlaagt de ervaren directie administratieve last voor scholen door subsidieregelingen onderdeel te maken van de structurele bekostiging of deze samen te voegen. Zie ook het antwoord op vraag 4. Aanvullend investeert het kabinet structureel in werkdrukverlichting in het onderwijs. Deze middelen worden deels ingezet voor de verlichting van administratieve lasten voor leraren. In 2026 gaat dat om € 545 miljoen in het po en € 354 miljoen in het vo.

Het verlagen van de administratieve last specifiek voor leraren is ingewikkeld doordat de ervaren administratieve last sterk verschilt per leraar en per school. Dat maakt dat er niet één uniforme oplossing is om de administratieve last van leraren te verlagen. In het verminderen van administratieve lasten heeft daarom iedereen een rol: ministerie, inspectie, besturen, scholen en schoolleiders. Voor OCW is er een rol om duidelijk te maken wat er verwacht wordt en kritisch te kijken naar de impact op de werkvloer. De daadwerkelijke vermindering van administratieve lasten vindt uiteindelijk op scholen plaats, in gesprekken tussen het onderwijspersoneel. Daar moeten keuzes gemaakt worden over de prioritering, nut en noodzaak van de administratie die gedaan wordt. Om dat proces te ondersteunen trekt het kabinet samen met de inspectie op om te kijken hoe het kabinet scholen meer duidelijkheid kan bieden en handvatten kan geven over hoe de administratie efficiënt en eenvoudig ingericht kan worden. Zo is er op 1 juni een bijeenkomst georganiseerd om met de Inspectie van het Onderwijs, de Vlaamse Onderwijsinspectie en de Algemene Rekenkamer om kennis te nemen van de ervaringen in Vlaanderen en de planlastcalculater. Ook heeft de inspectie het afgelopen jaar de leidraad Ruimte in Regels al herzien en kijkt OCW samen met de inspectie wat er aanvullend nodig is om scholen te ondersteunen. Uw Kamer wordt met de voortgangsbrief lerarenstrategie voor de zomer geïnformeerd over de aanvullende maatregelen die worden genomen om werkdruk als gevolg van administratieve lasten voor leraren verder te verminderen. Zie ook het antwoord op vraag 11.

50

Wat zou een volledige afschaffing van de vrijwillige ouderbijdrage betekenen voor de bekostiging van het funderend onderwijs?

De bekostiging wordt in beginsel niet beïnvloed door afschaffing van de vrijwillige ouderbijdrage. In eerder onderzoek is bekeken wat het afschaffen voor de scholen en leerlingen betekent. Uit het onderzoek volgt dat het ophogen van de bekostiging dan wel wenselijk is, anders kan dit verschraling van het onderwijs betekenen. Het meest recent gemeten gemiddelde van de gevraagde vrijwillige ouderbijdrage (Schoolkostenmonitor 2024/2025) ligt in het primair onderwijs op € 56 en in het voortgezet onderwijs op € 270. Afgezet tegen het aantal leerlingen in het po en vo komt een jaarlijkse ophoging van de bekostiging – indien gekozen wordt voor volledige compensatie van het afschaffen van de vrijwillige ouderbijdrage – in het po uit op een bedrag van circa € 79 miljoen en in het vo circa € 249 miljoen. Hiervoor is geen dekking beschikbaar op de begroting.

51

Wat is de (juridische) status van de brief aan het BPRC4 inzake Besluit aankondiging oormerk voor proefdiervrij onderzoek van 6 januari 2026?

De brief is een besluit.

52

Welke oormerking van het subsidiebedrag aan het BPRC voor proefdiervrij onderzoek is voorzien voor de komende vijf jaren?

In de brief van 6 januari 2026 aan het BPRC, inzake Besluit aankondiging oormerk voor proefdiervrij onderzoek, staat dat per ingang van het kalenderjaar 2027 een jaarlijks oplopend deel van de instellingssubsidie wordt geoormerkt voor proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven. Het oormerk loopt op totdat in 2030 100% van de instellingssubsidie moet worden besteed aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven.5 Op 24 maart 2026 is het amendement Rajkowski aangenomen, waarmee wordt beoogd het oormerken van middelen aan het BPRC voor uitsluitend proefdiervrije onderzoeksmethoden los te laten.6 Over de gevolgen van het aannemen van het amendement Kostić c.s en het amendement Rajkowski en daarmee de toekomst van het onderzoek met apen in Nederland ontvangt uw Kamer voor de zomer een brief.

53

Hoe wordt uitvoering gegeven aan de breed gedeelde wens om het aantal apenproeven in Nederland zo snel mogelijk af te bouwen en wat zijn de plannen van deze regering?

Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de toekomst van het onderzoek met apen in Nederland.

54

Kunt u de verschillende toekomstscenario's die zijn opgesteld in relatie tot het BPRC en NHP's7, zoals genoemd in de bijlage van Kamerstuk 32 336, nr. 172 naar de Kamer sturen?

In de vraag wordt gedoeld op een email over het “Inplannen van een afspraak met de ministeries van VWS, LVVN, EZK en IenW over de verschillende toekomstscenario’s, ook met het oog op de ‘kabinetsbrede visie’ over het onderzoek met NHP in de brief van april jl. (en of die herijking behoeft).” De afspraak heeft uiteindelijk op 11 december 2025 plaatsgevonden en hiervoor zijn, naast de vier beleidsscenario’s zoals uitgewerkt door de Commissie onderzoek niet-humane primaten, geen nieuwe scenario’s gedeeld met de overige ministeries.

55 Kan een overzicht worden verschaft, uitgesplitst over een periode van drie jaar, van het aantal apen dat in het BPRC wordt gehouden, het aantal apen dat is ingezet voor een dierproef, het aantal apen dat is ingeslapen gedurende een proef, het aantal apen dat is ingeslapen na afloop van een proef en het aantal apen dat is overleden gedurende een proef?
2023 2024 2025
Aantal apen in het BPRC 968 933 984
Aantal keren dat een aap is ingezet voor een dierproef 144 134 139
Aantal apen ingeslapen tijdens of in het kader van een dierproef 24 93 24
Aantal apen ingeslapen na gebruik in een dierproef 23 18 10
Aantal apen overleden gedurende een proef,8 niet zijnde het aantal ingeslapen 1 1 0
56

Hoeveel ruimte heeft een aap in het BPRC op het moment dat die wordt ingezet voor een dierproef?

In de Wet op de dierproeven (Wod) is vastgelegd dat de dieren behoorlijk worden verzorgd, behandeld en gehuisvest, met in achtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te dien aanzien te stellen regelen.9 De afmeting en constructie van de onderkomens waarin de dieren worden gehuisvest is daar onderdeel van en volgt de Europees vastgestelde huisvestingsbepalingen die zijn opgenomen in Appendix A van de European Convention for the Protection of Vertebrate Animals used for Experimental and other Scientific Purposes (ETS123). Voor specifieke soorten zijn tevens specifieke afmetingen met betrekking tot de huisvesting van toepassing.10 De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit houdt hier toezicht op.

In het BPRC heeft een aap die wordt ingezet voor een proef 3,9 tot 4 kubieke meter per twee dieren. De dieren zijn sociaal gehuisvest.

57

Hoeveel dagen/maanden wordt een aap in het BPRC gemiddeld gebruikt voor een dierproef, wanneer wordt gekeken naar dierproeven die de afgelopen drie jaar zijn uitgevoerd?

De duur van het gebruik varieert al naar gelang de onderzoeksvraag. Het kan zijn dat de vergunning voor de dierproef is aangevraagd om alleen af en toe bloed af te nemen, zoals bijvoorbeeld nodig is voor het in vitro malariaonderzoek. Het kan ook zijn dat een dierproef langer duurt, bijvoorbeeld voor het volgen van de symptomen na een SARS-CoV-2 infectie ten behoeve van het long covid onderzoek. Dat betekent dat één gemiddelde geen goed voorspellend gemiddelde is. Dat gezegd hebbende wordt een aap in het BPRC gemiddeld 164,7 dagen gebruikt voor een dierproef.

58

Kunt u de communicatie tussen het ministerie van OCW en het BPRC rondom de indiening en behandeling van en de stemming over het amendement Rajkowski11 aan de Kamer doen toekomen?

Uw Kamer wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk geïnformeerd over de inhoud van de communicatie tussen het ministerie van OCW en het BPRC, in de vorm van een tijdlijn en samenvatting.

59

Zijn er systematic reviews of andere onderzoeken gedaan naar de concrete resultaten die het BPRC middels apenproeven heeft bereikt en zo ja, kunnen die naar de Kamer worden gestuurd? Zo nee, waarom niet?

Er zijn geen systematic reviews gedaan naar de concrete resultaten die het BPRC middels apenproeven heeft bereikt. Een dergelijke systematic review zou kwaliteitsproblemen en verschillende methodologische aandachtspunten opleveren, omdat een systematische review in het algemeen bedoeld is om alle beschikbare literatuur over een onderzoeksvraag samen te brengen, ongeacht welk onderzoekscentrum de studies heeft uitgevoerd. Wanneer alleen de publicaties en studies van één onderzoekscentrum (bijvoorbeeld het BPRC) worden geïncludeerd in een systematic review, bestaat de kans op bias en over- of onderschatting van effecten.

Concrete resultaten uit het onderzoek bij het BPRC worden gepubliceerd en zijn daarmee per definitie peer-reviewed. De publicatielijst wordt bijgehouden. Het aantal publicaties fluctueert tussen 27 per jaar (in 2006) en 61 per jaar (in 2021), met een impact factor tussen 4,2 en 10.

In 2024 is de Commissie onderzoek niet-humane primaten gevraagd onderzoek te doen naar de mogelijkheid om het aantal proeven met apen verder te verlagen zonder dat dit gevolgen heeft voor het onderzoek dat strikt noodzakelijk is voor de bestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen. De Commissie heeft hiervoor de stand van de wetenschap in kaart gebracht en op systematische manier de bestaande wetenschappelijke literatuur (waaronder systematic reviews) doorgenomen en beoordeeld, en daarop haar conclusies gebaseerd. De Commissie heeft aanvullend daarop onder andere twee consultaties gehouden; de eerste met onderzoekers van new approach methodologies (NAM’s) en de tweede met vertegenwoordigers van maatschappelijke belangenorganisaties. Bij de interpretatie van de literatuur en de gesprekken met deskundigen heeft in eerste instantie de eigen expertise van de Commissieleden een belangrijke rol gespeeld.

De Commissie constateert dat onderzoek met apen nog steeds veel wordt toegepast waar de complexiteit van de menselijke biologie en ziekteprocessen moeilijk in andere modellen te reproduceren zijn en waar ethisch een praktische overwegingen direct menselijk onderzoek beperken.

De Commissie concludeert ook dat NAM’s op dit moment nog niet instaat zijn om alle onderzoeksvragen te beantwoorden waarvoor experimenten met apen nodig worden geacht. Proefdiervrije onderzoeksmodellen volstaan nog niet voor het onderzoek dat strikt noodzakelijk is voor de bestrijding van levensbedreigende en anderszins ernstige ziekten, en infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen.

60

Kunt u aangeven hoeveel belastinggeld er vanaf 2016 tot heden in totaal naar het BPRC is gegaan?

Jaar Bijdrage aan BPRC
2016 € 8.359.000,00
2017 € 9.608.000,00
2018 € 9.608.000,00
2019 € 9.608.000,00
2020 € 11.406.000,00
2021 € 10.923.000,00
2022 € 11.350.000,00
2023 € 11.989.000,00
2024 € 12.565.000,00
2025 € 13.104.000,00
2026 € 13.513.000,00
61

Hoe beoordeelt u het zinsdeel "dat alternatieve onderzoeksmethoden op dit moment nog niet in alle gevallen toereikend zijn om dierproeven volledig te vervangen" in de toelichting van het amendement Rajkowski12 en van welke apenproeven die nu nog worden uitgevoerd door het BPRC en noodzakelijk zouden zijn voor de volksgezondheid bent u van mening dat op dit moment nog geen toereikende alternatieve onderzoeksmethoden zijn en welke wetenschappelijke onderbouwing heeft u daarvoor?

Het zinsdeel uit het amendement Rajkowski komt overeen met de conclusie uit het rapport van de Commissie onderzoek niet-humane primaten, waarin wordt gesteld dat op dit moment NAM’s nog niet in staat zijn om alle onderzoeksvragen te beantwoorden waarvoor experimenten met apen nodig worden geacht. En dat ondanks dat er in de nabije toekomst significante NAM-ontwikkelingen te verwachten zijn, het de verwachting is dat onderzoek met apen voorlopig nog noodzakelijk zullen blijven. Juist vanwege de complexiteit van het type onderzoek, met name in de virologie, de immunologie en voor vaccinontwikkeling ten behoeve van pandemische weerbaarheid, waarvoor onderzoek met apen doorgaans wordt ingezet.

In de Wod staat dat een dierproef alleen mag worden gedaan wanneer het beoogde resultaat niet kan worden bereikt door middel van een wetenschappelijk verantwoorde methode of onderzoeksstrategie waarbij geen levende dieren worden gebruikt. Het wettelijke kader voor het onderzoek met apen schrijft vervolgens voor dat het onderzoek gericht moet zijn op gezondheidsondermijnende of mogelijk levensbedreigende aandoeningen. Tevens is het onderzoek alleen toegestaan als het onderzoek niet met een andere diersoort kan worden uitgevoerd.13 Het onderzoek wordt vervolgens zorgvuldig en onafhankelijk getoetst door een Dierexperimentencommissies (DEC) en de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). Gezien het wettelijk kader zoals hiervoor uitgelegd, zijn alle door het BPRC uitgevoerde apenproeven noodzakelijk voor de volksgezondheid en zijn daar vooralsnog geen toereikende alternatieve onderzoeksmethoden voor.

62

Klopt het dat het BPRC zelf nauwelijks of geen veiligheids- of effectiviteitsstudies uitvoert, maar vrijwel uitsluitend fundamenteel onderzoek?

Volgens de definities van een dierproef zoals geformuleerd onder de Wod en gehanteerd door de CCD, en vanwege het academisch wetenschappelijke karakter en financiering van het werk, is het onderzoek voornamelijk omzettingsgericht (translationeel) en toegepast van aard. Effectiviteitsstudies in de zin van immunogeniciteit/werkzaamheid van een geneesmiddel horen daar ook bij. Veiligheids- en effectiviteitsstudies, die vallen onder wettelijk verplicht onderzoek en routineproductie zoals die vereist worden door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen en de European Medicines Agency, worden niet uitgevoerd bij BPRC.

63

Klopt het dat het BPRC pas coronavaccins ging testen toen die al in mensen werden getest en zo nee, kan daar bewijs voor worden geleverd?

Het onderzoek naar SARS-CoV-2-vaccins is in opdracht van en in samenwerking met een groot aantal andere organisaties en de EU uitgevoerd. De CCD heeft de vergunningen verstrekt. Die worden alleen verstrekt als er geen alternatieve methode is om de onderzoeksvraag te beantwoorden. Onder andere het BPRC heeft een rol gespeeld in het testen van verschillende SARS-CoV-2-vaccins en heeft hiermee bijgedragen aan de internationale inspanningen voor veilige en effectieve vaccins tegen SARS-CoV-2. Toen het BPRC verschillende SARS-CoV-2-vaccins heeft getest, werden die gelijktijdig in de mens getest. Dit heeft tot wetenschappelijke discussie geleid over de noodzaak van het gebruik van apen voor het ontwikkelen van SARS-CoV-2-vaccins. Hierbij is het van belang de volgende passage uit het rapport van de Commissie onderzoek niet-humane primaten in ogenschouw te nemen.

“Maar NHP’s hebben desondanks een belangrijke rol gespeeld in de versnelde ontwikkeling van de SARS-CoV-2 vaccins. Zo zijn er belangrijke NHP-experimenten gedaan naar dosis-optimalisatie en de boost-strategie, naar veiligheidscontroles zoals bijvoorbeeld het in kaart brengen van het risico dat T-helper cellen een vaccin-geassocieerde versterkte luchtwegziekte zouden kunnen veroorzaken, en experimenten om de effectiviteit tegen verschillende virusvarianten te kunnen voorspellen.14 Het is achteraf lastig in te schatten hoe de ontwikkelingen van de vaccins zouden zijn verlopen zonder enig NHP onderzoek, maar het lijkt redelijk om aan te nemen dat dit significant langer had geduurd en dat er grotere veiligheids- en effectiviteitsrisico’s waren geweest in een groter aantal klinische trials met meer mensen.”

64

Kunt u aangeven welke samenwerkingen het BPRC de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar jaar, is aangegaan met andere Nederlandse onderzoeksinstellingen en universiteiten?

Deze vraag is niet te beantwoorden binnen de gestelde termijn. Hier komen we in een aparte brief bij uw Kamer op terug.

65

Welke volksgezondheidsrisico's loopt Nederland concreet wanneer er geen apenproeven meer worden uitgevoerd en welke wetenschappelijke bewijzen zijn hiervoor?

Het afbouwen van NHP-onderzoek in Nederland heeft wetenschappelijke implicaties die moeilijk precies te voorspellen zijn, omdat er geen wetenschappelijke consensus is over wat de implicaties zijn van het stoppen met NHP-onderzoek zijn voor de ontwikkeling van kennis.15 De concrete volksgezondheidrisico’s die Nederland loopt zijn niet wetenschappelijk te bewijzen. Het is wel aannemelijk dat er risico’s zijn voor de volksgezondheid, want zo stelt de Commissie onderzoek met niet-humane primaten over de ontwikkeling van de SARS-CoV-2 vaccins “ het lijkt redelijk om aan te nemen dat dit significant langer had geduurd en dat er grotere veiligheids- en effectiviteitsrisico’s waren geweest in een groter aantal klinische trials met meer mensen.”

Daarnaast is er een veelheid aan ziekteverwekkers op de 'Priority pathogens list' van de WHO waarvoor nog geen diagnostiek of medische tegenmaatregelen op de markt zijn, die nog niet direct in mensen getest kunnen worden, en waarvan we op voorhand kunnen zeggen dat de kennis onvoldoende is. De recente problematiek met de snel groter wordende ebola-uitbraak in Congo geeft de problematiek duidelijk weer. Voor de Bundibugyo-variant biedt het bestaande ebolavaccin geen bescherming, de gangbare ebolatests detecteren deze variant niet of onvoldoende. Voor dergelijke ernstige ziekteverwekkers van de groep van de filovirussen vereisen de autoriteiten (WHO, NIH, EMA, FDA) onderzoek met NHP, dat vooralsnog als gouden standaard wordt gezien.16

66

Kunt u een lijst verschaffen van alle alternatieven voor apenproeven die het BPRC in de afgelopen twintig jaar zelf heeft ontwikkeld?

Deze vraag is niet te beantwoorden binnen de gestelde termijn. Hier komen we in een aparte brief bij uw Kamer op terug.

67

Kunt u aangeven hoeveel geld het BPRC de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar jaar, heeft gebruikt voor het ontwikkelen van alternatieven voor de apenproeven die ze doen en welk percentage dit is van de totale begroting van het BPRC?

Deze vraag is niet te beantwoorden binnen de gestelde termijn. Hier komen we in een aparte brief bij uw Kamer op terug.

68

Klopt het dat het BPRC decennialang hiv-vaccins heeft onderzocht (op apen), maar dat dit tot geen enkel goed werkend hiv-vaccin heeft geleid en zo nee, welk goed werkend hiv-vaccin is tot stand gekomen door onderzoek op apen in het BPRC?

Het BPRC heeft HIV-onderzoek verricht gedurende een lange periode, gesubsidieerd door met name de EU en de Bill and Melinda Gates Foundation (BMGF). Wereldwijd heeft de wetenschappelijke wereld gezocht naar een vaccin tegen HIV. Dat is er nog niet gekomen. Alle studies in apen hebben veel informatie opgeleverd over het ziekteverloop en voor de ontwikkelingen van medicijnen. Doordat deze medicijnen op de markt zijn gekomen, hebben apen een belangrijke bijdrage geleverd aan het beter behandelen van HIV en wordt een infectie met HIV inmiddels beschouwd als een chronische ziekte.

69

Hoe onderbouwt u dat het afbouwen van belastinggeld voor apenproeven zou leiden tot volksgezondheidsrisico's, terwijl het investeren van dit bedrag in proefdiervrij onderzoek en proefdiervrije innovaties ook kan leiden tot nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen en concrete resultaten?

De vraag werpt een tegenstelling op die er niet is, omdat het allebei aannemelijk is zonder dat daar wetenschappelijke consensus over is. Wat hierbij wel goed is om te benadrukken is dat een dierproef en een NAM nooit precies hetzelfde meten, waardoor dierproeven niet zomaar één op één door NAM’s vervangen kunnen worden.17 De onderzoeksvraag moet hierbij leidend zijn, en vaak is een combinatie van NAM’s en dierproeven nodig.

70

Wat was de positie van het BPRC toen in 2003 het gebruik van mensapen zoals chimpansees, orang-oetans en gorilla's als proefdier werd verboden en steunden zij de totstandkoming van dit verbod of waren zij hier kritisch op?

Het vraagt veel uitzoekwerk om de positie van het BPRC destijds precies te achterhalen. Wat in elk geval duidelijk is, is dat toen in het najaar van 2003 er een wettelijk verbod op dierproeven met mensapen van kracht werd, het BPRC gebruik heeft gemaakt van een tijdelijke wettelijke uitzondering om een lopend hepatitis C-onderzoek met zes chimpansees af te ronden en gelijktijdig heeft samengewerkt met verschillende departementen en Stichting AAP om een goed onderkomen te realiseren voor de kolonie ‘gepensioneerde’ chimpansees. Het is – in het gesprek dat nu in Nederland gevoerd wordt over de toekomst van onderzoek met NHP – nodig om vooral naar het eindrapport van de Commissie onderzoek niet-humane primaten te kijken.

71

Wat is de minimale kolonie (grootte en soort apen) dat nodig is voor pandemische paraatheid en wat zou dat de overheid per jaar kosten?

Dat is niet eenduidig te zeggen. De huidige fokkolonie is relatief kleinschalig en kan volgens de Commissie onderzoek niet-humane primaten niet veel verder worden teruggebracht. De kolonie is op dit moment groot genoeg om een genetisch voldoende diverse groep van apen beschikbaar te houden. Deze genetische diversiteit is essentieel om inteelt te voorkomen. Inteelt zou de gezondheid van de dieren in gevaar brengen en de validiteit van het onderzoeksmodel ondermijnen. In vergelijking met de periode tijdens de Covid-19 pandemie heeft het BPRC nu een veel kleinere kolonie, waardoor er minder dieren beschikbaar zijn voor onderzoek.

De minister van OCW heeft toegezegd om in Europa in gesprek te gaan over betere samenwerking waaronder het delen van onderzoeksdata uit onderzoek met apen, specialisatie/profilering van de verschillende primatencentra en het stimuleren van de wisselwerking tussen proefdier-vrije onderzoeksmodellen en proefdieronderzoek. Samenwerking is ook wenselijk, zodat een gecoördineerde inzet mogelijk is ten tijde van een pandemie. Het kabinet is gestart met een verkenning in hoeverre het mogelijk is om tot verdere samenwerking te komen van Europese primatencentra. Eind 2026 delen wij de uitkomsten van de verkenning met uw Kamer.

72

Welke factoren hebben geleid tot de geconstateerde onrechtmatigheid van €36,1 miljoen binnen het kerndepartement?

De belangrijkste factoren zijn geïmporteerde fouten. Doordat de overbruggings- en tussenovereenkomsten voor inhuur van ICT-professionals en interim-management en organisatieadvies (IMOA) onrechtmatig zijn, is alle inhuur binnen deze categorie onrechtmatig (totaal van € 26,7 miljoen). Het betreft een geïmporteerde onrechtmatigheid. OCW heeft geen actie kunnen ondernemen om deze te voorkomen, aangezien de verantwoordelijkheid voor de aanbesteding bij andere departementen ligt. Zonder deze geïmporteerde onrechtmatigheid waren de grenzen niet overschreden.

73

Hoe verklaart u de onrechtmatigheid van €100,5 miljoen bij de agentschappen, waaronder DUO, als gevolg van het niet naleven van inkoopregels bij externe ICT-inhuur?

De belangrijkste oorzaak van de onrechtmatigheid betreft geïmporteerde onrechtmatigheden. Door vertragingen en procedurele fouten bij de aanbesteding van de raamovereenkomsten (ROK) ICT-Professionals DUO Groningen en ICT-Professionals OCW Overig, die door een ander departement zijn aanbesteed, moest gebruik worden gemaakt van overbruggingsovereenkomsten. Omdat deze overbruggingsovereenkomsten als onrechtmatig zijn aangemerkt, is ook de daarop gebaseerde inhuur onrechtmatig. DUO heeft deze situatie niet kunnen voorkomen, aangezien het niet verantwoordelijk was voor de betreffende aanbestedingsprocedures. Zonder deze geïmporteerde onrechtmatigheden zouden de rechtmatigheidsgrenzen niet zijn overschreden.

74

Acht u het wenselijk dat bij toelaatbaarheidsverklaringen (tlv's) verschillen tussen regio’s kunnen ontstaan zonder dat helder is welke verschillen voortkomen uit maatwerk en welke uit gebrek aan eenduidigheid?

Grote verschillen tussen regio’s die leiden tot minder ondersteuningsmogelijkheden voor kinderen alleen op basis waarvan ze wonen, zijn onwenselijk. Daarom kijken de sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs, het Overkoepelend Netwerk Samenwerkingsverbanden en OCW naar de mogelijkheden voor uniformering van procedures bij samenwerkingsverbanden en scholen, zodat het niet afhankelijk is van de woonplaats of kinderen de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben.

75

Heeft u onderzocht of de wijze van verevening van invloed is (geweest) op de tlv-afgifte en zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?

Ja, dat is onderzocht. Aanvankelijk had de verevening 2019D27614&did=2019D27614">het effect dat de tlv-afgifte licht afnam in regio’s die minder financiële middelen kregen dan voorheen en bij regio’s met meer middelen licht toenam. 2023D13378&did=2023D13378">Later onderzoek liet zien dat er sprake leek te zijn van een schokreactie en dat de deelname aan het gespecialiseerd onderwijs weer gelijk is aan de aantallen van vóór de vereveningsopdracht. De verevening heeft daarmee geen blijvende invloed gehad op tlv-afgiftes, Inmiddels ziet het kabinet dat er wel sprake is van een groei van met name het speciaal onderwijs. Naar de redenen hiervan laat het kabinet op dit moment onderzoek doen.

76

Welke stappen zet u om de rolverdeling tussen Rijk, samenwerkingsverbanden en schoolbesturen te verduidelijken waarbij ruimte voor professionele afwegingen behouden blijft?

In de Kamerbrief Herijking sturing funderend Onderwijs zijn vijf uitgangspuntengenoemd die – ongeacht de precieze keuze voor een sturingswijze – wenselijk lijken voor de komende jaren. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5.

Daarnaast is met de Evaluatie passend onderwijs een zogenaamd programma van eisen opgesteld om de verantwoordelijkheden van samenwerkingsverbanden en schoolbesturen te verduidelijken. Dit programma van eisen is in 2024 samen met samenwerkingsverbanden en schoolbesturen herzien.

77

Hoe voorkomt u dat aanvullende controles op tlv’s18 leiden tot verdere bureaucratisering van passend onderwijs?

De afgifte en registratie van tlv’s gaat op dit moment op te veel plekken nog niet goed. Bij maatregelen voor beter toezicht en controle op tlv-procedures zal goed gelet worden op het voorkomen van extra administratieve lasten.

78

Wat zijn de oorzaken van de structurele overschrijding van de Roemernorm voor externe inhuur binnen OCW (16,4 procent) en DUO (24,2 procent)?

De belangrijkste oorzaken van de overschrijding van de norm zijn moeilijk vervulbare vacatures, tijdelijke programma’s en tijdelijke budgetten, specialistische kennis en expertise, piekbelasting en politieke urgentie en ontwikkelingen bij DUO. De toename van het aantal externen bij DUO in 2025 is met name het gevolg van het (tijdelijk) opschalen in de ICT-portfolio vanwege tijdelijke middelen voor LifeCycleManagement .

79

Welk afbouwpad hanteert het ministerie om het percentage externe inhuur terug te brengen naar de norm van maximaal 10 procent?

Mede in het kader van de taakstelling zijn binnen OCW afspraken gemaakt over de afbouw van de Roemernorm naar 10% in 2030 en de bijdrage vanuit ieder dienstonderdeel aan deze afbouw.

De streefnorm voor DUO voor 2026 bedraagt 22%, aflopend naar 16% in 2030 zodat het OCW-concern dan de Roemernorm van 10% haalt. De overige organisatieonderdelen zoals het kerndepartement van OCW heeft een streefnorm van 3,3%. DUO heeft een taskforce geformeerd om de opschaling van capaciteit in het kader van de extra middelen LifeCycleManagement (LCM) aan de ene kant en de afbouw van externen (LCM- en niet-LCM) aan de andere kant te regisseren. DUO zet in op omzetting van externen naar internen en afbouw van externen.

Binnen het kerndepartement van OCW is ook een aantal maatregelen genomen: strakkere toetsing vooraf, minder nieuwe externe inhuur, het waar mogelijk verambtelijking van externe inzet, beëindiging van bestaande inhuur waar dat verantwoord kan en monitoring via de reguliere planning- en controlcyclus.

80

Hoe verklaart u dat ondanks €605 miljoen aan uitgaven in 2025 geen significante effecten op leerlingprestaties zijn vastgesteld?

Structurele verbetering van leerprestaties heeft tijd nodig. In het eerste CPB-deelonderzoek naar de effectiviteit van de regeling ziet het kabinet nog geen significant effect van de subsidie op leerprestaties. Dit is volgens het CPB niet verwonderlijk: het is te verwachten dat er in het eerste of het tweede jaar na toekenning van de subsidie nog geen systematische en betrouwbare effecten zichtbaar zijn. Ook door experts is bij het opstellen van de doelen benadrukt dat een periode van één à twee jaar te kort is om een significant effect op de leerprestaties te zien. Er is destijds besloten om ambitieuze doelen te formuleren: de urgentie om een verbetering van de leerprestaties teweeg te brengen is groot, net als de wens hier spoedig resultaat van te zien. De resultaten van vragenlijstonderzoek stemmen hoopvol: schoolleiders zijn uitgesproken positief over de gevolgen van de subsidie en de extra aandacht voor basisvaardigheden bij hen op school.

81

Welke conclusies verbindt u aan het feit dat het CPB19 geen aantoonbare trendbreuk ziet bij de subsidieregeling basisvaardigheden?

Er worden nog geen conclusies verbonden aan dit eerste CPB-onderzoek. Het CPB geeft zelf ook aan dat in deze korte tijd geen significante effecten te verwachten waren. Immers, structurele verandering van leerprestaties heeft tijd nodig. Wel is het belangrijk te blijven volgen hoe de prestaties van leerlingen zich ontwikkelen. Het CPB zal dit ook de komende periode doen. Daarnaast volgt het kabinet landelijk de ontwikkeling van de leerprestaties van leerlingen aan de hand van verschillende bronnen in de jaarlijkse Monitor basisvaardigheden en laat het kabinet meer kwalitatief onderzoek doen in de vorm van vragenlijsten en case studies.

82

In hoeverre en op welke wijze waarborgt u dat scholen voldoende ruimte behouden om op basis van hun eigen context en professionele expertise keuzes te maken in de verbetering van basisvaardigheden?

Met de subsidie ‘Verbetering basisvaardigheden’ en de structurele bekostiging voor basisvaardigheden die vanaf 2027 ingaat, wordt evidence-informed inzet van deze middelen gestimuleerd. Daarmee wordt bedoeld dat de school kennis uit onderzoek en de onderwijspraktijk benut, maar ook goed kijkt naar de context van de school om tot een aanpak te komen die past bij de school en zijn leerlingen. Een school kan er bijvoorbeeld voor kiezen om individuele leerlingen extra te begeleiden, de deskundigheid van het schoolteam te bevorderen of een taal-of rekencoördinator aan te stellen.

Vanaf 2027 wordt de subsidie omgezet in structurele bekostiging voor het verbeteren van de basisvaardigheden. Hiermee krijgen alle scholen financiële zekerheid voor de lange termijn, zodat zij nu al toekomstbestendige keuzes kunnen maken om blijvende verbetering van de basisvaardigheden te bewerkstelligen.


  1. Kamerstuk 31 288, nr. 1118↩︎

  2. Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek↩︎

  3. Homogene Groep Internationale Samenwerking↩︎

  4. Biomedical Primate Research Centre↩︎

  5. Bijlage bij Kamerstuk 2025Z20174↩︎

  6. Kamerstukken II, 2025/2026, 36800-VIII-83↩︎

  7. Niet-humane primaten↩︎

  8. Dood aangetroffen, oorzaak onbekend↩︎

  9. Zie ook het Dierproevenbesluit 2014↩︎

  10. Bijlage III, paragraaf 6, Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt.↩︎

  11. Kamerstuk 36800-VIII, nr. 83↩︎

  12. Kamerstuk 36800-VIII, nr. 83↩︎

  13. Wet op de dierproeven, artikel 10e 2de lid↩︎

  14. Corbett e.a., ‘mRNA-1273 Protects against SARS-CoV-2 Beta Infection in Nonhuman Primates’. Corbett, Kizzmekia S. et al., ‘Immune Correlates of Protection by mRNA-1273 Vaccine against SARS-CoV-2 in Nonhuman Primates’. Dai en Gao, ‘Viral Targets for Vaccines against COVID-19’. Ravindran e.a., ‘Dynamics of temporal immune responses in nonhuman primates and humans immunized with COVID-19 vaccines’↩︎

  15. Uit het rapport van de Commissie onderzoek met niet-humane primaten: vier beleidsscenario’s voor Nederland.↩︎

  16. Expert Opin Drug Discov. 2024 Aug 18;19(10):1185–1211. doi: 10.1080/17460441.2024.2386100

    An update on nonhuman primate usage for drug and vaccine evaluation against filoviruses, Marc-Antoine de La Vega 1, Ara XIII 1, Christopher S Massey 1, Jessica R Spengler 2, Gary P Kobinger 1, Courtney Woolsey 1,†↩︎

  17. Uit het rapport van de Commissie onderzoek met niet-humane primaten: vier beleidsscenario’s voor Nederland.↩︎

  18. Toelaatbaarheidsverklaringen↩︎

  19. Centraal Planbureau↩︎