Aanpak civiele invordering
Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting
Brief regering
Nummer: 2026D29133, datum: 2026-06-11, bijgewerkt: 2026-08-24 13:47, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-24515-822).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- Onderzoek verkenning naar buitengerechtelijke incasso
- Beslisnota bij Kamerbrief over aanpak civiele invordering
- Eindrapport pilot ketenverwijzing bij schuldenproblematiek
Onderdeel van kamerstukdossier 24515 -822 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting.
Onderdeel van zaak 2026Z12896:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-18 10:00 ⇒ Agenderen voor het commissiedebat over civielrechtelijke onderwerpen. (Besluit)
- 2026-06-16 16:00 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-16 16:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-18 10:00: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Geen datum: Civielrechtelijke onderwerpen (Commissiedebat), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2025-2026 |
24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting
Nr. 822 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juni 2026
In het coalitieakkoord heeft het kabinet de ambitie uitgesproken om te investeren in een effectieve aanpak en preventie van schulden. Het verbeteren van het stelsel van civiele invordering is een van de manieren waarop het kabinet invulling geeft aan die ambitie. Het stelsel van civiele invordering wordt verbeterd door voldoende ruimte te bieden voor coördinatie en een juiste balans te vinden tussen escalatie en de-escalatie. Hierbij heb ik aandacht voor de balans tussen het beschermen van de debiteur tegen oplopende kosten waar deze niet betaald kunnen worden, maar ook het waarborgen dat de schuldeiser niet onevenredig zwaar wordt getroffen. Concreet werkt het kabinet aan twee maatregelen die hierop gericht zijn: het collectief afbetalingsplan en een zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders. Naar verwachting leveren deze twee maatregelen een belangrijke bijdrage aan het beperken van de kostenoploop bij de invordering van (kleine) schulden. Hierdoor groeien schulden minder snel uit naar problematische schulden en wanneer er alsnog problematische schulden zijn ontstaan, moet hiermee sneller een duurzame oplossing voor de problematiek gevonden worden. Deze maatregelen kunnen zowel de burger met schulden als de schuldeiser ten goede komen en zijn daarmee ook in het belang van de samenleving als geheel.
Uw Kamer is in mei 2025 door mijn voorganger, de Staatssecretaris Rechtsbescherming, mede namens de Staatssecretaris Participatie en Integratie, geïnformeerd over de uitwerking van de aanpak civiele invordering.1 Het afgelopen jaar is, in overleg met de betrokken stakeholders, gewerkt aan de nadere uitwerking van de voorgestelde maatregelen.2 In lijn met mijn toezegging tijdens het Commissiedebat Armoede- en schuldenbeleid van 26 maart jl., informeer ik uw Kamer met deze brief over de stand van zaken van deze aanpak en het beoogde vervolgtraject. Dat doe ik mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarmee kom ik ook tegemoet aan de motie van het lid Ceder (CU) die het kabinet oproept om de uitwerking van het collectief afbetalingsplan en de zorgplicht voor deurwaarders met urgentie voort te zetten.3
Tijdens de recente begrotingsbehandeling SZW heeft het lid Ceder eveneens een initiatiefnota ingediend over het effectiever oplossen en duurzaam voorkomen van problematische schulden.4 Ik wil mijn dank hierover uitspreken aan het lid Ceder. Het kabinet heeft een verzoek gehad van de vaste commissie voor SZW om een reactie te geven op deze initiatiefnota.5 Aangezien de initiatiefnota veel breder is dan alleen civiele invordering, zal het kabinet in een separate brief reageren op deze initiatiefnota. Wel zal in de voorliggende brief bij de uitwerking van de eerdergenoemde maatregelen waar relevant een koppeling met de initiatiefnota worden gelegd.
Allereerst herhaal ik in deze brief kort de uitgangspunten die centraal staan bij de aanpak civiele invordering en de knelpunten van het huidige stelsel. Vervolgens neem ik u mee in de uitwerking van het collectief afbetalingsplan en de zorgplicht gerechtsdeurwaarders en de keuzes die daar nu in gemaakt zijn. Hierbij licht ik ook toe welke uitwerkingsvragen nog open staan en de dilemma’s waar ik voor sta. In het kader van de zorgplicht gerechtsdeurwaarders wordt daarbij ook ingegaan op de resultaten van de Pilot Ketenverwijzing. Tot slot informeer ik u over een aantal lopende en afgeronde onderzoeken in het kader van deze aanpak.
Uitgangspunten
In de Kamerbrief aanpak civiele invordering van mei 2025 zijn drie centrale uitgangspunten voor een goed functionerend stelsel van civiele invordering beschreven die worden gehanteerd bij de uitwerking van de maatregelen. Deze uitgangspunten worden hier kort samengevat.
Een vordering moet geïncasseerd kunnen worden wanneer deze niet wordt betaald.
Het staat iedereen in beginsel vrij naar eigen inzicht verplichtingen aan te gaan. Dat is onontbeerlijk in het economisch en juridisch verkeer. Dat brengt mee dat anderen erop moeten kunnen vertrouwen dat die verplichtingen worden nagekomen. Indien iemand niet aan zijn verplichtingen voldoet, heeft de schuldeiser verschillende mogelijkheden om een debiteur te stimuleren om tot betaling over te gaan of – indien dat niet tot resultaat leidt – om betaling af te dwingen. Het stelsel van civiele invordering ziet op het geheel van privaatrechtelijke regels en procedures dat een schuldeiser kan inzetten om zijn vordering tot betaling van een geldsom te innen, zowel buitengerechtelijk als bij de rechter. De schuldeiser heeft daarbij recht op een redelijke vergoeding van de debiteur voor de kosten die hij maakt om zijn vordering voldaan te krijgen.
Kleine vorderingen moeten klein blijven door inzet van passend instrumentarium.
Idealiter wordt een vordering in een goed functionerende invorderingsketen, gegeven de omstandigheden, steeds op de meest passende en effectieve wijze geïnd. Dat is in belang van zowel de debiteur als de schuldeiser. Wat passend is, hangt ook af van de mate waarin de debiteur bereid en in staat is om mee te werken. Als een debiteur zelf niet in beweging komt, kan een schuldeiser zwaardere maatregelen inzetten, zoals naar de rechter stappen en beslag leggen op het inkomen of andere vermogensbestanddelen van de debiteur.
Wanneer een situatie uitzichtloos is, moet een vordering niet onnodig lang in het invorderingsproces blijven.
Uitzichtloze situaties waarbij debiteuren alleen nog maar betalen aan de (alsmaar toenemende) rente en kosten zonder dat er vanwege de beperkte afloscapaciteit zicht is op aflossing van de oorspronkelijke hoofdsom zijn onwenselijk. Verdere invorderingsmaatregelen dragen er dan niet meer aan bij om te komen tot betaling van de hoofdsom en kunnen leiden tot een ongewenst verdienmodel. Als blijkt dat iemand problematische schulden heeft of zich in een uitzichtloze situatie bevindt, zijn invorderingsmaatregelen niet (altijd) meer zinvol. De maatregelen moeten er dan op gericht zijn de schulden op te lossen.6 Daarom dient er vanuit alle stappen in het invorderingsproces een goede doorgeleiding naar (schuld)hulpverlening te zijn.
Knelpunten
Op dit moment zijn er verschillende knelpunten in het stelsel van civiele invordering.
Focus op individuele vordering leidt tot kostenoploop.
Elke schuldeiser heeft zelf middelen en bevoegdheden om een niet voldane vordering te innen. Wanneer een debiteur meerdere schulden heeft, is er geen sprake van coördinatie tussen de verschillende schuldeisers. Het gevolg is dat schuldeisers met elkaar concurreren om de afloscapaciteit van de debiteur. Indien de debiteur niet alle schuldeisers in een keer kan voldoen, lopen de kosten veelal op en duurt het langer voordat alle vorderingen betaald zijn, in het bijzonder als een schuldeiser ervoor kiest om een gerechtelijke procedure te starten.
Bekostiging van invordering vooral gericht op escalerende handelingen.
De incassodienstverleners die in opdracht van schuldeiser een vordering proberen te innen, worden (vooral) gefinancierd voor escalerende stappen en niet of beperkt voor handelingen die leiden tot de-escalatie. Dit terwijl in sommige situaties de-escalatie juist wenselijk is in plaats van verdere invorderingshandelingen die alleen maar leiden tot aanvullende kosten, terwijl de kans op betaling nihil is.
Overschatting van het vermogen van mensen om in actie te komen.
Het huidige systeem vraagt om actief handelen van een debiteur, terwijl deze bij stress en meerdere schulden vaak niet het (doen)vermogen heeft om met alle afzonderlijke schuldeisers realistische afspraken te maken. Professionele ondersteuning vindt veelal pas plaats als mensen zich melden bij schuldhulpverlening, waarbij veel mensen een drempel ervaren om de stap naar schuldhulpverlening te zetten.7
Maximale afloscapaciteit niet in de gehele invorderingsketen geborgd.
Er is geen expliciete wettelijke verplichting voor private schuldeisers om in de minnelijke fase rekening te houden met de afloscapaciteit van de debiteur. Daar komt bij dat invorderaars vaak ook niet beschikken over de benodigde informatie om rekening te kunnen houden met de afloscapaciteit. Hierdoor is het risico groot dat een debiteur bij verschillende betalingsregelingen meer aflost dan gezien zijn budget verantwoord is, waardoor mogelijk weer nieuwe schulden ontstaan of betalingsregelingen niet nagekomen kunnen worden.
Voorgestelde maatregelen aanpak knelpunten
Het doel van de aanpak civiele invordering is om deze knelpunten aan te pakken en te komen tot een stelsel waarin (kleine) schulden minder snel en minder vaak uitgroeien tot problematische schulden. Het collectief afbetalingsplan en de zorgplicht gerechtsdeurwaarders kunnen eraan bijdragen de kostenoploop te beperken. Met de maatregelen wordt beoogd dat:
• schuldeisers minder vaak in een onwenselijke concurrentiepositie terecht komen doordat er eerder in het invorderingsproces coördinatie plaatsvindt;
• er meer rekening wordt gehouden met de beschikbare afloscapaciteit van de debiteur;
• er meer oog is voor de omstandigheden van de debiteur en deze sneller wordt doorgeleid naar (schuld)hulpverlening wanneer er sprake is van problematische schulden.
De afgelopen periode heeft een nauwkeurige analyse plaatsgevonden van de problematiek en zijn de voor- en nadelen van de beleidskeuzes uitgewerkt. Hierna zal ik toelichten welke keuzes er op basis van deze analyses zijn gemaakt en hoe dit in wetgeving vormgegeven zal worden.
Collectief afbetalingsplan
Het collectief afbetalingsplan is een gecoördineerde betalingsregeling voor een debiteur met meerdere schuldeisers, gericht op volledige betaling van de schulden. Het stelsel van civiele invordering is nu gericht op individuele vorderingen en individuele betalingsregelingen. Een invorderaar weet veelal niet welke andere schulden er zijn en of daar reeds betaalafspraken zijn gemaakt. Hoewel er in de wet geen belemmeringen zijn om een gecoördineerde betalingsregeling te treffen, werkt het stelsel coördinatie nu onvoldoende in de hand. Dit komt mede doordat er geen financiële vergoeding tegenover een gecoördineerde betalingsregeling staat, terwijl er wel veel werk gaat zitten in het inventariseren van andere schulden. Het is daarom van belang dat er duidelijkheid komt over wie de uitvoerende partijen kunnen zijn, de wijze waarop uitvoerende partijen worden gefinancierd voor het opstellen en uitvoeren van een collectief afbetalingsplan en er duidelijke kaders komen waar een gecoördineerde betalingsregeling aan moet voldoen, zodat dit zowel voor debiteuren als schuldeisers een aantrekkelijk instrument wordt.
Het is daarbij belangrijk dat een debiteur beschermd wordt tegen onrealistische betaalafspraken en dat de schuldeiser erop kan vertrouwen dat de maximale afloscapaciteit eerlijk wordt verdeeld. Hiervoor is het wenselijk dat debiteur bij het opstellen van dit afbetalingsplan wordt ondersteund door een onafhankelijke professionele partij. Door de focus op de totale schuldenlast, voorkomt een collectief afbetalingsplan dat schuldeisers met elkaar concurreren om de afloscapaciteit van de burger en overgaan tot beslaglegging, waardoor de kosten van invordering snel oplopen en(kleine) schulden sneller problematisch kunnen worden. Een collectief afbetalingsplan biedt daarmee een oplossing voor de verschillende knelpunten die nu bestaan.
Een collectief afbetalingsplan is gericht op de minnelijke incassofase, maar is eveneens mogelijk zolang er nog geen loonbeslag is gelegd door één van de schuldeisers. Het collectief afbetalingsplan is een incasso-instrument, gericht op het innen en verdelen van de afloscapaciteit, met als doel volledige betaling van alle schuldeisers, inclusief rente en de reeds gemaakte invorderingskosten. Ook is de bedoeling dat meteen gestart kan worden met afbetaling van bekende schulden en dat later nog schulden kunnen worden toegevoegd. Daarmee onderscheidt het zich van de instrumenten die gericht zijn op het oplossen en saneren van schulden zoals die worden toegepast in de minnelijke en wettelijke schuldsanering. Die zijn niet meer gericht op volledige betaling. Een collectief afbetalingsplan kent geen maximale looptijd. Wel is het wenselijk dat de debiteur gewezen wordt op de mogelijkheid van schuldhulpverlening wanneer er (vermoedelijk) sprake is van problematische schulden. In die situatie kan een schuldregeling mogelijk passender zijn.8 Echter, ook dan kan in overleg met de schuldeisers worden besloten om te starten met een collectief afbetalingsplan om zo de verdere schuldenoploop tegen te gaan. Uiteindelijk bepalen de uitvoerder en de debiteur gezamenlijk of een collectief afbetalingsplan gegeven de specifieke situatie geschikt is.
Uitvoering door professionele partijen
Het is van belang dat een collectief afbetalingsplan wordt opgesteld door een professionele partij die de belangen van zowel schuldeiser als de debiteur goed weegt om tot een duurzame oplossing te komen. Hiervoor wil ik in eerste instantie aansluiten bij de partijen die nu al wettelijk bevoegd zijn om tegen betaling schuldbemiddeling aan te bieden, ook wel de «artikel 48 Wck-partijen» genoemd.9 Dit zijn partijen die gereguleerd zijn en onder toezicht staan. Door de begeleiding van een professionele partij, kan de schuldeiser erop vertrouwen dat er een passende betalingsregeling wordt afgesproken, waarbij ook recht wordt gedaan aan de belangen van alle schuldeisers. Omdat het instrument zich richt op de minnelijke incassofase waarin juist ook incassobureaus hun werkzaamheden uitvoeren wil ik ook bezien in hoeverre onder aanvullende voorwaarden incassobureaus één van de uitvoerende partijen van een collectief afbetalingsplan kunnen zijn. Dit kan bijdragen aan een gelijker speelveld tussen incassobureaus en gerechtsdeurwaarders die beide in de minnelijke fase werkzaamheden verrichten. Met de invoering van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki) is al toezicht ingevoerd op onder andere deze partijen, maar voor het zijn van uitvoerder van een collectief afbetalingsplan volstaat dit niet. Bij het opstellen van het wetsvoorstel zal ik nader uitwerken onder welke voorwaarden incassobureaus deze rol kunnen vervullen.10 Hierbij betrek ik eveneens de resultaten van de invoeringstoets Wki en de beleidsreactie hierop die voor het zomerreces separaat aan uw Kamer wordt toegezonden.
Beslagvrije voet als absolute ondergrens bij bepalen afloscapaciteit
Bij de berekening van de (periodieke) afloscapaciteit is van belang dat de debiteur niet meer aflost dan mogelijk is op basis van de financiële positie (zijn maximale afloscapaciteit). De afloscapaciteit wordt vervolgens in principe naar rato van de hoogte van de vorderingen verdeeld tussen de verschillende schuldeisers. In de minnelijke fase gelden nu geen kaders voor het bepalen van de afloscapaciteit. Met het oog op bescherming van de burger is het wenselijk om (wettelijk) vast te leggen hoe de afloscapaciteit van de debiteur bij toepassing van een collectief afbetalingsplan moet worden bepaald. In de schuldenketen worden nu twee methoden gehanteerd waarmee de afloscapaciteit wordt vastgesteld: in de beslagfase is dat de beslagvrije voet en bij schuldhulpverlening is dat het vrij te laten bedrag (Vtlb). Omdat het afbetalingsplan een incasso-instrument is en om te voorkomen dat het voor een schuldeiser aantrekkelijk blijft om toch beslag te leggen, zal de beslagvrije voet de absolute ondergrens zijn bij het opstellen van een collectief afbetalingsplan. Het moet voor partijen mogelijk blijven om ten gunste van de debiteur rekening te houden met bijzondere omstandigheden en afspraken te maken waardoor zijn besteedbaar bedrag boven de beslagvrije voet ligt. Dit is in lijn met het voorstel van het lid Ceder in zijn initiatiefnota.
Stimuleren deelname schuldeisers aan collectief afbetalingsplan
Het is wenselijk dat een collectief afbetalingsplan gericht is op alle openstaande schulden die iemand heeft, zowel bij private als bij publieke schuldeisers. Alleen als de inning gericht is op de totale schuldenlast, kan de afloscapaciteit van de debiteur worden geborgd en eerlijk worden verdeeld over de schuldeisers. Tegelijkertijd is een collectief afbetalingsplan een vrijwillig instrument. Een schuldeiser is niet verplicht om mee te doen. Wel is het wenselijk dat een schuldeiser een stimulans ervaart om zich aan te sluiten bij een collectief afbetalingsplan en niet zelfstandig tot invorderingsactiviteiten overgaat. Een debiteur moet in dat geval de schuldeiser wijzen op de mogelijkheid om aansluiting te zoeken bij het afbetalingsplan. Als een schuldeiser weigert deel te nemen aan een collectief afbetalingsplan, terwijl hij die mogelijkheid wel heeft, en in plaats daarvan naar de rechter stapt om vonnis te halen met als doel om beslag te kunnen leggen, dan kan dat een reden zijn voor de rechter om de schuldeiser te veroordelen in de proceskosten.11
Preferente vorderingen mogen geen belemmering vormen
Sommige vorderingen hebben volgens de wet voorrang op andere vorderingen (preferentie). Dit speelt in de beslagfase of bij faillissement. Een collectief afbetalingsplan is gericht op volledige betaling van alle schuldeisers in de minnelijke incassofase. Hierbij geldt dat schuldeisers die een preferente positie kunnen hebben erg verschillend kunnen zijn. Het kan gaan om de Belastingdienst, maar ook om kinderalimentatie. Deze verschillende soorten preferente schuldeisers vragen om een andere benadering. Ik richt me in eerste instantie op de preferentie bij overheidsschuldeisers. Om hierover een goed besluit te kunnen nemen ben ik hierover ook in gesprek met publieke schuldeisers die preferente vorderingen hebben en zal dit te zijner tijd meegenomen worden in de vormgeving van de maatregel. Bij de uitwerking zal dit meegenomen worden.
De reden dat ik aandacht heb voor preferentie is dat het risico bestaat dat schuldeisers met een preferente vordering niet willen deelnemen aan een collectief afbetalingsplan, omdat zij graag zien dat hun vordering in een keer wordt voldaan. Zij kunnen, als zij naar de rechter zijn gestapt of zelf bijzondere invorderingsbevoegdheden hebben, beslag leggen en zo de volledige afloscapaciteit van de debiteur opeisen. Die situatie is niet wenselijk, zeker wanneer het een publieke schuldeiser betreft, en staat een collectieve oplossing in de weg. Eerder heeft uw Kamer in een motie daarom ertoe opgeroepen dat preferentie van publieke schuldeisers moet worden meegenomen bij de vormgeving van het collectief afbetalingsplan.12 Ik zie twee mogelijkheden om aansluiting van schuldeisers met een preferente vordering bij een collectief afbetalingsplan te stimuleren. Eén optie is om wettelijk vast te leggen dat preferente schuldeisers een groter deel van de maandelijkse afloscapaciteit krijgen, waardoor hun schulden sneller worden afgelost. Deze methode wordt ook gehanteerd onder de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp).13 Ook het lid Ceder stelt deze optie voor in zijn initiatiefnota.14 Een verschil met de schuldsaneringsregeling is dat de schuldeisers bij een collectief afbetalingsplan uiteindelijk allemaal volledige betaling ontvangen. Een andere optie is dat de afweging hierover wordt overgelaten aan de professionele partij die het collectief afbetalingsplan opstelt. Deze tweede optie biedt meer ruimte voor maatwerk. Beide opties worden meegenomen in het hiervoor benoemde gesprek met de publieke schuldeisers.
Gecoördineerde aflossing ook wenselijk in de beslagsituatie
In de praktijk hebben debiteuren veelal verschillende vorderingen van verschillende schuldeisers in verschillende fasen. Het collectief afbetalingsplan ziet op de situatie wanneer er nog geen beslag is gelegd. Wanneer er reeds door één van de schuldeisers beslag is gelegd, is een collectief afbetalingsplan niet meer mogelijk. Ook in die situatie is het echter wenselijk dat er meer ruimte komt voor gecoördineerde aflossing. Tegelijkertijd gelden er in het beslagrecht verdergaande eisen en verplichtingen. Ook zijn er reeds kosten gemaakt die schuldeisers in een minnelijke fase niet hebben gemaakt. Dit onderwerp roept daarom aanvullende uitvoeringsvragen op en zal de komende periode nader worden uitgewerkt.
Zorgplicht gerechtsdeurwaarders
De tweede belangrijke maatregel die bijdraagt aan het beperken van de kostenoploop bij invordering is de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders. De gerechtsdeurwaarder heeft een belangrijke positie in het civiele invorderingsstelsel en in de effectuering van het recht: hij waarborgt dat juridische afspraken worden nagekomen en gerechtelijke uitspraken worden uitgevoerd. In de wet is opgenomen dat de gerechtsdeurwaarder zijn ambt in onafhankelijkheid uitvoert.15 Naast de belangen van de schuldeiser die hem opdracht heeft gegeven om een vordering te innen (hierna: de opdrachtgever), betrekt de gerechtsdeurwaarder hierbij ook de belangen van de debiteur. De gerechtsdeurwaarder heeft reeds verschillende specifieke verplichtingen die gericht zijn op het borgen van deze verschillende belangen en het tegengaan van een nodeloze kostenoploop. Zo dient een gerechtsdeurwaarder voordat hij overgaat tot ambtshandelingen het Digitaal Beslagregister (DBR) te raadplegen. Het DBR geeft inzage in lopende beslagen die zijn gelegd door (andere) gerechtsdeurwaarders. Op basis van die informatie moet de gerechtsdeurwaarder de opdrachtgever informeren over de kans dat de vordering en de voor een ambtshandeling gemaakte of te maken kosten niet verhaalbaar blijken. Dit wordt de opportuniteitstoets genoemd. Wel is het formeel de opdrachtgever die bepaalt of een handeling wordt doorgezet. Ook dienen gerechtsdeurwaarders de Basisregistratie Personen (BRP) te raadplegen en kunnen zij op basis van de koppeling met de Verwijsindex schuldhulpverlening zien of de debiteur reeds bekend is bij schuldhulpverlening.
Hoewel de gerechtsdeurwaarder zijn ambt onafhankelijk uitvoert, opereert hij binnen een systeem waarin hij voor zijn financiering onder andere afhankelijk is van de ambtshandelingen die hij verricht. Dit hangt samen met de opdrachten van een opdrachtgever en de financiering die hierbij is afgesproken. Dat maakt dat de gerechtsdeurwaarder veelal ook zelf een financiële prikkel kan ervaren om een ambtshandeling door te zetten. Bovendien heeft een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht, die stelt dat de gerechtsdeurwaarder te allen tijde, binnen het arrondissement waarin hij gevestigd is, verplicht is aan hem opgedragen ambtshandelingen te verrichten.16 Het bestaand instrumentarium en de financieringssystematiek bieden in veel gevallen dan ook onvoldoende ruimte om, naast de belangen van de schuldeiser, ook rekening te houden met de (maatschappelijke) belangen van de debiteur. Het is daarom wenselijk om de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder te versterken en te zorgen dat de gerechtsdeurwaarder meer ruimte en mogelijkheden krijgt voor de-escalatie. Hiertoe is het afgelopen jaar gewerkt aan twee concrete maatregelen: de bevoegdheid voor gerechtsdeurwaarders om debiteuren door te verwijzen naar gemeentelijke schuldhulpverlening en – als ultimum remedium – de bevoegdheid voor gerechtsdeurwaarders om een ambtshandeling niet te uit voeren als dit leidt tot een nodeloze kostenoploop van schulden, ook als de opdrachtgever erop staat dat de handeling wel wordt uitgevoerd. Deze beide maatregelen sluiten aan bij hoofdstuk 4.2 van de initiatiefnota van het lid Ceder.
Zorgplicht wettelijk verankeren
In de toelichting bij de Gerechtsdeurwaardersverordening is opgenomen dat een gerechtsdeurwaarder, naast de belangen van de schuldeiser, ook de belangen van de debiteur moet meewegen.17 Om de onafhankelijke positie te onderstrepen, zal ik in de Gerechtsdeurwaarderswet expliciteren dat een gerechtsdeurwaarder op onpartijdige wijze de belangen van beide partijen dient te behartigen.
Verwijsfunctie gerechtsdeurwaarders
De gerechtsdeurwaarder krijgt de mogelijkheid om te de-escaleren door debiteuren met mogelijk problematische schulden door te verwijzen naar schuldhulpverlening. Dit is wenselijk indien, gegeven de (ogenschijnlijke) uitzichtloosheid van de situatie, invordering niet meer gaat bijdragen aan een oplossing ten aanzien van de oorspronkelijke schuld en er andere instrumenten nodig lijken te zijn. Ook het hebben van inkomen onder de Participatiewet-norm en/of onvoldoende of geen toeslagen kan een reden zijn om iemand door te verwijzen naar de gemeente.
Op dit moment kunnen gerechtsdeurwaarders debiteuren met mogelijk problematische schulden wel wijzen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening, maar hebben zij niet de bevoegdheid om mensen ook werkelijk door te verwijzen en de gegevens van deze personen te delen met de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Door het creëren van deze bevoegdheid krijgen gerechtsdeurwaarders een aanvullend instrument gericht op de-escalatie en wordt de drempel om hulp te aanvaarden voor mensen verlaagd.
Pilot Ketenverwijzing toont meerwaarde aan
In mei 2025 is naar aanleiding van de motie Palland de Pilot Ketenverwijzing gestart18, waarbij in zes gemeenten inwoners met een hulpvraag door de gerechtsdeurwaarder worden doorverwezen naar gemeentelijke schuldhulpverlening. De pilot liep tot mei 2026. Voor de periode tot december 2025 zijn de resultaten van de pilot gemonitord en geanalyseerd door de Hogeschool Utrecht. Uit de pilot ontstaat het beeld dat doorverwijzing door de gerechtsdeurwaarder een succesvolle manier is om mensen met problematische schulden in contact te brengen met schuldhulpverlening. De betrokken gerechtsdeurwaarders voerden in deze periode 378 gesprekken, waarbij in de helft van deze gesprekken de gerechtsdeurwaarder het vermoeden had dat het zinvol was de debiteur te verwijzen. In de helft van de gevallen waarbij een gerechtsdeurwaarder inschat dat een doorverwijzing wenselijk is, staat de burger daar ook voor open. Hiervan meldt circa de helft zich ook daadwerkelijk bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. In circa een kwart van de gevallen waarin een doorverwijzing zinvol wordt geacht, leidt het tot een eerste gesprek bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Daarnaast blijkt dat bijna de helft van de debiteuren die zich in het kader van deze pilot bij de gemeente heeft gemeld, vooraf niet bekend was bij schuldhulpverlening of vroegsignalering. Deze aanpak brengt dus een nieuwe doelgroep in beeld. De evaluatie van de Hogeschool Utrecht is als bijlage meegestuurd met deze Kamerbrief. In de evaluatie worden verschillende aanbevelingen gedaan die ik samen met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: KBvG) zal betrekken bij de implementatie van de maatregel.
Wettelijke grondslag voor gegevensdeling met schuldhulpverlening noodzakelijk
In de Pilot Ketenverwijzing hebben de gerechtsdeurwaarders de gegevens van de debiteur verstrekt aan de gemeente op grond van toestemming van de debiteur. Hier is voor gekozen, omdat er momenteel een expliciete wettelijke basis voor structurele gegevensdeling ontbreekt. Toestemming als grondslag is echter, gelet op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), voor structurele borging niet afdoende, omdat er sprake is van een zekere machtsverhouding tussen de gerechtsdeurwaarder en de debiteur en partijen dus niet gelijkwaardig zijn. Ik ga daarom – in lijn met een van de aanbevelingen vanuit de pilot – een wettelijke grondslag voor gegevensdeling creëren. Momenteel wordt gewerkt aan een Data Protection Impact Assessment (DPIA), wat een verplichte kwaliteitseis is voor regelgeving waaruit verwerkingen van persoonsgegevens voortvloeien. Bij het wetgevingstraject zal de Autoriteit Persoonsgegevens om advies worden gevraagd.
Het uitgangspunt bij doorverwijzing is dat de debiteur hiermee instemt. Indien een debiteur zelf al aangeeft niet open te staan voor hulp, dan lijkt een doorverwijzing bij voorbaat kansloos en werkt het veelal alleen maar averechts als er toch gegevens worden gedeeld en de gemeente contact opneemt met de betreffende debiteur. Desalniettemin is het wenselijk dat de wettelijke grondslag ook ruimte biedt om gegevens te mogen delen met gemeenten zonder instemming van de debiteur. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de gerechtsdeurwaarder geen contact krijgt met de debiteur, maar op basis van het dossier nadrukkelijk blijkt dat er sprake is van een problematische schuldensituatie. Ook in de situatie dat er sprake is van samenloop met de inzet van de sociale ministerieplicht kan dit het geval zijn, omdat de situatie dan dusdanig ernstig is dat een schuldeiser (tijdelijk) het absoluut recht om een vordering te laten incasseren zal moeten stopzetten. Het college van burgemeesters en wethouders heeft vervolgens de mogelijkheid om te beoordelen of een aanvraag tot schuldenbewind wenselijk is.19
Uit de pilot komt naar voren dat de focus op het primair innen van de vordering bij de gesprekken die de gerechtsdeurwaarders gedurende de pilot voerden, verschoof naar een bredere beoordeling van de totale schuldsituatie. Ook blijkt uit de pilot dat wanneer de gerechtsdeurwaarder tot de conclusie komt dat schuldhulpverlening zinvol kan zijn, het van belang is dat de gerechtsdeurwaarder de debiteur ook weet te motiveren om daar daadwerkelijk mee aan de slag te gaan. Dit vraagt om de juiste vaardigheden en kennis bij gerechtsdeurwaarders, zoals gespreksvaardigheden en voldoende kennis over schuldhulpverlening om debiteuren goed voor te lichten over de voor- en nadelen en regels waar ze mee te maken krijgen als ze de stap naar hulp zetten. Ik zal in samenspraak met de KBvG bezien wat er nodig is om deze vaardigheden en kennis in de beroepsgroep verder te ontwikkelen.
Naast gegevensdeling met gemeenten ook wijzen op alternatieve mogelijkheden
De gerechtsdeurwaarder krijgt enkel de bevoegdheid om gegevens te delen met, en dus actief door te verwijzen naar, de gemeenten. In de Kamerbrief aanpak civiele invordering van vorig jaar was benoemd dat ook de verwijzing naar Wsnp-bewindvoerders zou worden onderzocht, omdat zij ook schuldhulpverlening mogen aanbieden. Uit de pilot komt naar voren dat een deel van de mensen (nog) niet openstaat voor hulp van de gemeente, maar wel behoefte heeft aan ondersteuning. Om die reden is het wenselijk dat gerechtsdeurwaarders in die situaties ook kunnen wijzen op andere mogelijkheden van hulp, bijvoorbeeld via Wsnp-bewindvoerders20, Geldfit of vrijwilligersorganisaties. Op dit moment wordt echter geen bevoegdheid gecreëerd voor de gerechtsdeurwaarder om ook met die organisaties de gegevens van de debiteur te delen.
Praktische vraagstukken
Bij de implementatie van de verwijsfunctie spelen diverse praktische vraagstukken. Allereerst is dat de vraag welke gegevens er gedeeld zouden moeten worden. Hierbij geldt dat schuldhulpverlening de gegevens moet krijgen om over te kunnen gaan tot het aanbieden van schuldhulp, terwijl het aantal gegevens tegelijkertijd wordt geminimaliseerd. Schuldhulpverlening heeft minimaal de contactgegevens van de debiteur en de gerechtsdeurwaarder en de aard en de hoogte van de vordering nodig.
Een tweede vraagstuk ziet op de wijze waarop de digitale gegevensdeling wordt ingericht. Binnen de pilot vindt gegevensdeling per gemeente plaats via een (beveiligd) mailadres. Bij een landelijke implementatie is dat niet werkbaar, aangezien gerechtsdeurwaarders op een dag vaak in meerdere gemeenten actief zijn. Daarom is het wenselijk dat er een landelijk digitaal meldpunt komt waar gerechtsdeurwaarders gegevens kunnen invoeren. Idealiter wordt hierbij aangesloten op bestaande (of in ontwikkeling zijnde) initiatieven, zoals een koppeling via het schuldenknooppunt of aansluiting bij het in ontwikkeling zijnde schuldenoverzicht gerechtsdeurwaarders.
Tot slot is wenselijk dat schuldhulpverlening snel contact legt met debiteuren die worden doorverwezen. In de pilot is afgesproken dat de gemeente bij een doorverwijzing binnen drie werkdagen contact opneemt met de debiteur. Wettelijk geldt nu dat een eerste gesprek moet hebben plaatsgevonden binnen vier weken nadat een inwoner zich heeft gemeld voor schuldhulpverlening. Bij een bedreigende situatie moet dat binnen drie werkdagen gebeuren.21 Het ligt voor de hand om aan te sluiten bij deze wettelijke termijnen en geen aparte wettelijke termijn op te nemen voor doorverwijzingen vanuit gerechtsdeurwaarders. Omdat de sleutel tot succes wel is gelegen in de snelheid waarmee contact wordt gelegd, kunnen hierover mogelijk in een convenant met schuldhulpverlening nadere afspraken worden gemaakt.
Aanvullende weigeringsgrond bij de ministerieplicht
In de Gerechtsdeurwaarderswet is opgenomen dat een gerechtsdeurwaarder te allen tijde verplicht is binnen het arrondissement waar hij werkzaam is een ambtshandeling te verrichten indien een schuldeiser daarom vraagt (de ministerieplicht).22 Om invulling te kunnen geven aan de zorgplicht moet de gerechtsdeurwaarder ruimte krijgen om in uitzonderlijke gevallen zijn ministerieplicht te kunnen weigeren. Wanneer het een ambtshandeling betreft waarvan verplicht is dat deze binnen een bepaalde termijn moet worden uitgebracht, zoals een hoger beroep dagvaarding, dan kan de ministerieplicht niet geweigerd worden. Dit geeft de gerechtsdeurwaarder als ultimum remedium de mogelijkheid om (zonder toestemming van de schuldeiser) een ambtshandeling niet uit te voeren indien dit zou leiden tot een nodeloze oploop van schulden. Dit is in eerdere Kamerstukken de «sociale ministerieplicht» genoemd. Om dit wettelijk mogelijk te maken ben ik voornemens om een aanvullende weigeringsgrond op te nemen in artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
Indien een gerechtsdeurwaarder met een beroep op deze weigeringsgrond een ambtshandeling niet uitvoert, zal dat veelal gepaard gaan met een verplichte doorverwijzing naar de gemeentelijke (schuld)hulpverlening. Het is in dit kader ook van belang dat de gerechtsdeurwaarder wordt teruggekoppeld over de voortgang hiervan.
Kader met handreikingen biedt gerechtsdeurwaarder ondersteuning
Een belangrijke vraag is in welke situaties gerechtsdeurwaarders zich kunnen beroepen op deze weigeringsgrond. Dit is het geval wanneer de gerechtsdeurwaarder op basis van zijn professionele oordeel inschat dat de uit te voeren ambtshandeling niet in verhouding staat tot de te dienen belangen. Wanneer daarvan sprake is, zal verschillen per type ambtshandeling en per situatie. Samen met de sector zal de komende periode worden gewerkt aan een kader met handreikingen, dat de gerechtsdeurwaarders ondersteuning kan bieden om te komen tot een goede afweging. In lagere regelgeving of op het niveau van de Gerechtsdeurwaardersverordening kunnen hierover nadere regels worden vastgesteld. Er zijn ambtshandelingen waarbij het niet wenselijk is dat een gerechtsdeurwaarder deze niet uitvoert zonder dat de schuldeiser daarvoor toestemming heeft gegeven, zoals het uitbrengen van een dagvaarding. Dit zou de toegang tot het recht belemmeren.
Rechtsbescherming schuldeiser en gerechtsdeurwaarder
Het is belangrijk dat een schuldeiser, die het oneens is met de afweging van de gerechtsdeurwaarder, en de gerechtsdeurwaarder, die twijfelt over inzet van het instrument, naar een onafhankelijke rechter kan gaan. Hiervoor bieden het deurwaardersrenvooi en het executiegeschil mogelijkheden.
Termijn dat de ambtshandeling niet moet worden uitgevoerd
Het niet-uitvoeren van een ambtshandeling kan ingrijpend zijn voor een schuldeiser, die wacht op betaling van zijn vordering. Er is daarom bekeken of een ambtshandeling, als een gerechtsdeurwaarder zich beroept op de weigeringsgrond, na een bepaalde periode alsnog moet worden uitgevoerd. Omdat ik ervoor kies de gerechtsdeurwaarder een bevoegdheid te geven zodat hij op basis van zijn eigen professionele afweging kan besluiten een ambtshandeling niet uit te oefenen, en omdat dit naar verwachting slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde zal zijn, wordt dit niet geregeld. De gerechtsdeurwaarder is het beste in staat alle omstandigheden die van belang zijn te wegen en te besluiten wanneer een ambtshandeling wel weer kan worden uitgeoefend.
Inzicht in schulden en vermogen belangrijke randvoorwaarden
Een gerechtsdeurwaarder kan pas werkelijk op een onafhankelijke wijze de belangen van zowel de schuldeiser als de debiteur behartigen, als hij een totaalbeeld heeft van de omstandigheden van de debiteur. Transparantie van inkomen, vermogen en andere schulden is cruciaal om te kunnen bepalen welke maatregelen passend zijn. In dit kader lopen verschillende beleidsinitiatieven die deze inzichten zullen versterken. Op korte termijn zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uw Kamer informeren over de nadere uitwerking van de ambitie om te komen tot meer inzicht in schulden. Een ander belangrijk spoor is het wetsvoorstel Bescherming inkomen bij beslagleggingen waarmee de gerechtsdeurwaarder op termijn inzicht krijgt in alle lopende beslagen en verrekeningen.23
Hiernaast is van belang dat een gerechtsdeurwaarder in de executiefase beter inzicht krijgt in de vermogenspositie van de debiteur. De debiteur heeft de afgelopen jaren steeds meer bescherming gekregen door middel van beslagverboden en een vernieuwde beslagvrije voet. Dit is een wenselijke ontwikkeling. Consequentie hiervan is evenwel dat het steeds lastiger wordt om een vordering te innen. Hier speelt mee dat een gerechtsdeurwaarder beperkte informatie heeft over de vermogenspositie van de debiteur, waardoor een gerechtsdeurwaarder op voorhand niet weet of een (bank)beslag zinvol is. Door beter inzicht vooraf kunnen gerechtsdeurwaarders gerichter handelen en sneller de schuldeiser informeren over de inbaarheid van de vordering. Het lid Ellian (VVD) heeft onlangs aandacht gevraagd voor de oninbare vorderingen.24 Een belangrijke ontwikkeling hierbij is inzicht in schulden, waarover de Minister Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Kamer binnenkort informeert. Tegelijkertijd is dit niet voldoende. Daarom zal ik de komende periode verder uitwerken of en op welke wijze gerechtsdeurwaarders aanvullende informatie kunnen krijgen over de vermogenspositie van de debiteur ten behoeve van het innen van vorderingen. Tenslotte is het wenselijk dat een gerechtsdeurwaarder weet of een debiteur reeds bekend is bij schuldhulpverlening. In dat kader bestaat er al sinds lange tijd de eerdergenoemde verwijsindex schuldhulpverlening. Op basis hiervan kunnen gerechtsdeurwaarders in de gerechtelijke fase achterhalen of iemand bekend is bij schuldhulpverlening. Het is van belang dat alle gemeenten hierop aangesloten zijn.25
Financiering
Uitgangspunt bij het stelsel van civiele invordering is dat een debiteur bijdraagt in de kosten die een schuldeiser moet maken om een vordering te innen. De kosten die bij de debiteur in rekening mogen worden gebracht zijn wettelijk begrensd.26 Bij de verschillende voorgestelde beleidsmaatregelen is een belangrijke vraag op welke wijze de invorderende partij wordt gefinancierd voor de werkzaamheden en hoe dit past binnen de bestaande financieringsstructuren. Het functioneren van deze maatregelen zal mede afhankelijk zijn van de wijze waarop deze gefinancierd worden. Zo geldt dat het opstellen van een collectief afbetalingsplan door een onafhankelijke professional tijd kost en dat kan niet zonder een vergoeding. Met betrekking tot de zorgplicht voor de gerechtsdeurwaarder geldt dat de gerechtsdeurwaarder bij het verrichten van ambtshandelingen namens de schuldeiser kosten in rekening mag brengen bij de debiteur. Welke vergoeding een gerechtsdeurwaarder ontvangt indien een debiteur geen betaalmogelijkheden heeft en de vordering niet kan worden geïnd, is afhankelijk van de afspraken die een schuldeiser en een gerechtsdeurwaarder daarover maken. Hierbij geldt nu het uitgangspunt van marktwerking. In de praktijk leidt deze systematiek ertoe dat er vooral een financiële prikkel bestaat om handelingen uit te voeren omdat gerechtsdeurwaarders veelal niet worden vergoed op basis van het bereiken van een duurzame oplossing of op het voorkomen van onnodige kosten. Het systeem stimuleert daarmee niet het voorkomen van escalatie.
Op dit moment wordt door een extern onderzoeksbureau voor de hierboven beschreven maatregelen onderzocht hoe de financiering van deze maatregelen kan worden vormgegeven. Hierbij worden voor verschillende ontwerpkeuzes varianten in beeld gebracht. Daarbij spelen onder meer de vraagstukken wie er moet betalen voor de betreffende handelingen en wat de hoogte van de financiering bepaalt. De verschillende varianten worden beoordeeld aan de hand van criteria zoals effectiviteit, bereik, juridische en praktische uitvoerbaarheid, en mogelijke ongewenste neveneffecten. Dit onderzoek wordt naar verwachting rond de zomer afgerond en de uitkomsten hiervan zullen worden gebruikt om te komen tot een goed werkend financieringsmodel. Hierover wordt uw Kamer te zijner tijd geïnformeerd.
Onderzoeken gerelateerde aan de aanpak civiele invordering
Het afgelopen jaar zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd en in gang gezet die verband houden met de aanpak civiele invordering.
Verkennend onderzoek buitengerechtelijke incasso
Door onderzoeksbureau Berenschot is in opdracht van het Ministerie van SZW een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de praktijk van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Dit onderzoek is inmiddels afgerond en het onderzoeksrapport bied ik u, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, hierbij aan. Het rapport gaat onder meer in op de vraag hoe door schuldeisers en incassodienstverleners invulling wordt gegeven aan de buitengerechtelijke incasso en hoe de opdrachtverlening en de bijbehorende (prijs)afspraken tot stand komen. De inzichten die dit onderzoek hebben opgeleverd worden betrokken bij de verdere uitwerking van de maatregelen die in deze brief zijn beschreven.
Onderzoek toekomstbestendigheid gerechtsdeurwaarders
Het WODC heeft het afgelopen jaar onderzoek laten uitvoeren naar de toekomstbestendigheid van gerechtsdeurwaarders met daarbij de huidige tariefstructuur. Dit onderzoek zal naar verwachting op korte termijn worden afgerond en worden aangeboden aan uw Kamer.
Wetsevaluatie maximale buitengerechtelijke incassokosten
In opdracht van het WODC wordt op dit moment gewerkt aan een wetsevaluatie van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten (WIK).27 Deze evaluatie is toegezegd aan het Kamerlid Lahlah (GroenLinks-PvdA) tijdens het plenaire debat van 6 februari 2025. In deze evaluatie wordt onderzocht in hoeverre de huidige systematiek van de maximale buitengerechtelijke incassokosten nog steeds passend is gegeven de ontwikkelingen die er sinds de inwerkingtreding van de WIK in 2012 zijn geweest. Hierbij zal ook een internationale vergelijking worden uitgevoerd. Deze evaluatie zal dit najaar worden afgerond. Op basis van deze inzichten kan worden bezien of en in hoeverre het wettelijk kader voor buitengerechtelijke incassokosten aanpassingen behoeft.
Vervolgproces
Het kabinet heeft de ambitie om het stelsel van civiele invordering te verbeteren, met nieuwe maatregelen die zowel de schuldeiser als de burger met schulden helpen. In de debatten met uw Kamer blijkt keer op keer dat er breed steun is om hier een verandering in gang te zetten. Dit blijkt ook uit de verschillende gesprekken die zijn gevoerd met alle betrokken stakeholders en ervaringsdeskundigen. Ook de verschillende burgerinitiatieven van onder meer de Consumentenbond en Humanitas sterken mij in het besef dat het van belang is het stelsel van civiele invordering te veranderen.28
In de eerdergenoemde motie van het lid Ceder werd de regering tevens verzocht om een tijdpad met de Kamer te delen voor wanneer behandeling en inwerkingtreding van wet- en regelgeving verwacht wordt.29 Het afgelopen jaar zijn er goede stappen gezet in de uitwerking. In deze brief is op hoofdlijnen aangegeven op welke punten ik voornemens ben om met wetgeving te komen om de voorgestelde maatregelen goed te laten functioneren. Tevens is duidelijk gemaakt dat er ook nog belangrijke uitwerkingsvragen zijn. Met deze uitwerking ga ik de komende maanden – in nauwe samenwerking met de stakeholders – onverminderd door, zodat ik dit jaar kan starten met het voorbereiden van de benodigde wetgeving. Ik streef ernaar uiterlijk in het voorjaar van 2027 een voorstel in internetconsultatie te brengen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
Kamerstukken II, 2024/25, 24 515, nr. 798.↩︎
Bij de verschillende stakeholdersessie zijn de volgende partijen betrokken geweest: KBvG, Deurwaardersbelangen.nu, NVI, VNG, NVVK, Aegis, BBW, VCMB, LOSR en VNO-NCW-MKB-Nederland.↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XV, nr. 81.↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, 36 909, nr. 2.↩︎
Verzoek vaste Kamercommissie SZW d.d. 25 maart 2026 aan de Minister van SZW en de Staatssecretaris van J&V.↩︎
Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zijn er verschillende instrumenten mogelijk, zoals (schulden)bewind, gemeentelijke schuldhulpverlening, de secundaire route waarbij WSNP-bewindvoerder als schuldhulpverleners fungeren of de WSNP.↩︎
Uit onderzoek blijkt dat er gemiddeld ruim acht jaar verstrijkt tussen het ontstaan van de oudste vordering en het moment waarop iemand met problematische schulden een aanvraag voor een schuldregeling indient. Zie: Hogeschool Utrecht, Opbouw van problematische schulden: van de eerste vordering tot de aanvraag van een schuldregeling, juni 2025.↩︎
Grosso modo geldt hierbij dat er recht is op een schuldregeling indien iemand zijn schulden naar verwachting niet in 36 maanden kan afbetalen.↩︎
Hiermee wordt gedoeld op de partijen die worden genoemd in artikel 48 van de Wet op consumentenkrediet. In het betreffende wetsartikel worden de volgende partijen genoemd: gemeenten, gemeentelijke kredietbanken of instellingen die zich in opdracht en voor rekening van gemeenten met schuldbemiddeling bezighouden; advocaten, curatoren en bewindvoerders, notarissen, deurwaarders, registeraccountants en accountants-administratieconsulenten. Het is overigens niet de verwachting dat advocaten, notarissen en accountants zich (op grote schaal) met deze werkzaamheden bezig gaan houden.↩︎
De Wki reguleert een bredere groep aan partijen die incassowerkzaamheden verrichten, zoals bijvoorbeeld opkopers. Het is niet de bedoeling om alle partijen die onder de reikwijdte van de Wki vallen aan te wijzen als uitvoerder van een collectief afbetalingsplan. Dit omdat het belangrijk is dat de onafhankelijkheid van de professional geborgd is en dat er niet een collectief afbetalingsplan wordt uitgevoerd voor vorderingen waar de professional zelf eigenaar van is.↩︎
Artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 24 515, nr. 805.↩︎
Artikel 349 lid 2 en 3 Faillissementswet.↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, 36 909, nr. 2, p. 18–19.↩︎
Artikel 12a lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet.↩︎
Artikel 11 Gerechtsdeurwaarderswet. Hier kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden vanaf geweken worden, namelijk wanneer het op basis van de persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden of wanneer het gevraagde voorschot niet is voldaan.↩︎
Zie toelichting bij artikel 3.6 van de Gerechtsdeurwaardersverordening.↩︎
De motie Palland verzocht de regering een pilot op te zetten waarbij gerechtsdeurwaarders een rol krijgen in vroegsignalering. Kamerstukken II, 2022/23, 36 260, nr. 7↩︎
Artikel 1:432 lid 2 Burgerlijk Wetboek↩︎
Hierbij kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van de zoekfunctie van bureau Wsnp (Online register: Zoek Wsnp-bewindvoerder – Raad voor Rechtsbijstand Wsnp).↩︎
Artikel 4 Wgs. Onder bedreigende situatie wordt verstaan gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water of opzegging dan wel ontbinding van de zorgverzekering.↩︎
Artikel 11 Gerechtsdeurwaarderswet. Hier kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden vanaf geweken worden, namelijk wanneer het op basis van de persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden of wanneer het gevraagde voorschot niet is voldaan.↩︎
Op basis van het digitaal beslagregister heeft de gerechtsdeurwaarder momenteel enkel zicht op de private beslagen, niet op eventuele publieke beslagen en verrekeningen. Met het wetsvoorstel Bescherming inkomen bij beslagleggingen (voorheen: stroomlijning keten voor derdenbeslag) krijgt de gerechtsdeurwaarder ook zicht op eventuele publieke beslagen en verrekeningen.↩︎
Toezegging 2024A09209 in het commissiedebat civielrechtelijke onderwerpen van 22 april 2026.↩︎
Artikel 17 van het «Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening» verplicht gemeenten om aan gerechtsdeurwaarders door te geven dat een inwoner schuldhulpverlening ontvangt. In juni 2025 waren 243 van de 342 gemeenten aangesloten op VISH. Wanneer gemeenten niet zijn aangesloten op de verwijsindex, moeten ze deurwaarders op een andere manier informeren. In de afspraken Basisdienstverlening schuldhulpverlening is de ambitie opgenomen dat op korte termijn alle gemeenten aansluiten op VISH.↩︎
De incassokosten die bij de debiteur in rekening mogen worden gebracht zijn gemaximeerd in het Besluit buitengerechtelijke incassokosten. Voor ambtshandelingen die worden verricht door gerechtsdeurwaarders geldt dat in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders is opgenomen welke tarieven bij de debiteur in rekening mogen worden gebracht.↩︎
Evaluatie Wet en Besluit normering buitengerechtelijke incassokosten | WODC – Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum↩︎
Zie onder meer het manifest «eerlijk incasseren» van de Consumentenbond van juli 2024 en het manifest «stop de schuldenindustrie» van Humanitas dat op 24 maart jl. aan uw Kamer is aangeboden.↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XV, nr. 81.↩︎