Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Ministerie van Asiel en Migratie 2025 (Kamerstuk 36945-XX-1)
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Asiel en Migratie 2025
Lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D29786, datum: 2026-06-15, bijgewerkt: 2026-06-24 10:47, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie (VVD)
- Mede ondertekenaar: M.C. Burger, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36945 XX-6 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Asiel en Migratie 2025.
Onderdeel van zaak 2026Z13155:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-07-02 16:30 ⇒ Betrekken bij de stemmingen over de Slotwetten op 2 juli 2026. (Besluit)
- 2026-06-16 16:00 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-16 16:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-07-02 16:30: Procedurevergadering Asiel en Migratie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Asiel en Migratie
Preview document (🔗 origineel)
36 945 XX Jaarverslag en slotwet Ministerie van Asiel en Migratie 2025
Nr. 6 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 15 juni 2026
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Asiel en Migratie over de brief van 20 mei 2026 over het Jaarverslag Ministerie van Asiel en Migratie 2025 (Kamerstuk 36 945 XX, nr. 1).
De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 15 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Peter de Groot
De griffier van de commissie,
Burger
Vraag (1):
Kunt u aangeven welke veronderstellingen in de raming van het Centraal
Orgaan opvang asielzoekers (COA) ten aanzien van capaciteit en uitgaven
niet zijn uitgekomen, en op welke onderdelen (bijvoorbeeld instroom,
duur opvang, uitstroom) de realisatie het sterkst van de raming afweek,
gezien het jaarverslag vermeldt dat de instroom in 2025 lager uitviel
dan het gehanteerde scenario in de Meerjaren Productie Prognose
(MPP)?
Antwoord:
Door de daling in de instroom (76.400 eerste asielinstroom begroot
versus 42.810 realisatie) en de uitstroom die hoger lag dan deze
instroom (44.730) waren er in 2026 uiteindelijk minder middelen nodig
voor het COA. De afwijking ligt specifiek het hoogste in de instroom en
de daaruit volgende totale bezetting bij het COA. Daarnaast heeft het
COA minder opvangplekken kunnen realiseren omdat er vanuit gemeenten
sprake was van te weinig aanbod voor locaties.
Vraag (2):
Op welke wijze heeft de verhouding tussen meerjarige opvang en
tijdelijke/noodopvang (circa 60:40 eind 2025) doorgewerkt in de totale
uitgaven voor opvang, en hoe verhoudt dit zich tot de ramingen?
Antwoord:
COA heeft in 2025 een bedrag van 1,183 mln. euro besteed aan
(crisis)noodopvang. Dit bleek 32% van het totale budget wat het COA voor
2025 heeft ontvangen. Het voornemen van het kabinet is om zoveel
mogelijk van de tijdelijke/noodopvang om te zetten naar meerjarige
opvang. Het maken van dergelijke afspraken kost tijd, net als het
ontwikkelen en realiseren van die plekken. In onderstaande financiële
reeks is de verdeling tussen budget voor (crisis)noodopvang ten opzichte
van het totale financiële kader van het COA inzichtelijk gemaakt.
Hierbij zijn de budgetten in 2025 gebaseerd op jaarverslag COA 2025 en
voor 2026 en verder op basis van de Voorjaarsnota 2026.
Vraag (3):
Was de realisatie in 2025 per hoofdpost binnen het Nationaal Programma
Oekraïense Ontheemden (o.a. gemeentelijke opvang, regionale meld- en
opvanglocaties, vergoedingen en overige uitvoeringskosten) hoger of
lager dan geraamd, en wat zijn de belangrijkste oorzaken van deze
verschillen?
Antwoord:
Ten opzichte van de Ontwerpbegroting is de realisatie in 2025 voor de
belangrijkste posten lager uitgevallen dan geraamd, wat leidde tot een
neerwaartse bijstelling bij Voorjaarsnota en Najaarsnota. De
Ontwerpbegroting is gebaseerd op de verwachte instroom van Oekraïense
ontheemden zoals geraamd in de Meerjaren Productie Prognose (MPP) en
daaruit is de capaciteit in de gemeentelijke opvang afgeleid. In
werkelijkheid was de instroom lager en zijn er minder opvangplekken
gerealiseerd, waardoor er lagere kosten waren voor de gemeentelijke
opvang en de Regeling Medische zorg Ontheemden (RMO).
Vraag (4):
In welke mate heeft de verschuiving van dure noodopvang naar meerjarige
opvanglocaties in 2025 plaatsgevonden en welk besparingseffect heeft dit
gehad ten opzichte van de geraamde uitgaven?
Antwoord:
Het kabinet blijft erop inzetten om waar mogelijk meerjarige
opvanglocaties te realiseren en op termijn zoveel mogelijk dure
noodopvang los te laten. Het maken van dergelijke afspraken over
reguliere opvanglocaties kost veel tijd, net als het ontwikkelen en
realiseren van die plekken. In 2025 zijn de (besparings)effecten
derhalve nog niet zichtbaar.
Vraag (5):
Welk deel van de in 2025 op artikel 37 verantwoorde uitgaven en
ontvangsten hangt samen met door de EU (mede) gefinancierde projecten,
hoe zijn deze geldstromen in de jaarrekening verwerkt en welke
overwegingen lagen ten grondslag aan de keuze tussen nationale en
Europese middelen?
Antwoord:
Gedurende 2025 werden 33 meerjarige projecten uitgevoerd in het kader
van de Europese Migratie- en Veiligheidsfondsen gericht op de
doelstellingen Asiel en opvang, Legale migratie, Terugkeer en
Grensmanagement. Deze meerjarige projecten vertegenwoordigden een
totaalbudget van circa €190 mln waarvan circa €46 mln aan
cofinanciering. De financiering van de EU projecten valt grotendeels
buiten begrotingsverband, slechts de nationale cofinanciering (10% tot
25%) valt ten laste van de begroting. De projecten zijn over het
algemeen meerjarig, voor de cofinanciering geldt hetzelfde. Het gedeelte
van de cofinanciering (circa €46 mln) dat betrekking heeft op specifiek
2025 is op dit geaggregeerd niveau, in dit tijdsbestek, niet
aanwijsbaar. De inzet van Europese middelen volgt de van toepassing
zijnde EU-verordeningen, ervaringen uit de vorige programma periode
(2014-2020) en de Nederlandse positie in het MFK. De middelen
ondersteunen nationale, regionale en lokale interventies binnen de
specifieke fondsdoelen, met nadruk op doelmatige besteding, lage
administratieve lasten en een balans tussen focus en flexibiliteit.
Prioriteit gaat naar activiteiten die passen in staand en toekomstig
Nederlands beleid, naar grote meerjarige projecten, naar uitvoering van
EU-verordeningen (bij BMVI o.a. EES, ETIAS, SIS, VIS, EURODAC); waarbij
rekening gehouden wordt met bevindingen uit acquis-evaluaties, zoals
Schengen- en veiligheidsacquis-evaluaties en met zo laag mogelijke
uitvoerings- en controlelasten. Deze prioriteiten zorgen ervoor dat
middelen volledig, efficiënt en op tijd aan de EU kunnen worden
verantwoord
Vraag (6):
Hoe zijn de aanvullende middelen voor de Immigratie- en
Naturalisatiedienst (IND), onder meer voor de voorziening dwangsommen,
in de jaarrekening verwerkt? Welk deel hiervan heeft een incidenteel
karakter en in hoeverre wijkt dit af van de oorspronkelijke
begrotingsopzet?
Antwoord:
In de oorspronkelijke begroting 2025 was voor de dwangsommen € 30 mln.
aan middelen toegekend aan de IND. In 2025 heeft de IND daar bovenop
incidenteel € 180 mln. aan middelen ontvangen. De totale kosten in 2025
voor het aanvullen van de voorziening dwangsommen zijn € 270 mln. De
kosten zijn daarmee hoger dan de dekking wat mede heeft geleid tot een
negatief saldo van baten en lasten in 2025 en daarmee tot een negatief
Eigen Vermogen. Dit is conform de Regeling agentschappen bij
Voorjaarsnota 2026 aangevuld door middel van aanvullende dekking.
Vraag (7):
Op welke wijze zijn investeringen van de IND in digitalisering en
biometrie in de jaarrekening geactiveerd en hoe verhoudt dit zich tot de
beoogde besparingen of efficiëntievoordelen in de komende jaren?
Antwoord:
Investeringen in digitalisering en biometrie zijn in de jaarrekening
geactiveerd in overeenstemming met de daarvoor geldende regelgeving
(Comptabiliteitswet, Titel 9 Boek 2 BW, Regeling Agentschappen,
Rijksbegrotingsvoorschriften en de Richtlijnen voor de
Jaarverslaggeving). De uitgaven zijn geactiveerd op de balans en worden
de komende jaren afgeschreven volgens de daarvoor geldende richtlijnen.
De investering in biometrie komt voort uit vervanging van apparatuur als
gevolg van life-cycle. De investering op digitalisering hangt
voornamelijk samen met de aanschaf van Generatieve AI. Hiermee zullen
IND medewerkers toegang krijgen tot AI systemen. Efficiencyvoordelen
kunnen op termijn aan de orde zijn bij de verdere inrichting en
toepassing van AI in de IND processen.
Vraag (8):
Welke inhoudelijke oorzaken liggen ten grondslag aan de belangrijkste
afwijkingen tussen begroting en realisatie 2025 bij personele lasten
eigen personeel, externe inhuur en materiële programmakosten, en welke
verschuivingen ten opzichte van 2024 springen eruit?
Antwoord:
De belangrijkste afwijkingen tussen begroting en realisatie zijn:
- De ambtelijk personele lasten zijn lager door een lagere bezetting
eind 2025 dan begroot. De werving van nieuwe medewerkers is lager
uitgevallen dan begroot. In vergelijking met 2024 is de ambtelijke
bezetting per saldo gestegen met ca. 280 fte.
- De lagere bezetting van ambtelijk personeel wordt gedeeltelijk
opgevangen met tijdelijk inzet van uitzendkrachten en extern personeel.
Overigens is in vergelijking met 2024 de bezetting van extern personeel
afgenomen ca 240 fte. In aansluiting op de Roemernorm stuurt de IND op
een doelmatige balans tussen inzet van intern en extern personeel.
- De realisatie van de materiele programmakosten is nagenoeg in lijn met
de begroting. Enerzijds zijn de kosten voor inzet van tolken lager door
de lagere productie in 2025. Anderzijds zijn de automatiseringskosten
o.a. hoger door hoge prijsstijgingen waar IND mee wordt
geconfronteerd.
Vraag (9):
Hoe zijn de verlenging van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming tot 2027
en de aangekondigde tijdelijke reguliere verblijfsvergunning voor
Oekraïense ontheemden verwerkt in de meerjarenramingen, en welke
bandbreedte wordt gehanteerd voor het aantal personen na 2027?
Antwoord:
Op dit moment zijn de budgettaire meerjarenramingen opgesteld o.b.v. de
Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne (TWOO), dat wil zeggen de
Richtlijn Tijdelijke Bescherming plus een jaar (tot 4 maart 2028). Het
langetermijnbeleid wordt op dit moment verder uitgewerkt en zal op een
later moment budgettair verwerkt worden. Wel is er op de Aanvullende
Post bij Voorjaarsnota 2026 budget gereserveerd voor voornamelijk opvang
en huisvesting.
Vraag (10):
In welke omvang is de eigen bijdrage van Oekraïense ontheemden in 2025
ontvangen, hoe is dit in de ontvangsten verantwoord en in hoeverre wijkt
dit af van eerdere ramingen?
Antwoord:
Op dit moment kunnen wij nog geen uitspraak doen over de omvang en
verantwoording van de eigen bijdragen van Oekraïense ontheemden in 2025.
De verantwoording van gemeenten over 2025 vindt plaats in 2026 via de
SiSa-aanlevering (Single Information Single Audit).
Vraag (11):
Hoe heeft de lagere instroom in 2025 doorgewerkt in de uitgaven voor
identificatie en registratie van vreemdelingen, en is sprake van een
lineaire relatie tussen instroomvolume en kosten of van vaste kosten die
minder meebewegen?
Antwoord:
De Dienst Identificatie en Registratie Asielzoekers (DISA) heeft in 2025
de Identificatie en Registratie (I&R) uitgevoerd. De organisatie is
ingericht op het bijhouden van een instroom van 42.000 zaken per jaar.
Financiering vindt plaats op P*Q basis, de lagere instroom heeft dus tot
minder kosten voor de I&R geleid.
Vraag (12):
Welke nationale maatregelen zijn tijdelijk van aard? En welke nationale
maatregelen zijn structureel van aard?
Antwoord:
De tijdelijkheid geldt in het bijzonder voor de maatregel herinvoering
binnengrenscontroles. Nederland voert sinds december 2024
binnengrenscontroles uit waarbij vreemdelingen die niet voldoen aan de
toegangsvoorwaarden, aan de binnengrens geweigerd worden. Gelet op de
aanstaande inwerkingtreding van het verruimde juridische kader voor MTV
heeft het kabinet besloten om de binnengrenscontroles te verlengen
totdat het nieuwe MTV-kader in werking is getreden. De verwachting is
dat dit nieuwe kader direct na de zomervakantie van 2026 kan worden
ingevoerd. Andere, meest asiel gerelateerde maatregelen, kennen een meer
structureel karakter
Vraag (13):
Hoeveel procesbeschikbaarheidslocaties zijn tot dusver
gerealiseerd?
Antwoord:
In 2025 is in pilotvorm gestart met één procesbeschikbaarheidslocatie in
Ter Apel.
Vraag (14):
Wanneer komt de regelgeving voor het verhogen van het taalvereiste voor
naturalisatie naar B1 naar de Kamer?
Antwoord:
Momenteel wordt gewerkt aan de inrichting van de verhoging van de
taaleis voor naturalisatie naar B1. Mijn inzet is om u hier voor de
zomer nog over te informeren. Omdat dit een wijziging betreft via een
algemene maatregel van bestuur wordt het voorstel niet door de Tweede
Kamer behandeld. Uiteraard wordt uw Kamer wel geïnformeerd over hoe deze
beleidswijziging vorm krijgt.
Vraag (15):
Hoeveel vreemdelingen die met een Machtiging Voorlopig Verblijf (MVV)
naar Nederland kwamen hebben vervolgens een asielaanvraag
ingediend?
Antwoord:
In 2025 zijn 48.020 aanvragen voor afgifte van een reguliere MVV
aanvraag ingewilligd. Daarvan hebben 80 vreemdelingen in datzelfde jaar
een asielaanvraag ingediend. Tot en met mei 2026 zijn 14.350 aanvragen
voor afgifte van een reguliere MVV aanvraag ingewilligd. Daarvan hebben
minder dan 10 vreemdelingen een asielaanvraag ingediend.
Bron: IND, cijfers afgerond op tientallen.