Lijst van vragen en antwoorden over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Asiel en Migratie (Kamerstuk 36945-XX-2)
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Asiel en Migratie 2025
Lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D29791, datum: 2026-06-15, bijgewerkt: 2026-06-24 15:43, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie (VVD)
- Mede ondertekenaar: M.C. Burger, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36945 XX-7 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Asiel en Migratie 2025.
Onderdeel van zaak 2026Z13158:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-07-02 16:30 ⇒ Betrekken bij de stemmingen over de Slotwetten op 2 juli 2026. (Besluit)
- 2026-06-16 16:00 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-16 16:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-07-02 16:30: Procedurevergadering Asiel en Migratie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Asiel en Migratie
Preview document (🔗 origineel)
36 945 XX Jaarverslag en slotwet Ministerie van Asiel en Migratie 2025
Nr. 7 Lijst van vragen en antwoorden
Vastgesteld 15 juni 2026
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Asiel en Migratie over de brief van 20 mei 2026 over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Asiel en Migratie (Kamerstuk 36 945 XX, nr. 2).
De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 15 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Peter de Groot
De griffier van de commissie,
Burger
Vragen en Antwoorden
Vraag (1):
Op welke begrotingsmomenten zijn de ramingsveronderstellingen voor 2025
(instroom, normvergoeding, bezettingsgraad) voor de opvang van
Oekraïense ontheemden bijgesteld, en hoe verhouden deze herziene
aannames zich tot de ramingen onder de begroting 2026 en verder?
Antwoord:
De ramingsveronderstellingen voor 2025 zijn bijgesteld met de
Voorjaarsnota (instroom en opvangcapaciteit en normbedrag) en de
Najaarsnota (instroom en opvangcapaciteit) op basis van de Meerjaren
Productie Prognose (MPP). Deze ramingen zijn opgesteld met zowel
cijfermatige als inhoudelijk experts. Voor de begroting 2026 hanteren we
dezelfde veronderstellingen als in 2025. Bij een volgend
besluitvormingsmoment wordt bezien of budgetten op basis van nieuwe
instroomcijfers herijkt moeten worden. Hieruit wordt ook de capaciteit
voor de gemeentelijke opvang afgeleid.
Vraag (2):
Op welke wijze is het kostprijsonderzoek voor de opvang van Oekraïense
ontheemden uitgevoerd, welke aannames zijn daarbij gehanteerd en hoe
zijn de uitkomsten vertaald in de normbedragen voor gemeenten voor 2026
en latere jaren?
Antwoord:
Voor 2026 en latere jaren is op de gebruikelijke wijze in 2025 een
kostprijsonderzoek uitgevoerd door Improven. Zij hebben eerst een
uitgebreide kostenenquête onder gemeenten gehouden en daarna de de
uitkomsten geduid met vertegenwoordigers van zowel gemeenten als het
Rijk. De belangrijkste aanname is dat de kostenopgaven van de 123
gemeentes die de enquête volledig hebben ingevuld representatief zijn
voor de kosten van alle gemeenten. De voornaamste uitkomsten, dat er
grote spreiding is tussen de directe kostensoorten, accommodatietypen en
regio’s en dat de indirecte kosten een administratieve last vormen voor
gemeenten, zijn vertaald tot de nieuwe doelgroepflexibele regeling. In
deze regeling worden de directe kosten na een geaccordeerde aanvraag
vergoed op basis van werkelijke en de indirecte kosten op basis van een
ruime vaste tegemoetkoming per plek. Deze regeling wordt op korte
termijn gepubliceerd. [PM UITKOMSTEN MR D.D. 5 JUNI]. Het
kostprijsonderzoek wordt binnenkort gedeeld met de Kamer, waarin
uitgebreider wordt ingegaan op de werkwijze en de gehanteerde
aannames.
Vraag (3):
In hoeverre is bij het stabiel houden van de COA-begroting na 2027 op
het niveau van 2027 rekening gehouden met de verwachte effecten van het
tweestatusstelsel op de instroom, en op welke wijze is de invoering van
het EU Asiel- en Migratiepact per 12 juni 2026 in deze ramingen
meegenomen?
Antwoord:
De meest recente MPP is verwerkt voor 2026 en 2027 en de begrotingsstand
2027 die hieruit volgt is als uitgangspunt genomen voor 2028 en verder.
In deze MPP kernprognose is geen rekening gehouden met het
tweestatusstelsel en de invoering van het EU Asiel- en Migratiepact per
12 juni 2026. Mogelijke ontwikkelingen in deze worden waar mogelijk in
de volgende MPP meegenomen.
Vraag (4):
Hoe is de capaciteitsverdeling waarbij 73% van de IND-capaciteit naar
nieuwe instroom onder het EU Asiel- en Migratiepact gaat tot stand
gekomen, welke afwegingen liggen daaraan ten grondslag en is beoordeeld
of deze verdeling verenigbaar is met de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur?
Antwoord:
Een goede implementatie van het Pact en werking ervan in alle EU-landen,
waarbij voldaan wordt aan de nieuwe beslistermijnen, komt de
beheersbaarheid van asielmigratie naar Nederland ten goede. Hiermee
wordt ook voorkomen dat er een situatie ontstaat waarbij aanvragen
ingediend vanaf 12 juni 2026 op korte termijn een langere doorlooptijd
kennen dan die door het Pact is voorgeschreven. Dat is zeer onwenselijk.
Dit heeft automatisch gevolgen voor de mensen die voor 12 juni 2026 een
aanvraag hebben ingediend. Om die reden is de IND verzocht om een plan
van aanpak op te stellen over het wegwerken van de openstaande
asielaanvragen van voor 12 juni 2026.
Gelet op het vastgestelde medio instroomscenario van 25.000 eerste aanvragen uit de kernprognose en actuele situatie asielketen 2025 heeft de IND op basis van de nieuwe asielprocedure een inschatting gemaakt hoeveel van de besliscapaciteit nodig is om het uitgangspunt van geen achterstanden op aanvragen onder het Pact waar te maken. De uitkomst daarvan is dat er ongeveer 73% van de capaciteit benodigd zou zijn. De inschatting is onderhavig van allerlei variabelen die een rol zullen spelen in het werkproces van de IND. Is de instroom lager dan verwacht, dan blijft automatisch meer capaciteit over voor de openstaande aanvragen. Dit kan door het jaar fluctueren mede door de seizoen patronen en daarbij komende pieken in de instroom.
Vraag (5):
Wat zijn de cumulatieve (verwachte) budgettaire gevolgen over minimaal
vijf jaar van het in stand houden van de huidige werkvoorraad bij de IND
voor de totale uitgaven van zowel de IND als het COA, uitgesplitst naar
extra IND-behandelkosten van langer lopende zaken en extra opvangkosten
door langere verblijfsduur in COA-opvang?
Antwoord:
De komende periode zullen de belangrijkste effecten samen met de
ketenpartners verder in beeld worden gebracht en gemonitord. In de MPP
zullen deze effecten, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de
MPP, worden meegenomen en doorgerekend. Het uitgangspunt is dat de
kosten van het afhandelen van de aanvragen bij de IND binnen de
bestaande financiële kaders van de IND worden ingepast. De mogelijkheid
bestaat dat de keten financiële gevolgen ondervindt van de aanpak daarom
zullen alle financiële effecten worden bezien bij de reguliere
besluitvormingsmomenten op basis van de MPP.
Vraag (6):
Op welke informatie zijn de ramingen voor IND-capaciteit en -kosten in
de begroting 2026 gebaseerd nu er volgens de Rekenkamer geen structurele
managementinformatie over doorlooptijden en effecten van maatregelen
beschikbaar is, en hoe wordt de betrouwbaarheid van die ramingen
geborgd?
Antwoord:
De IND begroting wordt opgesteld op basis van de instroom- en
productieramingen uit de MPP. Ontwikkelingen in de instroom, de impact
daarvan op het werk van de IND en de inzet van capaciteit worden daarbij
afgewogen. Voor de bepaling van de capaciteitsinzet wordt gebruik
gemaakt van vastgestelde productienormeringen. Daarnaast wordt gebruik
gemaakt van de inzichten en analyses op de productierealisatie en de
capaciteitsinzet uit voorgaande jaren. Deze ramingen zijn, zo blijkt ook
uit andere rapporten, redelijk betrouwbaar gebleken. De door de
Rekenkamer geconstateerde gebreken zijn niet onwaar, maar hebben geen
bijzondere invloed op de bekostiging van de IND. De aansturing van de
IND is gebaseerd op de werkafspraken in de regeling Agentschappen 2024.
Gedurende het jaar vindt met regelmaat overleg plaats met het
departement over de productievoortgang en beleidsmatige ontwikkeling. Op
basis daarvan wordt, indien nodig, bijgestuurd op de IND begroting en de
gemaakte productieafspraken.
Vraag (7):
Tot welk begrotingsmoment en tot welke bedragen is in de
meerjarenramingen rekening gehouden met uitgaven voor dwangsommen wegens
niet-tijdig beslissen, en hoe wordt de begroting aangepast zodra de
afschaffing van de dwangsomregeling in werking treedt?
Antwoord:
De IND heeft op dit moment een voorziening waaruit dwangsommen kunnen
worden betaald. Daar is dit jaar via de AenM begroting een bedrag van 50
miljoen euro aan toegevoegd. Er is geen aanpassing van de begroting
voorzien als de dwangsomregeling in werking treedt. Er zal bij de
reguliere financiële besluitvormingsmomenten bezien worden welke
middelen benodigd zijn voor de IND voor de uitgaven van
dwangsommen.
Vraag (8):
Waarom wordt de managementinformatie over aantallen, uitkomsten en
tijdigheid van terrorisme-screenings door de IND tot nu toe niet
structureel gegenereerd, welke besluitvorming ligt hieraan ten grondslag
en wanneer wordt deze informatievoorziening alsnog ingericht?
Antwoord:
Nationale veiligheid in de asielprocedure is geen momentopname, maar
vraagt continue alertheid van de hele keten. De screening die de
Rekenkamer heeft onderzocht betreft onderdeel van het onderzoek dat de
IND in het asielproces uitvoert. Hierbij wordt gekeken naar uitingen
op social media, wat in samenhang met andere gegevens,
relevante informatie kan opleveren. Hierbij is er specifiek aandacht
voor signalen die kunnen wijzen op fraude/misbruik,
mensenhandel/-smokkel, gevaar openbare orde, internationale misdrijven
of een gevaar voor de nationale veiligheid.
NV-signalen kunnen op elk moment van de asielprocedure, maar ook
daarna worden onderkend en opgevolgd. Bij de voorregistratie bij
aanmelding door de IND, door DISA tijdens het I&R-proces, bij
raadpleging van (inter)nationale politie/justitiële databases, tijdens
overige contacten met de vreemdeling, met name gehoren, maar ook tijdens
het verblijf bij COA of contacten met DTenV. Ook worden signalen
verkregen in de vorm van klikmeldingen en informatie van ketenpartners.
Na onderkenning van een NV-signaal acteert de IND hierop.
Vraag (9):
Hoe is het door de Rekenkamer gesignaleerde capaciteitstekort (28 fte
beschikbaar tegenover 40 fte benodigd voor instroom plus werkvoorraad)
verwerkt in de personele en financiële planning voor 2026, en is de
benodigde uitbreiding inmiddels gerealiseerd of in de begroting
opgenomen?
Antwoord:
In algemene zin worden jaarlijks productieafspraken gemaakt op basis
waarvan de begroting van de IND wordt opgesteld. Daarbij wordt ook
gekeken of het nodig is om aanvullende inzet te organiseren. Extra
menskracht betekent ook het extra opleiden, inwerken en begeleiden van
de nieuwe medewerkers en dat doet een beroep op het absorptievermogen
van de organisatie. Specifiek ten aanzien van de screening speelt deze
problematiek op dit moment niet.
Vraag (10):
Welke financiële en personele maatregelen zijn getroffen om bij de
uitbreiding van de screeningstaak van de IND onder het EU Asiel- en
Migratiepact en de gelijktijdige afbouw en overdracht van DISA-taken
uitval of vertraging in het screeningsproces te voorkomen, en is
hiervoor aanvullend budget gereserveerd?
Antwoord:
Met de term screening als gebruikt in de screeningsverordening wordt
bedoeld dat de IND tijdens de Ontvangst en Voorbereiding
Asielaanvraag-fase (OVA) de identiteit vaststelt, vervolgens de eerste
veiligheidschecks plaatsvinden, alsmede een medische beoordeling en
worden signalen van kwetsbaarheid in kaart gebracht. Met de term
screening als bedoeld in het rapport van de ARK wordt bedoeld het
onderzoek waar gekeken wordt naar op social media beschikbare signalen.
Een dergelijk onderzoek is niet een verplichting vanuit de
Screeningsverordening en een dergelijke screening werd ook niet door
DISA gedaan. De IND is reeds gestart met een traject om het screenen,
als onderdeel van het opbouwen van een persoonsbeeld, verder te
versterken waarmee eerder in het asielproces ook de genoemde screening
op signalen van terrorisme kunnen plaatsvinden. Voor wat betreft de
personele maatregelen kan worden aangegeven dat de IND een
personeelscapaciteit heeft op het screeningsproces dat vergelijkbaar is
met het aantal medewerkers dat DISA in dienst had. In het budget van de
IND zijn middelen opgenomen voor het implementeren van het Asiel- en
Migratiepact. Hieronder valt ook het onderdeel dat ziet op de inrichting
en uitvoeren van het nieuwe screeningsproces.
Vraag (11):
Waar baseert de IND de beoogde productiviteitsverhoging van 25% op? Is
dit haalbaar?
Antwoord:
De Ambitie 2028 is een IND brede ambitie die naast een
productiviteitsverhoging van 25% ook gericht is op de verbetering van de
dienstverlening. De Ambitie gaat over de maatschappelijke opgave om
juist en tijdig te beslissen. Productiviteitsverhoging is een onderdeel
daarvan. Benadrukt wordt daarbij dat dit niet enkel is toegespitst op
asiel, maar op alle werksoorten bij de IND.
Een belangrijk onderdeel van Ambitie 2028 voor wat betreft asiel is de
hernieuwde asielprocedure. Met name het wegvallen van een standaard
aanmeldgehoor en het wegvallen van de voornemenprocedure zal een
productiviteitsstijging opleveren. De gehele IND organisatie zal
daarnaast profijt hebben van het nieuwe ICT-systeem. Dit tezamen met
andere initiatieven zoals decompliceren zal helpen bij het stap voor
stap waarmaken van de ambitie.
Vraag (12):
Hoe verhoudt de beoogde productiviteitsverhoging van de IND van 25% zich
tot het feit dat de IND niet vastlegt hoeveel uur een medewerker
besteedt aan een aanvraag en het tijdschrijven ontbreekt?
Antwoord:
De productiviteitsverhoging van 25% uit de ambitie 2028 is een
organisatie brede doelstelling gericht op de productieactiviteiten van
de IND en richt zich verder dan alleen de afhandeling van
asielverzoeken. Het richt zich met name op betere planningen, het
slimmer inrichten van de werkprocessen en het vergroten van de
veranderkracht en wendbaarheid.
De IND beschikt over een fijnmazig en gevalideerd systeem van normtijden
per product. Sinds 2017 heeft de IND, op basis van tijdschrijven 8
onderzoeken uitgevoerd naar de normtijden van alle IND producten en de
ontwikkeling daarvan in de praktijk. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd
voor alle IND producten; zowel het asiel, reguliere, naturalisatie als
juridische producten. Dit zijn de producten waar de IND jaarlijks
productieafspraken op maakt met het departement. Vanuit deze onderzoeken
is een ruim inzicht op de tijdsbesteding van alle IND producten
verkregen. Mede op basis van de organisatie brede inzichten heeft de IND
in 2024 de genoemde doelstelling geformuleerd in de Ambitie 2028.
Vraag (13):
Hoe kan het dat de versnellingstrajecten juist hebben geleid tot meer
achterstanden? Is dit onderzocht?
Antwoord:
Alle maatregelen tot nu toe hebben er consequent toe geleid dat de IND
de afgelopen vijf jaar stelselmatig meer zaken heeft kunnen behandelen,
gecorrigeerd voor externe effecten zoals in 2025 het Besluit- en
vertrekmoratorium Syrië. Ondanks deze hogere productie resteerde er een
gap tussen wat gedaan kon worden en wat er nieuwe aanvragen binnen is
gekomen. In de afgelopen vijf jaren lag dat gat regelmatig met een
factor 2 hoger dan de (gestegen) productie. Het cumulatieve effect van
opvolgende jaren heeft geleid tot de huidige voorraad. Daardoor zijn de
voorraden – ondanks alle maatregelen – toch verder opgelopen.
Vraag (14):
Is de IND voornemens voortaan wel bij de opzet van maatregelen vooraf te
bepalen wat deze moeten opleveren en daarmee dus te monitoren of de
maatregelen het probleem oplossen waarvoor ze zijn ontwikkeld?
Antwoord:
Effect beoordeling is een standaard onderdeel van besluitvorming. Voor
de hele vreemdelingenketen geldt dat effect voorspelling één van de meer
moeilijke onderdelen is van het werk. Dat heeft met verschillende
omstandigheden te maken maar in het bijzonder en vooral met de
omstandigheid dat de belangrijkste variabele in al deze berekeningen er
één is die inherent onvoorspelbaar is gebleken te zijn, en dat is de
instroom. Alle grotere trajecten van de afgelopen jaren en de werkstroom
zelf worden gemonitord; zowel intern IND en ook in ketenverband en/of in
de sturings- en verantwoordingslijnen van en op de IND.
Vraag (15):
Waarom is 'tijdig beslissen' tot op heden geen onderdeel van de toets
van het kwaliteitsteam van de IND? Is dit wel voorzien?
Antwoord:
Tijdigheid maakt onderdeel uit van de kwaliteit en dit wordt ook
meegenomen in de toets van het kwaliteitsteam. Binnen het kader van de
inhoudelijke kwaliteit wordt onder tijdig verstaan dat het product of de
dienst binnen de gestelde termijn wordt geleverd. Hierbij wordt gemeten
of het product in één keer goed was en er geen re-work nodig was.
Vraag (16):
Waarom is gekozen om 73% van de capaciteit in te zetten op nieuwe
asielaanvragen?
Antwoord:
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar de
beantwoording van vraag 4 van het rapport van de Algemene
Rekenkamer.
Vraag (17):
Hoe lang wordt verwacht dat gemiddeld over de asielaanvragen wordt
gedaan die al liggen, gezien het feit dat daar nog maar 27% van de
capaciteit voor zal zijn?
Antwoord:
Met de introductie van het Pact gelden, ten aanzien van de Nederlandse
asielprocedure, meerdere kortere behandeltermijnen. De IND kan de
instroom en de beslistermijnen onder het migratiepact alleen bijhouden
als hiertoe voldoende capaciteit wordt vrijgemaakt, die zich specifiek
richt op het behandelen van de asielaanvragen van na 12 juni 2026.
Hierdoor moet de IND prioriteren op deze nieuwe instroom. Het bijhouden
van de termijnen van de asielaanvragen vanaf 12 juni levert gelijktijdig
een vraagstuk op ten aanzien van de inzet van de beschikbare capaciteit
van de IND op de reeds openstaande asielaanvragen. De behandelduur van
deze voor 12 juni 2026 ingediende aanvragen zou, zonder aanvullende
maatregelen, verder oplopen en daarmee buitenproportioneel lang worden.
Dit is de reden dat ik de IND heb gevraagd om een plan van aanpak op te
stellen. Ik heb de IND gevraagd erop in te zetten binnen maximaal drie
jaar na 12 juni 2026 de asielaanvragen van voor die datum zoveel
mogelijk van een eerste besluit te hebben voorzien. Deze termijn van
drie jaar omvat niet de eventuele behandeling van een beroepsprocedure
tegen een besluit van de IND. De exacte effecten en de realisatie van de
maatregelen laten zich moeilijk doorberekenen, en zijn bovendien
afhankelijk van gelijkblijvende interne en externe omstandigheden. De
IND benadrukt daarom het belang van het monitoren en zo nodig
herijken.
Vraag (18):
Wat zal de maximale wachttijd zijn voor liggende aanvragen? Hoe lang
wachten de 51.790 asielzoekers die in de procedure zitten
gemiddeld?
Antwoord:
De exacte effecten en de realisatie van de maatregelen die zijn
opgesteld voor de openstaande asielaanvragen laten zich moeilijk
doorberekenen, en zijn bovendien afhankelijk van gelijkblijvende interne
en externe omstandigheden. Ik heb de IND gevraagd om de openstaande
aanvragen van vóór 12 juni 2026 binnen maximaal drie jaar zoveel
mogelijk van een eerste besluit te voorzien.
Vraag (19):
Hoe lang wachten de asielzoekers die nu al het langst wachten op
uitsluitsel?
Antwoord:
De IND kampt al jaren met lange wachttijden bij asiel- en
nareisaanvragen. De realiteit van dit moment is dat de behandeling van
veel asielaanvragen een doorlooptijd kent die ver uitgaat boven de
wettelijke beslistermijn. Hier zijn verschillende oorzaken voor te
noemen, waaronder de aanhoudende druk op de migratieketen, de
substantiële asielinstroom van de afgelopen jaren en het ontbreken van
stabiele financiering. Op 1 mei 2026 bedroeg de gemiddelde doorlooptijd
van de asielvoorraad 480 dagen.
Bron: IND (cijfers afgerond in tientallen)
Vraag (20):
Hoe worden geleerde lessen uit het verleden meegenomen in het plan van
aanpak voor asielvragen die zijn ingediend voor 12 juni 2026?
Antwoord:
Bij het opstellen van het plan van aanpak is gekeken naar eerdere
maatregelen vanuit andere projecten en in hoeverre die geleid hebben tot
een versnelling. Zo is er bijvoorbeeld in de project Bespoediging
Afdoening Asiel geëxperimenteerd met een projectmatig aanpak van een
vooraf vastgestelde groep aanvragen. Daarnaast is geëxperimenteerd met
een doelgroepgerichte benadering, het schriftelijk horen en gebruik
gemaakt van een meer gestandaardiseerde werkwijze. Dat zijn aspecten die
ook in het plan van aanpak voor de afhandeling van asielaanvragen die
zijn ingediend voor 12 juni 2026 zijn meegenomen.
Vraag (21):
Van hoeveel asielzoekers bleek in 2025 na screening dat er indicaties
waren van terrorisme?
Antwoord:
Signalen gerelateerd aan nationale veiligheid (hierna: NV) kunnen op elk
moment van de asielprocedure, maar ook daarna worden onderkend en
opgevolgd. Bij de voorregistratie bij aanmelding door de IND, door DISA
tijdens het I&R-proces, bij raadpleging van (inter)nationale
politie/justitiële databases, tijdens overige contacten met de
vreemdeling, met name gehoren, maar ook tijdens het verblijf bij COA of
contacten met DTenV. Ook worden signalen verkregen in de vorm van
klikmeldingen en informatie van ketenpartners. Na onderkenning van een
NV-signaal acteert de IND hierop. Over de aantallen onderkende
NV-signalen doe ik geen uitspraken.
Vraag (22):
Hoeveel van deze asielzoekers zijn tot dusver vrijwillig of gedwongen
vertrokken uit Europa?
Antwoord:
Voor de beantwoording van deze vraag is gekeken naar vreemdelingen die
zijn aangemerkt als een gevaar voor de nationale veiligheid, die in 2025
aantoonbaar Nederland hebben verlaten en zijn vertrokken naar land van
herkomst. Over het vertrek van personen met een indicatie van terrorisme
zijn geen separate gegevens beschikbaar. Het betreft alle personen die
zijn aangemerkt als een gevaar voor de nationale veiligheid en uit
Nederland zijn vertrokken, ongeacht de verblijfsrechtelijke
achtergrond.
Zelfstandig vertrek naar land van herkomst: 5
Gedwongen vertrek naar land van herkomst: 3
Totaal: 8
Tabel: Vertrek vreemdelingen met gevaar voor nationale veiligheid
vanuit de caseload DTenV, 2025 (Bron: DTenV).
Vraag (23):
Hoeveel asielzoekers besluiten tijdens de asielaanvraag om Nederland te
verlaten?
Antwoord:
Het is niet bekend hoeveel asielzoekers besluiten Nederland te verlaten
tijdens hun asielaanvraag. In 2025 zijn 1.760 asielzaken ingetrokken
door de aanvrager. Wanneer zij zonder verblijfsrecht in Nederland worden
aangetroffen, wordt het vertrekproces in gang gezet.
Bron: IND (afgerond op tientallen).
Vraag (24):
Wat is de oorzaak van de trend dat de eisen van rechters bij de toetsing
van asielaanvragen steeds uitgebreider worden?
Antwoord:
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de brief
“Appreciatie Clingendael rapport ‘Grenzen verleggen’ en brede verkenning
naar verdragen” die de Tweede Kamer op 22 mei jl. heeft ontvangen. In
die brief wordt vanaf pagina 14 uitgebreid op de toegenomen complexiteit
en daartoe relevante jurisprudentie ingegaan.