Verslag van een commissiedebat, gehouden op 10 juni 2026, over Financiën decentrale overheden
Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2026
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D30853, datum: 2026-07-30, bijgewerkt: 2026-08-03 13:55, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: G.C. Honsbeek, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36800 B-41 Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2026.
Onderdeel van zaak 2026Z16602:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-06-10 15:15: Financiën decentrale overheden (wijziging aanvangstijd) (Commissiedebat), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
36800 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2026
Nr. 41 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 30 juli 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft op 10 juni 2026 overleg gevoerd met de heer Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, over:
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 29 mei 2026 inzake meicirculaires gemeentefonds en provinciefonds 2026 (Kamerstuk 36800-B, nr. 26);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 28 mei 2026 inzake herziening verdeelmodel gemeentefonds per 1 januari 2027 (Kamerstuk 36800-B, nr. 25);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 19 mei 2026 inzake onderhoudsrapport specifieke uitkeringen (OSU) 2025 (Kamerstuk 36800-B, nr. 24);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 1 april 2026 inzake ROB-advies over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027 (Kamerstuk 36800-B, nr. 20);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 17 februari 2026 inzake reactie op verzoek commissie over de aangenomen motie "Meer knaken voor de taken, deel II" door gemeenteraad Son en Breugel (Kamerstuk 36800-VII, nr. 67);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 februari 2026 inzake adviesaanvraag van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027 (Kamerstuk 36800-B, nr. 18);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 3 februari 2026 inzake reactie op verzoek commissie over de brief van de ROB over afschrift van de brief van de ROB met betrekking tot advies "Verdeling algemene uitkering vanaf 2027 - tussenbericht" (Kamerstuk 36800-B, nr. 17);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 9 januari 2026 inzake kabinetsreactie op ROB-adviezen "Afrekenen met disbalans" en "Meters maken met medebewind" (Kamerstuk 33047, nr. 43);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 7 januari 2026 inzake stand van zaken van het wetsvoorstel dat de overdracht van de APPA-pensioenen naar het nieuwe pensioenstelsel regelt en het onderzoek naar de schatting van de kosten van de overgang naar het nieuwe stelsel voor provincies, gemeenten en waterschappen (Kamerstuk 32043, nr. 692);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 5 januari 2026 inzake planning brieven gemeente- en provinciefinanciën (Kamerstuk 36800-B, nr. 15);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 19 december 2025 inzake uitkomst instellen nieuwe specifieke uitkeringen (Kamerstuk 36800-B, nr. 14);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 december 2025 inzake decembercirculaires gemeentefonds en provinciefonds 2025 (Kamerstuk 36800-B, nr. 13);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 10 december 2025 inzake toekomst financieel toezicht (Kamerstuk 36800-B, nr. 12);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 2 december 2025 inzake antwoorden op vragen commissie over Kamerbrief inzake ingroeipad gemeenten 2026 en volgende (Kamerstuk 36600-B, nr. 49) (Kamerstuk 36800-B, nr. 11);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 1 december 2025 inzake integrale overzichten financiën gemeenten en provincies 2025 (Kamerstuk 36800-B, nr. 10);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 24 september 2025 inzake ingroeipad gemeenten 2026 en volgende (Kamerstuk 36800-B, nr. 5);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 september 2025 inzake invulling van afspraken over jeugdzorg uit overhedenoverleg voorjaar van 2025 (Kamerstuk 36800-VII, nr. 4);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 september 2025 inzake septembercirculaires gemeentefonds en provinciefonds 2025 (Kamerstuk 36800-B, nr. 3);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 3 juli 2025 inzake stand van zaken nieuwe verdeling provinciefonds (Kamerstuk 36600-C, nr. 6);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 20 juni 2025 inzake verslagen financieel toezicht 2025 (Kamerstuk 36600-B, nr. 48);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 28 mei 2025 inzake meicirculaires gemeentefonds en provinciefonds 2025 (Kamerstuk 36600-B, nr. 47);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 21 mei 2025 inzake uitkomst omzetting specifieke uitkeringen (Kamerstuk 36600-B, nr. 45);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 21 mei 2025 inzake onderhoudsrapport specifieke uitkeringen (OSU) 2024 (Kamerstuk 36600-B, nr. 46);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 9 mei 2025 inzake afschrift brief aan de Eerste Kamer over de financiële impact van bestaand beleid van de Rijksoverheid op decentrale overheden (2025Z08931);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 25 april 2025 inzake uitkomsten van overhedenoverleg van 16 april 2025 (Kamerstuk 36600-VII, nr. 136);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 2 april 2025 inzake toezeggingen gedaan tijdens het commissiedebat Financiën decentrale overheden van 26 maart 2025 (Kamerstuk 36600-B, nr. 28);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 24 maart 2025 inzake antwoorden op vragen commissie over het vervolgtraject verdeelmodel van het gemeentefonds per 1 januari 2026 (Kamerstuk 36600-B, nr. 24) (Kamerstuk 36600-B, nr. 27);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 24 maart 2025 inzake uitkomsten van gesprekken met medeoverheden (Kamerstuk 33047, nr. 30);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 8 mei 2026 inzake uitkomst instellen nieuwe specifieke uitkeringen (Kamerstuk 36800-B, nr. 23);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 22 april 2026 inzake advies van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over herziening verdeling gemeentefonds per 1 januari 2027 (Kamerstuk 36800-B, nr. 22).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie,
Kisteman
De griffier van de commissie,
Honsbeek
Voorzitter: Van Eijk
Griffier: De Keijzer
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Boelsma-Hoekstra, Martin Bosma, Clemminck, Van Eijk, Flach, Huizenga, Schenk, Struijs, Tseggai en Vermeer,
en de heer Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Aanvang 15.15 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. Welkom bij de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken. Aan de orde hebben wij het commissiedebat Financiën decentrale overheden. Hartelijk welkom aan de minister, de mensen op de tribune en degenen die vanuit huis kijken. Dank voor uw geduld. We beginnen iets later, maar ik denk dat het heel belangrijk is dat dit debat vandaag wel kan plaatsvinden. Vooralsnog zijn we wel gebonden aan de eindtijd van 18.00 uur. We gaan niet tornen aan de spreektijd van vijf minuten per spreker, want daar heeft iedereen zich op voorbereid. Ik stel twee korte interrupties op elkaar voor in de eerste termijn van de Kamer, zodat we voldoende tijd hebben voor de termijn van de minister en de interrupties in zijn termijn. De vraag is of de leden zich daarin kunnen vinden. Ik streef er toch naar om dit debat keurig op tijd af te ronden. Dan is het gewoon balanceren met de tijd die we hebben. Er zijn dus twee interrupties in de eerste termijn van de Kamer. Dan kijken we straks, na deze termijn, hoeveel tijd we hebben voor de termijn van de minister en de interrupties in zijn termijn. Die wil ik dan wat ruimhartiger toestaan.
De heer Vermeer (BBB):
Oké, voorzitter. Dat is heel zuinig. Ik hoop dat de minister uiteindelijk minder zuinig is, maar we gaan ons best doen.
De voorzitter:
Dan is er nog een verzoek aan de commissie. Aanwezig is de heer Schenk. Hij is officieel geen lid van deze commissie, dus ik vraag de leden of zij ermee instemmen dat hij deelneemt aan dit debat namens Forum voor Democratie. Dat is het geval.
Dan stel ik voor dat wij gaan beginnen. Wij starten met de eerste spreker: de heer Flach, die spreekt namens de SGP.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dat doe ik vanmiddag mede namens de ChristenUnie.
Voorzitter. Ik heb het in een eerder debat, over gemeentefinanciën, al vaker gezegd: mijn gemeentehart bloedt. Ik moet u eerlijk zeggen dat het bloeden sinds die tijd nog niet gestelpt is, want de onzekerheid is groot en de nood is niet kleiner geworden. Wie denkt dat het debat over financiën van decentrale overheden technisch en zakelijk is, zit er behoorlijk naast. Er is nauwelijks een betere manier om de rijkdom en de verscheidenheid van ons kleine land beter te leren kennen dan door dit debat voor te bereiden. Kijk maar naar de verschillende oproepen die we in aanloop naar dit debat hebben gekregen. We hebben post gehad uit de Randstad. Er melden zich randsteden in de Randstad en een groep grote steden buiten de Randstad. Daarnaast kloppen middelgrote gemeenten aan. En er is natuurlijk het platteland. Helaas zijn deze groepen gemeenten het niet allemaal met elkaar eens. Uiteraard is er ook nog het belangrijkste knelpunt: de rijkdom aan verscheidenheid betekent helaas geen rijkdom op de gemeentebegroting.
Voorzitter. Ik herinner me nog goed dat we een stevig debat hadden over het "ravijnjaar 2026", een legendarische term. Gelukkig zijn er door het toenmalige kabinet goede stappen gezet. Het geluk bestond er eigenlijk vooral uit dat het ravijn vooruitgeschoven werd. Inmiddels kijken we daarom met zorg naar 2028. De provincies melden ons dat het halve gemeenteland de begroting dan niet meer rondkrijgt. Onduidelijkheid over de toekomst teistert nog steeds de gemeentebegrotingen en overschaduwt de onderhandelingen voor nieuwe coalities. Gemeenten bevinden zich in een bar landschap. De SGP constateert dat ravijnpolitiek uiteindelijk leidt tot woestijnpolitiek: je weet als gemeente dat je niet meteen in de afgrond stort, maar je lijdt aan aanhoudende uitdroging zonder perspectief aan de horizon. Lokale voorzieningen staan steeds verder onder druk. Dat is ook wat wethouders mij laten weten. Dat kan blijvende schade opleveren. Ziet de minister de urgentie met betrekking tot deze uitdroogpolitiek?
Voorzitter. De SGP hoort graag hoe het kabinet structureel duidelijkheid gaat bieden aan gemeenten zodat zij stabiel en langjarig kunnen werken aan hun gemeenschap. Het is van groot belang dat er een duidelijk en concreet beeld bestaat over hoe het Rijk kijkt naar de verschillende taken en voorzieningen in gemeenten, de verwachtingen die burgers mogen hebben van de meest nabije overheid en de middelen die daar dan voor beschikbaar zijn. Het Rijk handelt nu wel wat willekeurig, lijkt het. Het gebeuren rond de specifieke uitkeringen staat er symbool voor, maar er is meer te noemen. Als het gaat om bibliotheken wordt bijvoorbeeld de ondergrens zelfs wettelijk aangescherpt, terwijl het heel anders gaat met het thema weerbaarheid.
De minister van Justitie en Veiligheid heeft recent aangegeven dat de korting op de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding gewoon doorgaat, hoewel we steeds vaker zien dat de brandweer dreigingen zoals natuurbranden nauwelijks de baas is en dat de inspectie een waarschuwing geeft over verschralende capaciteit. Denk ook aan de rol die de vrijwilligers en de brandweerkazernes kunnen spelen in het hele aspect van weerbaarheid. Daar moeten we zuinig op zijn.
Dan hebben we het nog niet gehad over het domein jeugd. Het is onduidelijk hoe Rijk en gemeenten concreet gaan waarborgen dat informele steun rond gezinnen echt veel vaker een alternatief wordt voor professionele hulp zodat de kosten beheerst kunnen worden. Welke verantwoordelijkheid ziet de minister voor zichzelf om overzicht en voorspelbaarheid te bewaken?
Voorzitter. De herverdeling van het gemeentefonds is door allerlei onduidelijkheden bijzonder ingewikkeld geworden. De ROB stelde vast dat door alle voorstellen de beoogde richting van de totale herverdeling ongewis zou worden. Gelukkig wil de regering niet in die stuurloze situatie terechtkomen. Het gevolg is wel dat opnieuw uitstel volgt en dat bepaalde gemeenten daardoor steeds verder in de knel komen. Dat uitstel schept ook verplichtingen voor het Rijk om deze verlengde onzekerheid door te komen. Waarom moet meteen voor alle onderdelen maar liefst twee jaar uitstel volgen? Wil de minister verkennen of hij bepaalde onderdelen toch al per 2028 kan wijzigen, bijvoorbeeld met betrekking tot toerisme, parkeren en ozb? Wil de minister verkennen of enige indexatie van de aanvullende uitkering voor een nadeelgemeente mogelijk is gezien het feit dat deze sinds 2023 niet heeft plaatsgevonden? De aanbeveling van de ROB om de uitkering te bevriezen op het niveau 2026 laat de mogelijkheid onverlet om over de afgelopen jaren een compensatie te verlenen.
Tot slot, voorzitter. De SGP deelt de stelling van de ROB dat het verdeelmodel de echte werkelijkheid moet weerspiegelen. Ik ben benieuwd welke suggesties de ROB hier zelf voor heeft. Die verdienen uitdrukkelijk overweging in de uitwerking. Uit de brief van het kabinet is nog niet duidelijk wat precies de bedoeling is. Het is mooi dat de VNG snel een plan van aanpak wil maken, maar wordt de ROB daar ook bij betrokken? En worden de verschillende groepen gemeenten uitdrukkelijk nauw betrokken bij de onderzoeken en voorstellen?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Schenk, die spreekt namens Forum voor Democratie.
De heer Schenk (FVD):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Het is slecht gesteld met de financiële toestand van onze laagste bestuurslaag, de gemeenten. Hoewel recente jaarrekeningen nog positieve cijfers laten zien, schetsen de meerjarenbegrotingen tot en met 2029 een zorgwekkend beeld door het hele land. Politiek en ambtenarij spreken dan over "structurele uitdagingen", maar de werkelijkheid is veel harder. Als de huidige trends doorzetten, lopen de meeste gemeenten financieel vast.
Het functioneren van gemeenten kraakt aan alle kanten. Eerder dit jaar meldde ESB, een toonaangevend economisch vakblad: "Gemeenten hebben steeds minder ruimte om te investeren." Zo ontbreekt het aan geld voor de bouw van wegen, fietstunnels, riolering en het onderhoud van bestaande infrastructuur en onderwijsgebouwen. Dat probleem bestaat al sinds 2009 maar is nooit aangepakt. Sterker nog, de gemeenten hebben het alleen maar zwaarder gekregen, en dat komt door het Rijk. In 2015 werden jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen namelijk vanuit het Rijk overgeheveld naar de gemeenten. De financiering vanuit het Rijk steeg mee, maar kon het gigantische nieuwe takenpakket logischerwijs niet geheel ondersteunen. Onder deze verschuiving, met recht omschreven als het "over de schutting kieperen", gingen niet alleen de gemeentefinanciën gebukt, maar ook de kwaliteit van die overgehevelde beleidsterreinen. Ze hebben nooit meer naar behoren gefunctioneerd sindsdien.
Voorzitter. Dan is er nog het zogeheten aanstaande ravijnjaar, waarin gemeenten ernstig gekort gaan worden op hun inkomen uit het gemeentefonds. Dat is dus geld dat gemeenten van het Rijk krijgen. Eerst zou het dit jaar zover zijn, maar het is nu verplaatst naar 2028. Dat is natuurlijk geen echte oplossing -- en dat in een periode waarin gemeenten wederom geconfronteerd worden met nieuwe grote opgaven. Dat is niet in de laatste plaats het gevolg van de Spreidingswet. Hoewel de opvanglocaties zelf worden bekostigd door het Rijk en in zijn kielzog het COA, draaien gemeenten wel op voor een groot deel van de bijkomende kosten op het gebied van openbare orde, onderwijs, zorg en andere voorzieningen. Die financiële gevolgen zijn allesbehalve verwaarloosbaar.
Wie het geheel bekijkt, krijgt bijna medelijden met onze gemeenten. De onderste verdieping van het huis van Thorbecke toont het beeld van een ondervoed en te zwaar beladen pakezeltje waarvan de eigenaar bijna lijkt te willen dat het door de hoeven zakt. Dat is ook geen onjuiste analyse, want hoe meer een gemeente onder druk staat, hoe meer geld van boven nodig is en hoe meer men dan ook geneigd zal zijn om zonder tegenstribbelen te doen wat het Rijk verlangt. Een gemeente die leeft in de financiële marge en dus afhankelijk is van de provincie of het Rijk, is een gemeente die zonder problemen asielzoekers op zal nemen of de energietransitie door zal voeren. Wanneer een gemeente uiteindelijk bezwijkt, is dat voor het Rijk ook nog eens voordelig. De fusiedrang viert immers nog altijd hoogtij. In 2015, het jaar dus dat de zorg en het sociaal domein werden overgeheveld naar de gemeenten, telde ons land nog 393 gemeenten, en nu zijn dat er nog maar 342. Ook volgend jaar verdwijnt er, als alles doorgaat, wederom een gemeente, want Wijdemeren fuseert met Hilversum.
Voorzitter. Forum voor Democratie blijft fel tegen deze fusies, maar ze zijn wel een logisch gevolg van de voortdurende druk op gemeenten waarvan helaas al jaren sprake is. Want aan de ene kant zitten ambtenaren en politici vast in een kortzichtige tunnelvisie, waarin alleen de ingeslagen weg denkbaar lijkt. In plaats van het takenpakket van gemeenten fundamenteel te herzien, wordt er gezocht naar allerlei manieren om beleid alsnog uitgevoerd te krijgen. Dat wordt dan gevonden in samenwerking en fusies, wat financieel uiteindelijk niet eens veel meer oplevert. Dat blijkt overigens ook uit onderzoeken.
Aan de andere kant is er ook een politieke reden om gemeentefusies aan te jagen, want een grotere gemeente met minder lokale binding en minder eigen karakter marginaliseert de politieke participatie van inwoners. Mensen voelen zich niet meer gehoord, niet meer vertegenwoordigd en haken daarom af. Maar daarmee neutraliseren fusies het gevaar dat van onderaf, vanuit de gemeenteraad dus, een ander beleid wordt opgeëist dan landelijk wenselijk wordt gevonden, zoals we bijvoorbeeld nu in Maassluis zien, waar het nieuwe coalitieakkoord uitgaat van nul plekken voor asielzoekers. Daarbij rijst de vraag: wanneer wordt Maassluis opgeslokt door een buurgemeente? Ook verzekeren de gevestigde machtspartijen zichzelf met gemeentefusies van extra zetels, functies en kunnen burgemeesters, niet geheel toevallig vaak voortkomend uit diezelfde partijen, zich belangrijker en groter gaan voordoen. We begeven ons wat dat betreft echt in een neerwaartse spiraal.
Voorzitter. Forum voor Democratie wil een einde aan de verdrukking van het lokale bestuur en een herwaardering van onze Nederlandse gemeenten. Wij willen te zware taken bij gemeenten wegnemen, het gemeentefonds op orde brengen en fusiegemeenten opsplitsen, zodat lokale binding, identiteit en karakter terugkeren op lokaal niveau en de financiën van gemeentes zodoende weer op kracht kunnen komen. Democratie begint lokaal. Daar staan politiek en inwoners het dichtst bij elkaar. Het is daarom van het allergrootste belang om dat in ere te herstellen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Huizenga.
Mevrouw Huizenga (D66):
De heer Schenk had het over oplossingen. Ik ben benieuwd naar wat die oplossingen exact zijn, want die hoorde ik nog niet echt. U gaf aan het gemeentefonds op orde te willen brengen. Kunt u mij helpen en zeggen hoe u dat dan op orde wilt brengen?
De heer Schenk (FVD):
Dat is eigenlijk een vraag die terugvalt op het feit dat je geld maar één keer kunt uitgeven. Het is logisch dat als de Rijksoverheid allerlei wat ons betreft ideologische keuzes maakt om geld over de balk te smijten voor allerlei beleid dat wat ons betreft niet nodig zal zijn, je dat geld aan de andere kant ergens vandaan zal moeten halen. We geven miljarden, tientallen miljarden, uit aan immigratie en klimaat. Als we dat niet zouden doen, zouden we bijvoorbeeld gemeenten meer geld kunnen geven. Dat zou een oplossing kunnen zijn. Een andere oplossing is taken wegnemen bij gemeenten. Ik ben zelf ook nog altijd gemeenteraadslid in de gemeente Teylingen, wat ik met heel veel plezier doe, maar ik zie ook daar dat bijvoorbeeld jeugdzorg de gemeente echt gigantisch veel geld kost. Als je een beetje pech hebt als gemeente en met een aantal gezinnen te maken hebt waar bijvoorbeeld uithuisplaatsingen nodig zijn, dan steven je als gemeente bijna op een faillissement af omdat dat soms voor miljoenen extra kosten zorgt. Dat zijn hele onwenselijke ontwikkelingen. Dus wij zeggen: laat die gemeenten zich echt op hun kerntaken richten en laten we bijvoorbeeld de keuze die gemaakt is in 2015, waarbij gemeenten zo veel extra taken zijn gegeven, terugdraaien.
De voorzitter:
Een vervolgvraag?
Mevrouw Huizenga (D66):
Ja, ik heb een vervolgvraag. Ik heb nog niet echt antwoord gekregen op hoe dan het gemeentefonds anders ingericht moet worden. U heeft het over heel veel taken, maar kunt u dan nog in één korte zin uitleggen hoe u dat gemeentefonds anders wilt inrichten?
De voorzitter:
"Kan de heer Schenk", bedoelt u. Graag via de voorzitter.
De heer Schenk (FVD):
Misschien is mevrouw Huizenga op zoek naar een antwoord als: daar moeten we meer geld in steken. Ik denk niet dat dat per definitie een oplossing is. Dat zou een oplossing kunnen zijn, maar er zou bijvoorbeeld een stuk minder geld nodig zijn voor gemeenten wanneer de hoeveelheid taken die gemeenten op dit moment hebben, teruggedraaid zou worden. Wij vinden bijvoorbeeld ook die Spreidingswet uitermate onwenselijk. Dat zet de gemeente ook weer voor allerlei extra taken. We zien voorbeelden van gemeenten die allerlei tijd en ambtelijke capaciteit investeren in allerlei azc-plannen, die vervolgens door het COA worden afgeschoten omdat het niet rendabel genoeg is. Daar gaat allemaal extra tijd en geld naartoe. Uiteindelijk verdwijnt dat in een bodemloze put en levert dat de gemeenten niets op en kost dat vooral wel heel veel geld. Dus er zal echt een fundamentele koerswijziging nodig zijn als het gaat om welke taken de gemeente uitvoert en wat kerntaken van een gemeente zijn. Daar valt volgens mij heel veel winst te boeken. Ik refereerde al even aan het huis van Thorbecke. We moeten de gemeente serieus nemen als autonome soevereine bestuurslaag. Zo is het ooit bedoeld. En zo zouden we het ook weer moeten willen maken in de toekomst.
De voorzitter:
Dank je wel. We gaan verder met de inbreng van mevrouw Boelsma-Hoekstra namens het CDA.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag gaan we het hebben over de financiën van de decentrale overheden. Want ik noem het niet de "lagere overheden" maar de "decentrale overheden". Als voormalig wethouder heb ik aan den lijve ondervonden hoe wispelturig de vergoedingen vanuit het Rijk zijn -- en dat maakt goed besturen lastig. De algemene uitkering is namelijk het grootste deel van de gemeentelijke en provinciale begroting.
Ook zijn we blij dat er eindelijk op een gedegen manier naar de herverdeling van het gemeentefonds wordt gekeken, en dan niet alleen vanuit het oogpunt van technische modellen -- de heer Flach refereerde daar ook al aan -- maar juist ook vanuit het maatschappelijk effect. Als CDA zien we hierin de eerste stap naar het herstel van vertrouwen.
In de brief van de minister over de herverdeling vallen een aantal zaken op. Ten eerste dat er een paar keer staat dat het niet gaat om de omvang van het gemeentefonds maar de verdeling van de beschikbare middelen. Over de omvang van het fonds ga ik het zo hebben, maar eerst de verdeling. Er waren bij de eerste herverdeling in 2022 voor- en nadeelgemeenten. Het ingroeipad wordt nu wederom bevroren en voor de nadeelgemeenten geeft dit wat lucht, maar de voordeelgemeenten hebben jarenlang al te weinig gehad en moeten nu waarschijnlijk nog langer op een sluitende begroting wachten. Hoe gaat de minister deze gemeenten tegemoetkomen?
Voorzitter. Vanuit het CDA willen we de minister met klem vragen om de herverdeling per 1 januari 2028 definitief te maken. Er is nu weer een periode van twee jaar onzekerheid, terwijl er anders beloofd is. Waarom is er gekozen voor 2029? En wat is ervoor nodig om duidelijkheid per 2028 te krijgen? Daarnaast vraagt het CDA zich af of bij deze herziening en herverdeling grote verschuivingen in de verdeling worden verwacht, bijvoorbeeld tussen de Randstad en de regio.
Dan de omvang van het gemeentefonds en het provinciefonds. Zoals bekend is er geen extra geld gereserveerd in het coalitieakkoord en is de indexatie niet in lijn met de werkelijke prijsstijgingen. De vraag van provincies en gemeentes is dan ook: wat verwachten we van hen en voor welk bedrag? Dat komt ook naar voren in het rapport Meters maken met medebewind. Kan de minister aangeven wat zijn reactie is op dit rapport? Er ligt een reactie van zijn voorganger, maar hoe gaat deze minister hiermee aan de slag? Over de indexering: hoe gaat het kabinet opvolging geven aan de bbp-rapporten en wanneer kan de minister ons daarover informeren?
Als het om gemeenten gaat, wachten we ook nog op het vervolg van het rapport-Van Ark. De jeugdzorg wordt hervormd, maar de financiële voordelen zijn er nog niet, terwijl er wel gekort is op het gemeentefonds. Hier stond een incidentele compensatie tegenover, maar deze is er niet meer vanaf 2028. Tussen 2020 en 2024 zijn de bruto-uitgaven gestegen van 5,2 miljard naar 7,1 miljard. En we zien nog steeds een stijging. Dit is door gemeenten niet rond te zetten en door het Rijk niet te financieren. Kan de minister toezeggen om met de minister van Jeugd in contact te treden om te overleggen hoe zij dit gaat oplossen met de gemeenten? Wanneer krijgen de gemeenten duidelijkheid over het vervolg op dit rapport? Hoe ziet de minister de financiële situatie van gemeenten voor zich vanaf 2028? De bal ligt dus bij ons om dit samen met de decentrale overheden op te pakken.
Dan wil ik het nog hebben over de specifieke uitkeringen, de SPUK's. In het jaarverslag van het ministerie lezen we dat het aantal SPUK's enorm is toegenomen, van 16 in 2016 naar 185 in 2024. In 2025 zijn er weer 44 nieuwe bij gekomen. Elke SPUK gaat gepaard met verantwoordingslasten tussen overheden. Dat helpt niet bepaald bij een slagvaardige overheid. Het CDA vindt het dus goed dat dit afgebouwd wordt, om minder tijd te besteden aan overleg en verantwoording tussen overheden. We lezen dat er in 2026 acht SPUK's worden omgezet naar decentralisatie-uitkeringen en in 2027 mogelijk vijftien naar bijzondere fondsuitkeringen. Is ook dit kabinet gecommitteerd aan het terugdringen van het aantal SPUK's?
Als laatste wil ik inbrengen dat totdat er duidelijkheid is over de herverdeling, er lastige jaren voor gemeenten aankomen ter overbrugging als het gaat om de jeugdzorg en natuurlijk ook het inkomensafhankelijke abonnementstarief Wmo. Kan de minister toezeggen dat hij in gesprekken met provincies aangeeft dat ze hier coulant mee om moeten gaan en dat bijvoorbeeld de vrije algemene reserve wat soepeler ingezet kan worden om de begroting sluitend te krijgen?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft twee interrupties. De eerste is van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Als je een verjaardag hebt en er meer mensen komen dan je taart hebt, dan moet je opnieuw het mes in die taart zetten en dan krijg je een kleiner puntje. Het CDA zei het eigenlijk ook in een soort bijzin: er is geen extra geld gereserveerd in het coalitieakkoord. Dat is misschien wel de kern van het probleem. Ik denk dat we minder over verdeling zouden praten als er meer te verdelen was. Wat wil het CDA gaan doen in deze periode, waarin ze zelf aan de knoppen zitten, om te zorgen dat er meer geld is voor gemeenten en provincies?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik zei het niet in een bijzin. Ik denk dat die vraag terecht richting de coalitie komt. Ik denk dat ik dat in het tweede deel van mijn betoog vrij duidelijk heb aangegeven. Het gaat om het stukje medebewind; als voorbeeld noemde ik de jeugdzorg. Ik heb de getallen genoemd, die in de loop der tijd zijn opgelopen. Het kan niet zo zijn dat wij onbeperkt opplussen, zonder dat we ook heel kritisch kijken of dit op deze manier is rond te zetten. Ik ben zelf wethouder geweest. In het college werd bij aanvang van de periode vaak heel zorgelijk gekeken naar de gemeentefinanciën. Dan zei ik: het komt altijd anders. En het kwam ook altijd anders. Dat is op zich mooi, want het kwam ook altijd wel weer goed -- dat hebben we nu ook gezien met de incidentele bijdrage -- maar je moet structureel kijken naar wat gemeenten gaan doen en wat wij daaraan kunnen bijdragen. Ik denk dat dat gesprek nu gestart wordt, maar er moeten wel op korte termijn goede stappen worden gezet om ook op de lange termijn duidelijkheid te kunnen geven.
De heer Vermeer (BBB):
Mevrouw Boelsma-Hoekstra is eigenlijk best wel kritisch, maar ik krijg er toch een beetje extraparlementaire flashbacks en nachtmerries van. Want het CDA heeft zelf dit coalitieakkoord gemaakt. "Het komt altijd wel goed" of "het valt altijd wel mee": ja, incidenteel. Maar dat is juist het grote probleem: daar kan niet op gebouwd worden. De tientallen miljoenen positief resultaat van gemeentes vliegen ons om de oren, maar er is geen geld om structureel maatregelen te kunnen treffen. Bij jeugdzorg kan een gemeente feitelijk niks anders doen dan de bonnetjes die ingeleverd worden, overmaken, zonder dat ze invloed hebben op de kosten. Hoe denkt mevrouw Boelsma-Hoekstra dat dit kan worden opgelost? Gaat het CDA dit oplossen in de augustusbesluitvorming, in de Miljoenennota, ja of nee?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik zei "het komt altijd goed" niet omdat dat heel fijn was. Dat was juist niet fijn. Dus ik denk dat wij nu moeten kijken hoe we structureel gemeenten duidelijkheid kunnen geven. Is dat dan door een x-bedrag op te plussen in de begroting? Of is dat door kritisch te kijken naar wat gemeenten moeten doen en welk geld daar tegenover staat? Daar zou uit kunnen komen dat er opgeplust moet worden. Dan is het aan de minister om dat ons voor te stellen en daar ook geld voor te zoeken.
Maar het kan ook op een andere manier. We zien nu bijvoorbeeld dat de jeugdzorg wordt hervormd, maar de "revenuen" -- zo noem ik het maar -- daarvan zijn nog niet zichtbaar in gemeentebegrotingen. Daar moet je als Rijk volgens mij wel iets mee, want het kan niet zo zijn dat wij korten en dat er dan geen resultaten worden geboekt. Ik denk dus dat ook even in het gesprek met de minister van Jeugd de vraag aan de orde moet komen: hoe gaan wij dit doen? Ik heb ook in die rapporten van de provincies gelezen dat meer dan 50% straks rode cijfers schrijft. Het kan niet zijn dat we zo de toekomst in gaan, maar welke oplossingen daarvoor komen, wil ik toch echt even bij het kabinet neerleggen. Ik vraag het kabinet om daar kritisch naar te kijken en voor de gemeenten ook een oplossing voor de lange termijn te zoeken.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we verder met de inbreng van de heer Vermeer namens de fractie van de BBB.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Gemeenten staan het dichtst bij de mensen. Dat klinkt misschien als een cliché, maar het is wel waar. Als een gezin hulp nodig heeft, als er een sporthal of zwembad dreigt te verdwijnen of als jongeren zorg nodig hebben, kijken mensen als eerste naar hun gemeente. Daarom is dit debat voor BBB zo belangrijk. Als gemeenten en provincies geld tekortkomen, blijft dat niet ergens hangen in Haagse begrotingen of een tabel. Dan merken mensen dat direct in hun eigen dorp of wijk aan hogere lasten, verdwijnende voorzieningen, achterstallig onderhoud en plannen die stilvallen. Dat raakt precies aan waar BBB voor staat: sterke dorpen, leefbare gemeenten en provincies, en een overheid die niet alles in Den Haag bedenkt maar die juist begrijpt wat er lokaal nodig is.
Voorzitter. De minister stuurde op 28 mei een brief over de herziening van het verdeelmodel van het gemeentefonds per 1 januari '27 en verder. In die brief staan veel verstandige woorden, bijvoorbeeld over gemeenten die een gelijkwaardige financiële uitgangspositie moeten hebben, over een gelijkwaardig voorzieningenniveau tegen gelijke belastingdruk en over objectieve kostenkenmerken. Er staat in dat deze punten allemaal in het vervolgtraject worden meegenomen. Maar dan komt er een zin waar ook BBB over valt. Na al die mooie woorden schrijft het kabinet namelijk dat het vervolgtraject nadrukkelijk niet gaat over de omvang van de middelen, maar over de verdeling van de middelen in het gemeentefonds. Hoe kijkt de minister aan tegen de noodkreten van randgemeenten, terwijl centrumgemeenten meer geld ontvangen? Denkt de minister dat gemeentegrenzen uitdagingen kunnen tegenhouden?
Voorzitter. Gemeenten krijgen er dus geen ene euro bij. We gaan vooral opnieuw bespreken hoe we hetzelfde te kleine bedrag anders gaan verdelen. Dat is niet uit te leggen. Gemeenten vragen niet alleen om een andere rekensom, maar ook om lucht, zekerheid en structurele middelen. Dat doen ze vanwege het simpele uitgangspunt dat als Den Haag taken oplegt, Den Haag daar ook geld bij moet leveren. BBB blijft het herhalen: taken en knaken moeten elkaar volgen. Anders gezegd: geen Haagse ambities doorschuiven naar gemeenten zonder de rekening te betalen.
Eerder dit jaar heeft dit kabinet ook een brief gestuurd over twee ROB-adviezen, namelijk Afrekenen met disbalans en Meters maken met medebewind. Het kabinet erkent in zijn reactie op die adviezen dat er inderdaad een disbalans is tussen taken, bevoegdheden en middelen, maar daar blijft het dan ook bij. Vervolgens blijft het kabinet toch weer hangen in juridische terughoudendheid. Dan wordt er gezegd dat artikel 108 van de Gemeentewet en artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet zich niet lenen voor een compensatieplicht voor medebewindstaken. Daar wil BBB een reflectie van de minister op. Wat betekent dit nou in gewonemensentaal? Betekent dit dat de minister vindt dat het Rijk taken bij de gemeenten mag neerleggen, vervolgens zelf mag bepalen hoeveel geld daarbij hoort en daarna mag zeggen: dit is hoe wij de compensatieplicht uitleggen? Als dat de lijn is, is "taken en knaken" geen uitgangspunt meer, maar een vrijblijvende slogan, en dat kan niet. Daarom vraag ik de minister heel concreet: erkent hij dat medebewindstaken in beginsel volledig bekostigd moeten worden en, zo ja, hoe gaat hij dat borgen?
Voorzitter. Zoals ik in mijn inleiding al zei: dit is geen papieren discussie. De gemeente Son en Breugel heeft niet voor niets aandacht gevraagd voor meer knaken voor de taken. De gemeente Ede slaakt een noodkreet voor bezuinigingen van tientallen miljoenen. En de gemeente Achtkarspelen moet pijnlijke keuzes maken over voorzieningen als zwembaden. Dat is niet alleen een kostenpost, maar gaat ook over zwemveiligheid, ontmoeting en leefbaarheid in dorpen. Dat is precies het punt. Als Den Haag te weinig geld meestuurt voor verplichte taken, sneuvelen de voorzieningen waar dorpen en gemeenschappen op draaien. Dan betaalt het zwembad in het geval van Achtkarspelen de rekening van de jeugdzorg en dan betaalt de lokale inwoner de rekening van Haagse politieke keuzes. BBB vraagt de minister om vandaag één ding helder te maken: ziet hij dat dit probleem groter is dan alleen de verdeling van het gemeentefonds? Een eerlijker verdienmodel is nodig, maar een eerlijke verdeling van te weinig geld blijft nog steeds te weinig geld. Als de minister dat met BBB eens is, vraag ik hem in dat kader of hij bereid is om in het vervolgtraject ook onderzoek te laten doen naar de omvang van het gemeentefonds in relatie tot de medebewindstaken. Dan vraag ik hem ook om voor de volgende stap in het verdeelmodel aan de Kamer te laten weten wat het kabinet gaat doen als uit dat onderzoek blijkt dat het niet alleen qua verdeling maar ook qua omvang tekortschiet.
Voorzitter, ik sluit af. Ik heb het vooral gehad over het gemeentefonds, maar even belangrijk is het provinciefonds. Daarom heb ik nog een laatste vraag: wat is de stand van zaken bij de herverdeling van het provinciefonds? Wordt daarbij voldoende rekening gehouden met provinciespecifieke omstandigheden? Ik noem de provincie Flevoland, die door haar bijzondere ontstaansgeschiedenis voor 20% tot 25% gekort dreigt te worden. Hoe vindt de minister het dat hij eigenlijk met hetzelfde bedrag de provincies dan maar zelf laat uitzoeken hoe dingen verdeeld moeten worden, terwijl een individuele provincie eigenlijk maar één echte bezuinigingsmaatregel heeft, namelijk het opzeggen van het lidmaatschap van het IPO? Dan weet je in ieder geval dat je geld bespaart.
Voorzitter, ik houd het omwille van de spreektijd voor nu hierbij. Dank u wel.
De voorzitter:
Dat was in ieder geval royaal.
De heer Vermeer (BBB):
O, dank u voor uw coulance.
De voorzitter:
Mevrouw Huizenga namens D66.
Mevrouw Huizenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. De hoofdvraag van dit debat is eigenlijk: hoe kunnen we met alle overheden samen bouwen aan een mooier Nederland en hoe kunnen we als overheden op elkaar bouwen?
Wat D66 betreft zijn daar twee dingen voor nodig. Allereerst wil ik de minister vragen om de gemeenten, waterschappen en provincies mede-eigenaar te maken van al die mooie plannen in het coalitieakkoord. Bij die grote investeringen in de woningbouw, het openbreken van het stikstofslot en het werken aan een gezonde samenleving kunnen we echt niet zonder hen. Daarom ben ik blij dat de samenwerking sinds het aantreden van het kabinet direct is opgezocht.
Ik ben er ook positief over dat in het coalitieakkoord zo veel aandacht is voor de interbestuurlijke verhoudingen, maar ik heb nog wel vragen over hoe we dat gaan doen. Hoe gaat de minister de samenwerking de komende vier jaar vormgeven? Hoe zorgen we ervoor dat er vertrouwen is in die samenwerking tussen alle overheden voor de grote opgaven waar we voor staan? Ik denk namelijk dat overheden vaak meer van elkaar kunnen leren dan ze nu al doen.
Vaak spelen dezelfde thema's op meerdere lagen. Mijn oog viel vorige week bijvoorbeeld op het Amsterdamse coalitieakkoord. Daarin wordt de gemeenteorganisatie tegen het licht gehouden: hoe kan het effectiever en hoe kan de gemeente leveren voor haar inwoners, haar burgers? Hier landelijk zijn we ook bezig met die vraag: hoe kan het wat slagvaardiger? Ik hoor graag van de minister hoe hij decentrale overheden kan ondersteunen als zij er, net als het kabinet, behoefte aan hebben te werken aan een slagvaardige organisatie.
De heer Martin Bosma (PVV):
Het is goed dat de mevrouw van D66 begint over Amsterdam en het nieuwe coalitieakkoord. Amsterdam heeft meermalen geld gegeven aan Gaza. Daar voelt men zich blijkbaar solidair mee. In dat nieuwe coalitieakkoord gaat er ook een enorm bedrag naar Ramallah. Dat wil men wederopbouwen. Ik wist niet dat er iets was gebeurd in Ramallah waardoor dat wederopgebouwd moet worden. Wat vindt de gewaardeerde collega van D66 ervan dat Amsterdam allemaal geld geeft aan buitenlandse doelen?
Mevrouw Huizenga (D66):
Ik vind dat aan de raad van de gemeente Amsterdam. Dat het efficiënter en slagvaardiger kan en mag, wil ik benadrukken. Dus daar heb ik geen mening over.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Martin Bosma (PVV):
Amsterdam heeft een schuld van 9 miljard euro. Het is ongelofelijk: 9 miljard. Ze geven per jaar 1,7 miljard uit aan personeelskosten. Het aantal werknemers is daar de afgelopen jaren gestegen met 6.000. Is het dan verstandig en is het aan de burgers te verkopen dat er ook belastinggeld gaat van Amsterdam naar Gaza en naar Ramallah?
Mevrouw Huizenga (D66):
Wederom, dat is een vraag die je aan de gemeenteraad van Amsterdam kunt stellen.
De voorzitter:
U vervolgt.
Mevrouw Huizenga (D66):
In diverse rapporten zijn aanbevelingen gedaan voor die slagvaardige organisatie. Bij die goede samenwerking is het ook belangrijk dat de Rijksoverheid haar eigen rol goed speelt. Het Rijk heeft een verantwoordelijkheid voor deze decentrale overheden en die zit met name in de financiering. Als fondsbeheerder heeft het Rijk daar veel zeggenschap, terwijl decentrale overheden beperkte ruimte hebben voor hun eigen financiële beleid. Ik was zelf actief in Provinciale Staten. Daar heb ik ervaren hoe wij hier, het Rijk, met deze verantwoordelijkheden omgaan.
Nu ligt er een nieuw verdeelmodel voor het gemeentefonds voor. Een goed en zorgvuldig proces om te veranderen is daarbij belangrijk. Het is dan ook goed dat de minister in zijn brief heeft aangegeven: dit proces had anders gemoeten, zeker als we kijken naar hoe het in de laatste fase is gelopen. Dat er nu met het einde in zicht toch weer twee jaar vervolgonderzoek komt, is voor sommige gemeenten een grote teleurstelling. Daarbovenop kwam nog een brief met een wijziging in de indexatie. Daarom de vraag aan de minister of er echt nog twee hele jaren nodig zijn en, zo ja, hoe hij ervoor gaat zorgen dat het bij die twee jaar blijft, want meer uitstel is gewoon geen optie. De minister hoopt de Kamer ergens na de zomer te informeren over hoe de indexatie vanaf 2028 wordt ingevuld. Kan hij iets specifieker aangeven wanneer hij duidelijkheid kan geven, want de gemeenten zijn richting het najaar met hun begrotingen bezig en het is belangrijk om helder te krijgen waar zij die begroting dan op moeten baseren? Wanneer zijn de stappen gezet om inzicht te hebben, ook voor de lange termijn? We moeten het namelijk ook hebben voor de structurele financiering op de lange termijn.
De heer Flach (SGP):
Eigenlijk wil ik dezelfde vraag stellen als ik aan het CDA heb gesteld. D66 is een partij die aan de knoppen zit, die ook echt iets kan doen aan de problematiek. We hebben het hier over verdeling, maar ik heb net ook al gezegd: je kunt beter iets meer verdelen; dan heb je het wat minder over de verdeling, want dan heeft iedereen gewoon genoeg. Wat wil D66 in aanloop naar de eerste Miljoenennota van het kabinet-Jetten gaan doen om gemeenten extra tegemoet te komen?
Mevrouw Huizenga (D66):
We hebben in alle adviezen van de ROB kunnen lezen dat er veranderingen moeten plaatsvinden. Ik zie ook dat de minister eraan werkt om die veranderingen door te voeren. Ik ben dus heel benieuwd wat er de komende periode aankomt om die stappen te zetten. Dan denk ik dat we richting de Miljoennota beter in beeld hebben wat daarvoor nodig is.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Huizenga (D66):
Ik was eigenlijk klaar. Dus dank.
De voorzitter:
Dan heeft u nog een interruptie van de heer Schenk.
De heer Schenk (FVD):
Er is toch een bepaalde tendens gaande de laatste jaren waarbij gemeenten steeds meer taken krijgen en daar hoort logischerwijs dan ook steeds meer geld bij. Hier lijkt de discussie een beetje neer te komen op: hoe gaan we voor meer geld zorgen? Zou het niet goed zijn om vanaf de andere kant te denken en te zeggen: is wel slim om gemeentes zo veel extra taken te geven? Moeten we niet eens daarnaar kijken: het terugdringen van de hoeveelheid taken die een gemeente krijgt van de Rijksoverheid?
Mevrouw Huizenga (D66):
Dat is precies wat ik in mijn betoog heb gezegd: we moeten kijken naar de rapporten van het ROB waar het gaat over medebewind, naar hoe we het efficiënter inrichten, hoe we het effectief inrichten. Dat is exact wat wij gevraagd hebben, om te kijken naar die medebewindstaken en daarbij niet alleen te kijken naar meer geld erbij, maar effectief en efficiënt aan de slag te gaan.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Schenk (FVD):
Het stemt mij eigenlijk wel heel optimistisch om dat te horen. Ik vraag me wel af wat concreet taken zijn waar D66 aan denkt, die wellicht bij gemeenten weggehaald zouden kunnen worden en terug zouden kunnen naar landelijk of wellicht zelfs geschrapt zouden kunnen worden. Zijn daar concrete voorbeelden van of is dat nog volledig iets voor de toekomst, iets waar we nog maar even naar moeten kijken?
Mevrouw Huizenga (D66):
Ik denk dat we daar gewoon een goed gesprek over moeten voeren. Ik kan nu niet zo een-twee-drie zeggen welke taken wegmoeten. Een gemeente staat aan de lat voor een aantal kerntaken. Het gaat mij er ook meer om dat we het effectief en efficiënt en met elkaar te organiseren als overheden.
De voorzitter:
Dan gaan we naar de inbreng van de heer Struijs. Sorry, de heer Vermeer heeft nog een interruptie.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Net als de collega van het CDA, stipt ook de collega van D66 eigenlijk precies de juiste dingen aan, maar ze zit zelf ook in de coalitie. Of wij nou taken weg gaan halen of meer geld gaan geven, in beide gevallen kost het gewoon de Rijksoverheid extra geld, is er extra budget nodig. Hoe denkt mevrouw Huizenga dat bij de komende Miljoenennota structureel te gaan regelen? Dit is een discussie die in alle debatten terugkomt en die eigenlijk de roze olifant hier in de kamer is. We zijn het volgens mij allemaal met elkaar eens dat er van alles moet gebeuren, alleen is er niemand die een zak geld bij zich heeft. Hoe gaan we die zak geld regelen en wat gaat D66 doen als die zak geld niet loskomt?
Mevrouw Huizenga (D66):
Ja, klopt. Wij zitten in de coalitie. Ik weet ook dat het kabinet heel hard aan het werk is om te kijken hoe we alle opgaven die er liggen voor elkaar kunnen krijgen. Dus u kunt van mij verwachten dat ik me inzet voor geld waar dat het hardste nodig is, ook richting gemeenten. Als het gaat om de begroting, vind ik wel echt dat we de minister de kans moeten geven om nu met oplossingen te komen. Richting de begroting wordt in allerlei commissies gesproken over hoe dat vorm gaat krijgen. Dat is eigenlijk mijn antwoord.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik hoorde het CDA net ook wijzen richting de coalitie of het kabinet. Op zich mag dat, maar ik ben toch wel benieuwd hoe D66 zelf kijkt naar bijvoorbeeld het oplossen van het ravijnjaar, want dat lijkt me toch ook een vrij belangrijke opgave die eraan komt.
Mevrouw Huizenga (D66):
We hebben het al jaren over het ravijnjaar en we schuiven het ravijnjaar jaren vooruit. Het gaat mij er meer om -- dat zit ook in al die rapporten -- dat het geld dat we beschikbaar stellen daar terechtkomt waar het nodig is. Dus ik denk echt dat we het anders moeten inrichten, zodat we niet meer hoeven te spreken over een ravijnjaar en gemeenten de taken die ze hebben echt efficiënt en goed kunnen uitvoeren.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Het is natuurlijk niet zo dat als we niet meer spreken over het ravijnjaar, het ravijnjaar dan niet meer bestaat. Dat zou ik heel fijn vinden, want dan stop ik ook met erover praten. Ik ben het ook eens met D66 dat gemeenten geld moeten krijgen daar waar het het hardste nodig is. Maar als je geld weghaalt, weet je zeker dat ze voor al die taken niet genoeg geld hebben, want ze lopen nu al over. Ik ben dus gewoon benieuwd hoe D66 dat hoopt te gaan oplossen.
Mevrouw Huizenga (D66):
In alle rapporten kan je lezen dat het door de manier waarop we financieren nu vaak een probleem is. Dat zit in die specifieke uitkeringen. Daar zitten allerlei voorwaarden aan, waardoor het geld dat beschikbaar wordt gesteld niet gebruikt kan worden voor de taken die er liggen. Dus ik denk dat we het moeten hebben over dat het anders ingericht moet worden. Nu zie ik dat gemeenten ook vaak van specifieke uitkeringen schuiven naar reserves. Uiteindelijk komt er dan wel een oplossing, maar het gaat om hoe we het systeem met elkaar inrichten. Daar moeten we het over hebben. Als we het de hele tijd over een ravijn hebben, is er ook zeker een ravijn. Dus wat mij betreft hebben we het over hoe we dit gaan oplossen met elkaar en ik denk dat de minister daar ook nog wel wat over gaat zeggen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu toch naar de heer Struijs, die spreekt namens de fractie van 50PLUS.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank, voorzitter. 50PLUS is altijd geduldig. De lokale democratie staat niet alleen onder druk, maar soms zelfs onder water. Ik moet zeggen dat wij, nu wij weer in de Kamer zitten en in vele gemeentes betrokken zijn bij gemeenteraden, enorm schrikken. Wij schrikken, omdat wij zien dat gemeenteraden niet volledig hun werk kunnen doen met al die opgelegde taken. Ik wil er één ding uithalen. Ik volg de coalitiebesprekingen. In mijn geboortestad is een halfuur geleden bekend geworden dat er een coalitie komt met gelukkig 50PLUS aan boord. De partijen praten vaak over onzekerheden in plaats van dat ze beloftes doen aan de burger, omdat ze niet anders kunnen. De burgers vragen veel en er is te veel onzekerheid. Dat ondergraaft de coalitievorming, maar ook onze democratie. Daar zou ik toch wel eens even een reflectie van de minister op willen, want die onzekerheden, die nu al jaren duren, zijn erg frustrerend als je in een gemeenteraad zit en met ziel en zaligheid iets aan wonen, zorg en veiligheid wil doen.
We hebben vele brieven en rapporten mogen doorwerken de laatste maanden. Ik vond een brief van de burgemeesters van middelgrote gemeenten waarin ze vragen om de ingroei niet meer te pauzeren, maar verder te gaan op de ingezette lijn en het liefst versneld, dus een invoerpad voor het nieuwe model en verbetering daarvan. We horen veel techniek over de herverdeling. Enorm belangrijk, want er is een grote pot geld die verdeeld moet worden en misschien wel op een betere en eerlijkere manier. Die systematiek wordt stapsgewijs ingevoerd. Vindt de minister niet dat het te langzaam gaat?
Het tweede waar ik iets over wil zeggen, zijn alle pilots rond datagedreven informatiesets. Het klinkt heel technisch, maar het gaat ons, zoals ik in Friesland heb gezien, wel enorm helpen bij een betere, effectievere verdeling over de gemeentes. De ene gemeente is nou eenmaal de andere niet. Is dit hulpmiddel -- ik zeg nadrukkelijk "hulpmiddel" -- misschien niet iets om toch veel meer uit te nutten?
Dan het ravijnjaar. Iedereen zegt er iets over. Ieder geeft maar zijn eigen definitie eraan. Wij denken dat er twee soorten ravijn zijn: of je stort erin of je glijdt langzaam naar beneden. We zijn langzaam naar beneden aan het glijden volgens 50PLUS. Neem een stad als Eindhoven: 45 miljoen tekort. Dat is serieus geld, maar er zit wel een schrijnend verhaal onder over zorg, veiligheid en met name kwetsbare burgers. Er zijn dus zorgen genoeg en die worden terecht benoemd, onder andere door deze gemeente, maar zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar denk ook gewoon aan een gemeente als Baarn. Het is toch wel interessant om naar wat kleinere gemeentes te kijken, naar het platteland. Kijk naar veiligheid. Houden wij ons wel aan de wet? Ik ben als geen ander betrokken bij de invoering van de nationale politie en de wetgeving daarvoor. Beloftes over de wijkpolitie, zowel wat betreft het platteland als de kleine en grote steden, zijn tot de dag van vandaag niet nagekomen. Wijkagenten zouden 80% van hun tijd in de buurten zijn, maar wat gaan we doen? Neem Baarn. Door de onveiligheid die ook daar ontstaat, wordt Baarn nu genoodzaakt om boa's aan te stellen. Dat gaat weer af van de begroting.
Zo zijn er dus talloze voorbeelden. Ik breng het hier maar in de zin van "little stories, big issues", in goed Nederlands. Dit debat doet ertoe. Gemeenten zouden er enorm mee geholpen zijn als het accres niet wordt vastgesteld op basis van ramingen in het voorjaar, maar op basis van nacalculatie. Nu lopen ze continu achter de feiten aan en stapelen de tekorten zich steeds verder op. Wij willen hier een duidelijke reactie van de minister op. Als zijn toezeggingen niet duidelijk genoeg zijn, dan gaan we echt een motie indienen. Dat is overigens een motie die heel veel lijkt op een motie die al in de Eerste Kamer is aangenomen. We willen echt met z'n allen de schouders eronder zetten, met een beetje tempo.
Het vertrouwensbeginsel zou ook het uitgangspunt moeten zijn voor het Rijk en gemeenten. Het gaat om gelijkwaardigheid. Dat is eigenlijk van het begin af aan niet het geval geweest. Bij elke opdracht kwam een taakstelling. Ook deze minderheidscoalitie heeft zich daaraan bezondigd, zonder overleg of zelfs zonder mededelingen vooraf. De communicatie had wat beter gekund, maar het is nog sterker: je wordt er als gemeenteraadslid mee geconfronteerd dat je elke keer de schaarste aan het verdelen bent. Daar moeten we toch een andere manier voor zien te vinden.
Neem de kwestie van de huishoudelijke hulp. Die gaat er per 2029 als voorziening uit en wordt inkomensafhankelijk. Hoe dat precies geregeld gaat worden, is nog steeds niet duidelijk. De taakstelling eromheen is voor het gemak alvast ingeboekt. Gemeenten blijven wel verantwoordelijk voor het vangnet, maar hoe? Daar krijgen wij heel veel vragen over. Dat is nog steeds niet duidelijk. Het kan echt niet. We moeten naar meer gelijkwaardige partners. Ze hebben nu het gevoel dat ze een beetje bungelen. Wat vindt de minister van deze uitspraken?
Voorzitter. Laat ik heel duidelijk zijn. Ik ga toch even de techniek van de Gemeentewet in. "Onverminderd het bepaalde in de artikelen 110, vijfde lid, 119, vierde lid en 120, tweede lid, worden de kosten, verbonden aan de uitvoering van het tweede lid, voor zover zij ten laste van de betrokken gemeenten blijven, door het Rijk aan hen vergoed." Ik ben nooit zo van dit soort dingen, maar als advocaten mij hierop wijzen en zeggen dat ze hierom niet willen ondersteunen … Dit is namelijk gewoon niet wat er gebeurt. De Rijksoverheid legt dingen op: "Dit is wat wij eerst deden, maar wat u nu moet doen, maar dan met veel minder budget." Met andere woorden, minister: reflecteer hierop en hou u aan de wet. Kijk naar de wet over de veiligheid en de nationale politie. Kijk ook naar deze wet.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar de inbreng van de heer Martin Bosma namens de fractie van de PVV.
De heer Martin Bosma (PVV):
Dank u wel. Welk wetsartikel was dat nou, meneer Struijs? Nee, oké, ik ga door.
Voorzitter. Het gaat vandaag om heel veel geld, dus het is goed dat we erover praten. 50 miljard gaat er jaarlijks naar de gemeenten en de provincies. Dat is niet niks. Het gaat om geld dat gebruikt wordt ten algemenen nutte. We zien de dingen om ons heen die verzorgd worden door de gemeentes en de provincies. Daarnaast moeten we toch even goed kijken wat gemeenten en provincies zoal doen met dat geld en moeten we ons afvragen of dat wel de juiste besteding is. Ik ben erg benieuwd wat de minister daarvan vindt.
Het aanjongen van het aantal ambtenaren de afgelopen jaren is niet gering. In Amsterdam kwamen er 6.000 ambtenaren bij, samen goed voor 1,7 miljard aan loonkosten. Het is iets wat we door heel Nederland zien. In tal van gemeenten in de provincie Overijssel kwamen er 2.100 mensen bij. Haaksbergen ging van 140 naar 205 ambtenaren. In Borne stonden 46% meer mensen op de loonlijst. In de provincie Zeeland kwamen er 1.000 mensen bij in vijf jaar. In Utrecht ging het van 4.600 naar 6.100. Het verzuim ligt daar op 8,7%. Het verzuim in Amsterdam is 10%. Dat is enorm. Er worden dus steeds meer mensen aangenomen. Er is sprake van bestuurlijke obesitas, zoals het lokale CDA het uitdrukt. Maar mensen worden ook steeds vaker ziek. 10% van de ambtenaren in Amsterdam zit ziek thuis.
Wat vindt de minister ervan dat het maar aanjongt en aanjongt? Ik ben best bereid om te geloven dat er meer taken naar de gemeenten zijn gegaan de afgelopen jaren, zoals de Wmo en noem maar op, maar verklaart dit nou echt de bestuurlijke obesitas? Ik waag dat te betwijfelen. Blijft de minister gewoon maar doorgaan met gireren? Er werd net gesproken over het nieuwe bestuursakkoord in Amsterdam. Daar hebben ze negen wethouders in plaats van zes. Eén wethouder heeft dus twee voorlichters. Het gaat maar door en het gaat maar door. De landelijke norm is tien gemeenteambtenaren per 10.000 inwoners. In Amsterdam zijn dat er twintig. Heeft de minister het idee dat dit een regel zou moeten zijn en is hij bereid om de gemeente daarop aan te spreken?
Voorzitter. Heel veel taken worden ondertussen niet uitgevoerd. In de grote steden is er een enorm probleem met zwerfvuil. Ik woon zelf in het provincieplaatsje Amsterdam. Het is goor, het is smerig, het is Calcutta 2.0. Ratten, bende, het geurt, het is vies. Het is smerig.
Dan is er nog iets, wat er ook haaks op lijkt te staan: de lasten gaan door het dak. Door heel Nederland exploderen de lokale lasten. De toeristenbelasting gaat met 60% omhoog in Amsterdam. De gemeentebelastingen: landelijk +6,5%. Parkeeropbrengsten zijn gestegen met 8,8%. Reinigingsheffingen, ozb, afvalstoffenheffing, rioolheffing: ze gaan overal door het dak. Ondertussen vraag ik me af of de dienstverlening aan de burger hier wel gelijke tred mee houdt. Is dat ook het beeld van de minister?
Voorzitter. Dan schulden. Er zijn nogal wat gemeenten met forse schulden. Amsterdam staat voor 9 miljard aan de lat. Wat doen ze met al dat geld? Ze geven het uit, ze geven het uit, ze geven het uit. 9 miljard betekent ook: enorme rentelasten. Vindt de minister dat gewoon? Tegelijkertijd hebben de gemeenten enorme buffers, bij elkaar 43 miljard. Moeten ze die dan niet eens gaan uitgeven?
Ondertussen zijn de gemeentes ook druk met deugen. Velen hebben een buitenlands beleid. Ze hebben wethouders van Buitenlandse Zaken, bij wijze van spreken. Amsterdam heeft al meerdere malen gegireerd richting Gaza, dat blijkbaar gesteund moet worden terwijl de ratten en het zwerfvuil door de straten kruipen in Amsterdam. Door Amsterdam gaat er nu ook geld gegeven worden aan Ramallah. Daar gaat ons belastinggeld naartoe. Ondertussen gaat het nieuwe coalitieakkoord, waar net al aan gerefereerd werd, allerlei bedrijven wegpesten die zakendoen met Israël, zoals Booking.com, Airbnb en Expedia. Ondertussen wordt er ge-iftard en wordt er wel zakengedaan met China. Wat vindt de minister daarvan?
Er is ook een personeelsbeleid dat ten doel heeft om minder blanke mensen in dienst te krijgen. In Amsterdam en Utrecht is dat het geval. Hoe staat de minister daartegenover? Wat vindt de minister ervan dat illegalen in Amsterdam nu een gratis Stadspas krijgen? Je bent illegaal, je hebt hier niks te zoeken, je moet eigenlijk terug, maar je krijgt van de gemeente Amsterdam een gratis Stadspas. Wat vindt de minister daarvan? Is hij het met mij eens dat dit een aanzuigende werking heeft?
Voorzitter, dat was het. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Clemminck, die zijn inbreng doet namens de fractie van JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Als je de voorgaande commissiedebatten over de financiën van decentrale overheden terugkijkt, valt er iets op. De kern is eigenlijk telkens hetzelfde. Er is bij iedereen eigenlijk zo'n beetje te weinig inzicht in de relatie tussen de ambities, taken en knaken bij de gemeenten. Er is discussie over hoe de begroting te maken en hoe je de koek dan weer moet verdelen. Ik ben bang dat het debat van vandaag niet zo veel anders is dan de voorgaande debatten. Met andere woorden, we komen niet echt een stapje verder.
Voorzitter. Er is onderzoek gedaan naar grootstedelijke kosten, las ik, de kosten van gemeenten met meer dan 100.000 inwoners. Grootstedelijke problematiek is te objectiveren. Er is een concentratie en cumulatie van problemen, en dus zijn er extra kosten. Daarnaast zouden deze gemeenten extra, vaak regionale, taken hebben. Het onderzoeksbureau concludeert dat er inderdaad sprake is van grootstedelijke kosten bij die 100.000+-gemeenten, vooral op het gebied van infra, gebiedsontwikkeling, onderwijs en het sociaal domein. Er is dus een objectieve grond. De logica van de kostenoriëntatie betekent dat er reden is om een maatstaf op te nemen in het gemeentefonds. Die bestaat al: de bebouwingsdichtheid. Een alternatief is niet gevonden. Er is een nieuwe onderzoeksagenda opgesteld voor het najaar van 2026, om te bekijken of we tot een andere maatstaf kunnen komen.
Voorzitter. Ook middelgrote gemeenten hebben stedelijke kenmerken, dynamiek en problematiek. De schaal en bebouwingsdichtheid zijn anders -- zeer zeker -- maar ze zijn wel vergelijkbaar. Vaak hebben deze gemeenten niet hetzelfde oplossingsvermogen als de 100.000+-gemeenten. Ze hebben bijna allemaal een beroerder ov, amper vervolgonderwijs binnen de gemeentegrens en geen toegang tot allerlei mooie rijksprogramma's, zoals het NPLV. Ze hebben vaak ook veel meer moeite met het werven van voldoende capaciteit en expertise in de ambtelijke organisatie. Daarom onderkent de minister dat de middelgrote gemeenten stedelijke kenmerken hebben, en dus ook de problematiek. Een andere schaal, dezelfde dynamiek. Erkent de minister dat het oplossend vermogen van deze middelgrote gemeenten juist minder groot is dan dat van de grote gemeenten? Is de minister bereid om ook de middelgrote gemeenten mee te nemen in dat onderzoek, en dus eventueel ook in zo'n maatstaf?
Voorzitter. De minister kiest ervoor om de huidige bedragen van het ingroeipad voor de gemeenten die niet volledig ingroeien voorlopig te bevriezen op het niveau van 2026. De volgende stap zet de minister pas in 2029. Dat betekent dat gemeenten waarvan eerder objectief is vastgesteld dat zij te weinig kregen, nog veel langer te weinig gaan krijgen. Ik geef een voorbeeld, van de gemeente Eindhoven, die uiteindelijk een voordeelgemeente is van €200 per inwoner. Het ingroeipad van de herverdelingseffecten was voor de eerste drie jaar afgesproken op €7,50 per inwoner in de eerste jaarschijf, €15 in de tweede jaarschijf en nog een keer €15 in de derde jaarschijf, oftewel voor de eerste drie jaar in totaal €37,50, op het totaal van €200 waar ze naartoe zouden moeten groeien. Vorig jaar heeft het toenmalige kabinet besloten in 2026 geen vervolgstap te nemen met het geleidelijk invoeren van het nieuwe voordeelmodel. Dat betekent dus stilstand voor de gemeente Eindhoven. Jaarlijks mist de gemeente Eindhoven daardoor zo'n 3,5 miljoen euro. Door de voorgenomen bevriezingen van dit kabinet in 2027 en 2028 mist de gemeente Eindhoven cumulatief zo'n 17,5 miljoen euro. Erkent de minister dat het opnieuw bevriezen van dit ingroeipad grote gevolgen heeft voor deze gemeente? Zo zijn er overigens nog tal van andere gemeenten. Ziet de minister nog mogelijkheden om het ingroeipad zo snel mogelijk te hervatten, maar in ieder geval per 2028?
Voorzitter. Ten slotte heb ik het weer even over de koek en hoe die groter te maken. Uiteindelijk is het natuurlijk een kwestie van politieke keuzes, ook hier in Den Haag. Simpel gezegd is de vraag: gaan er minder miljarden naar massamigratie, minder miljarden naar milieu- en duurzaamheidsdoelen, minder miljarden naar ontwikkelingssamenwerking in Brussel? De minister weet, denk ik, heel goed wat voor mijn partij het juiste antwoord is op deze vraag, maar ik ben benieuwd wat het antwoord van de minister is.
Voorzitter. Ik doe ook een oproep aan al die wethouders die hier vandaag aanwezig zijn. Vaak zijn het wethouders van partijen die juist meer massamigratie willen, juist meer klimaat en juist meer ontwikkelingshulp. Mijn oproep aan die wethouders zou zijn: spreek uw eigen partij aan en verwacht niet altijd alles vanuit Den Haag.
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Tseggai, voor haar inbreng namens de fractie van PRO.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Zo is het, voorzitter.
Het is al gezegd: gemeenten werken elke dag aan onwijs belangrijke voorzieningen waar heel veel inwoners dagelijks mee te maken hebben, of het nu de Wmo is, de jeugdzorg of het onderhoud van onze straten en parken. De gemeentes zijn daarin aan zet, maar we zien dat veel gemeenten al langere tijd financieel krap zitten. De afgelopen jaren zijn er steeds meer taken bij gekomen, maar de financiële middelen vanuit het Rijk zijn achtergebleven, met als gevolg dat de gemeenten lokale lasten verhogen om het zwembad, de bibliotheek en het buurthuis open te houden. Dit is zorgelijk. Het doet ook iets met het vertrouwen vanuit de samenleving in de overheid. Als mensen zien dat de gemeente haar taken niet meer goed kan uitvoeren, wijken verloederen, voorzieningen verdwijnen en armoede toeneemt, dan wordt het gezien als falen van de overheid en de democratie in zijn algemeenheid. Het is immers de overheidslaag die het dichtstbij staat. Daarmee komt ook de weerbaarheid van onze samenleving verder onder druk te staan. Deze trend moeten we wat ons betreft met elkaar keren.
We zijn blij dat deze nieuwe minister bij zijn aantreden heeft gezegd dat hij de band met de medeoverheden wil herstellen. Dat is hard nodig, na de afgelopen jaren van onderling wantrouwen en het niet nakomen van afspraken. Als je bijvoorbeeld eenzijdig, zonder overleg of inhoudelijke onderbouwing, 10% korting oplegt aan medeoverheden, zoals voor het ov, dan veroorzaak je wantrouwen. Ook zijn er de afgelopen jaren meermaals afspraken niet nagekomen. Welke lessen trekt de minister hieruit? Ook ben ik benieuwd hoe hij zonder extra geld in het regeerakkoord tot concrete afspraken gaat komen met de medeoverheden.
Voorzitter. Het ravijnjaar is door het vorige kabinet twee jaar uitgesteld. 2028 is het nieuwe moment waarop veel gemeenten in grote financiële problemen dreigen te komen. We kunnen het "ravijnjaar" trouwens anders noemen, maar daarmee verdwijnt het niet. In het regeerakkoord lezen we dat het kabinet de adviezen van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen wil opvolgen. Ik hoop dat de minister en de medeoverheden hierover snel met elkaar in gesprek gaan, want er is een hoop werk te verzetten. Er moeten afspraken gemaakt worden over de bekostiging van de jeugdzorg, waarmee veel gemeenten vanaf 2028 enorm in de knel gaan komen. Is het kabinet van plan om zich bijvoorbeeld achter de adviezen van de commissie-Van Ark te scharen?
De medeoverheden geven verder aan dat het Rijk de normeringssystematiek niet goed is nagekomen en dat gemeenten hierdoor honderden miljoenen euro's zijn misgelopen. Graag een reactie van de minister hierop. Hoe wil hij dit gaan oplossen?
De minister heeft met de medeoverheden dus veel werk te doen. Ik vind het belangrijk dat wij als Kamer goed de vinger aan de pols kunnen houden. Graag wil ik dan ook aan de minister vragen of we als Kamer voorafgaand aan het maken van afspraken met medeoverheden kunnen worden geïnformeerd, bijvoorbeeld over de evaluatie van de normering, adequate bekostiging en hoe er in de toekomst conflictbeslechting plaats zal vinden bij financiële geschillen. Graag ook een toelichting op hoe er in het vervolg tot een uitlegbaar verdeelmodel gekomen gaat worden.
Voorzitter. Dan kom ik bij de provincies. Ook voor provincies geldt dat zij ontzettend belangrijke taken uitvoeren, zoals het ov en infrastructuur. Heel veel mensen hebben er last van als dat niet goed geregeld is. Recent luidden de provincies de noodklok: als er niet meer geld van het Rijk komt, dreigen bruggen en wegen afgesloten te worden, vanwege onveilige situaties. Ik begrijp dat dit natuurlijk ook een gesprek is tussen de minister van IenW en de provincies, maar ik zou echter ook van deze minister een reflectie hierop ontvangen. Het feit dat de provincies nu de noodklok moeten luiden, zegt namelijk ook iets over hoe het Rijk en medeoverheden met elkaar samenwerken.
Verder blijkt er uit onderzoek naar infra en natuur dat de kosten harder zijn gestegen dan het bbp. De beschikbare middelen zijn niet toereikend. Over het ov komt binnenkort nog een rapport. Hoe gaat het kabinet opvolging geven aan de resultaten van deze onderzoeken?
Voorzitter, ik rond af. De centrale vraag in dit debat is: hoe gaan we er nu voor zorgen dat we niet ieder jaar in de Kamer de discussie voeren over geld, onderliggende feiten en cijfers en taken van gemeenten, maar dat het Rijk en medeoverheden in gezamenlijkheid tot een duurzame verhouding komen, waarbij het onderlinge vertrouwen wordt hersteld en de grote sociale en economische opgaven centraal staan? Ik hoor graag van de minister hoe hij hiernaar kijkt.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik wil de heer Flach vragen om het voorzitterschap over te nemen, zodat ik mijn … Sorry, ik zie nog een interruptie van mevrouw Boelsma-Hoekstra.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik heb een klein vraagje. Ik ben wel geïnteresseerd in het stukje over wegen en bruggen. Volgens mij lagen die met name bij de gemeenten en hebben de provincies daarbij een controlerende rol. Dat triggert mij. Ik zou aan mevrouw Tseggai willen vragen hoe wij als Kamer iets kunnen meegeven aan deze minister zodat beter wordt gecontroleerd of overheden goed in beeld hebben wat de staat van het onderhoud is.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Daar vraagt mevrouw Boelsma-Hoekstra mij wat. Ik vind dat best een lastige vraag om te beantwoorden. Dit ligt deels bij IenW en Rijkswaterstaat. Toevallig las ik tijdens dit debat dat Rijkswaterstaat voorlopig een stop gaat zetten op het onderhoud, omdat het geld op is. Ik vind dat best ingewikkeld. Ik moet u het antwoord op deze vraag dus schuldig blijven.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Het zit 'm deels in het volgende. De vraag is hoe je als provincie controleert of gemeenten het onderhoudsplan goed op orde hebben. Misschien kan deze minister erover meedenken hoe hij goed borgt dat provincies de controlerende rol goed kunnen oppakken.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik geleid deze vraag graag door naar het kabinet.
De voorzitter:
De minister en zijn ambtenaren hebben ongetwijfeld goed meegeluisterd. Ik wil de heer Flach vragen om het voorzitterschap over te nemen.
Voorzitter: Flach
De voorzitter:
Prima. Daarmee is het woord aan mevrouw Van Eijk namens de VVD.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank je wel, voorzitter. Gemeenten en provincies zijn het bestuur dat het dichtst bij inwoners staat. Zij moeten hun wettelijke taken kunnen uitvoeren. Voor de VVD zijn drie uitgangspunten leidend: stabiele financiële verhoudingen, minder bureaucratie en meer lokale afwegingsruimte. De Raad voor het Openbaar Bestuur constateert dat er onvoldoende inzicht bestaat in medebewindstaken, de bijbehorende middelen en de verdeling van financiële risico's tussen Rijk en gemeenten. Gemeenten dragen nu vaak de risico's, terwijl het parlement onvoldoende zicht heeft op de daadwerkelijke uitvoeringskosten. Het kabinet heeft hiervoor een verkenning aangekondigd. Dat juichen wij toe. Wat is de actuele stand van zaken van deze verkenning? Wanneer kan de Kamer concrete voorstellen verwachten voor stabielere en transparantere financiële verhoudingen?
Voor de VVD staat vast dat gemeenten voldoende middelen moeten hebben voor hun wettelijke taken. Wij zien ook dat het debat te vaak blijft steken bij de vraag hoeveel geld erbij moet, terwijl minstens zo belangrijk is of gemeenten voldoende instrumenten hebben om grip te houden op hun uitgaven. Veel wethouders geven bijvoorbeeld over de jeugdzorg en de Wmo aan dat zij wel verantwoordelijk zijn voor de kosten, maar nauwelijks invloed hebben op de ontwikkeling daarvan. Hoe kijkt de minister naar die disbalans? Welke stappen zet het kabinet om gemeenten meer grip te geven op deze uitgaven?
Gemeenten krijgen er regelmatig nieuwe taken en verantwoordelijkheden bij, terwijl ze tegelijkertijd kampen met personeelstekorten en een toenemende druk op de uitvoering. Wordt bij nieuwe beleidsvoornemens structureel getoetst of gemeenten voldoende capaciteit, expertise en uitvoeringsmogelijkheden hebben om deze taken waar te maken?
Voorzitter. De VVD is al langer kritisch op de wildgroei aan specifieke uitkeringen. Iedereen zegt dat we minder SPUK's willen. De Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen zegt het, gemeenten zeggen het en provincies zeggen het, maar ondertussen zien we juist meer SPUK's, meer verantwoordingslasten en minder beleidsvrijheid. Dat is precies de verkeerde beweging. De VVD wil dat structurele taken structureel worden bekostigd via de gemeenten en het provinciefonds. Dat vermindert bureaucratie en vergroot de lokale autonomie. Daarom horen wij graag van de minister wat de actuele stand van zaken is van de herziening van de Financiële-verhoudingswet en de invoering van de bijzondere fondsuitkering. Welke concrete stappen worden gezet om het aantal SPUK's vanaf 2027 daadwerkelijk substantieel terug te brengen? Welke belemmeringen staan verdere overheveling naar de fondsen nog in de weg?
Het verdeelmodel moet niet alleen technisch correct zijn, maar ook uitlegbaar, stabiel en rechtvaardig. Het kabinet stelt voor om per 2027 enkele wijzigingen in het verdeelmodel door te voeren. Hoe wordt geborgd dat gemeenten snel duidelijkheid hebben voor hun begrotingen, mede gezien het besluit om het huidige ingroeipad te bevriezen tot en met 2028 en een volgende stap pas per 2029 te zetten? Wat betekent deze keuze voor gemeenten die in hun meerjarenramingen hebben geanticipeerd op extra middelen via het gemeentefonds?
De minister schrijft dat de ozb-capaciteit beter wordt afgestemd op de werkelijke gemiddelde tarieven en dat de verevening van overige eigen middelen dienovereenkomstig wordt aangepast. Hoe voorkomt de minister dat gemeenten die bewust kiezen voor lagere lokale lasten hierdoor indirect worden benadeeld via lagere uitkeringen uit het gemeentefonds?
Voorzitter. Niet ieder financieel probleem vraagt om een nieuwe zak geld. Gemeenten beschikken over reserves, kennen onderuitputting en hebben mogelijkheden om financiële schommelingen op te vangen. De VVD vindt dat deze ruimte beter benut moet worden. Kan de minister een update geven van de gesprekken met de VNG en de commissie BBV over het gebruik van stelposten, onderuitputting en reserves? Hoe wordt ervoor gezorgd dat gemeenten realistischer begroten en beschikbare middelen doelmatiger kunnen inzetten? Wij lezen dat wordt gekeken naar een bredere beoordeling van de financiële positie van gemeenten, waarbij niet alleen het structureel begrotingsevenwicht telt, maar ook zaken als vermogenspositie, weerbaarheid en financiële kengetallen. De VVD ziet dat als een positieve ontwikkeling. Kan de minister aangeven wanneer hier meer duidelijkheid over komt? Ziet de minister mogelijkheden om naast algemene reserves ook bestemmingsreserves meer ruimte te geven als instrument om tijdelijk financiële knelpunten op te vangen?
Tot slot de lokale lasten. De werkende middenklasse merkt gemeentelijke lasten direct in de portemonnee, via de ozb, via parkeertarieven en via andere lokale heffingen. Hoe kijkt de minister aan tegen mogelijkheden om excessieve stijgingen van gemeentelijke lasten tegen te gaan? Welke instrumenten heeft het kabinet om inwoners en ondernemers beter te beschermen tegen plotselinge en buitensporige stijgingen van bijvoorbeeld de ozb, parkeerkosten of toeristenbelasting?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Van Eijk. Ik zie geen interrupties, dus geef ik het voorzitterschap weer terug.
Voorzitter: Van Eijk
De voorzitter:
Dank u wel. De minister heeft aangegeven een halfuur nodig te hebben voor het voorbereiden van de beantwoording, dus ik schors tot 16.50 uur.
De vergadering wordt van 16.20 uur tot 16.50 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug bij de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken. Aan de orde is het commissiedebat Financiën decentrale overheden. We hebben zojuist de eerste termijn van de Kamer gehad. We gaan naar de eerste termijn van de minister voor zijn inbreng en de beantwoording van de vragen. Ik stel voor dat we beginnen met drie korte interrupties. Dan kijken we even hoe het debat verloopt en of ik daar wat ruimer in kan zijn of niet. Ik zie de heer Vermeer al een beetje gefrustreerd kijken, maar we gaan met z'n allen ons best doen. Toch? Het gaat om de kwaliteit en niet om de lengte van het debat. Ik geef het woord aan de minister.
Minister Heerma:
Dank u wel, voorzitter. Vandaag is het voor het eerst dat ik met uw commissie, met de Kamer, in debat ga over de financiën van medeoverheden. U heeft in uw eerste termijn veel naar voren gebracht op dit belangrijke thema. U heeft veel vragen gesteld. Ik probeer een korte inleiding te houden, waarin ik ook aangeef welke hoofdblokken ik hanteer bij de beantwoording van de vragen, zodat de Kamerleden enig zicht hebben op wat wanneer komt.
Gemeenten en provincies zijn onze medeoverheden. We hebben elkaar hard nodig om maatschappelijke opgaven, zoals woningbouw, zorg en veiligheid, aan te pakken. Alles begint daarom met goede interbestuurlijke en financiële verhoudingen. Ik zie het als mijn opdracht om de samenwerking te versterken en rust, voorspelbaarheid en stabiliteit te vergroten en om daarbij steeds een balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht voor ogen te houden. Dat is niet in één dag opgelost. Ik wil u graag eerst meenemen in mijn voornemens en prioriteiten voor de komende kabinetsperiode. Ik schets daarvoor vier lijnen waarlangs ik wil werken: het versterken van de samenwerking, het verder werken aan balans, een goede verdeling van de fondsen en het verder ontwikkelen van instrumenten, waarbij ik ook inga op hoe deze instrumenten kunnen helpen om te handelen in onzekere tijden. Deze vier lijnen vormen straks ook de blokken in de beantwoording. Ik heb een hele korte inleiding op de vier lijnen en daarna ga ik de vier blokken langs.
Ik begin met lijn één: het versterken van de samenwerking. Nederland staat voor grote maatschappelijke opgaven. Het realiseren daarvan lukt alleen als Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen elkaar vinden en samenwerken. Recentelijk werd dat nogmaals benadrukt in het rapport Samen bouwen aan resultaten van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen, met daarin aanbevelingen voor sterke toekomstige interbestuurlijke verhoudingen. Wij omarmen als kabinet deze aanbevelingen. Wij erkennen dat we van elkaar afhankelijk zijn en elkaar nodig hebben. Alleen samen lukt het ons om tot resultaten te komen. Daarom wordt er door het Rijk en door medeoverheden nu gewerkt aan een samenwerkingsagenda. Hiermee maken we als kabinet en medeoverheden een nieuwe start voor de gezamenlijke aanpak van de maatschappelijke opgaven die er nu liggen, zodat we resultaten boeken voor onze inwoners. Kabinet en medeoverheden streven ernaar om deze samenwerkingsagenda in september af te ronden. Die stuur ik dan uiteraard in de richting van de Kamer.
De tweede lijn is balans. Het kabinet heeft oog voor de financiële positie van gemeenten en is zich ervan bewust dat het een gedeelde verantwoordelijkheid is van het Rijk en de gemeenten om samen aan de balans tussen die ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht te werken. Op een aantal grote taken die naar gemeenten zijn gedecentraliseerd, is scheefgroei ontstaan in het bestuurlijk-financieel arrangement. Dat wil zeggen dat er onvoldoende balans is tussen die ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Onder het vorige kabinet is het gelukt om een aantal belangrijke onderdelen naar oplossingen te realiseren, zoals op het terrein van de financiering van gemeenten, specifiek als het gaat om jeugdzorg en Wmo. Dit kabinet zet het gesprek over balans en disbalans voort in goede samenwerking met medeoverheden, onder andere via het overhedenoverleg. Balans moet er zijn bij nieuwe taken waarbij de uitvoeringstoets decentrale overheden een belangrijke rol speelt, en overigens ook bij bestaande taken. Oplossingen hoeven niet altijd financieel van aard te zijn, maar kunnen ook liggen op het vlak van bevoegdheden en de wijze van uitvoering. Het gaat om een hoeveelheid aan onderwerpen, waar ik dadelijk nog dieper op inga: het ROB-advies, overzicht en inzicht, jeugdzorg en de BBB-systematiek. Nee, ik bedoel de bbp-systematiek. Dat was speciaal voor de heer Vermeer! Ik zal kijken of ik in dit debat alle andere fracties ook nog recht kan doen door middel van versprekingen, om het nog ingewikkelder te maken.
(Hilariteit)
Minister Heerma:
Lijn drie is de goede verdeling van de fondsen. Dit punt, de verdeling van de koek, is door verschillende fracties aangehaald. Voor zowel het gemeentefonds als het provinciefonds geldt dat de verdeling van de middelen continu onderhoud vraagt. Uw Kamer is -- daar is door meerderen van u aan gerefereerd -- op 28 mei geïnformeerd over de herziening van de verdeling van de algemene uitkeringen in het gemeentefonds. Ik denk dat dit een onderwerp is waar de meeste vragen over zijn gesteld. Daar kom ik in blok drie uitgebreid op terug. Een enkele fractie heeft ook iets gezegd over het provinciefonds en het proces. Daar zal ik ook iets over zeggen in blok drie.
De laatste lijn is het ontwikkelen van enkele instrumenten en wetgeving. Hier zijn niet de meeste vragen over gesteld, maar ik zal daarop terugkomen. Dat betreft onder andere de Financiële-verhoudingswet, waar de VVD naar vroeg, en de ontwikkelingen rond het terugdringen van de specifieke uitkeringen, de SPUK's, waar door verschillende fracties ook iets over is gevraagd.
Dit was zo kort als mogelijk de algemene inleiding. Ik ga door naar de verschillende blokken. Ik heb net in de voorbereiding geprobeerd zo veel mogelijk vragen mee te nemen. Ik doe mijn best om te verwijzen naar fracties, maar dat zal niet altijd lukken. Dit blok gaat over het versterken van de samenwerking.
De voorzitter:
Een ogenblikje, minister. Ik wil even iets met de commissie afstemmen. Ik zou graag de gelegenheid willen geven aan de minister om zijn blokje af te maken en daarna aan u om vragen te stellen, om te voorkomen dat er vragen worden gesteld die later in het blokje alsnog beantwoord worden, dus voor de efficiëntie. Daarnaast heb ik nog de opmerking dat mevrouw Tseggai iets later aansluit vanwege andere verplichtingen. Ik stel voor dat de minister gaat beginnen met de beantwoording van het eerste blokje, versterking van de samenwerking. Gaat uw gang.
Minister Heerma:
Voorzitter. U gaat natuurlijk over de orde. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat aan mijn kant de lengte van de blokjes niet gelijk verdeeld is. Het ene blok bestaat uit meerdere onderwerpen en zal dus ook een stuk langer zijn dan sommige andere blokken.
De voorzitter:
Kunt u aangeven waar dat ongeveer zit?
Minister Heerma:
Het tweede en het derde blok, dus de balans en de verdeling, zijn de grootste blokken.
De voorzitter:
Oké. Laten we dan de interrupties doen op het moment dat ze opkomen. Dan is het aan de minister om aan te geven of hij daar later nog op terugkomt of niet. We starten met het eerste blokje.
Minister Heerma:
Het is aan u, voorzitter.
Ik begin met blok één: de versterking van de samenwerking. Zoals ik zojuist al heb gezegd, staat Nederland voor grote maatschappelijke opgaven. Het realiseren daarvan lukt alleen als Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen elkaar vinden en samenwerken. Recentelijk werd dat nogmaals indringend benadrukt in het rapport van de commissie-Polman, Samen bouwen aan resultaten, met aanbevelingen voor sterke, toekomstgerichte interbestuurlijke verhoudingen. Onder anderen mevrouw Tseggai van PRO, die hier nu niet is, besteedde een aanzienlijk deel van haar inbreng hieraan en aan de gezamenlijke opdracht die er ligt. Ik wil ook hier duidelijk zeggen, zoals ook in het coalitieakkoord staat, dat het kabinet de aanbevelingen van de commissie-Polman omarmt. We erkennen dat we van elkaar afhankelijk zijn en elkaar nodig hebben. Alleen samen lukt het ons om tot resultaat te komen. Het is ook van belang om gezamenlijk te blijven werken aan de relatie tussen het Rijk en medeoverheden en het onderlinge vertrouwen.
Mevrouw Tseggai en ook de woordvoerder van D66, mevrouw Huizenga, gingen expliciet in op het belang van met elkaar om tafel te gaan. We hebben al meerdere malen met de medeoverheden om tafel gezeten. Op 13 april hebben we met de medeoverheden, samen met een brede afvaardiging van het kabinet, in het overhedenoverleg de afspraak gemaakt om te gaan werken aan een interbestuurlijke samenwerkingsagenda. Daar wordt nu heel hard aan gewerkt. In die agenda gaan we ook in op de manier waarop we als overheden de komende jaren willen samenwerken op basis van de herbevestiging van reeds bestaande afspraken en de aanbevelingen van de zojuist genoemde Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen. De adviezen van de studiegroep hebben daarin een prominente en centrale plek.
In de samenwerkingsagenda waar nu aan gewerkt wordt, gaat het over interbestuurlijke samenwerking op het sociaal domein, fysiek domein, bestuur en veiligheid, regionaal verdienvermogen en, niet onbelangrijk, de bestuurlijke en financiële spelregels en de afspraken over conflictbeslechting. De agenda gaat tot slot in op gebiedsgericht werken vanuit regionale opgaven. De afspraken in deze samenwerkingsagenda worden uitgewerkt aan de hand van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden, afgekort de UDO. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de afspraken om een uitvoeringstoets in te voeren bij beleidsvoornemens die de medeoverheden raken, en dat zijn er heel wat. Met deze samenwerkingsagenda maken we als kabinet met de medeoverheden een nieuwe start voor een gezamenlijke aanpak van maatschappelijke opgaven die er nu liggen, zodat we resultaten boeken voor onze inwoners. Kabinet en medeoverheden streven ernaar, zoals ik zojuist aangaf, om deze in september af te ronden. Die stuur ik vanzelfsprekend daarna naar uw Kamer.
Vanuit PRO werd gevraagd of we de afspraken vooraf aan de Kamer sturen, maar dat kan ik niet toezeggen. We zijn nu heel hard bezig met de medeoverheden om tot afspraken te komen. Zodra die er zijn, sturen we die ook naar de Kamer.
In dit blok zit ook de vraag van D66 over decentrale overheden die ook bezig zijn om te kijken hoe ze slagvaardiger kunnen werken, en of wij als kabinet hen daarbij kunnen ondersteunen. De Ministeriële Taskforce Slagvaardige Overheid, onder aanvoering van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, werkt aan een fundamentele vereenvoudiging van beleid en regelgeving, aan het realiseren van uitstekende digitale dienstverlening en aan het doorbreken van Haagse muren. Om dit te realiseren, werken we samen met maatschappelijke organisaties, met publieke dienstverleners, met toezichthouders en met de medeoverheden. De medeoverheden zijn hierbij een onmisbare partner, omdat wij hen nodig hebben om als overheid slagvaardig te worden.
Een slagvaardige Rijksoverheid kan niet worden gerealiseerd zonder betrokkenheid van de medeoverheden en vice versa. De slagvaardige overheid is daarom een onderdeel van de samenwerkingsagenda met medeoverheden, waar op dit moment aan gewerkt wordt. Door oprecht naar elkaars zorgen en behoeften te luisteren en door te leren van elkaar, kunnen we daar samen stappen in zetten. De komende maanden zullen we concrete afspraken maken over de doorbraken die we samen met hen willen realiseren. Zo werken we aan een slagvaardige overheid en hiermee ondersteunen we de medeoverheden, net zoals zij dat bij ons doen.
Dan kom ik bij het iets omvangrijkere tweede blok, dat gaat over balans. Hierin zal ik ingaan op de vragen die gesteld zijn over de verkenning naar aanleiding van de ROB-adviezen. Er zijn vragen gesteld over de onderzoeken naar ov, infra en natuur, over jeugdzorg, over een indexering van de fondsen en, onder anderen door de heer Vermeer, over de financiële positie en balans. Ik zal in dit blok ook wat zeggen over artikel 108, lid 3 van de Gemeentewet, waar zowel de BBB als 50PLUS naar vroegen. Dat zal allemaal in dit blok langskomen.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft u een interruptie van mevrouw Boelsma-Hoekstra. Dat is naar aanleiding van het eerste blokje, neem ik aan.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dat klopt. Geen interruptie, maar ik vroeg mij af of de vraag over Meters maken met medebewind hierbij hoorde of in een volgend blokje komt.
Minister Heerma:
Die zit in blokje twee.
In mijn inleiding ben ik al ingegaan op de meer algemene opmerkingen rond balans. Ik heb toen toegezegd in mijn termijn terug te komen op de verschillende onderwerpen, te beginnen met de verkenning naar aanleiding van de ROB-adviezen. Onder anderen mevrouw Van Eijk-Nagel en mevrouw Boelsma-Hoekstra vroegen naar de verkenning naar aanleiding van de adviezen van de Raad voor het Openbaar Bestuur. De ROB sneed in zijn adviesrapporten Afrekenen met disbalans en Meters maken met medebewind terecht aan dat het niet in alle gevallen voldoende lukt om als Rijk en decentrale overheden het juiste gesprek te voeren over taken waarbij sprake is van een disbalans tussen taken, middelen, bevoegdheden en uitvoeringskracht.
Het duurt vaak te lang om inzicht te krijgen in de omvang en oorzaken van de disbalans die zich bij een taak manifesteert. Dit leidt tot frustratie aan beide zijden. Daarom zijn we een verkenning gestart naar hoe vormen van financiële en niet-financiële monitoring kunnen bijdragen aan het verbeteren van het gesprek over de disbalans in de bestaande medebewindtaken. Hierbij worden verschillende varianten uitgewerkt, met als doel om het inzicht en overzicht van medebewindtaken te verkrijgen, te versterken en te borgen, ook voor uw Kamer. Op basis hiervan zou het gesprek over de balans met de medeoverheden meer gericht gevoerd kunnen worden. Deze verkenning voeren we samen uit met de koepels van medeoverheden, de VNG en het IPO.
We zijn het eens over de aanpak. Vooruitlopend op het overzicht van taken na de zomer, komen we in de zomer op enkele door het IPO en de VNG geselecteerde dossiers vast met inzicht en lessen over de uitvoering van medebewindtaken. Het voorstel maakt onderdeel uit van de brede inzet van het kabinet en medeoverheden om de komende jaren tot goede samenwerking te komen. Daarbij zal aandacht zijn voor de balans tussen enerzijds de wens en de urgentie om te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht en anderzijds de fundamentele uitgangspunten binnen het huidige stelsel, de gedecentraliseerde eenheidsstaat. Ook de eigen beleidsruimte en de verantwoordelijkheid die medeoverheden daarin hebben, zijn namelijk van belang in het beperken van administratieve lasten.
Dan ga ik ...
De voorzitter:
De heer Vermeer heeft een interruptie.
De heer Vermeer (BBB):
Het is geen interruptie, maar een procesvraag. Ik hoop dat ik daarmee wegkom.
Minister Heerma:
U heeft altijd zo'n mooie blik als u dit soort vragen stelt.
De heer Vermeer (BBB):
De minister zei: we zijn het eens over de aanpak. Hebben wij die aanpak al ontvangen?
Minister Heerma:
Nee. Er wordt nu in dit debat naar gevraagd. Ik schets het proces dat we ingaan. Kwam de heer Vermeer ermee weg, vroeg ik mij af. Ik denk het wel, hè?
De voorzitter:
Er staat nog geen streepje. Bij mevrouw Boelsma-Hoekstra staat dat er namelijk ook niet.
Minister Heerma:
Ik begrijp dat er in dit debat alleen nog maar procesvragen gesteld gaan worden. Dat hoorde ik buiten de microfoon gezegd worden.
Verschillende fracties vroegen iets over de onderzoeken naar infra, ov en natuur. Bij de Voorjaarsnota 2024 hebben kabinet en IPO erkend dat onderzoek nodig is naar de vraag of de bbp-systematiek evenredig meebeweegt met de ontwikkeling van de kosten op de drie beleidsterreinen openbaar vervoer, infrastructuur en natuur. Destijds is afgesproken dat er onderzoek wordt gedaan naar de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht bij de formele overheden op deze beleidsterreinen. Voor deze drie beleidsterreinen is afgesproken om in samenspraak met de betrokken beleidsverantwoordelijke departementen tot een verdere concretisering van de handelingsperspectieven en oplossingsrichtingen te komen. Dit is nadrukkelijk méér dan de vraag of de huidige financiële middelen toereikend zijn. Het streven was om een meer compleet beeld te hebben van aard, omvang en mogelijke maatregelen. Afgesproken is dat er gekeken wordt naar de financiële aspecten, de inhoudelijke sturing en de rolneming door zowel Rijk als medeoverheden. Daarbij is eerder uitgewisseld dat de vraag niet is of, maar hoe opvolging gegeven zal worden aan de uitkomsten van het onderzoek. De vakministers zijn hierin nu als eerste aan zet, wat onder andere gebeurt via de taskforce natuur en het bestuurlijk overleg over mobiliteit en infra. De fondsbeheerders zullen proactief participeren in de vervolgtrajecten.
Met de vakministers zullen we als fondsbeheerders bezien hoe we uw Kamer het beste op de hoogte kunnen houden van de verschillende vervolgtrajecten. Het ministerie van Binnenlandse Zaken als coördinerend departement en ook ik als minister zien erop toe dat de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden, UDO, bij aanpassing van bestaand beleid op nieuw beleid wordt toegepast. Doel van de UDO is om te toetsen of er bij betreffend beleid een balans is tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Ik zal dat nog vaker zeggen.
Mevrouw Boelsma pleegde een interruptie op mevrouw Tseggai, die zij heel charmant naar de minister doorspeelde. Dat punt hoort hier denk ik thuis. De vraag was: kan de minister erover meedenken hoe provincies kunnen controleren of gemeenten hun onderhoudsplannen voor infra op orde hebben? Vanuit hun toezichtsrol kijken provinciale toezichthouders met gemeenten mee naar hun onderhoudsplannen, of die op orde zijn en of ze financieel vertaald zijn in de begroting. Dat is onderdeel van het oordeel over structureel en reëel evenwicht. De provincie kijkt of de gemeente alle uitgaven in de begroting heeft opgenomen. De wijze waarop andere indicatoren dan structurele en reële evenwichtigheid, zoals financiële risico's, kunnen worden meegenomen in het toezichtsoordeel, is onderdeel van het traject over de toekomst van het toezicht met gemeenten en toezichthouders.
Dan de jeugdzorg en de Wmo. Daar werd eigenlijk door elke, zo niet bijna elke woordvoerder aan gerefereerd. Uit de inbreng van de Kamer blijkt dat u veel zorgen heeft over de jeugdzorg en de Wmo. Het is bij het kabinet bekend dat er bij gemeenten veel zorgen zijn. Rijk en gemeenten zijn de afgelopen periode in gesprek geweest over de toekomstbestendigheid van de dossiers jeugdzorg en Wmo. Voor de jeugdzorg is bij de Voorjaarsnota 2025 voor de jaren 2025 tot 2027 cumulatief 3 miljard euro beschikbaar gesteld aan gemeenten, voor zowel de jeugdzorg als voor de terugval in het gemeentefonds in 2026. Daarnaast is er 728 miljoen euro aan het gemeentefonds toegevoegd ter compensatie van de incidentele tekorten in de jeugdzorg in 2023 en 2024. De VNG heeft vorig jaar op bestuurlijk niveau bevestigd dat er voor gemeenten op dit moment op goede wijze invulling is gegeven aan het rapport-Van Ark en dat er een werkbare financiële situatie is. Voor 2028 en verder worden de beheers- en inhoudelijke maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd versterkt en worden er door het Rijk samen met gemeenten aanvullende maatregelen uitgewerkt. Begin dit jaar heeft mijn collega, de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot ontwikkelingen van inhoudelijke maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd. De commissie-Van Ark zal in januari 2027 adviseren over de uitvoering van de hervormingsagenda en de daaropvolgend gemaakte afspraken. De besluitvorming hierover loopt mee in de voorjaarsbesluitvorming van 2027. Voor het kabinet geldt wat ook het vorige kabinet heeft gezegd ten aanzien van de commissie-Van Ark. Ook voor de commissie-Van Ark II geldt: dit is een zwaarwegend en maatgevend advies voor het kabinet.
Voor de Wmo is bij de Voorjaarsnota 2024 vanaf 2026 een jaarlijkse tranche van 75 miljoen aan het gemeentefonds toegevoegd, oplopend naar 300 miljoen euro in 2029. Dit loopt vooruit op een nog uit te werken alternatieve financieringsvorm van de Wmo, die beter rekening houdt met de kostenontwikkeling in de Wmo, de demografische ontwikkelingen en de vergrijzing. Het kabinet heeft hier in de Voorjaarsnota van 2025 voor 2030 een extra tranche van 75 miljoen aan toegevoegd. Voor 2030 en verder is daarmee 375 miljoen structureel beschikbaar.
Het CDA vroeg of de minister kan toezeggen om met de minister van Jeugd in contact te treden om te overleggen hoe zij dit met de gemeenten gaat oplossen, en hoe de minister de financiële situatie van gemeenten vanaf 2028 voor zich ziet. Volgens mij werd ook gezegd dat de bal bij ons samen ligt om dit met de decentrale overheden op te pakken. Het CDA vroeg daar een reflectie op. Het ministerie van BZK heeft op regelmatige basis op zowel ambtelijk als bestuurlijk niveau contact hierover met het ministerie van VWS. Daarbij wordt ook gesproken over de besparingsopgaven, de inhoudelijke maatregelen uit de hervormingsagenda en de aanvullende maatregelen.
De Hervormingsagenda Jeugd is de grootste besparingsopgave. Die heeft als doel om in 2028 de kwaliteit van de jeugdzorg te verbeteren én de uitgaven te beperken. Ik zal in mijn rol als fondsbeheerder de komende tijd scherp zijn op de daadwerkelijk geraamde opbrengst van de besparingsopgave om ervoor te zorgen dat de uitgaven in de jeugdzorg niet ten koste gaan van andere gemeentelijke taken. Voor 2028 en verder geldt dat bij de Voorjaarsnota van 2025 is besloten dat voor gemeentes op korte termijn middelen worden gereserveerd om de stijgende kosten van de jeugdzorg op te vangen, terwijl voor de langere termijn maatregelen worden genomen om de regelingen meer beheersbaar te maken en de kosten te beperken. Voor de komende jaren is er voor gemeentes dus circa 3 miljard extra cumulatief beschikbaar gekomen om de terugval in het gemeentefonds op te vangen.
Tegelijkertijd is bij de Voorjaarsnota 2025 besloten tot drie nieuwe besparingsopties, te weten een eigen bijdrage voor de jeugdzorg per 1 januari 2028, het feit dat de VNG samen met het ministerie van VWS de trajectduur in de jeugdzorg zal proberen te beperken, en indexatie van de reeks van de hervormingsagenda naar de stand van 2024. Ik zie wel dat deze besparingsopgave in de jeugdzorg ambitieus is, maar met de benoemde maatregelen zien we daartoe als kabinet mogelijkheden.
Een vraag die ook gesteld werd, is wanneer er duidelijkheid komt over de commissie-Van Ark II. Daar heb ik net al iets over gezegd. Dat advies wordt verwacht in januari 2027. De commissie zal adviseren over de uitvoering van de hervormingsagenda en de vervolgens daarover gemaakte afspraken. De besluitvorming hierover loopt mee in de voorjaarsbesluitvorming voor 2027. Hiermee worden gemeenten in staat gesteld om hun begrotingsproces ordentelijk te laten verlopen. Mijn collega, de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, zal uw Kamer van dit traject op de hoogte houden. Ik meen dat hier morgen in de commissie VWS een debat over is.
De VVD-fractie zei dat wethouders aangeven dat ze wel verantwoordelijk zijn voor de kosten, maar dat zij nauwelijks invloed hebben of zien op de ontwikkeling daarvan. Rijk en gemeenten delen de ambitie om de zorg voor de jeugd te verbeteren en te komen tot een beter functionerend jeugdstelsel. Er zijn de afgelopen periode al stevige stappen gezet. Denk aan het wetsvoorstel Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, aangenomen in de Tweede Kamer, het convenant Stevige lokale teams en het richtinggevend kader over lokale teams.
In het advies van de commissie-Van Ark I heeft de commissie aangegeven dat de hervormingsagenda een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde is om een goed werkend, beter beheersbaar en financieel houdbaar jeugdstelsel tot stand te brengen. Daarom zijn afspraken gemaakt voor intensivering en prioritering van maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd. Dit betreft de zogenaamde routekaart, waarover u begin dit jaar dus bent geïnformeerd door mijn collega van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Rijk en gemeentes zijn van mening dat er meer nodig is. Recent is daarom een traject gestart om een andere, aanvullende mogelijkheid in kaart te brengen om op het stelsel te kunnen sturen. Mijn collega, de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, zal uw Kamer van dit traject op de hoogte houden.
Ook voor de Wmo is de disbalans een vraagstuk dat bij het kabinet en de gemeenten de aandacht heeft. Vanuit VWS is een houdbaarheidsonderzoek Wmo gestart. Vanuit de verantwoordelijkheid voor een goede balans tussen medebewindstaken ben ik hier ook bij betrokken.
Er werd ook nog een vraag gesteld over het wetstraject over reikwijdte, en wat de invloed van dat wetstraject is op de financieel-bestuurlijke verhoudingen en de besparingsopgave voor 2028. Voor zover ik kan beoordelen, is iedere partij nog steeds met energie en toewijding aan de slag om haar doelen in de hervormingsagenda te halen. De minister van VWS heeft uw Kamer hier inmiddels ook over geïnformeerd.
Dan een vraag over de bbp-systematiek. Ik wilde weer bijna "BBB-systematiek" zeggen. De vraag van de heer Struijs was: wanneer worden we geïnformeerd? Hij vroeg om opvolging te geven aan de nacalculatie van de prijsindexatie. In het voorjaar van 2024 is besloten om de nieuwe normeringssystematiek op basis van het bruto binnenlands product vervroegd in 2024 in te voeren. Dat is in lijn met het advies hierover van de Raad van State. Het gemeente- en provinciefonds volgen hiermee vanaf 2024 de ontwikkeling van het bbp. Deze systematiek, de normeringssystematiek, is stabiel, transparant en biedt gemeenten en provincies vroeg in het jaar duidelijkheid over de middelen waarover zij dat jaar kunnen beschikken. Als fondsbeheerders evalueren we begin 2027 de BBB-systematiek. Nou deed ik het weer! Ik bedoel: de bbp-systematiek. Als je het eenmaal doet, kom je er niet meer vanaf.
Tijdens het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen van 3 juni jongstleden is het voorstel voor de evaluatie met de gemeenten en provincies vastgesteld. Onderdeel van deze evaluatie is de uiteenzetting van hoe de systematiek werkt. Onderdeel van deze evaluatie is ook welke wensen er zijn voor aanpassingen. De vraag daarbij zou zijn of het nodig is om de systematiek aan te passen, zoals bij het toepassen van nacalculatie binnen de bbp-systematiek, en wat de voor- en nadelen hiervan zijn, mede gezien de wensen van gemeenten en provincies dat de prijs bbp-gebaseerd wordt op basis van nacalculatie in plaats van op de raming in het voorjaar van het lopende begrotingsjaar. Deze evaluatie zal worden gevolgd door nog een evaluatie in 2029, wanneer er over een langere periode informatie beschikbaar is. Uw Kamer zal van de evaluatie op de hoogte gehouden worden door mijn collega, de medefondsbeheerder, namelijk de staatssecretaris van Financiën. Dat start dus begin 2027.
De heer Struijs (50PLUS):
Dit is geen procesvraag, zeg ik alvast. Dit zijn dus evaluaties. Is er gedurende de eerste en de tweede evaluatie een mogelijkheid om al een besluit te nemen, omdat de urgentie om deze systematiek te veranderen hoog is?
Minister Heerma:
Daar gaan wij op dit moment niet van uit. De evaluatie gaat lopen. Dat start begin 2027. De staatssecretaris van Financiën zal de Kamer hierover blijven informeren. U kunt met hem het debat daarover voeren, want daar ligt de verantwoordelijkheid in eerste instantie.
De heer Vermeer van BBB vroeg om een onderzoek naar de omvang van het gemeentefonds. Ik benadruk graag dat we als kabinet vanaf het begin in gesprek zijn met de medeoverheden en dat gewerkt wordt aan een samenwerkingsagenda. Hiermee maken we als kabinet met de overheden een nieuwe start aan een gezamenlijke aanpak van de maatschappelijke opgaven die er nu liggen, zodat we resultaten boeken voor onze inwoners. Het kabinet voert hierbij voortdurend het gesprek over balans en disbalans en de financiële positie. Hoe we dit samen doen, leggen we vast in de samenwerkingsagenda.
Bij nieuwe taken of wijzigingen van bestaande taken is het belangrijk dat hierbij passende middelen worden verstrekt. Bij bestaande medebewindstaken onderzoeken we naar aanleiding van de adviezen van de ROB hoe monitoring hiervan financieel en niet-financieel kan bijdragen aan een beter gesprek.
Het lid Flach vroeg hoe het kabinet structureel duidelijkheid gaat bieden aan gemeenten en welke verantwoordelijkheden ik hierbij voor me zie. Dit kabinet ziet goede interbestuurlijke verhoudingen als essentieel om grote maatschappelijke uitgaven effectief aan te pakken. We moeten het als overheden samen doen. Zoals gezegd heeft het kabinet in dit kader oog voor de financiële positie van gemeenten en is het zich ervan bewust dat het een gedeelde verantwoordelijkheid is van Rijk en gemeenten om samen aan de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht te werken.
Onder het vorige kabinet is het gelukt om op een aantal belangrijke onderdelen oplossingen te genereren. Dit kabinet zet het gesprek over balans en disbalans voort in goede samenwerking met medeoverheden, onder andere via het overhedenoverleg. Mijn rol daarin is om te zorgen voor balans, door toepassing van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden, voor passende wet- en regelgeving voor decentrale overheden, voor duidelijkheid over de toepassing hiervan en voor een verbetering van het gesprek over balans. Dat laatste doen we onder meer met een verkenning naar monitoring, uitgevoerd samen met de VNG en het IPO.
De leden Flach en Struijs vroegen naar een reflectie op de onzekerheid waar gemeenten de afgelopen jaren mee te maken kregen. Ik zie dat het onzekere tijden zijn voor gemeenten om begrotingen op te stellen. Er wordt veel van hen gevraagd, zoals op het terrein van woningbouw en zorg. Tegelijkertijd zijn er onzekerheden over inkomsten en de benodigde uitgaven in de toekomst. Het opstellen van een sluitende gemeentebegroting is geen sinecure. Het kabinet heeft oog voor de financiële positie van gemeenten en is zich ervan bewust dat het een gedeelde verantwoordelijkheid is van Rijk en gemeenten om samen aan die balans te werken.
De voorzitter:
Ik ga u heel even onderbreken voor twee interrupties. Eerst de heer Vermeer en dan de heer Flach.
De heer Vermeer (BBB):
Ik heb echt geprobeerd om een hele gesloten vraag te stellen, waarop alleen een ja- of nee-antwoord plaats zou kunnen vinden. Vervolgens werd ik bijna murw geslagen door het antwoord, maar heb ik geen ja of nee gehoord. Mijn vraag was en is: is de minister bereid om in een vervolgtraject ook onderzoek te laten doen naar de omvang van het gemeentefonds in relatie tot de medebewindstaken? Daar kan volgens mij alleen maar ja of nee op geantwoord worden.
Minister Heerma:
De heer Vermeer vroeg dit in het kader van de discussie over de verdeling van het gemeentefonds. Die discussie loopt al jaren en loopt ook nog een paar jaar door. Die gaat echt over de onderlinge verdeling. Ik schets dat er op verschillende momenten en in verschillende trajecten gekeken wordt of er sprake is van die balans. Ik ben niet voornemens om aanvullend daarop een algemeen onderzoek te doen naar de omvang van het gemeentefonds.
De voorzitter:
De heer Vermeer heeft nog een vervolgvraag op dit punt.
De heer Vermeer (BBB):
Als ik het goed gehoord heb, blijft er dus alleen over verdeling gepraat worden en zegt de minister aan het eind, in een tussenzin, dat hij niet bereid is om een onderzoek te laten doen naar de omvang in relatie tot de taken.
Minister Heerma:
Misschien moet ik twee dingen uit elkaar halen. De discussie over de verdeling van het gemeentefonds gaat over de verdeling van het gemeentefonds. Dat gaat dus inderdaad over de voordeel- en de nadeelgemeentes. Dat vraagstuk gaat over de verdeling van het totale gemeentefonds, niet over de omvang ervan. Ik geef daarnaast aan dat er verschillende onderwerpen zijn waarbij we het met elkaar over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht hebben. Binnen die onderwerpen kan het de vraag zijn of er voldoende geld is. Maar het kan ook zijn: zijn de ambities niet te hoog? Is het realiseerbaar? Daar wordt het gesprek gevoerd. Aanvullend daaraan ben ik niet voornemens om een onderzoek te doen naar de omvang van het gemeentefonds, los van deze verschillende trajecten.
De heer Flach (SGP):
Mijn vraag gaat daar enigszins op door. Eigenlijk begon ik met spreken over de verwoestijning van gemeenten. Dan laat ik Amsterdam en alle onzin die daar met belastinggeld wordt gedaan even buiten beschouwing. Heel veel kleine en middelgrote gemeenten hebben het echt heel zwaar. We hebben elkaar onlangs gesproken in het herindelingsdebat over Hilversum-Wijdemeren. Daar lagen ook financiën aan ten grondslag. Mijn vraag aan de minister is of hij een bredere verantwoordelijkheid ziet, als hij ziet hoe een heel aantal gemeenten door hun hoeven zakken. Ze praten allang niet meer over ambities, maar vooral over taken en een tekort aan middelen. Eigenlijk zou je bijna het volgende kunnen zeggen. Als je een aantal kinderen hebt en ziet dat een aantal daarvan niet meer genoeg geld hebben om eten te kopen of hun kleren te vervangen, dan maak je je als goed huisvader grote zorgen. Ziet hij die rol nadrukkelijk voor zich, ook vanuit zijn rol als fondsbeheerder en hoeder van de decentrale democratie?
Minister Heerma:
Ja, die verantwoordelijkheid zie ik. Ik probeer dus ook aan te geven -- het coalitieakkoord staat hier ook vol van -- dat het hard nodig was om met elkaar in een andere verhouding terecht te komen. Maar ik ga er wel heel nadrukkelijk bij zeggen dat de discussie zich vaak verengt. "Taken en knaken" bekt lekker, maar het gaat echt over de balans van alle vier. Dat is ook wat de commissie-Polman aangeeft: het gaat over ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Daarbinnen, gelet op al deze vier aspecten, herken ik zeer wat de heer Flach zegt. Ik heb in het begin van mijn spreektekst ook erkend dat er in het verleden op sommige onderwerpen echt een disbalans is ontstaan tussen wat er verwacht werd en of daar voldoende middelen en uitvoeringskracht voor waren. Daarvoor lopen dus nu een aantal trajecten, ook naar aanleiding van de ROB-adviezen waarover ik het net al gehad heb. We zijn er dus serieus naar aan het kijken.
Over die verantwoordelijkheid deel ik ook het volgende. Ik heb bij bijna alle woordvoerders in deze commissie dezelfde zorg gehoord over de medeoverheden. Om het te doorleven, is de UDO echt heel belangrijk. Als je daar serieus naar kijkt, stopt dat naar de toekomst toe namelijk dat we ermee doorgaan. Het is namelijk heel makkelijk om in individuele wetstrajecten toch elke keer te denken: we willen toch iets meer. Zo'n UDO wordt aan de voorkant van een wetstraject gedaan. Maar ook in de wetsbehandeling -- ik noem bijvoorbeeld amendementen die op het laatst komen -- is het goed om het debat in de Kamer scherp te blijven voeren. Ik zeg dit omdat ik jarenlang Kamerlid ben geweest en ook aan de andere kant gezeten heb. Ik weet ook nog voorbeelden waarin die extra ambities soms nog in een amendement toegevoegd werden. Dat is ook onderdeel van de verantwoordelijkheid die ik hier voel. In ieder geval als het wetsvoorstellen betreft waarbij ik dit proces zelf zie, probeer ik daar niet alleen in de ministerraad, maar ook in het Kamerdebat scherp op te zijn. We zijn er als wetgevers gezamenlijk verantwoordelijk voor om dit in het zicht te houden. Dat wilde ik er nog even aan toevoegen.
De heer Flach (SGP):
Helder. Ik denk dat dat een aantal goede trajecten zijn, zeker om goed te bekijken hoe je die balans van taken en knaken … De ambities hoor ik in de zaal ook nog genoemd worden; ik moest ze alle vier noemen. Nee, helder. Ik heb ook gezegd dat bij een aantal gemeenten echt de basistaken aan het verdwijnen zijn; dat zijn wel de dragers van onze samenleving. Ik heb bijvoorbeeld de vrijwillige brandweer genoemd; denk aan de brandweer überhaupt. We hebben dat gezien bij natuurbranden. Er wordt een heel groot beroep op burgers gedaan om weerbaar te zijn. Hoe ga je dat als gemeente allemaal organiseren als juist de uitvoering van dat soort taken inmiddels dreigt te bezwijken onder de financiële druk? Los van de, op zichzelf goede, processen die geschetst worden, vraag ik dus aandacht voor de schrijnende gevallen, de gevallen waar het echt mis dreigt te gaan en waarbij gemeenten door de hoeven zakken, en ik vraag dus of we daar wellicht nog iets mee kunnen.
Minister Heerma:
Ik zou het volgende willen zeggen. Ik begrijp wat de heer Flach zegt en tegelijkertijd heb ik in alle eerlijkheid niet nu een zak geld beschikbaar waarmee ik kan toezeggen dat ik daar iets extra's voor ga doen. In algemene zin geldt ook dat toezicht er deels is en hieraan kan bijdragen. Ik weet ook dat de heer Flach zegt dat er iets structurelers aan de hand is. Wij verwachten dat de samenwerkingsagenda, voor samenwerking met de medeoverheden, er in september is. Die gaat ook naar de Kamer. Dan ligt er iets, wat echt ook aan de basis ligt van het coalitieakkoord, waarbij we samen met medeoverheden proberen op een breed scala van onderwerpen, die ik net noemde, tot afspraken te komen. Daarom kan ik me heel goed voorstellen dat we ook naar aanleiding daarvan in het debat met elkaar het gesprek voeren over de vraag of de heer Flach ziet dat ook met dit soort samenwerkingsafspraken aan zijn zorg tegemoetgekomen kan worden. Ik wil zijn zorg namelijk geenszins bagatelliseren, want ik herken echt wel wat hij zegt.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik ga hier toch even op voort, want wij gaan heus wel meewerken aan een veel eerlijkere verdeelsleutel. Volgens ons is dat toch een beetje een kwestie van het verdelen van de schaarste. Maar stel dat we tot een optimale verdeelsleutel komen en toch zien dat er heel veel belangrijke taken -- denk aan de Wmo of aan veiligheid -- onder druk komen te staan bij gemeentes, wat eigenlijk te gek voor woorden is, is de minister dan bereid om in zijn terugkoppeling ook een valide risicoparagraaf toe te voegen op het moment dat hij die risico's ook als heel reëel ziet?
Minister Heerma:
Enigszins gesouffleerd ga ik toch nog een aanvulling geven op het antwoord richting de heer Flach. Hij refereerde zojuist aan het debat waarin is gesproken over herindeling. In dat debat heb ik ook aangegeven dat ik daar voor het einde van het jaar in een brief, specifiek naar aanleiding van zijn vraag van toen, op terugkom. Naast wat ik net gezegd heb, refereer ik dus nog even aan de toezegging die ik toen in dat debat ook heel expliciet gedaan heb.
In antwoord op de vraag van de heer Struijs ga ik toch zeggen dat de verdeling van het gemeentefonds en het provinciefonds -- daar komen we in het volgende blok op -- een vraagstuk is dat ingewikkeld genoeg is zonder dit daarvan onderdeel te laten zijn. We nemen de vraag of de balans tussen de ambities, de middelen, de taken en de uitvoeringskracht er is, dus heel serieus, maar ik zou dat niet willen vermengen met de discussie over de verdeling, omdat die al ingewikkeld genoeg is. Ik vind dat dus niet de plek voor deze vraag. Ik vind wel dat die serieus op tafel moet. Ik heb ook net in mijn beantwoording aangegeven op welke momenten en naar aanleiding van welke rapporten we die vraag, en ook specifieke onderwerpen, op tafel hebben.
De voorzitter:
Eerst mevrouw Boelsma-Hoekstra en dan de heer Vermeer.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
We hadden het net over de jeugdzorg. Dat is, denk ik, een van de onderwerpen die er los uit worden gehaald. Daarbij gaf de minister aan dat het advies van Van Ark zwaarwegend en maatgevend is. Dat is mooi. Daar gaan wij op letten. Ik denk dat de UDO heel mooi is voor de toekomst, maar op dit moment zitten we met de situatie dat er een hervormingsagenda is en dat er al een bezuiniging is ingeboekt. Die situatie veranderen we nu niet -- dat rapport is wel maatgevend en zwaarwegend -- maar ik denk dat die voor medeoverheden eigenlijk niet te doen is. Ik wilde dat dus ook graag meegeven voor bijvoorbeeld dat stukje over de jeugdzorg.
Minister Heerma:
Ik verwees er net al naar dat er morgen een apart debat is met de minister van Langdurige Zorg. Ik wil verhoeden dat ik dat debat ga voeren. Ik heb wel geschetst wat het proces is. Ik denk dat die vraag het beste in dat debat meegenomen kan worden.
De heer Struijs en de heer Vermeer hadden mij ...
De voorzitter:
Sorry, er zijn nog een aantal interrupties.
De heer Vermeer (BBB):
Het lijkt erop dat de minister een liefhebber van kaatsen is. Hij probeerde een bal terug te kaatsen door te zeggen dat het door amendementen van deze Kamer komt dat er bij de gemeentes extra taken bij komen en dat dat een deel van de oorzaak van de disbalans tussen taken en knaken is. Als dat zo is, zou ik heel graag voor het tweeminutendebat een overzichtje krijgen van welke acties van de Kamer daartoe geleid hebben. Wij kunnen namelijk niet helemaal scherp krijgen welke ongedekte amendementen hier zijn aangenomen.
Minister Heerma:
Wat de minister deed, was geenszins de bal terugkaatsen. Wat ik probeerde te doen in het antwoord op de heer Flach, was het volgende. De UDO, die ik heel belangrijk vind, zit aan de voorkant. Die zit ook bij de memorie van toelichting. Ik gaf aan dat ik uit mijn persoonlijke ervaring weet dat er bij wetsbehandelingen weleens amendementen worden ingediend die een extra taak of opdracht geven. Ik weet niet of het heel nuttig is ... Wat ik nu zeg, is puur uit ervaring als jarenlang Kamerlid. Dit gebeurt ook in wetsbehandelingen. In dat traject moeten we met elkaar het gesprek blijven voeren over hoe ... Nogmaals, het is een ervaring die ik als Kamerlid zelf heb gehad. Als er én meer waarborgen én meer toezicht moeten komen, moet dat ook allemaal uitgevoerd worden. Ik heb geenszins proberen te zeggen dat het de schuld van de Kamer is. Ik heb duidelijk aangegeven, ook in lijn met het coalitieakkoord, wat er in het verleden is misgegaan en wat wij als kabinet nu willen doen naar de toekomst toe. Dat betreft de UDO, maar is ook in navolging van de ROB-adviezen en de commissie-Polman. Het was slechts een opmerking uit eigen ervaring. Het is goed om daar met elkaar in wetsbehandelingen alert op te zijn. De bedoeling was geenszins om daarmee te zeggen dat de Kamer verantwoordelijk is en het kabinet niet. Maar ik hoop dat de heer Vermeer het omgekeerde ook niet wil suggereren. We staan als wetgever namelijk met z'n allen aan de lat om het voor de medeoverheden uitvoerbaar te houden.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Excuses dat ik vanwege een andere afspraak wat later was. Ik viel binnen in het blokje balans, heb ik mij door de heer Clemminck laten vertellen. Ik vroeg me het volgende af. Ik hoor deze discussie aan. In het rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur met de ontzettend mooie titel Meters maken met medebewind staat vrij duidelijk: zonder informatie over de taken van de gemeenten is het moeilijk om een oordeel te geven over of het gemeentefonds toereikend is. Als ik deze discussie zo hoor, vraag ik me af of de minister die conclusie nou deelt of niet. Ik snap dat de discussie over de herverdeling van wat er al in het fonds zit en die over de omvang ervan twee verschillende discussies zijn. Maar als je het hebt over de balans tussen taken en knaken, is dit toch wel een vrij belangrijke aanbeveling van de ROB.
Minister Heerma:
De minister heeft hier aan het begin van het blokje antwoord op gegeven. Hij zoekt even terug in zijn notities, maar probeert ook al zijn mapjes op orde te houden.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog, minister. Er hebben ongetwijfeld medewerkers van mevrouw Tseggai meegekeken.
Minister Heerma:
De heren Vermeer en Struijs vroegen of het Rijk zelf mag bepalen hoe de compensatieplicht in artikel 108, lid 3 van de Gemeentewet wordt uitgelegd: "Erkent de minister dat medebewindtaken in beginsel volledig bekostigd moeten worden?" Ik onderschrijf volledig dat het Rijk medebewindtaken moet bekostigen. Dat is ook nooit ter discussie gesteld. Wel heb ik willen zeggen dat de genoemde artikelen in de Gemeentewet en de Financiële-verhoudingswet zich niet zo eenvoudig laten omzetten in concrete bedragen als soms wordt gesuggereerd. Het is aan de begrotingswetgever, dus de regering en het parlement samen, om hier invulling aan te geven. Instrumenten als de UDO en het traject dat ik nu samen met de koepels doorloop in reactie op de ROB-adviezen, zijn erop gericht om dit zo goed mogelijk mogelijk te maken.
De heer Vermeer (BBB):
Ik heb geen interrupties meer, geloof ik.
Minister Heerma:
Misschien een procedureel punt? Nee, zie ik.
Ik kom bij het derde blok: de goede verdeling van de fondsen. Zowel voor het gemeentefonds als voor het provinciefonds geldt dat de verdeling van de middelen continu onderhoud vraagt. Op dit moment wordt dan ook gewerkt aan zowel de herziening van de verdeling van de algemene uitkering van het gemeentefonds als die van het provinciefonds. Over het gemeentefonds is uw Kamer op 28 mei geïnformeerd. Daar zijn de meeste vragen over gesteld. Daar kom ik zo op terug.
Het provinciefonds. De heer Vermeer van de BBB vroeg naar de stand van zaken en in het bijzonder die van de provincie Flevoland. De herziening van het provinciefonds vindt plaats in nauw overleg met het IPO en de deskundige vertegenwoordigers van de provincies, waaronder Flevoland. De ROB heeft reeds advies uitgebracht in het najaar van 2024. In juli 2025 is de Kamer erover geïnformeerd dat de provincies unaniem akkoord waren met de eerste stap per 1 januari 2026 en een volgende stap per 1 januari 2027. Sinds die zomer is ambtelijk actief en intensief gewerkt aan de nog openstaande vragen.
De heer Vermeer van de BBB vraagt wat ik ervan vind dat provincies dit onderling zelf bepalen. Ik en ook de staatssecretaris van Financiën als medefondsbeheerder hebben alle vertrouwen in de bestuurders van de provincies in dit proces. We waarderen juist ten zeerste dat de provincies gezamenlijk de verantwoordelijkheid hebben genomen om te komen tot een verdeling van de middelen uit het provinciefonds. Als fondsbeheerders hebben we ze allen leren kennen als verantwoordelijke bestuurders met hart voor de publieke zaak. De provincies hebben laten weten dat ze naar verwachting eind juni laten weten hoe ze het verdere traject voor zich zien. Mocht dit onverhoopt niet lukken, dan zullen we als fondsbeheerders zelf een volgende stap in het verdeelmodel moeten zetten. Uw Kamer zal dan voor de zomer worden geïnformeerd over het verdere traject.
De VVD-fractie vroeg naar duidelijkheid voor de gemeentes voor de begroting van 2027. Ze vroeg wat het betekent voor de keuze voor gemeentes die in hun meerjarenraming hebben geanticipeerd op extra middelen in het verdeelmodel. Gemeentes zijn met de meicirculaire van 2026 geïnformeerd over de wijzigingen in het verdeelmodel, inclusief de financiële doorwerking daarvan. Dit betreft ook de bevriezing van het ingroeipad per 1 januari 2027. De meicirculaire kan dan ook als basis dienen voor de meerjarenbegroting van gemeentes.
Daarnaast vraagt het CDA zich af of er bij de herziene verdeling grotere verschuivingen in de verdeling worden verwacht, bijvoorbeeld tussen Randstad en regio. Met andere woorden: gaat er geld van de regio naar bijvoorbeeld de G4? De bevindingen van de onderzoeken om de verdeling van het cluster Jeugd te verbeteren, welke nu niet zullen worden doorgevoerd, kennen in onze berekening een andere richting van herverdeeleffecten dan in het oorspronkelijke ingroeipad. Zoals in de kaartjes drie en vier van de brief van 28 mei jongstleden te zien is, zou het volgens onze berekeningen gaan om een verschuiving van middelen richting de Randstad. Zoals in deze brief echter ook door mij is aangegeven, is er eerst nog verder onderzoek nodig. Met klem benadruk ik daarom nogmaals dat deze verdeling nu niet wordt doorgevoerd en dat eerst verder onderzoek wordt gedaan.
Zowel het CDA als JA21 refereerde eraan dat het ingroeipad opnieuw wordt bevroren en dat dit voor nadeelgemeentes wat lucht geeft, maar voor voordeelgemeentes, en dat zijn inderdaad vaak middelgrote steden buiten de Randstad, juist een nadeel betekent. De vraag is wat ik kan doen. Tot mijn spijt is de realiteit dat het ingroeipad ongewis is geworden. Dat is de kern van de brief van 28 mei. Omdat het ongewis is geworden -- de ROB geeft vrij duidelijk aan waarom dat zo is -- moet het bevroren worden. De bevindingen van de onderzoeken om de verdeling van het cluster Jeugd te verbeteren kennen, zoals bij de vorige vraag al is aangegeven, in onze berekening een andere richting van herverdeeleffecten dan in het oorspronkelijke ingroeipad. Oftewel, een aanpassing nu die voor gemeentes kan betekenen dat ze meer middelen ontvangen, kan mogelijk over twee jaar weer betekenen dat ze ongedaan worden gedaan door nieuwe aanpassingen vanuit het cluster Jeugd. De beoogde richting van de totale herverdeling is daarmee dus ongewis geworden.
In dit kader vroeg zowel de SGP als D66 naar de mogelijkheid om indexatie -- dat is dus indexatie binnen het ingroeipad -- vanaf 2028 in te vullen. Ik streef ernaar om met Prinsjesdag duidelijkheid te kunnen geven over het ingroeipad per 1 januari 2028, of dat wordt geïndexeerd en, zo ja, hoe. Het Kamerlid van D66 refereerde aan de brief van afgelopen maandag. Het is een heel technisch punt. We bevriezen het nu een jaar, om te zorgen dat als we het doen, we het op de juiste manier doen. Ik probeer voor Prinsjesdag duidelijk te maken of en hoe we dat kunnen gaan doen.
Breder dan dat was de door diverse fracties misschien wel meest nadrukkelijke gestelde vraag in het debat. Niet alle woordvoerders, maar bijna alle woordvoerders stelden hem. "Moet het echt twee jaar duren? Kan het niet toch al per 2028?" Dat is een veel bredere vraag dan die werd gesteld over de indexatie. Het eerlijke antwoord is dat ik echt denk dat die twee jaar nodig zijn. Dat zeg ik niet met vreugde. De realiteit van wat er afgelopen maandag geconstateerd is, is alleen toch het volgende. Ook hier gaat het om "zo snel mogelijk". Je loopt het risico dat je zorgvuldigheid opoffert voor snelheid. De suggestie dat dit binnen een jaar zou kunnen ... Een toezegging mijnerzijds zou juist verwachtingen verwekken die over een jaar mogelijk weer niet waargemaakt kunnen worden. Dan moeten we weer tot de constatering komen dat het eigenlijk te snel en te onzorgvuldig is geweest. We bekijken de herverdeling nu integraal. De diverse onderdelen van het verdeelstelsel hangen immers met elkaar samen. Als er nu specifieke onderwerpen uit worden gepakt, want daar vroegen sommige leden ook naar, kan dat mogelijk een jaar later weer tot hele andere herverdeeleffecten leiden. In het belang van de stabiliteit en de voorspelbaarheid voor gemeentes bekijken we de vraagstukken daarom nu in alle samenhang en in alle zorgvuldigheid.
De wijzigingen per 1 januari 2028 vind ik dus -- helaas, zeg ik nogmaals -- niet realistisch. Dit zou namelijk inhouden dat het onderzoekstraject voor onder andere de jeugdzorg, inclusief de adviesaanvragen bij de ROB en de VNG, in april 2027 afgerond moet zijn. Zelfs als het onderzoek naar de jeugdzorg voor de kerst van 2026 gereed zou zijn, en gezien de complexiteit van het vraagstuk is het zeer de vraag of dit realistisch is, vraagt het voorstel dan ook nog om zorgvuldige weging. Zoals ik in mijn brief van 28 mei heb laten weten, betreur ik dat het tijdpad voor zorgvuldige weging dit keer zeer krap was. Ik heb richting de toekomst beterschap beloofd. Ik ben echt bezorgd. Als ik meega in de ergens toch wel begrijpelijke wensen van gemeentes, die hier zijn aangehaald, ben ik bang dat we dezelfde fouten herhalen en dat we door een te krap en te snel tijdpad uiteindelijk geen zorgvuldig genoeg proces hebben.
De heer Flach (SGP):
Ik heb op dit punt een verduidelijkingsvraag. Ik snap het zeker als het gaat om jeugd, maar is het, zoals ik in mijn betoog al heb gevraagd, niet mogelijk om op een aantal fronten na een jaar duidelijkheid te geven? Daarop zegt de minister: nee, we bekijken het integraal, want dat kan ook invloed op elkaar hebben. Dat begrijp ik ook nog. Tegelijkertijd is het ingroeipad al ingezet. Er zijn al dingen ingevoerd. Met andere woorden, meer duidelijkheid is altijd nog beter dan minder duidelijkheid. Vandaar de poging om te bekijken of bepaalde onderdelen toch al per 1 januari '28 kunnen worden ingevoerd. Zo niet, dan hoor ik graag iets meer toelichting of verduidelijking, want het was mij niet helemaal duidelijk.
Minister Heerma:
Wat in de brief van 28 mei wordt geschetst -- de heer Flach zei ook al dat het ongewis is geworden -- is het volgende. Als je tussentijds dingen uitlicht die effect op elkaar hebben, loop je wel degelijk het risico dat je in 2028 een stap zet die tegengesteld is aan de beweging die het jaar daarna wordt gemaakt. Ze hangen met elkaar samen. Ik denk dat iedereen die in dit vraagstuk gedoken is, weet dat het echt heel complex is. Ik zou het voor dit debat het makkelijkste vinden om te zeggen: we gaan ons best doen om het toch te doen. Maar ik vind het het meest zuiver en eerlijk om te antwoorden dat we het risico zien dat we hier een makkelijke toezegging op snelheid doen die ten koste gaat van zorgvuldigheid, en dat we daarmee in hetzelfde proces terechtkomen als we in de brief van 28 mei hebben aangegeven te willen voorkomen. Die kans acht ik te groot. Ik snap de vragen van de heer Flach echt, maar ik vind dit toch echt het zorgvuldige antwoord.
Er zitten nog een aantal specifieke vragen in dit blok. Ik begin bij een vraag van de heer Clemminck over de grootstedelijke en de middelgrote gemeenten. Ik heb daar net al iets over gezegd in een bijzin. Zijn vraag was: onderkent de minister dat de middelgrote gemeenten kampen met de vraagstukken waar de grote gemeenten mee kampen? Het antwoord daarop is: ja, dat herken ik. Mijn voorganger heeft in een brief van 8 februari 2025 laten weten dat deze problematiek mogelijk niet alleen voor grote gemeenten speelt. Ik wil de heer Clemminck toezeggen dat we hier in het vervolgtraject expliciet aandacht voor zullen hebben.
De heer Clemminck (JA21):
Dat is fijn. Betekent expliciete aandacht dat ze nog onderdeel worden van de onderzoeksagenda van 2026? Dat was namelijk de vraag.
Minister Heerma:
We gaan bekijken op welke manier we dit het beste vorm kunnen geven, of in de onderzoeksagenda of in de begeleiding. Ik heb daar nu nog geen specifiek antwoord op. Maar ik ken de heer Clemminck als een scherp Kamerlid. Hij zal mij houden aan de toezegging die ik hier gedaan heb.
De heer Struijs vroeg: is datagedreven informatie een goed hulpmiddel om te komen tot een betere verdeling van het gemeentefonds? Ik vind dit een interessante gedachte. Wij zullen die meenemen.
De voorzitter vroeg, toen even niet als voorzitter maar als lid van de VVD, specifiek naar de twee onderdelen waar nu wel een stap in wordt gezet naar aanleiding van het ROB-advies, specifiek met betrekking tot de ozb. Zij vroeg: hoe voorkomt de minister dat gemeenten die bewust kiezen voor lagere lasten, hierdoor indirect worden benadeeld via lagere uitkeringen uit het gemeentefonds? Zo begreep ik de vraag. Het idee achter de ozb-verevening is dat het een verevening is van de belastingcapaciteit van een gemeente. De ene gemeente heeft een hogere WOZ-waarde per inwoner dan de andere. Hierdoor kan de ene gemeente per inwoner meer ozb ophalen dan de andere. Deze belastingcapaciteit per inwoner wordt verevend. Het hangt dan ook af van de WOZ-waarde per inwoner van een gemeente of die gemeente additionele middelen ontvangt uit het gemeentefonds.
Dit was blok drie.
De voorzitter:
U heeft geen interrupties meer, meneer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Ik heb geen interrupties meer, maar ik heb wel een opmerking naar aanleiding van iets wat de minister heeft gezegd. Mensen uit de provincie Flevoland zeggen iets heel anders. Wat kan ik daarmee?
De voorzitter:
Nou, op dit moment niet zo heel veel. We doen ons best om de eerste termijn van de minister af te maken. Er zal ongetwijfeld een tweeminutendebat aangevraagd worden. Dat zal plaatsvinden voor het zomerreces, als de Kamer daarom verzoekt. Ik denk dat dat het moment is waarop u uw inbreng kan leveren.
De minister vervolgt zijn betoog.
Minister Heerma:
Blok vier. Ik zie nu dat ik ook nog een heel klein blokje overig heb. Dat zal ik betrekken bij blok vier. Excuus, voorzitter. Verschillende woordvoerders in dit debat hebben vragen gesteld over de specifieke uitkeringen, samengevat in het fantastische woord "SPUK's". Ze hebben gerefereerd aan het feit dat er de afgelopen jaren een enorme groei heeft plaatsgevonden. Tussen 2017 en 2024 is het aantal SPUK's gestegen van 21 naar 185. Die aantallen zijn in dit debat door verschillende woordvoerders aangehaald. De specifieke uitkeringen brengen hoge administratieve lasten met zich mee voor gemeenten en provincies en beperken hun beleidsvrijheid. Dat waren redenen voor het vorige kabinet om het gebruik van deze uitkering terug te dringen. In 2025 is het aantal specifieke uitkeringen dan ook voor het eerst gedaald, naar 158. Dat is nog steeds heel hoog, maar het is wel een substantiële daling ten opzichte van de eerdere stijging.
In antwoord op de vragen van mevrouw Boelsma-Hoekstra en mevrouw Van Eijk over het terugdringen van de SPUK's wil ik benadrukken dat ook dit kabinet gecommitteerd is aan het verminderen van het aantal specifieke uitkeringen. Zo blijft gelden dat het instellen van een nieuwe specifieke uitkering door de ministerraad moet worden bekrachtigd. Daarnaast wordt er gewerkt aan de introductie van een bijzondere fondsuitkering, een uitkeringsvorm die vrij besteedbaar is en die een alternatief kan bieden voor de specifieke uitkering. Het blijft echter mogelijk om een SPUK te verstrekken, bijvoorbeeld om juridische reden of vanwege politieke wenselijkheid. Het instellen van een nieuwe of het verlengen van bestaande specifieke uitkeringen gebeurt daarom in goed overleg met de koepels IPO en VNG.
De VVD-fractie vroeg ook naar de Financiële-verhoudingswet. Mevrouw Van Eijk vroeg wat de stand van zaken is met betrekking tot de Financiële-verhoudingswet en de inwerkingtreding van de bijzondere fondsuitkeringen, waar ik het net over had. De Financiële-verhoudingswet wordt aangepast om het Rijk en de medeoverheden beter te ondersteunen bij het oppakken van maatschappelijke opgaven. Een belangrijke wijziging in het wetsvoorstel is de introductie van een nieuwe uitkeringsvorm: de bijzondere fondsuitkering, de BFU. Deze uitkeringsvorm vormt een alternatief voor de specifieke uitkering. Met deze nieuwe uitkeringsvorm wordt het mogelijk voor het Rijk om te bekijken of de doelen bereikt worden, of de uitkering aansluit bij de kosten en of de verdeling nog steeds passend is. De Raad van State heeft recent advies uitgebracht over het wetsvoorstel en beschouwt het wetsvoorstel als een stap voorwaarts. Ik streef ernaar om het wetsvoorstel voor de zomer naar de Kamer te sturen.
Een aantal fracties vroegen naar het financieel toezicht, specifiek met betrekking tot de inzet van reserves en het mogelijke gebruik van stelposten. De komende periode werk ik samen met de medeoverheden verder aan de doorontwikkeling van het financieel toezicht en de toezichtnorm. Daarbij ben ik voornemens om ook risico's, vermogens, wendbaarheid en weerbaarheid meer te betrekken bij het toezichtoordeel, dit in aanvulling op de norm van structureel en reëel evenwicht, SRE. U heeft hierover op 10 december een brief ontvangen van mijn ambtsvoorganger. Sindsdien hebben er nadere gesprekken plaatsgevonden met de VNG, gemeenten en toezichthouders. Met deze verdere ontwikkeling van het toezicht kan het gesprek over gezonde financiën verder ondersteund worden. Er ontstaat immers beter inzicht in de financiële risico's en een breder beeld van hoe het er financieel voorstaat met gemeenten. Uw Kamer zal ik over de verdere stappen nader informeren in een brief, die ik voornemens ben na het zomerreces naar u te sturen. Die gaat specifiek over de inzet van reserves.
In samenwerking met toezichthouders en gemeenten is de mogelijkheid tot inzet van reserves reeds verruimd. De toezichthouders hebben hun toezichtkader hierop aangepast. Die verruiming geldt ook voor de bestemmingsreserves, waarnaar mevrouw Van Eijk vroeg. Dit vraagt wel om een wijziging van de bestemmingsreserve naar algemene reserve. Er zijn voor gemeenten nu drie mogelijkheden voor het inzetten van reserves ter dekking van structurele lasten. Dit draagt bij aan de financiële weerbaarheid van medeoverheden en is mogelijk omdat de reservepositie van een groot deel van de gemeenten de afgelopen vier jaar is verbeterd. Dit blijkt uit overschotten in de jaarrekening van gemeenten in de afgelopen jaren.
Ik kom op de stelposten. Voor sommige begrotingsposten voor gemeenten is het heel lastig om deze heel nauwkeurig te ramen. Voorbeelden hiervan zijn investeringen die mogelijk later dan begroot tot realisatie kunnen komen, loonkosten en de middelen van het Rijk die later in het jaar beschikbaar komen. Voor deze posten is het mogelijk om stelposten op te nemen in de begroting voor specifieke baten en lasten. In de brief van mijn voorganger van 10 december 2025, waar ik het net ook over had, is aangegeven dat bredere bekendheid wordt gegeven aan de mogelijkheden van wat er nu al kan op dit vlak, onder andere via de commissie BBV, een commissie van experts op het vlak van financiële regelgeving. Dit is inmiddels gebeurd. Ook de toezichthouders hebben een verduidelijking gegeven over hun toezichtkader. Dit kan gemeenten helpen bij het begroten in weerbarstige tijden. Mijn inschatting is dat hiermee al belangrijke stappen zijn en worden gezet ter verbetering van de begrotingsregels en het toezicht, maar als minister van Binnenlandse Zaken blijf ik, samen met de Kamer, oog houden voor hoe de regels en de werking ervan in de praktijk nog beter kunnen. Het gesprek hierover zal ik daarom met u aan blijven gaan.
De heren Clemminck en Bosma vroegen om een reflectie op lokale ontwikkelingen zoals de aanwas van ambtenaren, ziekteverzuim, afval op straat en inzet van reserves. De zaken die hier aan de orde worden gesteld, zijn bij uitstek zaken waarover op lokaal niveau keuzes worden gemaakt. De belangrijkste keuzes worden door de raad gemaakt, de gekozen volksvertegenwoordiging. Het college voert dat besluit uit. Het college en de burgemeester leggen hierover verantwoordelijkheid af aan de raad. Het is uiteraard niet aan mij om gemeentebesturen hierop aan te spreken. Het is ook niet aan mij om op al deze zaken reflecties te geven.
De heer Martin Bosma (PVV):
Ik had wel gehoopt op een reflectie, want wat er gebeurt, is natuurlijk te gek voor woorden. We zien dat de lasten door het dak gaan. Denk aan de rioolheffing en de ozb-belasting. De burger moet maar betalen. Verder zien we dat het aantal ambtenaren van de gemeenten en de provincies explodeert, met tientallen procenten tegelijk. In Amsterdam zijn er 6.000 mensen bij gekomen. De minister zegt gewoon: dat moeten ze allemaal zelf weten; ik blijf wel gireren. Ligt er niet een taak voor de minister om daar iets van te vinden? Het gaat toch gewoon om belastinggeld? Hij is verantwoordelijk voor het openbaar bestuur in Nederland.
Minister Heerma:
Ik krijg deels flashbacks naar het debat over de herindeling van de gemeente Wijdemeren. Gemeenten zijn geen uitvoeringsloket van het Rijk. Ze zijn een volwaardige democratie. In die democratie is het aan gemeenteraden om hier in meerderheid besluiten over te nemen en om het gesprek met het college te voeren. Dat is niet aan ons.
De heer Martin Bosma (PVV):
De uitspraak dat gemeenten en provincies geen uitvoeringsloket van de Rijksoverheid zijn, hebben we eerder gehoord, maar dat is natuurlijk niet waar. De Spreidingswet bewijst het tegenovergestelde. Op dat punt zijn gemeenten wel een uitvoeringsloket. Wat de minister zegt, klopt dus niet. Wat vindt hij ervan -- laat ik een ander onderwerp aansnijden -- dat gemeenten enorme schuldenposities hebben? We hebben in het verleden allerlei affaires gehad, bijvoorbeeld rond Ceteco in Zuid-Holland. Die gingen met heel veel geld speculeren. Daar heeft de centrale overheid toch iets van geleerd, zo mag ik aannemen. Wat vindt de minister er bijvoorbeeld van dat sommige gemeenten enorme schulden hebben?
Minister Heerma:
Ik zal het antwoord dat ik net gegeven heb en dat ik ook al bij herhaling heb gegeven in het debat waaraan ik net refereerde, niet herhalen. Wat ik specifiek op de vraag van de heer Bosma kan zeggen, is: als het gaat om financieel beheer en schuldenbalansen, houdt het provinciebestuur toezicht.
De voorzitter:
Ten slotte. Uw laatste interruptie, meneer Bosma.
De heer Martin Bosma (PVV):
Ja, ten slotte. Er zijn gemeenten die heel veel geld weggeven aan het buitenland. Dat doen ze eigenlijk al decennia. Vroeger hadden we de LOTA, de Lagere Overheden Tegen Apartheid. Er is geld van Groningen naar Cuba gegaan. Gemeenten hebben uitwisselingsprojecten gehad met Managua. Nu gaat er heel veel belastinggeld van gemeenten richting Gaza, meermalen, en richting Ramallah. Is dat iets waarvan de minister zegt: het zou goed zijn als gemeenten dat niet doen; laten we dat lokale belastinggeld gebruiken voor lokale behoeften?
Minister Heerma:
Zoals ik zojuist heb aangegeven, worden de belangrijkste keuzes door de raad gemaakt, de gekozen volksvertegenwoordiging. Het college voert dat beleid uit. Het is aan de raad om het gemeentebestuur te controleren.
De voorzitter:
Ik heb een vraag met betrekking tot de orde. Het is inmiddels 18.00 uur. Dat betekent dat we geen tweede termijn van de Kamer zullen doen. Ik wil wel proberen om de eerste termijn van de minister af te maken, maar dat ligt eraan of hij daartoe in de gelegenheid is en, zo ja, hoeveel tijd hij daarvoor nog nodig denkt te hebben.
Minister Heerma:
Er zijn heel veel vragen gesteld, maar ik heb ook echt al heel veel vragen beantwoord. Zo te zien ben ik aan het einde. Ik heb nog een vraag van de VVD-fractie liggen. Ik kan zo klaar zijn, tenzij er zo een heel lange lijst komt met dingen die ik allemaal gemist heb, maar dat moeten we zo maar even zien.
De voorzitter:
Dat is prima. U vervolgt. Sorry, eerst mevrouw Boelsma-Hoekstra.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik moet iets brutaler zijn. Ik zat al een tijdje met mijn vinger omhoog, maar dat geeft niks. Ik heb een vraag. We hebben het net gehad over het provinciaal toezicht. Ik zoom even uit. We gaan straks, in het voorjaar van '27, duidelijkheid krijgen over '28 als het gaat over de jeugd, over het rapport-Van Ark. We hebben nog geen herverdeling, maar we weten wel dat het ravijnjaar eraan zit te komen. Gemeenten zitten te luisteren en denken: "Wat moeten wij doen? Waar moeten wij op anticiperen? Moeten wij al bezuinigingen doorvoeren? Mogen wij hier wel coulant mee omgaan? Kunnen wij wel een stelpost opnemen, wachtende op de herverdeling of iets dergelijks?" Ik denk dat ze nu naar ons luisteren en denken: jongens, help ons om hiermee verder te gaan.
Minister Heerma:
Het tijdpad dat ik geschetst heb, is het tijdpad zoals dat is, ook wat betreft de commissie-Van Ark. Het zal bij de Voorjaarsnota 2027 gebeuren. Gemeenten weten heel goed hoe ze hier verstandig mee om kunnen gaan. Los van de antwoorden die ik net gaf over stelposten, kan ik nu niet een ruimere toezegging doen; dat deed ik ook niet richting de heer Flach.
De VVD-fractie sloot volgens mij haar inbreng af met de stijging van de lokale lasten en vroeg: "Hoe kijkt de minister aan tegen de mogelijkheden om excessieve stijgingen van gemeentelijke lasten tegen te gaan? Welke instrumenten heeft het kabinet om inwoners en ondernemers beter te beschermen tegen plotselinge buitensporige stijgingen van bijvoorbeeld de ozb, parkeerkosten of de toeristenbelasting?" De hoogte van de genoemde lasten is niet wettelijk geregeld. Dit betekent concreet dat deze door de lokale volksvertegenwoordiging worden vastgesteld. Het kabinet heeft geen zeggenschap over die lokale democratische keuzes. Mijn beeld is dat er lokaal stevig over wordt gedebatteerd. Dat is ook de plek waar dat moet gebeuren. De hoogte van lokale lasten vraagt om een democratische besluitvorming op lokaal niveau. In theorie zouden de stijgingen van lokale lasten door een wetswijziging gemaximeerd kunnen worden, maar ik ben daar geen voorstander van. Een dergelijke wetswijziging zou moeten worden gewogen in het licht van het Europees Handvest inzake lokale autonomie. Gemeenten zouden inkomstenderving kunnen ervaren, waar wij vanuit het Rijk oog voor zouden moeten hebben.
De heer Clemminck (JA21):
Ik wil toch even terugkomen op de vraag over Flevoland, waar de heer Vermeer mee kwam. Het leuke is natuurlijk dat je het zelf maar even gaat navragen bij een partijgenoot in de provincie. Ik lees inderdaad terug in de brief van het IPO dat het unaniem is besloten. Tegelijkertijd krijg ik van mijn collega's in de provincie terug dat de provincie zich daar zelf altijd kritisch over heeft uitgelaten. Mijn vraag aan de minister is of het klopt dat het unaniem is. Heeft hij dat zelf bevestigd gekregen vanuit de gedeputeerden van de provincie Flevoland? Wil hij dat nog eens expliciet navragen? Ik krijg namelijk een ander beeld.
Minister Heerma:
Mijn beeld is zoals in de brief is opgeschreven en zoals ik heb geschetst met betrekking tot het proces. Ik gaf aan dat wij verwachten eind juni een advies te krijgen van de provincies. Dat kan overigens ook betekenen dat ze er niet uitkomen, zoals ik al schetste. Dan zullen wij als fondsbeheerders zelf stappen moeten zetten. Ik wil de heer Clemminck en eigenlijk ook de heer Vermeer -- ik zag net wat beweging aan de andere kant van de zaal -- toezeggen dat we, zodra we een advies terug hebben, expliciet kunnen vragen of het gedeeld wordt door de provincie Flevoland.
Mevrouw Huizenga (D66):
Allereerst dank ik de minister voor de hoeveelheid antwoorden; ik zie hem zuchten.
Ik heb nog één vraag, over de uitvoeringstoets, die u verschillende keren heeft genoemd. Ik vind het wel belangrijk dat we het niet alleen maar hebben over of iets uitvoerbaar is, maar ook over of iets toereikend is. Dat gaat ook over het gemeentefonds. Zorg ervoor dat zo'n fonds toereikend is en dat we daarmee de doelen die we willen behalen, kunnen behalen. Dat is een.
Dan nog een vervolgvraag, om de tijd niet te veel te rekken. Ik vind het ook belangrijk dat we het hebben over de voorspelbaarheid voor gemeenten. Ik bedoel dat ze weten wat eraan gaat komen voor de lange termijn, zodat ze daar hun eigen begroting op in kunnen richten. Ik vraag daar ook nog een korte reflectie op.
Dan heb ik meteen een laatste vraag: kan de minister nog wat zeggen over incidenteel financieren en structureel financieren? Dat is namelijk ook vaak een probleem voor gemeenten.
Minister Heerma:
Er komt aan het eind toch nog wat complexiteit naar voren. Als ik eerlijk ben, had ik, als we een tweede termijn hadden gehad, zeker op de laatste vraag gezegd: daar kom ik in de tweede termijn op terug. In algemene zin geldt dat de UDO ook gaat over de toereikendheid, maar ik begrijp ook dat dat geen antwoord is op de hele vraag. Ik zou bijna verwijzen naar alle antwoorden die ik al heb gegeven in mijn eerste termijn. Die gaan juist over het geheel. Het is heel complex en er hangt heel veel met elkaar samen, maar we hebben echt oog voor de balans tussen die vier zaken. Dit moeten we niet -- daar ben ik expliciet over -- vermengen met de discussie over de verdeling van het gemeentefonds. Daarbinnen is er ook aandacht voor … Er wordt altijd gezegd "taken en knaken", maar ik voeg daar toch ook "ambities en uitvoeringskracht" aan toe. Ik heb diverse brieven toegezegd en heb al momenten genoemd waarop we daar met elkaar heel nadrukkelijk het gesprek over zullen voeren. Ik denk dat we dat zeker doen op het moment dat we de samenwerkingsagenda's, waaraan we werken met de gemeenten, uw kant op sturen. Ik zou in theorie nog in een brief terug kunnen komen op de slotvragen die gesteld werden. Anders had ik nu gezegd: daar kom ik in de tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Dank u wel. Bent u daarmee aan het einde gekomen van de beantwoording van de vragen van de Kamer? Dat is het geval. Ik kijk naar de leden om te zien of er behoefte is aan een tweeminutendebat.
De heer Flach (SGP):
Veel van de vragen zijn beantwoord, maar de zorgen zijn nog niet weg. Die zorgen delen we tot op zekere hoogte. Ik weet dat een aantal collega's een motie wil indienen, dus ik vraag een tweeminutendebat aan. Ik besef dat het moeilijk zal worden om dat voor de zomer nog ingepland te krijgen.
De voorzitter:
Dat is een opdracht aan de Griffie plenair. Het ligt aan de prioriteit die de Kamer daaraan geeft.
Er is een tweeminutendebat aangevraagd door het lid Flach van de SGP.
Er is een aantal toezeggingen gedaan. Ik wil die graag eventjes doornemen om te zien of we die juist hebben genoteerd.
- De Kamer wordt in september '26 geïnformeerd over de samenwerkingsagenda van het kabinet en medeoverheden voor een gezamenlijke aanpak van maatschappelijke opgaven.
- De Kamer wordt in de zomer van '26 geïnformeerd over de aanpak van de financiële verkenning van het Rijk, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
- De Kamer wordt begin '27 geïnformeerd over de evaluatie van de bbp-systematiek.
Ik vraag mij even af of dat goed staat genoteerd, want die start in '27. Of komen de evaluatie en de resultaten van de resultaten dan? Dan start de evaluatie en de resultaten worden in de loop van het jaar verwacht. Kan ik dat zo noteren?
Minister Heerma:
Ja. En we zullen, zodra dat kan, de Kamer daarover informeren.
De voorzitter:
Oké.
- De Kamer wordt voor de zomer van '26 geïnformeerd over het verdere traject ten aanzien van de herziening van het provinciefonds. Dat was het laatste discussiepunt.
- De Kamer wordt voor Prinsjesdag '26 geïnformeerd over het ingroeipad aangaande aanpassingen en het verdeelmodel van het gemeentefonds per 1 januari '28, over of dit ingroeipad wordt geïndexeerd en, zo ja, hoe dit wordt geïndexeerd.
Minister Heerma:
Of met Prinsjesdag.
De voorzitter:
Met Prinsjesdag. Ik snap de nuancering.
- De Kamer ontvangt voor de zomer van '26 de wetswijziging met betrekking tot de financiële verhoudingen tussen het Rijk en de medeoverheden.
Er is ook nog iets gezegd over een brief na de zomer. Dat zat in het blokje over specifieke uitkeringen, dacht ik, of het staartje daarvan, over de bijzondere fondsuitkering. We weten niet meer precies wat het was.
Minister Heerma:
Ik word weer gesouffleerd: toezicht.
De voorzitter:
Over toezicht door de provincies. Helemaal goed. Dan hebben we het gehad, denk ik. Heeft iemand iets gemist? Dat lijkt niet het geval.
Dan dank ik u voor het debat. Ik sluit de vergadering.
Sluiting 18.10 uur.