Reactie op een vraag van het lid Kostić over de relevantie van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en ‘de huidige wet- en regelgeving voor bestrijdingsmiddelen, inclusief de afstandsnormen’
Wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (grondslag voor maatregelen inzake het (particulier) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen)
Brief regering
Nummer: 2026D31567, datum: 2026-06-22, bijgewerkt: 2026-09-07 08:15, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-35756-30).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Onderdeel van kamerstukdossier 35756 -30 Wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (grondslag voor maatregelen inzake het (particulier) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen).
Onderdeel van zaak 2026Z14078:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-07-01 10:15 ⇒ Agenderen voor het commissiedebat Leefomgeving op dinsdag 6 oktober 2026. (Besluit)
- 2026-06-24 14:09 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-24 14:09: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-07-01 10:15: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-10-06 16:30: Leefomgeving (Commissiedebat), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2025-2026 |
35 756 Wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (grondslag voor maatregelen inzake het (particulier) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen)
28 089 Gezondheid en milieu
Nr. 30 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 juni 2026
Het lid Kostić (PvdD) heeft gevraagd te reflecteren op de relevantie van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en «de huidige wet- en regelgeving voor bestrijdingsmiddelen, inclusief de afstandsnormen»1.
Mede namens de Staatssecretaris van LVVN deel ik u het volgende mee.
Onder de verzamelnaam «bestrijdingsmiddelen» vallen biociden en gewasbeschermingsmiddelen. Beide zijn bedoeld voor de bestrijding of beheersing van schadelijke organismen. Zij kunnen door professionele en niet-professionele («particuliere») gebruikers worden toegepast.
Bij biociden gaat het bijvoorbeeld om desinfectiemiddelen in ziekenhuizen of om middelen tegen muizen. Gewasbeschermingsmiddelen worden op planten en gewassen toegepast tegen bijvoorbeeld insecten, schimmels of onkruiden. Deze middelen kunnen zowel binnen als buiten de landbouw worden toegepast.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitgesproken2 dat: «volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het EVRM geen uitdrukkelijk recht toe kent op een schone omgeving, maar dat artikel 8 in het geding kan zijn als de overlast van dien aard is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé of gezinsleven (zie bijvoorbeeld EHRM Jugheli tegen Georgië, arrest van 13 juli 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205, punt 62 en de daar aangehaalde rechtspraak).»
Vanuit deze optiek is er geen aanleiding tot aanpassing van de wet- en regelgeving.
Voor zover het gebruik van biociden negatieve effecten kan hebben voor het milieu, kan «integraal plaag management» als instrument worden ingezet om die effecten te voorkomen of te minimaliseren.
Het professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw is sinds 2017 verboden, behoudens enkele noodzakelijke uitzonderingen. Het gebruik van die middelen is beperkt.
Ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen binnen de landbouw geeft de Staatssecretaris van LVVN aan dat het beleid is gericht op het terugdringen van de afhankelijkheid van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen, met bijzondere aandacht voor schadelijke middelen op basis van milieu belastingpunten. De beleidsmatige aanpak loopt langs drie sporen: (1) de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en de goedkeuring van werkzame stoffen, (2) de toepassing/het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en bijbehorende maatregelen, en (3) het toezicht op en de handhaving van de relevante regelgeving. Onder meer is hiervoor het proces ingericht om te komen tot bindende afspraken in een convenant. De ambitie is om dit convenant op hoofdlijnen nog voor de zomer te sluiten.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
Commissiedebat Vergunningverlening, Toezicht en handhaving (Kamerstuk 22 343, nr. 407)↩︎
Overweging 14.2 van de uitspraak van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1603↩︎