Lijst van (openstaande) vragen en antwoorden over het jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (Kamerstuk 36945-VIII-1) (vraagnummer 64, 66 en 67)
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025
Lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D32232, datum: 2026-06-24, bijgewerkt: 2026-06-30 15:15, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (CDA)
- Mede ondertekenaar: L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36945 VIII-10 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025.
Onderdeel van zaak 2026Z14389:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-07-02 10:35 ⇒ Betrokken bij de inbreng schriftelijk overleg over het Jaarverslag 2025 en de Staat van het Onderwijs 2026 d.d. 25 juni 2026. (Besluit)
- 2026-06-30 16:00 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-25 10:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-06-25 10:00: Jaarverslag 2025 en de Staat van het Onderwijs 2026 (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-06-30 16:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-07-02 10:35: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
36 945 VIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025
Nr. 10 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 24 juni 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het Jaarverslag ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (36945-VIII, nr. 1).
De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026 (Kamerstuk 36 945 VIII, nr. 7). De minister heeft de resterende vragen 64, 66 en 67 beantwoord bij brief van 24 juni 2026. Deze vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie,
Van Thiel
Vragen en antwoorden
Nr. 64 Vraag
Kunt u aangeven welke samenwerkingen het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar jaar, is aangegaan met andere Nederlandse onderzoeksinstellingen en universiteiten?
Het BPRC geeft aan dat op basis van de auteurs op de publicatielijst van de afgelopen jaren, het BPRC in ieder geval samenwerkingen heeft gehad met: Amsterdam UMC/VU, Leiden UMC/Universiteit Leiden, UMC Utrecht/Universiteit Utrecht, Erasmus MC, Radboudumc/Radboud Universiteit, Rijksuniversiteit Groningen/UMCG, Wageningen UR, RIVM, Sanquin, Nederlands Herseninstituut, Hubrecht Institute, Diergaarde Blijdorp/Rotterdam Zoo en diverse Nederlandse universitaire onderzoeksgroepen. Deze laatste categorie (diverse Nederlandse universitaire onderzoeksgroepen) is groter in aantal dan de auteurslijst op publicaties. Voor het aanvragen van nationale en internationale subsidies werkt het BPRC namelijk met anderen samen in consortiumverband. Aangezien niet alle subsidieaanvragen worden gehonoreerd, zal er uit deze samenwerkingen vaak geen onderzoek en dus geen publicaties volgen.
Nr. 66 Vraag
Kunt u een lijst verschaffen van alle alternatieven voor apenproeven die het BPRC in de afgelopen twintig jaar zelf heeft ontwikkeld?Het BPRC geeft aan dat het helaas niet mogelijk is om daar een volledige lijst van op te stellen. Het BPRC heeft altijd sterk ingezet op de drie V’s (Vervanging, Vermindering en Verfijning). Een heel belangrijk onderdeel hiervan, en van meer kennis met minder dieren, is de inrichting van de biobank. Wetenschappers van het BPRC en de internationale onderzoeksgemeenschap gebruiken hier materiaal uit, variërend van volbloed of witte bloedcellen tot weefsels, organen, hersenen en darmorganoïden. Hiermee wordt proefdiervrij onderzoek gedaan en in sommige gevallen worden alternatieven voor apenproeven ontwikkeld. Deze alternatieven worden meestal ontwikkeld en gepubliceerd als onderdeel van breder ziektegericht onderzoek, en niet als afzonderlijke activiteit. Het BPRC heeft bijvoorbeeld voor het malariaonderzoek de afgelopen tien jaar veel tijd besteed aan het ontwikkelen van een methode om malariaparasieten te kunnen onderzoeken in levercellen in een kweekbakje, als alternatief voor grootschalige screening van nieuwe medicijnen in apen. Ook zijn er methodes ontwikkeld om medicijnen toe te dienen met minder irriterende adjuvantia, is er voor het welzijn van de dieren gedragsondroek gedaan, onderzoek naar verrijkingsmethoden, luchtkwaliteit, long-acting antibiotica, het microbioom, en de voedingssamenstelling voor de dieren. Hier is deels over gepubliceerd, deels is dit opgenomen in de materiaal & methoden-secties van verschenen artikelen. Als we kijken naar de impact van het onderzoek, gebaseerd op de wetenschappelijke output van het BPRC, dan is van de periode 2019-2025 39% (85/220) van de artikelen verschenen op basis van dierstudies, 39% (86/220) op basis van op basis van de 3 V's, en 22% (49/220) op basis van beide.
Nr. 67 Vraag
Kunt u aangeven hoeveel geld het BPRC de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar jaar, heeft gebruikt voor het ontwikkelen van alternatieven voor de apenproeven die ze doen en welk percentage dit is van de totale begroting van het BPRC?
Onderstaand treft u de gegevens over 2020 t/m 2024. De financiële gegevens over 2025 zijn nog niet door een accountant gecontroleerd.
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 |
|---|---|---|---|---|
| 14,1% (€ 1,6 mln) |
17,7% (€ 1,9 mln) |
16,4% (€ 1,9 mln) |
18,5% (€ 2,2 mln) |
17,4% (€ 2,2 mln) |