Praktijkgerichter onderwijs: kansen voor waardering van talent
Brief regering
Nummer: 2026D32714, datum: 2026-06-25, bijgewerkt: 2026-06-30 16:40, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Ooit VVD kamerlid)
- Rapport ‘Praktijkgericht onderwijs; stand van zaken en kansen om verder te komen’
- Rapport ‘Waardering praktijkgericht onderwijs III’
- Rapport ‘Praktijkgericht onderwijs overzicht en vervolgstappen'
- Eindrapportage monitor pilot praktijkgerichte programma’s in de gemengde en theoretische leerweg
- Beslisnota bij Kamerbrief over praktijkgerichter onderwijs: kansen voor waardering van talent
Onderdeel van kamerstukdossier 31497 -514 Passend onderwijs.
Onderdeel van zaak 2026Z14626:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-07-02 10:35 ⇒ Agenderen voor een ongepland commissiedebat Vmbo en praktijkonderwijs. (Besluit)
- 2026-06-30 16:00 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-30 16:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-07-02 10:35: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geen datum: Vmbo en praktijkonderwijs (Commissiedebat), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
31 497 Passend onderwijs
Nr. 514 Brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 juni 2026
Onze samenleving en economie worden gevoed door een breed scala van
talenten met een diversiteit aan kennis en vaardigheden. Het onderwijs
is een belangrijke katalysator daarvoor. Het is van belang dat alle
scholieren goed kunnen lezen, schrijven en rekenen. Daarnaast verwachten
we dat ze hun talenten ontdekken. Daarmee wordt het funderend onderwijs
een talentkatalysator voor alle leerlingen en bouwen we aan het
fundament voor de grote maatschappelijke uitdagingen, zoals geschetst in
de Talentstrategie. Op meerdere manieren wordt praktijkgericht onderwijs
al gestimuleerd, denk aan het programma Sterk Techniekonderwijs, het
groeifondsprogramma Techkwadraat en de introductie van de
praktijkgerichte vakken in zowel de theoretische leerweg van het vmbo
als het havo. Hierdoor krijgt praktijkgericht onderwijs een prominentere
plek, breder binnen het gehele funderend onderwijs, en is deze niet
langer beperkt tot de beroepsgerichte kant van het vmbo en het
praktijkonderwijs. Dit biedt kansen om een versmalling tot theoretische
leerprestaties tegen te gaan en meer vaardigheden te ontwikkelen en te
waarderen (talentontwikkeling). Het biedt bovendien kansen om leerstof,
zoals taal en de andere basisvaardigheden, in een andere context te
oefenen en verdiepen.
Deze Kamerbrief is de eerste aanzet tot de richtinggevende visie op beroeps- en praktijkgericht onderwijs waar uw Kamer om vroeg.1 In deze Kamerbrief wordt, zoals toegezegd aan uw Kamer,2 ingegaan op (1) de stand van zaken rond praktijkgericht onderwijs, (2) wat dit kabinet al doet om praktijkgericht onderwijs te versterken en (3) welke vervolgstappen genomen worden. Daarnaast kom ik in deze brief ook terug op twee andere toezeggingen aan uw Kamer: de eindmonitor van de pilot praktijkgerichte programma’s in de gemengde en theoretische leerweg,3, en de rol van de experimenten in de verkenning naar een toekomstgericht vmbo.4
1. Praktijkgericht onderwijs: groot potentieel met te weinig impact
Het funderend onderwijs is een oefenplaats voor talent. Daar krijgen leerlingen bij uitstek de kans om te ontdekken wie ze willen zijn en welke vaardigheden ze hebben. Ook voor de uitdagingen in onze samenleving, zoals bijvoorbeeld de veranderende economie of arbeidsmarkt, is het cruciaal dat we een brede stimulans geven aan alle talent en leerprestaties. Hierin zijn basisvaardigheden cruciaal: leren lezen, schrijven en rekenen legt de basis voor al het verdere onderwijs. Maar daar stopt het niet, op die basis bouwen leerlingen verder aan kennis, vaardigheden en talenten die ze nodig hebben voor hun toekomst. Praktijkgericht onderwijs biedt daarbij kansen om basisvaardigheden aan te leren en te versterken in een andere context, kennis en vaardigheden te verwerven en toe te passen. Daardoor leren leerlingen zichzelf en hun omgeving beter kennen.
De onderwaardering van praktijkgerichte prestaties, opleidingen en diploma’s is de afgelopen jaren meermaals aan de orde geweest.5 Ook nu heeft uw Kamer tijdens een recent commissiedebat een lans gebroken voor meer waardering voor praktijkgericht onderwijs.6 Hoewel dit een maatschappelijk vraagstuk is dat het onderwijs ontstijgt, zien we deze onderwaardering voor praktijkgerichte prestaties weerspiegeld in het funderend onderwijs. Juist het onderwijs zelf kan hier verandering in aanbrengen door andere keuzes te maken in het lesaanbod, de lesactiviteiten, de manier waarop we leerprestaties meten en waarderen en de manier waarop we de leerroutes in de onderbouw inrichten. Praktijkgericht onderwijs kan een breder beeld geven van leerprestaties en daarmee de disbalans in het onderwijs verminderen.
1.1 Wat is praktijkgericht onderwijs?
Praktijkgericht onderwijs wordt gedefinieerd als één van de manieren waarop de bestaande leerdoelen, kerndoelen en eindtermen, kunnen worden gehaald en aangetoond. Een voorbeeld hiervan kan zijn dat de woorden voor Engels of Duits in een praktijksituatie, zoals een gesprek in een winkel, worden geoefend maar ook beoordeeld. Of een toets over grafieken bij wiskunde die wordt vervangen door een praktische opdracht, waarbij leerlingen bijvoorbeeld reactiesnelheid in beeld brengen, als afsluiting van het hoofdstuk. Dit stelt leerkrachten en leerlingen in staat om een breed beeld van talent en interesse te vormen (bijv. op het gebied van creativiteit, praktische vaardigheden of onderzoeksvaardigheden), maar ook om andere vaardigheden in te zetten om leerstof te verwerven. Praktijkgericht onderwijs kan daarmee een toegevoegde waarde hebben in álle schoolsoorten, van praktijkonderwijs en het vmbo tot en met het gymnasium. De definitie is:7
Praktijkgericht onderwijs is in het curriculum ingebed onderwijs, waarbij leerlingen activiteiten uitvoeren binnen een maatschappelijk- of professioneel gerichte context, die hen combinaties van -al eerder ontwikkelde en nieuwe- (praktijkgerichte) vaardigheden en kennis laat toepassen en verwerven waarmee zij een breed beeld van hun talenten en interesses krijgen.
Het gaat om onderwijsactiviteiten die ingebed zijn in het curriculum; activiteiten die bedoeld zijn om leerdoelen te halen. Bestaande voorbeelden hiervan zijn het (techniek)onderwijs in het beroepsgerichte vmbo, de praktijkgerichtere vakken in het vmbo, havo en vwo of het profielwerkstuk. Maar in feite kunnen in elk vak de basisvaardigheden, theorie uit avo-vakken en vaardigheden toegepast en verdiept worden in een maatschappelijke of professionele context. Praktijkgericht onderwijs is daarmee praktisch, want het is gericht op de praktijk én op het verwerven en toepassen van kennis en vaardigheden in een realistische context. Daarnaast helpt praktijkgericht onderwijs met het verkennen van de maatschappelijke en professionele context waarmee een breder beeld ontstaat van talent en interesse. Keuzes voor vervolgonderwijs kunnen daardoor beter gemaakt worden. Het beter inzetten van praktijkgericht onderwijs kan daarmee bijdragen aan talentontwikkeling van leerlingen en betere leerprestaties.
1.2 Praktijkgericht onderwijs wordt gewaardeerd maar telt nog te weinig mee
In een groot deel van het funderend onderwijs ligt de nadruk op een relatief smalle set van goed meetbare (cognitieve) leerprestaties die op een specifieke manier in beeld worden gebracht.8 Daarmee ontstaat het risico op versmalling tot deze specifieke prestaties, wat zorgt voor een disbalans in waardering. Deze disbalans werkt ook door in de inrichting van het stelsel, waarbij de leerroutes een oplopende complexiteit in theoretische vaardigheden kennen en praktijkgericht onderwijs wordt gekoppeld aan specifieke leerroutes in het vmbo en praktijkonderwijs. Dit heeft impact op de waardering van de leerroutes maar werkt ook door in het onderwijsprogramma en de manier waarop leerprestaties in beeld worden gebracht en meegeteld op bepalende momenten.
Om beter zicht te krijgen op de positie van praktijkgericht onderwijs heeft OCW in 2025 onderzoek laten uitvoeren bij scholen voor primair en voortgezet onderwijs.9 De resultaten laten zien dat veel scholen praktijkgerichte activiteiten inzetten en de meerwaarde zien, maar dat de verbinding aan leerdoelen of het systematisch beoordelen achterblijft bij andere (cognitieve) leerprestaties. Hoewel leerkrachten en leerlingen praktijkgerichte activiteiten waarderen vanwege de didactische en pedagogische meerwaarde is de inzet vaak incidenteel van karakter. Dit geldt uiteraard niet voor de beroepsgerichte en praktijkgerichte vakken in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs of goede voorbeelden zoals het profielwerkstuk of een taaldorp. Bij deze vakken is praktijkgericht onderwijs voorwaardelijk voor de eindtermen en de beoordeling van het vak.
Buiten deze vakken en voorbeelden blijft echter de verbinding van praktijkgerichte prestaties aan leerdoelen in het curriculum of het systematisch beoordelen van praktijkgerichte activiteiten achter bij theoretische prestaties die wel verbonden zijn aan leerdoelen. In dit kader heeft Citolab een prototype ontwikkeld dat het mogelijk maakt om groei in vaardigheden zichtbaar te maken.10 Het prototype laat zien dat het mogelijk is om groei op vaardigheden in beeld te brengen maar dat er nog veel doorontwikkeling nodig is voordat dit in een gewone klas kan plaatsvinden.
1.3 Een disbalans in het stelsel
De onderzoeken laten zien dat praktijkgericht onderwijs en praktijkgerichte vaardigheden structureel te weinig waardering krijgen. Het laat bovendien zien dat dit geen gebrek aan waardering is van betrokken leerkrachten of ouders, maar eerder een disbalans in het stelsel weergeeft. Factoren die zorgen voor minder status zijn de missende koppeling met leerdoelen in het curriculum, de benodigde voorbereidingstijd en expertise, de uitdagingen bij toetsing of beoordeling van leerprestaties – het laten zien van groei - op praktijkgerichte vaardigheden en het ontbreken van een systematische rol van praktijkgericht onderwijs bij de beoordeling van leerprestaties. Dit geldt vooral als er beslissingen worden genomen over het vervolgtraject van een leerling, zoals in de overgang po-vo of de overgang van de onderbouw naar de bovenbouw van het vo. Dat leidt ertoe dat praktijkgericht onderwijs in de ogen van leerkrachten, ouders en leerlingen ‘niet echt meetelt’. Zoals eerder genoemd zijn er uitzonderingen, zoals de praktijkgerichte vakken in vmbo gl/tl en havo, andere vakken waarin praktijkgericht werken een belangrijk onderdeel is of scholen die praktijkgericht werken in hun onderwijs verwerken. Het is belangrijk om die kennis en kunde in het vervolgtraject te betrekken en beschikbaar te maken voor scholen die praktijkgerichter willen werken.
2. Wat doen we al om praktijkgericht onderwijs te versterken?
Om meer verbinding te creëren tussen praktijkgericht en theoriegericht onderwijs werkt OCW in verschillende trajecten maatregelen uit om praktijkgericht onderwijs en technische vaardigheden te versterken. Daardoor ontstaat meer aanbod van praktijkgericht onderwijs, zoals met de praktijkgerichte vakken, in het gehele funderende onderwijs.
2.1 Vmbo: beroepsgerichte vakken en de praktijkgerichte
vakken
In de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg wordt
gewerkt aan de doorontwikkeling van de beroepsgerichte vakken. Daarvoor
zijn drie experimenten gestart (zie bijlage 1 voor verdere informatie en
de stand van zaken). Het doel van deze experimenten is om inzicht te
krijgen in de mate waarin een school een flexibele inrichting van het
beroepsgerichte vak in het vmbo aankan. Tevens is het belangrijk te
onderzoeken wat bij het aanbieden van een flexibel model door scholen en
leerlingen wordt gezien als minimale basiskennis en basisvaardigheden in
de beroepsgerichte context. Ten slotte vragen de experimenten de
deelnemende scholen om na te denken over het regionale aanbod en de
regionale samenwerking.
In de gemengde (gl) en theoretische leerweg (tl) is het praktijkgericht programma (gl) en het praktijkgerichte vak (tl) toegevoegd. Het doel van het praktijkgerichte vak is om met praktische en realistische opdrachten voor opdrachtgevers van buiten de school kennis, vaardigheden en ervaringen op te doen en daarmee ook een betere oriëntatie te krijgen op de wereld om leerlingen heen. Hiervoor heeft tussen 2020 en 2025 een pilot plaatsgevonden waarin het zogenaamde praktijkgerichte programma11 (pgp) binnen de gemengde en theoretische leerweg van het vmbo is ontwikkeld en uitgeprobeerd.12 13 De betrokken scholen geven aan dat het pgp-leerlingen een andere manier van leren biedt, waarin zij meer ruimte krijgen voor zelfstandig en praktijkgericht werken, een beter zelfbeeld ontwikkelen, zich beter voorbereiden op het vervolgonderwijs en meer leerplezier en motivatie krijgen.
Leerlingen kunnen in de praktijkgerichte vakken lees- en rekenvaardigheden oefenen waardoor de basisvaardigheden versterkt worden. Ook hebben zij verschillende generieke vaardigheden kunnen oefenen, zoals samenwerken, communiceren en zelfstandig werken. Leraren waarderen het dat zij zelf vorm kunnen geven aan het pgp (met eigen opdrachten en netwerken) omdat er veel ruimte is voor een eigen invulling door de school.14 Scholen geven aan hierdoor meer in te kunnen spelen op de behoefte van leerlingen. Al met al is deze ervaring met praktijkgericht onderwijs in de vorm van een praktijkgericht vak, dat inmiddels in het curriculum van de gl en tl een vaste plek als examenvak heeft gekregen, positief gebleken, en gaan steeds meer scholen verder met het aanbieden daarvan in hun onderwijs.15 Er lijkt institutionalisering van het vak binnen de schoolorganisatie gaande.
Om deze praktijkgerichte vakken in de gl/tl verder te versterken stelt OCW extra structurele aanvullende bekostiging beschikbaar voor praktijkgerichte vakken in de theoretische leerweg. In de Voorjaarsnota zijn deze middelen toegevoegd aan het begrotingsartikel 3 (voortgezet onderwijs) van de OCW-begroting. Dit betekent dat een school een aanvullende bekostiging krijgt voor elke leerling in de theoretische leerweg die een praktijkgericht vak kiest in het vrije deel. Nadat de Eerste en Tweede Kamer hebben ingestemd met de 1e suppletoire begroting van OCW zal OCW de benodigde aanpassingen per ministeriële regeling uitwerken om deze aanvullende bekostiging voor scholen vanaf schooljaar 2028-2029 te kunnen verstrekken.
2.2 Havo en vwo: praktijkgericht onderwijs in alle schoolsoorten van het vo
Voor het havo worden vanaf 2026-2027 ook praktijkgerichte vakken maatschappij en technologie (in een kleine en in een grote variant) toegevoegd, zodat leerlingen deze praktijkgerichte vakken als volwaardig examenvak kunnen afronden.16 Hiervoor komt vanaf 2027 tevens structurele aanvullende bekostiging per deelnemende leerling beschikbaar. Daarmee zijn er beroepsgerichte en praktijkgerichte vakken van de basisberoepsgerichte leerweg tot en met het havo mogelijk. Voor het vwo wordt nader onderzocht wat de rol van praktijkgericht onderwijs in deze leerroute kan zijn. Zowel voor het havo als vwo wordt daarbij ook onderzocht in hoeverre bestaande vakken een vergelijkbare praktijkcomponent hebben als de nieuwe praktijkgerichte vakken. Als de uitkomsten van het onderzoek positief zijn kijken we naar passende randvoorwaarden voor verschillende typen vakken.
2.3 Praktijkgericht techniekonderwijs in het funderend onderwijs
In drie andere trajecten wordt gewerkt aan het stimuleren van (praktijkgericht) techniekonderwijs in het funderend onderwijs. Zo wordt in het programma Sterk Techniekonderwijs (STO) hard gewerkt om het regionale techniekaanbod in het vmbo van kwalitatief hoog niveau te houden. Door de samenwerking tussen scholen en regionale mbo-instellingen en regionale bedrijven lukt het om meer vmbo-leerlingen in aanraking te laten komen met technische vaardigheden en technische vakinhoud. Tegelijk zien we dat hier nog groei mogelijk én nodig is. Het tweede programma waarin gewerkt wordt aan (technische) vaardigheden en het ontdekken van talent en interesse voor technologie is het Groeifondsprogramma Techkwadraat. Via dit programma krijgen leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs de kans om de wereld van technologie en bèta-techniek te ontdekken en te werken aan praktische en technische vaardigheden. Tot slot heeft OCW de Skills vakwedstrijden uitgebreid van vmbo naar het hele voortgezet onderwijs (inclusief praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs), ook hier krijgen leerlingen de kans om in aanraking te komen met praktijkgerichte vaardigheden en kennis.
3. Inzet om praktijkgericht onderwijs verder te versterken
Een bredere impact van praktijkgericht onderwijs
Zoals hierboven geschetst wordt er in een heel aantal trajecten hard gewerkt om praktijkgericht en technisch onderwijs te versterken. Om de verbinding tussen praktijkgericht, technisch en theoretisch onderwijs te versterken is een breder scala aan leerprestaties en vaardigheden noodzakelijk. De rol van praktijkgericht onderwijs bij het halen van leerdoelen, kerndoelen en eindtermen, in het gehele onderwijsprogramma heeft daartoe meer uitwerking en inbedding nodig. Dit betekent uiteraard niet dat basisvaardigheden of theoretische leerstof en verwerking minder aandacht krijgen. Integendeel, uit de onderzoeken komt naar voren dat door praktijkgerichter onderwijs een bewuste en meer systematische plaats te geven in het onderwijsprogramma, juist kansen ontstaan om ook de basisvaardigheden te verstevigen, verdiepen en aan te tonen in een andere context. Op die manier ontstaat bovendien ruimte voor waardering van andere kennis, vaardigheden en houdingen en daarmee bredere talentontwikkeling.
Vervolgstap: samen werken aan praktijkgericht(er) onderwijs
Het ministerie van OCW gaat samen met het onderwijsveld kijken wat er nodig is om praktijkgericht onderwijs tot een succes te maken en te borgen in de dagelijkse praktijk van scholen. Centraal daarbij staan: de meerwaarde die ontstaat voor het halen van de leerdoelen, kerndoelen en eindtermen; de kansen en beperkingen, de organisatorische uitdagingen, de benodigde kennis en de randvoorwaarden. Hiervoor gaan we in gesprek met het onderwijsveld, belangenbehartigers, bedrijven die ervaring hebben met praktijkgerichte vakken, wetenschappers en professionals met relevante kennis. Hierbij worden ook scholen of organisaties betrokken die al veel ervaring hebben met praktijkgericht werken en op dit gebied expertise en ervaring kunnen delen. In dit kader zet OCW ook het (eerder aangekondigde) leertraject voort met twaalf vo-scholen, om de impact van praktijkgerichter werken in de onderbouw van het vo te onderzoeken. 17
Daarnaast gaat OCW verder met het onderzoeken van de effectiviteit van het behalen van kerndoelen, eindtermen en lesdoelen en het verdiepen van eerder aangeleerde kennis en vaardigheden door praktijkgerichter te werken. Tevens gaan we verder met het onderzoeken van mogelijkheden om groei op praktijkgerichte vaardigheden systematischer in beeld te brengen en welke vaardigheden en praktijkgerichte kennis doorstroomrelevant zijn voor het mbo, hbo en wo. Tot slot wordt ook gekeken naar de invloed van huidige wet- en regelgeving en beleid op de mogelijkheden voor scholen om meer praktijkgericht onderwijs te bieden en de impact die een versterkte rol van praktijkgericht onderwijs heeft op het stelsel. Er is immers ook geconstateerd dat de disbalans in waardering effect heeft op het stelsel. Een gelijke waardering van alle prestaties vergt een heroverweging van de huidige manier waarop leerlingen gegroepeerd worden in het voortgezet onderwijs. Tevens roept het de vraag op welke leerprestaties mogen leiden tot welke vervolgmogelijkheden en wat daarin de rol van de leerroutes in het vmbo is. Voordat deze vragen gaan spelen zullen eerst de hierboven beschreven stappen uitgewerkt moeten zijn. De antwoorden op die vragen zijn immers van belang om de jonge generaties van nu voor te bereiden op de economie en samenleving van de toekomst.
Tot slot
Het ten volle ontwikkelen van talent en alle leerprestaties is belangrijk voor scholieren zelf, maar ook voor onze samenleving en economie. Ook met het oog op de uitdagingen rondom de veranderende economie en de opdracht van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat en de Talentstrategie, waarover uw Kamer binnenkort nader geïnformeerd wordt.
Praktijkgerichter onderwijs speelt een essentiële rol bij het voorbereiden van onze jongeren op deze veranderende economie. De impact van praktijkgerichter werken op de onderwijspraktijk wordt steeds duidelijker, net als de randvoorwaarden, kennis, materialen en voorbeelden die nodig zijn om scholen te ondersteunen. Ik wil dat elke leerling onderwijs krijgt dat in staat is om hoofd (kennis en vaardigheden) en handen (toepassen) in een goede balans te combineren tot een hoogwaardig onderwijsprogramma, waarmee zij hun brede talenten en passie kunnen ontdekken (hart). Hiermee ontstaat onderwijs dat leerlingen kennis en vaardigheden leert die zij na hun schooltijd in het vervolgonderwijs en in de maatschappij kunnen gebruiken, met een brede waardering voor alle talenten.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen
Bijlage 1: Experimenten in de beroepsgerichte vakken in basis- en kaderberoepsgerichte leerweg
OCW werkt aan het toekomstbestendig maken van het vmbo. Dit gebeurt aan hand van drie pijlers: een sterk curriculum, een flexibele organisatie en een regionale dekking en samenwerking. Deze pijlers worden niet los van elkaar ontwikkeld, maar zijn verstrengeld en afhankelijk van elkaar. OCW kiest in de verkenning naar een toekomstbestendig vmbo bewust voor een iteratief proces, waarbij zij samen met scholen onderzoekt wat de basis is voor elke leerling, op welke wijze de leerling gebruikmaakt van de flexibiliteit zodat deze in verschillende contexten zijn eigen talenten kan ontdekken en ontwikkelen én op welke wijze scholen kunnen samenwerken met elkaar, het bedrijfsleven en vervolgonderwijs, om dit aanbod zo passend mogelijk te maken. De zoektocht naar de juiste basis raakt aan de vraag die gesteld wordt bij de hierboven genoemde tweede vervolgstap: welke kennis en vaardigheden moeten worden aangeleerd in het funderend onderwijs om te slagen in het vervolgonderwijs? Ook raakt de verkenning het traject van praktijkgericht onderwijs op het gebied van regionale samenwerking: bedrijven, instellingen en vervolgonderwijs kunnen de maatschappelijk of professioneel gerichte context vormen waarin leerlingen praktijkgerichte kennis en vaardigheden verwerven en toepassen.
Naast de gesprekken en samenwerking met de keten van SLO, CvTE en Cito, werkt OCW ook actief samen met scholen middels experimenten. Het gaat daarbij om de volgende experimenten :
Drie experimenten met combinatieprofielen: PIE/BWI(eventueel aangevuld met M&T); Z&W/HBR en Z&W/E&O;
Een experiment over de inhoudelijke vernieuwing van het profiel M&T;
Een experiment over het praktijkgerichte vak MVI in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg.
Mede aangewakkerd door de opgebouwde samenwerking tussen de technische profielen binnen Sterk Techniekonderwijs, is in 2023 aan een beperkte groep scholen de mogelijkheid geboden af te wijken van de reguliere profielenstructuur. Dit geldt voor de technische profielencombinaties PIE/BWI (met een enkele uitbreiding naar het profiel M&T). Leerlingen mogen afwijken van de reguliere voorgeschreven combinatie van een beroepsgericht profiel bestaande uit vier profielmodules en vier beroepsgerichte keuzevakken. De leerlingen kiezen in het experiment twee profielmodules en zes keuzevakken. Hierdoor is er voor de leerling en de school meer gelegenheid zich flexibeler en breder te oriënteren of juist te specialiseren richting een passende vervolgopleiding. Een tussenrapportage van de monitor die is uitgezet om het experiment PIE/BWI te volgen is in november aan uw Kamer aangeboden. Dit experiment wordt vanaf het schooljaar 2026-2027 uitgebreid met de een aantal dienstverlenende profielen, te weten de combinaties Z&W/HBR en Z&W/E&O. Ook deze uitbreiding wordt gemonitord door onderzoekers. In totaal experimenteren zo’n vijftig scholen een flexibel beroepsgericht profiel.
Voor het profiel Mobiliteit en Transport is een kleine groep scholen de gelegenheid gegeven om binnen een flexibele structuur met inhoudelijke vernieuwing aan de slag te gaan. Deze vernieuwing is mede aangewakkerd door de noodzakelijke veranderingen in de sector, met name op het gebied van elektrificatie.
Tot slot heeft het platform voor het profiel Media, ICT en Vormgeving aangegeven graag een praktijkgericht vak voor de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg te willen ontwikkelen. Voorlopig zal dit experiment zich beperken tot één school.
Motie Kamerstuk 30 079, nr. 136 lid Stoffer tweeminutendebat praktijkonderwijs en vmbo van 10 juni 2026.↩︎
TZ202604-164, toezegging gedaan bij het commissiedebat pro/mbo van 22 april 2026.↩︎
TZ202406-063, toezegging gedaan bij het commissiedebat vmbo van 27 juni 2024.↩︎
TZ202604-164, toezegging gedaan bij het commissiedebat pro/vmbo van 22 april 2026.↩︎
Kamerstukken II, vergaderjaar 2023-2024, 31 293, nr. 697 en Kamerstukken II, vergaderjaar 2023-2024, 30 079, nr. 122.↩︎
Commissiedebat praktijkonderwijs en vmbo, 22 april 2026; motie Kamerstuk 30 079, nr. 130 lid Ergin (DENK) tweeminutendebat praktijkonderwijs en vmbo van 10 juni 2026 over meer waardering van praktijkexamens.↩︎
Zie voor een uitgebreide toelichting: Praktijkgericht onderwijs: overzicht en vervolgstappen. Adviesbureau Toetsinnovatie, 2026.↩︎
Zie bijvoorbeeld Onderwijsraad (2016). De volle breedte van onderwijskwaliteit. Den Haag: Onderwijsraad; Onderwijsraad (2018). Toets wijzer. Den Haag: Onderwijsraad.↩︎
Rapport ‘Praktijkgericht onderwijs; stand van zaken en kansen om verder te komen. Oberon (2025)↩︎
Rapport ‘Waardering praktijkgericht onderwijs III’. Oberon (2025).↩︎
Sinds enkele jaren wordt het praktijkgericht programma (pgp) ook wel praktijkgericht vak (pgv) genoemd. In de pilot was de vakbenaming praktijkgericht programma gangbaar.↩︎
Zie meer over de pilot in de nota van toelichting van Stb. 2024, 137.↩︎
Dit eindrapport en de voorgaande tussenrapportages zijn ook te vinden op https://www.nko.nl/onderzoeksprojecten/monitor-en-evaluatie-pilots-nieuwe-leerweg-vmbo-2021-2025.↩︎
Hoewel het in het begin van de pilot nog zoeken was naar de ruimte (ten opzichte van het examenprogramma); die ruimte is op de meeste scholen in 2025 gevonden.↩︎
Stb. 2024, nr. 137.↩︎
Stb. 2026, nr. 71.↩︎
Kamerbrief II, vergaderjaar 2023-2024, 30 079, nr. 122.↩︎