[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag

Voorstel van wet van het lid Michon-Derkzen tot Wijziging van de Gemeentewet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de toevoeging van een bevoegdheid voor burgemeesters en gezaghebbers ter bevordering van de handhaving van de openbare orde met betrekking tot online oproepen (Wet online aangejaagde openbare-ordeverstoring)

Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)

Nummer: 2026D35199, datum: 2026-07-03, bijgewerkt: 2026-07-03 11:34, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36789 -8 Voorstel van wet van het lid Michon-Derkzen tot Wijziging van de Gemeentewet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de toevoeging van een bevoegdheid voor burgemeesters en gezaghebbers ter bevordering van de handhaving van de openbare orde met betrekking tot online oproepen (Wet online aangejaagde openbare-ordeverstoring).

Onderdeel van zaak 2025Z14707:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36789 Voorstel van wet van het lid Michon-Derkzen tot Wijziging van de Gemeentewet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de toevoeging van een bevoegdheid voor burgemeesters en gezaghebbers ter bevordering van de handhaving van de openbare orde met betrekking tot online oproepen (Wet online aangejaagde openbare-ordeverstoring)



Nr. 8 Verslag
Vastgesteld 3 juli 2026

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

INHOUDSOPGAVE

I. Algemeen


1. Inleiding

2. Aanleiding en achtergrond

3. Hoofdlijnen van het voorstel

3.1 Probleembeschrijving

3.2 Probleemaanpak

4. Voorgestelde maatregelen

5. Uitvoerings- en handhavingsaspecten

6. Verhouding tot bestaande wet- en regelgeving

6.2 Verhouding met de Grondwet

7. Verhouding tot Europees en internationaal recht

7.1 Het EVRM

7.2 De DSA

8. Advies en consultatie


II. Artikelsgewijze toelichting

III. Overig

I. Algemeen

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van wet van het lid Michon-Derkzen tot wijziging van de Gemeentewet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de toevoeging van een bevoegdheid voor burgemeesters en gezaghebbers ter bevordering van de handhaving van de openbare orde met betrekking tot online oproepen (hierna: het wetsvoorstel). Deze leden onderschrijven dat het handhaven van de openbare orde, met de opkomst van sociale media, ook een digitaal component heeft gekregen en hebben dan ook begrip voor de motivatie van de initiatiefnemer voor aanvullende wettelijke instrumenten. Wel hebben zij nog enkele zorgen met betrekking tot de noodzaak van de voorgestelde bevoegdheid in aanvulling op het bestaande instrumentarium, de reikwijdte van de gehanteerde begrippen en de verhouding tot de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht. Voornoemde leden hebben in dat opzicht nog enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen het wetsvoorstel. Deze leden merken op dat burgemeesters een centrale verantwoordelijkheid dragen voor de handhaving van de openbare orde. Van hen wordt verwacht dat zij tijdig handelen wanneer de veiligheid van inwoners onder druk komt te staan. Daarbij past ook dat zij beschikken over bevoegdheden die aansluiten bij de hedendaagse digitale werkelijkheid. Deze leden stellen nog enkele verduidelijkende vragen.

De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Ook zij zijn van mening dat voorkomen moet worden dat online-uitingen openbare ordeverstoringen tot gevolg hebben. Tevens zijn deze leden bekend met het feit dat bij tal van burgemeesters de behoefte leeft om te kunnen beschikken over het door de initiatiefnemer voorgestelde instrument. Het feit echter dat er een behoefte aan is, wil nog niet zeggen dat het voorgestelde instrument nodig, effectief of proportioneel is. In dat verband kennen deze leden het rapport van de landsadvocaat over dit onderwerp, het kritische advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en andere reacties over dit wetsvoorstel. Met name de vraag of en in welke mate met dit wetsvoorstel grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting of het demonstratierecht aangetast zouden kunnen worden is voor deze leden van belang.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden danken de initiatiefnemer en medewerkers voor het ontwerp van dit wetsvoorstel. Zij merken dat er bij burgemeesters de behoefte bestaat om ook online de openbare orde te handhaven. Onderhavig wetsvoorstel kan hier behulpzaam bij zijn. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen aan de initiatiefnemer over onderhavig initiatiefwetsvoorstel.

De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden danken de initiatiefnemer voor het werk dat zij verzet heeft. Zij herkennen dat openbare-ordeverstoringen steeds vaker online worden aangejaagd en dat burgemeesters soms te weinig mogelijkheden hebben om tijdig in te grijpen. Tegelijkertijd raakt dit voorstel aan fundamentele rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht. De Afdeling wijst daar ook op. Deze leden vragen de initiatiefnemer daarom hoe wordt voorkomen dat dit verwijderbevel te ruim wordt toegepast en in de praktijk leidt tot terughoudendheid bij burgers om zich online uit te spreken.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en willen de initiatiefnemer daarvoor danken. Deze leden onderschrijven de wens om online aangejaagde openbare-ordeverstoringen adequater aan te pakken.

De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Naar aanleiding hiervan hebben zij nog een aantal vragen.


1. Inleiding

De leden van de Groep Markuszower lezen dat de initiatiefnemer met dit wetsvoorstel uitvoering wil geven aan de wens die ten grondslag lag aan een eerder door haar ingediende motie. Deze leden hebben echter de indruk dat de motie vooral zag op het versnellen van de aanpak van online aangejaagde openbare-ordeverstoringen en het handelingskader voor de online gegevensverwerking door de politie. Een nieuwe bestuursrechtelijke bevoegdheid voor burgemeesters om online uitingen te laten verwijderen, wordt daarin niet genoemd. Kan de initiatiefnemer toelichten waarom zij van oordeel is dat dit wetsvoorstel uitvoering geeft aan die motie? Op welk onderdeel van de motie baseert de initiatiefnemer die conclusie?

2. Aanleiding en achtergrond

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat een oproep tot deelname aan een door de burgemeester verboden of beperkte demonstratie, dan wel een oproep in strijd met de daaraan gestelde beperkingen, onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een uiting waardoor ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde kan ontstaan, en dat in dat geval de aard, intensiteit, frequentie en omstandigheden van de uiting bepalend zijn voor de vraag of de burgemeester de voorgestelde bevoegdheid kan inzetten. Deze leden vragen hoe dit zich verhoudt tot het stelsel van de Wet openbare manifestaties dat een exclusief kader biedt voor de beperking van een betoging of manifestatie. Indien een verboden demonstratie tot wanordelijkheden leidt, dient de burgemeester immers over te gaan tot beëindiging op grond van artikel 8. Voornoemde leden vragen de initiatiefnemer of het voorgestelde artikel 173 Gemeentewet deze huidige werkwijze beoogt uit te breiden, dan wel aan te passen. Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het karakter van de Wet openbare manifestaties?

De leden van de PRO-fractie lezen dat een oproep tot demonstratie als zodanig geen uiting is die kan worden gekwalificeerd als een uiting waardoor de ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een ernstige openbare-ordeverstoring. De initiatiefnemer vermeldt dat het oproepen tot deelname aan “een verboden demonstratie of in strijd met de daaraan gestelde beperkingen onder omstandigheden wel wordt gezien als een uiting waardoor de ernstige vrees kan ontstaan dat de openbare orde ernstig wordt verstoord”. Daarbij noemt zij de burgemeester die de voorgestelde wettelijke bevoegdheid moet kunnen inzetten als de “aard van de uiting, de intensiteit, frequentie en omstandigheden waaronder de uiting is geplaatst” daartoe aanleiding geven. Waarom kan de Wet openbare manifestaties niet gebruikt worden om te voorkomen dat verboden demonstraties gaan leiden tot openbare ordeverstoringen? Voldoen de in die wet genoemde strafbaarstellingen naar de mening van de initiatiefnemer niet? Zo ja, waarom niet? Heeft de initiatiefnemer aanwijzingen dat het oproepen tot deelnemen aan een verboden demonstratie niet effectief via het strafrecht kan worden aangepakt, bijvoorbeeld als opruiing? Zo ja, wat zijn die aanwijzingen?

Aangezien het bij het voorgestelde bestuurlijke instrument in potentie gaat over het beperken van grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting of het demonstratierecht vragen de leden van de PRO-fractie de initiatiefnemer om zo duidelijk als mogelijk aan te geven wanneer een burgemeester wel en wanneer niet het bevel kan geven om een online bericht te laten verwijderen. De initiatiefnemer is het met het Nederlands Genootschap van Burgemeesters eens dat om het wetsvoorstel in te voeren er landelijke instructies en beoordelingskaders, structurele ondersteuning voor gemeenten en juridische basis voor gegevensuitwisseling moeten zijn. Tevens onderschrijft de initiatiefnemer de stelling van Amnesty International en Bits of Freedom dat een duidelijke handleiding en gerichte ondersteuning voor burgemeesters in de praktijk noodzakelijk zijn voor de invulling van hun ambt. Deelt de initiatiefnemer dan ook de mening dat vanwege het vereiste van voorzienbaarheid de criteria op basis waarvan een uiting beoordeeld zal worden helder moeten zijn? Ook om te voorkomen dat vanwege niet eenduidige criteria de ene burgemeester de bevoegdheid op een andere manier zal gaan gebruiken dan de andere burgemeester? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt de initiatiefnemer dan ook de mening dat voordat de wet in werking kan treden, er duidelijke handvatten voor de burgemeesters vastgelegd moeten zijn die richting geven over wanneer de bevoegdheid om online uitingen te verwijderen kan worden ingezet, daarbij rekening houdende met de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht? Zo ja, wat betekent dat voor de datum van inwerkingtreding? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PRO-fractie vragen de initiatiefnemer om aan te geven in welke mate openbare ordeverstoringen daadwerkelijk aangejaagd worden uit online berichten. In hoeveel van die gevallen werd het ontbreken van de mogelijkheid dat de burgemeester een verwijderbevel had kunnen geven als een gemis ervaren? Kan de initiatiefnemer dat in ieder geval aangeven bij de in de memorie van toelichting genoemde voorbeelden van openbare ordeverstoringen uit het verleden?

De leden van de PRO-fractie zouden de initiatiefnemer willen wijzen op het onderzoek ‘Draagvlakonderzoek voorziening voor burgemeesters’ uit 2023 waaruit bleek dat de meeste onderzochte online uitingen geen acuut gevaar opleveren voor de fysieke openbare orde. Bovendien zagen gemeenten het door de burgemeester laten verwijderen van strafbare en onrechtmatige uitingen van het internet niet als een passende maatregel voor het voorkomen van openbare-ordeproblemen in de fysieke ruimte. Daarbij werd er onder andere ook op gewezen dat het op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting staat. Uit hetzelfde onderzoek bleek dat burgemeesters de bestaande juridische instrumenten om online berichten te laten verwijderen weliswaar kennen maar nauwelijks toepassen. In hoeverre is daar naar de mening van de initiatiefnemer nog verbetering mogelijk en wat zegt dat over de nut en noodzaak van het voorliggende voorstel? Welke ervaringen hebben gemeenten met het gebruiken van het door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid ontwikkelde barrièremodel? Zijn er aanwijzingen dat dit model tekortschiet om online aangejaagde openbare ordeverstoringen te voorkomen? Zo ja, wat zijn die aanwijzingen dan?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) in 2025 heeft geoordeeld dat de online openbare plaats niet valt binnen de bevoegdheden van de burgemeester. Deze leden vragen de initiatiefnemer om te reflecteren op deze uitspraak in het kader van het voorgestelde verwijderbevel. Valt dit volgens de initiatiefnemer wel onder de bevoegdheden van de burgemeester, als de bevoegdheid niet wordt ingesteld op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) maar op grond van de Gemeentewet?

De leden van de SGP-fractie lezen dat het wetsvoorstel burgemeesters de bevoegdheid geeft om online berichten te laten verwijderen wanneer deze leiden tot of een ernstige vrees opleveren voor een ernstige verstoring van de openbare orde. Deze leden erkennen dat online oproepen kunnen bijdragen aan ernstige openbare-ordeverstoringen. Zij vragen de initiatiefnemer waarom de bestaande strafrechtelijke, bestuursrechtelijke en civielrechtelijke bevoegdheden hiervoor onvoldoende zijn. Kan de initiatiefnemer concreet aangeven in welke gevallen deze instrumenten tekortschieten en waarom uitsluitend een nieuw verwijderbevel daarvoor een oplossing biedt?

De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemer in hoeverre het risico onderkend wordt dat een verwijderbevel in de praktijk kan leiden tot censuur op onwelgevallige meningen. Waarom acht de initiatiefnemer de voorgestelde waarborgen voldoende om te voorkomen dat overheden zich gaan mengen in het publieke debat door inhoudelijk te bepalen welke uitingen online mogen blijven staan?

De leden van de Groep Markuszower lezen dat de initiatiefnemer onder meer verwijst naar Project X in Haren en de avondklokrellen als voorbeelden waaruit de noodzaak van dit wetsvoorstel zou blijken. Deze leden vinden die voorbeelden juist vragen oproepen. Zowel bij Project X als bij de avondklokrellen begon het met online uitingen die op zichzelf niet onrechtmatig waren. Kan de initiatiefnemer daarom per voorbeeld precies aangeven op welk moment de voorgestelde bevoegdheid had kunnen worden ingezet? Welk concreet bericht had volgens de initiatiefnemer verwijderd moeten worden en waarom viel dat bericht volgens haar onder de reikwijdte van dit wetsvoorstel?

De leden van de Groep Markuszower constateren dat een oproep om ergens naartoe te komen of deel te nemen aan een bijeenkomst niet automatisch hetzelfde is als een oproep om de openbare orde te verstoren. Deze leden vragen de initiatiefnemer daarom waar die grens volgens haar precies ligt. Wanneer verandert een op zichzelf legale oproep in een bericht waarvoor een burgemeester een verwijderbevel zou mogen opleggen? Hoe voorkomt de initiatiefnemer dat burgemeesters uit voorzorg steeds eerder zullen ingrijpen, juist omdat achteraf moeilijk is vast te stellen wanneer die omslag precies plaatsvond?

De leden van de Groep Markuszower vragen of de door de initiatiefnemer aangehaalde voorbeelden niet juist laten zien dat dit wetsvoorstel in de praktijk weinig effect zal hebben. Bij zowel Project X als de avondklokrellen verspreidden berichten zich in korte tijd via talloze accounts en verschillende platforms. Tegen de tijd dat één bericht wordt verwijderd, zijn er vaak al tientallen kopieën verschenen, die ook buiten de betreffende gemeente zouden kunnen vallen. Waarop baseert de initiatiefnemer de verwachting dat het verwijderen van één of enkele berichten dergelijke grootschalige ordeverstoringen daadwerkelijk had kunnen voorkomen? Kan de initiatiefnemer concreet onderbouwen waarom dit meer is dan een maatregel die op papier daadkrachtig oogt, maar in de praktijk weinig verschil maakt?

3. Hoofdlijnen van het voorstel

3.1 Probleembeschrijving

De leden van de PRO-fractie lezen dat in 2023 de minister van Justitie en Veiligheid mede naar aanleiding van een analyse van de landsadvocaat over de wettelijke mogelijkheden om online aangejaagde ordeverstoringen tegen te gaan besloot om geen initiatief te nemen tot aanvullende wetgeving. Kan de initiatiefnemer nader ingaan op de overwegen van de minister en waarom de initiatiefnemer tot een andere afweging is gekomen? Kan de initiatiefnemer tevens enig inzicht bieden op welke manier in andere landen omgegaan wordt met het tegengaan van online aangejaagde openbare-ordeverstoring? Zijn er voorbeelden van landen bekend waar bestuurlijke maatregelen vergelijkbaar met wat in het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld bestaan? Welke landen zijn dat en wat is de aard van die bestuurlijke maatregelen? Is daarover jurisprudentie bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bekend?

3.2 Probleemaanpak

De leden van de D66-fractie lezen dat de initiatiefnemer de artikelen 172, derde lid (licht bevel), artikel 175 (noodbevel) en artikel 176 noodverordening) van de Gemeentewet als bevoegdheden noemt waarmee burgemeesters maatregelen kunnen treffen ter bescherming van de openbare orde. De initiatiefnemer veronderstelt daarbij dat deze bevoegdheden enkel zien op het in de fysieke wereld optreden door de burgemeester. Deze leden missen echter een onderbouwing van de aanname dat deze bevoegdheden op dit moment tekortschieten bij het voorkomen van verstoringen van de openbare orde. Onder de huidige wet- en regelgeving worden immers veel wanordelijkheden voorkomen door de inzet van een van bovengenoemde bevoegdheden, ook in gevalleen waarin een online oproep is gedaan. Deze leden vragen de initiatiefnemer dan ook voor alle drie de bevoegdheden uiteen te zetten op welke punten deze op dit moment tekortschieten en waarom aanvullende wetgeving noodzakelijk is.

De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemer waarom er in het voorstel is gekozen voor een bestuursrechtelijk- in plaats van strafrechtelijk instrumentarium om online aangejaagde openbare ordeverstoringen tegen te gaan.

De leden van de PRO-fractie lezen dat de initiatiefnemer erop wijst dat er naast de bestuursrechtelijke bevoegdheid om tegen een online uiting die oproept of aanspoort om strafbare feiten te plegen ook een strafrechtelijk onderzoek gestart zou kunnen worden. De initiatiefnemer stelt dat het aan de driehoek is om te bepalen wat de meest geëigende aanpak is. Betekent dit dat alvorens de burgemeester de genoemde bestuursrechtelijke bevoegdheid gaat gebruiken er eerst in de driehoek moet worden besproken wat de meest geëigende aanpak is? Zo ja, wat betekent dat voor de snelheid waarmee de bestuursrechtelijke bevoegdheid kan worden gebruikt? Zo nee, wat wordt er dan wel bedoeld? Wat is naar de mening van de initiatiefnemer het voordeel van het bestuursrechtelijke boven het strafrechtelijke traject als het om de snelheid van het verwijderen van berichten gaat? Deze leden vragen hoe de snelheid van het voorgestelde bestuurlijke verwijderbevel zich verhoudt tot het ontoegankelijk laten maken via het strafrechtelijk traject? Ziet de initiatiefnemer mogelijkheden om het traject via het strafrecht sneller te maken en zo ja, heeft zij dat overwogen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de CDA-fractie vragen of er sprake kan zijn van samenloop in de handhaving van de online openbare orde op bestuursrechtelijk en strafrechtelijk niveau. Wat zijn de kaders aan de hand waarvan wordt bepaald welke weg wordt gekozen?

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre anonieme accounts op sociale media een belemmering kunnen zijn voor het handhaven van de verwijderbevoegdheid. Deelt de initiatiefnemer de mening dat het gebruik van anonieme accounts zoveel mogelijk beperkt moet worden? Zo ja, hoe ziet de initiatiefnemer dat voor zich?

De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemer nader kan ingaan op de rol van de politie bij het signaleren en adviseren over het verwijderen van online uitingen die de openbare orde verstoren.

4. Voorgestelde maatregelen

De leden van de D66-fractie lezen dat de initiatiefnemer met het wetsvoorstel beoogt een verwijderbevel van de burgemeester te introduceren, gericht tot degene die door zijn of haar online uiting de openbare orde ernstig dreigt te verstoren. Deze leden zijn, mede gelet op het advies van de Afdeling advisering, van mening dat een bevel tot verwijdering van een (online) uiting een scherp middel is dat ingrijpt in de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht. Bij een dergelijke inbreuk dient steeds te worden gekozen voor het minst ingrijpende middel dat het beoogde doel bereikt. Deze leden vragen de initiatiefnemer of minder verstrekkende alternatieven zijn overwogen, en zo ja, waarom uiteindelijk is gekozen voor de huidige vormgeving van het verwijderbevel. Voorts vragen zij welke mogelijkheden de initiatiefnemer ziet voor alternatieve bevelen, bijvoorbeeld een bevel tot wijziging of gedeeltelijke intrekking van een uiting, waarmee minder ingrijpend kan worden opgetreden tegen de vrijheid van meningsuiting.

De leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer naar aanleiding van het advies van de Afdeling het initiatiefwetsvoorstel en de toelichting heeft aangepast, door niet meer te spreken van ‘verstoring van de openbare orde’ maar van een ‘ernstige verstoring van de openbare orde dan wel een vrees daarvoor’. Hiermee worden de situaties waarin de burgemeester een verwijderbevel kan opleggen nauwer afgebakend. Daarmee komt de initiatiefnemer gedeeltelijk tegemoet aan het advies van de Afdeling, die had voorgesteld om het criterium ‘wanordelijkheden’ te hanteren. In de reactie van de initiatiefnemer op de Afdeling lezen deze leden dat de initiatiefnemer dit voorgestelde criterium echter te nauw acht. Voor de weging van het onderhavige wetsvoorstel – en in het bijzonder de voorzienbaarheid van de ondergrens van gevallen waarin volgens de initiatiefnemer een verwijderbevel kan worden opgelegd – vragen de aan het woord zijnde leden nader in te gaan op het verschil tussen de verschillende formuleringen. Kan de initiatiefnemer situaties schetsen waarin onder het voorgestelde criterium van de initiatiefnemer wel een verwijderbevel kan worden opgelegd, terwijl dit onder het voorgestelde criterium van de Afdeling niet mogelijk zou zijn? Kan de initiatiefnemer voorts een categorisering of afwegingskader schetsen aan de hand waarvan onderscheid kan worden gemaakt tussen gevallen die wel en niet onder het criterium vallen, en daarbij ingaan op de systematiek die hieraan ten grondslag ligt?

De leden van de D66-fractie lezen dat het bevel ook mondeling kan worden gegeven en dat voor de effectiviteit van het bevel alsmede voor de strafbaarheid op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vereist is dat de betrokkene het bevel kent en opzettelijk, willens en wetens, daaraan geen gehoor geeft. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe in de praktijk wordt vastgesteld dat een mondeling gegeven bevel daadwerkelijk bekend is bij de persoon tot wie het is gericht, met name in situaties waarin geen schriftelijke vastlegging plaatsvindt. Welke implicaties heeft dit voor de rechtsbescherming en de controleerbaarheid van de rechtmatigheid van het gegeven bevel? Hoe wordt vastgesteld dat sprake is van opzettelijke niet-naleving, en niet bijvoorbeeld van onbekendheid met het bevel of een misverstand daarover? Welke bewijsproblemen voorziet de initiatiefnemer hierbij, mede met het oog op de strafrechtelijke handhaving op grond van artikel 184 Sr?

De leden van de D66-fractie constateren dat met artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) reeds een bevoegdheid bestaat op grond waarvan de officier van justitie, met tussenkomst van de rechter-commissaris, een communicatiedienst kan bevelen bepaalde informatie tijdelijk ontoegankelijk te maken in geval van een misdrijf. Deze leden vragen de initiatiefnemer waarom bij het onderhavige wetsvoorstel is gekozen om de voorgestelde bevoegdheid bij de burgemeester te beleggen, en niet bij het Openbaar Ministerie, dat via artikel 125p Sv reeds over een vergelijkbaar instrument beschikt. Welke meerwaarde ziet de initiatiefnemer in een afzonderlijke bevoegdheid voor de burgemeester ten opzichte van (een eventuele uitbreiding van) de bestaande bevoegdheid van de officier van justitie, bijvoorbeeld in de vorm van een bevel te geven op verzoek van de politie wanneer er sprake is van een ernstige vrees van het verstoren van de openbare orde?

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat een burgemeester alleen een verwijderbevel kan opleggen wanneer de openbare-ordeverstoring zich binnen de eigen gemeentegrenzen dreigt voor te doen. Dit terwijl uitingen op het wereldwijde web per definitie (gemeente)grensoverschrijdend zijn. Het zal daarom niet altijd duidelijk zijn in welke gemeente de gevreesde openbare-ordeverstoring mogelijk plaats zal vinden. Hierdoor kan het ofwel niet duidelijk zijn welke burgemeester bevoegd is, ofwel zijn juist meerdere burgemeesters bevoegd, zo constateert ook de Afdeling. In de reactie op het advies van de Afdeling hieromtrent merkt de initiatiefnemer op dat geen enkele burgemeester bevoegd is wanneer het gaat om een uiting die ‘in de regel een bericht [is] dat te onbepaald is’. Kan de initiatiefnemer nader concretiseren aan welke criteria moet zijn voldaan waardoor een bericht bepaald genoeg is, zodat een burgemeester gebruik kan maken van de voorgestelde bevoegdheid. De aan het woord zijnde leden vragen hoe er gehandeld dient te worden indien er onenigheid bestaat tussen burgemeesters over de bevoegdheidsverdeling. Hoe dient een dergelijk conflict in de praktijk te worden beslecht?

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de initiatiefnemer ervoor heeft gekozen om de bevoegdheid tot het verwijderbevel te beperken tot berichten die op het openbare internet worden geplaatst. Volgens de initiatiefnemer zou het verbreden van het toepassingsbereik van het initiatiefwetsvoorstel tot het niet-openbare internet wellicht de effectiviteit van het verwijderbevel ten goede komen, maar zou dit ook leiden tot een meer indringende inmenging in grondrechten, zo lezen deze leden in de reactie op het advies van de Afdeling. Zij vragen of daarmee niet het risico ontstaat dat online uitingen die (mogelijk) aanjagen tot openbare-ordeverstoringen die voorheen op het openbare internet werden geplaatst, en daarmee eenvoudiger gemonitord kunnen worden, voortaan op het niet-openbare internet worden geplaatst waar monitoring niet of nauwelijks plaats kan vinden. Wanneer een burgemeester daardoor geen zicht heeft op mogelijke ongeregeldheden in de gemeente, omdat hiertoe wordt opgeroepen op het niet openbare internet, kan hij of zij ook niet gebruik maken van de bestaande openbare-orde bevoegdheden zoals een noodbevel of noodverordening. Kan de initiatiefnemer hier nader op ingaan? In het verlengde hiervan lezen deze leden dat de Afdeling de vraag oproept in hoeverre de voorgestelde bevelsbevoegdheid effectief zal zijn, omdat oproepen tot openbare-ordeverstoringen in de praktijk al vaak in besloten communicatiekanalen worden gedaan. Gewogen dat de effectiviteit van de voorgestelde bevelsbevoegdheid beperkt is, hoe rechtvaardigt dit dan de inmenging in grondrechten, zo vragen deze leden.

De leden van de D66-fractie merken op dat er in het verleden veel aandacht is geweest voor de problematiek omtrent online aangejaagde openbare-orderverstoringen. Tegen die achtergrond besloot de minister van Justitie en Veiligheid in mei 2024, mede naar aanleiding van onderzoek door de landsadvocaat, om geen nieuwe wettelijke bevoegdheid voor burgemeesters te introduceren. Daarbij speelden onder meer twijfels over de effectiviteit van een dergelijke bevoegdheid een rol. Het opleggen van een verbod om bepaalde uitingen te doen, voorkomt niet dat derden de uitingen overnemen (al dan niet in andere bewoordingen) of verder verspreiden. Daarbij wordt de handhaving van een dergelijke maatregel bemoeilijkt, onder meer vanwege de ‘grootte’ van het internet, buitenlandse internetplatforms en het gebruik van schuilnamen. Wanneer de maatregel niet effectief kan zijn, is een inbreuk op een grondrecht ook niet te rechtvaardigen, aldus de regering (Kamerstuk 28684, nr. 739). Voornoemde leden vragen waarom de initiatiefnemer – in tegenstelling tot de regering – wel tot de weging komt dat het onderhavige wetsvoorstel effectief is en een inperking van grondrechten rechtvaardigt.

De leden van de VVD-fractie zien de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een verwijderingsbevel door burgemeesters dat het voorstel introduceert als een laatste redmiddel en wijzen op de verantwoordelijkheid van techbedrijven bij het faciliteren van berichten die aanzetten tot het verstoren van de openbare orde. Deze leden vragen de initiatiefnemer daarom of bij het tot stand komen van het voorstel gesprekken hebben plaatsgevonden met sociale mediabedrijven over hun rol in het tegengaan van online oproepen tot het verstoren van de openbare orde op hun platformen.

De leden van de PRO-fractie lezen dat het niet de bedoeling van de initiatiefnemer is dat het wetsvoorstel de burgemeester bevoegdheden geeft om preventief een online uiting vanwege de inhoud te verbieden. Wel kan de burgemeester een verwijderbevel “aangrijpen om iemand ter informatie te waarschuwen om na verwijdering van een geplaatste uiting niet in herhaling te vallen, omdat bij herhaling een nieuw verwijderbevel kan worden opgelegd”. In hoeverre legt dat informeren een druk op iemand om geen nieuwe uitingen te doen? Is het de bedoeling dat de waarschuwing ter informatie alleen gericht is op uitingen die gelijk zijn aan de uitingen waarvoor al een verwijderbevel is opgelegd of kan die waarschuwing ook slaan op nog niet gedane en nog onbekende uitingen? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot het censuurverbod? Zo nee, wat is dan wel de bedoeling? Hoe beziet de initiatiefnemer dit in het kader van of de waarschuwing een ‘chilling effect’vooraf kan hebben in de zin van dat de dreiging met een (nieuw) verwijderbevel ervoor kan zorgen dat personen zich te zeer beperkt voelen om hun mening te uiten?

De leden van de PRO-fractie lezen dat de burgemeester op de hoogte van een online uiting kan raken via een bestuurlijke rapportage van de politie of via het eigen ambtelijk apparaat. Deelt de initiatiefnemer de mening dat hoewel het wetsvoorstel niet in nieuwe bevoegdheden voorziet om online uitingen te gaan zoeken, het bestaan van het nieuwe instrument al met zich mee kan brengen dat er meer online naar dergelijke uitingen gezocht gaat worden? Zo ja, is dit een beoogd effect van de wet? Zo nee, waarom niet? Deze leden hebben kennisgenomen van de inbreng van Amnesty International en Bits of Freedom op consultatieversie van het wetsvoorstel. Deze organisaties vrezen dat het wetsvoorstel gaat leiden “tot een perverse prikkel voor gemeenten om alle uitingen op het internet in de gaten te houden met het oog op het verbieden van uitingen die zij (mogelijk) problematisch achten. Dat betekent dat de gemeente mensen monitort die niets strafbaars doen of van plan zijn”. Kan de initiatiefnemer hier nader op ingaan?

De leden van de PRO-fractie hebben ook kennisgenomen van het voornemen van de regering om (mogelijke) ernstige verstoringen van de openbare orde te voorkomen door de politie een betere informatiepositie te geven. Een wetsvoorstel daartoe, namelijk de Wet gegevensvergaring openbare orde, is reeds in voorbereiding. Dit wetsvoorstel dient dus hetzelfde doel als het voorliggend wetsvoorstel. In hoeverre kan het doel van het voorkomen van ernstige verstoringen van de openbare orde worden voorkomen door de informatiepositie van de politie te verbeteren en wat zegt dat over de nut en noodzaak van het voorliggende initiatiefwetsvoorstel? Acht de initiatiefnemer het gewenst dat het vergaren van gegevens ten behoeve van een bestuurlijk verwijderbevel eveneens onder het de Wet gegevensbewaring openbare orde dient te komen vallen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? De Wet gegevensbewaring openbare orde moet de politie extra bevoegdheden geven om online gegevens te verzamelen van personen uit publiek toegankelijke bronnen waarvan het vermoeden bestaat dat zij een belangrijke rol spelen bij een (mogelijk) ernstige verstoring van de openbare orde. De regering heefsj et, naar de mening van deze leden terecht, gemeend dat, omdat het voorstel een grote impact kan hebben op de levenssfeer van mensen, het stevige waarborgen moet omvatten. Zo heeft de burgemeester voor het inzetten van de nieuwe bevoegdheden een machtiging van de rechter-commissaris nodig. Acht de initiatiefnemer dat mogelijk dan wel wenselijk voor het voorstel voor een bestuurlijk verwijderbevel dat immers grondrechten van burgers raakt? Zo ja, hoe gaat de initiatiefnemer daar vorm aan geven? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PRO-fractie achten het ongewenst als een burgemeester zijn bevoegdheid om online uitingen te laten verwijderen zou gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend, zoals bijvoorbeeld het verbieden van een demonstratie. De initiatiefnemer wijst erop dat de burgemeester zich in dergelijke gevallen schuldig zou maken aan een schending van het verbod op détournement de pouvoir zoals dat is neergelegd in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Kan dat, behalve dat een dergelijk verwijderbevel in dat geval door de bestuursrechter zal worden vernietigd, nog andere gevolgen hebben voor de burgemeester en dan met name de burgemeester die zich vaker in geval van de nieuwe bevoegdheid aan détournement de pouvoir schuldig maakt? Zo ja, wat kunnen die gevolgen zijn? Zo nee, waarom niet?

De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel de burgemeester de bevoegdheid geeft om een online uiting te laten verwijderen wanneer sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde, of wanneer er een ernstige vrees bestaat dat zo’n verstoring binnen de gemeente zal plaatsvinden. Daarbij is niet van belang of degene die de uiting heeft geplaatst zich binnen of buiten de gemeente bevindt. Deze leden vragen of de burgemeester van de gemeente waar de plaatser woont in zo’n situatie ook een bevoegdheid of signalerende rol heeft, wanneer wordt gevreesd voor een verstoring van de openbare orde in een andere gemeente. Zij noemen als voorbeeld als de plaatser een bekende van de politie of gemeente is in het kader van verstoringen van de openbare orde, of als er al vaker een stopgesprek met de politie heeft plaatsgevonden. Wat zijn hierbij de kaders van informatiedeling als het gaat om burgemeesters onderling of de driehoeken van verschillende gemeentes?

De leden van de SGP-fractie lezen dat het criterium ‘ernstige verstoring van de openbare orde’ is gekozen. Deze leden vragen de initiatiefnemer waarom niet is aangesloten bij het beperktere begrip ‘wanordelijkheden’, zoals door de Afdeling is gesuggereerd. Kan de initiatiefnemer concreet aangeven welke situaties volgens haar wel kwalificeren als een ernstige verstoring van de openbare orde, maar niet als wanordelijkheid?

De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemer hoe burgers vooraf kunnen weten wanneer een online bericht aanleiding kan geven tot een verwijderbevel. Acht de initiatiefnemer het risico aanwezig dat verschillende burgemeesters deze norm verschillend zullen uitleggen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SGP-fractie lezen dat een verwijderbevel ook betrekking kan hebben op berichten waarin wordt opgeroepen tot deelname aan een demonstratie. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe in de praktijk gewaarborgd wordt dat het demonstratierecht hierdoor niet onevenredig wordt beperkt.

De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemer hoe wordt voorkomen dat oproepen tot vreedzame demonstraties worden verwijderd op basis van een onjuiste of te ruime inschatting van mogelijke openbare-ordeverstoringen. Welke rechtsbescherming bestaat voordat een demonstratie feitelijk onmogelijk is geworden doordat de oproep is verwijderd? Deze leden constateren dat online berichten zich snel kunnen verspreiden en eenvoudig opnieuw geplaatst dan wel (minimaal) aangepast kunnen worden. Zij vragen de initiatiefnemer waarom desondanks verwacht wordt dat een verwijderbevel een effectief instrument is. Hoe wordt voorkomen dat dezelfde inhoud direct via andere accounts of platforms opnieuw wordt verspreid?

De leden van de SGP-fractie lezen dat het voorstel alleen ziet op openbaar toegankelijke online berichten. Deze leden vragen de initiatiefnemer inzichtelijk te maken welk deel van de online aangejaagde openbare-ordeverstoringen daadwerkelijk via openbare berichten wordt georganiseerd en welk deel via besloten groepen of versleutelde communicatie verloopt. Zij vragen daarbij in te gaan op de effectiviteit van het voorstel.

De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemer hoe wordt omgegaan met anonieme accounts of berichten die onder een pseudoniem zijn geplaatst. Is voor het identificeren van de plaatser aanvullend onderzoek naar persoonsgegevens nodig? Zo ja, op welke wettelijke grondslag berust dat onderzoek?

De leden van de Groep Markuszower constateren dat de voorgestelde bevoegdheid alleen effectief kan zijn als gemeenten online berichten tijdig weten te vinden. Dat roept volgens deze leden een fundamentele vraag op. Hoe ziet de initiatiefnemer dat in de praktijk voor zich? Verwacht zij dat gemeenten actief sociale media gaan volgen om mogelijke openbare-ordeverstoringen op te sporen? Zo ja, waar ligt volgens de initiatiefnemer de grens? Wanneer is nog sprake van noodzakelijk toezicht en wanneer verandert dat in het structureel monitoren van online communicatie van burgers?

De leden van de Groep Markuszower vinden het belangrijk dat helder is welke persoonsgegevens in het kader van deze bevoegdheid mogen worden verwerkt. Kan de initiatiefnemer uiteenzetten welke gegevens gemeenten mogen verzamelen wanneer zij een mogelijke oproep signaleren? Blijft het beperkt tot het betreffende bericht of kunnen ook accountgegevens, locatiegegevens, contactgegevens of andere persoonsgegevens worden verwerkt? Wat gebeurt er met deze gegevens wanneer uiteindelijk blijkt dat van een daadwerkelijke dreiging voor de openbare orde geen sprake was?

De leden van de Groep Markuszower vinden dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet méér informatie verzamelt dan strikt noodzakelijk is. Deze leden vragen daarom welke waarborgen bestaan om te voorkomen dat gemeenten uit voorzorg steeds meer online communicatie gaan volgen om geen enkele mogelijke ordeverstoring te missen. Hoe voorkomt de initiatiefnemer dat deze bevoegdheid in de praktijk leidt tot een steeds verdergaande vorm van digitaal overheidstoezicht?

5. Uitvoerings- en handhavingsaspecten

De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat wordt gesteld dat bij het opleggen van een verwijderbevel sprake is van onmiddellijk optreden ter handhaving van de openbare orde in de zin van artikel 5:23 Awb. Deze leden zien echter dat het begrip ‘onmiddellijk optreden ter handhaving van de openbare orde’ in de bestuursrechtelijke praktijk zeer beperkt wordt uitgelegd. Uit de voorgestelde wettekst blijkt naar mening van deze leden niet of aan die nauwe maatstaf is voldaan. Kan de initiatiefnemer op voorgaande reflecteren en nader onderbouwen op welke gronden zij meent dat sprake is van onmiddellijk optreden ter handhaving van de openbare orde in de zin van artikel 5:23 Awb?

De leden van de D66-fractie vragen aandacht voor de uitvoerbaarheid van het voorgestelde bevel, mede in relatie tot de bevoegdheden waarover gemeenten op dit moment beschikken om online te monitoren. Deze leden vrezen dat burgemeesters met dit wetsvoorstel weliswaar een instrument in handen krijgen, maar dat dit instrument wellicht in de praktijk onuitvoerbaar blijkt. Zo kan de bekendmaking van een bevel problematisch zijn bij personen die zich anoniem of onder een alias op het internet begeven. Daarnaast veronderstelt effectieve toepassing van het bevel dat wordt gemonitord en dat gegevens worden opgeslagen, terwijl de mogelijkheden die gemeenten daartoe op dit moment hebben naar de mening van deze leden zeer beperkt zijn. Zij vragen of het instellen van een onderzoek naar een persoon, waarvan de identiteit niet direct duidelijk is, om de identiteit vast te stellen binnen de reikwijdte van het onderhavige voorstel van wet valt. Indien dit het geval is, zal ervoor een wettelijke grondslag nodig zijn om de persoonsgegevens die worden verzameld bij dergelijk onderzoek te verwerken. De aan het woord zijnde leden vragen de initiatiefnemer een reflectie te geven op de vraag in hoeverre er een aanvullende wettelijke grondslag nodig is voor de verwerking van die persoonsgegevens. Voorts is het hen niet duidelijk hoe naleving van het bevel kan worden afgedwongen indien de betrokkene dit bevel negeert. In theorie zou hiertoe een last onder dwangsom of bestuursdwang kunnen worden opgelegd, maar een dergelijke maatregel vergt tijd, die in dit soort situaties juist veelal ontbreekt. Zij vragen de initiatiefnemer in te gaan op de praktische werkbaarheid van het wetsvoorstel en daarbij in ieder geval in te gaan op elk van bovenstaande punten.

De leden van de VVD-fractie lezen dat burgemeesters een verwijderbevel kunnen afgeven. Veel plaatsers van online berichten zijn echter anoniem of gebruiken een schuilnaam. Hoe kunnen burgemeesters deze personen volgens de initiatiefnemer identificeren? Hoe effectief is het verwijderbevel in de praktijk als de identiteit van de plaatser vaak niet (tijdig) bekend is?

De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt geborgd dat burgemeesters deze bevoegdheid landelijk op een vergelijkbare manier toepassen. Wordt voorzien in een handreiking of landelijke instructie, zodat geen willekeur ontstaat tussen gemeenten?

De leden van de Groep Markuszower vragen hoe uitvoerbaar dit wetsvoorstel in de praktijk is. Niet iedere gemeente beschikt immers over dezelfde capaciteit, expertise of technische mogelijkheden. Verwacht de initiatiefnemer dat gemeenten hiervoor extra personeel moeten aannemen of externe partijen moeten inhuren? Acht de initiatiefnemer het wenselijk dat de wijze waarop online uitingen worden gevolgd straks per gemeente sterk kan verschillen?

De leden van de Groep Markuszower lezen dat snelheid volgens de initiatiefnemer essentieel is. Deze leden vragen echter hoe realistisch dat uitgangspunt is. Tegen de tijd dat een burgemeester een bericht heeft ontdekt, juridisch heeft beoordeeld, een besluit heeft genomen en dit aan de afzender heeft bekendgemaakt, heeft een bericht zich doorgaans al via tal van andere accounts verspreid. Kan de initiatiefnemer toelichten waarop zij de verwachting baseert dat deze bevoegdheid onder die omstandigheden daadwerkelijk effectief zal zijn?

De leden van de Groep Markuszower vinden het van belang dat zorgvuldig wordt gekeken naar de gevolgen van deze wet voor de persoonlijke levenssfeer van burgers. Is de initiatiefnemer daarom bereid om bij de evaluatie van deze wet niet alleen te kijken naar het aantal opgelegde verwijderbevelen, maar ook naar de manier waarop gemeenten online berichten hebben opgespoord, welke persoonsgegevens daarbij zijn verwerkt, welke digitale hulpmiddelen zijn gebruikt en of daarbij knelpunten zijn ontstaan voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer?

6. Verhouding tot bestaande wet- en regelgeving

6.2 Verhouding met de Grondwet

De leden van de D66-fractie zijn vragen waarom, naast de bestaande strafrechtelijke en civielrechtelijke instrumenten, een aanvullende bestuursrechtelijke aanpak volgens de initiatiefnemer noodzakelijk is om het geheel aan handhavingsmogelijkheden sluitend te maken. Deze leden missen op dit punt nog een nadere onderbouwing. Zij wijzen daarbij ook op het advies van de Afdeling en het belang van een goede onderbouwing in het licht van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit die gelden bij de beperking van grondrechten. Kan de initiatiefnemer toelichten waarom het bestuursrechtelijke instrument van het verwijderbevel, naast de reeds bestaande strafrechtelijke en civielrechtelijke mogelijkheden, noodzakelijk en proportioneel is om het beoogde doel te bereiken, en waarom met die bestaande instrumenten niet kan worden volstaan?

De leden van de D66-fractie constateren dat de Afdeling opmerkt dat de bevoegdheid tot het geven van een verwijderbevel ruim is geformuleerd, mede gelet op de zeer brede definitie van het begrip 'openbare orde'. Deze leden onderschrijven deze constatering en wijzen op het risico dat een verwijderbevel wordt ingezet in gevallen waarin dit, gelet op de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht, niet gerechtvaardigd is. Zij vragen de initiatiefnemer dan ook aan te geven welke waarborgen worden getroffen om misbruik van het begrip ‘openbare orde’ te voorkomen, zodat geen verwijderbevel kunnen worden opgelegd in situaties waarin dit niet bedoeld is. Kan de initiatiefnemer uitsluiten dat de brede reikwijdte van het begrip ‘openbare orde’ kan leiden tot ontoelaatbare toepassing van de voorgestelde bevoegdheid?

De leden van de PRO-fractie lezen enerzijds in de memorie van toelichting dat de initiatiefnemer stelt dat als de burgemeester gebruikmaakt van zijn bevoegdheid tot het geven van een verwijderbevel, hij de plaatser in diens recht op vrijheid van meningsuiting beperkt. In reactie op het advies van de Afdeling dat de bevoegdheid het gebruikmaken van het recht op vrijheid van meningsuiting beperkt, merkt de initiatiefnemer echter anderzijds op dat het wetsvoorstel op geen enkele wijze op voorhand een beperking oplegt aan ten aanzien van wat iemand wel of niet mag zeggen. De initiatiefnemer wijst erop dat geen enkele online uiting op voorhand door dit wetsvoorstel geraakt. Hoe verhoudt het één zich tot het ander?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de Afdeling ernstige twijfels heeft geuit over de effectiviteit en daarmee de noodzaak van deze bevoegdheid. Deze leden vragen de initiatiefnemer waarom zij desondanks meent dat aan het vereiste van noodzakelijkheid in een democratische samenleving is voldaan. Welke nieuwe feiten of inzichten rechtvaardigen een andere conclusie dan eerder door de regering en de landsadvocaat is getrokken?

De leden van de SGP-fractie constateren dat het wetsvoorstel rechtstreeks raakt aan de vrijheid van meningsuiting. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe wordt voorkomen dat ook legitieme, maar scherpe, controversiële of politiek onwelgevallige uitingen onder de werking van deze bevoegdheid kunnen vallen. Welke objectieve waarborgen voorkomen dat burgemeesters zich genoodzaakt voelen uitingen te laten verwijderen omdat deze maatschappelijk of politiek gevoelig liggen?

7. Verhouding tot Europees en internationaal recht

7.1 Het EVRM

De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemer van mening is dat met deze algemene verwijderbevoegdheid voldoende wordt voldaan aan het voorzienbaarheidsvereiste van artikel 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

7.2 De DSA

De leden van de CDA-fractie vragen aan de initiatiefnemer of zij heeft overwogen het verwijderbevel te beleggen bij een autoriteit die deze bevoegdheid nu ook al kan inzetten. Daarnaast vragen deze leden of de initiatiefnemer nader kan ingaan op welke manier onderhavig wetsvoorstel zich verhoudt tot de Europese Digital Services Act. Kunnen de voorgestelde verwijderbevoegdheid en de bestaande bevoegdheden om bij hostingbedrijven een verwijderverzoek te doen, samenvallen?

8. Advies en consultatie

De leden van de CDA-fractie lezen dat het aan de bestuursrechter is om te beoordelen of een verwijderbevel terecht is opgelegd. Wat zijn de consequenties als beoordeeld is dat het verwijderbevel onterecht is opgelegd?

De leden van de BBB-fractie vragen hoe concreet en aantoonbaar het verband moet zijn tussen een online bericht en een ernstige openbare-ordeverstoring. Wanneer is sprake van ernstige vrees en wie beoordeelt dat? Deze leden vragen hoe de initiatiefnemer de effectiviteit van dit instrument beoordeelt. Online berichten kunnen zeer snel worden gedeeld, gekopieerd en opnieuw geplaatst. Wat verwacht de initiatiefnemer concreet dat een verwijderbevel in zulke situaties toevoegt ten opzichte van bestaande bestuurlijke en strafrechtelijke mogelijkheden?


II. Artikelsgewijze toelichting

De leden van de VVD-fractie lezen dat het voorstel niet ziet op de gegevensverzameling uit besloten chatgroepen. Deze leden vragen de initiatiefnemer of semi-openbare groepen, bijvoorbeeld grote app- of telegramgroepen die makkelijk te betreden zijn door een openbaar gedeelde link op andere platformen, wel onder de reikwijdte van het voorstel zouden kunnen vallen zodat dit de effectiviteit van het voorstel ten goede komt.

De leden van de VVD-fractie vragen wat er voor burgemeesters concreet in een online bericht moet staan, of hoe vaak een bericht moet zijn gedeeld, voordat een burgemeester voldoende grond heeft om een online bericht aan te merken als een ernstige verstoring van de openbare orde?

De leden van de CDA-fractie vragen aan de initiatiefnemer hoeveel ruimte een burgemeester heeft om de verwijderbevoegdheid nader in te kleuren in de APV. Daarnaast vragen deze leden of de initiatiefnemer nader kan ingaan op het begrip ‘verstoring van de openbare orde’, nu er veel ruimte is voor een burgemeester om te oordelen of er sprake is van een verstoring. Voornoemde leden vragen of de initiatiefnemer bij de beantwoording van deze vraag de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtsrpaak van 21 augustus 2019 kan betrekken (ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2820).

De leden van de CDA-fractie vragen op welke manier en door wie wordt gecontroleerd of een bericht daadwerkelijk is verwijderd.

III. Overig

De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemer in hoeverre andere landen een vergelijkbare bevoegdheid voor burgemeesters of lokale autoriteiten kennen om online uitingen te laten verwijderen ter bescherming van de openbare orde. Indien dergelijke bevoegdheden elders bestaan, vragen deze leden hoe vaak daarvan in de praktijk gebruik wordt gemaakt en of deze bevoegdheden reeds zijn geëvalueerd. Voorts vragen zij een rechtsvergelijkende analyse te verrichten naar de situatie in andere landen en daarbij specifiek te onderzoeken in hoeverre de toepassing van een dergelijke bevoegdheid in die landen heeft geleid tot een inperking van grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht. Zijn er lessen en waarborgen, mede op basis van de ervaringen in andere landen, worden ontleend ten behoeve van de vormgeving van de in dit wetsvoorstel voorgestelde bevoegdheid?

De voorzitter van de commissie,

Eerdmans

Adjunct-griffier van de commissie,

Nouse