[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

De Nederlandse warmtetransitie en de rol van collectieve warmte

Regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte)

Brief regering

Nummer: 2026D35659, datum: 2026-07-06, bijgewerkt: 2026-09-30 07:36, versie: 4 (versie 1, versie 2, versie 3)

Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-36576-122).

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36576 -122 Regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte).

Onderdeel van zaak 2026Z15864:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2025-2026

36 576 Regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte)

Nr. 122 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juli 2026

Collectieve warmtesystemen zijn voor een belangrijk deel van de gebouwde omgeving de goedkoopste oplossing om van het aardgas af te gaan en dragen daarmee bij aan verduurzaming en weerbaarheid. Bovendien kunnen lokale warmtebronnen alleen worden ontsloten door collectieve warmtesystemen, en dragen ze via flexibiliteit en opslag bij aan een geïntegreerd, toekomstbestendig energiesysteem. In het coalitieakkoord staat dat het kabinet vol blijft inzetten op collectieve warmte, om zo ook netcongestie te verminderen. Daarmee wordt onnodige netverzwaring – en de forse kosten die hiermee gepaard gaan – voorkomen. In deze brief geeft het kabinet graag meer duiding bij deze ambitie. Ook heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) tijdens het commissiedebat van 26 maart jl. de toezegging gedaan om voor de zomer een Kamerbrief te sturen over de betaalbaarheid van collectieve warmte samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG).

Met deze brief geeft het kabinet invulling aan deze toezegging en wordt de Tweede Kamer tevens geïnformeerd over een aantal gerelateerde onderwerpen, zoals de planning van de Wet collectieve warmte, het amendement houtige biomassa, de warmtegemeenschappen, de toezegging over het onderzoek naar het voorkomen van de ongewenste overlap van subsidie voor warmtepompen in collectieve warmte wijken1 en de motie van leden Flach en Kröger2 om opnieuw te onderzoeken of een warmtegemeenschap toch met een meerderheidsbelang mag deelnemen in een warmtebedrijf. Tot slot geeft het kabinet de voortgang aan op de volgende moties:

• de motie van lid Rooderkerk3 over het doorontwikkelen van de WIS in overleg met de Warmtealliantie;

• de motie van lid Van Oosterhout cs4 over de financiering van warmtenetten;

• de motie van het lid Kröger5 over het faciliterend kader voor warmtegemeenschappen over een onderzoek over de belemmeringen voor warmtegemeenschappen;

• de motie van lid Kröger6 om binnen 4 jaar na inwerkingtreding van de Wcw kostengebaseerde tarieven fase 2 in te voeren;

• De motie van lid Grinwis CS7 om een kostengebaseerd referentietarief uit te werken voor kleine collectieve warmtesystemen;

• De motie van lid Kröger8 om onderzoek te doen naar het effect van ETS2 op de gasreferentie en de kosten van warmtebedrijven en een eventuele correctie hiervan.

De Nederlandse warmtetransitie

In een wereld waarin geopolitieke spanningen toenemen is het vergroten van energieonafhankelijkheid een topprioriteit geworden. Huishoudens, bedrijven en maatschappelijke instellingen hebben de afgelopen jaren grote schommelingen in hun energierekening gezien als gevolg van conflicten elders in de wereld. Verduurzaming van de gebouwde omgeving, zowel door energiebesparing als het verminderen van de afhankelijk van fossiele brandstoffen, zorgt voor grotere weerbaarheid van de samenleving tegen energieprijsschokken. Het realiseren van energiezuinige gebouwen die gebruik maken van een duurzame warmtevoorziening is dan ook een belangrijk doel van het kabinet.

In de gebouwde omgeving heeft het verduurzamen van de warmtevoorziening brede, direct zichtbare en voelbare effecten. Onderzoek van TNO9 laat bijvoorbeeld zien dat energiebewuste woningen vaak hun warmtevraag beperken door passende isolatie en ventilatie. Goed geïsoleerde en geventileerde woningen leiden tot minder luchtwegklachten, minder reumatische klachten en daarmee tot lagere zorgkosten. Bewoners ervaren meer comfort: minder tocht en vochtproblemen. Ook de kwaliteit van wonen, leren en werken verbetert. Een goed geïsoleerde woning biedt rust, stabiliteit en een gezonder binnenklimaat. Daarnaast stijgt de waarde aanzienlijk na verduurzaming; gebouwen met een beter energielabel realiseren gemiddeld een veel hogere marktwaarde. En misschien wel het meest direct zichtbaar: een verduurzaamd huis of bedrijfspand zorgt voor een lagere en stabielere energierekening in vergelijking met niet duurzame panden, waardoor huishoudens, (mkb-)bedrijven en maatschappelijke instellingen minder kwetsbaar zijn voor pieken in fossiele energieprijzen.

Om deze verduurzaming van de gebouwde omgeving te realiseren staat Nederland in veel wijken voor een ingrijpende warmtetransitie: woningen en bedrijfsgebouwen moeten worden geïsoleerd en installaties aangepast, straten dienen opengebroken te worden om nieuw leidingwerk te realiseren en nieuwe energiebronnen moeten worden ontsloten. Tegen deze achtergrond kiest het kabinet voor een duidelijke koers, waarin alle groepen in de samenleving de stap kunnen zetten om hun onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen te vergroten. Gemeenten zijn hierbij een belangrijke spil, het kabinet ondersteunt hen in hun regierol met een stevig pakket aan wetgeving, waaronder de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en de Wet collectieve warmte (Wcw). Gemeenten onderzoeken waar collectieve warmte de beste oplossing is en leggen dit uiterlijk 31 december 2027 vast in hun warmteprogramma’s.10 Er zijn ook wijken waar voor gemeenten nu al duidelijk is dat ofwel collectieve warmte de «robuuste» keuze is, of waar de elektrische warmtepomp dat is. Alternatieve scenario’s zijn dan duurder of praktisch niet uitvoerbaar. Het kabinet stimuleert gemeenten om juist in die wijken te beginnen met de overstap naar een duurzame warmteoplossing en bewoners daarover te informeren. Waar collectieve warmte niet de meest geschikte oplossing is, stimuleert en – per 2029 – normeert het kabinet de uitrol van hybride, slimme warmtepompen. Het voorstel voor de invulling van de normering wordt de komende tijd uitgewerkt, de Kamer wordt hierover in het najaar geïnformeerd.

Uitdagingen betaalbaarheid collectieve warmte

De opschaling van collectieve warmte staat of valt met het aantrekkelijk maken van de overstap voor bewoners. In de dichtbebouwde woonwijken waar weinig ruimte is voor warmtepompen is de overstap naar collectieve warmte meestal de beste manier om deze woningen te verduurzamen. Vaak gaat het in deze wijken om woningen in het sociale huursegment. In deze wijken is een hoger risico op energiearmoede en ervaren bewoners onvoldoende handelingsperspectief in de energietransitie. Gemeenten en woningcorporaties hebben een grote rol in het ontzorgen van bewoners.

In eerdere Kamerbrieven11 werd al geconstateerd dat de eindgebruikerskosten en nationale kosten voor collectieve warmte nog niet op één lijn liggen. De meerwaarde van collectieve warmte in het energiesysteem (zoals het vermijden van netverzwaringen of de mogelijkheid om met warmtebuffers pieken in energiegebruik af te vlakken) landt niet in de business case van een collectieve warmte project. De investering in een collectief warmtesysteem moet direct via de aangesloten eindgebruikers terugverdiend worden, landelijk kan er niet gesocialiseerd worden. Op systeemniveau is opschaling van collectieve warmte wenselijk, maar dan moeten we de overstap voor de eindgebruiker ook aantrekkelijk maken. Om drempels weg te nemen wil het kabinet de betaalbaarheid en financierbaarheid stimuleren. Er zijn al verschillende subsidies beschikbaar voor warmtebronnen, warmtenetten en inpandige aanpassingen. De bestaande subsidies zijn echter nog niet voldoende effectief om investerings- en aansluitdrempels weg te nemen en zo de relatieve betaalbaarheid te borgen. Dit heeft verschillende oorzaken:

1. Complexiteit van collectieve warmteprojecten: collectieve warmteprojecten zijn complex, een rendabele businesscase vraagt vaak om meerdere subsidies voor verschillende doelgroepen en gelijktijdige besluitvorming van diverse partijen. Dit kan knellen wanneer investeringsagenda’s, vervangingsmomenten of subsidietermijnen niet op elkaar aansluiten. Daarnaast kunnen bewoners niet zelf het overstapmoment bepalen, wat de bereidheid om aan te sluiten vermindert.

2. Onzekerheid over warmtetarieven: bewoners stappen minder snel over als kosten onzeker zijn. Meer zekerheid leidt tot meer aansluitingen en een sterkere businesscase. De overgang naar kostengebaseerde tarieven is een stap vooruit: het geeft warmtebedrijven zekerheid dat ze hun kosten terugverdienen, en eindgebruikers dat ze niet meer betalen dan nodig. Echter hoe de tarieven zich zullen verhouden tot de kosten van alternatieven is nog niet zeker. Wel valt te verwachten dat de kosten van alternatieven zoals gasgestookte CV-ketel en elektrische warmtepompen zullen stijgen.12 Hierdoor zal het relatieve prijsverschil tussen de verschillende warmtescenario’s naar verwachting kleiner worden.

3. Nadelige vergelijking hoogte vastrecht: het relatief hoge vastrecht van collectieve warmte wordt vaak genoemd als knelpunt. Deels zijn de kosten inderdaad hoger dan voor een cv-ketel, maar de vergelijking pakt ook nadelig uit doordat investerings- en onderhoudskosten van de warmtevoorziening zichtbaar zijn in de warmterekening, terwijl vergelijkbare kosten bij een cv-ketel minder zichtbaar zijn. Voor huurders geldt dit nog sterker, omdat onderhouds- en vervangingskosten doorgaans via de verhuurder lopen. Hierdoor wordt de overstap naar collectieve warmte vaak als nadeliger ervaren dan hij is.

4. Wrong pocket/herverdelingsprobleem: de baten van collectieve warmte voor het energiesysteem, zoals minder investeringen in elektriciteitsinfrastructuur, lagere kosten voor balancering van het net en inzet regelbaar vermogen, komen niet terecht bij het warmtebedrijf of bij de eindgebruiker. Hierdoor ontbreekt een financiële prikkel om in de optimale oplossing te investeren in wijken waar collectieve warmte vanuit nationale kosten wenselijk is. Bovendien worden de kosten van het warmtenet geheel in rekening gebracht bij de lokale eindgebruikers van een net, terwijl deze bij elektriciteit en gas over alle aangesloten eindgebruikers worden omgeslagen via de nettarieven. Op dit moment zijn subsidies dan ook de enige methode om kosten te herverdelen.

Verbeteringen betaalbaarheid collectieve warmte

Het kabinet constateert dat de opschaling van warmtenetten stagneert en wil deze vlottrekken door genoemde knelpunten te adresseren. Momenteel loopt er een tweetal onderzoekstrajecten en is een viertal oplossingsrichtingen in gang gezet.

Interdepartementale Beleidsonderzoek energietransitie woningvoorraad 2050

Het eerste traject is het Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) energietransitie woningvoorraad 2050.13 In dit onderzoek worden oplossingsrichtingen aangedragen voor eerder genoemde uitdagingen. Daarbij wordt gekeken naar de mogelijkheid om subsidies te richten op wijken waar collectieve warmtesystemen de verduurzamingsoptie met de laagste nationale kosten zijn, zodat subsidies direct bijdragen aan de realisatie van de warmtetransitie tegen de laagste kosten. Ook wordt onderzocht of het mogelijk is om bij de vaststelling van investeringssubsidies langjarige zekerheid over de warmtetarieven vast te leggen, waarbij gestuurd wordt op tarieven die kunnen concurreren met het gangbare alternatief. Doel is om de relatieve betaalbaarheid te waarborgen voor de afnemer enerzijds. Anderzijds moet voorkomen worden dat het warmtebedrijf teveel subsidie ontvangt als de tarieven van een gasgestookte CV-ketel of een elektrische warmtepomp in de toekomst veranderen als gevolg van bijvoorbeeld een hogere gasprijs of hogere tarieven voor het elektriciteitsnet. Tenslotte wordt onderzocht hoe collectieve warmte zo optimaal mogelijk kan bijdragen aan een efficiënte inrichting van het lokale energiesysteem en welke mogelijkheden er zijn om de baten hiervan ook daadwerkelijk bij de afnemer van warmte te doen landen. Door op energiesysteem niveau naar de opgave te kijken kunnen er bron- en sectoroverschrijdend prikkels ontstaan voor warmtebedrijven om te investeren in collectieve warmtesystemen op die plekken waar het ook een meerwaarde heeft. Omdat keuzes in het IBO op enkele onderwerpen ook doorwerken in de Startanalyse is het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voornemens om na de zomer een nieuwe update te publiceren van de Startanalyse voor aardgasvrije buurten. Het kabinet kijkt met interesse uit naar de uitkomsten van het IBO, die na de zomer verwacht worden.

Onderzoek clusteraanpak

Het tweede traject is het onderzoek naar de zogenaamde clusteraanpak om opschaling te stimuleren. Deze denkrichting is door AT Osborne en Rebel uitgewerkt en getoetst aan de wensen vanuit de sector. De uitkomsten van dit onderzoek geven het kabinet interessante overwegingen mee voor ondersteuning van de betaalbaarheid van collectieve warmte: uitkomsten die nu al opgepakt worden om het subsidie-instrumentarium beter te laten aansluiten op de behoeften uit de sector. De clusteraanpak is een aanpak die zich richt op de gebieden in Nederland waar de geconcentreerde warmtevraag en lokaal warmteaanbod bij elkaar komen en die daarmee geschikt zijn voor de opschaling in de aanleg van grote collectieve warmtesystemen. Het eindrapport is bijgevoegd bij deze brief.14 Er zijn 23 potentiële warmteclusters in beeld gebracht. In de meest vergevorderde clusters zouden volgens het rapport in de komende zeven tot tien jaar minimaal 200.000 aansluitingen op een collectief warmtesysteem gerealiseerd kunnen worden als de projecten beschikken over voldoende financiering en draagvlak.

De uitkomst van het onderzoek bevat een aanpak met twee componenten: 1) een set van bestuurlijke afspraken of «clusterdeal» over scope, doelstelling, concrete resultaten in termen van te realiseren aansluitingen en kostenreducties en over het leren en beschikbaar maken van geleerde lessen voor andere clusters en de rest van Nederland en 2) een subsidie voor de realisatie van het collectieve warmtesysteem specifiek gericht op de clusters. De onderzoekers geven aan dat met name bij clusters in Nederland met een geconcentreerde warmtevraag er met bestuurlijke gebiedsafspraken tussen diverse partijen (denk aan gemeente(n), warmtebedrijf, grootschalige afnemer van warmte, aanbieder van warmte, woningcorporatie en aannemer) een vliegwieleffect gecreëerd kan worden in de ontwikkeling van collectieve warmte. Dit voorziene vliegwieleffect ontstaat doordat in deze aanpak de eerste stap gestimuleerd wordt met zicht op vervolgstappen. Betrokken stakeholders verdelen de risico’s, planningen en investeringen onderling en gaan uit van langjarig programmeren, vanuit het grotere energiesysteem gedacht. Keuzes voor vroege optimalisatie (zoals overdimensionering op de diameter van de transportleiding in de eerste projectfase die steeds meer benut wordt in de vervolgfases) maken het totale warmtesysteem op programmaniveau goedkoper. Opschaling is hierdoor kansrijker.

Inzet kabinet

Het kabinet ziet voordelen van de clusteraanpak. De onderzoekers van de clusteraanpak constateren echter ook dat er momenteel meer potentiële projecten dan subsidiemiddelen zijn. Eveneens ontbreken langjarige middelen voor de SAH-regeling: per 2027 is er al sprake van een acuut tekort dat opgevangen moet worden. Zonder aanvullend budget betekent dit dat er met de bestaande middelen minder aansluitingen gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast is naar verwachting meer subsidiebudget per aansluiting nodig om zo een aantrekkelijk aanbod te realiseren. Bij volgende budgettaire besluitvormingsmomenten zal het kabinet dit meenemen in de afwegingen. Het kabinet wil zoveel mogelijk impact maken door met de beschikbare middelen de meest robuuste collectieve warmtesystemen te stimuleren. De grootte van een project is daarbij niet op voorhand leidend, maar wel of deze kansrijk is om op korte termijn ontwikkeld te worden. Het kabinet acht het niet wenselijk om een nieuwe aanpak te ontwikkelen naast het bestaande subsidie-instrumentarium: dit kost tijd en de ambitie is juist snel opschalen. Met de optimalisatie van het subsidie-instrumentarium kan een krachtige stap gezet worden.

1. Gerichter inzetten van subsidie-instrumentarium

De Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)onderzoeken hoe de genoemde succesfactoren van een clusteraanpak geïmplementeerd kunnen worden in het huidige subsidie-instrumentarium. Doel is om de verbeterde Warmtenet Investeringssubsidie (werktitel: WIS2.0) in 2027 open te stellen. De volgende onderdelen zullen hierin terug komen:

a. De ontwikkeling van een aantrekkelijk aanbod voor de eindgebruiker, in gebieden waar collectieve warmte ook tot de laagste maatschappelijke kosten leidt. De uitkomsten van het IBO-onderzoek gaan helpen bij het bepalen van de exacte invulling van dit aantrekkelijke aanbod.

b. Het maken van bestuurlijke gebiedsafspraken tijdens de ontwikkelfase van het collectieve warmtesysteem, om schaal- en synergievoordelen te benutten, risico’s te verdelen en om het warmtesysteem flexibel in te passen in het decentrale energiesysteem. Deze zouden kunnen aansluiten op de Interbestuurlijke Samenwerkingsafspraken die met medeoverheden uitgewerkt worden in het kader van de Energieafspraken onder het Landelijk ondersteuningsprogramma Energietransitie i.o.15 Door deze afspraken kan een meerjarige planning gemaakt worden om een warmtesysteem gefaseerd uit te rollen. Dit moet resulteren in een betere inschatting van de planning, risico’s en kosten voordat de subsidie op de aanlegfase wordt verstrekt, waardoor projecten minder vertraging en kostenstijging ervaren. In combinatie met het inzetten op standaard aanlegmethoden kan subsidie hiermee doeltreffender en doelmatiger worden ingezet in de aanlegfase.

c. Integratie van randvoorwaardelijke subsidies voor de aanleg van een collectief warmtesysteem in één regeling. De integratie van inpandige woningsubsidies (Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH)) en toekomstgerichte systeemleidingen in de WIS 2.0 heeft prioriteit. Aanvullend hierop wordt een gedeeltelijke samenvoeging met de Subsidie Warmte-infrastructuur Glastuinbouw (SWiG) voor gedeelde systeemleidingen met de glastuinbouw onderzocht. Verderop in de toekomst kunnen mogelijk ook andere subsidies geïntegreerd worden.

d. Creëren van meer flexibiliteit als projecten kunnen optimaliseren voor de toekomst via overdimensioneren, of wanneer ze tegen onvoorziene kosten of vertragingen aanlopen, waardoor de verstrekte subsidie niet meer voldoende is voor een financieel haalbare aanleg.

De verdere invulling van de WIS2.0 gaat het kabinet in de komende maanden afwegen in gesprek met de sector, waaronder de Warmtealliantie. Hiermee onderneemt het kabinet verdere actie op de motie Rooderkerk16 over het doorontwikkelen van de WIS in overleg met de Warmtealliantie. Om de warmteprojecten die dicht tegen een investeringsbesluit aan zitten gelegenheid te geven nog dit jaar een subsidieaanvraag te laten indienen wordt de huidige openstelling van de WIS verlengd tot en met 30 november 2026.

2. Verruiming staatssteunkader: herziening Algemene Groepsvrijstellingsverordening

In de conclusies van het rapport over de clusteraanpak wordt geadviseerd om over te stappen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) als staatssteunkader, naar de Dienst Algemeen Economisch Belang als staatssteunkader. Een overstap heeft als mogelijk voordeel dat er meer steun en flexibiliteit kan worden verleend. Het kabinet ziet op dit moment voldoende mogelijkheden om binnen de bestaande AGVV-kaders verdere stappen te zetten in de ondersteuning van collectieve warmtesystemen, rekening houdend met de onzekerheid van collectieve warmteprojecten in de praktijk. Daarmee kan op korte termijn voortgebouwd worden op bestaande instrumenten en uitvoeringsstructuren.

Hierbij is het goed te vermelden dat de Europese Commissie de AGVV herziet. Dit biedt kansen voor het betaalbaarder maken van collectieve warmte. In den brede wordt door het kabinet ingezet op een ruimere definitie van het begrip «eigen vermogen» in de definitie van «Onderneming in moeilijkheden» (OIM), om zo meer ondernemingen toegang te verlenen tot nationale steunmaatregelen waarbij sprake is van staatssteun. De Kamer is hier eerder over geïnformeerd.17 Dit is van belang voor bijvoorbeeld de WIS en de SWiG, die gebruik maken van dit staatssteunkader en de nog vorm te geven garantieregeling. Verder zijn in de publieke consultatie specifiek voor collectieve warmte een aantal aanbevelingen meegegeven zodat de hiervoor genoemde instrumenten effectiever ingezet kunnen worden. Dit betreft onder meer het verzoek om de maximaal toegestane steunpercentages voor grote en middelgrote ondernemingen te verruimen door ze gelijk te stellen aan het maximaal toegestane steunpercentage voor kleine ondernemingen van 50%; dit zou voor grote ondernemingen een verruiming van 20% betekenen. Ook is gevraagd om opheldering over het vereiste van de commissie dat een collectief warmtesysteem energie-efficiënt moet zijn of worden om in aanmerking te komen voor subsidie, omdat verwacht wordt dat ook na 2030 piek- en noodvoorzieningen voor een deel gebruik zullen maken van fossiele bronnen. Het kabinet volgt de ontwikkelingen en beziet na vaststelling van de nieuwe AGVV, naar verwachting per 1 januari 2027, of de subsidie-instrumenten aanpassing behoeven.

3. Versterken publieke realisatiekracht: mogelijke overname private warmtebedrijven

Op 17 oktober 2025 heeft het kabinet het advies van warmteverkenner Rooijers gedeeld met de Kamer18, waarin hij adviseert om de grote private warmtebedrijven over te nemen. In navolging hierop heeft het kabinet vervolggesprekken gevoerd met de warmtebedrijven, medeoverheden, pensioenfondsen, infrastructuurbedrijven en hun aandeelhouders. Op grond van deze gesprekken trekt het kabinet de conclusie dat overname kan bijdragen aan de versnelling van de uitrol van collectieve warmte, en dat met overname kennis en kunde in de sector behouden blijft. Daarom is het kabinet bereid om via de begin dit jaar opgerichte dochter van Energie Beheer Nederland (EBN), de Nationale Deelneming Warmte BV (NDW), private warmtebedrijven over te nemen. De NDW en de warmtebedrijven worden daarom gevraagd om gesprekken over een eventuele overname te starten, alvorens deze partijen daadwerkelijk kunnen gaan onderhandelen over een transactie. Doel van deze fase is om vertrouwelijk informatie uit te kunnen wisselen over hoe een transactie er daadwerkelijk uit kan komen te zien. De overname van de bestaande warmtebedrijven kan op veel verschillende manieren worden vormgegeven, waarbij er naast de NDW ook betrokkenheid kan zijn van andere partijen (denk hierbij bijvoorbeeld aan medeoverheden, pensioenfondsen en infrastructuurbedrijven). Een gezamenlijke overname kent een langer tijdpad. Gelet op het belang van een vlotte overnameprocedure kan het kabinet bij de start van de onderhandelfase besluiten om andere partijen pas na de eventuele overname te laten toetreden als medeaandeelhouder. Anders dan werd voorzien bij de aanwijzing van NDW als nationale deelneming warmte in februari jl.19 zou NDW daardoor bij een eventuele overname mogelijk enig- of meerderheidsaandeelhouder kunnen worden in de overgenomen warmtebedrijven. Een definitief besluit tot overname is afhankelijk van de voortgang en uitkomst van de gesprekken, en van de financiële besluitvorming. Bij een eventuele overname dient dekking binnen de begroting op het daarvoor gelegen begrotingsmoment te worden gevonden.

4. Dempen financieringsrisico’s: Garantieregeling Warmtenetten

De Garantieregeling Warmtenetten creëert aantrekkelijkere financieringsvoorwaarden, wat daardoor ook bijdraagt aan aantrekkelijkere warmtetarieven. In de Kamerbrief van 10 februari jl.20 werd het streven gedeeld de Garantieregeling Warmtenetten in de zomer te consulteren en per 1 januari 2027 open te stellen. Tijdens de verdere uitwerking is echter gebleken dat de internetconsultatie deze zomer naar verwachting niet gehaald zal worden. De planning is nu gericht op consultatie in dit jaar en openstelling in de loop van 2027. Tot die tijd wordt toegewerkt naar een doeltreffende regeling, waarbij de vormgeving en werkwijze afgestemd wordt met (sector-)banken, (toekomstige) aandeelhouders van aangewezen warmtebedrijven (EBN en infrastructuurbedrijven), gemeenten en warmtegemeenschappen. Laatstgenoemde worden betrokken via de VNG en Energie Samen. De initiële looptijd van de garantieregeling is vijf jaar. Tegen het einde van deze periode zal een evaluatie plaatsvinden. Daarin wordt ook bezien of het opportuun is de looptijd van de garantieregeling te verlengen, dan wel de opgebouwde risicovoorziening over te dragen aan een Waarborgfonds met achterborgstelling van het Rijk en een obligoverplichting van deelnemers. Voor voortzetting in een Waarborgfonds is in elk geval een voorwaarde dat sprake is van een kritische massa van deelnemers in de sector.

Implementatie Wet collectieve warmte (Wcw)

Planning inwerkingtreding Wcw en Bcw

In 2025 is de Wcw in beide Kamers behandeld en aangenomen. In de Wcw zijn regels gesteld die noodzakelijk zijn in het belang van een betrouwbare, betaalbare en broeikasgassen-vrije warmtevoorziening. Deze wet treedt gefaseerd in werking. Voor de meeste artikelen geldt dat inwerkingtreding pas kan plaatsvinden als ook het Besluit collectieve warmte (hierna: Bcw) en de ministeriële regeling zijn afgerond en in werking kunnen treden. Op 29 mei 2026 is het Bcw aan de Eerste en Tweede Kamer aangeboden voor de voorhang. De volgende stap is verzending naar de Raad van State voor advisering. Inmiddels is parallel hieraan op 11 juni de internetconsultatie van de ministeriële regeling gestart, deze staat open tot 9 juli.21 Het tijdpad voor inwerkingtreding op 1 januari 2027 is krap, maar belangrijk voor duidelijkheid voor de sector.

Amendement houtige biomassa

Het is kabinetsbeleid om houtige biomassa niet in te zetten voor ruimteverwarming. De Tweede Kamer heeft tijdens de behandeling van de Wcw een amendement aangenomen om houtige biomassa verder in te perken.22 Dit amendement bevat twee onderdelen. Ten eerste verandert het de definitie van hernieuwbare bron waardoor een aangewezen warmtebedrijf geen (tijdelijke) ontheffing van de duurzaamheidsnormering kan krijgen op basis van een geplande overstap op houtige biomassa. Ten tweede wordt houtige biomassa uitgesloten uit de definitie van hernieuwbare bronnen voor warmte waarvoor garanties van oorsprong (verder: GvO) aangevraagd kunnen worden. Een nadere juridische analyse van dit tweede onderdeel heeft uitgewezen dat deze uitsluiting leidt tot inadequate implementatie van de hernieuwbare-energierichtlijn (de Renewable Energy Directive, de «RED»). De paragraaf waarin GvO’s worden geïmplementeerd in de Wcw, heeft een groter bereik dan collectieve warmtevoorziening. Voor hoogwaardigere toepassing van houtige biomassa dan ruimteverwarming is het nodig GvO’s op basis van de bepalingen van deze paragraaf te kunnen blijven verstrekken. Daarom zal een wijziging van de Wcw op dit punt worden opgenomen in het wetsvoorstel voor de implementatie van het Europese Decarbonisatiepakket. Inwerkingtreding van met de Europese richtlijn strijdige bepalingen zou immers kunnen betekenen dat de Europese Commissie een inbreukprocedure zou starten.

Voor de inzet van nieuwe houtige biomassa-installaties ten behoeve van collectieve warmtesystemen heeft dit voorstel overigens naar verwachting geen gevolgen. GvO’s kunnen immers niet gebruikt worden, omdat het kabinetsbeleid is en blijft om geen SDE++-subsidie te verstrekken voor nieuwe biomassa installaties die worden ingezet voor ruimteverwarming.

Warmtegemeenschappen

In lijn met de motie over het faciliterend kader voor warmtegemeenschappen van het lid Kröger23 heeft het kabinet Topsector Energie gevraagd een onderzoek te starten naar de belemmeringen voor warmtegemeenschappen. Collectieve warmteprojecten zijn technisch, financieel en sociaal-maatschappelijk vaak complexer dan projecten voor het opwekken of leveren van elektriciteit. De resultaten hiervan zijn inmiddels bekend en zijn als bijlage bij deze Kamerbrief gevoegd. Het onderzoek concludeert dat warmtegemeenschappen een relevante rol kunnen spelen in de warmtetransitie, mede door de formele en herkenbare positie in de Wcw. Tegelijkertijd wordt er ook op gewezen dat de slagingskans in hoge mate wordt bepaald door de samenhang in de inrichting van de juridische eisen, organisatorische rolverdeling, financieringsvoorwaarden en maatschappelijke legitimiteit. Daarbij speelt de lokale context van een warmtegemeenschap ook een bepalende rol. Deze resultaten zal het kabinet gebruiken om te komen tot een actieplan om invulling te geven aan het faciliterend kader voor warmtegemeenschappen, wat wordt geïntegreerd in het bredere faciliterend kader van energiegemeenschappen in het algemeen. Zodra dit actieplan is afgerond zal deze worden gedeeld met de Kamer.

In een motie van de leden Flach en Kröger24 wordt het kabinet verzocht om opnieuw onderzoek te doen naar de mogelijkheid dat ook een warmtebedrijf met een meerderheidsbelang van een warmtegemeenschap en een publiek minderheidsbelang wordt aangewezen voor een warmtekavel in dezelfde procedure als warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang en warmtegemeenschappen (artikel 2.5 van de Wcw). Zoals in de Kamerbrief van 10 februari 202625 is toegelicht, heeft het kabinet ter uitvoering van deze motie een zienswijze van de koepel van warmtegemeenschappen, Energie Samen, over dit vraagstuk gevraagd en de landsadvocaat verzocht om met open vizier opnieuw het kabinet over dit vraagstuk te adviseren en daarbij de zienswijze te betrekken. Bij deze advisering is Energie Samen betrokken geweest. De landsadvocaat heeft geconcludeerd dat een warmtebedrijf waarin een warmtegemeenschap deelneemt met een meerderheidsbelang en daarnaast een of meer openbare lichamen met een minderheidsbelang, gelet op de doelstellingen van de Wcw, vanuit Europeesrechtelijk perspectief niet houdbaar is.26 Het vraagstuk en het advies van de landsadvocaat is vervolgens voorgelegd aan de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft niet te kennen gegeven de conclusie ter discussie te stellen. Het kabinet vindt het dan ook niet wenselijk dat het college ook een dergelijk warmtebedrijf aan kan wijzen in dezelfde procedure als warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang en warmtegemeenschappen. Hiermee beschouwt het kabinet de motie als afgedaan.

Tariefregulering fase 2

Met de motie van het lid Kröger27 heeft de Kamer gevraagd om binnen 4 jaar na inwerkingtreding van de Wcw kostengebaseerde tarieven fase 2 in te voeren. Het kabinet acht dit haalbaar. De ACM heeft al eerste stappen gezet: in mei zijn de concept regulatorische accountingregels (RAR) in consultatie gegaan.28 Het kabinet werkt verder aan de lagere regelgeving voor tariefregulering fase 2. De verdere uitwerking van tariefregulering in het Bcw voor aangewezen warmtebedrijven en tarieflimiet zal naar verwachting in 2027 aan de Kamer ter voorhang worden aangeboden.

De motie van het lid Grinwis c.s. vraagt de regering een kostengebaseerd referentietarief uit te werken voor kleine collectieve warmtesystemen.29 Opties voor dit kostengebaseerde referentietarief worden momenteel uitgewerkt en besproken met de sector.

De ACM heeft met de verbeterde rendementsmonitor steeds beter inzicht in de kosten van warmtebedrijven en de verwachte hoogte en spreiding van kostengebaseerde tarieven. Een eerste analyse van deze gegevens wordt naar verwachting binnenkort gepubliceerd in Economievakblad ESB.

Sjablonen voor de kavelsystematiek

De Wcw schrijft een procedure voor om warmtebedrijven aan te wijzen en globale en uitgewerkte kavelplannen vorm te geven. Ter ondersteuning van deze aanwijzing en planvorming wordt in samenwerking met RVO gewerkt aan sjablonen die warmtebedrijven en gemeenten kunnen gebruiken. Aangezien de aanwijzingsprocedure en planvorming gedeeltelijk anders is voor overgangsrechtelijke situaties en ontheffingsaanvragers, worden aparte sjablonen opgesteld voor deze twee doelgroepen. Om de sjablonen zo goed mogelijk bij de praktijk te laten aansluiten is input opgehaald bij een brede vertegenwoordiging van de sector en overheden. Al deze reacties worden meegenomen in een definitieve versie van de sjablonen die na de zomer 2026 beschikbaar komen. Er wordt bij deze sjablonen ook zoveel mogelijk afstemming gezocht met ACM, die ook een formele rol heeft bij de aanwijzingen en ontheffingen, bijvoorbeeld met de bekwaamheidstoets. Het streven is om met deze sjablonen dubbel werk voor warmtebedrijven, gemeenten en ACM te voorkomen.

Overig

Onderzoek WarmtelinQ

WarmtelinQ is een ondergrondse warmteleiding waarmee warmte uit de Rotterdamse haven kan worden gebruikt om 120.000 huizen en bedrijven in Zuid-Holland duurzaam te verwarmen. Het project had in 2025 een grote financiële tegenvaller. In de Kamerbrief collectieve warmte van 10 februari 202630 is vermeld dat het kabinet Fakton Energy heeft gevraagd onderzoek te doen om vast te stellen of WarmtelinQ (hierna: WLQ) nog steeds de duurzame optie is met de laagste nationale kosten, en of er alternatieven zijn die financieel aantrekkelijker, technisch haalbaar en ruimtelijk inpasbaar zijn. Het rapport is een bijlage bij deze brief.

De analyse laat zien dat warmte via WLQ voor bestaande netten de laagste nationale kosten kent. Voor nieuwe oplossingen liggen de nationale kosten dichter bij elkaar, binnen een bandbreedte van circa 20%. Het hybride warmtepompscenario scoort daarbij het best, gevolgd door buurtwarmtepompen, all-electric, WLQ en geothermie.

De uitkomsten kennen echter aanzienlijke onzekerheden, waarbij WLQ de kleinste onzekerheidsmarge heeft. Alle onderzochte scenario’s zijn technisch haalbaar, maar kennen verschillende risico’s. Bij hybride warmtepompen vormt de beschikbaarheid van groen gas een belangrijk aandachtspunt voor zowel kosten als CO2-reductie. Netcongestie speelt in alle scenario’s een rol, maar is geen doorslaggevende kostenfactor. WLQ legt door de beperkte elektriciteitsvraag het minste beslag op het elektriciteitsnet. Het belangrijkste risico voor WLQ is de toekomstige beschikbaarheid van industriële restwarmte. Hoewel voldoende potentieel aanwezig is, kiezen bedrijven mogelijk vaker voor eigen benutting van restwarmte vanwege stijgende energie- en CO2-kosten. Ruimtelijk gezien lijkt WLQ het beste inpasbaar door een beperkt bovengronds ruimtebeslag en een efficiënte benutting van ruimte in woningen. Tegelijkertijd vragen collectieve warmtesystemen extra ruimte in de ondergrond. Vanuit systeemperspectief is een nadeel van restwarmte tot slot de afhankelijkheid van industriële partijen. Daar staat tegenover dat een regionale warmtebackbone zoals WLQ op termijn een robuust en flexibel warmtesysteem kan ondersteunen, met meerdere bronnen, uitwisseling tussen warmteclusters en restwarmte als stabiele basisvoorziening.

Het onderzoek biedt relevante inzichten voor de warmtetransitie in de provincie Zuid-Holland. Het kabinet ziet in de resultaten een bevestiging van de toegevoegde waarde van WLQ voor de verduurzaming van bestaande collectieve warmtesystemen in Den Haag en Leiden en de potentie om een belangrijke bijdrage te leveren aan de verdere verduurzamingsopgave van gebouwen en glastuinbouw in Zuid-Holland. Het kabinet erkent de geschetste risico’s en uitdagingen voor de uitkoppeling en betaalbaarheid van restwarmtebronnen in de haven en de tijdige opschaling en volloop van nieuwe warmtenetten. Gegeven deze risico’s en onzekerheden acht het kabinet het vrijmaken van aanvullende financiële middelen voor WLQ, bovenop de eerder verleende (€ 122,5 mln.) en toegezegde subsidies (€ 622 mln.),31 op dit moment niet opportuun. Het is in dit stadium onvoldoende zeker dat aanvullende subsidie voor WLQ leidt tot meer aansluitingen op collectieve warmtesystemen, additionele CO2-uitstoot reductie en verlichting van netcongestie ten opzichte van andere technieken. Indien de genoemde risico’s de komende jaren weggenomen of gemitigeerd worden kan een nieuwe inschatting gemaakt worden van de doelmatigheid van een eventuele aanvullende financiële bijdrage ter ondersteuning van de verdere volloop van WLQ. Het kabinet ziet wel het belang om meer vraagcreatie vanuit de glastuinbouw en de gebouwde omgeving in de regio te stimuleren en om de uitkoppeling van restwarmte in den brede te ondersteunen. De komende tijd wordt bezien in welke vorm de voor WLQ gereserveerde subsidiemiddelen het beste kunnen worden beschikt, met oog voor doelmatigheid van het subsidie-instrumentarium en de gevolgen voor WarmtelinQ Transport Services, warmtebedrijven en eindgebruikers van warmte. Hierover wordt de Kamer na de zomer geïnformeerd.

Tussentijdse evaluatie Nieuwe Warmte Nu

Het programma Nieuwe Warmte Nu (NWN) is in 2022 van start gegaan als één van de projecten onder het Nationaal Groeifonds. NWN verstrekt subsidie aan innovatieve projecten die een vliegwiel op gang kunnen brengen voor de ontwikkeling van collectieve warmtesystemen. Sinds de start van het programma zijn de omstandigheden waarin de markt moet opereren significant veranderd met de komst van de Wcw, netcongestie problematiek, gestegen realisatiekosten en geopolitieke spanningen die hun weerslag hebben op de warmteprijs. Het kabinet heeft daarom adviesbureau Ecorys gevraagd om een tussentijdse evaluatie uit te voeren, die in mei 2026 is afgerond. Het eindrapport is toegevoegd als bijlage aan deze brief. Ecorys heeft becijferd wat de impact van vertraging of stoppen van projecten is op de doelen van het programma. Dit laat zien dat de voortgang in ongeveer de helft van de projecten onder druk is komen te staan. Zes projecten zijn uiteindelijk gestopt, waarmee het programmadoel van 26.000 collectieve warmte aansluitingen verlaagd wordt naar ongeveer 22.000. Naar aanleiding hiervan en ook op basis van adviezen van Ecorys en de Stichting Nieuwe Warmte Nu is een voorstel ingediend bij het Nationaal Groeifonds voor verlenging van het programma en nieuwe bestedingen binnen de huidige financiële kaders met als doel om zoveel mogelijk van de oorspronkelijk beoogde resultaten alsnog te behalen en waardevolle kennis van koplopers op te doen en te borgen voor de warmtesector als geheel. De adviescommissie heeft hierover advies uitgebracht en de minsterraad heeft hierover besloten. Het programma wordt verlengd tot en met 2030 en het leer- en ontwikkelprogramma wordt voortgezet. De vrijgevallen middelen van projecten die gestopt zijn worden niet herbesteed voor nieuwe warmtenetprojecten of innovatieprojecten.

Warmtepompen in collectieve warmte wijken

Het kabinet heeft eerder toegezegd32 te onderzoeken hoe ongewenste overlap van subsidie voor warmtepompen in collectieve warmte wijken voorkomen kan worden, mits dat op een uitvoerbare en juridisch houdbare manier kan. Aan deze toezegging is uitvoering gegeven middels een ambtelijke verkenning. Een brede groep belanghebbenden is actief betrokken en geconsulteerd, waaronder vertegenwoordigers van de warmtenet-, warmtepomp- en installatiesector, energieleveranciers, netbeheerders en vertegenwoordiging van woningeigenaren en verhuurders. Daarnaast heeft de VNG een consultatie onder ongeveer vijftig gemeenten uitgevoerd. Gemeenten hebben een centrale rol in de warmtetransitie, het kabinet is daarom blij met de inspanningen van de VNG in deze verkenning.

Uit de ambtelijke verkenning blijkt dat het aantal warmtepompen in potentiële collectieve warmte wijken op dit moment beperkt is, maar de komende jaren naar verwachting toeneemt. De impact ervan op de totstandkoming van warmtenetten is vooralsnog beperkt, onder meer omdat de ISDE voor warmtepompen vooral wordt gebruikt in niet-stedelijke wijken, wat niet de doorsnee collectieve warmtewijken zijn. Ook gaat het in ruim de helft van de ISDE aanvragen om een hybride warmtepomp, die een warmtenet niet in de weg zit en een tussenstap kan zijn naar collectieve warmte. In één wijk kunnen bovendien meerdere verduurzamingsopties worden toegepast, passend bij de grote variatie aan woningen, gebouwen en eindgebruikers. In hoeverre er sprake is van ongewenste overlap moet gaan blijken uit de warmteprogramma’s en kavelplannen van de gemeenten. De verkenning wijst verder uit dat juridische uitsluiting van subsidie voor warmtepompen in collectieve warmte wijken serieuze haken en ogen kent. Deze haken en ogen gaan onder meer over de verhouding tot het recht op een «opt out» in de Wgiw, het gelijkheidsbeginsel en de rechtszekerheid, omdat het plan tot aanleggen van een warmtenet ook kan wijzigen of zelfs stoppen.

In gesprekken met stakeholders kwam vooral naar voren dat vermindering van het maatschappelijk draagvlak voor de warmtetransitie in den brede een reëel risico is. Daarnaast wordt gevreesd voor een averechts gedragseffect, waarbij het in de toekomst wegvallen van subsidie juist een prikkel geeft om nog snel een warmtepomp te installeren. Hoewel het risico van onwenselijke overlap dat de Algemene Rekenkamer signaleert wordt herkend, kent het juridisch uitsluiten van subsidie daarom op dit moment geen draagvlak. Alle sectorpartijen onderschrijven dat het wenselijk is om prioriteit te geven aan het verbeteren van informatievoorziening, monitoring en het vergroten van de aantrekkelijkheid van aansluiting op een warmtenet voor woningeigenaren. Om die reden zet het kabinet allereerst in op versterkte informatievoorziening en monitoring via het CBS. Eind dit jaar brengt het CBS een eerste rapportage uit. Op basis van die monitoring houdt het kabinet vinger aan de pols en kan worden bezien of uitsluiting in enige vorm op een later moment wel wenselijk is. In de bredere beleidsmix kan dit bijvoorbeeld betrokken worden bij keuzes over de samenloop tussen normering en subsidiëring van warmtepompen.

Impact onderzoek ETS2 op tarieven warmtebedrijven

De motie van het lid Kröger vraagt de regering om onderzoek te doen naar het effect van ETS2 op de gasreferentie en de kosten van warmtebedrijven, en als ETS2 leidt tot hogere warmtetarieven te verkennen hoe daarvoor kan worden gecorrigeerd.33 Dit voorjaar is onderzoek gedaan door Trinomics en Blueterra, de uitkomsten vindt u bij deze brief. In het onderzoek is ook het effect van bijmengverplichting groen gas meegenomen, omdat deze verplichting van toepassing zal zijn voor ETS2-sectoren en daarmee ook doorwerkt in warmtetarieven en kosten. De geschatte stijging van de consumentenprijs voor aardgas en daarmee het maximale variabele warmtetarief onder het huidige gasreferentie als gevolg van ETS2 (incl. bijmengverplichting) is ongeveer € 4/GJ. Als warmtebedrijven deze maximale stijging berekenen, kan het een huishouden ongeveer € 8 a € 9 per maand extra kosten. Ook de kosten van warmtebedrijven stijgen onder ETS2, voor sommige daarvan met meer dan € 4/GJ. Ongeveer 85% van de warmtelevering valt echter onder grotere opwekkingsinstallaties die al onder ETS1 vallen, of gebruikt volledig duurzame opwek. Die wordt dus niet geraakt door ETS2.

Het kabinet zal de uitkomsten van dit onderzoek betrekken bij de verdere beslissing over hoe in tariefregulering bij warmte onder de Wcw moet worden omgegaan met de impact van ETS2 en bijmengverplichting.

Tot slot

De warmtetransitie is belangrijk en kent uitdagingen. In deze brief laat het kabinet zien dat er aandacht is voor de knelpunten en dat er diverse acties in gang zijn gezet die bijdragen aan een aantrekkelijk aanbod voor die bewoners die in collectieve warmte wijken wonen. De inzichten die zijn verzameld vanuit de onderzoeken en gesprekken met de sector helpen daarbij. De uitwerking van de tariefregulering onder de Wcw is van groot belang de komende periode, net als de vormgeving van de WIS2.0. Op basis van de uitkomsten van het IBO kan het kabinet nader besluiten nemen om de aantrekkelijkheid van collectieve warmte verder te verbeteren. Ik kijk ernaar uit om in september met de commissie hierover verder van gedachten te wisselen.


Mede namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer


  1. Kamerstukken II 2024/25, 32 813, nr. 1512↩︎

  2. Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 88↩︎

  3. Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 93↩︎

  4. Kamerstukken II 2024/25, 32 847, nr. 1437↩︎

  5. Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 83↩︎

  6. Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 84↩︎

  7. Kamerstukken II 2025/26, 36 576, nr. 77↩︎

  8. Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 86↩︎

  9. Effecten van fixers/energiecoaches, renovaties en witgoedregelingen – https://publications.tno.nl/publication/34640993/1EDZiA/TNO-2023-effecten.pdf en Gezondere leefomgevingen, gezondere burgers – https://publications.tno.nl/publication/34640562/99HEFO/TNO-2023-R10003.pdf↩︎

  10. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in 2025 een actualisatie gedaan van de Startanalyse aardgasvrije buurten, waarin per wijk modelmatig bekeken is welke warmteoplossing de laagste nationale kosten heeft. Deze actualisatie liet zien dat verschillende verduurzamingsscenario’s soms dicht bij elkaar zitten qua nationale kosten. Dit onderschrijft dat het van belang is om het model te verrijken met aanvullende informatie over de lokale situatie voor de besluitvorming.↩︎

  11. Meest recent: Kamerstukken II 2025/26, 36 576, nr. 119↩︎

  12. Denk aan beprijzing ETS2 op aardgas en tijdsgebonden netwerktarieven voor gebruik warmtepomp, eerdere uiteenzetting in Kamerbrief actualisatie collectieve warmte, Kamerstukken II 2025/26, 30 196, nr. 845↩︎

  13. 2025D46666↩︎

  14. Dit is de publieksversie, er is een interne versie waarin de (financiële) details van de onderzochte praktijkcasussen zijn meegenomen maar wegens bedrijfsgevoeligheid van deze informatie is deze vertrouwelijk.↩︎

  15. Kamerstukken II 2025/26, 29 023, nr. 643↩︎

  16. Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 93↩︎

  17. Kamerstukken II, 2025/26, 32 637, nr. 758↩︎

  18. Kamerstukken II 2025/26, 30 196, nr. 845↩︎

  19. Stcrt. 2026, nr. 7651↩︎

  20. Kamerstuk 36 576, nr. 119↩︎

  21. https://www.internetconsultatie.nl/rcw/b1↩︎

  22. Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 23↩︎

  23. Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 83↩︎

  24. Kamerstukken II 2024/25, 36 567, nr. 83↩︎

  25. Kamerstukken II 2025/26, 36 567, nr. 119↩︎

  26. Advies van de landsadvocaat, 13 februari 2026↩︎

  27. Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 84↩︎

  28. https://www.acm.nl/nl/publicaties/consultatie-rar-warmte↩︎

  29. Kamerstukken II 2025/26, 36 576, nr. 77↩︎

  30. Kamerstukken II 2025/26, 36 576, nr. 119↩︎

  31. Kamerstukken II, 2025/2026 36 576, nr. 118↩︎

  32. Kamerstukken II 2024/25, 32 813, nr. 1512↩︎

  33. Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 86↩︎