Antwoord op vragen van het lid Van Brenk over de Kamerbrief van 20 mei jongstleden inzake de 'Analyses van additionele koopkracht instrumenten'
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D36140, datum: 2026-07-09, bijgewerkt: 2026-07-09 14:44, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ooit D66 kamerlid)
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij Kamerbrief Antwoord op vragen van het lid Van Brenk over de Kamerbrief van 20 mei jongstleden inzake de 'Analyses van additionele koopkracht instrumenten'
Onderdeel van zaak 2026Z12777:
- Gericht aan: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2513
Antwoord van minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 9 juli 2026)
1. Klopt het dat in de Kamerbrief van 20 mei 2026 een aantal voorwaarden worden gesteld die in
overleg met de Pensioenakkoord-partijen zijn geformuleerd (transparantie, uitvoerbaarheid,
draagvlak)? Deze zijn toch veelal niet in harde cijfers te kwantificeren? Hoe rijmt u dit met de
analysemethode van De Nederlandsche Bank (DNB)?1
Antwoord 1: Reeds in de eerder met de kamer gedeelde brieven over dit thema 2 worden een aantal randvoorwaarden gesteld waaraan additionele koopkrachtvarianten moeten voldoen. Een aantal van deze randvoorwaarden gaan over elementen die te kwantificeren zijn zoals ex-ante herverdeling en de effecten op koopkracht, andere zijn meer kwalitatief van aard zoals uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid. De DNB-analyse gaat over de kwantificeerbare elementen in de randvoorwaarden.
2. Klopt het dat in de Kamerbrief wordt gesteld dat; ‘Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd’? Bent u het eens dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen? Welke harde maatstaven en normen hanteert u voor de interpretatie dat een pensioenfonds genoeg heeft gedaan wanneer zij ernaar streeft het koopkrachtverlies of de koopkrachtwinst te verlagen of respectievelijk verhogen?
Antwoord 2: In de bijlage bij de brief wordt weergegeven dat eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen op verschillende manieren kan worden ingevuld. Zo kan een pensioenfonds ernaar streven om het koopkrachtniveau te behouden: de uitkeringen volgen dan zoveel mogelijk het patroon van de jaarlijkse gerealiseerde inflatie. Anderzijds kan het doel van een pensioenfonds ook zijn om de mate van koopkrachtverlies of koopkrachtwinst te verlagen respectievelijk verhogen. Dit draait om de kans en omvang van verlaging respectievelijk verhoging in reële uitkeringen in enig jaar te verbeteren. 3
Ik ben het dus niet zonder meer eens met de interpretatie dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen. Er moet ook een afweging worden gemaakt tussen het jaar-op-jaar kunnen volgen van de inflatie tegenover op de lange termijn een hogere uitkering te kunnen bieden waarbij het patroon van de feitelijke inflatie minder goed wordt gevolgd dan de jaar-op-jaar-ontwikkeling. Elke doelstelling kent hierbij haar eigen afruilen. Zo zou bijvoorbeeld de doelstelling om het zo goed mogelijk jaar-op-jaar volgen van de inflatie-ontwikkeling in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat de initiële startuitkering voor gepensioneerden lager moet zijn.
3. Klopt het dat in de lijst met randvoorwaarden wordt gesteld dat ‘De varianten hebben een
substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de
variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan
volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkracht instrumentarium.'? Was dit eerder niet een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en het onderzoek naar de alternatieve
koopkrachtinstrumenten en kan u ons het verschil uitleggen tussen een randvoorwaarde en een doelstelling?
Antwoord 3: De doelstelling eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen is een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en heeft betrekking op de stijging van de pensioenuitkering. Eén van de randvoorwaarden om de additionele koopkrachtinstrumenten te beoordelen is: “De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkrachtinstrumentarium.” Dit is dus additioneel op het koopkrachtinstrumentarium dat de Wtp al biedt, waarbij geldt dat de Wtp reeds meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
4. Waar blijkt uit dat ‘De nieuwe premieovereenkomsten uit de Wtp middels de basisvariant reeds meer perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel’?
Antwoord 4: Uit de analyse blijkt dat de basisvarianten een geringer koopkrachtverlies kennen dan een zuivere DC-variant met een regeling zonder solidariteitsreserve. Dit resultaat doet daarmee niks af aan eerdere analyses van DNB over de transitie effecten bij de Wtp4 en van Netspar5 tijdens het wetstraject van de Wtp die lieten zien dat het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
5. Het klopt toch dat in de Kamerbief wordt gesteld ‘Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met anderen).’? Gaat dit ook op wanneer er afruil mogelijk wordt gemaakt met de solidariteitsreserve?
Antwoord 5: In de Kamerbrief wordt weergegeven dat er geen sprake is van een zogeheten ‘free lunch’. Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met andere deelnemers binnen het collectief). Deze afruil blijft bestaan, ook als bijvoorbeeld meer herverdeling plaatsvindt via de solidariteitsreserve.
6. De varianten en analyse van de alternatieve koopkrachtinstrumenten zijn toch door DNB in overleg met de experts vastgesteld? Waren de experts het in alle gevallen eens met de gekozen modellen en aannames van DNB?
Antwoord 6:
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft DNB verzocht de koopkrachtinstrumenten kwantitatief door te rekenen, waarbij is afgesproken zoveel mogelijk aan te sluiten bij de modellering in eerdere transitieberekeningen.6 De opzet van de analyse, inclusief model en aannames, is vooraf afgestemd met experts. Gedurende het traject zijn aanvullende gesprekken met experts gevoerd, die hebben geleid tot nieuwe inzichten en aanvullende gevoeligheidsanalyses om de robuustheid van de uitkomsten te toetsen. Daarnaast is een klankbordgroep van externe experts betrokken, die ook bij eerdere doorrekeningen heeft geadviseerd. Dit draagt bij aan de vergelijkbaarheid en consistentie met eerdere analyses. Ook het ministerie van SZW als opdrachtgever is gedurende het traject nauw betrokken geweest bij de verkenning.
7. Het klopt toch dat in basisvariant 1 van DNB is gekozen voor een scenario waarin er onder andere van wordt uitgegaan dat de onverwachte inflatie wordt gecompenseerd vanuit de solidariteitsreserve, terwijl geen enkel fonds hiervoor kiest op dit moment?
Antwoord 7: In de basisvariant wordt gekeken naar het koopkrachtinstrumentarium dat wettelijk mogelijk is. Deze variant betreft daarmee één van de keuzes binnen de solidaire premieregeling die binnen het huidige wettelijk kader mogelijk zijn, maar deze betreft niet per definitie een praktijkvoorbeeld. Door het in kaart brengen van een basisvariant kunnen de uitkomsten vergeleken worden met het wettelijke kader. Sociale partners en pensioenfondsen maken zelf een afweging in hoeverre zij gebruik willen maken van het instrumentarium. Er zijn pensioenfondsen die overwegen de solidariteitsreserve zo vorm te geven dat deze tot uitkeringen leidt wanneer de gerealiseerde inflatie hoger uitvalt dan de verwachte inflatie. Waar het hier om gaat is dat er geen wettelijke beperking is om gebruik te maken van de koopkrachtinstrumenten in de basisvariant.
8. Het klopt toch dat de solidariteitsreserve wordt gemaximeerd op 10%, terwijl de meeste fondsen dat nu op maximaal 5-7% hebben staan? Hierbij wordt toch uitgegaan van het feit dat fondsen kiezen voor dakpansgewijze spreiding, terwijl in de werkelijkheid fondsen juist kiezen voor asymptotische spreiding? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van de basisvariant 1 de alternatieven af te serveren?
9. Het klopt toch dat in basisvariant 2, boven op de aannames van basisvariant 1, ook wordt uitgegaan van een projectierendement met een afslag van 2%? Er is toch geen enkel fonds dat kiest voor een vaste afslag? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van deze basisvariant de alternatieven af te serveren?
Antwoord 8 en 9: Ik herken het beeld niet dat in de kwalitatieve en kwantitatieve analyse één van de koopkrachtvarianten niet gelijkwaardig in de overwegingen mee is genomen. In de analyse wordt elke variant op basis van dezelfde criteria gewogen ten opzichte van dezelfde basisvariant. Dit zorgt voor een gelijkwaardige weging van de verschillende varianten, wat leidt tot een betere vergelijkbaarheid van de verschillende instrumenten. Voor de basisvarianten geldt dat het de wettelijke kaders weergeeft waarbinnen sociale partners en pensioenfondsen reeds de ruimte hebben om beleid te voeren.
10. Bent u bereid een nieuwe analyse van DNB te vragen waarin een basisvariant wordt gekozen met reële rekenvoorbeelden, zoals beschikbaar in het rapport ‘Sturen op een koopkrachtig pensioen’ van drs. Henk Bets namens Actuarieel Adviesbureau Confident B.V. en het Wetenschappelijk Bureau NSC? Indien nee, waarom niet?
Antwoord 10: Het rapport ‘Sturen op een koopkrachtig pensioen’ heeft als input gediend voor de koopkrachtvariant ‘Meer beleggingsrisico door meer risicodeling’ en de auteur heeft ook meermaals commentaar gegeven op de uitkomsten van deze variant. Bovendien is de auteur als externe expert in diverse sessies betrokken. Daarmee is voldoende de kennis uit dit rapport meegenomen in de analyses van DNB. Momenteel kijkt de pensioensector naar de verschillende koopkrachtvarianten en zullen deze toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. Zij is ook beter in staat om de praktische uitwerking en de resultaten van deze varianten verder te onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Ik wacht de inzichten vanuit de praktijk af en zal daarna nagaan of verdere berekeningen benodigd zijn.
11. Klopt het dat u in de brief concludeert dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient? Kunt u aangeven welk gewicht u in uw afweging heeft toegekend aan het realiseren van de oorspronkelijke Wtp-doelstelling van een koopkrachtiger pensioen, en waarom de substantiële verbetering van koopkrachtbehoud in variant 5 niet tot een positieve beleidsmatige beoordeling heeft geleid?
Antwoord 11: Zoals ik heb aangegeven in de kamerbrief geldt bij het bieden van additionele koopkracht aan gepensioneerden dat er nooit sprake is van een free lunch. Dit betekent dat er kosten of risico’s tegenover kunnen staan zoals ex-ante herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase. Gegeven deze afruil concludeer ik op basis van de analyses in de kamerbrief dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient.
12. Waarom wordt de herverdeling in variant 5 als een minpunt aangewezen, terwijl in de brief wordt gesteld dat ‘herverdeling niet per definitie slecht hoeft te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.’
Antwoord 12: In de brief wordt in de variant ‘Meer beleggingsrisico door meer risicodeling’ de feitelijke constatering gedaan dat in de bewuste variant sprake is vaneen afruil tussen koopkrachtbehoud enerzijds en geen koopkrachtwinst en forse ex-ante herverdeling van deelnemers boven de 45 jaar naar jongeren anderzijds. Daarmee is ex-ante herverdeling niet per definitie onwenselijk en hangt de beoordeling af van de onderliggende redenen, de omvang van de herverdeling en de mate waarin deze vooraf uitlegbaar is.
13. Waarom acht u het verantwoord om (onderzoek naar) aanpassingen pas bij de evaluatie van de Wtp in 2028 in gang te zetten, terwijl vrijwel alle pensioenfondsen vóór die tijd al zijn ingevaren en deelnemers dan niet kunnen profiteren van verbeteringen die nu bekend zijn en verder uitgewerkt kunnen worden voor implementatie, direct na het invaren?
Antwoord 13: Uitvoeringspartijen in de pensioensector zullen de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal de pensioensector hier verder vorm aan geven binnen de genoemde randvoorwaarden in de brief. Om dit op een degelijke manier te doen is voldoende tijd nodig. Eén van de randvoorwaarden voor de additionele koopkrachtinstrumenten genoemd in de brief is dat de varianten niet mogen leiden tot vertraging van de pensioentransitie. Om die reden zouden de koopkrachtvarianten pas na de transitie in werking kunnen treden en zullen de uiteindelijke resultaten en aanbevelingen van de initiatieven uit de pensioensector worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp.
14. Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt voorgesteld ‘om de evaluatie en het aandragen van
koopkrachtinstrumenten bij de sector neer te leggen omdat pensioenuitvoerders en de
Pensioenfederatie hiervoor het beste toegerust zijn’? Waarom wordt de bal bij deze organisaties
neergelegd terwijl zij uitgesproken tegenstander zijn van alle aanpassingen van de Wtp? Is het niet
beter deze evaluatie neer te leggen bij een meer onafhankelijke partij ofwel een groep bestaande uit de oorspronkelijke expertgroep die de varianten in deze evaluatie bedacht heeft?
Antwoord 14: Ten eerste ben ik van mening dat uitvoeringspartijen in de pensioensector het best gepositioneerd zijn om de varianten en diverse denkbare modaliteiten te toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk. Daarnaast herken ik het beeld niet dat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie tegenstanders zijn van aanpassingen van de Wtp in zijn algemeenheid. Aanpassingen aan de Wtp gedurende deze transitieperiode die de transitie ondersteunen kunnen juist op steun vanuit de pensioensector rekenen. De pensioensector geeft daarbij evenwel aan dat gegeven de enorme uitvoeringsopgave van de transitie een zo stabiel, voorspelbaar wettelijk kader de beheerste uitvoering van de transitie in de nog restende periode tot 1 januari 2028 ten goede komt. Het kabinet heeft daar oog voor en is daarom terughoudend met voorgenomen aanpassingen van de pensioenwetgeving die niet direct benodigd zijn voor de transitie. De genoemde verkenning ziet op eventuele aanpassingen van het wettelijke kader ná afronding van de pensioentransitie.
15. Waarom wordt in de Kamerbrief een expliciete taak neergelegd bij de Pensioenfederatie voor het vervolgtraject? De pensioenfederatie is toch geen uitvoerder? Kunt u inzicht geven in de precieze opdracht die aan de Pensioenfederatie is/wordt verstrekt? Het klopt toch dat de Pensioenfederatie heeft aangegeven geen waarde te hechten aan aanpassingen aan de Wtp?
Antwoord 15: De Pensioenfederatie zal een coördinerende rol hebben in het vervolgtraject waarbij uitvoeringspartijen in de pensioensector de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken. Binnen de Pensioenfederatie zal via de Commissie Actuariaat hiervoor een werkgroep worden gevormd. Inmiddels hebben vijf pensioenuitvoerders c.q. uitvoeringsorganisaties kenbaar gemaakt hierin te willen participeren.
16. Erkent u dat de huidige wettelijke definitie van de solidariteitsreserve verhindert dat pensioenfondsen kunnen experimenteren met of ervaring kunnen opdoen met een reële solidariteitsreserve? Zo ja, hoe kan de sector volgens u dan zelfstandig de meerwaarde van dit instrument aantonen en/of hier de leiding in nemen?
Antwoord 16: Zoals ook in kwalitatieve analyse is aangegeven dient wet- en regelgeving te worden aangepast om de verschillende koopkrachtvarianten te kunnen uitvoeren. Dat neemt niet weg dat de pensioensector goed in staat is de voor- en nadelen in kaart te brengen van een invulling van de solidariteitsreserve die buiten het huidige wettelijk kader valt.
17. Waarom lijkt in uw afweging een beperkte stijging van het risico op nominale kortingen zwaarder te wegen dan een aanzienlijke vermindering van het risico op langdurig koopkrachtverlies, terwijl juist koopkrachtbehoud centraal stond bij de hervorming van het pensioenstelsel? Graag een toelichting.
Antwoord 17: Zoals eerder aangegeven schetst de kamerbrief ‘Analyses van additionele koopkrachtinstrumenten’ alleen de feitelijke afruilen tussen additionele koopkracht enerzijds en ex-ante herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase anderzijds. In de brief worden door mij geen beleidsmatige afwegingen gemaakt. Dergelijke afwegingen zal ik met uw Kamer maken.
18. Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt gesteld: ‘In het licht van bovenstaande is het een open vraag of, en zo ja, hoe deze informatie ook kan worden gegeven aan nog actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat sprake is van een reële doelstelling.’? Wat is er tegen een reële doelstelling volgens u? De eerste doelstelling van de Wtp en het Pensioenakkoord waren toch sneller uitzicht op koopkrachtbehoud?
Antwoord 18: Een verplichte reële doelstelling kan ten onrechte de indruk wekken bij deelnemers dat zij een garantie hebben op een inflatiecorrectie. Dergelijk garanties zijn niet te geven in een kapitaalgedekt pensioenstelsel, mede gezien het ontbreken van voldoende activa (zoals inflatiegerelateerde obligaties) waarvan de rendementen meebewegen met de inflatie. Dergelijke garanties kunnen leiden tot nieuwe teleurstellingen in de toekomst. Dergelijke lessen hebben we uit het oude pensioenstelsel geleerd. Daarom gaat het nieuwe pensioenstelsel uit van premieregelingen, waarbij de pensioenpremie de daadwerkelijke toezegging is.
Kamerstuk 32 043, nr. 710.↩︎
Kamerstukken 36578 nr. 31 vergaderjaar 2024-25 en 32 043, nr. 710 vergaderjaar 2025-2026.↩︎
Nijman, T. en B. Werker, “Koopkrachtbehoud in pensioenregelingen”, in Pensioenmagazine, januari 2026.↩︎
TK 32.043, 597, Update DNB Transitie effecten Commissie Parameters 2022.↩︎
Muns, S. , T. Nijman en B. Werker, Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwe
pensioencontract,Netspar Design paper 203.↩︎