[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

36 932 Nota van wijziging inzake Wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog op het vereenvoudigen van het partnerbegrip voor toeslagen (Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen)

Nota van wijziging

Nummer: 2026D36235, datum: 2026-07-09, bijgewerkt: 2026-07-09 16:11, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z16039:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 932 Wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog op het vereenvoudigen van het partnerbegrip voor toeslagen (Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen)

NOTA VAN WIJZIGING


Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel VIII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel VIIIA
1. Degene die als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet niet langer wordt aangemerkt als partner van de belanghebbende als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet aanspraak heeft op een tegemoetkoming op grond van de Wet op de zorgtoeslag, de Wet op het kindgebonden budget of de Wet kinderopvang, wordt geacht op de dag van inwerkingtreding van deze wet een aanvraag als bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen te hebben gedaan voor een tegemoetkoming op grond van de Wet op de zorgtoeslag, de Wet op het kindgebonden budget, onderscheidenlijk de Wet kinderopvang.
2. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een aanspraak op een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget of op grond van de Wet kinderopvang indien degene die als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet niet meer als partner van de belanghebbende wordt aangemerkt niet een ouder is van het kind, bedoeld in artikel 4 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, op wie de aanspraak betrekking heeft.

Toelichting

  1. Algemeen

In het wetsvoorstel wordt onder andere voorgesteld het criterium samengestelde gezinnen te laten vervallen. Daarmee worden twee meerderjarigen met ten minste één minderjarig kind van een van beiden die op hetzelfde adres staan ingeschreven niet langer enkel om die reden als elkaars partner voor de toepassing van de inkomensafhankelijke regelingen (hierna: toeslagpartner) aangemerkt. Ook wordt voorgesteld de criteria ‘partner in de rest van het jaar’ en ‘partner in een eerder jaar’ te laten vervallen, zodat het partnerschap voor de toepassing van de inkomensafhankelijke regelingen (hierna: toeslagpartnerschap) niet langer doorloopt wanneer de oorspronkelijke grond voor het toeslagpartnerschap niet langer aan de orde is. Tevens wordt voorgesteld dat minderjarigen niet langer als toeslagpartner kunnen worden aangemerkt.

Nadat het wetsvoorstel tot wet is verheven en de Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen in werking treedt1 worden alle toeslagpartnerschappen op grond van de hiervoor genoemde criteria op dat moment automatisch verbroken. Voor de persoon die als aanvrager een aanspraak op een toeslag heeft op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen, geldt dat zijn toeslagaanvraag doorloopt en vanaf dat moment zal worden berekend op basis van zijn individuele situatie, inkomen en vermogen. Voor de persoon die voorheen als toeslagpartner was aangemerkt ter zake van een lopende toeslagaanvraag, loopt de aanvraag en daarmee het eventuele recht op een toeslag niet automatisch door. Deze persoon zou zonder aanvullende wetswijziging na het verbreken van het toeslagpartnerschap als gevolg van de inwerkingtreding van de wet daarom een eigen aanvraag moeten indienen bij de Dienst Toeslagen.2

Met deze nota van wijziging wordt geregeld dat de aanvraag voor een toeslag geacht wordt te zijn gedaan door de voormalige toeslagpartner wanneer het toeslagpartnerschap wordt verbroken als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen. Voor beide voormalige toeslagpartners zal het recht vervolgens op basis van de individuele en voor de Dienst Toeslagen beschikbare gegevens worden berekend. Dit kan ook betekenen dat er geen recht op de betreffende toeslag bestaat, bijvoorbeeld in geval een voormalige toeslagpartner niet zorgverzekerd is, of dat er nadere gegevens omtrent het recht op een toeslag moeten worden uitgevraagd.

Voor deze voormalige toeslagpartners geldt dat ze al in beeld zijn bij de Dienst Toeslagen. Door te regelen dat een aanvraag wordt geacht te zijn gedaan, wordt voorkomen dat deze voormalige toeslagpartners eerst zelf een aanvraag moeten indienen. Dit past in de ambitie om waar mogelijk aan proactieve dienstverlening te doen. Ook wordt hiermee voorkomen dat de voormalige toeslagpartner toeslag(en) misloopt. Dit zorgt ervoor dat er geen onbedoelde stijging van het niet-gebruik optreedt bij de wijziging van het partnerbegrip ingevolge het wetsvoorstel.

Budgettaire gevolgen
In de ramingen is reeds uitgegaan van het gegeven dat alle huidige toeslagpartners na verbreking van het toeslagpartnerschap zelf een aanvraag indienen bij een mogelijke individuele aanspraak op toeslagen. Deze nota van wijziging heeft daarom geen budgettaire gevolgen.

Uitvoeringsgevolgen
Beide toeslagpartners zullen worden geïnformeerd over de gevolgen van dit wetsvoorstel. Onderdeel daarvan is of hun aanvraag voor zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag of een kindgebonden budget wordt voortgezet, dan wel dat een aanvraag voor zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag of een kindgebonden budget wordt geacht te zijn ingediend. Ook worden burgers geïnformeerd over hun nieuwe voorschot. Bij de jaarovergang indexeert de Dienst Toeslagen het geschatte inkomen van toeslagbetrokkenen elk jaar voor het volgende jaar. Het doel is om het meest waarschijnlijke inkomen te gebruiken en de beste inschatting te doen om eventuele hoge terugvorderingen te voorkomen. Daarbij wordt ook zoveel mogelijk rekening gehouden met of er vermogen is, gebaseerd op eerdere aangiften inkomstenbelasting. Het blijft echter een schatting van het vermoedelijke recht op een toeslag (een voorschot), aangezien het inkomen en het vermogen pas na afloop van het berekeningsjaar definitief worden vastgesteld. Een burger zal hierover worden geïnformeerd en dient dan ook zelf wijzigingen in zijn inkomen of vermogen door te geven, indien van toepassing.

Doenvermogen
Door te bepalen dat de voormalige toeslagpartner wordt geacht een aanvraag te hebben gedaan na het verbreken van het toeslagpartnerschap, wordt niet-gebruik van toeslagen voorkomen, hetgeen kan leiden tot meer financiële draagkracht en minder (financiële) stress.

  1. Onderdeelsgewijs

Met deze nota van wijziging wordt na artikel VIII van het wetsvoorstel een artikel ingevoegd. Met het voorgestelde artikel VIIIA, eerste lid, wordt geregeld dat een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de Wet op de zorgtoeslag, de Wet op het kindgebonden budget of de Wet kinderopvang (hierna: toeslag) voor de voormalige toeslagpartner automatisch geacht wordt te zijn ingediend wanneer het toeslagpartnerschap wordt verbroken als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen.

Het betreft enkel een aanvraag voor de toeslag waarvoor eerder een gezamenlijke aanspraak bestond. Er wordt dus niet ambtshalve een andere toeslag opgestart dan waarop op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen een aanspraak bestond. Desgewenst kan de voormalige toeslagpartner alsnog een eigen aanvraag voor een andere toeslag doen.

Het kan voorkomen dat twee mensen op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen gezamenlijk aanspraak hadden op een bepaalde toeslag, maar daarna op individuele basis niet meer, bijvoorbeeld in geval een voormalige toeslagpartner niet zorgverzekerd is. Dit kan ook aan de orde zijn wanneer een van de twee toeslagpartners boven de individuele inkomens- of vermogensgrens voor de desbetreffende toeslag uitkomt, maar de andere toeslagpartner dusdanig weinig of geen inkomen of vermogen heeft dat er toch gezamenlijk aanspraak op de toeslag bestaat. Na verbreking van het toeslagpartnerschap zal er voor beide voormalige toeslagpartners een aanvraag lopen voor de desbetreffende toeslag, maar zal voor degene die individueel geen recht heeft op de toeslag een voorschot van € 0 volgen. Het blijft te allen tijde mogelijk om de gecontinueerde aanvraag zelf stop te zetten indien gewenst.

Het voorgestelde artikel VIIIA is niet van toepassing op de huurtoeslag. Indien sprake is van een aanspraak op huurtoeslag, zal de huidige toeslagpartner na verbreking van het toeslagpartnerschap automatisch als medebewoner aangemerkt worden, waardoor het inkomen en het vermogen van de voormalige toeslagpartner nog steeds in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het recht op huurtoeslag van de aanvrager. De voormalige toeslagpartner kan daarom zelf geen aanspraak maken op huurtoeslag.

Het voorgestelde artikel VIIIA, tweede lid, regelt dat artikel VIIIA, eerste lid, niet van toepassing is met betrekking tot een aanspraak op een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget of op grond van de Wet kinderopvang indien de partner niet een ouder is van het kind op wie de aanspraak betrekking heeft. Indien de voormalige toeslagpartner van de aanvrager namelijk zelf geen kinderen heeft, zal er individueel geen recht bestaan op die toeslag. In die gevallen zal een aanvraag voor die toeslag niet geacht worden te zijn ingediend. Hiermee wordt voorkomen dat een aanvraag ontstaat die vervolgens moet worden verwerkt en afgewezen, terwijl die aanvraag niet tot een zelfstandig recht kan leiden.

De Staatssecretaris van Financiën,

E. Eerenberg


  1. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2027.↩︎

  2. Artikel 15, eerste lid, Awir.↩︎