Reactie op de wetenschapstoets over het wetsvoorstel tot wijziging van de Aanbestedingswet 2012 in verband met versterking van de rechtsbescherming bij aanbesteden (Kamerstuk 36874)
Wijziging van de Aanbestedingswet 2012 in verband met de versterking van de rechtsbescherming bij aanbesteden
Brief regering
Nummer: 2026D36262, datum: 2026-07-09, bijgewerkt: 2026-07-27 12:49, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
Onderdeel van kamerstukdossier 36874 -6 Wijziging van de Aanbestedingswet 2012 in verband met de versterking van de rechtsbescherming bij aanbesteden.
Onderdeel van zaak 2026Z16046:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken
- 2026-09-01 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-01 16:45: Procedurevergadering commissie Economische Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
36 874 Wijziging van de Aanbestedingswet 2012 in verband met de versterking van de rechtsbescherming bij aanbesteden
Nr. 6 Brief van de minister van Economische Zaken en Klimaat
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 juli 2026
Dagelijks zijn veel mensen in Nederland betrokken bij publieke inkoop en aanbestedingen. Een wet die klachtloketten en termijnen voor klachtafhandeling verplicht, leidt daarom vanzelfsprekend tot veel vragen. Voor mij is het van belang dat we aanbestedingen blijven zien als middel richting een doel. Dat doel is om de inzet van publiek geld te laten leiden tot maximale waarde voor de Nederlandse samenleving. Vanzelfsprekend in een eerlijk proces. Mijn grootste zorg zit momenteel eerder op het eerste dan op het laatste. Ik wil allereerst borgen dat zowel aanbestedende diensten als ondernemers in Nederland hun tijd, geld en arbeidscapaciteit optimaal besteden. Daar is immers op alle terreinen sprake van schaarste. Dat betekent dat aanbestedingen geen onnodige vertraging oplopen en uitvoerbaar moeten blijven om maatschappelijke impact te bereiken. De eventuele zorgen van uw Kamer over het wetsvoorstel neem ik serieus. Ik nodig uw Kamerleden dan ook graag uit om samen met mij in gesprek te gaan over dit wetsvoorstel. In deze brief geef ik een technische reactie op de wetenschapstoets.
De totstandkoming van dit wetsvoorstel kent al een lang traject. In nauw contact met aanbestedende diensten1 en ondernemers is gezocht naar een balans. De basis van dit wetsvoorstel zijn de door uw Kamer gesteunde adviezen van een klankbordgroep, die bestond uit een brede vertegenwoordiging van de praktijk (o.a. decentrale overheden, publiekrechtelijke instellingen, ondernemers en wetenschappers). Daarnaast is een motie van uw Kamer over een opschortende termijn als stok achter de deur bij de Commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE) meegenomen. De uitwerking daarvan is complex. Tegelijkertijd zouden de voorgestelde termijnen in de praktijk haalbaar moeten zijn.
Ik kan mij goed voorstellen dat het wetsvoorstel als complex en lastig leesbaar wordt ervaren. Dat is een gevolg van eerdere keuzes in de vormgeving van de Europese richtlijnen en daarmee de Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw 2012). Dat is ook waarom werken we aan een planningstool, die in de praktijk logischerwijs vaker gebruikt zal worden dan wetsteksten. Ook wil ik uw Kamer een technische briefing over dit wetsvoorstel aanbieden. Zo kan ik uw Kamer meenemen in de inhoud van het voorstel en de gemaakte afwegingen die daarbij horen.
Ik heb met interesse de bevindingen van prof. mr. C. Jansen en prof. dr. ir. F. Schotanus (hierna: de wetenschappers) gelezen. Met deze brief maak ik graag van de mogelijkheid gebruik om met uw Kamer te delen hoe ik daarnaar kijk. In deze reactie volg ik de indeling en nummering van de wetenschapstoets.
Vindbaarheid 3.1 CW-informatie
De wetenschapstoets vermeldt dat er geen aparte bijlage of aparte paragraaf met 3.1 CW-informatie (de verplichte toelichting van voorstellen op basis van artikel 3.1 Comptabiliteitswet) is opgenomen in de Memorie van Toelichting (MvT) bij het wetsvoorstel. Dat klopt. De keuze voor de beleidsinstrumenten en de doeltreffendheid zijn opgenomen in paragraaf 2.2 tot en met 2.4 van de MvT en de (financiële) gevolgen zijn te vinden in hoofdstuk 6 van de MvT. De doelmatigheid van de maatregelen wordt uiteengezet bij de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel om zo per onderdeel beter te kunnen toelichten waarom dat specifieke onderdeel doelmatig wordt geacht voor een laagdrempelige en effectieve klachtafhandeling. Aangezien het wetsvoorstel verschillende elementen bevat, is ingeschat dat dit de leesbaarheid en begrijpelijkheid zou bevorderen.
Nastreven beleidsdoelen
De wetenschappers stellen dat het wetsvoorstel niet bijdraagt aan de verbetering van de rechtsbescherming bij aanbesteden en in de kern ook niet gaat over rechtsbescherming. Daarmee zou het wetsvoorstel ook een belangrijk deel van de zorgen van ondernemers niet oplossen. Ik begrijp dat de term ‘rechtsbescherming’ voor dit wetsvoorstel mogelijk een andere verwachting schept dan de daadwerkelijke inhoud van het wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel is één element van het grotere pakket van verbetering van rechtsbescherming bij aanbesteden, zoals in de MvT geschetst wordt. Dit pakket is destijds opgedeeld in drie onderdelen (deze onderverdeling is gelijk aan de onderverdeling die het KWINK-rapport van 2019 maakt)2:
Het verbeteren van het voorkomen van voorkomen van klachten en geschillen. Als maatregel hiervoor is het programma Beter Aanbesteden opgericht dat van 2018 tot en met 2024 heeft gedraaid. Een andere maatregel die hiervoor is ingesteld is het terugdringen van de extreme toepassing van de Grossman-arrest (het gebruik van de rechtsverwerkingsclausule). Hiervoor heeft mijn voorganger advies gevraagd bij de adviescommissie Gids Proportionaliteit en op basis van dit advies is de Gids Proportionaliteit in 2021 aangepast.
Het verbeteren van de klachtafhandeling. Een onderdeel hiervan is het wetsvoorstel en het actualiseren van de handreiking Klachtafhandeling bij aanbesteden (dit is in 2022 gedaan).
Het verbeteren van de gang naar de rechter. Dit onderdeel heeft als doel om de toegang naar de rechter voor ondernemers te verbeteren. Dit betreft de rechtsbescherming zoals in de wetenschapstoets bedoeld wordt. In overleg met de vertegenwoordiging van aanbestedende diensten en ondernemers is destijds besloten om eerst te focussen op dit wetsvoorstel over klachtafhandeling alvorens dit traject in gang wordt gezet.
Het klopt dus dat dit wetsvoorstel niet de rechtsbescherming in de zin van de gang naar de rechter betreft. Dat is echter slechts een onderdeel van de geconstateerde problematiek uit het KWINK-onderzoek. Zoals genoemd focust dit wetsvoorstel op het oplossen van het geringe effect van klachtafhandeling. In het KWINK-rapport werd geconcludeerd dat ondernemers niet altijd de mogelijkheid hebben om te klagen en dat de afhandeling van klachten bij een klachtenloket of de CvAE vaak te laat komt, waardoor een advies geen effect meer kan sorteren op de lopende aanbestedingsprocedure. Er is in dit wetsvoorstel een balans gevonden tussen de belangen van aanbestedende diensten, die zoveel mogelijk de vrijheid behouden om het klachtenloket en de klachtenregeling zelf in te regelen, en de belangen van ondernemers, door te borgen dat de klachtafhandeling ook nog effect kan sorteren voor de ondernemer.
Ingezette beleidsinstrumenten
Allereerst stellen de wetenschappers dat het wetsvoorstel geen alternatieve modellen voor decentrale klachtafhandeling verkent en dat nut en noodzaak van het verplichten van klachtenloketten onduidelijk is. Met het wetsvoorstel is beoogd om de inrichting van het klachtenloket zoveel mogelijk vormvrij te houden, zodat de aanbestedende diensten dit zoveel mogelijk zelf kunnen aanpassen aan hun eigen situatie. De verkenning van alternatieve modellen is daarmee niet nodig in dit wetsvoorstel. Zo zullen er aanbestedende diensten zijn die dit liever gezamenlijk willen inrichten, maar er zullen ook aanbestedende diensten zijn die dit liever binnen hun eigen organisatie inrichten, door bijvoorbeeld samen te werken met al bestaande klachtenloketten die voor andere doeleinden zijn ingericht. Zo worden veel mogelijkheden voor de inrichting van klachtafhandeling opengehouden met dit wetsvoorstel en wordt alleen het minimaal noodzakelijke verplicht. De nut en noodzaak van de verplichting van klachtenloketten volgt uit eerder onderzoek. De monitor klachtenloketten bij aanbestedende diensten van KWINK groep in 2025,3 waarmee onderzocht is of er de afgelopen jaren een verbeterslag is geweest, toont aan dat wetgeving nog steeds nodig is, gezien de geringe toename van het aantal klachtenloketten. Er wordt in de wetenschapstoets gesuggereerd dat de meeste aanbestedende diensten al een klachtenloket hebben en dat het wetsvoorstel daarom niet nodig zou zijn. Zoals in de MvT reeds is aangegeven, wordt voorgesteld om alle aanbestedende diensten te verplichten een klachtenloket hebben, dat klachten afhandelt volgens een klachtenregeling die aan een aantal minimumeisen voldoet. Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van een wettelijke verplichting moet niet slechts worden bekeken of aanbestedende diensten een klachtenloket hebben, maar ook of daaraan gekoppeld is dat zij een klachtenregeling hebben. De door KWINK groep onderzochte aanbestedingsdocumenten laten zien dat 72 tot 85% van de aanbestedende diensten aangeeft een klachtenloket te hebben. Als dan gekeken wordt welk van deze aanbestedende diensten met klachtenloket ook een klachtenregeling hebben, wordt dit in slechts 41% van de aanbestedingsdocumenten benoemd. Het hebben van een klachtenloket én klachtenregeling wordt aangeraden in de handreiking Klachtafhandeling die in 2022 is gepubliceerd. Ten tijde van de monitor in 2025 had nog altijd 49% van de aanbestedende diensten geen klachtenloket met klachtenregeling, als wordt uitgegaan van de cijfers van de door KWINK groep uitgevoerde enquête (dit wordt ook bevestigd in de uitvoeringslastentoets) en zelfs 65 tot 70% van de aanbestedende diensten als wordt uitgegaan van de analyse van de aanbestedingsdocumenten. Het effect van niet-wetgevende maatregelen, zoals de genoemde handreiking, blijkt helaas dus gering.
Daarnaast merken de wetenschappers op dat de CvAE op grond van het wetsvoorstel niet meer ontvankelijk is voor klachten over gunningsbeslissingen, maar klachtenloketten wel en dat er serieuze vragen zijn over de uitvoerbaarheid van de versterking van de rol van de CvAE. Om de CvAE als stok achter de deur te laten fungeren, zoals uw Kamer heeft verzocht in de motie-Palland/Aartsen,4 is het nodig dat de CvAE in korte tijd een advies schrijft. Daarbij is in overleg met de stakeholders gezocht naar een termijn die effect heeft op de lopende procedure, maar tegelijkertijd aanbestedende diensten en ondernemers niet onnodig lang in onzekerheid laat. In geval van klachten over gunningsbeslissingen is er sprake van een meerpartijenverhouding (de winnende inschrijver heeft ook belang), waarbij er dus meer hoor en wederhoor nodig is. Dit maakt de afhandeling van dergelijke klachten tijdrovend en daarmee is het niet mogelijk om een korte termijn te hanteren die nog proportioneel is voor de aanbestedende dienst om af te wachten. Daarom is in het wetsvoorstel gekozen om de CvAE geen rol meer toe te kennen bij klachten over gunningsbeslissingen.
Ik ben bekend met de signalen van de CvAE dat een termijn van veertien dagen op basis van de huidige werkwijze niet haalbaar is. Daar wordt sinds vorig jaar concreet aan gewerkt. Samen met de CvAE wordt, onder begeleiding van een kwartiermaker, bekeken welke aanpassingen in de werkwijze kunnen worden doorgevoerd. Ik heb tijdelijke middelen beschikbaar gesteld om doorlooptijden te verkorten en er wordt bekeken welke middelen hiervoor structureel nodig zijn om deze termijnen wel te halen.
De wetenschappers halen ook aan dat de cumulatieve opschorting van aanbestedingsprocedures ongewenste neveneffecten kent. Hierbij wil ik een belangrijke kanttekening plaatsen. Bij klachten bij het klachtenloket is enkel opschorting nodig indien de aanbestedende dienst niet meer de minimale bedenktermijn voor ondernemers kan borgen. De aanbestedende dienst kan deze termijn inbouwen in zijn aanbestedingsprocedure. De gestelde termijnen in de wet zijn minimumtermijnen en zijn daarmee aanpasbaar aan langer durende aanbestedingsprocedures, mits proportioneel. Ik begrijp dat opschorting in sommige gevallen voor een onvoorziene vertraging kan zorgen. Het is echter voor een effectieve klachtafhandeling nodig dat een ondernemer nog iets kan met de uitkomst van de afhandeling, daarom is het borgen van een bedenktermijn noodzakelijk. Gelet op het aantal klachten dat jaarlijks wordt ingediend in verhouding tot het aantal aanbestedingsprocedures, gaat het – zoals de wetenschappers zelf reeds aangeven – om een relatief beperkt aantal klachten in verhouding tot het totaal aantal aanbestedingen. Dat geldt zelfs als het aantal klachten bij de CvAE hoger uitvalt dan de in de MvT vermelde circa honderd per jaar.
Tot slot merken de wetenschappers bij dit onderdeel op dat de voorgestelde wijziging van de motivering van gunningsbeslissingen geen verbetering is en het een gemiste kans is om zogeheten Grossmann-clausules aan te pakken. Dit zijn rechtsverwerkingsclausules waar gesteld wordt dat als ondernemers geen vraag of klacht hebben ingediend bij de aanbestedende dienst, zij ook geen kort geding mogen instellen tegen een voorlopige gunningsbeslissing. Voor wat betreft de Grossmann-clausules heb ik eerder aangegeven dat dit is aangepast in de Gids Proportionaliteit. Er is voor deze weg gekozen omdat het in een aantal gevallen mogelijk wel proportioneel is om een rechtsverwerkingsclausule in te stellen. Doordat de Gids Proportionaliteit wordt gehanteerd door middel van een ‘pas toe of leg uit’-principe, geeft deze meer ruimte om hier toch van af te wijken indien de situatie daar in de praktijk om vraagt.
Ik begrijp de kritiek op de wijziging van de tekst van artikel 2.130 Aw 2012 en ben het met de wetenschappers eens dat het probleem met name in (de interpretatie van) de toelichting ligt. Het is echter wetstechnisch niet mogelijk om enkel de toelichting van een artikel aan te passen zonder het artikel zelf te wijzigen. Daarom is gekozen om ook de tekst in artikel 2.130 Aw aan te passen.
Doeltreffendheid
In dit onderdeel van de wetenschapstoets wordt gesteld dat onvoldoende onderbouwd is dat dit wetsvoorstel tot betere rechtsbescherming voor ondernemers zal leiden en dat het de vraag is of het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming bij aanbesteden voldoet aan het Unierecht. Tijdens het gehele wetgevingsproces is er nauw contact geweest met alle betrokken stakeholders en ook VNO-NCW/MKB-Nederland geeft aan dat de voorgestelde wetswijziging minimaal nodig is om te zorgen voor een effectieve en laagdrempelige klachtafhandeling. Soortgelijke signalen waren ook tijdens het door uw Kamer georganiseerde rondetafelgesprek te horen van ondernemerszijde. Het wetsvoorstel biedt een zorgvuldig gekozen balans tussen de belangen van aanbestedende diensten en ondernemers. Zoals eerder aangegeven lijkt rechtsbescherming in de wetenschapstoets vooral als gang naar de rechter te worden gezien, maar het doel van dit wetsvoorstel is een laagdrempelige en effectieve klachtafhandeling. Dit wetsvoorstel zorgt hiervoor omdat het ondernemers de mogelijkheid biedt om bij alle aanbestedende diensten zelf een klacht in te dienen, zo hoeven zij niet meteen de gang naar de rechter te kiezen, een keuze die zij zelf zeggen niet graag te maken door onder andere de bijkomende kosten. Daarnaast zorgen de verplichte termijnen voor een effectieve klachtafhandeling. Over het verplicht instellen van een klachtenloket met klachtenregeling, de rapportageverplichting en de aanscherping van de motivering is door zowel aanbestedende diensten als ondernemers aangegeven dat zij dit aanmoedigen. Enkel de termijnen bleven onderwerp van discussie.
Voor wat betreft het Unierecht wil ik opmerken dat dit vooral gaat over onderdelen die aan de orde komen in het deeltraject ‘gang naar de rechter’. Tot op heden heb ik geen signalen ontvangen van de Europese Commissie waaruit zou blijken dat ons huidige rechtsbeschermingsstelsel niet in lijn is met het Unierecht. Ook over dit wetsvoorstel is contact geweest met de Europese Commissie en er is niet aangegeven dat dit wetsvoorstel mogelijk niet in lijn is met het Unierecht. Momenteel worden in Brussel de Europese aanbestedingsrichtlijnen herzien.5 De Rechtsbeschermingsrichtlijn,6 waarop het rechtsbeschermingsstelsel in Nederland is gebaseerd, is echter geen onderdeel van deze herziening.
Doelmatigheid
De wetenschappers stellen in dit onderdeel dat de belangrijkste verwachte baten beperkt en onvoldoende onderbouwd zijn en dat de verwachte kosten divers en deels onderbelicht zijn. De baten beperken zich niet alleen tot een verbeterde klachtafhandeling door een sterkere rol voor de CvAE en meer transparantie. De klachtafhandeling wordt ook verbeterd door uniforme toepassing van klachtafhandeling en het feit dat de uitkomst daarvan effect sorteert tijdens de aanbestedingsprocedure. Dit waren voor ondernemers prominente aandachtspunten tijdens het KWINK-onderzoek in 2019. In de klankbordgroep zijn destijds verschillende afwegingen gemaakt en is gekeken naar welke maatregelen deze aandachtspunten het beste zouden adresseren. Deze afwegingen zijn in 2021 gedeeld met uw Kamer. Ik begrijp vanzelfsprekend dat onverwachte vertragingen tot extra kosten kunnen leiden. Vertragingen kunnen evenwel verschillende oorzaken hebben en als er een fout in het ontwerp van een aanbesteding zit, die door een klacht naar boven komt, dan is het beter en minder kostbaar om dit vroeg in de procedure op te lossen dan pas achteraf. Daarnaast zijn de (voorwaardelijke) opschortende termijnen goed te plannen. Zeker bij grootschalige of complexe projecten met een hoge opdrachtwaarde, mag verwacht worden dat aanbestedende diensten vooraf rekening houden met eventuele klachten en andere risico’s met betrekking tot de doorlooptijd. De eventuele opschorting van een klacht bij het eigen klachtenloket kan ingebouwd worden in de procedure zelf. De opschortende termijn van de CvAE is vooraf bekend (maximaal 14 dagen) en hiermee kan rekening worden gehouden in de interne planning. Daarbij kan een aanbestedende dienst zelf vooraf inschatten of een realistische kans bestaat dat de aanbesteding aan klachten onderhevig zal zijn. Is deze kans klein, dan kan de aanbestedende dienst de minimumtermijnen hanteren. Als laatste wil ik daarbij vermelden dat alle provincies een klachtenregeling met termijnen hebben die vergelijkbaar zijn met het wetsvoorstel (met uitzondering van de opschorting bij de CvAE).7
6 en 7. Financiële gevolgen voor het Rijk, maatschappelijke sectoren en derden
De wetenschappers stellen dat de financiële gevolgen voor het Rijk niet goed zijn in te schatten, zowel met betrekking tot de kosten voor de CvAE als de kosten voor de inkoopafdelingen om een klachtenloket in te richten. Daarnaast stellen zij dat de kosten van maatschappelijke sectoren en derden niet goed te toetsen zijn. Dit beeld herken ik niet. Wat de kosten voor de CvAE betreft, daar zijn inmiddels middelen beschikbaar voor gemaakt. De besteding van deze middelen is gebaseerd op een advies van ProHuman en wordt in gezamenlijkheid met de CvAE uitgevoerd. Voor de kosten voor de inkoopafdelingen van aanbestedende diensten kan gekeken worden naar de cijfers uit het Panteia-uitvoeringslastenonderzoek. Het uitvoeringslastenonderzoek is in gezamenlijkheid met de koepelorganisaties van de aanbestedende diensten uitgevoerd en de relevante tabellen uit dit onderzoek zijn opgenomen in de MvT. De kosten voor ondernemers zijn ook gezamenlijk met VNO-NCW/MKB-Nederland in kaart gebracht en voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Samen met VNO-NCW/MKB-Nederland en ATR is gekeken wat een reële tijdsbesteding zou zijn, waarbij vervolgens zelfs een ruimere inschatting is gemaakt. Ik begrijp dat een onvoorziene vertraging bij grote projecten extra kosten met zich mee kan brengen. Maar bij grote projecten gaat het vaak ook om lange aanbestedingsprocedures, waar klachtentermijnen vaak goed zijn in te bouwen in de (interne) planning.
Evaluatieparagraaf: leren, bijsturen, verantwoorden
De wetenschappers stellen dat de evaluatieopzet beperkt is uitgewerkt en de invoeringstoets zich slechts richt op de CvAE. Daarnaast vraagt structureel leren volgens hen om centralisatie en periodiek overleg. In de Kamerbrief van 2021 is aangekondigd dat twee jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel het gehele stelsel van rechtsbescherming bij aanbesteden wederom zal worden geëvalueerd, dit betekent dat dezelfde elementen zullen worden getoetst als tijdens het KWINK-onderzoek in 2019. Door de aankomende herziening van de aanbestedingsrichtlijnen, is gekozen om deze evaluatie niet nu al vast te zetten op twee jaar na inwerkingtreding, maar dat na de herziening wordt gekeken naar een geschikt moment. Ook al heeft de herziening van de aanbestedingsrichtlijnen naar verwachting geen betrekking op de rechtsbescherming, omdat de Rechtsbeschermingsrichtlijn niet wordt herzien, is hiermee getracht te zorgen dat de uitkomsten van de verschillende processen elkaar zo min mogelijk frustreren. Om een vinger aan de pols te houden bij de vernieuwde rol van de CvAE, is er wel voor gekozen om na twee jaar een invoeringstoets uit te voeren. Daarnaast moedig ik het idee van centrale kennisdeling vanzelfsprekend zeer aan en zal ik gaan kijken hoe ik dit kan faciliteren. Het lijkt mij echter niet passend om dit in wetgeving vast te leggen.
Tot slot
Ik hoop uw Kamer met deze brief voldoende geïnformeerd te hebben en zoals eerder aangegeven ben ik bereid om een technische briefing over het wetsvoorstel te verzorgen.
De minister van Economische Zaken en Klimaat,
H.G. Herbert
Voor het leesgemak wordt in deze brief, net als in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel, met de term ‘aanbestedende diensten’ verwezen naar zowel aanbestedende diensten als speciale-sectorbedrijven in de zin van de Aanbestedingswet 2012.↩︎
Zie voor de aankondiging van het pakket ter verbetering van de rechtsbescherming bij aanbesteden: Kamerstukken II 2020/21, 34 252, nr. 21. Zie voor het KWINK-rapport: Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 34 252, nr. 13 (Rechtsbescherming in de aanbestedingspraktijk. Een onderzoek naar ervaren problemen en mogelijke verbeteringen door KWINK groep). Uiteenzetting bevindingen KWINK-rapport in Kamerstukken II 2018/19, 34 252, nr. 13.↩︎
Bijlage bij Kamerstukken II 2025/26, 36 874, nr. 3 (Rapport ‘Monitor klachtenloketten bij aanbestedende diensten’ door KWINK groep).↩︎
Kamerstukken II 2019/20, 34 252, nr. 15 (motie-Palland/Aartsen).↩︎
Het gaat hier om de volgende richtlijnen: Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PbEU 2014, L 94), Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PbEU 2014, L 94) en Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PbEU 2014, L 94).↩︎
Richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de Richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten (PbEU 2007, L 335).↩︎
Dit is bijvoorbeeld te zien in de klachtenregeling van de Provincie Utrecht en de Provincie Noord-Brabant, zie hiervoor: Provinciaal blad van Utrecht 2023, 15807 (voor Utrecht) en https://www.brabant.nl/@14077/klachtenregeling-aanbesteden/ (voor Noord-Brabant).↩︎