Verslag
Wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met diverse wijzigingen van pensioenwetgeving (Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen)
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D36289, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-08-03 14:33, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (PRO)
- Mede ondertekenaar: H.J. Post, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36957 -5 Wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met diverse wijzigingen van pensioenwetgeving (Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen).
Onderdeel van zaak 2026Z11714:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Financiën
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-16 16:30 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 8 juli 2026. (Besluit)
- 2026-06-09 16:20 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-09 16:20 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Besluit)
- 2026-06-09 16:20: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-16 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-07-08 14:00: Wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met diverse wijzigingen van pensioenwetgeving (Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
36 957 Wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met diverse wijzigingen van pensioenwetgeving (Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen)
Nr. 5 VERSLAG
Vastgesteld 10 juli 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
ALGEMEEN DEEL
Hoofdstuk 1. Aanleiding en doelen
Hoofdstuk 2. Uitwerking toezeggingen en andere gewenste wijzigingen
Hoofdstuk 3 Gevolgen voor burgers, bedrijven en overheid
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Overig
ALGEMEEN DEEL
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen en hebben daarover nog de volgende vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van een voorspelbaar, uitvoerbaar en begrijpelijk pensioenstelsel. Zij steunen het uitgangspunt dat bij de invoering van de Wet toekomst pensioenen onbedoelde knelpunten tijdig worden weggenomen, zeker waar dat bijdraagt aan rechtszekerheid voor deelnemers en aan een beheerste uitvoering door pensioenuitvoerders. Tegelijkertijd hechten deze leden eraan dat aanvullende wijzigingen niet leiden tot onnodige complexiteit, uitvoeringsrisico’s, hogere regeldruk of onvoldoende duidelijke communicatie richting deelnemers en nabestaanden. Deze leden hebben daarom nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd naar de meest recente stand van zaken van de pensioentransitie. Wanneer wordt de Kamer hier over geïnformeerd?
De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben naar aanleiding daarvan nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van een zorgvuldige uitvoering van toezeggingen die zijn gedaan bij de behandeling van de Wet toekomst pensioenen. Zij vinden het positief dat het wezenpensioen, de kinddefinitie en de positie van zieke en arbeidsongeschikte deelnemers worden verduidelijkt en verbeterd. Wel hebben deze leden een aantal vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen. De leden hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben over dit wetsvoorstel nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Zij hebben daarover enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Zij hebben op dit moment geen vragen.
Hoofdstuk 1. Aanleiding en doelen
De leden van de VVD-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de bredere planning van de pensioentransitie. Kan de regering bevestigen dat de voorgestelde wijzigingen geen nieuwe onzekerheid veroorzaken voor sociale partners, pensioenfondsen, verzekeraars, premiepensioeninstellingen en adviseurs die al vergevorderd zijn met implementatieplannen en communicatie aan deelnemers?
De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd of de regering heeft overwogen andere maatregelen, die uiteindelijk niet zijn opgenomen, toe te voegen aan het voorliggende wetsvoorstel. In het bijzonder vragen zij naar mogelijke maatregelen om het zogenaamde ‘compensatiegat’ te dichten en maatregelen om de ‘witte vlek’ te verkleinen. Deze leden hadden graag gezien dat ook hierin een stap wordt gezet, maar zien dit nu niet terug in het wetsvoorstel, terwijl beide onderwerpen zeer relevant zijn voor de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Kan de regering toelichten waarom maatregelen op dit gebied geen onderdeel uitmaken van het wetsvoorstel?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de beoogde inwerkingtreding is verschoven van 1 januari 2027 naar 1 juli 2027. Deze leden vragen de regering welke overwegingen aan deze verschuiving ten grondslag liggen.
De leden van de BBB-fractie steunen de inzet om de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen mogelijk te maken en de kinddefinitie te uniformeren. Deze leden vragen de regering wel of er een uitvoeringshandreiking komt, bijvoorbeeld met bewijsstukken en praktijkvoorbeelden voor stiefkinderen en pleegkinderen, zodat de nieuwe wettelijke definitie niet alsnog leidt tot verschillende toepassing of willekeur per uitvoerder.
Deze leden vragen de regering daarnaast hoe wordt omgegaan met hardheidsgevallen bij de toepassing van de nieuwe kinddefinitie. Is voorzien in monitoring of evaluatie van de werking van deze definitie in de praktijk?
De leden vragen de regering per wanneer de zogenoemde einde-maandbenadering voor het wezenpensioen precies wordt geregeld. Wordt deze aanpassing ook pensioenrechtelijk in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling gespiegeld, zodat geen tweesporigheid ontstaat tussen fiscale regels en pensioenrechtelijke regels?
De leden vragen de regering waarom niet is gekozen voor een zogenoemde uniformeringsknop waarmee oude, nog niet ingegane wezenpensioenen bij de transitie onder de nieuwe 25-jaar-regels kunnen worden gebracht. Kan de regering toelichten of een dergelijke optie de uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid voor deelnemers en uitvoerders zou kunnen verbeteren?
Deze leden vragen de regering hoeveel jaar uitvoerders naar verwachting nog oude voorwaarden voor wezenpensioen, zoals studie-eisen, moeten blijven controleren indien geen aanvullende uniformeringsmogelijkheid wordt geboden. Kan de regering daarbij ingaan op de gevolgen voor uitvoeringskosten, administratieve lasten en mogelijke klachten van deelnemers of wezen?
De leden van de BBB-fractie onderschrijven de verruiming van het overgangsrecht bij premievrije voortzetting wegens arbeidsongeschiktheid. Deze leden vragen de regering wel of hierdoor risico bestaat op nieuwe ongelijkheid tussen groepen deelnemers, bijvoorbeeld afhankelijk van het moment van arbeidsongeschiktheid, de betrokken uitvoerder of de gekozen transitieafspraken. Hoe wordt een eventueel risico op ongelijke behandeling gemitigeerd?
Hoofdstuk 2. Uitwerking toezeggingen en andere gewenste wijzigingen
De leden van de D66-fractie zouden graag een overzicht ontvangen van alle openstaande aangenomen moties en toezeggingen die verband houden met wet- en regelgeving rond pensioenen, met daarbij vermeld of deze wel of niet in dit wetsvoorstel zijn verwerkt en zo nee, waarom daar niet voor is gekozen.
De leden van de D66-fractie kunnen goed begrijpen dat ter invulling van de aangenomen motie-Oomen-Ruijten c.s. nu vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen wordt voorgesteld. 1Wat is de reden waarom in eerste instantie deze optie niet werd geboden, waar dat wel gold voor het partnerpensioen? Om hoeveel wezen gaat het naar verwachting die met gebruik van deze regeling een pensioen zullen ontvangen? Op basis waarvan is de verwachting gebaseerd dat hier een grote behoefte aan bestaat? Wat zijn de financiële gevolgen voor de deelnemer precies indien iemand gebruik maakt van deze vrijwillige regeling? Hoeveel raakt de persoon dan kwijt aan ouderdomspensioen? Zal deze regeling niet naar verwachting vooral gebruikt gaan worden door mensen met een lage levensverwachting? En indien dat het geval is, wat zijn dan de verwachte financiële effecten voor pensioenfondsen in het algemeen als gevolg van mogelijke averechtse selectie? Kan een inschatting gemaakt worden van de uitvoeringskosten van het aanbieden van deze keuze? De leden van de D66-fractie vragen tevens waarop de leeftijdsgrens van 25 jaar is gebaseerd bij de uitbetaling van het wezenpensioen, in plaats van de leeftijdsgrens van 21 jaar die gehanteerd wordt voor de onderhoudsplicht.
De leden van de D66-fractie steunen de keuze voor een ruim kindbegrip, zodat voorkomen wordt dat kinderen geen wezenpensioen ontvangen die wel afhankelijk waren van de overleden ouder. Begrijpen de voornoemde leden echter goed dat al deze kinderen exact gelijk worden behandeld? Dus ook bijvoorbeeld dat een stiefkind van 24 jaar dat een bescheiden relatie had met de overleden ouder en al werkt maar toevallig op hetzelfde adres woonde, hetzelfde wezenpensioen ontvangt als een studerend biologisch kind van 18 jaar dat intensief werd ondersteund door de ouder?
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast op welke punten de definitie van partner verschilt van het partnerbegrip in de toeslagen en of de regering ook van mening is dat het beter zou zijn om dit zo veel mogelijk op elkaar te laten aansluiten. Kan de regering daarbij in ieder geval ingaan op de samenwoonvereiste?
De leden van de D66-fractie vernemen dat vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen kan worden stopgezet bij verschillende situaties, waaronder de situatie dat de partner geen toestemming meer verleent voor de uitruil naar de toekomst toe als de financiering deels ten laste komt van het pensioenvermogen voor het partnerpensioen. Waarom is er voor deze mogelijkheid gekozen? Ligt de mogelijkheid om dit besluit te nemen alleen bij de partner in kwestie of ook deels bij de deelnemer zelf? Bestaat hiermee niet het risico dat bijvoorbeeld een kind geen aanspraak meer kan maken op het wezenpensioen nadat deze gebrouilleerd is geraakt met de partner in kwestie, terwijl het wel de wens van de overledene was om wezenpensioen na te laten?
De leden van de D66-fractie vragen ten aanzien van de keuze voor financiering van de vrijwillige voortzetting met het bij invaren opgebouwde partnerpensioen welke optie wanneer voordelig is voor betrokkenen en of keuzes niet voornamelijk daarop gebaseerd zullen zijn. Welke invloed heeft dit op de uitvoerbaarheid van het invaren?
De leden van de D66-fractie hechten veel waarde aan de wijziging om op de loonstrook inzichtelijk te maken of een werknemer wel of geen ouderdomspensioen opbouwt. Waar kunnen mensen terecht indien zij wel hadden verwacht dat zij pensioen hadden opgebouwd, maar nu op hun loonstrook ontdekken dat dat niet het geval was? Welke consequenties kan het hebben als werkgevers nalaten te vermelden dat er geen pensioen wordt opgebouwd of dit wel vermelden op de loonstrook terwijl dat niet het geval is? Betekent deze verplichting ook dat het niet opbouwen van pensioen ook expliciet vermeld moet worden of alleen dat het niet op de loonstrook vermeld hoeft te worden? Kan de regering aangeven waarom zij stelt dat dit geen nieuw politiek besluit is? Op welke wijze was tot nu toe de politieke wens geregeld dat werknemers geïnformeerd zijn over het wel of niet opbouwen van pensioen? Wat waren de alternatieven voor deze verplichting via de loonstrook? Zou het ook een oplossing zijn voor het bestrijden van witte vlekken om mogelijk te maken dat de belastingdienst de jaarruimte voor pensioeninleg toont? Zou dit ook de eigen inleg eenvoudiger maken en zo ja, hoe staat de regering hiertegenover?
De leden van de D66-fractie begrijpen dat op dit moment voor flexibele premieregelingen geldt dat mee- en tegenvallers gelijkelijk over de spreidingsperiode worden verdeeld, terwijl het bij solidaire premieregelingen mogelijk is om dat in een afnemende mate te doen. Is dat inderdaad het geval en zo ja, kan de regering toelichten waarom deze mogelijkheid alleen voor flexibele premieregelingen bestaat? Heeft de regering overwogen bij deze Toezeggingenwet of elders dit punt gelijk te trekken tussen flexibele en solidaire premieregelingen? Kan de regering uiteenzetten wat de consequenties zouden zijn om ten aanzien hiervan in artikel 63a, lid 5 Pensioenwet de passage “in gelijke mate” te schrappen of te vervangen door een spreidingswijze die minder volatiliteit zou inhouden of beter zou aansluiten op de solidaire premieregeling?
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast graag aandacht voor de regels ten aanzien van de vaste daling in flexibele premieregelingen, die begrensd zijn op 35%, maar wel sterk afhankelijk zijn van de rente op de pensioendatum. Is dit inderdaad het geval en zo ja, kan de regelingen toelichten wat hiervoor de toegevoegde waarde is? Heeft de regering overwogen bij deze Toezeggingenwet of elders de vaste daling in mindere mate of niet meer afhankelijk te maken van de actuele rente op pensioendatum? Zijn hiervoor alternatieven onderzocht of te bedenken?
De leden van de VVD-fractie steunen het uitgangspunt dat gewezen deelnemers meer mogelijkheden krijgen om het risico voor nabestaanden, waaronder kinderen, te blijven afdekken. Tegelijkertijd constateren deze leden dat vrijwillige voortzetting wordt gefinancierd door uitruil van pensioenvermogen. Kan de regering nader toelichten hoe wordt voorkomen dat deelnemers door langdurige voortzetting onvoldoende ouderdomspensioen overhouden of de gevolgen daarvan onderschatten?
Welke concrete informatie moet de pensioenuitvoerder jaarlijks verstrekken over de gevolgen voor het ouderdomspensioen, het partnerpensioen op of na pensioendatum en het eventuele bijzonder partnerpensioen? Kan de regering aangeven of deze informatie in euro’s, scenario’s of percentages moet worden weergegeven, zodat deelnemers daadwerkelijk een geïnformeerde keuze kunnen maken?
De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel aanvragen voor vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen de regering verwacht. In de memorie van toelichting wordt gerekend met een voorbeeld van 150 aanvragen per jaar en kosten van € 110,60 per aanvraag. Kan de regering onderbouwen waarop dit aantal is gebaseerd en hoe gevoelig de regeldrukraming is indien het aantal aanvragen hoger uitvalt?
De leden van de VVD-fractie begrijpen de wens om onverklaarbare verschillen tussen pensioenregelingen te verminderen. Een uniforme kinddefinitie kan bijdragen aan duidelijkheid voor deelnemers en nabestaanden. Tegelijkertijd zien deze leden dat de voorgestelde definitie verschillende situaties omvat, waaronder stiefkinderen, pleegkinderen, co-ouderschap, tijdelijk verblijf elders en aantoonbare bijdragen in levensonderhoud. Kan de regering toelichten waarom deze uitwerking naar haar oordeel voldoende eenvoudig en uitvoerbaar is?
Welke gegevens moeten pensioenuitvoerders in de praktijk verzamelen om vast te stellen of sprake is van een stiefkind of pleegkind onder de voorgestelde definitie? Kan de regering per categorie aangeven welke bewijsmiddelen nodig zijn, wie deze moet aanleveren en hoe wordt voorkomen dat nabestaanden na overlijden worden geconfronteerd met complexe bewijsdiscussies?
De leden van de PRO-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom vrijwillige voortzetting niet toegestaan is als het ouderdomspensioen onder de afkoopgrens klein pensioen komt. Ook vragen zij of het klopt dat de beperkingen aan de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen exact gelijk zijn aan die van het partnerpensioen. Verder lezen zij dat gewezen deelnemers met een partner of kind(eren) na informatievoorziening vanuit de pensioenuitvoerder expliciet dienen te kiezen voor vrijwillige voortzetting. De leden van de Pro-fractie vragen waarom niet gekozen is om deze vrijwillige voortzetting de standaardkeuze te maken en de deelnemers dan zouden moeten kiezen om de vrijwillige voortzetting voor partner en/of kind(eren) te stoppen? Verder is de goedkeuring van de partner noodzakelijk om bij vrijwillige voortzetting het partnerpensioen in te zetten voor opbouw voor het wezenpensioen, is dit strikt noodzakelijk, aangezien de deelnemer premie heeft ingelegd?
Deze leden vragen daarnaast of de regering het verschil tussen een ‘onbepaald systeem’ bij de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen en een bepaald systeem kan toelichten; klopt het dat per pensioenregeling verschilt of pas bij aanspraak bepaald wordt wie recht heeft op wezenpensioen of al tijdens de vrijwillige voortzetting zelf? Waarom is dit niet wettelijk bepaald en op basis waarvan maken sociale partners deze keuze?
De leden van de PRO-fractie vragen in dit kader ook naar het overgangsrecht bij de uniformering van de kinddefinitie. Deze leden lezen dat personen die al in een pensioenregeling werden aangemerkt als kind maar niet onder de nieuwe definitie van kind vallen aangemerkt zullen blijven als kind. Klopt het dat er sprake kan zijn van een vergelijkbare situatie, waarbij personen op dit moment onder de definitie van kind kunnen vallen in hun pensioenregeling maar na uniformering niet meer, maar niet als kind aangemerkt zijn omdat er sprake is van een onbepaald systeem? Ontstaat daarbij ongelijke behandeling tussen kinderen van deelnemers met een pensioenregeling waarbij sprake is van een onbepaald systeem tegenover kinderen van deelnemers met een bepaald systeem? Wat vindt de regering daarvan?
Bij de uniforme kinddefinitie – een klaarblijkelijke verbetering – vragen de leden van de Pro-fractie bij welke partij de bewijslast ligt en op welk moment aan deze bewijslast invulling moet worden gegeven. Het is niet wenselijk dat na overlijden van een ouder, diens partner of kinderen uitgebreid bewijs moeten aandragen bij de pensioenuitvoerder. In hoeverre kunnen pensioenuitvoerders uit bestaande registers of combinatie van databronnen de correcte inschatting maken wie een kind van de deelnemer is? Wat is er praktisch voor mogelijk om dit correct te doen, de administratieve- en uitvoeringslasten te beperken, en de partner en/of kinderen te ontlasten?
De leden van de PRO-fractie lezen dat de tweede financieringswijze van het nabestaandenpensioen die met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd wenselijk is omdat ‘niet alle pensioenuitvoerders in de opbouwfase eenvoudig onderscheid kunnen maken tussen pensioenvermogen voor het ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioeningang’. Tegelijkertijd meldt de regering dat met dit voorstel een keuze kan worden gemaakt. Deze leden vragen wie deze keuze maakt. Zij merken op dat als de keuze bij de deelnemer ligt, de pensioenuitvoerder nog steeds te maken kan krijgen met het hierboven beschreven probleem. Tegelijkertijd is het vreemd als de keuze bij de pensioenuitvoerder ligt, omdat de financieringswijze ook bepaalt of de deelnemer toestemming dient te vragen aan diens partner of niet. Kan de regering toelichten hoe zij tegen dit dilemma aankijkt en welk scenario het juiste is?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de
deelnemer de vrijwillige voortzetting bekostigt door uitruil van het
opgebouwde ouderdomspensioen (paragraaf 2.1.1, pagina 2), en dat als
minimale duur wordt aangesloten bij de voor het partnerpensioen geldende
termijn van vijftien jaar, waarbij een kortere periode mogelijk is
(paragraaf 2.1.2).
Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat de deelnemer zich
bewust is van de gevolgen voor zijn ouderdomspensioen.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoe de evenwichtigheid
van de ruilvoet bij de uitruil van ouderdomspensioen wordt beoordeeld en
wie daarop toeziet.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het nieuwe artikel
2b van de Pensioenwet het kindbegrip uitbreidt met stief- en
pleegkinderen (paragraaf 2.2). Voor het aanmerken als stiefkind gelden
nadere voorwaarden, zoals een verblijf van ten minste 156 dagen per
kalenderjaar bij co-ouderschap (paragraaf 2.2.4.3) dan wel een
aantoonbare financiële bijdrage van ten minste € 522 per kwartaal (norm
2025, paragraaf 2.2.4.4). Deze leden vragen de regering hoe deze
criteria door uitvoerders worden gecontroleerd en bij wie de bewijslast
ligt.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering op pagina 11 van
de memorie van toelichting erkent dat een kind bij vier verschillende
ouders wezenpensioen kan opbouwen. Deze leden vragen de regering welke
financiële gevolgen dit heeft en of een scherpere afbakening is
overwogen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat op het loonstrookje voortaan
alleen hoeft te worden vermeld dat er een pensioenregeling is, en niet
langer of er ouderdomspensioen wordt opgebouwd. Deze leden vragen de
regering waarom voor deze versoepeling is gekozen en of de regering
bereid is deze te heroverwegen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de
vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen is bedoeld voor gewezen
deelnemers na afloop van de uitloopperiode of na afloop van dekking
tijdens een Ziektewet- of Werkloosheidswetperiode. De leden van de
CDA-fractie vragen hoe wordt geborgd dat juist mensen in onzekere
overgangssituaties, zoals werkloosheid, ziekte, zelfstandig
ondernemerschap of wisseling van baan, tijdig en begrijpelijk worden
geïnformeerd over deze keuze? De vrijwillige voortzetting van het
wezenpensioen wordt betaald uit het pensioenvermogen dat de deelnemer al
heeft opgebouwd. Daardoor kan de deelnemer zijn kinderen beter
beschermen bij overlijden voor de pensioendatum, maar kan het
ouderdomspensioen later lager uitvallen. Welke eisen stelt de regering
aan keuzebegeleiding en jaarlijkse informatieverstrekking, zodat
deelnemers deze afweging goed kunnen overzien voordat zij hiervoor
kiezen?
De memorie noemt situaties waarin de vrijwillige voortzetting korter
kan duren dan vijftien jaar, bijvoorbeeld door de afkoopgrens klein
pensioen of een maximum voor de omvang van de uitruil. De leden van de
CDA-fractie vragen of de regering kan inschatten hoe vaak dit naar
verwachting zal voorkomen en of juist deelnemers met een lager
pensioenvermogen daardoor minder lang bescherming kunnen inkopen voor
hun kinderen?
Met een uniforme kinddefinitie wil de regering voorkomen dat een kind in
de ene pensioenregeling wel en in de andere pensioenregeling niet als
kind wordt aangemerkt. De leden van de CDA-fractie vragen of
pensioenuitvoerders voor inwerkingtreding beschikken over een
gezamenlijke beslisboom of uniforme handreiking voor de beoordeling van
eigen kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen en samengestelde
gezinnen? Voor stiefkinderen worden verschillende criteria gehanteerd,
waaronder inschrijving op hetzelfde adres, tijdelijk verblijf elders,
co-ouderschap van ten minste 156 dagen per jaar of een aantoonbare
bijdrage in het levensonderhoud. Hoe moeten pensioenuitvoerders dit na
overlijden praktisch en zorgvuldig vaststellen, zonder nabestaanden te
belasten met ingewikkelde bewijsdiscussies op een kwetsbaar moment? De
leden van de CDA-fractie wijzen op onderzoek van het CBS en de
Universiteit Utrecht waaruit blijkt dat in een groot deel van de
gevallen van scheiding kinderen (voornamelijk) bij de moeder wonen
(circa 70 procent), terwijl slechts in een minderheid van de gevallen
sprake is van co-ouderschap of hoofdverblijf bij de vader. In dat licht
constateren deze leden dat in situaties waarin de partner van de vader
als stiefouder optreedt, het kind in de praktijk vaak niet voldoet aan
de in de regeling gehanteerde strikte dagentermijn van 156 dagen
verblijf per kalenderjaar om als stiefkind in de zin van de regeling te
worden aangemerkt. Deze leden vragen de regering hoe deze zeer strikte
afbakening zich verhoudt tot de feitelijke gezinsrealiteit waarin
stiefouders in samengestelde gezinnen een substantiële en duurzame
opvoedings- en verzorgingsrol kunnen vervullen, ook indien het kind
structureel minder dan 156 dagen per jaar in het huishouden van de
stiefouder verblijft. Kan de regering toelichten in hoeverre is
onderkend dat deze harde kwantitatieve grens ertoe kan leiden dat in een
aanzienlijk aantal gevallen geen sprake is van erkenning als stiefkind
voor het wezenpensioen, terwijl er materieel gezien wel degelijk sprake
kan zijn van een bestendige gezinsband en wederzijdse afhankelijkheid
binnen het huishouden, en hoe deze uitkomst wordt beoordeeld in het
licht van de beoogde bescherming van kinderen binnen het
nabestaandenpensioenstelsel. Voorts vragen deze leden op welke gronden
de specifieke norm van 156 dagen verblijf per kalenderjaar is gebaseerd,
welke overwegingen daarbij een rol hebben gespeeld in termen van
uitvoerbaarheid, rechtszekerheid en aansluiting bij andere wettelijke
regelingen, en of daarbij expliciet is overwogen om een lagere of anders
vormgegeven drempel te hanteren om beter aan te sluiten bij diverse
co-ouderschaps- en samengestelde gezinssituaties. Voor pleegkinderen
geldt dat geen recht op wezenpensioen bestaat wanneer sprake is van een
pleegvergoeding, omdat die vergoeding in beginsel kostendekkend wordt
geacht. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan
onderbouwen dat in langdurige pleegzorgsituaties daadwerkelijk geen
financiële zorg van de pleegouder wegvalt bij overlijden, en op welke
wijze is vastgesteld dat de pleegvergoeding in al deze situaties
daadwerkelijk als kostendekkend kan worden beschouwd, mede gelet op
verschillen in gemeentelijke uitvoering en individuele zorgsituaties.
Daarbij vragen deze leden tevens of de regering bereid is dit
uitgangspunt na inwerkingtreding te monitoren en te evalueren in
hoeverre deze aanname in de praktijk standhoudt. Daarnaast vragen deze
leden hoe wordt voorkomen dat pleegkinderen die langdurig in een gezin
wonen, bijvoorbeeld vanaf jonge leeftijd tot aan volwassenheid, buiten
de regeling van het wezenpensioen vallen, terwijl zij feitelijk volledig
zijn opgegroeid binnen het betreffende gezin en in sociaal en emotioneel
opzicht onderdeel zijn van dat gezin. Kan de regering toelichten hoe
deze afbakening zich verhoudt tot het uitgangspunt van bescherming van
kinderen bij het wegvallen van verzorgers, ongeacht de juridische
vormgeving van de gezags- of plaatsingssituatie. Voorts vragen deze
leden of een inschatting is gemaakt van het aantal pleegkinderen dat als
gevolg van de cumulatie van de gestelde voorwaarden geen recht zal
hebben op wezenpensioen, ondanks een feitelijke langdurige en
gezinsachtige relatie met de pleegouders. In dat verband vragen
zij tevens of is overwogen dat deze afbakening tot ongelijke uitkomsten
kan leiden tussen vergelijkbare situaties van afhankelijkheid en
verzorging, afhankelijk van de aanwezigheid van een pleegvergoeding of
de administratieve kwalificatie van de plaatsing. Deze leden vragen of
er is voorzien in een hardheidsclausule of vergelijkbare
uitzonderingsmogelijkheid voor situaties waarin strikt juridisch geen
recht op wezenpensioen bestaat, maar waarin materieel gezien wel sprake
is van een duurzame gezinsrelatie en financiële en emotionele
afhankelijkheid van het pleegkind van de pleegouder, en zo niet, of de
regering bereid is te bezien of een dergelijke voorziening alsnog
wenselijk is om onbedoelde hardheden in individuele gevallen te kunnen
voorkomen. Tot slot vragen deze leden of de regering heeft overwogen of
het gesignaleerde knelpunt ook kan worden ondervangen door ouders of
pleegouders de mogelijkheid te geven om een pleegkind actief aan te
melden voor dekking van het wezenpensioen, zodat niet uitsluitend de
formele kwalificatie van de pleegzorgsituatie of de aanwezigheid van een
pleegvergoeding bepalend is voor de toegang tot deze voorziening, maar
ook de feitelijke gezinsrelatie en keuze van de betrokkenen daarin kan
worden meegewogen.
Het overgangsrecht voor premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid wordt verruimd om te voorkomen dat kleine groepen deelnemers bij gesloten pensioenfondsen of verzekeraars tussen wal en schip vallen. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering in een overzicht kan aangeven welke groepen zieke of arbeidsongeschikte deelnemers met dit wetsvoorstel worden beschermd, en of er nog situaties denkbaar zijn waarin deelnemers alsnog buiten de verruiming vallen? Bij pensioenfondsen geldt als uitgangspunt dat wanneer een pensioenregeling invaart, iedereen invaart. Hoe wordt in de beoordeling van evenwichtigheid specifiek gecontroleerd dat arbeidsongeschikte deelnemers met premievrije voortzetting door de transitie naar het nieuwe stelsel niet feitelijk slechter af zijn? De verruiming van het overgangsrecht sluit volgens de memorie aan bij uitvoeringsknelpunten in de praktijk. De leden van de CDA-fractie vragen of pensioenuitvoerders verplicht zijn om betrokken zieke of arbeidsongeschikte deelnemers actief te informeren als zij onder de verruimde overgangsregeling vallen, en welke minimale informatie zij daarbij moeten ontvangen?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering aankijkt tegen
signalen dat pensioenuitvoerders in de flexibele premieregeling behoefte
hebben aan meer ruimte om financiële mee- en tegenvallers niet alleen
gelijkmatig, maar ook afnemend over de spreidingsperiode te verwerken.
Kan de regering toelichten of een dergelijke afnemende spreiding past
binnen de uitgangspunten van het nieuwe pensioenstelsel, waaronder
stabiliteit van uitkeringen, uitlegbaarheid voor deelnemers en
evenwichtige belangenafweging? Welke voordelen en risico’s ziet de
regering voor deelnemers en voor uitvoerders die zowel flexibele als
solidaire premieregelingen uitvoeren? Daarnaast vragen de leden van de
CDA-fractie aandacht voor de vaste daling bij variabele
pensioenuitkeringen in de flexibele premieregeling. Deze leden begrijpen
dat de huidige wettelijke begrenzing mede afhankelijk is van de
risicovrije rente op de pensioendatum. Kan de regering toelichten of dit
ertoe kan leiden dat vergelijkbare deelnemers verschillend worden
behandeld, enkel doordat zij op een ander moment met pensioen gaan? Hoe
beoordeelt de regering de mogelijkheid om het dalingspercentage
stabieler en beter uitlegbaar vorm te geven, bijvoorbeeld door dit te
baseren op een constante risicopremie in plaats van op de actuele
rentestand op de pensioendatum?
De regering stelt voor dat op de loonstrook niet hoeft te worden vermeld
of de werknemer in het betreffende tijdvak daadwerkelijk
ouderdomspensioen opbouwt, maar alleen of bij de werkgever een
pensioenregeling aanwezig is. De leden van de CDA-fractie begrijpen dat
dit beter uitvoerbaar is. Tegelijkertijd kan de vermelding dat een
pensioenregeling aanwezig is bij werknemers de indruk wekken dat zij
zelf ook daadwerkelijk ouderdomspensioen opbouwen. Dat hoeft niet altijd
het geval te zijn, bijvoorbeeld wanneer het loon van de werknemer onder
de franchise ligt en daardoor feitelijk geen of nauwelijks
ouderdomspensioen wordt opgebouwd. Deze leden vragen hoe de regering
voorkomt dat werknemers door deze vermelding op de loonstrook een te
positief beeld krijgen van hun pensioenopbouw. Ook vragen zij hoe
werknemers op eenvoudige wijze inzicht krijgen in de vraag of zij zelf
daadwerkelijk ouderdomspensioen opbouwen.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering te verduidelijken wat de rechtspositie is van kinderen van deelnemers die tussen het ingaan van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en de (vertraagde) inwerkingtreding van deze reparatiewet uit dienst zijn getreden en zijn overleden. Is er voor deze specifieke groep sprake van met terugwerkende kracht herstelde dekking?
Onder 2.1.8.1 (Wezenpensioen) lezen de leden van de JA21-fractie dat er in het wetsvoorstel voor gekozen wordt om ‘voor de persoon die gewezen deelnemer is geworden onder het nieuwe pensioenstelsel en vóór de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet, de situatie te [blijven] laten gelden zoals die gold voor de invoering van de Toezeggingenwet’ en dat dit concreet betekent dat ‘de gewezen deelnemer niet (opnieuw) de keuze krijgt om het partner- en/of wezenpensioen voort te zetten’. De reden die de regering hiervoor aandraagt is dat het voorzetten hiervan, al dan niet met terugwerkende kracht, hoge uitvoeringskosten met zich meebrengt, evenals risicoselectie en uitvoeringstechnisch complex is. De leden vragen de regering dit nader toe te lichten, evenals de omvang van deze groep.
Onder 2.2.4.2 (Tijdelijk verblijf elders gedurende maximaal zes maanden) lezen de leden van de JA21-fractie dat een kind dat elders ingeschreven staat geacht wordt tot het huishouden te behoren, en daarmee in aanmerking te komen voor wezenpensioen, indien dit verblijf elders ten hoogste zes maanden is. De regering geeft hierbij situaties zoals een uitwisselingsprogramma en verblijf in een ziekenhuis of inrichting als voorbeeld. Bij verblijf elders gedurende een langere periode dan deze zes maanden, wordt het kind niet langer geacht tot het huishouden te behoren. De leden vragen de regering deze termijn en de keuze daarvoor nader toe te lichten.
In het wetsvoorstel overdracht pensioenen politieke ambtsdragers, dat hopelijk binnenkort in consultatie gaat wordt (wat de leden van de BBB-fractie betreft) is geregeld dat in de periode dat de Appa-pensioenen nog niet zijn overgedragen aan het ABP het huidige opbouwpercentage (dat is 1,875%) zal worden gecontinueerd.
De leden vragen wat er gebeurt als het ABP overstapt naar het nieuwe stelsel voordat de Wet overdracht pensioenen politieke ambtsdragers is aangenomen? De leden vragen of het noodzakelijk is om in de aanpassingswet die nu voorligt een regeling te treffen om dit proces adequaat te waarborgen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat er feitelijk een kortere duur van de vrijwillige voortzetting mogelijk kan zijn, dat wil zeggen: korter dan vijftien jaar, als de pensioenregeling voorziet in een maximum aan de omvang van de uitruil met het ouderdomspensioen. Zijn er al voorbeelden bekend waarbij een kortere duur dan vijftien jaar mogelijk is? Hoe wordt voorkomen dat deze termijn door deze aanscherping niet te veel ingekort wordt?
De mogelijkheden voor de financiering van de vrijwillige voortzetting worden verruimd, zo lezen de leden van de SGP-fractie. Ook het partnerpensioen op of na pensioendatum kan daarvoor ingezet worden. Dat vereist wel toestemming van de partner. Hoe is die toestemming geregeld? En hoe worden deelnemers geïnformeerd over de gevolgen van deze keuze?
De leden van de SGP-fractie vragen opnieuw naar de gevallen waarin deelnemers onbedoeld hun partnerpensioen niet hebben voortgezet, de groep onvrijwillig onverzekerden. Hiervoor zijn diverse flankerende maatregelen genomen, die deze leden toejuichen. Er wordt ook gewerkt aan een sectorbrede regeling. Hoewel deze leden ook deze regeling verwelkomen, voorzien zij wel een risico dat deze regeling in de praktijk weinig gaat opleveren. In een Kamerbrief wordt aangegeven dat deze regeling er is voor deelnemers die gedurende de keuzetermijn nog geen keuze hebben gemaakt of voor het geval wanneer er nog geen aanbod is gedaan. De groep onvrijwillig onverzekerden valt daar niet noodzakelijkerwijs onder. Erkent de regering dat? Hoe kan met eenzelfde regeling juist de groep onvrijwillig onverzekerden bereikt worden? Is de regering het eens met deze leden dat juist die groep een dergelijke regeling nodig heeft? De leden van de SGP-fractie roepen op om, gezien de schrijnende situaties waar het over gaat, de voorwaarden om te voldoen aan de regeling ruimhartig op te stellen.
Hoofdstuk 3 Gevolgen voor burgers, bedrijven en overheid
De leden van de PRO-fractie staan positief tegenover mogelijkheden voor vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen. Tegelijkertijd merken zij op dat de Wet toekomst pensioenen bijzonder complex is, en het voorliggende voorstel niet bij lijkt te dragen aan vereenvoudiging. Is de regering het daarmee eens? Deze leden vragen ook of de regering de verschillende keuzes die werknemers moeten maken rondom pensioen in hun leven onder elkaar kan zetten. Kan de regering daarbij uitgaan van een werknemer die een paar keer van baan wisselt, een keer een korte periode geen baan heeft en tot slot een periode als zelfstandige aan de slag gaat? Ook willen deze leden graag weten hoe de regering gaat zorgen voor adequate informatievoorziening, met als doel dat pensioendeelnemers de keuzes die zij moeten maken snappen. Is de regering het ermee eens dat het wenselijk is om het aantal keuzes dat mensen moeten maken op pensioengebied tot een minimum te beperken? En is de regering het ermee eens dat het nieuwe pensioenstelsel een stuk complexer is dan wenselijk?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de
kosten van een aanvraag voor vrijwillige voortzetting van het
wezenpensioen worden geraamd op 110,60 euro per aanvraag. Deze leden
vragen de regering deze raming te onderbouwen en aan te geven welke
lasten uiteindelijk bij deelnemers en gepensioneerden
terechtkomen.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
De leden van de VVD-fractie de regering waarom in artikel 63a, vijfde lid, Pensioenwet wordt vastgehouden aan verwerking “in gelijke stappen”, terwijl bij de solidaire premieregeling spreiding in afnemende mate expliciet is toegestaan. Zij vragen of de regering onderkent dat verplicht lineair spreiden kan leiden tot onnodig volatiele en moeilijk uitlegbare uitkeringspatronen in de flexibele premieovereenkomst. Voor uitvoerders die zowel FPR- als SPR-regelingen aanbieden leidt dit tot ondoelmatigheid in de uitvoering, zo stellen de leden van de VVD-fractie, is de regering het daarmee eens? Is de regering bereid dit bij nota van wijziging aan te passen, zodat ook in de flexibele premieovereenkomst spreiding in afnemende mate mogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PVV-fractie constateren dat diverse artikelen terugwerkende kracht krijgen tot en met 1 juli 2023 (artikel V, pagina 51). Deze leden vragen de regering per artikel te motiveren waarom terugwerkende kracht noodzakelijk is en te bevestigen dat geen deelnemer, gepensioneerde of nabestaande hierdoor in een nadeliger positie komt.
In de beslisnota lezen de leden van de JA21-fractie dat de beoogde inwerkingtreding, afhankelijk van parlementaire besluitvorming, 1 juli 2027 is, waar eerder nog de datum van 1 januari 2027 werd beoogd. De leden vragen de regering nader op deze vertraagde beoogde inwerkingtreding in te gaan en de (eventuele) praktische en financiële gevolgen hiervan voor alle betrokkenen.
Overig
De leden van de VVD-fractie merken op dat ten aanzien van de definitie partnerpensioen de huidige Pensioenwet bepaalt dat ongehuwde personen aan het partnerbegrip kunnen voldoen indien zij een (notariële) samenlevingsovereenkomst hebben. Er wordt dan voldaan aan het vereiste van de gezamenlijke huishouding voor het partnerbegrip. De wet schrijft niet voor dat in een samenlevingsovereenkomst een verplichting tot samenwonen is opgenomen. Partijen kunnen dus een rechtsgeldige samenlevingsovereenkomst hebben zonder dat zij op hetzelfde adres wonen. Dit in tegenstelling tot het begrip fiscaal partnerschap (relevant voor toeslagen) en het partnerbegrip in de AOW en de Anw waar een gezamenlijke huishouding centraal staat. Erkent de regering dit verschil, hoe beoordeelt zij dit verschil en is zij bereid om het samenwoonvereiste als voorwaarde te verbinden aan de gezamenlijke huishouding?
Ten aanzien van de witte vlekken pensioenopbouw merken de leden van de VVD-fractie op dat een deel van de werknemers geen pensioen opbouwt. In de wet is vastgelegd dat het aantal werknemers dat niet deelneemt aan een pensioenregeling bij een werkgever binnen enkele jaren met 50% moet zijn gereduceerd. De leden van de VVD-fractie vragen de regering of deze doelstelling wordt behaald. Wat is de inzet van de regering op deze doelstelling en hoe wordt de Kamer over de voortgang van de realisatie van deze doelstelling geïnformeerd? De leden vragen de regering hoe het mogelijk kan worden gemaakt om de eigen vrije ruimte voor pensioenopbouw jaarlijks inzichtelijk te maken, om eigen inleg eenvoudiger te maken en witte vlekken te bestrijden.
De leden van de PRO-fractie merken op dat ook na de transitieperiode naar het nieuwe stelsel nog regelingen met gegarandeerde uitkeringen blijven bestaan binnen het overgangsrecht. Zij wijzen op verzekerde uitkeringsregelingen waarbij werkgevers kunnen besluiten om extra indexatie te verlenen. Deze leden vragen of het klopt dat het deze werkgevers vanaf 2028 wettelijk niet meer toegestaan is om bestaande indexatietoezeggingen te verbeteren. Kan de regering uitleggen waarom niet? Is de regering bereid om deze regel aan te passen, opdat het koopkrachtperspectief van gepensioneerden met een verzekerde uitkeringsregeling kan verbeteren? Ook vragen deze leden om aandacht voor verzekerde premieregelingen met een vaste uitkering zonder indexatieperspectief. Zij merken op dat gepensioneerden met een dergelijke regeling hun koopkracht ieder jaar zien dalen, en dat hun pensioenuitkering na tien of twintig jaar vaak fors minder waard is. Vindt de regering dit wenselijk? En ziet zij mogelijkheden om de koopkracht voor deze groep te verbeteren? De leden vragen daarnaast of het niet beter zou zijn om in de toekomst te voorkomen dat pensioenuitkeringen lange tijd niet worden geïndexeerd, en waarom regelingen waarin vast is gelegd dat na pensionering geen indexatie meer plaatsvindt überhaupt toegestaan zijn.
De voorzitter van de commissie,
Van der Lee
De griffier van de commissie,
Post
Kamerstukken I 2022/23, 36 067, AR↩︎