[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het voorstel verdeling groeiruimte Wet langdurige zorg (Wlz) ten behoeve van het indicatieve Wlz-kader 2028-2031 en de voorlopige kaderbrief Wlz 2027 (Kamerstuk 34104-473)

Langdurige zorg

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D36305, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-07-23 17:57, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z15309:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over de het voorstel van de verdeling van de groeiruimte van de Wet langdurige zorg (Wlz) ten behoeve van het indicatieve Wlz-kader 2028-2031 en de voorlopige kaderbrief Wlz 20271.

Voorzitter van de commissie,

Mohandis

Adjunct-griffier van de commissie,

Heller

Inhoudsopgave

  1. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower

  1. Reactie van de minister

  1. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie danken de minister voor haar brief. Daartoe hebben deze leden enkele vragen.

De leden van de D66-fractie lezen dat het noodzakelijk is om gezamenlijk met de sectoren tot afspraken te komen over welke veranderingen nodig zijn in de organisatie van de langdurige zorg, om onze zorg toekomstbestendig, toegankelijk, betaalbaar en van hoge kwaliteit te houden. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie hoe de minister dit proces van samen met de sectoren tot afspraken komen voor zich ziet. Ziet de minister mogelijkheden om hier concretere toelichting over te geven, bijvoorbeeld over het tijdspad en concrete afspraken voor de komende tijd? Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie of de minister voornemens is in deze afspraken ook voldoende aandacht te besteden aan de kansen die innovatie kan bieden. Verder vragen deze leden of de minister zicht heeft op een aantal voorlopers binnen deze sectoren. Worden deze voorlopers ondersteund om hun best practices te delen met andere organisaties binnen de sector? Tot slot vragen de leden van de D66-fractie op welke wijze de minister ervoor wil zorgen dat de gesprekken met de sector tot concrete afspraken zullen leiden, waarbij voldoende duidelijkheid ontstaat voor iedereen en afspraken niet vrijblijvend zijn.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister over het indicatieve Wlz-kader 2028-2031 en de voorlopige kaderbrief Wlz 2027. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie zijn verheugd om te lezen dat extra wordt ingezet op het sluiten van een bestuurlijk akkoord. Op deze manier worden veldpartijen in een vroeg stadium betrokken bij de plannen, waardoor niet alleen het draagvlak voor, maar ook de uitvoerbaarheid van deze plannen wordt vergroot. Kan de minister al aangeven hoe deze gesprekken nu vorderen? In welke mate heeft zij op basis hiervan vertrouwen dat de gesprekken tot een succesvol eind worden gebracht? Kan ze een tijdlijn geven wanneer ze verwacht een akkoord te kunnen sluiten?

De leden van de VVD-fractie zien het stijgende personeelstekort als het grootste probleem in de zorg. Daarom zijn zij blij dat de minister met veldpartijen deze plannen verder uitwerkt. Kan zij aangeven in welke mate dit in de gesprekken met veldpartijen wordt meegenomen? Is er een doelstelling om het personeelstekort met een bepaald cijfer terug te dringen? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet? Kan de minister aangeven in welke mate zij hier prioriteit aangeeft?

De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de groeiruimte van tevoren door het ministerie wordt vastgesteld. Hoeveel vertrouwen heeft de minister dat de uitgavenontwikkeling binnen deze groeiruimte blijft? Kan zij aangeven wat er gebeurt als deze wordt overschreden? Welke maatregelen heeft zij in dat geval voor ogen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie

De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief van de minister. Hoewel zij verheugd zijn dat de tariefmaatregelen en bezuinigingen voor 2027 voorlopig van tafel zijn, hebben zij nog veel vragen en zorgen voor de toekomst.

De leden van de PRO-fractie zouden hierbij ook expliciet willen vragen om een reflectie op de visie op de Wlz, waarbij ook in het bijzonder rekening wordt gehouden met het recente rapport van Ieder(in): ‘Van Leven naar Overleven’. Zij zouden daarbij expliciet ook willen wijzen op de conclusie vanuit het rapport dat er naast stabiele financiën ook regie en aandacht moet zijn voor personeelstekorten. Kan de minister dit meenemen in de gevraagde reflectie op de visie op de Wlz? Hoe ziet de minister de Wlz over tien tot twintig jaar, gegeven de dubbele vergrijzing, personeelstekorten en de groeiende groep mensen met een complexe ondersteuningsvraag? Welke fundamentele keuzes wil zij maken op het gebied van toegankelijkheid, solidariteit en de maatschappelijke verantwoordelijkheid voor langdurige zorg?

De leden van de PRO-fractie zouden daarnaast graag willen opmerken dat vanuit de brief er een enigszins verkokerd perspectief lijkt te zijn: is de minister het met deze leden eens dat de ontwikkelingen binnen de Wlz niet volledig binnen de Wlz ontstaan en ook niet volledig binnen de Wlz aan te passen zijn? Zij wijzen hierbij naar het feit dat er verschillende beleidsontwikkelingen hebben plaatsgevonden of op de planning staan, die invloed zullen hebben op de instroom in en de druk op de Wlz, zoals bijvoorbeeld de geplande maatregelen op het gebied van de Wmo 2015. Heeft de minister in beeld gebracht wat de gevolgen zijn van het beroep op Wmo-voorzieningen als maatschappelijke opvang en beschermd wonen en de gemeenten indien de Wlz-ggz minder groeiruimte krijgt dan de cliëntgroei en zorgzwaarte rechtvaardigen? Kan de minister bevestigen dat verschuivingen van cliënten en kosten vanuit de Wlz-ggz naar Wmo en maatschappelijke opvang financieel worden gecompenseerd aan gemeenten, bijvoorbeeld via het gemeentefonds? Kan gegarandeerd worden dat een dergelijke compensatie niet vervolgens weer wordt toegevoegd aan de bezuinigingsopgave Wlz?

De leden van de PRO-fractie lezen dat de beschikbare groeiruimte grotendeels wordt gebaseerd op historische uitgaven. Kan de minister uitleggen waarom historische uitgaven leidend zijn, terwijl bekend is dat in meerdere Wlz-sectoren sprake is van wachtlijsten, onvoldoende passende woonplekken en uitgestelde zorg? Erkent zij dat gerealiseerde uitgaven niet hetzelfde zijn als de daadwerkelijke zorgbehoefte? Zo ja, waarom vormt de gerealiseerde uitgavenontwikkeling dan toch het uitgangspunt voor de toekomstige groeiruimte?

In aanvulling op de bovengenoemde vragen, constateren de leden van de PRO-fractie dat de brief van de minister vrijwel volledig is gebaseerd op financiële kaders en budgettaire beheersing. Kan nader toegelicht worden hoe in de voorgestelde verdeling van de groeiruimte de kwaliteit van leven van mensen met een Wlz-indicatie is meegewogen? Op welke wijze wordt voorkomen dat financiële keuzes ertoe leiden dat mensen wel zorg ontvangen, maar niet of minder passende zorg en/of minder mogelijkheden hebben om mee te doen aan de samenleving? Welke indicatoren, naast financiële indicatoren, worden gebruikt om de effectiviteit van het beleid te beoordelen?

Daarnaast zouden de leden van de PRO-fractie graag willen wijzen op de ontoegankelijkheid van de brief, wegens het complexe taalgebruik en de ingewikkelde materie. Tegelijkertijd vinden zij het van groot belang dat deze inhoud begrijpelijk is voor iedereen: zeker omdat het grote groepen mensen raakt. Zou de inhoud van de brief uiteengezet kunnen worden in begrijpelijk taalgebruik op B1-niveau?

De leden van de PRO-fractie lezen in de brief het volgende: “zodat de verdeling van de groeiruimte niet leidt tot oplopende wachtlijsten of een toenemende druk op zorgmedewerkers”. Zou nader toegelicht kunnen worden welke concrete maatregelen er genomen zullen worden om ook daadwerkelijk ervoor te zorgen dat de wachtlijsten niet verder oplopen en de druk op zorgmedewerkers verder toeneemt? Welke concrete maatregelen gaat de minister nemen als wachtlijsten toch oplopen of de druk op zorgmedewerkers alsnog toeneemt? Op welke wijze wordt dit gemonitord en hoe vaak wordt dit gemonitord? Kan concreet aangegeven worden welke arbeidsmarktveronderstellingen ten grondslag liggen aan de groeiramingen? Hoeveel extra medewerkers zouden nodig zijn om deze groei daadwerkelijk mogelijk te maken? Op welke wijze wordt rekening gehouden met hoog ziekteverzuim, de hoge uitstroom en de toenemende complexiteit van de zorgvraag?

De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de passage met betrekking tot de aangenomen moties Dobbe2, Bikker c.s.3 en Westerveld c.s.4 Zij vragen zich hierbij af waarom ervoor gekozen is om nadrukkelijk te schrijven dat er slechts ‘op dit moment’ wordt afgezien van de tariefmaatregelen in de gehandicaptenzorg. Is de minister het eens met deze leden dat deze interpretatie ook haaks staat op de moties Dobbe en Westerveld c.s., die zich uitspreken tegen tariefmaatregelen, juist omdat de tarieven daarmee onder de kostprijs terecht komen? Hoe verhoudt het openhouden van de mogelijkheid tot het invoeren van tariefmaatregelen zich tot het uitvoeren van deze aangenomen Kamermoties? Genoemde leden zouden graag willen benadrukken dat zij hoe dan ook tariefmaatregelen onwenselijk achten: als de groeiruimte te krap blijkt te zijn ingeschat, dan zal de minister het Wlz-kader hierop moeten aanpassen. Wat verwacht de minister precies van de Wlz-sectoren in de betreffende akkoorden als de belangrijkste ‘knoppen’ die de kosten bepalen (bijvoorbeeld: aanspraak, toegang, maximumtarieven, etc.) buiten de invloed van de zorgaanbieders liggen en vooral onder de verantwoordelijkheid van de minister, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het CIZ vallen?

De leden van de PRO-fractie lezen in tabel 1 dat het schrappen van de tariefmaatregelen en de taakstelling uit het coalitieakkoord volledig gedekt wordt door het verlagen van de beschikbare groeiruimte. Waarom wordt er dan gesproken over een ‘hogere opgave’ die in de nog te sluiten akkoorden moet worden gerealiseerd? Over welke opgave gaat dit dan en wat betekent het realiseren hiervan concreet in dit verband? Wordt het schrappen van de tariefmaatregelen nu bekostigd uit de verlaagde groeiruimte of moet de dekking nog gevonden worden in de te sluiten akkoorden? Hoe moet de brief op dit punt begrepen worden?

De leden van de PRO-fractie zien in tabel 4 dat de groei in de gehandicaptenzorg in 2023 en 2024 redelijk stabiel was (2,4% en 2,7%) en alleen in 2025 fors lager was (0,6%). Is het realistisch om bij een dergelijke cijferreeks, met één sterk afwijkend cijfer, het gemiddelde van deze drie jaar als uitgangspunt voor de toekomst te nemen? Kan deze keuze nader onderbouwd worden? Welke risico’s gaan ermee gepaard om dit als uitgangspunt te nemen en welke alternatieven zijn er? Zouden bijvoorbeeld de cijfers van 2023 en 2024 als uitgangspunt genomen kunnen worden, waarbij 2025 als uitzondering wordt beschouwd? Hoe zag de groei van de Wlz-sectoren er in eerdere jaren uit, bijvoorbeeld in 2020, 2021 en 2022? Hoe verhoudt dit zich tot de MLT-raming van het CPB waar de Wlz-groeiruimte op is gebaseerd?

De leden van de PRO-fractie lezen verder dat de beschikbare Wlz-groeiruimte niet volledig ter beschikking wordt gesteld aan de zorgkantoren, maar dat in 2027 438 miljoen euro (30% van de totale groeiruimte) apart wordt gehouden als ‘herverdelingsruimte’. Deze middelen worden gereserveerd vanwege ‘de onzekerheid over de benodigde groeiruimte’. De middelen komen dan mogelijk in de loop van het jaar alsnog beschikbaar als de NZa dat nodig acht en vloeien anders terug naar de staatskas. Klopt dat? Is deze handelswijze nog opportuun, gelet op het feit dat de groeiruimte de komende jaren juist fors negatief wordt bijgesteld op basis van een analyse van het zorggebruik in de laatste drie jaar? Herkent de minister het risico dat zorgkantoren daarom terughoudend zullen omgaan met de inkoop, met als gevolg dat de wachtlijsten zullen groeien? Welke concrete maatregelen zullen er genomen worden om dat te voorkomen? Kan gegarandeerd worden dat deze herverdelingsruimte wordt ingezet om de kwaliteit en toegankelijkheid van de Wlz te waarborgen?

De leden van de PRO-fractie lezen dat met de recente verhogingen van de maximumtarieven en de verhoging van de normatieve huisvestingscomponent de tarieven op orde zouden zijn gebracht en er dus de komende jaren minder investeringen nodig zullen zijn. Wat betekent dit voor de invoering van de vergoeding van het aanhouden van eigen vermogen in de Wlz-tarieven vanaf 2028? Biedt de huidige groeiruimte daarvoor voldoende ruimte of vraagt dit op ophoging van het kader? Daarnaast wijzen zij op het feit dat de NZa nog bezig is met de herijking van de Normatieve Huisvestingscomponent (NHC) op inhoudelijke gronden en met de herijking van de Normatieve Inventariscomponent (NIC). Hiermee zijn er dus al drie terreinen waarop de NZa van mening lijkt te zijn dat de tarieven mogelijk niet meer kostendekkend zijn. Biedt de groeiruimte dan nog wel voldoende mogelijkheden om kostendekkende tarieven ook in de toekomst te garanderen?

De leden van de PRO-fractie merken op dat in de voorlopige kaderbrief 2027 dat de beleidsregel van 23 juni (Staatscourant nr. 23594) specifiek is ingevoerd om de invoering van de vergoeding van het aanhouden van eigen vermogen door de NZa tegen te houden vanwege de op pagina 3 van de kaderbrief genoemde argumenten. Klopt dat? Waarom is er gekozen voor een algemeen geformuleerde beleidsregel, als het eigenlijke doel is om een specifieke tariefverhoging op basis van kostenonderzoek tegen te houden? Klopt het dat hiermee de Kamer ook geen inspraakmogelijkheid heeft, omdat het geen voorhangprocedure betreft? Is ook overwogen om voor het voorkomen van een tariefaanpassing in verband met de vergoeding van het aanhouden van eigen vermogen het gebruikelijke instrument van de aanwijzing toe te passen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke redenen waren doorslaggevend om toch niet deze route te kiezen? Welke overwegingen hebben een rol gespeeld bij de keuze voor de beleidsregel ten opzichte van de aanwijzing? Wat is het doel van de voorhang in de Kamer, zoals aangegeven in de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)? Is de minister bereid om de Kaderwet ZBO aan te passen en de mogelijkheid van een voorhang te introduceren voor beleidsregels met een soortgelijke, verregaande strekking als aanwijzingen via de Wmg? Hoe verhoudt de keuze voor een beleidsregel op basis van de Kaderwet zich tot het juridische beginsel ‘lex specialis derogat legi generali’, waarbij de gedachte geldt dat de bijzondere regeling voorgaat op de algemene regeling wanneer beide hetzelfde onderwerp raken? Zou hierover juridisch advies ingewonnen kunnen worden bij de landsadvocaat, met name om te bezien of het geven van een aanwijzing niet passender zou zijn geweest?

Verder valt het de leden van de PRO-fractie bij het lezen van de beleidsregel op dat er staat dat de NZa een uitgevoerd kostenonderzoek niet mag omzetten in hogere tarieven als de kaders voor dat jaar daarvoor onvoldoende ruimte bieden. Wordt hiermee beoogd om op structurele wijze in te grijpen op de meermaals door jurisprudentie vastgestelde algemene plicht van de NZa om kostendekkende tarieven voor zorgprestaties vast te stellen? Zo ja, wat is de achtergrond van deze keuze en hoe verhoudt deze zich tot de jurisprudentie en kan hierover extern juridisch advies opgevraagd worden, dat ook gedeeld wordt met de Kamer? Zo nee, hoe moet de beleidsregel dan uitgelegd worden?

De leden van de PRO-fractie lezen dat de Wlz-ggz in 2031 ongeveer 92 miljoen euro minder groeiruimte lijkt te krijgen dan bij een proportionele doorvertaling van de MLT-groeiruimte over de drie Wlz-sectoren. Klopt dit? Zo nee, hoe zit het dan wel? Klopt het dat zonder de voorgenomen besluiten van de minister de bezuiniging op de langdurige ggz naar verwachting 86 miljoen euro was geweest, waarvan 13 miljoen euro de tariefmaatregel meerjarig contracteren en 73 miljoen euro voortvloeiend uit het coalitieakkoord? Zo ja, wat is de achtergrond dat de totale bezuiniging op budgetten voor de langdurige ggz nu hoger is door de voorgenomen besluiten van de minister zoals verwoord in de brief dan vóór de brief van de minister? Wat is de meer precieze achtergrond van de verdeling van de bezuinigingsopgave tussen de drie Wlz-sectoren? Kunnen de criteria nader toegelicht worden? Kan tevens nader toegelicht worden waarom verwacht wordt door de minister dat de gerealiseerde uitgavengroei binnen de Wlz-ggz van 3,7% in 2025 en gemiddeld 6,6% over 2023-2025 in korte tijd terugvalt naar 2,6% per jaar in 2028-2031? Kan de sectorspecifieke ramingsmethodiek voor de Wlz-ggz volledig openbaar gemaakt worden? In welke mate is de veronderstelde daling gebaseerd op autonome trends binnen de Wlz-ggz, zoals de openstelling van de WWlz in 2021 en de lichtere instroomprofielen, ten opzichte van een impliciet beleidseffect vanuit het beoogde bestuurlijk akkoord? Kan tevens bij het antwoord op de vorige vraag ingegaan worden op de niet-gerealiseerde zorguitgaven voor Wlz-ggz wegens een tekort aan woonzorgplekken? In hoeverre is de groeiruimte baseren op de gerealiseerde uitgaven van de afgelopen jaren bij de Wlz-ggz een goede graadmeter voor de gewenste groei als in overheidsplannen geconstateerd wordt dat het aanbod qua hoeveelheid tekortschiet? Erkent de minister dat de wachtlijsten in de Wlz-ggz oplopen en dat een groeiruimte van 2,6% per jaar deze wachtlijsten kan verlengen of de wachttijd kan doen oplopen? Hoe verhoudt dat zich tot de zorgplicht van zorgkantoren? Kan voor de Wlz-ggz een gevoeligheidsanalyse geleverd worden voor drie realistische scenario’s: 3,7% groei (gelijk aan 2025), 4,1% groei (CPB-MLT voor de Wlz als geheel) en 6,6% groei (historisch gemiddelde 2023-2025)? Wat is per scenario het cumulatieve tekort op het beschikbare kader Wlz-ggz over de periode 2028-2031 en op welke wijze zou dit tekort gedekt worden? Kan een eventueel tekort binnen het totale Wlz-kader worden opgevangen? Zo ja, ten laste van welke Wlz-sector? Kan tevens inzichtelijk gemaakt worden hoe de verdeling van de groeiruimte regionaal uit zal pakken? Verwacht de minister momenteel dat bepaalde regio’s onevenredig geraakt zullen worden door de voorgestelde verdeling? Welke mogelijkheden zijn er om regionale knelpunten tijdig op te pakken?

De leden van de PRO-fractie lezen dat tariefmaatregelen en andere maatregelen alsnog genomen zullen worden als de akkoorden de opgave niet realiseren. Kan nader toegelicht worden welke maatregelen daarbij worden overwogen en welke tariefkortingen hierbij in beeld zouden komen? Op welk moment zou vastgesteld worden dat een bestuurlijk akkoord onvoldoende oplevert en welke rol heeft de Tweede Kamer hier bij? Is de minister eventueel bereid vast te leggen dat eventuele bijstellingen van het kader Wlz-ggz niet eenzijdig door de minister worden opgelegd, maar in overleg met de sector en met betrokkenheid van cliëntenorganisaties tot stand komen? Kan de Kamer halfjaarlijks geïnformeerd worden over de voortgang van elk van de akkoorden, de ontwikkelingen van de wachtlijsten, zorgzwaarte en de beschikbaarheid van passende woonzorgplekken? Kan tevens nader toegelicht worden hoeveel mensen, uitgesplitst per Wlz-sector, wachten op een passende plek, ook al ontvangen zij momenteel formeel gezien wel zorg? Hoe wordt voorkomen dat mensen noodgedwongen (langdurig) niet-passende zorg ontvangen omdat de juiste, passende zorg ontbreekt of de wachtlijsten ervoor te lang zijn?

De leden van de PRO-fractie lezen dat de taakstelling via ‘minder meer’ wordt ingevuld. Kan bevestigd worden dat daar tegenover staat dat de afspraken uit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) onverkort en volgens de planning worden uitgevoerd? Zo nee, waarom niet? Welke concrete stappen worden de komende periode gezet door de minister om ervoor te zorgen dat de afspraken uit het HLO daadwerkelijk gerealiseerd worden? Welke concrete maatregelen zullen genomen worden om de Wlz komende jaren eenvoudiger en uitvoerbaarder te maken voor cliënten en zorgaanbieders?

De leden van de PRO-fractie maken zich grote zorgen over de toekomst van de ouderenzorg. Zij snappen en ondersteunen de beweging naar de voorkant, maar vragen zich ook af: wat komt er tegenover deze beweging te staan voor ouderen en mantelzorgers thuis? Zeker nu het aantal verpleeghuisplaatsen niet meegroeit en geclusterde woonvormen onvoldoende snel van de grond komen, blijven steeds meer ouderen met een intensieve zorgvraag langer thuis. Dat vraagt ook dat de (Wlz-)zorg in de thuissituatie ook echt passend, flexibel en ondersteund is. Welke investeringen zullen worden gedaan om de beweging naar de voorkant daadwerkelijk mogelijk te maken, bijvoorbeeld via zorgzame buurten en zorgzame gemeenschappen? Is de minister bereid om in het bestuurlijk akkoord expliciet aandacht te besteden aan investeringen die de instroom in de Wlz helpen te voorkomen of uitstellen, zoals preventie, mantelzorgondersteuning, respijtzorg en zorgzame gemeenschappen? Kan per onderdeel (preventie, mantelzorgondersteuning, respijtzorg, reablement en zorgzame gemeenschappen) uiteengezet worden hoeveel per jaar vanaf 2027 geïnvesteerd zal worden, waarbij ook uitgesplitst wordt wat het doel van de investering is? Hoe verhoudt de ambitie van het versterken van de beweging naar de voorkant zich tot de voorgenomen eigen bijdrage in de wijkverpleging en de Wmo-maatregelen, die juist een drempel kunnen opwerpen voor passende ondersteuning thuis? Op welke wijze is rekening gehouden met de vergrijzing binnen de gehandicaptenzorg en de toenemende zorgzwaarte van ouder wordende mensen met een (verstandelijke) beperking? Kan de minister inzichtelijk maken welke cumulatieve effecten de voorgenomen maatregelen op de Wmo, wijkverpleging, ggz, jeugdzorg en de Wlz gezamenlijk hebben voor mensen met een levenslange of langdurige zorgvraag? Is de minister bereid deze stapeling integraal in beeld te brengen voordat bestuurlijke akkoorden worden gesloten? Verwacht de minister dat de voorgestelde groeiruimte voldoende is om deze ontwikkeling op te vangen? Zo ja, waarop is die verwachting gebaseerd?

De leden van de PRO-fractie lezen dat terecht geconstateerd wordt door de minister dat het Wlz-kader bestemd is voor zorg in natura, persoonsgebondenbudgetten (pgb’s) en overige uitvoeringskosten. Zij maken zich echter zorgen over de toegankelijkheid van het pgb, wat ook bij kan dragen aan de ervaren keuzevrijheid. Een toegankelijk pgb met eenvoudigere regels en minder onnodige administratie is voor veel personen een belangrijk instrument om zorg persoonlijker, passender en vaak ook doelmatiger te organiseren. Kan de minister garanderen dat eventuele bestuurlijke akkoorden niet zullen leiden tot verdere inperking van de keuzevrijheid van mensen die gebruik maken van een pgb? Kan toegezegd worden dat bij het sluiten van bestuurlijke akkoorden over de Wlz niet alleen gestuurd zal worden op beheersing van de uitgaven, maar ook op versterking van de thuissituatie? De beweging naar de voorkant is immers alleen mogelijk als deze ook concreet wordt vertaald naar ondersteuning van ouderen en mantelzorgers.

De leden van de PRO-fractie zouden daarnaast willen wijzen op de recente casus van Villa ExpertCare, waarmee gauw duidelijk werd dat het stelsel voor gespecialiseerde zorg voor kinderen en mensen met een zeer complexe zorgvraag, ernstig tekortschiet in Nederland. Naar aanleiding daarvan, hebben zij nog enkele vragen. Hoe is in de verdeling van de groeiruimte binnen de Wlz rekening gehouden met relatief kleine groepen cliënten met een zeer complexe zorgvraag? Meerdere zorgaanbieders hebben al gewezen op het structurele probleem met de bekostiging. Op welke wijze gaat voorkomen worden dat juist deze vormen van zorg onder druk komen te staan doordat de bekostiging onvoldoende aansluit bij de werkelijke kosten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben enkele vragen aan de minister naar aanleiding van haar Kamerbrief. Kan de minister in een tabel uiteenzetten welke bezuinigingen op de langdurige zorg worden geschrapt vanaf 2027, welke er blijven staan en wat de herkomst ervan is? Kan de minister aangeven wat de dekking is voor de bezuinigingen die geschrapt worden? Kan de minister aangeven welke financiële opgave er per jaar, per Wlz sector, blijft staan, inclusief het HLO?

Klopt het dat alleen voor 2027 de bezuinigingen op de Wlz daadwerkelijk van de baan zijn? Klopt het dat dit gedekt wordt door hiervoor de reservering voor lopende kostonderzoeken van de NZA voor te gebruiken, waardoor implementatie van onderzoek naar de kosten van het aanhouden van eigen vermogen, zoals de NZA adviseert, wordt uitgesteld? En de dekking hiermee dus een sigaar uit eigen doos is?

Voorts vragen de leden van de PVV-fractie welke gevolgen het kiezen van deze dekking heeft. Welk bedrag rest er nog in de reservering die voor lopende kostprijsonderzoeken is gemaakt?

Waarom heeft de minister gekozen om een beleidsregel op te stellen om de vergoeding voor kosten van het eigen vermogen pas per 2028 toe te passen? Waarom is er niet gekozen voor een aanwijzing nu de minister hiermee een voorgenomen tariefsverhoging terugdraait en hiermee ook de Kamer buiten spel zet? Is de minister daadwerkelijk van plan om de vergoeding voor kosten eigen vermogen per 2028 toe te passen om tot kostendekkende tarieven te komen? Klopt het dat de minister vanaf 2028 vooralsnog alleen op papier afziet van de drie tariefmaatregelen, maar dat de taakstelling daarvan gewoon blijft staan? Hoe groot is de totale budgettaire opgave hiermee voor de bestuurlijke akkoorden die de minister wenst te sluiten? En hoe verhoudt dat zich tot het verlagen van de groeiruimte?

Hoe verhoudt het verlagen van de groeiruimte zich tot andere maatregelen van het kabinet, zoals het schrappen van de huishoudelijke hulp uit de WMO en de eigen bijdrage voor de wijkverpleging? Hoe verhoudt deze daling zich tot de vergrijzing en de zwaardere zorgvraag? Hoe voorkomt de minister dat dit leidt tot minder verpleeghuisplekken, hogere kosten voor ouderen en hun families of meer druk op mantelzorgers? Kan zij deze opgave uitsplitsen per sector binnen de Wlz?

Kan de minister garanderen dat het pgb niet wordt uitgekleed via pgb-op-maat, de bestuurlijke akkoorden of andere maatregelen? Kan zij ook ingaan op de positie van pgb-wooninitiatieven? Klopt het dat de minister tariefmaatregelen niet uitsluit als de hogere opgave niet binnen de akkoorden geregeld kan worden? Waarom blijft dit als dreigement boven de sector hangen? Kan de minister verder garanderen dat de herverdelingsmiddelen beschikbaar blijven voor de Wlz? Waarom is er gekozen voor 30% herverdelingsruimte nu de groeiruimte al fors wordt beperkt?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de minister over de beschikbare groeiruimte in de Wet langdurige zorg. Deze leden zijn blij dat de minister via bestuurlijke afspraken met de zorgsectoren werkt aan een toekomstbestendige langdurige zorg, waarbij de inhoudelijke afspraken leidend zijn met voldoende groeiruimte om demografische ontwikkelingen en zorgverzwaring op te vangen. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de groeiruimte voor de drie Wlz-sectoren gezamenlijk 2,6% per jaar is; voor de ouderenzorg 3,2%, voor de gehandicaptenzorg 1,9% en voor de langdurige ggz 2,6% per jaar. Deze leden vragen of de minister een beeld kan geven wat de groeipercentages voor de Wlz-totaal en per sector zouden zijn geweest bij ongewijzigd beleid en een groeiruimte van ruim 7,2 miljard euro. Deze leden vragen ook waarom is gekozen voor de referentieperiode 2023-2025. Kan de minister de gerealiseerde uitgavengroei ook voor een aantal jaren verder terug laten zien, aangezien de gerealiseerde uitgaven jaar op jaar fluctueren? Deze leden vragen ook of de minister wil ingaan op de vraag in hoeverre de herverdeelmiddelen in de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk zijn benut en of zij hier cijfers over heeft.

De leden van de CDA-fractie merken op dat niet alleen de verdeling voor het jaar 2027 een fictief karakter heeft, maar de verdeling in de jaren daarna ook omdat de betreffende bestuurlijke afspraken nog niet zijn gemaakt. Deze leden vragen of de verdeling nog kan wijzigen na het afsluiten van de inhoudelijke akkoorden of op basis van actuele inzichten. Ten aanzien van de akkoorden vragen deze leden om urgentie en snelheid ten aanzien van de uitvoering van de afspraken uit het HLO, en ten aanzien van het sluiten van een nieuw akkoord. Deze leden vragen of de minister uitgebreider wil toelichten wat haar inhoudelijke inzet is ten aanzien van de nieuwe akkoorden vanaf 2028. Wat bedoelt de minister met een andere organisatie van de zorg en ondersteuning? Wat bedoelt de minister met vereenvoudiging? Deelt zij dat het hiervoor in ieder geval cruciaal is om te investeren in een sterke en zorgzame samenleving, waar meer welzijn, preventie en het verder scheiden van wonen en zorg via nieuwe gemeenschappelijke woonvormen randvoorwaardelijk voor zijn?

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister over de verdeling van de groeiruimte binnen de Wlz. Deze leden hebben hierover de volgende vragen.

De leden van de JA21-fractie constateren dat de minister de eerder voorgenomen tariefmaatregelen schrapt, conform een aangenomen motie van de Tweede Kamer, maar de financiële opbrengst daarvan alsnog verwerkt in de bezuinigingsopgave voor de langdurige ggz. Kan de minister bevestigen dat dit het geval is? Hoe verhoudt deze handelwijze zich tot de strekking van de aangenomen motie, waarin wordt gesproken over het definitief schrappen van deze maatregel?

Uit tabel 1 op bladzijde 4 concluderen de leden van de JA21-fractie dat het schrappen van de bezuinigingen (tariefmaatregelen plus coalitieakkoord) gedekt wordt door de verlaging van de beschikbare Wlz-groeiruimte. Elders op deze pagina wordt gesproken over de ‘hogere opgave’ die opgelost moet worden in de akkoorden met de Wlz-sectoren. Dat wekt de indruk dat de dekking voor het schrappen van de bezuinigingen gevonden moet worden in de akkoorden die het kabinet met de diverse Wlz-sectoren wil sluiten. Als de dekking echter al gevonden is in de verlaging van de groeiruimte, lijkt dat dubbelop. Kan de minister nader toelichten hoe het schrappen van de bezuinigingen nu precies gedekt wordt?

Kan de minister bevestigen dat de langdurige ggz in 2031 circa 92 miljoen euro minder groeiruimte ontvangt dan bij een proportionele verdeling van de beschikbare groeiruimte over de drie Wlz-sectoren? Kan zij tevens bevestigen dat de bezuiniging zonder de nu voorgestelde besluiten naar verwachting circa 86 miljoen euro zou hebben bedragen? Indien dit juist is, waarom leidt het schrappen van de tariefmaatregel uiteindelijk tot een grotere bezuiniging voor de langdurige ggz dan vóór deze wijziging?

De leden van de JA21-fractie vragen de minister uiteen te zetten op basis van welke objectieve criteria de beschikbare groeiruimte en de bezuinigingsopgave zijn verdeeld over de ouderenzorg, de gehandicaptenzorg en de langdurige ggz. Welke afwegingen hebben daarbij een rol gespeeld?

De leden van de JA21-fractie constateren dat de minister uitgaat van een jaarlijkse groei van 2,6% voor de langdurige ggz in de periode 2028-2031, terwijl de gerealiseerde uitgavengroei 3,7% bedroeg in 2025 en gemiddeld 6,6% over de periode 2023-2025. Kan de minister toelichten waarop de verwachting is gebaseerd dat deze groei in korte tijd substantieel zal afnemen? Is zij bereid de sectorspecifieke ramingsmethodiek voor de langdurige ggz openbaar te maken?

Kan de minister daarbij tevens aangeven in hoeverre de gehanteerde groeiverwachting is gebaseerd op autonome ontwikkelingen binnen de langdurige ggz en in hoeverre op verwachte effecten van het beoogde bestuurlijk akkoord?

Voorts vragen deze leden hoe de minister rekening houdt met het feit dat de gerealiseerde uitgaven in de langdurige ggz mede worden beperkt door een tekort aan passende woonzorgplekken. Erkent de minister dat hierdoor de feitelijke zorgvraag onvoldoende zichtbaar is in de historische uitgaven? In hoeverre acht zij gerealiseerde uitgaven dan een betrouwbare basis voor toekomstige groeiramingen?

Kan de minister tevens ingaan op de ontwikkeling van de wachtlijsten binnen de langdurige ggz? Erkent zij dat een groeiruimte van 2,6% per jaar het risico met zich brengt dat wachtlijsten verder oplopen of wachttijden toenemen? Hoe verhoudt zich dit volgens de minister tot de zorgplicht van zorgkantoren?

De leden van de JA21-fractie verzoeken de minister een gevoeligheidsanalyse uit te voeren voor drie scenario’s waarin de jaarlijkse groei van de langdurige ggz respectievelijk 3,7%, 4,1% en 6,6% bedraagt. Kan de minister per scenario aangeven wat het cumulatieve tekort op het Wlz-kader voor de periode 2028-2031 zou zijn? Hoe zouden eventuele tekorten worden opgevangen en ten laste van welke Wlz-sector zouden deze komen?

De leden van de JA21-fractie vragen voorts of de minister inzicht heeft in de gevolgen voor gemeenten wanneer onvoldoende groeiruimte binnen de Wlz leidt tot een groter beroep op voorzieningen binnen de Wmo, maatschappelijke opvang of beschermd wonen. Is de minister bereid te garanderen dat eventuele extra lasten voor gemeenten volledig worden gecompenseerd en niet indirect alsnog leiden tot aanvullende bezuinigingen binnen de langdurige ggz?

De minister schrijft dat aanvullende maatregelen kunnen volgen indien de bestuurlijke akkoorden onvoldoende resultaat opleveren. Kan zij nader specificeren welke maatregelen zij daarbij voor ogen heeft? Sluit zij uit dat opnieuw tariefmaatregelen of tariefkortingen voor de langdurige ggz worden overwogen?

Op welk moment concludeert de minister dat het bestuurlijk akkoord onvoldoende resultaat oplevert en welke rol heeft de Tweede Kamer bij die beoordeling? Is de minister bereid te borgen dat eventuele bijstellingen van het Wlz-kader voor de langdurige ggz niet eenzijdig worden opgelegd, maar plaatsvinden in overleg met de sector en met betrokkenheid van cliëntenorganisaties?

Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie of de minister bereid is de Tweede Kamer halfjaarlijks te informeren over de voortgang van het bestuurlijk akkoord voor de langdurige ggz, de ontwikkeling van wachtlijsten, de ontwikkeling van de zorgzwaarte en de beschikbaarheid van passende woonzorgplekken.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de minister. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de BBB-fractie lezen dat de minister de eerder voorgenomen bezuinigingen op de langdurige zorg grotendeels terugdraait en aangeeft daarmee de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de langdurige zorg ook voor de toekomst te willen borgen. Deze leden onderschrijven het belang daarvan. Zij vragen de minister echter hoe breed zij deze ambitie ziet. Is de minister van mening dat investeren in het voorkómen van ziekte en het behoud van kwaliteit van leven voor ouderen eveneens onderdeel is van het toekomstbestendig maken van de ouderenzorg? Kan de minister haar antwoord toelichten?

De leden van de BBB-fractie wijzen in dat kader op de vaccinatie tegen gordelroos. Gordelroos kan leiden tot ernstige en langdurige gezondheidsklachten, een vermindering van de kwaliteit van leven en een groter beroep op de zorg. De leden van de BBB-fractie vragen de minister of de ruimte die ontstaat doordat eerder voorgenomen bezuinigingen op de langdurige zorg grotendeels zijn teruggedraaid, aanleiding geeft om opnieuw te bezien of het vaccinatieprogramma tegen gordelroos kan worden uitgebreid. Is de minister bereid te bezien of de gordelroosvaccinatie beschikbaar kan worden gemaakt voor alle mensen van 60 jaar en ouder die daarvan gebruik willen maken? Zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen over het voorstel van de minister voor verdeling van de groeiruimte in de Wlz.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de minister naar een meerjarig overzicht, uitgesplitst per sector, van het Wlz-kader inclusief groeiruimte en LPO.

De leden van de ChristenUnie-fractie zien in de brief van de minister geen erkenning dat de Wlz geen ‘gesloten systeem’ is en ook andere wettelijke kaders van invloed kunnen zijn op de ontwikkelingen in de Wlz. Deze leden vragen de minister hoe zij dit ziet. Erkent zij dat de instroom in de Wlz niet enkel wordt bepaald door uitvoering van de wettelijke kaders van de Wlz, maar ook door ontwikkelingen in onder andere de jeugdzorg, de Wmo en het bredere kabinetsbeleid? Op welke wijze worden deze ontwikkelingen meegenomen in de analyses en beleidsvoorstellen uit deze brief?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben begrip voor de inzet van het kabinet voor het beperken van de volumegroei in de langdurige zorg. Zij vragen het kabinet daarbij nader de demografische ontwikkelingen te betrekken. Deze leden zien de bestuurlijke akkoorden die ook dienen tot behoud van kwalitatief sterke zorg dan ook tegemoet. Tegelijkertijd hebben deze leden zorgen dat wanneer deze akkoorden onvoldoende resultaat kunnen opleveren aangaande de volumegroei, het instrument van tariefmaatregelen weer uit de kast getrokken wordt. In hoeverre acht de minister het redelijk dat bij tegenvallende volumegroei alsnog tariefmaatregelen genomen worden, terwijl zorgaanbieders beperkte invloed hebben op de omvang van de instroom? Is het niet de minister die aan de volumeknoppen zit, via vaststelling van de zorgprofielen en toegang tot het stelsel? Wat is volgens de minister de verantwoordelijkheidsverdeling voor volumegroei tussen het ministerie en zorgaanbieders, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de minister welke analyse er beschikbaar is van de gevolgen van eventuele tariefmaatregelen voor de kwaliteit en continuïteit van zorg en werkdruk van medewerkers.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de minister welke stappen zij zet om de beloftes en afspraken aan de zijde van het ministerie na te komen, zoals vereenvoudiging van de Wlz en investeringen om ‘de beweging naar de voorkant’ te kunnen maken? Hoe verhoudt deze ambitie zich volgens de minister überhaupt tot het schrappen van huishoudelijke hulp?

In de brief lezen de leden van de ChristenUnie-fractie dat de opgave voor de te sluiten akkoorden vergroot is door de voorgenomen bezuinigingen te schrappen. Kan de minister precies toelichten wat zij hiermee bedoeld? Hoe verhoudt dit zich tot tabel 4 waarin wordt aangegeven dat het schrappen van de bezuinigingen wordt gedekt door een beperking van de groeiruimte? Klopt het dat hierdoor de indruk ontstaat dat de financiële opgave zowel via een beperking van de groeiruimte als via de akkoorden moet worden gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?

Welke kwalitatieve ambities heeft de minister voor de verschillende sectoren binnen de langdurige zorg? Welke landen ziet zij als voorbeeld? Hoe voorkomt de minister dat langdurige complexe problematiek in de ggz of de gehandicaptenzorg opnieuw nog langer moet wachten op een oplossing door de gesprekken over de financiële opgave door deze coalitie gesteld?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de minister naar de concrete (financiële) doelstelling van de bestuurlijke akkoorden per sector. Kan de minister garanderen dat de voorgestelde akkoorden niet zullen uitmonden in een verkapte invulling van de eerder door de Kamer geschrapte bezuinigingen?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen de constatering van de minister dat de NZa-tarieven op orde zijn gebracht. Hoe verhoudt deze stellingname van de minister zich tot het feit dat de NZa bezig is met de herijking van de NHC op inhoudelijke gronden, de herijking van de NIC en de vergoeding van het aanhouden van eigen vermogen?

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn op de hoogte dat de NZa voornemens was de vergoeding voor het aanhouden van het eigen vermogen per 2027 in de tarieven op te nemen. De minister heeft dit tegengehouden door een beleidsregel op grond van de Kaderwet vast te stellen. De leden van de ChristenUnie-fractie hebben hier vragen over. Kan de minister toelichten waarom zij van oordeel is dat een beleidsregel de juiste juridische grondslag is voor een besluit dat feitelijk tot gevolg heeft dat een voorgenomen tariefverhoging van de NZa voor 2027 niet kan worden doorgevoerd?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de minister erkent dat deze beleidsregel materieel hetzelfde effect heeft als een tariefmaatregel, namelijk het voorkomen van een verhoging van de maximumtarieven voor 2027? Zo nee, waarom niet? Waarom acht de minister het in dit geval niet wenselijk dat de Kamer vooraf invloed kan uitoefenen via de gebruikelijke voorhangprocedure? Is de minister het ermee eens dat de gekozen route ertoe leidt dat de Kamer minder mogelijkheden heeft om haar controlerende taak uit te oefenen dan wanneer gebruik was gemaakt van een aanwijzing op grond van de Wmg? Kan de minister uitsluiten dat de keuze voor een beleidsregel mede is ingegeven door het vermijden van een parlementaire voorhangprocedure? Erkent de minister dat de gekozen route een precedent kan scheppen waarbij via beleidsregels feitelijk wordt ingegrepen in tariefvorming zonder de parlementaire waarborgen die de Wmg kent?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor de verdeling van de groeiruimte in de Wet langdurige zorg (Wlz) ten behoeve van het indicatieve Wlz-kader 2028-2031 en de voorlopige kaderbrief Wlz 2027. Zij constateren dat er daarbij vooral met geld wordt geschoven om te kunnen zeggen dat bezuinigingen worden geschrapt, terwijl er niet minder wordt bezuinigd op de langdurige zorg. Zij hebben daarom nog een aantal kritische vragen en opmerkingen.

De leden van de SP-fractie lezen dat het geld dat was gereserveerd voor “mogelijke hogere uitgaven op grond van lopende kostenonderzoeken van de NZa” wordt gebruikt om de bezuiniging op de Wlz uit het coalitieakkoord voor 2027 te schrappen. Kan de minister verduidelijken waar dit geld precies voor was gereserveerd? Waarom zou de zorg dit geld opeens niet meer nodig hebben omdat een “implementatie van een onderzoek” wordt uitgesteld? Waarom wordt er niet voor gekozen om deze bezuiniging voor 2027 gewoon niet door te voeren, aangezien er nog geen onderbouwing voor ligt, in plaats van dit via een omweg alsnog te doen?

De leden van de SP-fractie lezen ook dat de minister het uitstellen van het opnemen van de vergoeding voor het aanhouden van eigen vermogen in de Wlz-tarieven onderbouwt door enerzijds te wijzen op uitvoerbaarheid voor zorgkantoren en het feit dat het kabinet hier geen budget voor heeft gereserveerd. Geen van die argumenten doet echter iets af aan de noodzaak van die vergoeding en het feit dat deze in andere sectoren al wel wordt gebruikt. Waarom kijkt het kabinet niet naar de uitvoerbaarheid en de financiële gevolgen van het niét doorvoeren van deze tariefverhoging voor Wlz-instellingen en de mensen die van hun zorg afhankelijk zijn?

De leden van de SP-fractie vragen ook waarom het besluit om de tariefverhoging die gekoppeld is aan het opnemen van een vergoeding van het aanhouden van eigen vermogen in de Wlz-tarieven niet wordt voorgehangen bij het parlement? Is dat niet een logische stap bij het de facto doorvoeren van een tariefmaatregel op de Wlz?

De leden van de SP-fractie constateren daarnaast dat de minister doet alsof zij de moties Dobbe5, Bikker c.s.6 en Westerveld c.s.7 uitvoert, door van de drie tariefmaatregelen op de gehandicaptenzorg en de langdurige ggz “op dit moment” af te zien. Echter blijkt uit de dekking die zij daarvoor gebruikt dat zij niet echt van plan is om deze moties uit te voeren, aangezien de bezuinigingsopgave van deze maatregel simpelweg wordt toegevoegd aan de bezuinigingsopgave van 990 miljoen euro die er al lag voor het bezuinigingsakkoord. Waarom volgt de minister de wens van de Kamer niet gewoon, door de bezuinigingen helemaal te schappen, in plaats van enkel boekhoudkundige trucjes uit te halen om het in de media te doen lijken alsof er minder wordt bezuinigd?

De leden van de SP-fractie herinneren de minister er daarnaast aan dat de motie Bikker c.s. het kabinet verzocht “om niet te bezuinigen op de gehandicaptenzorg”. Deze oproep van de Kamer was dus overduidelijk breder dan enkel de drie tariefmaatregelen die het kabinet noemt. Waarom voert de minister deze motie niet ook uit als het gaat om de bezuinigingsopgave van €990 miljoen?

De leden van de SP-fractie vragen de minister of het klopt dat de langdurige ggz te maken zal krijgen met €92 miljoen aan bezuinigingen in 2031. Ziet zij niet in dat er nu al een tekort is aan passende plaatsen voor mensen die langdurige ggz nodig hebben?

De leden van de SP-fractie vragen tot slot waar de minister het idee op baseert dat de langdurige zorg een geschikte plek is om geld te halen om te besteden aan de Amerikaanse wapenindustrie. Hoeveel zorgverleners, cliënten en naasten heeft zij gesproken die haar hebben verteld dat er prima kan worden bezuinigd op de ouderenzorg, de gehandicaptenzorg en de langdurige ggz?

Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie

De leden van 50PLUS-fractie danken de minister voor de toezending van haar Kamerbrief. Zij hebben hier nog wel enkele verduidelijkende vragen over.

Klopt de interpretatie van genoemde leden dat de middelen ter dekking van het schrappen van de geplande bezuinigingen in feite een schuif binnen de eigen begroting zijn, doordat een geplande tariefverhoging wordt uitgesteld? En als het hier inderdaad een uitstel van tariefverhoging naar 2028 betreft, wat schieten de sectoren waar deze brief over gaat hier nu werkelijk mee op? Gaat het dan om uitstel van executie?

Hoe verhoudt deze keuze zich tot het voornemen van deze coalitie om de ouderenzorg verder te extramuraliseren?

‘Op grond van de februaribrief van de NZa kan worden vastgesteld dat het beschikbare Wlz-kader voor 2026 ruimschoots toereikend is.’, stelt de minister op pagina 2. Wat is dan de reden dat de minister nu pas (enkele maanden later) dit besluit genomen heeft?

De minister kondigt akkoorden aan (pagina 3) over "de beweging naar de voorkant, passende zorg en vereenvoudiging" per sector, met een eigen groeiruimte per akkoord. Geen van de akkoorden noemt de mantelzorger als partij aan tafel. Is de minister bereid om in elk van de drie bestuurlijke akkoorden (ouderenzorg, gehandicaptenzorg, langdurige ggz) mantelzorg een formele plek te geven — als erkende partij in plaats van onzichtbare randvoorwaarde — en welk deel van de groeiruimte per akkoord reserveert zij structureel voor investeringen in mantelzorgondersteuning, zowel financieel als in vernieuwing van beleid (onder andere respijtzorg)? Hoe hangt dit samen met de motie-Struijs8 om te komen tot een breed gedragen mantelzorgplan?

Hoe verklaart de minister de opvallend lage groeicijfers in 2025 voor ouderenzorg, gehandicaptenzorg en ggz (zie pagina 6), wat het driejarig gemiddelde flink naar beneden haalt? Is het überhaupt gebruikelijk om dergelijke driejarige gemiddelden te hanteren, aangezien een uitschieter naar boven of naar beneden dan een onevenredig grote invloed te hebben, of worden er doorgaans gemiddelden over een langere periode gehanteerd?

De minister schrijft dat zelfs bij onbeperkte financiële middelen de zorg vastloopt op personeelsschaarste (pagina 8). Er wordt uitsluitend geld vrijgemaakt voor de formele sector, terwijl 5,5 miljoen mantelzorgers al de helft van alle zorg dragen — onbetaald, ongeregistreerd, en in toenemende mate overbelast. Erkent de minister dat de mantelzorger nu al de facto de grootste personeelsbuffer van de langdurige zorg is, en welke concrete investering — financieel en in wet- en regelgeving — is zij bereid te doen om deze groep niet te laten omvallen voordat de arbeidsmarktkrapte in de formele zorg is opgelost?

Vanaf 2026 mogen zorgkantoren binnen de overige uitvoeringskosten investeren in preventie; in 2027 gaat het om 47 miljoen euro. Deze inzet is niet verplicht en niet geoormerkt. Is de minister bereid dit preventiebudget expliciet te verbinden aan investeringen in mantelzorgers — zodat geld de zorgvraag volgt in plaats van dat het per zorgkantoor vrijblijvend blijft? En in het bijzonder beschikbaar gesteld wordt voor respijtvoorzieningen als logische aanvulling op de middelen beschikbaar gesteld in de Wmo, zodat er echt een integraal aanbod kan ontstaan voor mantelzorgers?

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower

De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.

Genoemde leden vragen de minister om te verduidelijken of genoemde maatregelen daadwerkelijk zullen zorgen voor meer 'lucht’ in de gehandicaptenzorg en hoe dat in de praktijk voelbaar en merkbaar wordt. Hoe wordt gezorgd dat de bezuinigingen niet elders of op een later moment alsnog terugkomen?

Genoemde leden vragen aan de minister hoe de financiële dekking voor het schrappen van de bezuinigingen precies begrepen moet worden. Uit tabel 1 op pagina 4 van de Kamerbrief blijkt dat dit gedekt wordt door de beschikbare groeiruimte te verlagen, maar elders wordt gesproken over een ‘hogere opgave’ die opgelost moet worden binnen de af te sluiten bestuurlijke akkoorden. Betekent dit dat de sector de dekking alsnog zelf moet realiseren binnen de akkoorden? De leden van de Groep Markuszower ontvangen graag nadere uitleg op dit punt.

Genoemde leden vragen verder waarom de minister vasthoudt aan de reservering van 30% van de groeiruimte als herverdelingsmiddelen, terwijl de totale groeiruimte al fors is ingeperkt om de eerdere bezuinigingen op te vangen. Is de minister bereid deze afroming te verlagen of te schrappen om te voorkomen dat zorgkantoren uit onzekerheid over dit budget terughoudend worden bij de zorginkoop, met mogelijke wachtlijsten tot gevolg? Indien nee, waarom niet?

Genoemde leden vragen daarnaast naar de onderbouwing van de berekeningsmethodiek voor de benodigde groeiruimte. In tabel 4 op pagina 6 van de Kamerbrief wordt uitgegaan van het gemiddelde over 2023-2025, terwijl de groei in de gehandicaptenzorg in 2025 (0,6%) fors lager was dan in de jaren daarvoor (2,4% en 2,7%). Waarom is er gekozen voor dit gemiddelde bij een dergelijke onevenwichtige reeks en kan de minister inzicht geven in hoe hoog de groei was in de jaren 2021 en 2022?

Genoemde leden vragen de minister hoe zij de samenhang ziet tussen de Wlz en andere beleidsterreinen. De instroom in de Wlz wordt immers sterk beïnvloed door factoren buiten de Wlz, zoals bezuinigingen op de Wmo (bijvoorbeeld huishoudelijke hulp), problemen in de jeugdzorg en het tekort aan toegankelijke woningen. Waarom ontbreekt de aandacht voor deze samenhang in de brief? De leden van de Groep Markuszower ontvangen graag alsnog een reactie op deze samenhang.

Waarom wordt de sector verantwoordelijk gehouden voor het beperken van de groei op straffe van nieuwe tariefmaatregelen, terwijl zij op deze externe factoren en de onafhankelijke indicatiestelling door het CIZ nauwelijks invloed heeft?

Genoemde leden vragen naar de haalbaarheid van de ‘hogere opgave’ binnen de nog af te sluiten bestuurlijke akkoorden. De minister stelt enerzijds dat de tarieven door recente investeringen thans “op orde zijn”, maar erkent anderzijds dat de opgave voor de akkoorden zwaarder wordt omdat de dekking voor het schrappen van eerdere bezuinigingen nu uit de beschikbare groeiruimte moet komen. Hoe kan de minister spreken van een “goede startpositie” voor de sectoren als zij de dekking voor het schrappen van tariefkortingen feitelijk zelf moeten opbrengen door een lagere groeiruimte te accepteren?

Genoemde leden vragen ook om een nadere onderbouwing van de voorgestelde groeiruimte voor de langdurige ggz. Waar de minister voor de periode 2028-2031 uitgaat van een gemiddelde groei van 2,6% per jaar, laten de realisatiecijfers over 2023-2025 een gemiddelde groei van 6,6% zien. Op basis van welke concrete trends en data is de minister ervan overtuigd dat de instroom van cliënten met “lichtere zorgprofielen” zodanig structureel zal doorzetten dat een halvering van de historische groeiruimte volstaat om aan de zorgplicht te voldoen zonder dat dit leidt tot nieuwe wachtlijsten?

Genoemde leden vragen de minister naar de houdbaarheid van de gekozen dekkingsconstructie op de zeer lange termijn. Aangezien het schrappen van de tariefmaatregelen structureel wordt gedekt door de beschikbare groeiruimte te verlagen, vragen deze leden of dit op termijn niet leidt tot een onhoudbare knel tussen de noodzakelijke groei en de feitelijk beschikbare middelen. Kan de minister garanderen dat deze ‘hogere opgave’ die nu bij de bestuurlijke akkoorden wordt gelegd niet ten koste zal gaan van de continuïteit en kwaliteit van de zorg voor de meest kwetsbare cliënten na 2031? En indien nee, waarom niet?

Genoemde leden zijn blij met het schrappen van bezuinigingen maar vragen de minister in hoeverre er sprake is van een definitief afstel van de bezuinigingen of enkel van uitstel, aangezien zij in haar brief expliciet dreigt met de inzet van “tarief- of andere maatregelen” indien de hogere opgave niet via de bestuurlijke akkoorden wordt gerealiseerd. Hoe rijmt de minister deze blijvende financiële dreiging met de door de sector geuite dringende behoefte aan rust en stabiliteit na jaren van politieke onzekerheid en wisselend beleid?

  1. Reactie van de minister


  1. Kamerstuk 34 104, nr. 473↩︎

  2. Kamerstuk 36 915 XVI, nr. 19↩︎

  3. Kamerstuk 36 848, nr. 107↩︎

  4. Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 160↩︎

  5. Kamerstuk 36 915 XVI, nr. 19↩︎

  6. Kamerstuk 36 848, nr. 107↩︎

  7. Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 160↩︎

  8. Kamerstuk 36848, nr. 96↩︎