Maatregelenpakket Geitenhouderijen en gezondheid omwonenden
Toekomst veehouderij
Brief regering
Nummer: 2026D36315, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-07-20 15:02, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ooit VVD kamerlid)
- Mede ondertekenaar: S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ooit VVD kamerlid)
- Impactanalyse afstandsnorm geitenhouderijen
- Impactanalyse Geitenhouderijen Nederland
- Beslisnota bij Kamerbrief Maatregelenpakket Geitenhouderijen en gezondheid omwonenden
Onderdeel van kamerstukdossier 28973 -304 Toekomst veehouderij.
Onderdeel van zaak 2026Z16068:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-09-01 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-02 10:15: Procedurevergadering Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
28 973 Toekomst veehouderij
Nr. 304 Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juli 2026
Op 9 januari jl.1 is de Kamer geïnformeerd over de
kabinetsreactie op de adviezen van de Gezondheidsraad over
gezondheidsrisico’s rond geitenhouderijen. Zoals toegezegd, informeren
wij u, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, met deze
brief over de nadere uitwerking van een samenhangend pakket aan
maatregelen. De afgelopen maanden hebben de betrokken ministeries de
sporen van het maatregelenpakket verder uitgewerkt. Medeoverheden,
GGD’en en sectorpartijen zijn hier op regelmatige basis over
geïnformeerd. Daarnaast zijn aanvullende vragen gesteld aan de
VGO-onderzoekers, waarover de Kamer op 30 maart jl.2
tussentijds is geïnformeerd, en is een impactanalyse uitgevoerd (zie
bijlagen).
Meer dan 10 jaar is er onderzoek gedaan naar de relatie tussen de geitenhouderij en gezondheid van omwonenden. De Gezondheidsraad heeft hierover meerdere adviezen uitgebracht. Negen provincies hebben in deze periode uit voorzorg moratoria ingevoerd. Dit langdurige onderzoeks- en adviestraject is nodig geweest om de problematiek goed in beeld te brengen, maar heeft er ook toe geleid dat mensen lange tijd in onzekerheid kwamen te zitten. Onzekerheid bij omwonenden over de effecten op hun gezondheid, onzekerheid bij geitenhouders over de toekomstmogelijkheden voor hun bedrijf, onzekerheid bij lokale overheden over welke ruimtelijke ontwikkelingen nu wel en niet in deze gebieden kunnen plaatsvinden en verantwoord zijn. Het kabinet wil hierin nu duidelijkheid geven en stappen zetten. Allereerst om de volksgezondheid te beschermen, die staat voorop. Maar zeker ook om duidelijkheid te geven voor de woningbouw en voor de geitenhouderij. Alles afwegende is het kabinet – kort samengevat – tot de volgende aanpak gekomen. Ten eerste wil het kabinet voorkomen dat nieuwe situaties ontstaan waarin omwonenden van geitenhouderijen een verhoogd gezondheidsrisico lopen. Daartoe is het kabinet voornemens een afstandsnorm van 500 meter in te voeren tussen geitenhouderijen en woonkernen en andere gevoelige functies, zoals kinderdagverblijven en ouderenzorginstellingen. Hierbij is een afweging gemaakt met het oog op de gezondheid en de impact van een afstandsnorm, met name op de woningbouw maar ook op de sector. Voor invoering van deze maatregel moet allereerst een plan-milieueffectrapportage procedure (plan mer-procedure) doorlopen worden. Ten tweede is de inzet van het kabinet om te komen tot effectieve bedrijfsmaatregelen met het doel om het gezondheidsrisico te verminderen. Daartoe wordt meerjarig onderzoek uitgevoerd, dat inmiddels gestart is. Ten derde wil het kabinet gericht ingrijpen op bestaande situaties waar de gezondheidsrisico’s het grootst zijn, de zgn. prioritaire locaties. Zoals aangegeven in de brief van 9 januari jl. zijn maatwerk en proportionaliteit hierbij het uitgangspunt. Over de uitwerking van deze aanpak is het kabinet in nauw overleg met gemeenten en provincies. Ten slotte blijven we het gezondheidsrisico monitoren.
Met deze aanpak komen we tegemoet aan de motie Kostić (Kamerstuk 29 683, nr. 320) met een verzoek om, waar spanningen zijn tussen deze verschillende belangen, woningbouw en volksgezondheid te prioriteren boven de intensieve geitenhouderij.
Impactanalyse
Zoals aangegeven in de kabinetsreactie van 9 januari jl. dient overeenkomstig de Omgevingswet gezocht te worden naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving. Dit vraagt om zo goed mogelijk inzicht in de impact van een afstandsnorm tussen geitenhouderijen en gevoelige functies, waaronder woningen. Dit is gedaan in de impactanalyse. Deze bestaat uit een ruimtelijke impactanalyse en een economische impactanalyse.
Eerst zijn beschikbare feitelijke gegevens en geografische informatie met betrekking tot geitenhouderijen, woningen en andere gevoelige functies (gebouwen en locaties, zoals woningen, kinderdagverblijven, scholen (basisonderwijs en voortgezet onderwijs), en zorginstellingen met bedgebied, zoals verpleeg-en verzorgingshuizen en ziekenhuizen, waar gevoelige groepen3 verblijven) en ruimtelijke plannen in kaart gebracht. In alle provincies zijn er geitenhouderijen in de buurt van woonkernen (aansluitend bij definitie van het CBS4) en andere gevoelige functies. De impact op potentieel gevoelige functies varieert per provincie. In totaal zijn er volgens de impactanalyse 338 melkgeitenhouderijen in Nederland (met 50 geiten of meer), waarbij ongeveer 13.586 huizen zich binnen een straal van 500 meter bevinden, en 79.295 binnen een straal van 1.000 meter. Bij 114 bedrijven staan 25 of meer woningen binnen een straal van 500 meter; op 1000 meter zijn dit er 294. De meeste situaties van nabijheid van geitenhouderijen bij woonkernen en andere gevoelige functies zijn te vinden in de provincies met de meeste geitenhouderijen, namelijk Noord-Brabant en Gelderland.
In bijna alle provincies zijn er ook woningbouwplannen in ontwikkeling in de buurt van geitenhouderijen. Deze woningbouwplannen worden verzameld in de Landelijke monitor voortgang woningbouw (LMVW). Hoewel de LMVW niet compleet is, geeft dit voldoende zicht op de impact en daarmee een gedegen basis voor besluitvorming. Zowel binnen een straal van 500 meter als binnen een straal van 1.000 meter zijn ‘harde’ (onherroepelijke) woningbouwplannen als ‘zachte’ plannen die nog in ontwikkeling zijn. Binnen een straal van 500 meter zijn er ongeveer 509 woningen in harde plannen en 1.118 woningen in zachte plannen. Binnen een straal van 1.000 meter van de geitenhouderijen zijn zo’n 3.811 woningen in harde plannen en 9.967 woningen in zachte plannen. Dit is een indicatie van de totale impact. In de impactanalyse is namelijk aangenomen dat een volledig woningbouwproject geen doorgang kan vinden als het plangebied deels wordt geraakt door een potentiële afstandsnorm. Daarnaast is slechts in een deel van de projecten het geplande aantal woningen bekend.
De ruimtelijke analyse vormt de basis voor de economische analyses naar de impact van een afstandsnorm. Hiervoor is in de economische impactanalyse een vergelijking gemaakt tussen verschillende scenario’s, waarbij een afstandsnorm geldt voor nieuwbouw van geitenhouderijen en/of woonkernen (en andere gevoelige functies) binnen een afstand van 500 meter of 1.000 meter, al dan niet met mogelijkheid tot uitbreiding van geitenhouderijen binnen die afstand. Er is gekeken naar het effect van het invoeren van een afstandsnorm, vergeleken met de huidige situatie, waarbij 9 provincies een moratorium hebben. Er is niet gekeken naar een baselinescenario van een situatie zonder beperkingen, zoals gold in de tijd voor de moratoria werden ingevoerd, omdat er sinds die tijd teveel veranderd is om als uitgangspunt voor ontwikkeling in de toekomst te kunnen dienen.
Uit de economische analyse blijkt dat een landelijke gerichte afstandsnorm, in vergelijking met de huidige situatie waar in 9 van de 12 provincies nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen verboden is door de moratoria, voor minder waardeverlies voor de sector zorgt. Met een landelijke afstandsnorm is er namelijk meer ruimte voor vestiging en uitbreiding van geitenhouderijen dan onder de moratoria mogelijk is. Dit verschilt wel per regio, en voor individuele bedrijven kan een dergelijke norm wel aanzienlijke impact hebben.
Afstandsnorm
Met het oog op het verhoogde gezondheidsrisico voor omwonenden en op basis van alle beschikbare informatie en de resultaten uit beide impactanalyses, is het kabinet voornemens om een afstandsnorm van 500 meter in te voeren, om het huidige gezondheidsrisico niet verder te vergroten.
Het verhoogde gezondheidsrisico voor omwonenden van geitenhouderijen is aangetoond waarmee op basis van het voorzorgsprincipe maatregelen nodig zijn. Zolang het gezondheidsrisico voor de omgeving niet voldoende kan worden teruggebracht met andere maatregelen geeft het kabinet de voorkeur aan invoering van een afstandsnorm, omdat het een effectieve maatregel is, die gerichter is dan de huidige moratoria. Een afstandsnorm grijpt in waar het risico het hoogst is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden. Een landelijk kader draagt bovendien bij aan meer eenvormigheid en duidelijkheid.
In het Gezondheidsraadadvies wordt op basis van de meest recente meta-analyse van het VGO-onderzoek in vijf provincies geschat dat het risico op longontsteking met 73% toeneemt bij omwonenden binnen 500 meter van een geitenhouderij (van 1,9% naar 3,2%) en met 19% toeneemt binnen een straal van 1000 meter (van 1,9% naar 2,2%). Blijkens de antwoorden van de VGO-onderzoekers op aanvullende vragen5, is het risico op longontsteking binnen de 500-1000 meter 14%, en is het effect op een afstand van meer dan 500 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd. Het kabinet is op basis van deze gegevens, gecombineerd met de informatie uit de impactanalyse voornemens maatregelen voor een afstandsnorm van 500 meter uit te werken. In deze afstandsnorm zijn de gezondheidsrisico’s dusdanig dat de ruimtelijke ontwikkeling beperkt dient te worden. De impactanalyse laat zien dat een afstandsnorm van 500 meter impact heeft op de woningbouw en geitenhouderijen. Een afstandsnorm van 1.000 meter heeft een nog veel grotere impact, waardoor veel gebieden ruimtelijk op slot worden gezet. Dat acht het kabinet, gegeven het feit dat het gezondheidsrisico buiten 500 meter niet statistisch significant verhoogd is, niet proportioneel. Dit bevestigt het voornemen van een afstandsnorm van 500 meter.
De voorgenomen afstandsnorm betekent dat er binnen een straal van 500 meter van gevoelige functies of woonkernen geen nieuwe geitenhouderijen gevestigd mogen worden. Dit betekent ook dat er geen woonkernen en andere gevoelige functies binnen 500 meter van een geitenhouderij gebouwd mogen worden. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat regelgeving wordt ingevoerd voor alle nieuwe ontwikkelingen: onherroepelijke omgevingsplannen en vergunde projecten kunnen doorgang vinden. Buiten deze afstandsnorm gelden de bevoegdheden conform de Omgevingswet, waarbij het bevoegde gezag op basis van de beschikbare informatie en de lokale situatie een eigen afweging maakt.
Zolang er geen handhaafbare maatregelen zijn die bewezen effectief zijn in het reduceren van emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof, kunnen bestaande geitenhouderijen die zich binnen de 500 meter van woonkernen en andere gevoelige functies bevinden, niet uitbreiden. Het is volgens de Gezondheidsraad aannemelijk dat het aantal geiten van invloed is op de emissie van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen uit bedding en mest, maar op basis van de beschikbare informatie uit het VGO-onderzoek is geen kwantitatieve relatie vast te stellen tussen het aantal bedrijven of aantal geiten en de hoeveelheid emissie van de verschillende componenten en het daarmee samenhangende risico op longontsteking bij omwonenden. Onderbouwing van deze tijdelijke beperking van uitbreiding berust op voorzorg.
Voor individuele bedrijven maakt het veel verschil of een bedrijf zich binnen of buiten de 500 meter van woonkernen en andere gevoelige functies bevindt. De impact op bedrijven binnen de 500 meter kan groot zijn, mede doordat bedrijven buiten de 500m afstandsnorm wel kunnen uitbreiden. De afstandsnorm met deze beperking op uitbreiding creëert nu de benodigde duidelijkheid, maar als de situatie verandert, kan deze maatregel herzien worden. Het kabinet is voornemens om, zodra er handhaafbare maatregelen zijn die bewezen effectief zijn in het reduceren van emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof, in dat geval (beperkte) uitbreiding binnen de afstandsnorm mogelijk te maken. Deze (beperkte) uitbreiding is onder voorwaarden van het nemen van deze maatregelen en is in balans met de te realiseren reductie. Op deze manier wil het kabinet bijdragen aan het perspectief voor bedrijven binnen de afstandsnorm, en wil het kabinet het invoeren van emissiebeperkende maatregelen ten behoeve van de gezondheid van omwonenden stimuleren. Het verminderen van het gezondheidsrisico blijft immers het uiteindelijke doel. Mede met het oog hierop investeert het kabinet in onderzoek naar effectieve emissiereducerende maatregelen.
Het voornemen is dat de afstandsnorm zal worden opgenomen in de regelgeving onder de Omgevingswet, onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Het kabinet zal de gebruikelijke vervolgstappen nemen om tot een zorgvuldige uitwerking van dit voornemen te komen. Op grond van de richtlijn strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn6) is voor deze kaderstellende regelgeving een plan-mer nodig. Als eerste zal daarom de plan-mer-procedure gestart worden. Hierin wordt het effect van het voorgenomen besluit en de alternatieven op het milieu zorgvuldig beoordeeld. Vervolgens zal het kabine een definitief besluit nemen op de regelgeving voor de afstandsnorm, binnen het stelsel van de Omgevingswet.
Zoals bij elke regelgeving zijn wijzigingen niet permanent. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken. Bij de verdere uitwerking zal het kabinet gemeenten en provincies betrekken.
Bedrijfsmaatregelen
De tweede fase van het onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) naar emissiereducerende maatregelen is inmiddels gestart. WUR werkt aan een meetprotocol. Komende jaren zullen kennishiaten worden gevuld (o.a. door periodieke metingen) over de invloed van de ‘stropot’ (de voor geitenhouderijen typerende potstal) en de mestopslag, op de emissies vanuit de stal. Ook zal een vergelijkende meetcampagne worden gedaan, waarbij geitenhouderijen met vernieuwingen/aanpassingen worden vergeleken met bedrijven die dat niet hebben. Het plan is om nog dit jaar in ieder geval de niet-traditionele geitenstallen (zonder stropot), zoals geitenstallen met roostervloeren, te bemeten. Daarnaast zal worden gekeken naar het bemeten van emissiereducerende stalmaatregelen. WUR zal met producenten spreken over de mogelijkheid om bestaande end-of-pipe luchtreinigingstechnieken door te ontwikkelen zodat zij effectief bacteriën, endotoxinen en fijnstof uit geitenstallen kunnen verminderen. Voor het onderzoek heeft de sector een adviserende rol, evenals een uitvoerende rol, omdat voor het bemeten medewerking van geitenhouders nodig is. Ook GGD (Brabant Zuidoost en West Brabant) en Omgevingsdienst (Brabant Noord en Groene Metropool) hebben een adviserende rol.
Verder zal de komende jaren worden ingezet op het onderzoeken van de effecten van maatregelen met betrekking tot instrooien en uitmesten van stro/strooisel (maatregelengroep 1 uit het fase 1 WUR-rapport)7, weidegang, nieuwe ionisatietechnieken en end-of-pipe-luchtreiniging.
De geitensector erkent in het sectorplan8 de maatschappelijke zorgen over de gezondheid van omwonenden en wil proactief verantwoordelijkheid nemen om bacteriële concentraties en emissies uit stallen te verlagen. Met de sector is gesproken over de toepassing van zogenaamde no-regret maatregelen: maatregelen die op basis van de eerste resultaten van het fase 1 WUR-onderzoek7 mogelijk kunnen bijdragen aan emissiereductie, relatief eenvoudig uitvoerbaar zijn, beperkte kosten met zich meebrengen en op korte termijn kunnen worden ingevoerd. Deze zouden geitenhouders kunnen nemen in afwachting van de uitkomsten van het driejarig onderzoek van WUR naar emissiereducerende maatregelen. In het eerder opgeleverde rapport van het verkennend onderzoek van de WUR wordt aangegeven dat de effectiviteit in de praktijk nog moet worden getest. Vanwege het ontbreken van zekerheid over de effectiviteit ligt de (uiteindelijke) keuze en de verantwoordelijkheid voor de inzet op de no-regret maatregelen bij de sector. In de sector lopen inmiddels diverse initiatieven van geitenhouders om emissies vanuit de stal te verlagen, bijvoorbeeld door frequent uitmesten van de stal, door ontstoffen en stofarm instrooien van stro, of door stroloze stallen.
Prioritaire locaties
Zoals in de eerdere brieven is aangegeven, richten we ons naast het nemen van maatregelen op nieuwvestiging en uitbreiding, ook op bestaande situaties, om het risico voor omwonenden van geitenhouderijen te verminderen. De focus hierbij ligt op de prioritaire locaties, waar de risicogroep het grootst of de kwetsbaarheid van de omwonenden het hoogst is.
Het gaat hier om locaties waar meerdere geitenhouderijen dichtbij woningen en andere gevoelige bestemmingen staan, of veel woningen en andere gevoelige functies dichtbij een geitenhouderij staan of gepland zijn, of waar kwetsbare groepen wonen/verblijven die extra vatbaar zijn voor gezondheidseffecten. Op basis van nadere uitwerking van criteria en verdere gesprekken met medeoverheden zullen we de komende maanden tot meer duidelijkheid en een lijst van (mogelijk) prioritaire locaties komen. Het is belangrijk dat er handelingsperspectief komt voor gemeenten en provincies die iets willen doen aan dit soort situaties en tegen deze problematiek aanlopen in hun ruimtelijke planning. We erkennen dat het belangrijk is om dit perspectief te kunnen bieden, terwijl de procedure voor inregeling van de afstandsnorm gaande is. Na de zomer volgt de verdere invulling van de criteria waarmee de belangrijkste locaties kunnen worden geselecteerd om een vervolgtraject in te gaan.
De aanpak van de prioritaire locaties dient nog verder uitgewerkt te worden, dit doen we nadrukkelijk ook gezamenlijk met medeoverheden, en aan de hand van voorbeeldsituaties. We kijken naar de (on)mogelijkheden van bepaalde maatregelen zoals vrijwillige uitkoop of verplaatsing, het nemen van in potentie effectieve emissiereducerende maatregelen op geitenhouderijen, inclusief bovengenoemde no-regret-maatregelen. Zodra het onderzoekstraject van de WUR maatregelen oplevert die de emissies effectief omlaag kunnen brengen, kan die kennis op prioritaire locaties worden ingezet. Daarbij moeten de maatregelen ook handhaafbaar zijn. De ervaring die wordt opgedaan bij de aanpak prioritaire locaties kan worden meegenomen als op termijn het voorschrift op het gebied van uitbreiding binnen de afstandsnorm wordt herzien, zoals hiervoor is aangegeven.
Voor deze maatregelen geldt o.a. dat moet worden uitgezocht wat er mogelijk is binnen bestaande wet- en regelgeving en bestaande (fiscale en financiële) regelingen.
Bij het overwegen van maatregelen op prioritaire locaties zal ook aandacht worden besteed aan de mogelijkheden voor verplaatsing van een geitenhouderij naar verder weg van de bebouwde kom en/of locaties met kwetsbare bewoners, zoals gevraagd in de motie Grinwis9 c.s. Het Rijk wil medeoverheden (provincie en gemeenten) ondersteunen om op de prioritaire locaties maatregelen te overwegen door in gesprek te gaan met betrokkenen en daarbij te inventariseren welke maatregelen lokaal toepasbaar en proportioneel zijn. De Raad van State (RvS)10 laat zien dat het lastig is om op lokaal niveau maatregelen te nemen bij (bestaande) geitenhouderijen die dicht in de buurt van gevoelige functies zijn gevestigd. Maar de Raad gaat in zijn voorlichting ook in op de mogelijkheden binnen de bestaande regelgeving.
Monitoring
Er zal een epidemiologische vervolgstudie worden uitgevoerd naar het voorkomen van longontstekingen vastgesteld door huisartsen, voor de periode 2023-2025 (de periode na de corona-pandemie, als vervolg op de eerdere 3-jaarreeks tot 2019). Deze wordt uitgevoerd door Nivel in samenwerking met IRAS-UU (Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit Utrecht) en zal nog deze maand worden gestart. De uitkomsten worden dan medio 2027 verwacht . Deze uitkomsten worden gezien als een nulmeting; de monitoringsinspanning zal worden herhaald een aantal jaren nadat het maatregelenpakket zijn beslag heeft kunnen krijgen (voorzien in 2029/2030).
Samenwerking medeoverheden
Zoals hierboven is aangegeven, is het in een vroeg stadium betrekken van medeoverheden (provincies, gemeenten) op de onderdelen van het maatregelenpakket is cruciaal, met name bij het uitwerken van de afstandsnorm, en de invulling van de maatwerkaanpak van prioritaire locaties. Medeoverheden hebben aandacht gevraagd voor de aanpak van bestaande situaties (bijvoorbeeld bestaande geitenhouderijen die zich dicht bij een woonkern en/of andere gevoelige functies zoals zorginstellingen bevinden).
Het Interprovinciaal Overleg (IPO) heeft dit jaar een standpunt namens de 12 provincies opgesteld. Zij hebben eerder aangegeven in principe positief te staan tegenover de kabinetsplannen zoals beschreven in de eerste kabinetsreactie voor wat betreft de aanpak van nieuwe situaties 11, en hebben daarbij wel om aandacht gevraagd voor bestaande situaties, en verzocht om snel duidelijkheid te geven voor omwonenden en geitenhouders. Zij vragen om generiek beleid met duidelijke kaders met ruimte voor lokaal maatwerk. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) benadrukt het belang van de aanpak van bestaande (prioritaire) situaties. Er is recent informeel bestuurlijk overleg geweest met IPO en VNG.
Een specifiek aandachtspunt waarvoor de VNG namens gemeenten aandacht heeft gevraagd, is de behoefte aan verduidelijking voor het toepassen van het voorzorgbeginsel bij de afwegingen rond vergunningverlening in het geval van vestiging of uitbreiding van geitenhouderijen en van nieuwe bouwontwikkelingen. Hierover is het standpunt dat het kabinet zich aansluit bij het advies van de Gezondheidsraad dat er voldoende aanleiding is om maatregelen te nemen. Bij besluitvorming rondom bestaande geitenbedrijven zal de gezondheid van omwonenden als een belangrijke factor moeten worden meegewogen, juist ook in de periode in aanloop naar de implementatie van het maatregelenpakket dat het kabinet nu uitwerkt. Gemeenten kunnen hiervoor onderbouwing vinden in de beide adviezen van Gezondheidsraad12, het rapport van de RvS10 en reeds bestaande documenten zoals de Handreiking VGO13 en Richtlijn Medische milieukunde14 van de GGD. Op verzoek van medeoverheden zullen we met hen verkennen of hiernaast nog meer handvatten helpend zijn voor het toepassen van het voorzorgsbeginsel op lokaal niveau, met name in de periode tot invoering van landelijke regelgeving. Daarnaast wordt samen met medeoverheden bepaald of en welke praktische communicatiemiddelen behulpzaam kunnen zijn.
Vervolg
Dit voorgenomen maatregelenpakket zal op diverse onderdelen nog nader worden uitgewerkt. Dit vergt tijd. Regelgeving moet nader worden uitgewerkt en getoetst. Dit betekent ook dat een afstandsnorm niet vanaf morgen van kracht is. Gemiddeld duurt dit traject, inclusief uitvoering van een plan-mer 2,5 tot 3 jaar. We vragen daarom provincies om rekening te houden met aangekondigde regelgeving, en aan de provincies met bestaande moratoria om deze te handhaven totdat de regelgeving van het Rijk in werking is getreden. Indien provincies het wenselijk achten de bestaande moratoria alvast zoveel mogelijk in lijn te brengen met de aangekondigde regelgeving van het Rijk, zijn we uiteraard bereid provincies hierbij te ondersteunen. Daarnaast vragen we gemeenten om de laatste inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen vooruitlopend op deze regelgeving.
Onze inzet is dat het voorgestelde maatregelenpakket de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen beperkt. De emissie- en gezondheidsrisicomonitoringsresultaten kunnen gebruikt worden om op den duur te beoordelen of genomen maatregelen nog proportioneel zijn. Als er duidelijke en bewezen effectieve alternatieve maatregelen zijn, kan de afstandsnorm worden beëindigd, zoals toegezegd (door de toenmalige Minister van VWS) in het debat met de Kamer op 29 januari j.l.. We gaan er van uit dat uiteindelijk door het inzetten op geborgde emissiereductie (door maatregelen op bedrijfsniveau) de risico’s voor de gezondheid in de toekomst zoveel mogelijk minimaliseren. Tot die tijd is de inzet op de afstandsnorm en - waar nodig - aanvullend beleid bij prioritaire locaties aangewezen.
We zullen de Kamer voor het eind van dit jaar over de stand van zaken informeren, en gaan begin september graag met u in overleg tijdens het komende commissiedebat Zoönosen en dierziekten.
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
De staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
S.P.A. Erkens
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 287.↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 297.↩︎
In lijn met de Gezondheidsraad (advies deel II, 2025), RIVM (Luchtkwaliteit - hooggevoelige groepen | RIVM) en het Schone Luchtakkoord betreft dit (jonge) kinderen, 65-plussers en mensen met luchtweg-, hart- en vaataandoeningen).↩︎
Woonkern (Gf, Fvw) | CBS: een geïsoleerd rastervierkant of een aaneengesloten gebied van rastervierkanten van 500 × 500 meter, waarvan ieder vierkant 25 adressen of meer bevat.↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 297.↩︎
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A32001L0042↩︎
WUR Rapport 1612 - Verkenning van maatregelen voor het verminderen van emissies van bioaerosolen uit melkgeitenbedrijven↩︎
Samen-bouwen-aan-vitaal-nabuurschap-Sectorplan-geitenhouderij-DEC-25.pdf↩︎
Kamerstukken 2025-2026, 29 683, nr. 321↩︎
Voorlichting over gezondheidsproblematiek rond geitenhouderijen | Raad van State↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 287.↩︎
Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel I | Gezondheidsraad en Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II | Gezondheidsraad↩︎
Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 | Lokale wet- en regelgeving↩︎
GGD-richtlijn medische milieukunde: Veehouderij en gezondheid | RIVM↩︎