[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Nota naar aanleiding van het verslag

Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen omten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onderandere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken

Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag

Nummer: 2026D36319, datum: 2026-07-13, bijgewerkt: 2026-07-17 10:07, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36902 -7 Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen omten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onderandere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken.

Onderdeel van zaak 2026Z03575:

Onderdeel van zaak 2026Z16069:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 902 Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen om ten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onder andere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 13 juli 2026

De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen om ten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onder andere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken (hierna: het wetsvoorstel). De regering heeft met veel belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66, de VVD, GroenLinks-PvdA, de PVV, het CDA, de BBB, de ChristenUnie en de SGP. Sinds de vaststelling van het verslag is de naam van de fractie GroenLinks-PvdA gewijzigd in Progressief Nederland (PRO). Voor de leesbaarheid wordt in de antwoorden hieronder telkens de nieuwe fractienaam PRO aangehouden. In de tekst uit het verslag is de oorspronkelijke fractienaam GroenLinks-PvdA ongewijzigd gelaten.

Hieronder volgt de beantwoording van de gestelde vragen. Hierbij is zoveel mogelijk de indeling van het verslag aangehouden. Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt gegeven mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en gaat vergezeld van een nota van wijziging, die drie kleine wijzigingen aanbrengt in het wetsvoorstel (zie hierover uitgebreider de toelichting bij de nota van wijziging).

I. Algemeen

  1. Algemeen

De vaste commissie voor OCW heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel de leden Heera Dijk (D66) en Mohandis (GroenLinks-PvdA) tot wetgevingsrapporteurs benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van het verslag een schriftelijke inbreng opgesteld met vragen van verdiepende en verduidelijkende aard aan de regering. De commissie heeft in de procedurevergadering van 16 april 2026 besloten de inbreng van de wetgevingsrapporteurs over te nemen en in het verslag als inbreng van de commissie op te nemen.1 Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel mogelijk de volgorde van de memorie van toelichting aangehouden.

  1. Doelstellingen

De leden van de commissie constateren dat in de memorie van toelichting verschillende doelen van het wetsvoorstel worden benoemd:

  • Structureel waarborgen van de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de lokale bibliotheek door middel van een wettelijke zorgplicht voor gemeenten, openbare lichamen en provincies;

  • Het regelen van een wettelijke basis voor de rol van bibliotheken bij leesbevordering voor schoolgaande jeugd en de bekostiging daarvan;

  • Het regelen van een leenrechtvergoeding voor uitleningen door schoolbibliotheken en het verduidelijken en aanscherpen van de regeling voor de onderhandelingen over leenrechtvergoedingen.

Kan de regering de doelen van dit wetsvoorstel nader concretiseren?

Het wetsvoorstel beoogt het bibliotheekstelsel te versterken. Dit is vertaald naar het hoofddoel van het wetsvoorstel, namelijk dat elke gemeente en openbaar lichaam voorziet in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is, en ten minste één bibliotheekvoorziening in stand houdt die alle vijf de wettelijke bibliotheekfuncties vervult, een fysieke collectie heeft en over een professionele personeelsbezetting beschikt. De vijf functies uit artikel 5 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen zijn: het ter beschikking stellen van kennis en informatie, het bieden van mogelijkheden tot ontwikkeling en educatie, het bevorderen van lezen en het laten kennismaken met literatuur, het organiseren van ontmoeting en debat en het laten kennismaken met kunst en cultuur.

Bibliotheken spelen een belangrijke rol bij leesbevordering. Leesbevorderingsprogramma’s van de bibliotheken, zoals Boekstart en de Bibliotheek op school (dBos), hadden een tijdelijk karakter. Met het wetsvoorstel krijgt ook de specifieke rol van bibliotheken bij leesbevordering voor schoolgaande jeugd en de bekostiging daarvan een wettelijke basis.

Tot slot worden met deze wetswijziging de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten gewijzigd. Dit heeft als doel de vrijstelling op te heffen voor uitleningen door scholen en instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs, en door de aan die scholen verbonden bibliotheken. Hierdoor krijgen rechthebbenden voortaan structureel een billijke vergoeding. Tevens wordt beoogd de regels rondom de governance en bekostiging van de Stichting onderhandelingen leenrechtvergoeding (StOL) en de Stichting onderhandelingen thuiskopievergoeding (SOnT) te verduidelijken en versterken.

In hoeverre zijn de doelen meetbaar en wanneer moeten deze bereikt zijn?

Het hoofddoel uit het wetsvoorstel is deels kwantitatief meetbaar. Kwantitatieve indicatoren op basis waarvan kan worden geduid of sprake is van de gewenste versterking van het bibliotheekstelsel zijn onder andere het aantal en de verschillende soorten bibliotheekvoorzieningen, het bereik en het gebruik van de bibliotheek, en de omvang van de gemeentelijke financiële bijdrage. De verwachting is dat dit wetsvoorstel bijdraagt aan de versterking van het bibliotheekstelsel en dat dergelijke indicatoren een stijgende lijn laten zien. De Koninklijke Bibliotheek (KB) publiceert deze gegevens jaarlijks in het derde kwartaal in de vorm van de Gegevenslevering Wsob2, in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het openbare bibliotheeknetwerk. De KB voert deze wettelijke taak uit op basis van de regeling gegevenslevering, op grond van artikel 11 van de Wsob. Omdat de Wsob wordt gewijzigd, wordt ook deze regeling aangepast, voor een goede aansluiting op het wetsvoorstel.

Naar aanleiding van de reacties op de internetconsultatie van het wetsvoorstel is de zorgplicht kwalitatiever ingevuld. De bijbehorende begrippen, zoals de term ‘redelijke afstand’, zijn niet gekwantificeerd om gemeenten en openbare lichamen ruimte te bieden aansluiting te zoeken bij de lokale context. De regering heeft in het kader van het hoofddoel geen einddatum voor ogen waarop de doelen bereikt moeten zijn. De inspanningen zijn erop gericht om te zorgen dat alle gemeenten en openbare lichamen in staat zullen zijn om invulling te geven aan de zorgplicht, wanneer die drie jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel van kracht wordt; de provincies en de Rijksvertegenwoordiger zullen dit in het kader van hun toezichtstaak gaan controleren. Daarnaast zal de eerstvolgende evaluatie vijf jaar na de publicatie van de gewijzigde wet een belangrijk ijkpunt zijn.

Voor de specifieke rol van bibliotheken bij leesbevordering voor schoolgaande kinderen en jongeren wordt een regeling gemaakt. Hiermee wordt incidentele financiering van deze ondersteunende rol structureel. De wettelijke taak heeft uitsluitend betrekking op leesbevordering bij onderwijsinstellingen, maar het voornemen is om daarbij in de subsidieregeling mogelijk te maken dat de subsidie die aan bibliotheken zal worden verstrekt, ook kan worden benut om kinderopvangaanbieders te adviseren over leesbevordering. Via de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob kan gemonitord worden hoeveel samenwerkingen bibliotheken op dit terrein aangaan. Daarnaast zal met name worden gekeken naar het aantal gekwalificeerde leesmediaconsulenten in dienst van de bibliotheken en naar hun inzet. Ook hier heeft de regering geen einddatum voor ogen, maar monitort zij de doorontwikkeling van deze specifieke taak van de bibliotheken.

Tot slot, de hoogte van het budget voor de billijke vergoeding aan rechthebbenden voor het uitlenen van werken door scholen en mbo-instellingen wordt jaarlijks vastgesteld middels een P x Q formule. Hierbij staat P voor de vergoeding per uitlening, zoals deze jaarlijks wordt vastgesteld door de Stichting Onderhandelingen Leenvergoedingen (StOL). Ter onderbouwing van de Q worden gegevens over uitleningen van werken door scholen en mbo-instellingen verzameld middels representatief driejaarlijks onderzoek. Ook dit betreft een doorlopend proces. Het structureel verstrekken van billijke vergoedingen aan rechthebbenden en het versterken en verduidelijken van de governance en bekostiging van de StOL en SOnT wordt als doel behaald met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

Kan de regering in het kader van een nulmeting ook een kwantitatief overzicht geven van de bestaande situatie, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal (fysieke) bibliotheeklocaties en de middelen die gemeenten en openbare lichamen besteden aan bibliotheekvoorzieningen?

In 2024 waren er in Europees Nederland 1.258 bibliotheeklocaties. 767 daarvan waren bibliotheekvestigingen en daarnaast worden bijvoorbeeld ook zelfbedieningsbibliotheken, servicepunten en bibliotheekbushaltes tot de bibliotheeklocaties gerekend. Caribisch Nederland telde in 2024 drie vestigingen: elk eiland heeft één bibliotheekvestiging. Openbare bibliotheken in Europees Nederland ontvingen in 2024 in totaal 511,6 miljoen euro uit gemeentelijke subsidies.3 De openbare bibliotheek op Bonaire ontving 469.330 euro en de bibliotheken op Saba en Sint Eustatius samen 299.055 dollar4 subsidie van de openbare lichamen.5

Kan de regering toelichten hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot en bijdraagt aan de doelen en streefwaarden voor het Masterplan basisvaardigheden op het gebied van taal?6

Centraal in het wetsvoorstel staat de invoering van een zorgplicht voor gemeenten en openbare lichamen, met als doel dat de lokale bibliotheek voor iedereen toegankelijk en bereikbaar is, dus ook voor leerlingen. Daarbij wordt met artikel 8a in dit wetsvoorstel expliciet gemaakt dat bibliotheken tot taak hebben om het lezen bij onderwijsinstellingen te bevorderen, en wordt voorzien in een basis voor de structurele subsidiëring van bibliotheken voor deze taak. Hiermee draagt het wetsvoorstel bij aan de doelstelling van het masterplan om de prestaties van leerlingen op de basisvaardigheid ‘lezen’ te verbeteren.

  1. Zorgplicht gemeenten en openbare lichamen

Reikwijdte zorgplicht

De leden van de commissie constateren dat de regering de zorgplicht voor gemeenten en openbare lichamen, mede naar aanleiding van de reacties in de consultatiefase, in hoofdzaak een kwalitatieve invulling heeft gegeven.7 Deze zorgplicht betreft het voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is. Als onderdeel van dit aanbod dient een college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege ten minste één bibliotheekvoorziening in stand te houden die alle functies van artikel 5 Wsob8 vervult; een fysieke collectie heeft en over een professionele personeelsbezetting beschikt. Heeft de regering naar aanleiding van de doorgevoerde aanpassingen na de consultatiefase opnieuw overleg gevoerd met gemeenten, bibliotheken en scholen en kan zij bevestigen dat deze partijen het wetsvoorstel op dit punt nu (wel) uitvoerbaar achten?

De bibliotheekpartijen en medeoverheden worden gedurende het hele wetgevingstraject betrokken. De aanpassingen na de internetconsultatie zijn daarbij vooral gebaseerd op de inbreng van de meest betrokken partijen: bibliotheken, gemeenten en provincies. Zo stelde de Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB) voor het woord ‘vestiging’ aan te passen naar ‘voorziening’ en pleitte de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) voor meer ruimte voor maatwerk. Beide suggesties zijn na afstemming met betrokken partijen overgenomen. De VOB en de VNG achten het wetsvoorstel daarmee uitvoerbaar.

Hoewel de scholen geen rol hebben in de uitvoering van dit wetsvoorstel, zijn de onderwijsraden (PO- en VO-raad) gedurende het proces geïnformeerd over de ontwikkeling van de regeling voor bibliotheken. De behoeften van scholen zijn opgehaald met een klankbordsessie en het wetsvoorstel is aan bod gekomen in de Kennistafel Effectief Leesonderwijs, waarbij zowel de onderwijsraden als andere onderwijs- en bibliotheekpartners zijn aangesloten, evenals Stichting Lezen. De inbreng vanuit onderwijspartijen is waar mogelijk verwerkt.

De regering geeft aan dat het bij het begrip “redelijke afstand” gaat om de redelijke afstand tot het aanbod in het geheel. Dat komt, volgens de regering, dus neer op de redelijke afstand tot de dichtstbijzijnde voorziening. Niet bedoeld wordt de redelijke afstand tot alle voorzieningen binnen het aanbod. Voor de invulling van het begrip redelijke afstand ligt het, volgens de regering, voor de hand om de geografie en demografie van de betreffende gemeente of het betreffende openbare lichaam in acht te nemen. Kan de regering nader toelichten in hoeverre de redelijke afstand handhaafbaar is in het kader van het toezicht door provincies, ook gegeven het advies van het IPO9 om de afstand tot de bibliotheek in de zorgplicht op te nemen?10

Of het aanbod aan bibliotheekvoorzieningen binnen een gemeente of openbaar lichaam binnen redelijke afstand toegankelijk is, hangt af van de lokale context, dat wil zeggen van demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners, plus sociaal-maatschappelijke factoren. Alle gemeenten en openbare lichamen moeten in het meerjarenplan toelichten hoe zij de zorgplicht invullen en hoe zij, rekening houdend met bovengenoemde lokale context, voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is.11 Om ruimte te bieden om met de lokale context rekening te houden is in het wetsvoorstel en in het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen bewust niet gekozen voor een feitelijke definitie in absolute termen van het begrip ‘redelijke afstand’.

In de uitvoeringstoets van het IPO op het wetsvoorstel en de reactie op het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen hebben provincies aangegeven dat het toezicht op de zorgplicht uit het voorgestelde artikel 6 voor hen uitvoerbaar is.12 Ook de Rijksvertegenwoordiger heeft aangeven dat het toezicht uitvoerbaar is.

Kan de regering aan de hand van (fictieve) voorbeelden aangeven wat zij bijvoorbeeld wel en niet verstaat onder een redelijke afstand?

Of een afstand redelijk is, hangt af van de lokale context. Gemeenten en openbare lichamen moeten in hun meerjarenplan voor het bibliotheekbeleid uitleggen hoe zij bij het invulling geven aan de zorgplicht rekening houden met de lokale context: demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners, plus sociaal-maatschappelijke factoren. Voor een gemeente met veel kleine kernen en een beperkt aantal inwoners kan, bijvoorbeeld, gekozen worden voor een bibliotheekvoorziening in één of enkele kernen, waar inwoners gewend zijn naartoe te reizen, bijvoorbeeld omdat er ook andere voorzieningen aanwezig zijn, zoals een school of het gemeentehuis. De afstand tot een bibliotheekvoorziening is in dergelijke gemeenten mogelijk groter dan in een grote stad, waar meer mensen op een kleinere oppervlakte leven en het een passende keuze kan zijn om naast de hoofdvestiging meerdere bibliotheekvoorzieningen op wijkniveau in te richten vanwege het grotere aantal inwoners en in lijn met andersoortige voorzieningen die in grote steden eveneens vaak op wijkniveau worden aangeboden.

De regering geeft aan dat als gevolg van de zorgplicht in het nieuwe artikel 6 Wsob een beperkt aantal gemeenten zonder bibliotheek een nieuwe bibliotheek moet realiseren. De leden van de commissie vragen hoeveel en welke gemeenten het op dit moment betreft.

Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob13 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten. Albrandswaard, Alphen-Chaam, Lopik en Oostzaan hebben een specifieke uitkering ontvangen voor het tot stand brengen van een volwaardige bibliotheekvestiging. Gemeenten hebben tot het einde van 2026 tijd voor de uitvoering hiervan. Mook en Middelaar en Uitgeest hebben geen eigen bibliotheek maar zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten.

Drie andere gemeenten zonder volwaardige eigen bibliotheekvoorziening hebben al samenwerkingsafspraken met buurgemeenten en twee gemeenten hebben geen bibliotheekvestiging maar wel een bibliobus; daarmee kunnen zij, net als de gemeenten met een of meerdere vestigingen, aan de zorgplicht gaan voldoen.

Wanneer alle aanvragen uit de Regeling eenmalige specifieke uitkering en subsidie toekomstbestendige lokale bibliotheekvoorzieningen (hierna: de specifieke uitkering) en afspraken tussen buurgemeenten worden gerealiseerd, kunnen alle gemeenten hun inwoners toegang bieden tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen zoals bedoeld in het voorgestelde artikel 6 van de Wsob. Het is daarbij aan de gemeenten om invulling te geven aan de zorgplicht en toe te lichten hoe zij dit doen in het meerjarenplan. De provincies zullen in het kader van hun toezichtstaak gaan controleren of gemeenten voldoen aan de zorgplicht, zoals in het wetsvoorstel beschreven wordt in het voorgestelde artikel 6, tweede lid, van de Wsob.

De regering stelt dat van gemeenten waar het bibliotheekaanbod het beschreven minimumniveau al heeft, wordt verwacht dat zij de openbare bibliotheek op basis van lokale maatschappelijke opgaven doorontwikkelen conform de onder paragraaf 2 van de memorie van toelichting beschreven lijnen.14 Kan de regering concretiseren op welke lijnen zij hier doelt?

De lijnen waar de regering op doelt, staan genoemd op pagina 5 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Gemeenten die al voldoen aan de basisvereisten uit het wetsvoorstel, kunnen bijvoorbeeld kiezen voor uitbreiding van het aantal educatieve en culturele activiteiten, investeren in de toegankelijkheid van het aanbod of voor intensivering van de samenwerking met het onderwijs, de cultuursector of andere relevante lokale maatschappelijke organisaties. De keuze voor doorontwikkeling is afhankelijk van de specifieke lokale situatie.

Kan de regering toelichten hoe zij deze doorontwikkeling borgt dan wel afdwingt, aangezien de zorgplicht van het voorgestelde artikel 6 Wsob volgens de regering uitdrukkelijk een ondergrens betreft15 en deze verwachting niet expliciet in de wettelijke bepalingen is opgenomen?

De zorgplicht houdt in dat alle gemeenten en openbare lichamen voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is. Binnen de zorgplicht geldt dat elke gemeente of openbaar lichaam ten minste één bibliotheekvoorziening in stand houdt die de vijf wettelijke bibliotheekfuncties vervult, een fysieke collectie heeft en over een professionele personeelsbezetting beschikt. Dit minimum van één voorziening per gemeente of openbaar lichaam vormt inderdaad een ondergrens. Gemeenten en openbare lichamen moeten in het meerjarenplan iedere vier jaar echter toelichten hoe zij invulling geven aan de zorgplicht, rekening houdend met de lokale context: demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen (waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners) plus sociaal-maatschappelijke factoren. Voor de meeste gemeenten zal aan de hand van die criteria gelden dat één bibliotheekvoorziening niet genoeg is. De streefwaarden voor de bibliotheek in de handreiking voor gemeenten die de VNG naar aanleiding van dit wetsvoorstel ontwikkelt, bieden een handvat voor een passende invulling.

In de meeste gemeenten stijgen de bibliotheekvoorzieningen nu al ruim boven de ondergrens uit. Doel van de wetswijziging is een verdere versteviging van het bibliotheekstelsel in de komende jaren. In de samenleving is breed enthousiasme en draagvlak voor bibliotheken. Gemeenten én bibliotheken staan positief tegenover de komst van een zorgplicht. Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel waarbinnen overheden op basis van vertrouwen met elkaar samenwerken. De regering opereert binnen dit kader en zal regelmatig de balans voor het stelsel opmaken.

Om gezamenlijk op koers te blijven, initieert de bewindspersoon van OCW jaarlijks een bestuurlijk overleg tussen de drie betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen (KB, SPN en de VOB). Tijdens deze overleggen worden de ontwikkelingen in de sector en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk periodiek gevolgd en geduid. Basis van dit overleg vormen in ieder geval de data vanuit de Gegevenslevering Wsob16, de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht en waar mogelijk analyses op basis van de bibliotheekcertificering (een instrument van de sector zelf en de VNG). De jaarlijkse bestuurlijke overleggen zullen gelegenheid bieden voor de betrokken partijen om gezamenlijk vast te stellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.

Meerjarenplan

De regering stelt voor dat bij amvb17 nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het door het (bestuurs)college op te stellen meerjarenplan conform het voorgestelde artikel 6, derde lid, Wsob. De regering licht toe dat daarbij gedacht kan worden aan onderwerpen als de omvang, de dichtheid en samenstelling van de bevolking, de lokale maatschappelijke opgaven, hoe de gemeente invulling geeft aan de zorgplicht en rekening houdt met de positie van de bibliotheek te midden van andere sociaal culturele voorzieningen en het onderwijs. Kan de regering toelichten waarom niet is gekozen om de (hoofd)elementen van het verplichte meerjarenplan in de wet vast te leggen?

De elementen van het meerjarenplan vormen een gedetailleerde vorm van wetgeving, waardoor delegatie van deze normen passend is. Daarnaast beoogt de regering door delegatie enige flexibiliteit te behouden, zodat de elementen uit het meerjarenplan sneller kunnen worden aangepast aan praktijkervaringen of naar aanleiding van evaluatie van de wet. Daardoor wordt geborgd dat het meerjarenplan een adequaat instrument blijft om de uitvoering van de zorgplicht te ondersteunen.

Kan de regering een nadere toelichting geven op de onderwerpen waar zij nu aan denkt om in de amvb op te nemen, zoals genoemd in de memorie van toelichting?

De regering is voornemens om in het Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen18 de volgende onderwerpen op te nemen voor gemeenten met betrekking tot de gewenste beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorgplicht (in lijn met de denkrichting in de memorie van toelichting): (i) de bereikbaarheid binnen redelijke afstand van het aanbod van bibliotheekvoorzieningen gelet op de oppervlakte van de gemeente dan wel het openbaar lichaam, (ii) het aantal inwoners, (iii) de leeftijdsopbouw (iv) de sociaaleconomische status van de bevolking, (v) de manier waarop de lokale bibliotheek bijdraagt aan de lokale maatschappelijke opgaven, (vi) de betrokkenheid van de lokale bibliotheek bij de totstandkoming van het meerjarenplan en (vii) de verhouding tussen de lokale bibliotheek en andere sociaal-culturele voorzieningen en het onderwijs. Voor openbare lichamen in Caribisch Nederland geldt dat rekening moet worden gehouden met licht afwijkende criteria. Hiervoor is gekozen omdat niet alle voor de gemeenten genoemde CBS-gegevens ook voor Caribisch Nederland beschikbaar zijn. Zo ontbreekt de indicator met betrekking tot leeftijdsopbouw en in plaats van sociaaleconomische status is opleidingsniveau gebruikt.

Wanneer is deze amvb naar verwachting gereed?

De algemene maatregel van bestuur waarmee de delegatiegrondslag uit artikel 6, zoals voorgesteld met het wetsvoorstel, wordt uitgewerkt, is dit voorjaar in consultatie geweest door middel van een openbare internetconsultatie en gerichte consultatie van partijen, zoals de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO). Momenteel worden de ontvangen reacties en toetsen verwerkt. De verwachting is dat het conceptbesluit na de zomer inhoudelijk gereed zal zijn. Na akkoord van uw Kamer op het wetsvoorstel zal het conceptbesluit worden voorgelegd aan de Raad van State voor advisering. Het doel is om het besluit tegelijkertijd met de wet in werking te laten treden.

De leden van de commissie constateren verder dat de VNG19 aangeeft dat het meerjarenplan uitvoerbaar is voor gemeenten, omdat het aansluit bij de bestaande beleidscyclus en veel gemeenten al werken met een dergelijk document en gemeenten dus kunnen verwijzen naar hun bestaande beleidsplannen. Wel geeft de VNG in de uitvoeringstoets20 aan dat voor gemeenten nog wel onduidelijk is welke partijen iets met het meerjarenplan gaan doen. Als het de bedoeling is dat ook externe partijen het meerjarenplan gaan gebruiken in het kader van verantwoording en toezicht, dan is hierover volgens de VNG meer duidelijkheid nodig. Gemeenten merken verder op dat een handreiking met concrete voorbeelden en handvatten kan helpen om invulling te geven aan het meerjarenplan. Hierbij is wel van belang dat de handreiking oog heeft voor verschillende vormen waarmee invulling gegeven kan worden aan het meerjarenplan. De leden van de commissie vragen welke externe partijen, naast de provincie als toezichthouder, het meerjarenplan gaan gebruiken en met welk doel.

Het meerjarenplan is primair bedoeld als instrument voor gemeenten en de bibliotheek wordt betrokken bij het opstellen hiervan. Naast het gebruik voor het toezicht door de provincies en, voor Caribisch Nederland, de Rijksvertegenwoordiger, kan het meerjarenplan ook gebruikt worden door andere geïnteresseerden. Hierbij kan gedacht worden aan organisaties die veel samenwerken met de bibliotheek, zoals scholen en welzijnsorganisaties. Het gebruik van het meerjarenplan door deze andere externe partijen is niet verplicht, maar kan inzicht geven in het bibliotheekbeleid en aanknopingspunten bieden voor samenwerking en afstemming. Tot slot kunnen de meerjarenplannen ook als input dienen voor de jaarlijkse bestuurlijke overleggen tussen overheden en bibliotheekpartijen over de ontwikkelingen in het bibliotheekstelsel, met name als voorbeeld en ter illustratie bij de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht. Tijdens deze overleggen worden de ontwikkelingen in de sector en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk jaarlijks gevolgd en geduid, zodat betrokken partijen gezamenlijk kunnen vaststellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.

Gaat de regering in samenspraak met de VNG een handreiking maken ten aanzien van het op te stellen meerjarenplan met daarin concrete voorbeelden en handvatten?

De VNG maakt met financiële ondersteuning van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een handreiking voor gemeenten over het wetsvoorstel. In deze handreiking wordt ook aandacht besteed aan het meerjarenplan. De VNG is voornemens ook concrete voorbeelden en handvatten op te nemen voor het opstellen van een meerjarenplan.

Inwerkingtreding

De regering geeft in de memorie van toelichting aan dat het voornemen is dat gemeenten hun meerjarenplannen uiterlijk een jaar na publicatie van de wet publiceren en dat de zorgplicht drie jaar na publicatie van de wet in werking treedt.21 In artikel IV van het wetsvoorstel lezen de leden van de commissie dat in het kader van overgangsrecht wordt bepaald dat het college dan wel het bestuurscollege gedurende de eerste drie kalenderjaren na de inwerkingtreding van het onderdeel van de zorgplicht, niet verplicht is om te voldoen aan de zorgplicht. Op basis waarvan is de termijn van drie jaar bepaald?

Na overleg met de VNG en de VOB is gekozen voor een termijn van drie jaar om gemeenten en openbare lichamen zonder volwaardige bibliotheekvoorziening die voldoet aan de vereisten van het wetsvoorstel, voldoende tijd te geven om een volwaardige bibliotheekvoorziening te realiseren.

Heeft de regering de verwachting dat alle gemeenten op deze data aan hun verplichtingen kunnen en zullen voldoen? Is nu al in beeld voor welke gemeenten dit mogelijk niet lukt of lastig haalbaar wordt? Zo ja, welke gemeenten betreft dit en welke maatregelen neemt de regering in dit verband?

De verwachting van de regering is dat alle gemeenten op deze datum aan hun verplichtingen kunnen voldoen. Dankzij de investeringen die met behulp van de specifieke uitkeringen kunnen worden gedaan, kunnen alle gemeenten zich naar verwachting goed voorbereiden op de invoering van de (grotendeels kwalitatieve) zorgplicht, die gemeenten en openbare lichamen ruimte biedt om in te spelen op de lokale context. Daarnaast ondersteunt het ministerie van OCW bestuurlijke partners bij de implementatie van het wetvoorstel; de financiering van de VNG-handreiking is hier een onderdeel van. Daarmee is het naar verwachting voor alle gemeenten haalbaar om drie jaar na publicatie van de wet aan de zorgplicht te voldoen. Dit volgde ook uit gesprekken tussen het ministerie van OCW, de VNG en de VOB.

Hoeveel gemeenten en openbare lichamen voldoen op dit moment niet aan de zorgplicht zoals deze wordt voorgesteld door de regering?

Formeel gezien valt deze vraag nu niet te beantwoorden; de provincies en de Rijksvertegenwoordiger zullen in het kader van hun toezichtstaak gaan controleren of gemeenten en openbare lichamen een volwaardige bibliotheek hebben en voldoen aan de zorgplicht, zoals in het wetsvoorstel beschreven wordt in het voorgestelde artikel 6, tweede lid, van de Wsob.

Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob22 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten. Albrandswaard, Alphen-Chaam, Lopik en Oostzaan hebben een specifieke uitkering ontvangen voor het tot stand brengen van een volwaardige bibliotheekvestiging. Gemeenten hebben tot het einde van 2026 tijd voor de uitvoering hiervan. Mook en Middelaar en Uitgeest hebben geen eigen bibliotheek maar zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten.

Drie andere gemeenten zonder volwaardige eigen bibliotheekvoorziening hebben al samenwerkingsafspraken met buurgemeenten en twee gemeenten hebben geen bibliotheekvestiging maar wel een bibliobus; daarmee kunnen zij, net als de gemeenten met een of meerdere vestigingen, aan de zorgplicht gaan voldoen. Daarom zijn deze gemeenten bij de beantwoording van deze vraag buiten beschouwing gelaten.

Wanneer alle aanvragen uit de Regeling eenmalige specifieke uitkering en afspraken tussen buurgemeenten worden gerealiseerd, kunnen alle gemeenten hun inwoners toegang bieden tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen zoals bedoeld in het voorgestelde artikel 6 van de Wsob. Het is daarbij aan de gemeenten om invulling te geven aan de zorgplicht en toe te lichten hoe zij dit doen in het meerjarenplan. Het is aan de provincie om toe te zien op de naleving van deze zorgplicht.

In Caribisch Nederland hebben Sint Eustatius en Saba een bibliotheekvestiging met collectie en professionele personeelsbezetting, maar de vijf bibliotheekfuncties kunnen nu nog niet voldoende worden uitgevoerd. Op Bonaire lukt dit naar verwachting wel, dankzij de opening van een nieuwe bibliotheekvestiging in 2025.

Verantwoordelijkheid minister

In het huidige artikel 6, eerste lid, Wsob is bepaald dat Onze Minister, de provinciebesturen, de gemeentebesturen en de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor een netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen. Dit artikel wordt vervangen door het artikel inzake de zorgplicht voor het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege. Kan de regering toelichten waarom ervoor gekozen is om de rol van de minister niet (meer) wettelijk vast te leggen?

Met dit wetsvoorstel wordt artikel 6 van de Wsob opnieuw vastgesteld, waarbij ten opzichte van de huidige wet wordt voorzien in een concrete zorgplicht voor gemeenten en openbare lichamen. Daarnaast wordt met dit wetsvoorstel in artikel 16 een zorgplicht voor gedeputeerde staten opgenomen met betrekking tot de provinciale ondersteuningsinstellingen. Het huidige artikel 6, eerste lid, expliciteert de stelselverantwoordelijkheid van de minister samen met de provinciebesturen, de gemeentebesturen en de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor bibliotheekvoorzieningen. Deze gezamenlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan, ook nu de rol van de minister niet langer in de wet wordt geëxpliciteerd.

De regering is van mening dat het de duidelijkheid van de Wsob ten goede komt om zoveel mogelijk concrete verplichtingen op te nemen. Daarbij is de minister ook nu al geen partij in het bibliotheeknetwerk (zie artikel 7 van de Wsob). Taken die op landelijk niveau moeten worden uitgevoerd, zijn op basis van artikel 9 opgedragen aan de KB. De minister verschaft de KB het budget dat nodig is voor de uitvoering van deze taken, en de verantwoordelijkheid van de minister voor de financiering van de KB blijft ongewijzigd.

Kan de regering toelichten hoe zij de rol van de minister in het bibliotheekstelsel ziet, naast de door de regering genoemde deelname van de minister aan het periodiek bestuurlijk overleg?23 Wat mag de Kamer en mogen andere partijen van de minister verwachten?

De bibliotheek is een essentiële voorziening in de samenleving. Miljoenen mensen, van jong tot oud en met verschillende achtergronden, maken jaarlijks gebruik van bibliotheekvoorzieningen.24 Sinds het aantreden van het kabinet-Jetten is de staatssecretaris van OCW verantwoordelijk voor bibliotheken. Zij is en blijft verantwoordelijk voor het landelijke bibliotheekbeleid en voor het functioneren van het stelsel als geheel, zoals dat volgens de Wsob is ingericht. Naast het initiëren en voorzitten van het jaarlijkse bestuurlijk overleg informeert de staatssecretaris uw Kamer periodiek over de ontwikkelingen in de bibliotheeksector en over de uitvoering van de Wsob. De staatssecretaris heeft ook de verantwoordelijkheid om de Wsob elke vijf jaar te evalueren.

Bovendien financiert de staatssecretaris van OCW de KB voor het uitvoeren van een aantal wettelijke taken in het kader van de Wsob, zoals het in stand houden van de online bibliotheek en het verzorgen van een aanbod voor mensen met een leeshandicap. Tot slot is de staatssecretaris van OCW verantwoordelijk voor het toezicht op de medebewindstaak van provincies ten aanzien van provinciale ondersteuningsinstellingen (POI’s).

Hoe gaat de minister de Tweede Kamer informeren over de werking van het beoogde stelsel met decentrale verantwoordelijkheden?

De regering is voornemens uw Kamer regelmatig te informeren over de werking van het bibliotheekstelsel. Zo informeert de staatssecretaris van OCW uw Kamer jaarlijks over de ontwikkelingen in de bibliotheeksector en over de uitvoering van de Wsob. Deze informatie is voornamelijk gebaseerd op de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob25 en de bevindingen vanuit de bestuurlijke overleggen komen daarbij. Verder heeft de staatssecretaris van OCW de verantwoordelijkheid om de wet elke vijf jaar te evalueren en uw Kamer de evaluatie toe te sturen, voorzien van een beleidsreactie. Daarmee zal uw Kamer dus regelmatig worden geïnformeerd over de werking van het stelsel.

Welke mogelijkheden heeft minister om bij te sturen als dit niet werkt zoals beoogd?

Conform het generieke interbestuurlijk toezicht ligt het toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten bij de provincies en het toezicht op de uitvoering door openbare lichamen bij de Rijksvertegenwoordiger. Het Rijk houdt enkel rechtstreeks toezicht op de uitvoering van de provinciale zorgplicht.

Tegelijkertijd is het doel van de wetswijziging een verdere versteviging van het bibliotheekstelsel in de komende jaren en is de staatssecretaris van OCW verantwoordelijk voor het functioneren van het bibliotheekstelsel als geheel. Om gezamenlijk op koers te blijven, initieert de staatssecretaris jaarlijks een bestuurlijk overleg tussen de drie betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen (KB, SPN en de VOB). Tijdens deze overleggen worden de ontwikkelingen in de sector en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk jaarlijks gevolgd en geduid. Basis van dit overleg vormen in ieder geval de data vanuit de Gegevenslevering Wsob, de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht en waar mogelijk analyses op basis van de bibliotheekcertificering (een instrument van de sector zelf en de VNG). De jaarlijkse bestuurlijke overleggen zullen gelegenheid bieden voor de betrokken partijen om vast te stellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel. De uitkomsten van dit overleg kunnen ook aanleiding zijn voor de staatssecretaris van OCW om het nationale bibliotheekbeleid aan te passen.

  1. Uitvoering

De leden van de commissie constateren dat de in het wetsvoorstel beschreven zorgplicht voor gemeenten en bevorderingstaak voor bibliotheken lokaal worden belegd, aangevuld met verschillende taken en rollen voor de provincies, provinciale ondersteuningsinstellingen en de Koninklijke Bibliotheek. De regering benadrukt bijvoorbeeld ten aanzien van de zorgplicht dat het doel gericht is op een lokaal bibliotheekbeleid dat in voldoende mate aansluit bij lokale omstandigheden, behoeften en ontwikkelingen. De leden van de commissie vragen hoe tegelijk geborgd en gestimuleerd wordt dat bibliotheken, gemeenten, provincies, scholen en de andere actoren van elkaar leren en dat best practices brede navolging krijgen. Kan de regering hierop ingaan ten aanzien van de verschillende taken en rollen die zijn beschreven in het wetsvoorstel?

De regering poogt met het wetsvoorstel op verschillende manieren te borgen en te stimuleren dat partijen in het bibliotheekstelsel samen optrekken en van elkaar leren. In het meerjarenplan beschrijven gemeenten en openbare lichamen, bijvoorbeeld, hoe bibliotheken vanuit het netwerk samenwerken met het onderwijs en andere sociaal-culturele voorzieningen. Gemeenten en openbare lichamen betrekken de lokale bibliotheken bij het opstellen van dit plan, waarmee de samenhang tussen het werk van de bibliotheek en de andere partijen in de gemeente wordt gestimuleerd en gewaarborgd.

Tevens bestaat er sinds 2020 een bibliotheekconvenant tussen de partijen in het bibliotheeknetwerk (de KB, SPN en de VOB) en de drie overheden. Daarin worden gezamenlijk inhoudelijke prioriteiten voor innovatie en doorontwikkeling vastgesteld waarmee een sterk verband ontstaat tussen de lokale, provinciale en landelijke doelstellingen. Over de uitvoering van het convenant hebben de bibliotheekpartijen praktische afspraken vastgelegd in een netwerkagenda. Het uitwisselen van kennis en ervaringen en het benutten van elkaars best practices speelt hierin een belangrijke rol.

Als hulpmiddel hierbij heeft de bibliotheeksector een online kennisplatform, biebtobieb.26 Dit platform stimuleert kennisdelen, innovatie en samenwerken tussen bibliotheken, onderling, maar ook met de andere partners in het netwerk, de KB en de POI’s.

In de praktijk vindt kortom reeds op verschillende manieren kennisdeling plaats tussen de bibliotheekpartijen. Mede naar aanleiding van deze vraag is dit met de nota van wijziging bij deze nota naar aanleiding van het verslag ook expliciet in het wetvoorstel tot uitdrukking gebracht (zie hierover nader de toelichting bij de nota van wijziging).

Welke rol ziet de regering hierbij voor de minister?

De staatssecretaris van OCW is verantwoordelijk voor het functioneren van het bibliotheekstelsel als geheel, zoals dat volgens de Wsob is ingericht. Daarnaast is de staatssecretaris één van de ondertekenaars van het bibliotheekconvenant, waarin door betrokken overheden en bibliotheekpartijen gezamenlijk inhoudelijke prioriteiten voor innovatie en doorontwikkeling worden vastgesteld. Vanuit haar betrokkenheid bij het convenant kan de staatssecretaris monitoren en waar nodig stimuleren dat partijen actief kennis en ervaringen uitwisselen en elkaars best practices benutten.

  1. Toezicht en handhaving

De regering licht toe dat toezicht en handhaving plaatsvinden volgens het bestaande stelsel van het generieke interbestuurlijke toezicht.27 Dit betekent dat provincies toezicht houden op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. De provincies maken hiervoor gebruik van de informatie uit de meerjarenplannen van de gemeenten en de monitoringsgegevens van de Koninklijke Bibliotheek en kunnen gebruik maken van het instrumentarium van indeplaatsstelling, schorsing en vernietiging. Het Rijk houdt toezicht op de provincies met betrekking tot hun zorgplicht en het toezicht. Kan de regering nader toelichten hoe de provincies hun toezichtstaak ten aanzien van de taken in het wetsvoorstel willen gaan invullen en hoe zij zich hierop voorbereiden?

Zoals gebruikelijk in het generiek interbestuurlijk toezicht zijn de provincies zelf verantwoordelijk voor de invulling van het toezicht. De regels rondom het interbestuurlijk toezicht zijn vastgelegd in de Gemeentewet en Provinciewet. Hoe de provincies het toezicht ten aanzien van de taken uit het wetsvoorstel precies willen gaan vormgeven, werken zij de komende periode verder uit, in afstemming met gemeenten. Het ministerie van OCW zal financieel bijdragen aan een nog te ontwikkelen handreiking van het Interprovinciaal Overleg (IPO) over het toezicht om verdere uitwerking en implementatie van deze nieuwe taak door de provincies te vergemakkelijken.

Hoe en wanneer krijgen zij de beschikking over de meerjarenplannen en monitoringsgegevens?

Uiterlijk 1 jaar na publicatie van het wetsvoorstel stellen gemeenten en de openbare lichamen hun eerste meerjarenplannen vast; vervolgens herhalen zij dit elke vier jaar. Met de nota van wijziging is aan het wetsvoorstel toegevoegd dat de vastgestelde meerjarenplannen worden gepubliceerd, en daarmee ook publiek toegankelijk zijn. Ten behoeve van het interbestuurlijk toezicht is daarbij ook geregeld dat de vastgestelde meerjarenplannen van de gemeenten en openbare lichamen worden toegezonden aan gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de Rijksvertegenwoordiger.

De KB verzorgt jaarlijks de Gegevenslevering Wsob en verzamelt en analyseert in dit kader ieder jaar een groot aantal relevante monitorgegevens over het bibliotheekstelsel, bijvoorbeeld over de financiering door gemeenten, de aantallen bibliotheekvoorzieningen en de aantallen leden en bezoekers. Deze gegevens worden jaarlijks kort na de zomer van het volgende jaar online gepubliceerd.28

Beschouwen de provincies de normen in het wetsvoorstel als duidelijk genoeg om toezicht op te kunnen houden?

In de uitvoeringstoetsen van het IPO op het wetsvoorstel en het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen29 hebben provincies aangegeven dat het toezicht op de zorgplicht uit het voorgestelde artikel 6 voor hen uitvoerbaar is.

Tot slot vragen de leden van de commissie aan de regering hoe zij voornemens is het toezicht op de provincies in te vullen. Hoe richt de regering dit toezicht in?

Het interbestuurlijk toezicht door het rijk op medebewindstaken door provincies is sinds 2012, met de komst van de Wet revitalisering generiek toezicht, vereenvoudigd. Uitgangspunten in het interbestuurlijk toezicht zijn vertrouwen, soberheid en proportionaliteit. De regering zal zich dan in beginsel ook terughoudend opstellen waar het gaat om toezicht op de medebewindstaken van de provincie. Hoe het toezicht vorm zal krijgen zal in overleg met het IPO de komende periode worden uitgewerkt.

Op welke wijze borgt de regering dat de minister de Tweede Kamer kan voorzien van de juiste informatie over de werking van het stelsel rondom bibliotheken?

De regering is voornemens uw Kamer jaarlijks te informeren over de werking van het bibliotheekstelsel. Zo informeert de staatssecretaris van OCW uw Kamer elk jaar over de ontwikkelingen in de bibliotheeksector en over de uitvoering van de Wsob. Deze informatie is voornamelijk gebaseerd op jaarlijkse Gegevenslevering Wsob30 en de bevindingen vanuit de bestuurlijke overleggen komen daarbij. Verder heeft de staatssecretaris van OCW de verantwoordelijkheid om de wet elke vijf jaar te evalueren en uw Kamer de evaluatie toe te sturen, voorzien van een beleidsreactie. Daarmee zal uw Kamer dus regelmatig worden geïnformeerd over de werking van het stelsel.

  1. Financiële gevolgen

Zorgplicht gemeenten en openbare lichamen

De regering reserveert voor de zorgplicht van gemeenten en openbare lichamen een aanvullend budget van structureel € 60 miljoen per jaar via het gemeentefonds. De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat de VOB31 haar zorgen uit over de vraag of het budget dat het Rijk beschikbaar stelt ook daadwerkelijk bij de bibliotheken terecht zal komen.32 Wat is de reactie van de regering op deze zorgen?

In de samenleving is breed enthousiasme en draagvlak voor bibliotheken. Gemeenten én bibliotheken staan positief tegenover de komst van een zorgplicht. Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel waarbinnen overheden op basis van vertrouwen met elkaar samenwerken. De regering opereert binnen dit kader.

De regering is ook op de hoogte van de zorgen van de VOB. De middelen die gemeenten ontvangen vanuit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar en dat betekent dat gemeenten niet kunnen worden verplicht om het budget dat beschikbaar komt aan de bibliotheek te besteden. Onder meer vanwege de door de VOB geuite zorgen heeft de toenmalig minister van OCW op 18 maart 2025 een brief gestuurd naar gemeenten om te stimuleren dat de middelen voor de bibliotheek worden aangewend.

Belangrijk is bovendien dat dit wetsvoorstel een zorgplicht introduceert waarmee wordt geborgd dat elke gemeente een aanbod aan bibliotheekvoorzieningen wordt geboden dat als geheel binnen redelijke afstand bereikbaar is voor de inwoners, met ten minste één bibliotheekvoorziening waarin de vijf bibliotheekfuncties, een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting samenkomen. In hun meerjarenplan over het bibliotheekbeleid moeten gemeenten hier een toelichting op geven. Ook wordt in het meerjarenplan een begroting opgenomen, waarmee de gemeente laat zien welke middelen zij aan de uitvoering van de zorgplicht gaat besteden.

Het doel van dit wetsvoorstel is dat het bibliotheekstelsel wordt verstevigd. Met behulp van de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob en jaarlijkse bestuurlijke overleggen wordt gemonitord of de sector hierin koers houdt; de gemeentelijke budgetten zijn hierin een factor van belang. Bij de wetsevaluatie na vijf jaar zal worden onderzocht of en hoe gemeenten aan hun wettelijke zorgplicht voldoen en hoe het bibliotheekstelsel met de gewijzigde wet functioneert.

Heeft de regering een overzicht van hoeveel gemeenten nu ten opzichte van het beschikbare budget hiervoor uitgeven aan bibliotheken en welke verschillen hierin waarneembaar zijn tussen gemeenten?

Deze vraag wordt geïnterpreteerd als een vraag naar de wijze waarop gemeentelijke uitgaven aan bibliotheken zich ontwikkelen sinds de start van de decentralisatie-uitkering, en naar de verschillen hierbinnen tussen gemeenten.

Op dit moment heeft de regering hier nog geen zicht op. Gemeenten ontvangen sinds 2025 jaarlijks extra financiële middelen voor de bibliotheek via een decentralisatie-uitkering vanuit het gemeentefonds. De eerste gegevens over de ontwikkelingen in gemeentelijke subsidies aan bibliotheken sinds de start van deze decentralisatie-uitkering komen in de zomer van 2026 beschikbaar via de Gegevenslevering Wsob en worden in september gepubliceerd via www.bibliotheeknetwerk.nl.

Hoe borgt de regering dat gemeenten deze middelen ook daadwerkelijk inzetten voor bibliotheken en welke sturingsmogelijkheden heeft de regering?

Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel. Gemeenten hebben beleidsvrijheid; zij bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid. De middelen die gemeenten ontvangen vanuit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. De regering ziet dit als een belangrijk uitgangspunt.

Om te verzekeren dat gemeenten in de bibliotheek (blijven) investeren, introduceert dit wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht. Wat betreft de invulling van de zorgplicht uit het wetsvoorstel zullen gemeenten moeten voldoen aan de vereisten uit de gewijzigde Wsob. In hun meerjarenplan over het bibliotheekbeleid moeten gemeenten hierop een toelichting geven. Ook wordt in het meerjarenplan een begroting opgenomen, waarmee gemeenten laten zien welke middelen zij aan de uitvoering van de zorgplicht gaan besteden.

De provincie houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. Zolang gemeenten voldoen aan de vereisten uit de Wsob, hebben en houden zij beleidsvrijheid bij het maken van inhoudelijke keuzes over het bibliotheekbeleid en de invulling van de zorgplicht in de lokale context.

Doel van de wetswijziging is een verdere versteviging van het bibliotheekstelsel in de komende jaren. In de samenleving is breed enthousiasme en draagvlak voor bibliotheken. Gemeenten én bibliotheken staan positief tegenover de komst van een zorgplicht. Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel waarbinnen overheden op basis van vertrouwen met elkaar samenwerken, in aansluiting op lokale behoeften. De regering opereert binnen dit kader en zal regelmatig de balans voor het stelsel opmaken.

Om gezamenlijk op koers te blijven, initieert de bewindspersoon van OCW jaarlijks een bestuurlijk overleg tussen de drie betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen (KB, SPN en de VOB). Tijdens deze overleggen worden de ontwikkelingen in de sector en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk jaarlijks gevolgd en geduid. Basis van dit overleg vormen in ieder geval de data vanuit de Gegevenslevering Wsob33, de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht en waar mogelijk analyses op basis van de bibliotheekcertificering (een instrument van de sector zelf en de VNG). De jaarlijkse bestuurlijke overleggen zullen gelegenheid bieden voor de betrokken partijen om gezamenlijk vast te stellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.

Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over of de middelen bestemd voor bibliotheken doelmatig worden besteed?

De doelmatigheid van de besteding van middelen bestemd voor bibliotheken vormt geen onderdeel van de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob en is onderdeel van gemeentelijke autonomie: colleges leggen hierover verantwoording af aan hun gemeenteraden.

Het ligt voor de hand dat de doeltreffendheid en doelmatigheid van de gewijzigde Wsob over vijf jaar tijdens de wetsevaluatie zullen worden onderzocht. Uw Kamer zal deze evaluatie ontvangen, voorzien van een beleidsreactie.

Bevorderingstaak bibliotheken

De regering geeft aan dat voor de bekostiging van de activiteiten van bibliotheken op het gebied van leesbevordering in samenwerking met scholen in 2027 een bedrag van € 19 miljoen beschikbaar is, oplopend naar € 25 miljoen structureel vanaf 2028 in de vorm van een subsidie aan bibliotheken. In een brief van de staatssecretaris van OCW over de voortgang van het Masterplan basisvaardigheden34 (waarin wordt verwezen naar een eerdere brief van de staatssecretaris35 over de duurzame verankering van dBos36) lezen de leden van de commissie dat de tijdelijke subsidie voor dBos en Boekstart wordt omgezet in structurele financiering en dat in 2027 € 38 miljoen beschikbaar is vanuit de OCW-begroting; vanaf 2028 gaat het jaarlijks om € 50 miljoen. Het geld zal vanaf 2027 worden verdeeld tussen scholen (middels de gerichte bekostiging voor basisvaardigheden) en bibliotheken. Scholen kunnen ervoor kiezen om (een deel van) de gerichte bekostiging te besteden aan dBos. Bibliotheken moeten de structurele financiering inzetten om de samenwerking met het funderend onderwijs en/of de pabo, het mbo en de kinderopvang (BoekStart) voort te zetten. Hoe borgt de regering dat scholen deze middelen ook daadwerkelijk (kunnen) inzetten voor leesbevordering en de samenwerking tussen bibliotheken en scholen in stand blijft en/of komt?

Met ingang van 2027 krijgen scholen in het funderend onderwijs structureel geld om de basisvaardigheden van leerlingen te verbeteren. In 2027 ontvangen scholen hiervoor een bedrag van minimaal € 206,- per leerling via de aanvullende bekostiging. Het is de bedoeling dat scholen dit geld met ingang van 2028 in de vorm van gerichte bekostiging ontvangen. Dit is een nieuwe vorm van bekostiging die het mogelijk maakt om (tijdelijk) voorwaarden te stellen aan een deel van de bekostiging. Het wetsvoorstel hiervoor is onlangs met uw Kamer gedeeld.37 De structurele middelen voor leesbevordering maken deel uit van de structurele bekostiging basisvaardigheden (en zitten dus in het bedrag van minimaal € 206,- per leerling).

Om te borgen dat de samenwerking tussen bibliotheken en scholen duurzaam tot stand komt, zullen bibliotheken ook structurele financiering ontvangen op basis van het voorgestelde artikel 8a in dit wetsvoorstel. Het voornemen is om in de subsidieregeling op basis van dit artikel uit te werken dat bibliotheken deze financiering kunnen aanwenden voor het in dienst hebben en bijscholen van gekwalificeerde leesmediaconsulenten, om scholen en aanbieders van kinderopvangvoorzieningen te adviseren op het gebied van leesbevordering. Voor bibliotheken komt voor dit doel in 2027 een budget van € 19 miljoen beschikbaar, vanaf 2028 gaat het om € 25 miljoen per jaar (inclusief uitvoeringskosten).

Vanuit het implementatieplan voor de wijziging van de Wsob wordt tot slot ingezet op het verstevigen van de samenwerking tussen bibliotheken en scholen.

Hoe monitort de regering dit en welke sturingsmogelijkheden heeft de regering?

Het kabinet beziet aan de hand van de geformuleerde beleidsdoelen op basisvaardigheden of de totale aanpak op basisvaardigheden afdoende is. Hiertoe is in het Masterplan basisvaardigheden intensieve monitoring opgenomen; de meest recente bevindingen vormen bijvoorbeeld aanleiding om de komende tijd een Versterkingsagenda Taal en andere basisvaardigheden uit te werken38 Hierover ontvangt uw Kamer meer informatie in het najaar van 2026. De specifieke monitoring en evaluatie van de extra bekostiging is opgenomen in het wetsvoorstel gerichte bekostiging dat ik onlangs met uw Kamer heb gedeeld.39

Via de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob wordt bijgehouden met hoeveel scholen en kinderopvangaanbieders bibliotheken samenwerken en hoe de samenwerking eruitziet; hieruit kan ook informatie over het bereik en gebruik van de activiteiten van bibliotheken op het gebied van leesbevordering worden afgeleid. Dit is een bestaand instrument dat wordt gecontinueerd. Daaraan is het voornemen om toe te voegen dat bibliotheken gegevens leveren over het aantal gekwalificeerde leesmediaconsulenten dat zij in dienst hebben.

Ook zal de subsidieregeling tussentijds geëvalueerd worden, en kan indien nodig na de subsidieperiode worden bijgestuurd.

Gratis lidmaatschap

De regering benoemt in de memorie van toelichting dat verschillende bibliotheken hebben voorgesteld het lidmaatschap van de openbare bibliotheek voor alle leden gratis te maken, dus ook voor volwassenen. De regering geeft aan dat dit niet in het wetsvoorstel is opgenomen omdat er geen gegevens bekend zijn over de (gedrags)effecten daarvan en er geen budget is om gemeenten voor de kosten te compenseren (circa € 50 miljoen per jaar, vermeerderd met extra kosten als gevolg van een groter gebruik). Kan de regering toelichten of zij wel voornemens is om meer onderzoek te doen naar de effecten van een gratis lidmaatschap, zoals naar hoe groot de toename van het gebruik van bibliotheekdiensten zou zijn?

In opdracht van het ministerie van OCW is nader onderzoek gedaan naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap, waarbij ook gekeken is naar de effecten van deze lidmaatschapsvormen. Dit onderzoek is samen met een beleidsreactie op 24 april jl. aan uw Kamer gestuurd.40 Uit het onderzoek komt naar voren dat een gratis bibliotheeklidmaatschap zorgt voor een toename van leden en daarmee het bereik van de bibliotheek vergroot. Er is echter onvoldoende bewijs dat een gratis bibliotheeklidmaatschap ook leidt tot een groter gebruik van de bibliotheek, zoals het lenen van boeken of deelname aan activiteiten.

  1. Evaluatie

De leden van de commissie lezen dat de regering voornemens is om de wet elke vijf jaar te evalueren en dat hierbij onderwerpen aan de orde komen als: de ontwikkelingen in de beschikbaarheid, bereikbaarheid en het gebruik van de openbare bibliotheek, de samenwerking tussen scholen en bibliotheken bij leesbevordering en in de uitleningen via schoolbibliotheken en de daarmee samenhangende vergoedingen voor rechthebbenden.

De leden van de commissie vragen of de regering nader in kan gaan hoe zij deze elementen wil gaan evalueren. Deze leden vragen de regering om daarbij inzicht te geven in aan de hand van welke indicatoren zal worden gemeten of het wetsvoorstel de doelstellingen behaald heeft. Ten aanzien van welke factoren is de regering voornemens een kwantitatieve meting te doen?

Hoe de systematiek van de evaluatie er precies uit zal zien, moet nader worden uitgewerkt. De regering is voornemens om deels kwantitatieve indicatoren te gebruiken voor de evaluatie. Belangrijke kwantitatieve indicatoren zijn: het aantal bibliotheekvoorzieningen, de verschillende soorten bibliotheekvoorzieningen, de spreiding, het bereik (ledenaantallen) en het gebruik (bijvoorbeeld bezoekersaantallen) van de bibliotheek, de omvang van de gemeentelijke financiële bijdrage, het aantal scholen waarmee bibliotheken samenwerken en eventuele gemeenten zonder volwaardige bibliotheekvoorziening zoals beschreven in het wetsvoorstel.

Met het oog op de kwalitatieve invulling van de zorgplicht zijn niet in alle gevallen kwantitatieve indicatoren voorhanden. Met betrekking tot het begrip ‘redelijke afstand’, bijvoorbeeld, bestaat de wens om als onderdeel van de evaluatie te onderzoeken hoe de afstand tot het aanbod wordt ervaren. De precieze systematiek voor een dergelijke onderzoeksvraag wordt nog uitgewerkt.

Welke concrete indicatoren worden geëvalueerd als het gaat om de afstand tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen?

Het begrip ‘redelijke afstand’ wordt gebruikt vanuit de gedachte dat dit gemeenten en openbare lichamen ruimte biedt om hier zelf op te reflecteren, in relatie tot de lokale context. Daarom zullen voor het begrip ‘redelijke afstand’ geen landelijke, eenduidige absolute indicatoren worden gebruikt. De wens is om als onderdeel van de evaluatie te onderzoeken hoe de afstand tot het aanbod wordt ervaren. De precieze systematiek voor een dergelijke onderzoeksvraag wordt nog uitgewerkt.

Via het CBS komen bovendien jaarlijks data beschikbaar over de afstand tot bibliotheekvoorzieningen. Op basis daarvan kan worden gemonitord of zich geen onwenselijke ontwikkelingen voordoen met betrekking tot de afstand tot bibliotheekvoorzieningen.41

Wordt in de evaluatie ook gekeken naar of de financiële middelen toereikend zijn voor gemeenten, bibliotheken en scholen, maar ook voor de toezichtstaak van de provincies zoals het IPO suggereert?42 Hoe wordt dit getoetst?

In het kader van de evaluatie van de Wsob zal inderdaad worden onderzocht of dit budget toereikend is. Dat geldt ook voor de bijdrage die provincies ontvangen voor de uitvoering van het toezicht. De precieze systematiek voor deze toets wordt nog uitgewerkt.

Tot slot vragen de leden van de commissie of de regering ook voornemens is om tussentijds te monitoren en hoe de Kamer hierover wordt geïnformeerd.

De regering is voornemens uw Kamer tenminste jaarlijks te informeren over de werking van het bibliotheekstelsel. Zo informeert de staatssecretaris van OCW uw Kamer jaarlijks over de ontwikkelingen in de bibliotheeksector en over de uitvoering van de Wsob. Deze informatie is voornamelijk gebaseerd op de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob43 en de bevindingen vanuit de bestuurlijke overleggen komen daarbij.

Op welke wijze krijgt deze evaluatie een plek in de Strategische Evaluatie Agenda van het ministerie van OCW?

De evaluatie van de wijziging van de Wsob zal worden opgenomen in planning van de Strategische Evaluatieagenda van het ministerie van OCW die onderdeel is van de OCW-begroting. Er wordt daarbij onder andere gekeken naar het percentage gemeenten met een volwaardige bibliotheekvoorziening in de zin van het wetsvoorstel.

  1. Caribisch Nederland

De regering geeft aan dat de Wsob, met uitzondering van enkele artikelen, ook van toepassing is in Caribisch Nederland en dat gezien de specifieke omstandigheden extra inspanning nodig is om het bibliotheekwerk daar te versterken. Hiervoor wordt een afzonderlijk maatwerktraject opgezet. Ten aanzien van de financiering geeft de regering aan dat dit in eerste instantie geschiedt via individuele tijdelijke intensiveringen via een bijzondere uitkering van in totaal € 385.000 per jaar. Het streven van de regering is om het budget uiteindelijk beschikbaar te stellen via de vrije uitkering uit het BES-fonds. Kan de regering een nadere toelichting geven op de stand van zaken van het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland?

Op alle drie de eilanden was reeds een bibliotheekvestiging aanwezig met een collectie en enkele medewerkers. De afgelopen jaren is extra geïnvesteerd in het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland. De openbare lichamen ontvingen in dit kader bijdragen voor het versterken van de bibliotheekvoorzieningen. Zo is op Bonaire in 2025 een nieuwe bibliotheekvestiging geopend, waarbij alle vijf bibliotheekfuncties kunnen worden uitgevoerd. Op Saba zijn plannen gemaakt om de huidige bibliotheek op termijn onder te brengen in een nog te ontwikkelen, multifunctioneel expertisecentrum. Op Sint Eustatius kunnen nog stappen worden gezet om de huidige bibliotheek te ontwikkelen naar een toekomstbestendige bibliotheekvoorziening. Er worden momenteel gesprekken gevoerd tussen het openbaar lichaam van Sint Eustatius en het bestuur van de openbare bibliotheek, gericht op een betere informatievoorziening en planvorming ten aanzien van de bibliotheekversterking. Daarnaast is een pilot gestart voor ondersteuning van bibliotheken in Caribisch Nederland door een POI uit Europees Nederland. Deze pilot loopt vooruit op de structurele POI-ondersteuning die met het voorgestelde artikel 16 van de Wsob wordt geïntroduceerd.

Hoe ziet het beoogde maatwerktraject eruit en wat is hiervoor de planning?

De afgelopen jaren is veel tijd besteed aan overleg en afstemming met Caribisch Nederland over versterking van het bibliotheekwerk, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de zorgplicht. Dit heeft onder andere geleid tot een nieuwe bibliotheek op een beter bereikbare locatie op Bonaire. Daarnaast wordt de pilot voor de POI-ondersteuning omgezet in structurele POI-ondersteuning voor bibliotheken in Caribisch Nederland. Dit is opgenomen in het voorgestelde artikel 16 van de Wsob. Voor de precieze aanwijzingsprocedure wordt een ministeriële regeling uitgewerkt. Tevens wordt rekening gehouden met de specifieke situatie van Caribisch Nederland; bij het meerjarenplan zijn de indicatoren aangepast op de lokale situatie in Caribisch Nederland. De komende jaren zal het maatwerk met name bestaan uit ondersteuning bij de implementatie van het wetsvoorstel. Het doel is dat de openbare lichamen bij inwerkingtreding van de zorgplicht in staat zijn om deze uit te voeren.

Is de verwachting dat de openbare lichamen en bibliotheken in Caribisch Nederland tijdig de verplichtingen en rollen kunnen vervullen die in het wetsvoorstel worden beschreven?

De openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius hebben na inwerkingtreding van het wetsvoorstel een jaar om het eerste meerjarenplan te maken. De volledige zorgplicht wordt drie jaar na inwerkingtreding van de wet van kracht. Met inzet van de maatwerkondersteuning is de verwachting dat uitvoering van het wetsvoorstel ook voor Caribisch Nederland haalbaar is.

Wat was de reactie van de openbare lichamen op (de conceptversie van) het wetsvoorstel?

De openbare lichamen van Sint Eustatius en Saba hebben geen reactie op het wetsvoorstel gegeven. Bonaire heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de voorgestelde zorgplicht en heeft verzocht het bestaande contact over het vervolg en de implementatie van het wetsvoorstel voort te zetten. De regering zet het contact hierover met de eilanden voort, waarbij de komende jaren de focus ligt op ondersteuning bij de implementatie van het wetsvoorstel.

Achten zij de beschikbare middelen voldoende?

Vanwege het benodigde maatwerk in Caribisch Nederland ontvangen de openbare lichamen naar verhouding meer middelen dan gemeenten in Europees Nederland. Er hebben gesprekken plaatsgevonden over de wetswijziging met een introductie van een zorgplicht en de daarbij horende financiering. Bonaire heeft een positieve reactie gegeven op het wetsvoorstel. De andere twee openbare lichamen hebben niet gereageerd, maar er zijn geen signalen dat zij de middelen onvoldoende achten.

Inbreng leden van de fracties

I. Algemeen

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wsob. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven de belangrijke rol die bibliotheken vervullen in de Nederlandse samenleving, op het gebied van leesvaardigheid en educatie maar net zo zeer op maatschappelijk vlak. De leden zien dat de bibliotheek al lang niet meer slechts een plek is waar je boeken kunt lenen, maar dat ontmoeting, digitale vaardigheden en leesplezier samenkomen in de bieb. Temeer in een tijd waarin de basisvaardigheden van jongeren verslechteren vervult de bibliotheekvoorziening een onmisbare rol en een aanvulling op het leesonderwijs op scholen. Voor deze leden is dat van grote waarde. Zij hebben nog enkele opmerkingen en vragen over het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden signaleren dat openbare bibliotheken een waardevolle bijdrage leveren in de strijd tegen laaggeletterdheid: ruim 2,4 miljoen kinderen hadden in 2024 een bibliotheeklidmaatschap, ofwel 73 procent van iedereen in Nederland tussen de 0 en 18 jaar. Mede daarom hechten deze leden zeer aan een toegankelijk en divers bibliotheekaanbod in elke gemeente.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten. Deze leden hebben een aantal opmerkingen en vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. De bibliotheek heeft een grote maatschappelijke waarde; het is niet alleen een plek om te (leren) lezen of om rustig te kunnen studeren, het is ook een centrale plek in de wijk als plek van ontmoeting en verbinding. Elke inwoner zou daarom toegang tot de bibliotheek moeten hebben. Dit wetsvoorstel is een belangrijke stap daartoe. Deze leden hebben nog enkele vragen aan de regering.

De leden van de BBB-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel dat strekt tot versterking en verankering van het bibliotheekstelsel in Nederland. Deze leden zijn positief over de voorgestelde introductie van een wettelijke zorgplicht voor gemeenten, openbare lichamen en provincies om te zorgen voor een toegankelijk en dekkend aanbod van bibliotheekvoorzieningen.

Voor de leden van de BBB-fractie is het van groot belang dat ook inwoners in minder dichtbevolkte en landelijke regio’s kunnen rekenen op een volwaardige bibliotheekvoorziening binnen redelijke afstand. De bibliotheek vervult immers een essentiële maatschappelijke functie als laagdrempelige plek voor ontwikkeling, ontmoeting, digitale vaardigheden en taalvaardigheid. Juist in gebieden waar voorzieningen onder druk staan, vormt de bibliotheek een belangrijke schakel in de sociale en educatieve infrastructuur. Alles overziend spreken de leden van de BBB-fractie hun waardering uit voor dit wetsvoorstel. Deze leden zien het als een stevige en noodzakelijke basis voor een toekomstbestendig bibliotheekstelsel, waarin toegankelijkheid en nabijheid voor alle inwoners van Nederland centraal staan. Zij hebben vooralsnog geen vragen over het wetsvoorstel, maar wel een aantal opmerkingen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het belangrijk dat de fysieke toegankelijkheid van de bibliotheek verder wordt ondersteund. Ook hechten de leden aan een goede regeling van de leenrechtvergoeding.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden zien de cruciale rol die de bibliotheek in de samenleving vervult en menen dat het van belang is dat voor elke inwoner, zowel in Europees als Caribisch Nederland, een bibliotheekvoorziening in de buurt is. De leden hebben nog een aantal vragen.

1. Inleiding

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie juichen toe dat de openbare bibliotheken hun maatschappelijke functies succesvol hebben weten te verbreden door kennis en informatie beschikbaar te stellen, mogelijkheden tot ontwikkeling en educatie te bieden, het lezen te bevorderen en kennis te laten maken met literatuur, ontmoeting en debat te organiseren en kennis te laten maken met kunst en cultuur. Vrije informatievoorziening zien deze leden als een noodzakelijke voorwaarde bij dit succes. Het verontrust de leden dat in de Verenigde Staten oudergroepen of lokale politici boeken over racisme, seksuele identiteit en gender willen verbannen uit de collecties. Welke rol ziet de regering voor zichzelf in eigen land bij het bewaken van een divers en niet-bevoogdend aanbod bij de informatievoorziening van bibliotheken?

De minister van OCW is verantwoordelijk voor het functioneren van het bibliotheekstelsel als geheel. Bibliotheken zijn echter zelf verantwoordelijk voor de samenstelling van hun aanbod. Gelet op de vrijheid van meningsuiting en het recht op toegang tot informatie past het de regering om zich hierbij zeer terughoudend op te stellen. In artikel 4 van de Wsob heeft de wetgever bibliotheken wel vijf publieke waarden meegegeven op basis waarvan zij hun aanbod moeten samenstellen. Deze zijn: onafhankelijkheid, betrouwbaarheid, toegankelijkheid, pluriformiteit en authenticiteit. In de praktijk betekenen deze waarden dat bibliotheekorganisaties zelf beslissen over de samenstelling van hun collecties. Bibliotheken houden daarbij in het bijzonder rekening met de samenstelling van de bevolking in het eigen werkgebied.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting vermeldt dat over de periode 2012-2021 het aantal bibliotheekvestigingen met honderd is afgenomen van 843 naar 744, er gemeenten en wijken zijn zonder openbare bibliotheekvestiging, er bibliotheken bestaan die onvoldoende zijn toegerust om de maatschappelijke functies te kunnen vervullen en er met name in niet-stedelijke regio’s en in wijken van grote gemeenten niet alle inwoners binnen een redelijke afstand toegang hebben tot een volwaardige bibliotheek. Het verontrust deze leden dat oorzaak ligt bij de gemeentelijke budgetten die onder druk staan. De leden vinden het bijzonder kwalijk waar dit leidt tot kansenongelijkheid tussen burgers in het algemeen en in het bijzonder tot grotere risico’s op laaggeletterdheid voor groepen jongeren. Deelt de regering de mening van de leden van deze fractie dat zij deze gegevens niet zomaar helemaal kan afdoen als kwesties van eigen gemeentelijke verantwoordelijkheid en gemeentelijke autonomie?

Uit de evaluatie van de Wsob in 2020 bleek dat het fysieke bibliotheeknetwerk was verschraald. Over de periode 2012–2021 was het aantal bibliotheekvestigingen met 99 afgenomen van 843 naar 744.44 De algemene financiële situatie van gemeenten kan van invloed zijn geweest op het aanbod van bibliotheekvoorzieningen. De staatssecretaris van OCW heeft een stelselverantwoordelijkheid voor bibliotheken. Vanaf 2022 heeft de regering daarom via een specifieke uitkering extra geld geïnvesteerd om het bibliotheekwerk te versterken in aanloop naar de wetswijziging en de introductie van een zorgplicht. Met de zorgplicht uit het voorgestelde artikel 6 van de Wsob worden deze investeringen voor de lange termijn geborgd. Het wetsvoorstel gaat gepaard met een structurele bijdrage van het Rijk van ca. € 60 miljoen, die mogelijk maakt dat gemeenten aan de eisen van de zorgplicht voldoen.

In hoeveel gemeenten ontbreekt nu een (volwaardige) openbare bibliotheek?

Formeel gezien valt deze vraag nu niet te beantwoorden; de provincies zullen in het kader van hun toezichtstaak gaan controleren of gemeenten en openbare lichamen een volwaardige bibliotheek hebben en voldoen aan de zorgplicht, zoals in het wetsvoorstel beschreven wordt in het voorgestelde artikel 6, tweede lid, van de Wsob.

Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob45 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten. Albrandswaard, Alphen-Chaam, Lopik en Oostzaan hebben een specifieke uitkering ontvangen voor het tot stand brengen van een volwaardige bibliotheekvestiging. Gemeenten hebben tot het einde van 2026 tijd voor de uitvoering hiervan. Mook en Middelaar en Uitgeest hebben geen eigen bibliotheek maar zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten.46

Wanneer alle aanvragen uit de Regeling eenmalige specifieke uitkering en subsidie toekomstbestendige lokale bibliotheekvoorzieningen (Specifieke uitkering) en afspraken tussen buurgemeenten worden gerealiseerd, kunnen alle gemeenten hun inwoners toegang bieden tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen zoals bedoeld in het voorgestelde artikel 6 van de Wsob. Het is daarbij aan de gemeenten om invulling te geven aan de zorgplicht en toe te lichten hoe zij dit doen in het meerjarenplan. De provincies zullen toe zien op de naleving van deze zorgplicht.

Voor hoeveel gemeenten blijft dit gelden nadat de 46 nieuwe bibliotheekvestigingen worden opgericht? Voor hoeveel gemeenten geldt dat de openbare bibliotheek nog altijd moet worden versterkt?

Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob47 constateert de regering dat zes gemeenten momenteel niet over een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel beschikken. Vier van deze gemeenten hebben een specifieke uitkering gekregen voor het realiseren van een bibliotheekvestiging en twee gemeenten zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten. De verwachting van de regering is daarmee dat, na oprichting van de 46 vestigingen, alle gemeenten in staat zijn gesteld om te voorzien in een volwaardige bibliotheekvoorziening, op voorwaarde dat ook de twee gemeenten die inzetten op samenwerkingsafspraken met buurgemeenten hierin slagen. Gemeenten die al voldoen aan de basisvereisten uit het wetsvoorstel zouden hun aanbod van bibliotheekvoorzieningen kunnen versterken door bijvoorbeeld uitbreiding van de educatieve en culturele activiteiten, het investeren in de toegankelijkheid van het aanbod of via intensivering van de samenwerking met het onderwijs, de cultuursector of andere relevante lokale maatschappelijke organisaties. De keuze voor doorontwikkeling is afhankelijk van de specifieke lokale situatie; gemeenten lichten hun keuzes toe in het meerjarenplan, waarin ook een begroting is opgenomen. Colleges leggen aan hun gemeenteraden verantwoording af over hun keuzes en beleid.

Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel is het aan de provincie om toezicht te houden op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. Gemeenten lichten daarbij in hun meerjarenplan toe hoe zij de zorgplicht invullen en voorzien in, onder andere, een volwaardige bibliotheekvoorziening in hun gemeente.

Welke mogelijkheden ziet de regering om gemeenten en provincies te stimuleren om hun bevorderingstaken in de Wsob met het oog op kansengelijkheid voor jongeren en burgers ook goed waarmaken?

Gemeenten hebben, zoals de leden van de PRO-fractie benoemen, een bevorderingstaak met betrekking tot de kansen van burgers. In het huidige artikel 5 van de Wsob is namelijk opgenomen dat de vijf functies van de bibliotheek ‘bijdragen aan de persoonlijke ontwikkeling en verbetering van de maatschappelijke kansen van het algemene publiek’.

De zorgplicht die dit wetsvoorstel introduceert, borgt dat elke gemeente voorziet in een aanbod aan bibliotheekvoorzieningen dat binnen redelijke afstand toegankelijk is, met tenminste één bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties uitvoert. Alle gemeenten moeten in hun meerjarenplan toelichten hoe zij de zorgplicht invullen. De vijf bibliotheekfuncties maken hier deel van uit. De provincies gaan toezicht houden op de invulling van de zorgplicht door gemeenten. Kortom: gemeenten worden gestimuleerd om hun bevorderingstaak op het gebied van kansengelijkheid waar te maken door invulling te geven aan de vijf functies, die ook onderdeel worden van de gemeentelijke zorgplicht.

Het onderwijs speelt een essentiële rol bij het vergroten van kansengelijkheid en bibliotheken kunnen hieraan bijdragen door samen te werken met scholen, in de eerste plaats gericht op leesbevordering. De regering is voornemens om de verhouding tussen de lokale bibliotheek en het onderwijs onderdeel te laten zijn van de meerjarenplannen van gemeenten. Zo worden gemeenten gestimuleerd om vanuit lokaal perspectief te reflecteren op de samenwerking tussen bibliotheken en scholen en partijen hiertoe aan te moedigen.

Daarnaast komen de ambities van bibliotheekpartijen en overheden met betrekking tot kansengelijkheid tot uiting in het Bibliotheekconvenant 2024-202748, waarin de onderwerpen geletterde samenleving, participatie in de informatiesamenleving en leven lang ontwikkelen centraal staan. Het ministerie van OCW heeft zich samen met gemeenten, provincies en de bibliotheekpartijen aan dit convenant verbonden; de ondertekenaars zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering.

Voor de leden van de PVV-fractie zijn bibliotheken van groot belang. Bibliotheken spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van lezen en bij het doorgeven van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis aan nieuwe generaties. Juist in een tijd waarin de leesvaardigheid onder jongeren zichtbaar achteruitgaat en kennis van de Nederlandse geschiedenis niet langer vanzelfsprekend is, vervullen bibliotheken een belangrijke maatschappelijke functie. De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom ervoor is gekozen om gemeenten een wettelijke zorgplicht op te leggen, terwijl tegelijkertijd het beschikbare budget via het gemeentefonds als vrij besteedbaar wordt verstrekt. Hoe wordt voorkomen dat middelen die bedoeld zijn voor bibliotheken worden ingezet voor andere gemeentelijke uitgaven?

Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel. Gemeenten hebben beleidsvrijheid; zij bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid. Colleges leggen aan hun gemeenteraden verantwoording af over hun keuzes en beleid. De middelen die gemeenten ontvangen vanuit het gemeentefonds zijn daarbij vrij besteedbaar. De regering ziet deze bestedingsvrijheid als een belangrijk uitgangspunt.

Om te verzekeren dat gemeenten in de bibliotheek (blijven) investeren, introduceert dit wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht. De provincies houden toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. Bij de invulling van de zorgplicht uit het wetsvoorstel zullen gemeenten moeten voldoen aan de vereisten uit de Wsob. Zolang dat het geval is, hebben en houden gemeenten beleidsvrijheid bij het maken van inhoudelijke keuzes over het bibliotheekbeleid en de invulling van de zorgplicht in de lokale context. De regering acht dit ook wenselijk, omdat daarmee kan worden aangesloten bij de behoeftes en wensen die leven in een gemeente.

De middelen die gemeenten ontvangen zijn vrij besteedbaar, maar gemeenten die al voldoen aan de basisvereisten uit het wetsvoorstel, zouden deze middelen bijvoorbeeld kunnen aanwenden voor uitbreiding van de educatieve en culturele activiteiten, om te investeren in de toegankelijkheid van het aanbod of voor intensivering van de samenwerking met het onderwijs, de cultuursector of andere relevante lokale maatschappelijke organisaties. De keuze voor doorontwikkeling is afhankelijk van de specifieke lokale situatie; gemeenten lichten hun keuzes toe in het meerjarenplan, waarin ook een begroting is opgenomen.

Daarmee wordt geborgd dat alle gemeenten uitvoering geven aan de zorgplicht en in de bibliotheek investeren.

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie hoe de regering ervoor zorgt dat bibliotheken hun kerntaak blijven vervullen: het bevorderen van lezen en het versterken van kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis.

De zorgplicht omvat het uitvoeren van vijf wettelijke functies door ten minste één bibliotheekvoorziening in de gemeente of het openbare lichaam. De vijf functies uit artikel 5 van de Wsob zijn: het ter beschikking stellen van kennis en informatie, het bieden van mogelijkheden tot ontwikkeling en educatie, het bevorderen van lezen en het laten kennismaken met literatuur, het organiseren van ontmoeting en debat en het laten kennis maken met kunst en cultuur. De door de leden van de PVV-fractie genoemde taken vallen binnen deze vijf wettelijke bibliotheekfuncties. Zo sluit het bevorderen van lezen aan bij de bibliotheekfunctie ‘het bevorderen van lezen en het laten kennismaken met literatuur’ en het versterken van kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis bij de bibliotheekfunctie ‘het ter beschikking stellen van kennis en informatie’.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader kan ingaan op de effecten van de Spuk bibliotheken. Wat is de ontwikkeling van het aantal bibliotheken vanaf 2021? Welke bijdrage heeft de Spuk geleverd aan het aantal en de kwaliteit van bibliotheekvoorzieningen in Nederland?

De specifieke uitkering levert een positieve bijdrage aan het aantal en de kwaliteit van de bibliotheekvoorzieningen in Nederland. In totaal hebben 244 van de 342 Nederlandse gemeenten één of meer specifieke uitkeringen ontvangen via de Regeling specifieke uitkering lokale bibliotheekvoorzieningen.

Op grond van de aanvragen kan op dit moment gesteld worden dat er 46 nieuwe fysieke bibliotheekvestigingen worden opgericht en honderd beperkte voorzieningen worden doorontwikkeld naar volwaardige voorzieningen in de zin van artikel 6 van het wetsvoorstel. Daarnaast worden van 196 bibliotheekvoorzieningen de bemande openingsuren verruimd. In twee gemeenten wordt met de specifieke uitkering het aantal sta-uren van de bibliobus verruimd.

Uit de meest recente gegevens blijkt dat het aantal bibliotheekvestigingen tussen 2021 en 2024 is gestegen van 744 naar 767.49 De activiteiten waarvoor de specifieke uitkeringen zijn verstrekt, kunnen nog worden uitgevoerd tot en met 31 december 2026. De definitieve opbrengsten van de besteding van de specifieke uitkeringen zullen na 2026 openbaar worden gemaakt en worden met uw Kamer gedeeld; de effecten van de gedane investeringen op het bereik en gebruik van de bibliotheek zullen waar mogelijk in de rapportage worden meegenomen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de vijf functies inzetten op de brede maatschappelijke functie van de bibliotheek. Deze leden lezen in de toelichting dat de activiteiten bij voorkeur zoveel mogelijk aansluiten bij de actuele thema’s uit het bibliotheekconvenant: een geletterde samenleving, participatie in de informatiesamenleving, en een leven lang ontwikkelen. Welke plek ziet de regering voor de bibliotheek in een sterke samenleving, wijken en buurten en een plek voor ontmoeting?

De openbare bibliotheek is veel meer dan een plek waar boeken kunnen worden geleend. De publieke ruimte van de openbare bibliotheek functioneert als huiskamer van de stad, de wijk of het dorp. Het is de plek waar iedereen komt ongeacht leeftijd, inkomen, opleiding of sociale klasse. Dat is een belangrijke waarde in een samenleving waarin mensen steeds meer in hun eigen bubbel leven en waar gelijke kansen niet vanzelfsprekend zijn. Deze waarde is ook zichtbaar in de vijf wettelijke functies uit artikel 5 van de Wsob, dat de brede rol van bibliotheken in de maatschappij reflecteert. Met de zorgplicht verstevigt het wetsvoorstel de positie van de openbare bibliotheken en ondersteunt het de hierboven beschreven ontwikkeling van de bibliotheek als maatschappelijke organisatie in de samenleving.

Kan dBos volgens de regering ook bijdragen aan een versterkte wijkaanpak; een ontmoetingsplek in de wijk worden?

De Bibliotheek op school is een landelijke aanpak waarbij lokale bibliotheken en scholen samenwerken aan leesbevordering. Onderdeel hiervan is dat de lokale bibliotheek de school adviseert over en helpt bij het opzetten en onderhouden van een schoolbibliotheek. Een schoolbibliotheek heeft een beperktere functie en doelgroep dan een lokale bibliotheek en is niet open voor iedereen. Het is een voorziening voor de leerlingen en de school. Daarmee is een schoolbibliotheek niet primair gericht op het versterken van de wijkaanpak.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de laatste stand van zaken rond de IDO’s50, zowel ten aanzien van de financiering, de uitvoering en de verkenning naar wettelijke verankering van IDO-dienstverlening.

Zoals in het commissiedebat Digitale Inclusie van 24 juni jongstleden toegezegd, informeert de staatssecretaris van BZK de Kamer voor 10 juli 2026 breder en uitvoeriger over zijn visie op de IDO’s, hun plek binnen overheidsbrede dienstverlening en het lokale netwerk.

IDO’s bieden burgers die dat nodig hebben laagdrempelige ondersteuning bij hun contact met de (digitale) overheid. De regie op de IDO’s is belegd bij gemeenten. Er zijn in het eerste kwartaal van dit jaar 848 IDO’s, waarvan 762 in een bibliotheek51. Nagenoeg alle 342 Nederlandse gemeenten beschikken over minimaal één IDO.

De staatssecretaris van BZK is beleidsmatig verantwoordelijk voor de uitvoering van de beleidsvisie Persoonlijk en Dichtbij52 en daarmee voor de IDO’s en hun plek in het lokale ecosysteem van publieke dienstverlening. De staatssecretaris van OCW is bij de beleidsvorming rondom de IDO’s betrokken vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van bibliotheken.

De financiering van de IDO’s verloopt via het gemeentefonds, in de vorm van de DU Overheidsbrede Dienstverlening. De omvang van het gemeentefonds groeit jaarlijks mee met de ontwikkeling het bruto binnenlands product, het zogenaamde accres. Dit accres is vrij besteedbaar en wordt niet aan specifieke taken en of DU’s toegerekend.

In het kader van de IDO-dienstverlening financiert het ministerie van BZK tevens de VNG, die gemeenten ondersteunt bij de invulling van hun regierol en is opdrachtgever van het landelijke ondersteuningsprogramma op het gebied van deskundigheidsbevordering, monitoring en marketing, dat wordt uitgevoerd door de KB, samen met de provinciale ondersteuningsinstellingen.

De staatssecretaris van BZK onderzoekt of op termijn een wettelijke verankering mogelijk is van de regierol van gemeenten bij het bieden van laagdrempelige en empathische ondersteuning, waaronder de dienstverlening zoals deze nu wordt geboden door de IDO’s53. De staatssecretaris van BZK voert hierover primair het gesprek met betrokken partijen. Bibliotheken worden ook betrokken bij dit gesprek, waarbij de staatssecretaris van OCW ondersteunt vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van bibliotheken.

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie weten dat in de evaluatie van de Wsob, die de Tweede Kamer in 2020 ontving, beschreven is dat bibliotheken hun maatschappelijke functies hebben verbreed maar dat tegelijkertijd het aantal fysieke vestigingen is afgenomen. Deze leden snappen dat dit spanning oplevert voor de toegankelijkheid van bibliotheekvoorzieningen en onderstrepen daarbij het belang dat voor alle inwoners een laagdrempelige toegang tot een volwaardige bibliotheek gewaarborgd blijft. De leden vragen de regering wat de onderhavige wetswijziging concreet betekent voor het aantal fysieke bibliotheekvoorzieningen.

Het wetsvoorstel heeft betrekking op een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand toegankelijk is voor inwoners en niet op fysieke bibliotheekvoorzieningen in de vorm van bibliotheekvestigingen. Het wetsvoorstel zet daarbij de vijf bibliotheekfuncties uit artikel 5 van de Wsob en het hebben van een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting centraal en maakt het beschikken over een vestiging daaraan ondergeschikt. Met het begrip ‘redelijke afstand’ brengt de regering tot uitdrukking dat de spreiding en toegankelijkheid van bibliotheekvoorzieningen belangrijker is dan het aantal fysieke vestigingen. Met deze aanpassing heeft de regering gehoor gegeven aan de wensen van onder andere de VNG en de VOB, die in de internetconsultatie over het wetsvoorstel pleitten voor meer mogelijkheden voor een kwalitatieve invulling van de zorgplicht.

Het wetsvoorstel heeft dus niet rechtstreeks tot doel om het aantal fysieke bibliotheekvoorzieningen54 te beïnvloeden. Echter, de plicht om te voorzien in ten minste één voorziening met de vijf bibliotheekfuncties, een fysieke collectie en een professionele personeelsbezetting, zal in de gemeenten die hier nog niet aan voldoen veelal de vorm krijgen van een bibliotheekvestiging. In combinatie met de investeringen via de specifieke uitkeringen van de afgelopen jaren verwacht de regering dan ook dat het aantal fysieke bibliotheekvoorzieningen de komende jaren zal toenemen.

Deze leden van de VVD-fractie hebben tevens in de evaluatie gelezen dat het aantal gebruikers van de digitale bibliotheek en het aantal uitleningen fors is toegenomen. Deze leden vragen de regering hoe zij de balans ziet tussen enerzijds het waarborgen van fysieke aanwezigheid en anderzijds de ontwikkeling van digitale bibliotheekdiensten.

Een klantvriendelijke digitale bibliotheek met een relevant aanbod is een onlosmakelijk onderdeel van de openbare bibliotheek. Echter, digitaal aanbod vormt geen alternatief voor de fysieke aanwezigheid van de bibliotheek, bijvoorbeeld in het licht van de vijf functies uit artikel 5 van de Wsob, die niet geheel via een digitale voorziening vervuld kunnen worden. Het doel van elke bibliotheek is het bieden van een integraal en gebruiksvriendelijk fysiek én digitaal aanbod voor de gebruiker. Dit doel wordt onder meer bereikt door voor alle inwoners van Nederland de fysieke aanwezigheid van de bibliotheek binnen redelijke afstand te waarborgen én digitale bibliotheekdiensten te ontwikkelen en aan te bieden.

De leden vragen de regering in hoeverre zij van mening is dat digitale voorzieningen een volwaardig alternatief kunnen vormen voor fysieke aanwezigheid, met name in dunnerbevolkte gebieden.

Een klantvriendelijke digitale bibliotheek met relevante content is een onlosmakelijk onderdeel van de bibliotheek. Digitaal aanbod kan echter geen volwaardig alternatief vormen voor de fysieke aanwezigheid van de bibliotheek, ook niet in dunner bevolkte gebieden, omdat niet alle bibliotheekfuncties digitaal voldoende tot uitdrukking kunnen komen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de functie van ontmoeting en debat. De zorgplicht brengt dit ook tot uitdrukking door, naast het voorzien in de vijf bibliotheekfuncties en professionele personeelsbezetting, de beschikking over een fysieke collectie verplicht te stellen voor ten minste één bibliotheekvoorziening.

Hoe verhoudt dit zich tot de wijziging van de Wsob en de vereiste dat er binnen redelijke afstand toegang is tot een volwaardige bibliotheek, zo vragen deze leden.

Bibliotheekorganisaties bieden fysieke én digitale voorzieningen aan. Het doel is een integraal en gebruiksvriendelijk fysiek en digitaal aanbod voor de gebruiker. Dit doel wordt bereikt door voor alle inwoners van Nederland binnen redelijke afstand een fysiek aanbod van bibliotheekvoorzieningen te waarborgen én digitale bibliotheekdiensten te ontwikkelen en aan te bieden. Beide onderdelen, zowel fysiek als digitaal, zijn daarbij van belang.

De leden de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht bij gemeenten, openbare lichamen en provincies legt. Deze leden vinden dit een verstandig voorstel. Hoe denkt de regering over een meer generieke omschrijving van de zorgplicht die rekening houdt met de lokale omstandigheden, zoals de geografische structuur en de bevolkingssamenstelling en -spreiding, zoals de VOB bepleitte?

De regering is het eens met de strekking van de inbreng van de VOB en heeft de zorgplicht in het wetsvoorstel, mede naar aanleiding van deze inbreng, aangepast naar een meer kwalitatieve plicht. Gemeenten en openbare lichamen moeten daarbij voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand toegankelijk is. Wat een redelijke afstand is, is afhankelijk van de lokale context. In het concept-Besluit openbare bibliotheekvoorzieningen, dat in het voorjaar van 2026 in internetconsultatie is geweest,55 worden kenmerken genoemd, waar gemeenten en openbare lichamen zich rekenschap van moeten geven bij het geven van invulling aan de zorgplicht. Deze criteria houden verband met demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen en zien, bijvoorbeeld, op het oppervlak van en de leeftijdsopbouw in gemeenten en het opleidingsniveau van de inwoners van openbare lichamen. Daarnaast houden enkele criteria ook verband met sociaal-maatschappelijke factoren, zoals de bijdrage van de bibliotheek aan de lokale maatschappelijke opgaven. De regering is van mening dat hiermee voldoende rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden in de gemeente of het openbare lichaam.

De leden begrijpen dat het de voorkeur verdient om een bibliobus te laten rijden zolang het alternatief helemaal geen bibliotheekvoorziening is. Toch vrezen zij dat “een bibliotheekvoorziening” de zorgplicht te vaag maakt en zij menen dat een fysieke bibliotheekvestiging waar ook maar mogelijk de voorkeur verdient. Deelt de regering deze voorkeur?

De zorgplicht betekent dat gemeenten een toegankelijk aanbod aan bibliotheekvoorzieningen moeten bieden, waaronder ten minste één bibliotheekvoorziening die de vijf wettelijke bibliotheekfuncties vervult en die een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting heeft. De regering deelt in algemene zin de voorkeur van de leden voor een fysieke bibliotheekvestiging, omdat zo de vijf bibliotheekfuncties, waaronder ontmoeting en debat, beter in combinatie met elkaar en de collectie vorm kunnen krijgen. In verreweg de meeste gemeenten en openbare lichamen zal de betreffende bibliotheekvoorziening ook de vorm hebben van een fysieke bibliotheekvestiging. In een zeer beperkt aantal specifieke gevallen ligt de keuze voor een bibliobus meer voor de hand dan een fysieke vestiging, bijvoorbeeld omdat woonkernen binnen een gemeente te ver uit elkaar liggen om één vestiging te rechtvaardigen. Een bibliobus kan dus met name in landelijke gebieden uitkomst bieden. In die gevallen wil de regering gemeenten de ruimte bieden voor maatwerk dat passend is bij de lokale context, wat kan betekenen dat gemeenten de voorkeur geven aan een bibliobus.

2.1 Wijziging Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

De leden van de D66-fractie constateren dat het wetsvoorstel de huidige bevorderingstaak van gemeenten omzet in een wettelijke zorgplicht, waarbij gemeenten moeten zorgen voor een toegankelijk aanbod van bibliotheekvoorzieningen binnen redelijke afstand. Deze leden onderschrijven het belang van een lokale bibliotheek maar vragen hoe wordt gewaarborgd dat de zorgplicht daadwerkelijk leidt tot verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van bibliotheekvoorzieningen. In hoeverre biedt de norm “redelijke afstand” duidelijke richtlijnen, gezien de grote verschillen tussen stedelijke en landelijke gebieden?

Of een afstand redelijk is, hangt af van de lokale context. De zorgplicht, en daarmee ook de invulling van de norm ‘redelijke afstand’, is daarmee grotendeels kwalitatief van aard. Gemeenten en openbare lichamen moeten in hun meerjarenplan voor het bibliotheekbeleid uitleggen hoe zij bij het invulling geven aan de zorgplicht rekening houden met de lokale context: demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen (waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners) en sociaal-maatschappelijke factoren. Om hier ruimte voor te bieden is er in de wet bewust niet gekozen voor een kwantitatieve invulling van het begrip ‘redelijke afstand’.

Voor een gemeente met veel kleine kernen en een beperkt aantal inwoners kan, bijvoorbeeld, gekozen worden voor een bibliotheekvoorziening in één of twee kernen, waar ook andere voorzieningen geconcentreerd zijn en inwoners gewend zijn naartoe te reizen. De fysieke afstand tot een bibliotheekvoorziening is in dergelijke gemeenten mogelijk groter dan in een grote stad, waar meer mensen op een kleiner oppervlak leven en het een passende keuze kan zijn om naast de hoofdvestiging meerdere bibliotheekvoorzieningen op wijkniveau in te richten vanwege het grotere aantal inwoners.

Wordt hierbij ook gekeken naar (openbare) vervoersmogelijkheden?

(Openbare) vervoersmogelijkheden spelen een rol in de bereikbaarheid van bibliotheekvoorzieningen. Hoe daarmee wordt omgegaan is een keuze van gemeenten en openbare lichamen. In het meerjarenplan lichten gemeenten en openbare lichamen toe hoe bij het invulling geven aan de zorgplicht rekening is gehouden met de bereikbaarheid. (Openbare) vervoersmogelijkheden kunnen hier een onderdeel van zijn.

De leden van de D66-fractie lezen dat het IPO signaleert dat het toezicht houden op het naleven van de zorgplicht zich beperkt tot de vraag of gemeenten de wettelijk verplichte onderdelen opnemen in het meerjarenplan. Waarom is ervoor gekozen om niet op de inhoudelijke kwaliteit van de gemaakte beleidskeuzes toezicht te houden?

De regering acht het van belang dat gemeenten en openbare lichamen ruimte krijgen om de zorgplicht in te vullen op een manier die passend is bij de lokale context. De wet verplicht het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, om de daarbij gemaakte afwegingen inzichtelijk te maken in het meerjarenplan. Het legt over deze afwegingen in de eerste plaats verantwoording af aan de gemeenteraad, onderscheidenlijk aan de eilandsraad. De regering vindt in deze context dat toezicht op de gemaakte beleidskeuzes niet passend is. Voor het toezicht is aangesloten bij het generieke interbestuurlijk toezicht, zoals vastgelegd in de Gemeentewet en de Provinciewet. Dit toezicht is risicogericht en is in beginsel geen instrument om de kwaliteit van de taakuitvoering van gemeenten te verbeteren.56

Deze leden begrijpen ook dat het IPO pleit voor een verplichting voor gemeenten om het meerjarenplan actief en binnen een bepaalde termijn toe te zenden aan de provincie. Heeft de regering dit overwogen, zo ja, waarom is dit niet wettelijk vastgelegd?

De wens van de provincies om het meerjarenplan van de gemeenten toegezonden te krijgen is de regering bekend. Eerder heeft de regering deze verplichting niet in het wetsvoorstel opgenomen, onder andere vanuit het streven om de regeldruk voor gemeenten en de openbare lichamen te beperken. De keerzijde daarvan is echter dat de uitvoeringslasten voor gedeputeerde staten en de Rijksvertegenwoordiger toenemen. Mede naar aanleiding van deze vraag heeft de regering dit heroverwogen, en is in de nota van wijziging voorzien in een verplichting tot toezending van het meerjarenplan aan gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de Rijksvertegenwoordiger.

De leden van de D66-fractie zijn positief over de introductie van een wettelijke taak voor bibliotheken om lezen in het onderwijs te bevorderen. In hoeverre worden kinderopvang, mbo en andere onderwijssectoren voldoende meegenomen in deze aanpak?

Met de structurele middelen voor leesbevordering kunnen bibliotheken onderwijsinstellingen adviseren bij leesondersteuning. Dit kunnen bibliotheken doen voor het funderend onderwijs, maar ook voor het mbo en de pabo. De wettelijke taak heeft uitsluitend betrekking op leesbevordering bij onderwijsinstellingen, maar het voornemen is om daarbij in de subsidieregeling mogelijk te maken dat de subsidie die aan bibliotheken zal worden verstrekt, ook kan worden benut om kinderopvangaanbieders te adviseren over leesbevordering.

Deze leden vragen voorts hoe volgens de regering een volwaardige bibliotheekvoorziening op iedere school eruitziet. Welke rol ziet de regering daarin voor scholen? En voor bibliotheken?

Over ‘een volwaardige bibliotheekvoorziening op school’ bestaan uiteenlopende definities. Scholen en bibliotheken bepalen zelf hoe zij invulling geven aan een bibliotheekvoorziening op school. Wel zijn er bepaalde richtlijnen die geraadpleegd kunnen worden wanneer een bibliotheekvoorziening op school wordt ingericht. Zo zijn er de bouwstenen van de aanpak ‘de Bibliotheek op school’57 en werken de bibliotheekbranche en Stichting Lezen aan een Kwaliteitskompas voor bibliotheken op school.58

In de kamerbrief Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden59 wordt in lijn met de motie Moorman c.s.60 ingegaan op de vraag op welke manier elke school kan beschikken over een toegankelijke bibliotheekvoorziening en deskundige begeleiding. Inmiddels heeft uw Kamer ook de motie Biekman c.s.61 aangenomen over het verplicht stellen van een bibliotheek op alle instellingen binnen het funderend onderwijs.

Van 2023 tot en met 2026 is € 74 miljoen geïnvesteerd in de Bibliotheek op school.

De samenwerking tussen bibliotheken en scholen op het gebied van leesbevordering krijgt een extra impuls door de nieuwe kerndoelen die een rijke leesomgeving verplichten. Ook dit wetsvoorstel draagt hieraan bij. Hierin is opgenomen dat bibliotheken tot taak hebben onderwijsinstellingen te ondersteunen bij leesbevordering. Voor bibliotheken is hiervoor in 2027 een budget van € 19 miljoen beschikbaar, vanaf 2028 gaat het om € 25 miljoen per jaar. Ook scholen krijgen geld. De structurele bekostiging voor de basisvaardigheden van minimaal € 206 per leerling kunnen zij onder andere besteden aan het inrichten of onderhouden van een schoolbibliotheek. Op basis van dit maatregelenpakket verwacht de regering dat iedere school over drie jaar een bibliotheekvoorziening heeft. Via monitoring zal worden gevolgd of dit zich volgens verwachting ontwikkelt.

De leden van de D66-fractie lezen dat er specifieke uitdagingen in landelijk gebieden zijn zoals grotere afstanden, beperkter openbaar vervoer, vergrijzing en lagere gemiddelde opleidingsniveaus. Hoe wordt gewaarborgd dat mobiele en hybride vormen van dienstverlening als volwaardige invulling van de zorgplicht worden gezien?

Volgens het wetsvoorstel houdt de gemeente dan wel het openbare lichaam, als onderdeel van een aanbod aan bibliotheekvoorzieningen dat als geheel toegankelijk is, ten minste één bibliotheekvoorziening in stand die de vijf bibliotheekfuncties vervult en beschikt over een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting. Het wetsvoorstel spreekt daarbij uitdrukkelijk niet van een bibliotheekvestiging; dit biedt ruimte om, in specifieke gevallen, ook het in stand houden van mobiele en hybride bibliotheekvoorzieningen te zien als volwaardige invulling van de zorgplicht.

Een bibliobus kan, bijvoorbeeld, in landelijke gebieden uitkomst bieden, wanneer woonkernen binnen een gemeente te ver uit elkaar liggen om één vestiging te rechtvaardigen. In dergelijke bijzondere gevallen wil de regering gemeenten de ruimte bieden voor maatwerk dat passend is bij de lokale context, wat kan betekenen dat gemeenten de voorkeur geven aan een vorm van mobiele dienstverlening.

Lokale overheden kunnen met een bibliobus aan de zorgplicht voldoen, op voorwaarde dat met de bibliobussen een aanbod aan bibliotheekvoorzieningen wordt geboden dat binnen redelijke afstand toegankelijk is, met ten minste één voorziening die voorziet in de vijf bibliotheekfuncties, beschikt over een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting. Alle gemeenten en openbare lichamen moeten in hun meerjarenplan toelichten hoe zij de zorgplicht invullen, ook als mobiele of hybride dienstverlening hiervoor de basis vormt. De provincies houden toezicht op de uitvoering van de zorgplicht.

Welke moeilijkheden kunnen ontstaan voor de verdelingssystematiek op basis van inwoneraantal?

De regering heeft bij het vormgeven van de verdelingssystematiek gekozen voor een structurele bijdrage van € 2,90 per inwoner.62 Wanneer men enkel deze maatstaf zou aanhouden, zouden kleine gemeenten zonder bibliotheekvoorziening te weinig middelen tot hun beschikking kunnen hebben om te kunnen voldoen aan de zorgplicht. Dat vindt de regering onwenselijk. Om te voorkomen dat er moeilijkheden ontstaan is gekozen voor een minimumuitkering van € 100.000 per gemeente per jaar.63 Het minimumbedrag waarborgt dat ook gemeenten met een kleiner inwoneraantal voldoende middelen ontvangen om de zorgplicht afdoende te kunnen invullen, dat wil zeggen: voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat binnen redelijke afstand toegankelijk is en het in stand houden van ten minste een bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties vervult en beschikt over een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting. Aanvullende financiering vanuit de gemeente kan wenselijk zijn om de meerwaarde en impact van de bibliotheek te vergroten.

De leden van de VVD-fractie steunen het uitgangspunt van een zorgplicht voor gemeenten om de toegankelijkheid van bibliotheekvoorzieningen te waarborgen. Deze leden vinden het positief dat er naar aanleiding van consultatie is gekozen voor een meer flexibele formulering waarbij wordt uitgegaan van een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, in plaats van te focussen op één specifieke vestiging. De leden vragen zich daarbij af hoe wordt geborgd dat gemeenten daadwerkelijk invulling geven aan deze zorgplicht.

De zorgplicht betreft, naast een toegankelijk aanbod van bibliotheekvoorzieningen, ten minste één bibliotheekvoorziening die de vijf wettelijke bibliotheekfuncties vervult en een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting heeft. In het meerjarenplan lichten gemeenten en openbare lichamen toe hoe zij invulling geven aan de zorgplicht en hoe zij bij deze invulling rekening houden met de lokale context: demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen (waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners) plus sociaal-maatschappelijke factoren.

Om te zorgen dat gemeenten en openbare lichamen aan de zorgplicht voldoen, is het toezicht op de uitvoering daarvan belegd bij de provincie dan wel de Rijksvertegenwoordiger.

Hoe verhoudt dat zich tot de beleidsvrijheid die gemeenten hebben en houden, zo vragen zij.

Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel. Gemeenten hebben beleidsvrijheid; zij bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid en besluiten zelf over de besteding van de middelen. De regering ziet dit als een belangrijk uitgangspunt. Wat betreft de invulling van de zorgplicht uit het wetsvoorstel zullen gemeenten moeten voldoen aan de vereisten uit de Wsob. De provincie houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. Het toezicht van de provincie is risicogericht en is in beginsel geen instrument om de kwaliteit van de taakuitvoering van gemeenten te verbeteren64. Zolang gemeenten voldoen aan de vereisten uit de Wsob hebben en houden zij dus beleidsvrijheid bij het maken van inhoudelijke keuzes over het bibliotheekbeleid en de invulling van de zorgplicht in de lokale context.

Kan de regering toelichten hoe zij voorkomt dat gemeenten gaan volstaan met een minimale invulling van de zorgplicht?

Met het oog op gemeenten waar nog geen sprake is van een volwaardige bibliotheekvoorziening heeft de regering ervoor gekozen de vereisten in de wet als minimale vereisten vorm te geven. Vereist is echter ook dat gemeenten een aanbod van bibliotheekvoorzieningen in stand houden dat als geheel binnen redelijke afstand toegankelijk is. Gemeenten moeten in het meerjarenplan toelichten dat het aanbod van bibliotheekvoorzieningen op redelijke afstand toegankelijk is, gelet op de lokale context, waarmee wordt gedoeld op demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen (waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners) plus sociaal-maatschappelijke factoren. Voor de meeste gemeenten zal aan de hand van die criteria gelden dat één bibliotheekvoorziening niet genoeg is om daadwerkelijk te voldoen aan de zorgplicht. De streefwaarden voor de bibliotheek in de handreiking voor gemeenten die de VNG naar aanleiding van dit wetsvoorstel ontwikkelt, bieden een handvat voor een passende invulling.

Kan zij daarbij ook nader reflecteren op de consequenties voor gemeenten die nu nog geen bibliotheekvoorziening hebben?

Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob65 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten. Albrandswaard, Alphen-Chaam, Lopik en Oostzaan hebben financiering in de vorm van een specifieke uitkering ontvangen voor het tot stand brengen van een volwaardige bibliotheekvestiging. Gemeenten hebben tot het einde van 2026 tijd voor de uitvoering hiervan. Mook en Middelaar en Uitgeest hebben geen eigen bibliotheek maar zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten. De verwachting is dat deze gemeenten ook in staat zullen zijn om aan de zorgplicht uit het wetsvoorstel te gaan voldoen.

Drie andere gemeenten zonder volwaardige eigen bibliotheekvoorziening hebben al samenwerkingsafspraken met buurgemeenten en twee gemeenten hebben geen bibliotheekvestiging maar wel een bibliobus; daarmee kunnen al deze gemeenten, net als de gemeenten met een of meerdere vestigingen, aan de zorgplicht gaan voldoen. Daarom zijn deze gemeenten bij de beantwoording van deze vraag buiten beschouwing gelaten.

Wanneer alle aanvragen uit de Regeling eenmalige specifieke uitkering en subsidie toekomstbestendige lokale bibliotheekvoorzieningen (Specifieke uitkering) en afspraken tussen buurgemeenten worden gerealiseerd, kunnen alle gemeenten hun inwoners toegang bieden tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen zoals bedoeld in het voorgestelde artikel 6 van de Wsob. Het is daarbij aan de gemeenten om invulling te geven aan de zorgplicht en toe te lichten hoe zij dit doen in het meerjarenplan. Het is aan de provincie om toe te zien op de naleving van deze zorgplicht.

De leden van de VVD-fractie weten dat er lokale en regionale verschillen bestaan tussen gemeenten. Daarbij zorgen verschillen in bijvoorbeeld bevolkingssamenstelling ook voor verschillen in de organisatie en het gebruik van bibliotheekvoorzieningen. Deze leden constateren dat er in stedelijke gebieden vaker sprake is van een beter georganiseerd netwerk van voorzieningen, waar dat in kleinere regio’s dan wel het landelijk gebied niet altijd het geval is. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten hoe wordt omgegaan met verschillen tussen gemeenten.

De regering houdt in het wetsvoorstel rekening met verschillen tussen gemeenten door zoveel mogelijk ruimte te geven aan lokaal maatwerk. Hierbij is geluisterd naar de reacties op de het wetsvoorstel uit de internetconsultatie. Dit is terug te zien in een meer kwalitatieve benadering van de zorgplicht: het begrip ‘bibliotheekvestiging' is aangepast naar het ruimere begrip 'bibliotheekvoorziening' en kwantitatieve eisen zoals een uren-norm zijn weggelaten. Gemeenten kunnen door deze wijzigingen in het wetsvoorstel keuzes maken die passen bij hun lokale situatie. Zo kunnen bijvoorbeeld gemeenten in dichtbevolkte, stedelijke gebieden een andere redelijke afstand hanteren dan gemeenten in dunbevolkte, landelijke gebieden. En voor landelijke, uitgestrekte gebieden kan in sommige gevallen een mobiele bibliotheekvoorziening, zoals een bibliobus, een passende optie zijn. De ruimte voor lokaal maatwerk heeft tot positieve reacties geleid van zowel kleine gemeenten met veel kleine kernen in landelijke gebieden als van grote steden met heel diverse wijken en stedelijke infrastructuur.

Zij vragen de regering op welke wijze maatwerk mogelijk wordt gemaakt, terwijl tegelijkertijd de ondergrens wordt gegarandeerd die voortvloeit vanuit de zorgplicht.

De regering maakt maatwerk mogelijk door te kiezen voor een kwalitatieve invulling van de zorgplicht. De gemeente dan wel het openbare lichaam moet voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand toegankelijk is, waarvan ten minste één bibliotheekvoorziening de vijf bibliotheekfuncties vervult, een fysieke collectie en een professionele personeelsbezetting heeft. Dat is een ondergrens, maar deze laat wel ruimte voor een invulling die past bij de lokale context van de gemeente of het openbare lichaam. Bijvoorbeeld in de keuze voor een of meerdere bibliotheekvestigingen of (de combinatie met) een mobiele bibliotheekvoorzieningen, zoals de bibliobus. Keuzes die de gemeente dan wel het openbare lichaam maakt bij de invulling van de zorgplicht worden onderbouwd in het meerjarenplan. Daarbij kunnen gemeenten en openbare lichamen toelichten hoe zij rekening houden met de lokale context.

De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat publieke middelen doelmatig, transparant en aantoonbaar worden ingezet voor de uitvoering van wettelijke taken. Deze leden vinden het van belang dat extra middelen die aan gemeenten worden toegekend daadwerkelijk ten goede komen aan de versterking van de bibliotheekvoorzieningen en niet opgaan aan overhead, adviestrajecten of andere indirecte kosten. Genoemde leden vragen daarom op welke wijze wordt geborgd dat deze middelen ook daadwerkelijk worden ingezet voor de uitvoering van de zorgplicht voor bibliotheken.

Gemeenten hebben beleidsvrijheid voor de inhoud van het bibliotheekbeleid en de besteding van de middelen. In hun meerjarenplan moeten zij toelichten hoe zij uitvoering geven aan de zorgplicht. Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, zullen gemeenten ook middelen aan de uitvoering daarvan moeten besteden. Daarbij moeten gemeenten in het meerjarenplan toelichten dat het aanbod van bibliotheekvoorzieningen op redelijke afstand bereikbaar is, gelet op de lokale context. Ook wordt in het meerjarenplan een begroting opgenomen, waarmee de gemeente laat zien welke middelen zij aan de uitvoering van de zorgplicht wil gaan besteden. Colleges leggen aan hun gemeenteraden verantwoording af over hun keuzes en beleid.

Hoe wordt voorkomen dat middelen opgaan aan andere prioriteiten en op welke wijze kan achteraf worden gecontroleerd of de extra middelen daadwerkelijk hebben geleid tot een versterking van het bibliotheekstelsel?

Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel. Gemeenten hebben beleidsvrijheid; zij bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid. De middelen die gemeenten ontvangen vanuit het gemeentefonds zijn daarbij vrij besteedbaar. De regering ziet deze bestedingsvrijheid als een belangrijk uitgangspunt.

Om te verzekeren dat gemeenten in de bibliotheek (blijven) investeren, introduceert dit wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht. Bij de invulling van de zorgplicht uit het wetsvoorstel zullen gemeenten moeten voldoen aan de vereisten uit de Wsob. Zolang dat het geval is, hebben en houden gemeenten beleidsvrijheid bij het maken van inhoudelijke keuzes over het bibliotheekbeleid en de invulling van de zorgplicht in de lokale context. De regering acht dit ook wenselijk, omdat daarmee kan worden aangesloten bij de behoeftes en wensen die leven in een gemeente. De provincie houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. Daarmee wordt geborgd dat alle gemeenten uitvoering geven aan de zorgplicht en daarmee in de bibliotheek investeren.

Het doel van dit wetsvoorstel is dat het bibliotheekstelsel wordt verstevigd. Met behulp van de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob66 en jaarlijkse bestuurlijke overleggen wordt gemonitord of de sector hierin koers houdt; de gemeentelijke budgetten zijn hierin een factor van belang. Bij de wetsevaluatie na vijf jaar zal worden onderzocht of en hoe gemeenten aan hun wettelijke zorgplicht voldoen en hoe het bibliotheekstelsel met de gewijzigde wet functioneert, ook in relatie tot het behaalde bereik en gebruik.

De leden van de VVD-fractie hechten zeer aan een goede ontwikkeling van basisvaardigheden, waaronder lezen. Zij zien daarbij de meerwaarde van de rol van de bibliotheek in leeseducatie. Deze leden kijken daarom met belangstelling naar de structurele verankering van de samenwerking tussen bibliotheken en het onderwijs. Zeker mede in het licht van de teruglopende leesvaardigheid onder jongeren.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de samenwerking tussen bibliotheken en scholen de afgelopen jaren is geïntensiveerd, onder meer via programma’s zoals dBos. Deze leden waarderen deze ontwikkeling omdat deze volgens deze leden bijdraagt aan het bereiken van kinderen en jongeren op een laagdrempelige manier en het versterken van hun taalvaardigheid en leesmotivatie. Tegelijkertijd constateren zij dat deze samenwerking tot nu toe vaak afhankelijk was van tijdelijke projecten en financiering. Zij zijn om die reden positief over de aangekondigde structurele financiering.

Daarbij vragen de leden van de VVD-fractie of en hoe de effectiviteit van deze samenwerking wordt gemeten.

Via jaarlijkse Gegevenslevering Wsob wordt bijgehouden met welke scholen en kinderopvangorganisaties de bibliotheken samenwerken; hieruit kan ook informatie over het bereik en gebruik van de activiteiten van bibliotheken op het gebied van leesbevordering worden afgeleid. Het voornemen is om de nieuwe subsidieregeling die hiervoor bedoeld is te richten op de adviestaak van bibliotheken op het gebied van leesbevordering, via de aanstelling en scholing van leesmediaconsulenten.

De Gegevenslevering Wsob is een bestaand instrument dat zal worden gecontinueerd. Daaraan wordt toegevoegd hoeveel gekwalificeerde leesmediaconsulenten in dienst van de bibliotheken zijn.

Daarnaast vragen deze leden hoe wordt geborgd dat de samenwerking tussen scholen en bibliotheken daadwerkelijk tot stand komt en structureel wordt voortgezet.

De regering stimuleert de gewenste samenwerking zowel via de scholen als via bibliotheken. Dankzij de nieuwe wettelijke taak en de structurele middelen wordt het voor bibliotheken mogelijk om hun adviserende rol ten aanzien van leesbevordering duurzaam in te richten. Scholen krijgen vanaf 2027 eveneens structureel geld voor de basisvaardigheden die zij onder andere kunnen inzetten voor leesbevordering, en scholen moeten volgens de vernieuwde kerndoelen Nederlands zorgen voor een rijke leesomgeving. Ook vanuit het implementatieplan voor dit wetsvoorstel wordt ingezet op het verstevigen van de samenwerking tussen bibliotheken en scholen.

Zoals de leden van de VVD-fractie eerder al aangaven, zien zij de bibliotheek al lang niet meer als slechts een plek waar je boeken kunt lenen, maar ook als een belangrijke laagdrempelige voorziening waar inwoners terechtkunnen voor ondersteuning bij bijvoorbeeld digitale vaardigheden. Deze leden onderschrijven het belang van deze ontwikkeling, zeker voor groepen die moeite hebben om mee te komen in de digitale samenleving, zoals (sommige) ouderen. Deze leden vragen wat nodig is om de rol van bibliotheken bij het versterken van digitale vaardigheden van ouderen verder te vergroten.

Om de rol van bibliotheken bij het versterken van digitale vaardigheden van ouderen te vergroten, kunnen de bibliotheken de samenwerking met andere organisaties en locaties waar ouderen gebruik van maken verder intensiveren, en activiteiten nog beter op elkaar afstemmen. Veel bibliotheken doen dit al. Dit krijgt vaak gestalte door dienstverlening van de bibliotheek ook op andere locaties aan te bieden, waar ouderen komen, en door te zorgen dat andere organisaties, zoals de ouderenzorg, naar de bibliotheek doorverwijzen in geval van vragen over digitale geletterdheid.

De regering beoogt met het wetsvoorstel op verschillende manieren te borgen en stimuleren dat partijen in én buiten het bibliotheekstelsel elkaar opzoeken en van elkaar leren. In het meerjarenplan beschrijven gemeenten en openbare lichamen, bijvoorbeeld, hoe bibliotheken vanuit het netwerk samenwerken met andere organisaties. Gemeenten en openbare lichamen betrekken de lokale bibliotheken bij het opstellen van dit plan, waarmee de samenhang tussen het werk van de bibliotheek en de andere partijen in de gemeente wordt gestimuleerd en gewaarborgd.

Welke belemmeringen worden momenteel ervaren en welke aanvullende maatregelen acht de regering wenselijk?

Een belangrijke belemmering die momenteel wordt ervaren, heeft betrekking op het bereik van de bibliotheek: niet iedereen weet de bibliotheek te vinden.67 Om het bereik van de bibliotheek te vergroten en verbreden is bundeling van krachten van belang, bijvoorbeeld door dienstverlening ook op andere locaties aan te bieden en door te zorgen dat andere organisaties naar de bibliotheek doorverwijzen. Vaak gebeurt dit al: spreekuren en andere activiteiten krijgen ook buiten de bibliotheek vorm en vervullen tevens een signalerings- en verwijsfunctie naar trainingen en cursussen van bibliotheken voor volwassenen op het gebied van digitale geletterdheid. Bibliotheken werken ook meer en meer samen met organisaties binnen bijvoorbeeld het onderwijs, het sociaal domein en de ouderenzorg, zodat waar nodig onderling kan worden doorverwezen. Door deze samenwerkingen met andere organisaties en locaties te intensiveren, en activiteiten nog beter op elkaar af te stemmen, kan het bereik verder worden vergroot en verbreed. De KB, de VOB en POI’s ondersteunen bibliotheken hierbij met kennisdeling.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe de toegang tot de dienstverlening van bibliotheken kan worden vergroot om het bereik op het gebied van digitale geletterdheid te vergroten. Welke mogelijkheden ziet de regering om meer mensen te bereiken die nu nog niet of nauwelijks gebruikmaken van deze voorzieningen?

Digitale geletterdheid omvat alle vaardigheden en het kritisch bewustzijn om in de digitale samenleving goed mee te kunnen doen. Het vergroten van digitale geletterdheid en digitale inclusie is een opgave waar veel partijen aan werken; ook bibliotheken dragen hieraan bij, bijvoorbeeld via cursussen en trainingen, met inloopspreekuren en de Informatiepunten Digitale Overheid. In hun publieksprogrammering besteden bibliotheken in toenemende mate aandacht aan thema’s zoals AI-geletterdheid, ethiek en online veiligheid. Digitale geletterdheid speelt ook een (bescheiden) rol in het programma de Bibliotheek op School, waar veel bibliotheken aan meedoen.
Voor kinderen is het aanbod van de bibliotheek gratis, voor volwassenen met beperkte basisvaardigheden bieden bibliotheken tegen zo laag mogelijke kosten cursussen en trainingen aan, met als doel om financiële drempels, waar mogelijk, weg te nemen.
Niet iedereen maakt gebruik van het aanbod van de bibliotheek. Om het bereik van de ondersteuning van de bibliotheek te vergroten en verbreden is bundeling van krachten van belang, bijvoorbeeld door dienstverlening ook op andere locaties aan te bieden en door te zorgen dat andere organisaties naar de bibliotheek doorverwijzen. Vaak gebeurt dit al: spreekuren en andere activiteiten krijgen ook buiten de bibliotheek vorm en vervullen tevens een signalerings- en verwijsfunctie naar trainingen en cursussen van bibliotheken voor volwassenen op het gebied van digitale geletterdheid. Bibliotheken werken ook meer en meer samen met organisaties binnen bijvoorbeeld het onderwijs, het sociaal domein en de ouderenzorg, zodat waar nodig onderling kan worden doorverwezen. Door deze samenwerkingen met andere organisaties en locaties te intensiveren, en activiteiten nog beter op elkaar af te stemmen, kan het bereik verder worden vergroot en verbreed.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat gemeenten en openbare lichamen na overleg met de lokale bibliotheek een meerjarenplan moeten opstellen over de manier waarop ze de zorgplicht gestalte geven. Nadere eisen aan de inhoud van dit meerjarenplan komen te zijner tijd in een amvb. Nu begrijpen deze leden dat men in zo’n uitgestrekte gemeente als Súdwest-Fryslân met ruim 84.000 hectare, niet dezelfde bibliotheekvoorzieningen kan bieden als in Den Haag. Wat staat de regering echter voor ogen als het minimum dat men in elke gemeente – ongeacht de lokale omstandigheden – moet waarmaken?

Iedere gemeente en openbaar lichaam moet in het kader van de zorgplicht beschikken over een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand toegankelijk is. De concrete invulling van de zorgplicht is echter niet los te zien van de lokale omstandigheden vanwege de invulling van het begrip “redelijke afstand”. Om die reden heeft de regering voorgesteld dat in iedere gemeente ten minste één bibliotheekvoorziening in stand wordt gehouden die de vijf bibliotheekfuncties vervult, een fysieke collectie en een professionele personeelsbezetting heeft. Dat is, zoals beschreven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, een algemene ondergrens.

Krijgt de Kamer deze amvb nog voorgelegd via een voorhangprocedure?

Een voorhangprocedure voor het conceptbesluit is niet voorzien, aangezien het om een detailuitwerking gaat van de onderdelen in het meerjarenplan die reeds genoemd zijn in de memorie van toelichting. In het kader van de internetconsultatie die van 9 februari 2026 tot 27 maart 2026 gehouden is, is een eerste concept van het besluit gepubliceerd.68

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat provincies worden belast met interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van de zorgplicht. Hoe gaat dit toezicht eruit zien?

Zoals gebruikelijk in het generiek interbestuurlijk toezicht zijn de provincies zelf verantwoordelijk voor de invulling van het toezicht. De regels rondom het interbestuurlijk toezicht zijn vastgelegd in de Gemeentewet en Provinciewet. Het toezicht van de provincie is risicogericht en is in beginsel geen instrument om de kwaliteit van de taakuitvoering van gemeenten te verbeteren.69 Hoe de provincies het toezicht ten aanzien van de taken uit het wetsvoorstel precies willen gaan vormgeven, werken zij de komende periode verder uit in afstemming met gemeenten. Het ministerie van OCW zal financieel bijdragen aan een handreiking van IPO over het toezicht om de implementatie van deze nieuwe taak te vergemakkelijken.

In Caribisch Nederland komt dit toezicht te liggen bij de Rijksvertegenwoordiger. Wat wordt straks op de BES-eilanden het aanbod van de openbare bibliotheekvoorzieningen waarop de Rijksvertegenwoordiger de openbare lichamen mag afrekenen?

De zorgplicht voor Caribisch Nederland is hetzelfde als voor gemeenten in Europees Nederland, dat wil zeggen dat ieder openbaar lichaam voorziet in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is en ten minste één bibliotheekvoorziening met vijf bibliotheekfuncties, een fysieke collectie en een professionele personeelsbezetting. De Rijksvertegenwoordiger houdt toezicht op de naleving van de zorgplicht.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat ervoor de openbare bibliotheken incidenteel circa € 490 miljoen en structureel € 60 miljoen beschikbaar komt om de aangescherpte wettelijke taken uit te voeren en het bibliotheekstelsel duurzaam te versterken. Over hoeveel gemeenten waar nu nog een volwaardige bibliotheekvoorziening ontbreekt, gaat het geld worden verdeeld?

In de memorie van toelichting wordt met het op pagina 4 genoemde bedrag van circa € 490 miljoen euro gedoeld op het indicatieve totaalbedrag aan subsidies dat enkele jaren geleden (in 2022) voor bibliotheken beschikbaar was70. Het grootste deel van het genoemde bedrag heeft betrekking op de gemeentelijke bijdragen, maar ook overige subsidies, bijvoorbeeld van de provincies, maken hier deel van uit. De regering merkt op dat dit geen incidentele middelen zijn.

Aanvullend aan de middelen die al voor bibliotheken beschikbaar waren is nu een structurele, extra bijdrage vanuit het rijk beschikbaar van circa € 60 miljoen met het oog op de uitvoering van de zorgplicht. Deze € 60 miljoen wordt via het gemeentefonds verdeeld over alle gemeenten, via een verdeelsleutel van € 2,90 per inwoner en met een minimumbedrag van € 100.000 per gemeente.71 Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen gemeenten; alle zes gemeenten die nu nog geen volwaardige bibliotheekvoorziening hebben ontvangen dit geld dus ook.

De memorie van toelichting wijst op de grote diversiteit in het Nederlandse bibliotheeklandschap en stelt dat afhankelijk van de lokale situatie verbetering en doorontwikkeling op verschillende manieren gestalte kan krijgen. Deze leden zien echter ook waardevolle lokale initiatieven die ook in veel andere plaatsen waren mogelijk geweest. De leden denken bijvoorbeeld aan Harlingen, waar een lokale boekhandel tevens de toegang vormt tot de openbare bibliotheek en het gemeentemuseum het Hannemahuis, zodat een bibliotheekbezoek daar organisch samengaat met kennismaking met het lokale cultuurleven. Zij denken ook aan het initiatief Boekkracht in gemeente Utrecht, waarmee de bibliotheek de middelbare scholen en mbo-instellingen helpt om een schoolbibliotheek op te zetten. Welke mogelijkheden ziet de regering om ook bibliotheken elders te laten leren van zulke waardevolle initiatieven?

Lokale bibliotheken, POI’s en de KB werken als partners samen in het bibliotheeknetwerk.72 De regering ziet deze netwerksamenwerking tussen lokale, provinciale en landelijke bibliotheekorganisaties als een waardevol instrument om bibliotheken te laten leren van elkaars initiatieven en kennis te delen. Dit gebeurt onder andere via de samenwerkingsafspraken uit de netwerkagenda van KB, de VOB en SPN, die is opgesteld op basis van de doelen en ambities uit het Bibliotheekconvenant.73 Daarnaast wordt er jaarlijks een landelijk bibliotheekcongres georganiseerd en zijn er tal van regionale bijeenkomsten. Tot slot beheert de KB een digitaal bibliotheekplatform, Biebtobieb, waarop bibliotheken op een laagdrempelige manier digitaal ideeën, kennis en ervaringen delen.74

Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat in de memorie van toelichting het woord “boekhandel” in het geheel niet valt, terwijl lokale boekhandels toch ook een belangrijke factor vormen in de lokale leescultuur. Hoe ziet de regering de rol van boekhandels binnen het lokale leesecosysteem in het algemeen, en de samenwerking met openbare bibliotheken in het bijzonder?

Het wetsvoorstel heeft betrekking op het publieke domein van de bibliotheek. De boekhandel behoort tot het private, commerciële domein. Bibliotheken zijn – vrijwel altijd – stichtingen zonder winstoogmerk, de boekhandels zijn private ondernemingen met een commerciële doelstelling. Beide sectoren dragen op hun eigen manier bij aan de verspreiding van kennis en informatie en aan de leescultuur. In de lokale praktijk werken bibliotheken en boekhandels daarom in veel gevallen samen. Bijvoorbeeld bij evenementen als de Boekenweek. Op landelijk niveau werken meerdere organisaties samen aan leesbevordering in de Leescoalitie. Daarin participeren onder andere de collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek (CPNB), Stichting Lezen en het Nederlands Letterenfonds.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de regering uitvoering geeft aan de motie van het lid Mohandis c.s. over duurzame verankering van ‘de Bibliotheek op school’ met een wettelijke basis voor de specifieke rol van bibliotheken bij leesbevordering voor de schoolgaande jeugd en de bekostiging daarvan. 75 Hoeveel scholen zullen hiermee aan de slag gaan?

In het kader van het Masterplan basisvaardigheden is in de periode 2023-2026 al € 74 miljoen vrijgemaakt voor de samenwerking tussen bibliotheken, scholen en kinderopvang. Dankzij deze impulssubsidie is het aantal scholen en kinderopvangvoorzieningen dat structureel samen met de bibliotheek aan leesbevordering werkt sterk gegroeid. Het aantal po-scholen nam toe van 3.334 in 2023 naar 4.250 in 2025. Ook het aantal vo-scholen is toegenomen van 292 in 2023 naar 482 in 2025. Met de structurele financiering kunnen scholen en bibliotheken op deze basis voortbouwen.

Het voornemen is om de nieuwe subsidieregeling specifiek te richten op subsidiëring van de adviestaak van bibliotheken op het gebied van leesbevordering, via de aanstelling en scholing van leesmediaconsulenten. Met deze structurele middelen wordt het voor bibliotheken mogelijk om hun adviserende rol ten aanzien van leesbevordering duurzaam in te richten. Daarmee wordt ook de samenwerking met scholen gestimuleerd. Of deze samenwerking tot stand komt of wordt doorgezet, is ook een keuze van de school, die onder andere zal worden bepaald door de bekendheid en betrokkenheid van scholen met de bibliotheek, het vertrouwen in de aanpak van de bibliotheek, de behoeften van de school en de leerlingenpopulatie, en de bereidheid om te investeren in de gezamenlijke opgave.

De jaarlijkse Gegevenslevering Wsob biedt inzicht in de samenwerking van bibliotheken met de kinderopvang en het onderwijs. Hiermee wordt ook het bereik van bibliotheken bij scholen gemeten.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Kamer inmiddels ook de motie van het lid Moorman c.s. heeft aangenomen over een schoolbibliotheek op elke school.76 Met lede ogen lazen deze leden dat de structurele financiering van dBos niet toereikend is om alle scholen van een bibliotheek te voorzien, dat dit jaarlijks € 190 miljoen zou kosten en dat dit niet beschikbaar is op de Rijksbegroting.77 Toch erkende de minister dat zij een schoolbibliotheek ziet als een middel om een rijke leesomgeving in te richten, zodat alle leerlingen een gevarieerde, actuele collectie boeken onder handbereik hebben, maar het niettemin belangrijk vindt dat scholen hierin een eigen keuze hebben. Ziet de regering wat dit betreft dan enig licht tussen haar erkenning van de meerwaarde van schoolbibliotheken en de overwegingen in de motie van het lid Moorman c.s. dat toegang tot een actuele boekencollectie en deskundige begeleiding aantoonbaar bijdraagt aan de leesmotivatie en taalontwikkeling van leerlingen, maar dat het ontbreken van een schoolbibliotheek de kloof vergroot tussen leerlingen met en zonder toegang tot boeken thuis?

De regering ziet dat toegang tot een actuele boekencollectie en deskundige begeleiding aantoonbaar bijdraagt aan de leesmotivatie en taalontwikkeling van leerlingen. Scholen moeten met ingang van schooljaar 2026/2027 een rijke leesomgeving verzorgen. Een schoolbibliotheek is een van de bewezen effectieve middelen om dit te doen. Indien een school ervoor kiest om een schoolbibliotheek in te richten, dan kan de lokale bibliotheek de school hierbij ondersteunen. De bibliotheek adviseert de school dan over de inrichting en het onderhoud van de schoolbibliotheek. De regering financiert bibliotheken voor deze adviestaak en biedt ook scholen financiële ondersteuning als onderdeel van het bekostigingsinstrument basisvaardigheden78.

Naast de aanwezigheid van een bibliotheekvoorziening op school, zijn er andere maatregelen die de toegang tot boeken vergroten, zoals het gratis jeugdlidmaatschap tot en met 18 jaar. Bibliotheken zetten zich ook op andere manieren in om het bereik onder kinderen verder te vergroten en om drempels voor lidmaatschap te verlagen, bijvoorbeeld via voorlichting, campagnes en programma’s zoals BoekStart voor jonge ouders.

Op welke onderwijssector(en) legt zij de focus bij het realiseren van volwaardige schoolbibliotheekvoorzieningen?

De wettelijke taak in het wetsvoorstel betekent dat bibliotheken moeten bijdragen aan leesbevordering bij onderwijsinstellingen in het werkgebied. De regering laat daarbij de ruimte aan de bibliotheken om hierin eigen afwegingen te maken, passend bij hun werkgebied. Het voornemen is om de subsidie die voor deze taak zal worden verstrekt, te richten op het aanstellen van leesmediaconsulenten door de bibliotheek, zodat de bibliotheek onderwijsinstellingen en ook aanbieders van kinderopvangvoorzieningen kan adviseren over leesbevordering. Gemeenten zouden hieraan eventueel mede richting kunnen geven door de afspraken die gemaakt worden in het kader van het meerjarenplan.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben voorts vragen over de rol van bibliotheken in het bieden van ondersteuning bij digitalisering. Deze leden geloven dat de IDO’s een onmisbare maatschappelijke functie hebben, omdat mensen daar terecht kunnen met vragen over de digitale overheid. Tevens vervullen IDO’s een belangrijke rol in het verbeteren van digitale vaardigheden, wat bijdraagt aan de brede maatschappelijke opdracht van de bibliotheek.

Deze leden vragen de regering of zij samen met bibliotheken de mogelijkheid heeft onderzocht om de dienstverlening van de IDO’s als wettelijke taak voor bibliotheken op te nemen.

De staatssecretaris van BZK onderzoekt of op termijn een wettelijke verankering mogelijk is van de regierol van gemeenten bij het bieden van laagdrempelige en empathische ondersteuning, waaronder de dienstverlening zoals deze nu door de IDO’s wordt geboden79.

De staatssecretaris van BZK voert hierover primair het gesprek met betrokken partijen. Bibliotheken worden ook betrokken bij dit gesprek, waarbij de staatssecretaris van OCW ondersteunt vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van bibliotheken.

Is de regering bereid om met bibliotheken in gesprek te gaan over deze mogelijkheid?

De staatssecretaris van BZK onderzoekt of op termijn een wettelijke verankering mogelijk is van de regierol van gemeenten bij het bieden van laagdrempelige en empathische ondersteuning, waaronder de dienstverlening zoals deze nu door de IDO’s wordt geboden.80

De staatssecretaris van BZK voert hierover primair het gesprek met betrokken partijen. Bibliotheken worden ook betrokken bij dit gesprek, waarbij de staatssecretaris van OCW ondersteunt vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van bibliotheken.

Wat zijn de voor- en nadelen van het wettelijk borgen van IDO’s?

De voor- en nadelen van de wettelijke verankering van taken van gemeenten vragen om een nadrukkelijke afweging van de wetgever gelet op de gemeentelijke autonomie, zoals verankerd in artikel 124, eerste lid, van de Grondwet en in het Handvest inzake lokale autonomie.

De wetgever hoeft in ieder geval niet in actie te komen om gemeentebesturen bevoegd te maken. Gemeenten kunnen reeds zonder tussenkomst van de wetgever IDO’s inrichten en in stand houden. Dat betekent dat nadere sturing door de wetgever enkel is aangewezen wanneer de voordelen hiervan opwegen tegen de nadelen.

Een nadeel van een wettelijke regeling met betrekking tot gemeentelijke taakuitoefening is in de eerste plaats het feit dat op een lokaal niveau niet meer ten volle kan worden afgewogen welke dienstverlening het best aansluit bij de wensen en behoeften van de inwoners. Ook de wijze waarop dienstverlening wordt ingericht blijft niet meer ten vrije beoordeling van de lokaal gekozen volksvertegenwoordiging. In plaats daarvan wordt het gemeentebestuur gedwongen uitvoering te geven aan keuzes die door het Rijk zijn gemaakt. Het voordeel hiervan kan zijn gelegen in meer uniformiteit en de mogelijkheid in te grijpen wanneer de vereiste inspanningen niet worden geleverd.

Een en ander veronderstelt uiteraard wel dat gemeenten ook worden gecompenseerd voor de kosten van de wettelijke taak conform artikel 108, derde lid, Gemeentewet.

Zij verwijzen naar de aangenomen motie van de leden Kathmann en Vermeer die oproept om de regiefunctie over de IDO’s bij de bibliotheken te beleggen.81 Momenteel ligt de regie bij gemeenten en de uitvoering bij bibliotheken. Kan de regering toelichten hoe zij deze motie uitvoert en welke gesprekken er al plaatsvinden met de bibliotheken over hun regiefunctie over de IDO’s?

De toenmalige staatssecretaris van BZK heeft in de Verzamelbrief digitalisering december 2025 toegelicht hoe de regering met deze motie omgaat.82 In de brief is toegelicht dat de motie is geïnterpreteerd als een uiting van de brede zorg in de Tweede Kamer dat de dienstverlening zoals geboden aan de burger door de IDO’s zal verminderen. De staatssecretaris heeft daarom bevestigd dat de inzet is dat laagdrempelige en empathische ondersteuning in de vorm van de IDO-dienstverlening in stand blijft, onder regie van gemeenten en met bibliotheken als één van de primaire (maar niet exclusieve) uitvoerders.

De financiering van de IDO’s verloopt momenteel via het gemeentefonds, in de vorm van de decentralisatie-uitkering (DU) Overheidsbrede Dienstverlening. Over de besteding van deze middelen leggen gemeenten verantwoording af aan de gemeenteraad.

Voor de korte termijn is de staatssecretaris van BZK in gesprek met gemeenten over het maken van bestuurlijke afspraken om de dienstverlening zoals geboden door de IDO’s zo veel als mogelijk te bestendigen; de bibliotheeksector is hierbij betrokken83.

Voor de langere termijn onderzoekt de staatssecretaris van BZK of een wettelijke verankering van de regierol van gemeenten mogelijk is bij het bieden van laagdrempelige en empathische ondersteuning, waaronder de dienstverlening zoals deze nu wordt geboden door de IDO’s.84

De staatssecretaris van BZK voert hierover primair het gesprek met betrokken partijen. Bibliotheken worden ook betrokken bij dit gesprek, waarbij de staatssecretaris van OCW ondersteunt vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van bibliotheken.

Welke rol heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties hier en welke rol heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?

De staatssecretaris van BZK is beleidsmatig verantwoordelijk voor de uitvoering van de beleidsvisie Persoonlijk en Dichtbij85 en daarmee voor de IDO’s en hun plek in het lokale ecosysteem van publieke dienstverlening.

Het ministerie van BZK financiert ook de VNG, die gemeenten ondersteunt bij de invulling van hun regierol, en is opdrachtgever van het landelijke ondersteuningsprogramma op het gebied van deskundigheidsbevordering, monitoring en marketing, dat wordt uitgevoerd door de KB.

Bibliotheken vervullen een belangrijke rol in de IDO-dienstverlening. De staatssecretaris van OCW is bij de beleidsvorming rondom de IDO’s betrokken vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van bibliotheken.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de financiële positie van IDO’s. Deze leden wijzen op twee onderzoeken die zowel het belang van de IDO’s als hun benarde financiële situatie schetsen.86 Volgens de leden blijkt hieruit de noodzaak voor het behouden en versterken van de IDO’s als onmisbaar loket voor burgers. De Kamer heeft de motie van het lid Kathmann aangenomen voor structureel extra middelen voor de IDO’s, inclusief dekking van de jaarlijkse indexering.87 Hoe voert de regering deze motie uit?

In reactie op de aangenomen motie waarin wordt gevraagd om structureel extra middelen voor de IDO’s heeft BZK de eerder aangekondigde structurele bezuiniging van 10 procent op de IDO’s ongedaan gemaakt.88 De financiering van de IDO’s verloopt via het gemeentefonds, in de vorm van de DU Overheidsbrede Dienstverlening. De omvang van het gemeentefonds groeit jaarlijks mee met de ontwikkeling van het bruto binnenlands product, het zogenaamde accres. Dit accres is vrij besteedbaar en wordt niet aan specifieke taken en of DU’s toegerekend.

Welke rol heeft het ministerie van OCW in het op peil houden van deze voorziening in de bibliotheek?

De staatssecretaris van OCW is bij de beleidsvorming rondom de IDO’s betrokken vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van bibliotheken. Vanwege de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van BZK voor de IDO’s, is hij primair verantwoordelijk voor het op peil houden van de voorziening.

Erkent de regering dat IDO’s in de bibliotheek onmisbaar zijn en dat ze de zekerheid moeten hebben dat ze een onderdeel blijven van de dienstverlening van bibliotheken?

De regering erkent dat laagdrempelige en empathische ondersteuning zoals de IDO-dienstverlening van groot belang is. Gemeenten voeren de regie op deze dienstverlening. Bibliotheken blijven één van de primaire (maar niet exclusieve) uitvoerders hiervan, met ruimte voor gemeenten om, vanuit hun regierol, deze dienstverlening ook op andere plekken dan de lokale bibliotheek te organiseren.89

Hoe kan OCW bijdragen aan die zekerheid, al dan niet door het borgen van de IDO’s in de wet?

Vanwege de verantwoordelijkheid die OCW draagt voor het stelsel van bibliotheken wordt OCW door BZK betrokken bij de gesprekken over eventuele wettelijke verankering van de regierol van gemeenten bij het bieden van laagdrempelige en empathische ondersteuning, waaronder de dienstverlening zoals deze nu door de IDO’s wordt geboden.

Welke gevolgen zou dit hebben voor de financiering van de IDO’s die nu via BZK verloopt?

De financiering van de IDO’s verloopt momenteel via het gemeentefonds, in de vorm van de DU Overheidsbrede Dienstverlening, onder beleidsmatige verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van BZK. Over de besteding van deze middelen leggen gemeenten verantwoording af aan de gemeenteraad. De staatssecretaris van BZK is in gesprek met gemeenten over het maken van bestuurlijke afspraken om de IDO-dienstverlening zo veel als mogelijk te bestendigen; de bibliotheeksector is hierbij betrokken.90

Wanneer de regierol van gemeenten bij het aanbieden van laagdrempelige en empathische hulp aan burgers voor contact met de digitale overheid wettelijk zou worden verankerd, dan blijft de financiering van de IDO-dienstverlening via het gemeentefonds verlopen. Gemeenten krijgen dan een wettelijke taak of plicht om IDO-dienstverlening aan te bieden. Hier kunnen, gelet op de beleidsvrijheid van gemeenten, in beginsel geen gedetailleerde inhoudelijke of financiële eisen aan worden gesteld.

De leden van de PVV-fractie lezen dat het wetsvoorstel mede bedoeld is om het netwerk van bibliotheken landelijk te versterken. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat bibliotheken steeds meer worden belast met aanvullende maatschappelijke taken, zoals sociale ondersteuning of educatieve programma’s, terwijl de kernfunctie; toegang tot boeken en kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis, juist onder druk staat.

Bibliotheekorganisaties hebben sinds geruime tijd een brede wettelijke taak. Op grond van artikel 5 van de Wsob moeten zij in ieder geval de volgende vijf functies vervullen: het ter beschikking stellen van kennis en informatie, het bieden van mogelijkheden tot ontwikkeling en educatie, het bevorderen van lezen en het laten kennismaken met literatuur, het organiseren van ontmoeting en debat en het laten kennis maken met kunst en cultuur. De wettelijke taak van de bibliotheek omvat dus meer dan enkel het bieden van toegang tot boeken en kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis. De vijf functies uit artikel 5 van de Wsob zijn essentieel; aanvullende activiteiten van de bibliotheekorganisaties mogen niet ten koste van deze functies gaan.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij kan aangeven hoeveel middelen in de afgelopen tien jaar daadwerkelijk zijn geïnvesteerd in bibliotheekcollecties en leesbevordering, en hoeveel middelen zijn gegaan naar aanvullende maatschappelijke taken.

Bibliotheken hebben op grond van de Wsob (artikel 5) in ieder geval de volgende vijf functies, die bijdragen aan persoonlijke ontwikkeling en verbetering van de maatschappelijke kansen van het algemene publiek: het beschikbaar stellen van kennis en informatie, het bieden van mogelijkheden voor ontwikkeling en educatie, leesbevordering en het laten kennismaken met literatuur, organiseren van ontmoeting en debat en laten kennis maken met kunst en cultuur. Hoe invulling wordt gegeven aan deze functies, inclusief besteding van middelen, wordt bepaald door gemeentelijk beleid en door de bibliotheken zelf. Hier is geen uitsplitsing per functie van beschikbaar.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering duidelijk te maken hoe zij waarborgt dat bibliotheken daadwerkelijk blijven investeren in leesbevordering en in programma’s die bijdragen aan de kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis.

Het wetsvoorstel verstevigt de rol van openbare bibliotheken bij leesbevordering in het onderwijs. Dit heeft in de praktijk ook betrekking op de beheersing van de Nederlandse taal. Bibliotheken zullen bovendien structureel extra middelen ontvangen voor het uitvoeren van deze activiteiten. Bovendien versterkt het wetsvoorstel met de zorgplicht de uitvoering van de vijf functies. Hier valt ook het laten kennis maken met kunst en cultuur onder.

De leden van de PVV-fractie constateren dat er structureel € 60 miljoen beschikbaar wordt gesteld voor de verzwaring van de bestaande wettelijke bevorderingstaak van gemeenten en openbare lichamen, als aanvulling op de gemeentelijke middelen voor openbare bibliotheken. Deze leden vragen de regering te beargumenteren waarom deze structurele investering noodzakelijk is, terwijl de taken voor gemeenten ten opzichte van artikel 5 van de Wsob slechts beperkt veranderen door de omzetting in een zorgplicht, aangezien hiervoor binnen de bestaande gemeentelijke budgetten al financiële middelen beschikbaar waren. Ook vragen de leden om een onderbouwing welke extra taken of verplichtingen structureel € 60 miljoen rechtvaardigen.

Uit de evaluatie van de Wsob in 2020 kwam naar voren dat het aanbod en de dienstverlening van bibliotheeklocaties verschraalde en terugliep. Om bibliotheekvoorzieningen in elke gemeente te waarborgen, op peil te houden en waar nodig te verbeteren, introduceert dit wetsvoorstel een zorgplicht. Het aanbod van bibliotheekvoorzieningen moet binnen redelijke afstand toegankelijk zijn. Daarnaast moet er ten minste één voorziening zijn die de vijf bibliotheekfuncties uit artikel 5 van de Wsob vervult, een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting heeft. Gemeenten moeten dit aanbod beschrijven in hun bibliotheekbeleid in de vorm van een meerjarenplan. Dit is een wezenlijke verandering van de bestaande taken, namelijk een verzwaring van de bestaande wettelijke bevorderingstaak voor gemeenten en openbare lichamen, en dat vraagt om structurele, extra inzet en daarmee structurele, extra financiering.

De leden van de PVV-fractie vragen waarom een tijdelijke intensivering via een bijzondere uitkering aan Caribisch Nederland van € 385.000 noodzakelijk is.

De verzwaring van de taak door middel van de voorgestelde zorgplicht geldt ook voor Caribisch Nederland. De openbare lichamen in Caribisch Nederland krijgen daarom, net als gemeenten in Europees Nederland, structureel extra middelen om aan de zorgplicht te voldoen.

Daarnaast vragen deze leden waarom ervoor is gekozen dit bedrag beschikbaar te stellen via de vrije uitkering uit het BES-fonds, in plaats van via een geoormerkte uitkering, en om hoeveel bibliotheken het gaat.

Voor de drie bibliotheken in Caribisch Nederland geldt op termijn een gelijksoortige werkwijze als voor Europees Nederland, waarbij beleidsvrijheid het uitgangspunt is. Gemeenten in Europees Nederland krijgen de extra middelen via het gemeentefonds uitgekeerd. Voor Caribisch Nederland gebeurt dit stapsgewijs. In eerste instantie vindt de financiering plaats via een bijzondere uitkering, waarbinnen het geld geoormerkt is voor besteding aan de bibliotheek, die op termijn over zal gaan in een vrije uitkering uit het gemeentefonds BES. Deze stapsgewijze werkwijze past beter bij de lokale situatie op de eilanden, waar de versterking van het bibliotheekwerk de komende jaren nog meer maatwerk vraagt dan in Europees Nederland.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven in hoeveel gemeenten de bibliotheekvoorziening op dit moment niet voldoet aan de zorgplicht zoals in dit wetsvoorstel voorgesteld wordt.

Formeel gezien valt deze vraag nu niet te beantwoorden; de provincies zullen in het kader van hun toezichtstaak gaan controleren of gemeenten een volwaardige bibliotheek hebben en voldoen aan de zorgplicht, zoals in het wetsvoorstel beschreven wordt in het voorgestelde artikel 6, tweede lid, van de Wsob. Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob91 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten.

Vier van deze gemeenten hebben in de periode 2023-2026 een specifieke uitkering aangevraagd voor het tot stand brengen van een bibliotheekvestiging en twee gemeenten zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten.

Drie gemeenten hebben al samenwerkingsafspraken met buurgemeenten en twee gemeenten hebben geen bibliotheekvestiging maar wel een bibliobus; daarmee kunnen zij, net als de gemeenten met een of meerdere vestigingen, aan de zorgplicht gaan voldoen.

Ook vragen deze leden tot hoeveel extra of betere bibliotheekvoorzieningen dit wetsvoorstel en de daarbij behorende extra middelen naar verwachting zullen leiden.

Sinds 2022 stelt de regering extra financiële middelen voor bibliotheken beschikbaar.

In eerste instantie zijn deze middelen in de vorm van een specifieke uitkering beschikbaar verdeeld onder gemeenten, om het bibliotheeknetwerk te versterken. De activiteiten waarvoor de specifieke uitkeringen zijn verstrekt, kunnen nog worden uitgevoerd tot en met 31 december 2026.Daarom kan de regering nog geen uitspraak doen over de precieze aantallen extra en betere voorzieningen die gemeenten met behulp van deze specifieke uitkeringen gaan realiseren. Echter, de toegekende aanvragen van gemeenten geven wel een indicatie van wat kan worden verwacht: gemeenten hebben 46 aanvragen voor nieuwe vestigingen toegekend gekregen en honderd aanvragen voor het doorontwikkelen van beperkte bibliotheekvoorzieningen naar vestigingen. De definitieve opbrengsten van de besteding van de specifieke uitkeringen zullen na afloop van de specifieke uitkering eind 2026 openbaar worden gemaakt en met uw Kamer worden gedeeld.

Het wetsvoorstel heeft niet rechtstreeks tot doel om het aantal fysieke bibliotheekvoorzieningen te beïnvloeden. De plicht om te voorzien in ten minste één voorziening met de vijf bibliotheekfuncties, een fysieke collectie en een professionele personeelsbezetting, zal in de gemeenten die hier nog niet aan voldoen veelal de vorm krijgen van een bibliotheekvestiging. In combinatie met de investeringen via de specifieke uitkeringen van de afgelopen jaren verwacht de regering daarom dat het aantal fysieke vestigingen de komende jaren verder zal toenemen.

Op grond van de Wsob verzamelt en publiceert de KB jaarlijks de zogeheten Gegevenslevering Wsob92 met gegevens over de openbare bibliotheeksector. In deze monitor zal op termijn zichtbaar worden hoe het stelsel zich heeft ontwikkeld en welke effecten de wetswijziging en de extra financiële middelen hebben op het bibliotheekstelsel.

Tot slot zal bij de wetsevaluatie na vijf jaar worden onderzocht of en hoe gemeenten aan hun wettelijke zorgplicht voldoen en hoe het bibliotheekstelsel met de gewijzigde wet functioneert. In het kader van de evaluatie zal ook aandacht zijn voor ontwikkelingen in onder andere het aantal en de soorten bibliotheekvoorzieningen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering bij amvb nadere eisen wil stellen aan de inhoud van het meerjarenplan. Wordt hierin ook een verplichting opgenomen om inzichtelijk te maken hoe de extra middelen voor het bibliotheekwerk ingezet worden?

Het meerjarenplan biedt een meerjarenperspectief voor het bibliotheekwerk, een begroting is hier een onderdeel van. Deze begroting heeft betrekking op alle middelen die een gemeente aan de bibliotheek besteedt, inclusief de extra middelen die vanuit het Rijk structureel aan het gemeentefonds worden toegevoegd.

Deze leden vragen of de regering voornemens is de concept amvb nader in te vullen en te delen met de Kamer voorafgaand aan de plenaire behandeling.

Een voorhangprocedure voor de amvb is niet voorzien, aangezien het om een detailuitwerking gaat van de onderdelen in het meerjarenplan die reeds genoemd zijn in de memorie van toelichting, maar het concept-Besluit is wel gepubliceerd in het kader van een internetconsultatie die van 9 februari 2026 tot 27 maart 2026 gehouden is.93

Deze leden lezen in het conceptbesluit dat een opsomming gegeven wordt van de onderdelen die moeten worden opgenomen in het meerjarenplan (artikel 2, tweede en derde lid). De leden vragen of deze opsomming limitatief is, zoals ook gevraagd is door de provincies die hierop als toezichthouder zullen gaan toezien.

De onderdelen die in het conceptbesluit94 genoemd staan moeten in ieder geval in het meerjarenplan terugkomen. Het betreft geen limitatieve opsomming. Gemeenten en openbare lichamen hebben de vrijheid ook andere onderwerpen op te nemen in het meerjarenplan.

Zij vragen ook of bij het meerjarenplan ook meerjarige afspraken over de subsidie of bekostiging horen. Hoe kijkt de regering hiernaar?

Een begroting voor de uitvoering van de zorgplicht is onderdeel van het meerjarenplan, waarvoor de criteria zijn neergelegd in het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen. Het ligt voor de hand dat gemeenten en openbare lichamen bibliotheken daarmee een meerjarig financieel perspectief bieden, passend bij de ambities uit het meerjarenplan.

In hoeveel gemeenten is al sprake van meerjarige subsidie of bekostiging en in hoeveel gemeenten niet?

Gemeenten hebben de vrijheid om de looptijd van subsidies of bekostiging zelf in te richten. Hierover is geen specifieke informatie per gemeente beschikbaar op landelijk niveau. In het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen95 is wel geregeld dat alle gemeenten in het meerjarenplan door middel van de begroting een meerjarig financieel perspectief geven voor de invulling van de zorgplicht aan bibliotheken.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering wil ingaan op het normenkader dat afgelopen jaren is ontwikkeld door de VNG en VOB in aanloop naar deze wet. Deze leden vragen of de regering kan toelichten hoe dit normenkader de afgelopen jaren is gebruikt en wat de ervaringen hiermee zijn.

Lopende de voorbereiding van het wetsvoorstel en de afstemming hierover met betrokken partijen, waaronder de VNG en de VOB, hebben beide partijen besloten in aanloop naar de introductie van het wetsvoorstel met een zorgplicht streefwaarden te ontwikkelen, in eerste instantie aangeduid met de term ‘normenkader’. Het betreft streefwaarden ten aanzien van de gewenste financiering en kwaliteit van openbare bibliotheken, waarbinnen gemeenten worden gecategoriseerd op basis van inwonertallen. Het gegeven dat de zorgplicht een minimale ondergrens bevat, was voor de betrokken partijen een belangrijke aanleiding om tot streefwaarden te komen: partijen willen de streefwaarden gebruiken om gemeenten te stimuleren de zorgplicht ambitieus in te vullen. De streefwaarden zijn niet formeel gepubliceerd en ook nog niet in gebruik, al is het eerdere ‘normenkader’ wel digitaal terug te vinden96. De streefwaarden worden overigens niet opgenomen in de Wsob maar worden gepubliceerd in een handreiking voor gemeenten die de VNG in samenspraak met de VOB ontwikkelt.

De leden van de CDA-fractie constateren dat er regio’s zijn in het land waar intensief samengewerkt wordt als het gaat om de bibliotheekvoorziening, zoals bijvoorbeeld de Brainportregio of de regio Waterland. Deze leden vragen of de wet de ruimte biedt om een regionaal meerjarenplan op te stellen, welke vervolgens vastgesteld kan worden door ieder afzonderlijk college.

De zorgplicht, zoals vastgelegd in het voorgestelde artikel 6 van de Wsob, bepaalt uitsluitend dat gemeenten een eigen meerjarenplan moeten opstellen. Dat sluit een regionaal meerjarenplan in aanvulling op het gemeentelijk meerjarenplan niet uit. De regering acht het goed mogelijk dat gemeenten de eigen plannen afstemmen met elkaar en een additionele regionale versie van een meerjarenplan ontwikkelen.

De leden van de CDA-fractie delen het belang van wettelijke verankering van leesbevordering in het onderwijs. Deze leden vragen of de regering nader wil ingaan op enerzijds de eigen rol van de lokale bibliotheek en anderzijds de eigen rol van de school/onderwijsinstelling. Hoe ziet dit er in de praktijk uit?

De wettelijke taak betekent dat bibliotheken moeten bijdragen aan leesbevordering bij onderwijsinstellingen in haar werkgebied. De regering laat daarbij de ruimte aan de bibliotheken om hierin eigen afwegingen te maken, passend bij hun werkgebied. Het voornemen is om de subsidie die voor deze taak zal worden verstrekt, te richten op het aanstellen van leesmediaconsulenten door de bibliotheek, zodat de bibliotheek onderwijsinstellingen en ook aanbieders van kinderopvangvoorzieningen kan adviseren over leesbevordering.

Aan de andere kant kan de school de rol van leesbevorderaar bijvoorbeeld invullen door ervoor te zorgen dat alle leerlingen toegang hebben tot boeken op school en dat er met boeken gewerkt wordt in de klas. Dit kan bijvoorbeeld door voor te lezen, leerlingen zelf te laten lezen, en over boeken te praten en te schrijven. Leesbevordering op school wordt geborgd in de geactualiseerde kerndoelen Nederlands, die met ingang van volgend schooljaar van kracht zullen worden. Scholen ontvangen vanaf 2027 structurele bekostiging voor de basisvaardigheden die zij kunnen inzetten voor leesbevordering en een rijke taalomgeving in hun onderwijs.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de financiering van de bibliotheek op school in de praktijk werkt. Deze leden vragen of het klopt dat de bibliotheek afhankelijk is van de aanvraag door de school, en of het klopt dat het geld verdeeld wordt op basis van de eerste aanvragers. Kan de regering dit nader toelichten? Hoe ziet de regering de verdeling van de middelen over Nederland voor zich?

Het voornemen is om de subsidieregeling op grond van artikel 8a van het wetsvoorstel zo in richten dat elke lokale bibliotheek aanspraak kan maken op structurele subsidie voor de uitvoering van de wettelijke taak. De bibliotheek is voor de aanspraak op deze subsidie niet afhankelijk van een aanvraag door een onderwijsinstelling, en de subsidie zal niet op volgorde van binnenkomst van de aanvragen worden verdeeld. Het voornemen is om de subsidie die voor deze taak zal worden verstrekt, te richten op het aanstellen van leesmediaconsulenten door de bibliotheek, zodat de bibliotheek onderwijsinstellingen en ook aanbieders van kinderopvangvoorzieningen kan adviseren over leesbevordering. In principe kan elke school bij de bibliotheek terecht voor advies. Met hoeveel onderwijsinstellingen er afspraken worden gemaakt door de leesmediaconsulenten, is ook afhankelijk van de vraag en de inzet van de instellingen; bibliotheken kunnen instellingen actief benaderen.

Er wordt gewerkt aan een subsidieregeling op basis van een evenredige verdeling van de middelen over alle bibliotheken, waarschijnlijk op basis van het inwoneraantal van nul t/m achttien jaar in het werkgebied van de bibliotheek. Daarbij wordt een minimumbedrag aangehouden waardoor ook de kleinere bibliotheken in staat zullen worden gesteld om hun wettelijke taak uit te voeren door het in dienst hebben van ten minste één leesmediaconsulent.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering kan aangeven in hoeveel gevallen bij bibliotheken is van een zelfstandige rechtspersoon en in hoeveel gevallen sprake is van een onzelfstandig onderdeel van de gemeenten.

Vrijwel alle bibliotheekvoorzieningen in Europees en Caribisch Nederland worden verzorgd door zelfstandige rechtspersonen, de lokale bibliotheken. De uitzonderingen zijn Den Haag, Maastricht en Bonaire. Daar is de bibliotheek onderdeel van de gemeente dan wel het openbaar lichaam. In Bonaire loopt momenteel het traject om de bibliotheekorganisatie te verzelfstandigen. Dit traject zal naar verwachting rond de zomer van 2026 zijn afgerond.

Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de keuze om de bibliotheek niet onder een zelfstandige rechtspersoon te laten functioneren?

De gemeenten en de openbare lichamen zijn verantwoordelijk voor het in stand houden van een bibliotheekvoorziening. De keuze voor het onderbrengen van de bibliotheek in een zelfstandige rechtspersoon is daarmee ook aan de gemeente dan wel het openbaar lichaam. Het is niet passend voor de regering om hier uitspraken over te doen.

De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre voor scholen een recht bestaat om de bibliotheek op school te kunnen realiseren dan wel dat scholen achter het net kunnen vissen wanneer het budget van de gemeente is uitgeput of onvoldoende capaciteit bestaat om nieuwe scholen te bedienen. Waarom is ervan afgezien om in de regeling inzake leesbevordering ook de aanspraak inzake de bibliotheek op school te verankeren?

Er komt een wettelijke taak voor bibliotheken om onderwijsinstellingen te ondersteunen bij leesbevordering. Het voornemen is om de subsidie die voor deze taak zal worden verstrekt, te richten op het aanstellen van leesmediaconsulenten door de bibliotheek, zodat de bibliotheek onderwijsinstellingen en ook aanbieders van kinderopvangvoorzieningen kan adviseren over leesbevordering.

Scholen hebben de vrijheid om het budget dat zij via de bekostiging basisvaardigheden ontvangen naar eigen inzicht aan de basisvaardigheden te besteden. Dat kan bijvoorbeeld ook door te investeren in een bibliotheek op school. Hoe vervolgens de inrichting van een bibliotheek op school eruitziet is ook afhankelijk van de keuzes die de school maakt.

Alle scholen hebben in principe de mogelijkheid een schoolbibliotheek in te richten. Zij kunnen dit doen met hulp van de lokale bibliotheek, maar zij zijn hier niet afhankelijk van. Er zijn ook scholen die een schoolbibliotheek hebben zonder ondersteuning van de lokale bibliotheek. Er is bewust voor gekozen om de adviserende rol van de bibliotheek bij leesbevordering te verankeren. Dat maakt het mogelijk om bibliotheken structureel en generiek te financieren voor deze taak en geeft tegelijkertijd keuzevrijheid aan de scholen.

De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat vrijwilligers een grote rol spelen bij het in stand houden van de bibliotheekvoorzieningen in gemeenten. Deze leden stellen vast dat de aanwezigheid van een professionele personeelsbezetting wel als vereiste in de wet is opgenomen, maar dat de positie van vrijwilligers nergens blijkt. Integendeel, het recht van burgers om betrokken te zijn bij de voorzieningen en deze zelfs over te kunnen nemen, wordt door het wetsvoorstel geschrapt. Deze leden vragen een toelichting op deze keuze en op de vraag waarom de wet niet uitdrukkelijk de positie van vrijwilligers benoemt, bijvoorbeeld door in het beleidsplan daaraan ook aandacht te moeten besteden.

Bibliotheekorganisaties vormen samen met de POI's en de KB een netwerk; alle netwerkpartners werken intensief samen, bijvoorbeeld om evenwichtige collecties op te bouwen, het interbibliothecair leenverkeer te organiseren, digitaal informatie uit te wisselen en het onderwijs te ondersteunen. Hierin kwaliteit leveren is een vak en vergt expertise en continuïteit. Om dit in alle gemeenten te kunnen doen, werken volwaardige bibliotheekvoorzieningen zoals voorzien in het wetsvoorstel nooit met alleen vrijwilligers maar hebben ze altijd (ook) betaalde krachten in dienst. De regering vermeldt de ‘professionele personeelsbezetting’ in de wet om bij deze praktijk aan te sluiten en een minimumniveau van dienstverlening te borgen. Het enkel beschikken over vrijwilligers is daarmee onvoldoende om te voldoen aan de zorgplicht. Echter, vrijwilligers spelen bij veel bibliotheken een belangrijke rol en veel bibliotheken voeren een actief vrijwilligersbeleid. Vrijwilligers zijn hiermee van groot belang voor de bibliotheeksector.

De leden van de SGP-fractie constateren dat het wetsvoorstel de bibliotheek duidelijker positioneert als toegankelijke voorziening in de lokale gemeenschap. Deze leden vragen de regering tegen deze achtergrond nader in te gaan op de wettelijke mogelijkheid dat het lidmaatschap van de openbare bibliotheek zich ook kan beperken tot de landelijke digitale bibliotheek.

Leden van de openbare bibliotheek kunnen zonder meerkosten gebruik maken van de online bibliotheek. Al sinds de inwerkingtreding van de Wsob in 2015 bestaat de mogelijkheid alleen lid te zijn van de digitale bibliotheek, het digital only lidmaatschap. Dit betreft personen die alleen geïnteresseerd zijn in het digitale aanbod. Een zeer beperkte groep maakt van deze mogelijkheid gebruik; momenteel hebben ongeveer 25.000 mensen alleen een digitaal lidmaatschap, overeenkomend met ongeveer 3 procent van het totale aantal leden van de online bibliotheek. Dit aandeel blijft constant en toont aan dat deze lidmaatschapsvorm voorziet in een specifieke behoefte. De toegankelijkheid van de lokale bibliotheekvoorziening(en) speelt hier slechts beperkt een rol. Dit is een groep die geïnteresseerd is in het lezen en lenen van e-books, maar niet naar de lokale bibliotheek toe wil of kan gaan en ook niet voor het fysieke aanbod wil betalen.97 Deze groep zou dus niet meer worden bereikt, wanneer zij altijd verplicht lid zouden moeten worden van een lokale bibliotheek.

Zij vragen waarom deze wetswijziging geen aanleiding vormt om te regelen dat het lidmaatschap van de bibliotheek ook altijd het lidmaatschap van de lokale bibliotheek omvat, zonder dat dit tot extra verplichtingen hoeft te leiden voor degenen die vrijwel uitsluitend gebruik wensen te maken van de digitale bibliotheek. Een dergelijke keuze benadrukt de verantwoordelijkheid die inwoners hebben voor dit onderdeel van de gemeenschap, dat algemeen toegankelijk is en iedereen ten goede kan komen. Deze leden wijzen er bovendien op dat burgers bij vragen over de digitale bibliotheek vaak toch aankloppen bij de lokale bibliotheek en dat het in de praktijk kennelijk vaak niet realistisch is om te veronderstellen dat men helemaal zonder de verbinding met de lokale bibliotheek kan.

Digital only leden lenen wel graag e-books en luisterboeken, maar gaan niet naar de lokale bibliotheek en willen ook niet (extra) voor het lokale fysieke aanbod betalen.98 De verwachting van de regering is dan ook niet dat digitale leden zich medeverantwoordelijk gaan voelen voor de lokale bibliotheek door middel van een lidmaatschap, zelfs wanneer wettelijk geregeld zou worden dat lokale bibliotheken hiervoor geen extra kosten mogen rekenen. Daarom vindt de regering het niet wenselijk om het digitale lidmaatschap alleen nog in combinatie met het lidmaatschap van de lokale bibliotheek aan te bieden.

Voor wat de verbinding tussen de digitale en lokale bibliotheek betreft, wijst de praktijk uit dat digitale leden én lokale leden hun vragen over de digitale bibliotheek niet zozeer bij de lokale bibliotheek stellen, maar vooral bij de KB, die de online bibliotheek in stand houdt. Lokale bibliotheken verwijzen voor vragen over de digitale bibliotheek ook vaak naar de KB.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om nader te definiëren wat ze bedoelt met de “redelijke afstand” waarbinnen inwoners van Nederland volgens het wetsvoorstel toegang zouden moeten hebben tot een volwaardige openbare bibliotheek.

Of de afstand tot het aanbod van bibliotheekvoorzieningen redelijk is, hangt af van de lokale context. Gemeenten en openbare lichamen moeten, volgens het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen dat in het voorjaar van 2026 in internetconsultatie is geweest, in hun meerjarenplan voor het bibliotheekbeleid toelichten hoe zij met de lokale context rekening houden, dat wil zeggen met demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen (waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners) plus sociaal-maatschappelijke factoren. Voor een gemeente met veel kleine kernen en een beperkt aantal inwoners kan, bijvoorbeeld, gekozen worden voor een bibliotheekvoorziening in één of twee kernen, waar ook andere voorzieningen geconcentreerd zijn en inwoners gewend zijn naartoe te reizen. De afstand tot een bibliotheekvoorziening is in dergelijke gemeenten mogelijk groter dan in een grote stad, waar meer mensen op een kleiner oppervlakte leven en het een passende keuze kan zijn om naast de hoofdvestiging meerdere bibliotheekvoorzieningen op wijkniveau in te richten vanwege het grotere aantal inwoners.

Kan de regering hierbij specifiek in gaan op de situatie van gemeenten met een relatief lage bevolkingsdichtheid, maar wel met een grote oppervlakte?

De regering houdt in het wetsvoorstel rekening met verschillen tussen gemeenten door zoveel mogelijk ruimte te geven aan lokaal maatwerk. Hierbij is geluisterd naar de reacties op de het wetsvoorstel uit de internetconsultatie. Dit is terug te zien in een meer kwalitatieve benadering van de zorgplicht: het begrip ‘bibliotheekvestiging' is aangepast naar het ruimere begrip 'bibliotheekvoorziening' en kwantitatieve eisen zoals een uren-norm zijn weggelaten. Gemeenten kunnen door deze wijzigingen in het wetsvoorstel keuzes maken die passen bij hun lokale situatie.

Dankzij de nieuwe benadering van de zorgplicht ontstaat ruimte voor gemeenten met een relatief lage bevolkingsdichtheid en een grote oppervlakte om het aanbod te concentreren op een locatie in de gemeente waar ook andere voorzieningen geconcentreerd zijn en waar inwoners gewend zijn naartoe te reizen; de redelijke afstand kan in een dergelijke gemeente fysiek iets groter zijn dan bijvoorbeeld in een grote stad. Voor sommige gemeenten met een relatief lage bevolkingsdichtheid en een grote oppervlakte kan een mobiele bibliotheekvoorziening, zoals een bibliobus, een passende optie zijn. Ook hier biedt de meer kwalitatieve benadering van de zorgplicht ruimte voor.

Acht de regering het voorstelbaar dat er discussie kan ontstaan over wat al dan niet een redelijke afstand is?

De regering acht het voorstelbaar en zelfs wenselijk dat hierover een gesprek ontstaat, bijvoorbeeld tussen lokale overheden en bibliotheken, binnen en tussen gemeenten, of tussen gemeenten en provincies. De definitie van het begrip ‘redelijke afstand’ is afhankelijk van de lokale context. Gemeenten en openbare lichamen moeten in hun meerjarenplan toelichten hoe het aanbod van bibliotheekvoorzieningen eruit ziet en daarin de toegankelijkheid toelichten aan de hand van demografische en geografische kenmerken (waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners) plus sociaal-maatschappelijke factoren. Het beargumenteren van de betekenis van het begrip ‘redelijke afstand’ in relatie tot de lokale context vraagt om reflectie op de betekenis van de lokale context voor de voorzieningen en het aanbod van de bibliotheek. Het is belangrijk dat die reflectie plaatsvindt en dat lokale overheden hierover in gesprek gaan met bibliotheken. Ook de VNG zal, bijvoorbeeld via de handreiking, aanmoedigen dat deze dialoog op gang komt.

Via het CBS komen bovendien jaarlijks data beschikbaar over de afstand tot bibliotheekvoorzieningen. Op basis daarvan kunnen de bij de Wsob betrokken partijen in een jaarlijks bestuurlijk overleg de vinger aan de pols houden en monitoren of het begrip redelijke afstand geen ongewenste bijeffecten heeft.

Wie bepaalt uiteindelijk wat deze redelijke afstand is?

Gemeenten en openbare lichamen krijgen de plicht te voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand toegankelijk is. Wat een redelijke afstand is, is afhankelijk van de lokale context. Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege bepaalt hoe het aanbod er lokaal uit komt te zien en licht dit toe in het meerjarenplan, op basis van demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen plus sociaal-maatschappelijke factoren. Colleges leggen aan hun gemeenteraden verantwoording af over hun keuzes en beleid. De provincie houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten, onder andere via het meerjarenplan.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat onderhavig wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht regelt dat inhoudt dat er in iedere gemeente of openbaar lichaam tenminste één bibliotheekvoorziening is. Deze leden vragen of het volgens de regering ook redelijk zou zijn als in de buurt van de grens tussen gemeenten één bibliotheekvoorziening zou zijn gevestigd, waardoor er weliswaar niet in elke gemeente een bibliotheekvoorziening is, maar wel is gewaarborgd dat de inwoners van beide gemeenten een bibliotheekvoorziening in de buurt hebben. Kan de regering dit toelichten?

Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege houdt als onderdeel van het aanbod van bibliotheekvoorzieningen ten minste één bibliotheekvoorziening in stand die alle vijf de functies uit artikel 5 van de Wsob omvat, een fysieke collectie heeft en over een professionele personeelsbezetting beschikt. Met ‘in stand houden’ wordt ook ‘mede in stand houden’ bedoeld, samen met een buurgemeente. Daarbij moet het aanbod wel op redelijke afstand toegankelijk zijn en moet de betreffende voorziening voldoen aan alle drie eerder genoemde eisen.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de minister in afstemming met de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba één provinciale ondersteuningsinstelling wil aanwijzen. Deze leden vragen waarom deze afstemming niet al heeft plaatsgevonden en de provinciale ondersteuningsinstelling al bij wet wordt aangewezen.

In 2023 is in overleg met de openbare lichamen een pilot gestart waarbij bibliotheken in Caribisch Nederland worden ondersteund door een POI. Er is regelmatig contact met zowel openbare lichamen als bibliotheken in Caribisch Nederland. De ondersteuning voor het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland wordt met het wetsvoorstel structureel van aard. De minister zal voor het verlenen van deze ondersteuning een subsidie verstrekken aan een POI. Omdat deze subsidie een schaars recht is, is wenselijk om voor de aanwijzing van de POI een eerlijke en transparante procedure te doorlopen, waarbij ook de openbare lichamen betrokken worden. Daarom wordt in de wet niet al één specifieke POI voor de ondersteuning van Caribisch Nederland aangewezen.

Zij vragen tevens waarom de regering ervoor kiest om de aanwijzing plaatsvindt voor een periode van vijf jaar. Wat is hierachter de gedachte? Waarom bijvoorbeeld geen vier of zes?

De keuze voor een periode van vijf jaar is in zekere zin arbitrair, vier of zes jaar had ook gekund. Omdat de wet minimaal elke vijf jaar geëvalueerd moet worden, biedt de keuze voor een periode van vijf jaar ruimte om de lopende aanwijzing in de komende wetsevaluatie mee te nemen en afspraken waar nodig naar aanleiding van de evaluatie aan te passen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er voor gekozen is om één provinciale ondersteuningsinstelling voor de BES-eilanden aan te wijzen, in plaats voor elk eiland één. Kan de regering dat toelichten?

Het aantal inwoners en bibliotheekvoorzieningen in Caribisch Nederland is beperkt, daarom wordt één POI voor alle drie de eilanden aangewezen. In Europees Nederland werkt één POI ook voor alle bibliotheken in het eigen werkgebied, de provincie. Uit de lopende pilot blijkt dat het hebben van één provinciale ondersteuningsinstelling voor alle drie de eilanden in Caribisch Nederland goed werkt. De verwachting is dat dit zo zal blijven onder de nieuwe subsidie.

2.2 Wijziging Auteurswet en de Wet op de naburige rechten

De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat fair pay een belangrijke pijler is in het cultuurbeleid en achten het van belang dat makers, zoals auteurs en illustratoren, een eerlijke vergoeding ontvangen voor het gebruik van hun werken. Genoemde leden lezen dat de vergoeding wordt bepaald aan de hand van de formule P X Q, waarbij de Q periodiek zal worden benaderd door periodiek onderzoek. Deze leden vragen de regering onder periodiek wordt verstaan.

Onder ‘periodiek’ wordt hier verstaan een termijn van drie jaar. Deze termijn is afgesproken tijdens het bestuurlijk overleg over leenrechtvergoedingen bij uitleningen vanuit scholen in 2022 tussen de toenmalig Staatssecretaris van OCW, de Auteursbond, de Groep Algemene Uitgevers (GAU), Stichting Leenrecht, de PO-raad, de VO-raad, de KB, de VNG, de VOB, Stichting Lira, Stichting Pictoright en Stichting Lezen. In 2023 is een dergelijk onderzoek voor de eerste keer uitgevoerd.99 In 2026 wordt het onderzoek voor het eerst herhaald.

De leden van de VVD-fractie hebben begrip voor de keuze om scholen en mbo-instellingen niet te verplichten een uitleenadministratie bij te houden, mede met het oog op het beperken van administratieve lasten. Tegelijkertijd achten deze leden het van belang dat de gegevens waarop de leenrechtvergoeding wordt gebaseerd voldoende betrouwbaar en representatief zijn. Daarom vragen zij hoe de regering de bereidheid van scholen en mbo-instellingen inschat om op vrijwillige basis gegevens aan te leveren in het kader van beleidsonderzoek. In hoeverre bestaat het risico dat de respons beperkt of selectief is, en wat betekent dit voor de kwaliteit van de uitkomsten?

De aan het woord zijnde leden stellen terecht dat de gegevens over uitleningen van werken door scholen en mbo-instellingen voor het berekenen van de leenrechtvergoeding voldoende betrouwbaar en representatief moeten zijn. Het voornoemde onderzoek uit 2023 toont dat dit kan en dat voldoende scholen en mbo-instellingen bereid zijn om op vrijwillige basis gegevens over de uitleningen van werken op schoolbibliotheken te delen.100 De regering verwacht dat dit zo zal blijven onder de nieuwe wettelijke basis. De ervaringen met het onderzoek geven daarbij geen aanleiding te veronderstellen dat de respons te beperkt of selectief zal zijn.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de keuze om leenrechtvergoeding niet bij scholen en mbo-instellingen neer te leggen, mede is gemaakt om het mee naar huis nemen van boeken door scholieren en mbo-studenten te stimuleren. Deze leden onderschrijven het belang dat boeken ook buiten de schoolomgeving worden gelezen. Tegen deze achtergrond vragen de leden op welke wijze het thuis lezen door scholieren en mbo-studenten nog meer wordt gestimuleerd.

Bibliotheken bieden activiteiten die het (thuis of op school) lezen stimuleren, voor scholieren en ook voor mbo-studenten. Leesmediaconsulenten hebben onder andere de taak om ouders te informeren over het belang van (thuis) lezen. Daarnaast is er de online Bibliotheek, altijd bereikbaar én met een gratis jeugdlidmaatschap tot achttien jaar. Voor studenten van achttien jaar en ouder is het afhankelijk van de lokale situatie of er afspraken worden gemaakt over gratis lidmaatschap, uitgezonderd de online Bibliotheek vanwege de afspraken die met uitgevers zijn gemaakt in het Convenant e-lending.

De leden van de VVD-fractie hechten aan een zorgvuldige en juridisch houdbare vormgeving van de leenrechtvergoeding, waarbij zowel de belangen van rechthebbenden als de uitvoerbaarheid voor onderwijsinstellingen in balans zijn. Deze leden vragen daarom in hoeverre de voorgestelde methode om te komen tot een billijke vergoeding, waarbij wordt uitgegaan van een periodiek onderzoek naar het aantal uitgeleende werken zonder dat scholen en mbo-instellingen verplicht zijn een uitleenadministratie bij te houden, in overeenstemming is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 juni 2011.101

Om de hoogte van de billijke vergoeding voor het uitlenen van werken door scholen en mbo-instellingen te berekenen, is voor een praktische benadering gekozen die rekening houdt met zowel de belangen van de betrokken rechthebbenden als die van de scholen en mbo-instellingen. Rechthebbenden moeten een eerlijke vergoeding kunnen krijgen voor het gebruik van hun werken en scholen en mbo-instellingen moeten zich kunnen richten op hun kerntaak zonder belast te worden met extra administratie en kosten. Zoals reeds aangegeven, wordt de hoogte van de billijke vergoeding voor het uitlenen van werken door scholen en mbo-instellingen berekend middels een P x Q formule. Hierbij staat P voor de vergoeding per uitlening, zoals deze jaarlijks wordt vastgesteld door de Stichting Onderhandelingen Leenvergoedingen (StOL) en worden ter onderbouwing van de Q gegevens over uitleningen van werken door scholen en mbo-instellingen verzameld middels een periodiek onderzoek. Hierbij moet onder ‘periodiek’ een termijn van drie jaar worden verstaan. Uit het eerste periodieke onderzoek uit 2023 is naar voren gekomen dat het mogelijk is om een representatief beeld te krijgen van de omvang van het uitlenen op scholen en mbo-instellingen op basis waarvan rechthebbenden billijk gecompenseerd kunnen worden. Want hoewel scholen geen uitleenadministratie hoeven bij te houden zijn op dit moment voldoende scholen, met name in primair en voortgezet onderwijs, die op vrijwillige basis de uitleningen bijhouden. Op scholen waar het programma 'De bibliotheek op school' draait, houdt de KB bovendien de uitleningen volledig bij. Op basis van deze datasets wordt een inschatting gemaakt van het aantal uitleningen op alle scholen. Er wordt op gelet dat de steekproef representatief is, zodat conclusies kunnen worden getrokken voor heel Nederland.102 Deze wijze van berekenen is in lijn met de strekking van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 juni 2011 in zaak C-271/110 tussen Vewa en de Belgische Staat, waaruit blijkt dat bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding rekening gehouden moet worden met de omvang van het uitlenen.

De leden van de VVD-fractie vinden transparantie en proportionaliteit in de governance en bekostiging van de betrokken stichtingen belangrijk. Deze leden vragen waar de vergoedingen voor de voorzitters van de StOL103 en SOnT104 op zijn gebaseerd. In hoeverre zijn deze vergoedingen marktconform en hoe verhouden deze zich tot de aard en omvang van de werkzaamheden? Kan de regering dit nader toelichten?

De voorzitters van de StOL en de SOnT worden op grond van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten van overheidswege benoemd. Zij moeten de onderhandelingen tussen rechthebbenden en betalingsplichtigen over de hoogte van de billijke vergoeding voor uitlenen respectievelijk privé-kopiëren in goede banen leiden en zo nodig de knoop doorhakken als partijen over de voornoemde vergoedingen niet tot een vergelijk kunnen komen. De voorzitters zijn topfunctionarissen in de zin van de Wet normering topinkomens (WNT). De hoogte van de beloning voor hun werkzaamheden wordt dan ook door de WNT begrensd. Deze maximale beloning wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van jaar tot jaar bijgesteld. De vorige voorzitter van de SOnT ontving de hoogst mogelijk vergoeding die op grond van de WNT is toegestaan. De huidige voorzitter van de SOnT wordt identiek beloond. Het gaat anno 2025 om een bedrag van ongeveer € 235,00 per uur. Er wordt gewerkt met een driejaarlijkse begroting, gebaseerd op de verwachte tijdsbesteding door de voorzitter, die zo nodig tussentijds kan worden aangepast. Het ligt voor de hand om de voorzitter van de StOL op dezelfde wijze te gaan belonen voor te verrichten werkzaamheden. Wat de marktconformiteit van de beloning betreft, zij opgemerkt dat de beloning is gekoppeld aan de publieke sector en niet aan de commerciële markt.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stemmen ermee in dat met dit wetsvoorstel wordt voorzien in een structurele wettelijke regeling voor compensatie van leenrechtvergoedingen bij uitleningen door scholen. Deze leden hechten aan fair pay als pijler in het cultuurbeleid. In dit verband wijzen zij ook op de motie van de leden Mohandis en Koops over de fairpayrichtlijnen voor opdrachtgevers105, die de Kamer in 2025 heeft aangenomen. Wat kan de regering inmiddels melden over de uitvoering van deze motie?

Als aangekondigd in de Kamerbrief ‘stand van zaken moties en toezeggingen cultuur’, die uw Kamer op 18 december 2025 heeft ontvangen106 loopt momenteel een ambtelijke verkenning naar de verschillende mogelijkheden om uitvoering te geven aan deze motie. In het najaar van 2026 zal uw Kamer hierover geïnformeerd worden.

De rechthebbenden krijgen steeds vaker geen billijke vergoeding door een verschuiving van uitleningen van kinder- en jeugdboeken door lokale bibliotheken naar schoolbibliotheken. Hoe groot is deze verschuiving en hoe wordt deze berekend?

Het is de regering niet bekend hoe groot deze verschuiving exact is.

Wel zijn in 2022 op basis van een eerder uitgevoerd onderzoek107 afspraken gemaakt met uitgevers, auteurs, vertalers, beeldmakers en bibliotheken over compensatie voor niet-afgedragen leenrechtvergoedingen bij uitleningen van boeken via de Bibliotheek op school in de periode 2013-2022. Op grond van deze afspraak is in 2022 een bedrag van in totaal € 6 miljoen uitgekeerd aan de rechthebbenden. Dit was een incidentele oplossing voor de afgelopen jaren. Voor een structurele oplossing wordt door middel van dit wetsvoorstel de Auteurswet zodanig gewijzigd, dat over alle uitleningen via bibliotheken van scholen een vergoeding aan de rechthebbenden wordt uitgekeerd. Met deze structurele oplossing wordt voor alle uitleningen een billijke vergoeding verstrekt, en daarmee worden de negatieve consequenties van de in de vraag benoemde verschuiving ondervangen. Hiervoor is een structureel bedrag van maximaal € 3,5 miljoen beschikbaar.

De leden van de CDA-fractie lezen dat het ministerie van OCW onderzoek gaat doen naar het aantal uitleningen, maar dat scholen geen uitleenadministratie hoeven bij te houden. Deze leden steunen dat, maar vragen wel hoe de regering dit dan precies gaat onderzoeken.

Het klopt dat de scholen geen uitleenadministratie hoeven bij te houden. Er zijn op dit moment echter scholen, met name in primair en voortgezet onderwijs, die op vrijwillige basis de uitleningen bijhouden. Op scholen waar het programma 'De bibliotheek op school' draait, houdt de KB bovendien de uitleningen bij. Op basis van deze datasets wordt een inschatting gemaakt van het aantal uitleningen op alle scholen. Er wordt op gelet dat de steekproef representatief is, zodat conclusies kunnen worden getrokken voor heel Nederland. Deze steekproef vormt de basis voor de jaarlijkse vergoedingen. De verwachting van de regering is dat deze gegevens beschikbaar blijven, ook na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel en dat de reeds ontwikkelde systematiek kan worden voortgezet.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering wil toelichten hoe in de berekening van de vergoeding door de staat rekening gehouden wordt met het aantal digitale uitleningen.

De uitleningen van werken door scholen en mbo-instellingen waarover de Staat, via het Ministerie van OCW, de leenrechtvergoeding jaarlijks afdraagt, betreffen uitleningen van werken uit een fysieke schoolbibliotheek. Kenmerkend hiervoor is onder meer dat de collectie permanent (in fysieke vorm) op de school of mbo-instelling aanwezig is. Digitale uitleningen (zoals e-books) kunnen door leerlingen en studenten worden gedaan via 'de online Bibliotheek' van de openbare bibliotheek en meer specifiek door kinderen in de leeftijdscategorie 0-18 jaar via 'de Jeugdbibliotheek', beide onderdeel van de digitale bibliotheek die uitgevoerd wordt door de KB.108 Deze uitleningen geschieden dus niet via scholen en mbo-instellingen. Hiermee valt de vergoeding voor deze uitleningen onder de afspraken over vergoedingen op basis van het convenant e-lending en dus niet onder de vergoeding als is bedoeld in dit wetsvoorstel.

Is het ten aanzien van digitale uitleningen wel duidelijk vast te stellen hoeveel uitleningen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden of wordt ook daarbij volstaan met een schatting?

De digitale uitleningen van de hele online Bibliotheek worden centraal uitgevoerd door de KB. Uitleningen worden op individueel niveau geadministreerd, waardoor het daadwerkelijke aantal uitleningen wordt vastgelegd. De aantallen worden jaarlijks vermeld in de bibliotheekmonitor van de KB. Zo werden in 2024 circa 6 miljoen e-books uitgeleend. De structuur voor de vergoedingen aan rechthebbenden is vastgelegd in het convenant e-lending.109

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de voorzitters van de StOL en de SOnT worden benoemd voor een termijn van ten hoogste drie jaren. Kan de regering toelichten waarom er is gekozen voor deze termijn? Waarom bijvoorbeeld niet ten hoogste vier of vijf jaren?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben gevraagd waarom voor de voorzitters van de StOL en de SOnT is gekozen voor een benoemingstermijn van ten hoogste drie jaren. Vooropgesteld zij dat iedere benoemingstermijn, of het nu gaat om drie, vier of vijf jaren, altijd enigszins arbitrair is. Gekozen is voor een benoemingstermijn van drie jaren, omdat dit aansluit bij de statuten van de beide onderhandelingsstichtingen waarin daarvan wordt uitgegaan.

3. Gevolgen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie signaleren met tevredenheid dat veel bibliotheken de leeftijd van 18 oprekken, bijvoorbeeld naar 21, 23, 24, 27 of zelfs 30 jaar. Zo heeft 53,5 procent van de bibliotheken een vorm van gratis lidmaatschap boven de 18 jaar (helemaal gratis, gratis tot een bepaalde leeftijd, gratis voor bepaalde doelgroepen). Daarvan is 37,7 procent gratis tot een bepaalde leeftijd, waarvan het grootste deel tot en met 27. In 2023 was het totaal van gratis vormen van lidmaatschap nog 17,9 procent en in 2025 38,2 procent. Deze leden zien dus een sterke toename. Is de regering het met de leden en de VOB eens dat het bij de toegang tot de openbare bibliotheek van belang is om (financiële) drempels weg te nemen?

De bibliotheek vervult een essentiële functie in de samenleving en daarom vindt ook de regering het belangrijk om mogelijke drempels weg te nemen, zodat openbare bibliotheken toegankelijk en bereikbaar zijn voor alle inwoners.

Bureau AEF geeft in recent onderzoek naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap110 aan dat naast financiële drempels ook factoren als onbekendheid, fysieke toegankelijkheid en sociale inclusie een rol kunnen spelen. De regering heeft geen inzicht of financiële drempels hierbij doorslaggevend zijn.

Op basis van het onderzoek van AEF concludeert de regering dat het wegnemen van financiële drempels alleen, bijvoorbeeld door het aanbieden van een gratis bibliotheeklidmaatschap, niet geïsoleerd moet worden ingezet. Als onderdeel van een bredere aanpak op maat kunnen vormen van gratis bibliotheeklidmaatschap op lokaal niveau zinvol zijn, afhankelijk van verschillende factoren. De regering volgt deze lokale initiatieven met interesse.111

Ziet de regering geldelijke bijdragen als een drempel die zij kan wegnemen?

Op basis van het onderzoek van AEF naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap ziet de regering onvoldoende bewijs dat een landelijk gratis bibliotheeklidmaatschap leidt tot meer gebruik en een grotere maatschappelijke impact van de bibliotheek. Daarbij komt dat gemeenten ook adequate financiering zouden moeten ontvangen wanneer het gratis lidmaatschap uitgebreid zou worden in de Wsob naar andere leeftijdsgroepen. Daar is binnen de begroting geen dekking voor.

Welke drempels ziet de regering nog meer in het toegang bieden voor eenieder tot de bibliotheek?

Toegankelijkheid is één van de vijf publieke waarden uit artikel 4 van de Wsob op basis waarvan openbare bibliotheekvoorzieningen hun taak uitvoeren voor het algemene publiek. Hoewel het onderzoek van AEF zich niet expliciet richtte op andere drempels dan financiële, komt er in het onderzoek naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap wel een aantal zijdelings aan bod, waaronder bekendheid met de bibliotheek en fysieke toegankelijkheid.112 Bibliotheken ontplooien reeds tal van initiatieven om de toegankelijkheid te vergroten en daarmee drempels weg te nemen, zoals het hanteren van begrijpelijk taalgebruik in communicatie-uitingen en passend aanbod voor mensen met een leesbeperking.

Het wetsvoorstel voorziet vooralsnog niet in een uitbreiding van de groep jongeren die ervoor in aanmerking komt geen contributie of andere geldelijke bijdrage te hoeven betalen voor uitleningen. In 2024 waren de inkomsten uit leners van bibliotheken (lidmaatschap en boetes) € 50,84 miljoen. Tijdens het rondetafelgesprek van 16 april 2026 over het onderhavige wetsvoorstel berekende de VOB ervan uitgaande dat ongeveer 10 procent van de lidmaatschappen tot de doelgroep 18-27 jaar behoort, dat een bandbreedte van € 5 tot 10 miljoen zou volstaan om de contributies voor deze leeftijdsgroep te compenseren en voor de aanvullende kosten van intensiever gebruik van de bibliotheek. Hoe vangen de bibliotheken die nu al de leeftijd van 18 oprekken (53,5 procent), de kosten ervan op?

De regering heeft geen compleet beeld van hoe bibliotheken deze kosten opvangen. De hoogte van de kosten hangt samen met de vorm of vormen van gratis lidmaatschap waar bibliotheken voor kiezen en met de doelgroepen die in aanmerkingen komen. In het onderzoek van AEF worden casussen van gratis lidmaatschap bij drie bibliotheken toegelicht.113 Slechts bij een van de casussen, in Rotterdam, wordt expliciet gemaakt hoe kosten worden opgevangen. Daar krijgen volwassenen de mogelijkheid om gratis een lidmaatschap met beperkte mogelijkheden af te sluiten, naast een breder betaald lidmaatschap, dat blijft bestaan. De gemeente draagt 16 euro per jaar per gratis volwassen bibliotheeklid bij.

Hoe lossen deze bibliotheken de problematiek van de verrekening van BTW op?

Dat verschilt per gemeente en bibliotheekorganisatie en hangt ook samen met de gekozen gratis lidmaatschapsvorm. In veel gevallen hanteren bibliotheken naast het gratis lidmaatschap nog een betaalde variant en bieden zij ook andere betaalde diensten aan, waardoor het recht op btw-aftrek (deels) in stand blijft. In Rotterdam betaalt de gemeente de ‘gratis’ lidmaatschappen van volwassenen, waardoor er geen btw-probleem ontstaat.

Met welke extra kosten en welke extra inkomsten krijgen deze bibliotheken te maken?

In het onderzoek van AEF worden geen bedragen genoemd. Met welke extra kosten en inkomsten bibliotheken te maken krijgen is afhankelijk van de aanpak en gekozen lidmaatschapsvorm. AEF stelt dat wanneer bibliotheken een gratis lidmaatschapsvorm invoeren naast betaalde lidmaatschappen de kosten beperkter zijn dan wanneer alle lidmaatschappen gratis zijn.114 Daarnaast maakt het ook uit voor welke voorwaarden wordt gekozen: wanneer bijvoorbeeld ook boetes worden afgeschaft, vallen de kosten hoger uit.

Zou de sector ook gebruik kunnen maken van het BTW-compensatiefonds, dat wettelijke taken van overheden compenseert, zodra er een zorgplicht gaat gelden, die men als wettelijke taak aanmerkt?

Het Btw-compensatiefonds is een fonds voor gemeenten en provincies en compenseert hen voor betaalde btw op extern ingekochte diensten en goederen (voor niet-ondernemerstaken). Het moet daarbij gaan om omzetbelasting die aan het publiekrechtelijke lichaam of regionaal openbaar lichaam in rekening wordt gebracht. Alleen publiekrechtelijke lichamen kunnen omzetbelasting die hen in rekening is gebracht terugvragen via het Btw-compensatiefonds. De zorgplicht uit het voorgestelde artikel 6 van de Wsob is echter een bekostigingsplicht voor gemeenten en openbare lichamen. De activiteiten die onder de zorgplicht worden verricht, worden in verreweg de meeste gevallen door zelfstandige bibliotheken uitgevoerd en niet door gemeenten zelf. Eventuele omzetbelasting zal dan ook voor rekening van bibliotheken komen. Zij maken daarbij geen aanspraak op compensatie onder het Btw-compensatiefonds. Alleen wanneer een bibliotheek onderdeel is van de gemeente zou een gemeente zelf wel aanspraak kunnen maken op het fonds.

4. Uitvoering

De leden van de D66-fractie merken op dat in het rondetafelgesprek over het onderhavige wetsvoorstel van 16 april 2026 sterk naar voren kwam dat de criteria nog niet duidelijk genoeg zijn opgesteld. Welke ruimte ziet de regering in de meerjarenplannen van de gemeente om de samenwerking tussen bibliotheken en scholen lokaal te versterken? En hoe wordt dit gewaarborgd?

De internetconsultatie voor het conceptbesluit over het meerjarenplan is eind maart gesloten. Momenteel worden de opmerkingen uit de internetconsultatie verwerkt. De reacties van de VOB, Stichting Lezen en bibliotheken om de samenwerking tussen bibliotheken en scholen een prominentere plek te geven, zullen worden meegenomen bij het verwerken van de in de consultatie opgehaalde inbreng. Daarbij zal ook worden gekeken naar mogelijkheden om de samenwerking tussen bibliotheken en scholen te versterken.

Met dit wetsvoorstel wordt wettelijk verankerd dat bibliotheken tot taak hebben om bij te dragen aan leesbevordering in het onderwijs. Voor de samenwerking op leesbevordering tussen bibliotheken en scholen is in 2027 € 38 miljoen en vanaf 2028 structureel € 50 miljoen beschikbaar. Dat bedrag wordt 50/50 verdeeld tussen bibliotheken en scholen. Scholen ontvangen het aandeel via de structurele bekostiging voor basisvaardigheden. Bibliotheken kunnen via een regeling over het geld beschikken. De regering verwacht dat hiermee ook de samenwerking tussen bibliotheken en scholen verder structureel wordt versterkt.

De leden van de D66-fractie vragen welke instrumenten de regering op het moment heeft dat de rijksmiddelen voor de bibliotheken lokaal niet bij de bibliotheken terecht komen.

Wanneer het wetsvoorstel in werking treedt, is sprake van een zorgplicht waar gemeenten en openbare lichamen aan moeten voldoen. Gemeenten bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid en de besteding van de middelen, waarbij zij zullen moeten voldoen aan de vereisten uit het wetsvoorstel. Colleges leggen aan hun gemeenteraden verantwoording af over hun keuzes en beleid. De provincie houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht. Daarnaast vindt er jaarlijks een bestuurlijk overleg plaats tussen overheden en bibliotheekpartijen, dat dient om de ontwikkelingen in de sector en de effecten van de wetswijziging op het bibliothekennetwerk te volgen en duiden. Deze overleggen zullen gelegenheid bieden voor de betrokken partijen om gezamenlijk vast te stellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.

Hoe borgt de regering dat de wetswijziging ook in de praktijk leidt tot een versterking van het bibliotheekstelsel?

Ter voorbereiding op de komst van de zorgplicht heeft de regering ervoor gekozen extra middelen te verstrekken via de specifieke uitkering en via een decentralisatieuitkering. Daarmee is een eerste stap richting versterking gezet. Het wetsvoorstel bevat daarbij bestuurlijke mechanismen en checks and balances om de kans op realisatie van de doelen zo groot mogelijk te maken, zoals besluitvorming in de lokale democratie en interbestuurlijk toezicht door de provincie. De invoering van de wetswijziging zal vergezeld gaan van een implementatieplan in samenwerking met de betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen. Daarmee beoogt de regering het wetsvoorstel ook in de praktijk tot een versterking van het bibliotheekstelsel te laten leiden.

Om gezamenlijk op koers te blijven, initieert de bewindspersoon van OCW jaarlijks een bestuurlijk overleg tussen de drie betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen (KB, SPN en de VOB). Tijdens deze overleggen worden de ontwikkelingen in de sector en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk jaarlijks gevolgd en geduid. Basis van dit overleg vormen in ieder geval de data vanuit de gegevenslevering Wsob die de KB jaarlijks verzorgt, de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht en waar mogelijk analyses op basis van de bibliotheekcertificering (een instrument van de sector zelf en de VNG). De jaarlijkse bestuurlijke overleggen zullen gelegenheid bieden voor de betrokken partijen om gezamenlijk vast te stellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting melding maakt van overleg dat heeft plaatsgevonden met betrokken overheden en bibliotheekpartijen over de invulling van het begrip “volwaardige bibliotheek”. In welke invulling van dit begrip heeft dit overleg geresulteerd, zo vragen deze leden.

Het overleg met betrokken overheden en bibliotheekpartijen over de invulling van het begrip ‘volwaardige bibliotheek’ heeft geleid tot een wettelijke zorgplicht op basis van de volgende hoofdcriteria: toegang tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen binnen redelijke afstand en in iedere gemeente minimaal één bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties uitvoert, beschikt over een fysieke collectie en een professionele personeelsbezetting. Deze criteria zijn opgenomen in het voorgestelde artikel 6 van de Wsob.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de VNG het budget via de algemene uitkering gemeentefonds voor een beperkte groep gemeenten die op dit moment nog niet voldoet aan de zorgplicht “mogelijk niet toereikend” noemt en wijst op het risico dat kleine gemeenten met een groot oppervlak bestaande kleinere bibliotheekvoorzieningen moeten sluiten. Daarom bepleit de VNG maatwerk. Wat houdt dit maatwerk volgens de VNG in?

De leden refereren aan een passage uit de uitvoeringstoets, die de VNG heeft verricht op basis van een eerdere versie van het wetsvoorstel. In deze toets pleitte de VNG voor een zorgplicht gebaseerd op inhoudelijke criteria, zodat gemeenten meer ruimte zouden krijgen voor een lokale invulling op maat. Mede op basis van deze opmerkingen van de VNG heeft de regering de zorgplicht in het gewijzigde wetsvoorstel inderdaad meer inhoudelijk en kwalitatief ingevuld. In de plaats van de eerdere formulering (minimaal één bibliotheekvestiging en een minimumaantal openingsuren) wordt in het wetsvoorstel nu sec de term bibliotheekvoorziening aangehouden, waardoor gemeenten meer ruimte krijgen om de vorm en het aanbod op de lokale context af te stemmen: het bepleite maatwerk.

Naar het oordeel van de VNG kan het overgrote deel van de gemeenten wel voldoen aan de zorgplicht. Deze leden vragen hoeveel gemeenten dit naar verwachting niet gaat lukken.

Met de aanpassing van het wetsvoorstel, waarbij meer ruimte is gecreëerd voor maatwerk, en met behulp van de extra middelen die structureel beschikbaar worden gesteld aan gemeenten voor de uitvoering van de zorgplicht (ongeveer € 60 miljoen in totaal) is de verwachting dat alle gemeenten kunnen gaan voldoen aan de zorgplicht.

Het totale bedrag per gemeente is nooit lager dan € 100.000. Voor welk deel is dit minimumbedrag doorgaans toereikend om in kleine gemeenten de maatschappelijke functies te kunnen vervullen om hun zorgplicht waar te maken?

Met deze middelen zullen kleine gemeenten de zorgplicht basaal maar afdoende kunnen invullen, dat wil zeggen: voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat binnen redelijke afstand toegankelijk is en het in stand houden van ten minste een bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties vervult en beschikt over een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting. Aanvullende financiering vanuit de gemeente kan wenselijk zijn om de meerwaarde en impact van de bibliotheek te vergroten.

5. Toezicht en handhaving

De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de provincies interbestuurlijk toezicht houden op de uitvoering van de zorgplicht door gemeente. Deze leden onderschrijven dat waar sprake is van een zorgplicht, passend toezicht noodzakelijk is om te waarborgen dat gemeenten hun taken daadwerkelijk uitvoeren. Tegen deze achtergrond vragen de leden op welke concrete elementen van de zorgplicht provincies toezicht houden via het interbestuurlijk toezicht.

De provincies houden toezicht op de elementen uit de zorgplicht uit het voorgestelde artikel 6 van de Wsob, namelijk: of het college van burgemeester en wethouders voorziet in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is, en of er ten minste één bibliotheekvoorziening is die alle vijf bibliotheekfuncties uit artikel 5 van de Wsob vervult en een fysieke collectie en een professionele personeelsbezetting heeft. Tot slot moeten provincies er toezicht op houden dat gemeenten volgens de nadere regels, die worden vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur115, een meerjarenplan opstellen, waarbij ze de lokale bibliotheek betrekken. Zoals gebruikelijk in het generiek interbestuurlijk toezicht zijn de provincies zelf verantwoordelijk voor de concrete invulling van het toezicht.

In hoeverre acht de regering deze vorm van toezicht voldoende om te borgen dat gemeenten daadwerkelijk aan de zorgplicht voldoen?

De regering acht deze vorm van toezicht voldoende. De provincies vullen het generieke interbestuurlijk toezicht veelal risicogericht in; in beginsel is toezicht geen instrument om de kwaliteit van de taakuitvoering van een gemeente te verbeteren.116 Het Rijk houdt toezicht op de uitvoering van de provinciale zorgplicht. De staatssecretaris van OCW heeft de mogelijkheid om, bij verminderde werking van het stelsel, in gesprek te treden met de betrokken overheden en de bibliotheekpartijen om zo gezamenlijk tot een oplossing te komen.

Om de ontwikkelingen in de sector en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk te volgen en duiden, initieert de staatssecretaris van OCW jaarlijks een bestuurlijk overleg tussen de drie betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen (KB, SPN en de VOB). Dit overleg wordt gevoerd aan de hand van in ieder geval de Gegevenslevering Wsob,117 de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht en waar mogelijk de analyses op basis van de bibliotheekcertificering (een instrument van de sector zelf en de VNG). De jaarlijkse bestuurlijke overleggen zullen gelegenheid bieden voor de betrokken partijen om gezamenlijk vast te stellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.

Daarnaast vragen de leden in hoeverre provincies organisatorisch in staat zijn deze toezichtstaak op zich te nemen. Beschikken zij over voldoende capaciteit om het interbestuurlijk toezicht effectief uit te voeren nu de bevorderingstaak wordt verzwaard naar een zorgplicht.

Er wordt budget toegevoegd aan het provinciefonds, zodat provincies de nieuwe taak van het toezicht op de gemeenten op dit onderdeel op kunnen pakken. Het gaat om € 500.000 in totaal. Provincies kunnen ervoor kiezen om dit budget te investeren in extra capaciteit, indien zij dat nodig achten. In de uitvoeringstoets over het wetsvoorstel heeft het IPO aangegeven de toezichtstaak binnen het beschikbaar gestelde budget te kunnen uitvoeren, maar dit opnieuw tegen het licht te willen houden bij de evaluatie van de Wsob binnen vijf jaar.118 De regering heeft hiermee ingestemd.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de provincies worden belast met het interbestuurlijk toezicht op de zorgplicht. Hoe denkt de regering over de wens van de provincies dat gemeenten niet alleen hun meerjarenplan moeten publiceren, maar dit ook en tevens binnen een bepaalde vaste termijn na de vaststelling ervan naar de provincies moeten toesturen?

De wens van de provincies om het meerjarenplan van de gemeenten toegezonden te krijgen is de regering bekend. Eerder heeft de regering deze verplichting niet in het wetsvoorstel opgenomen, onder andere vanuit het streven om de regeldruk voor gemeenten en de openbare lichamen te beperken. De keerzijde daarvan is echter dat de uitvoeringslasten voor gedeputeerde staten en de Rijksvertegenwoordiger toenemen. Mede naar aanleiding van deze vraag heeft de regering dit heroverwogen, en is in de nota van wijziging voorzien in een verplichting tot toezending van het meerjarenplan aan gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de Rijksvertegenwoordiger.

6. Financiële gevolgen

De leden van de VVD-fractie vragen om hoeveel gemeenten het gaat waar een nieuwe bibliotheek gerealiseerd zal moeten worden als gevolg van dit wetsvoorstel.

Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob119 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten.

Mook en Middelaar en Uitgeest hebben geen eigen bibliotheek maar zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten. Albrandswaard, Alphen-Chaam, Lopik en Oostzaan hebben een specifieke uitkering ontvangen voor het tot stand brengen van een volwaardige bibliotheekvestiging. In deze vier gemeenten zal dus een nieuwe bibliotheek moeten worden gerealiseerd. Gemeenten hebben tot het einde van 2026 tijd voor de uitvoering hiervan.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat een beperkt aantal gemeenten zonder bibliotheek een nieuwe bibliotheek zal moeten realiseren. Voor deze gemeenten betreft het dus een begin vanaf nul voorzieningen. Gemeenten zullen daar ook huisvesting moeten zoeken en dit zal meteen ook veel tijd en geld kunnen kosten. In hoeveel gemeenten speelt dit?

Vier gemeenten zonder volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel hebben in 2023 een specifieke uitkering van 440.000 euro aangevraagd en ontvangen. Dit bedrag was bedoeld om een volwaardige bibliotheekvestiging tot stand te brengen en gemeenten hebben hier sinds enkele jaren dus een start mee kunnen maken. Daarnaast ontvangen deze gemeenten, net als alle andere gemeenten, sinds 2025 een decentralisatie-uitkering zodat zij de investeringen kunnen voortzetten. De verwachting van de regering is dan ook dat ook deze gemeenten voldoende voorbereid zullen zijn op de inwerkingtreding van de zorgplicht.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting meldt dat gemeenten zonder bibliotheek in 2025 en 2026 middelen uit de decentralisatie-uitkering van € 59,3 miljoen kunnen inzetten om zich voor te bereiden op de zorgplicht. Deze leden vragen om een nadere toelichting hoe dit dan in zijn werk zal gaan.

Met de decentralisatie-uitkeringen, en daarvoor, met de specifieke uitkering in 2023 en 2024, hebben gemeenten zich kunnen voorbereiden op de wettelijke zorgplicht. Hoe deze voorbereiding eruitziet, is afhankelijk van de lokale situatie en daarmee verschillend per gemeente. De regering ziet dat gemeenten het geld onder andere gebruiken voor het realiseren en in stand houden van een nieuwe bibliotheekvestiging in een wijk of dorp – dit aansluitend op de investeringen via de specifieke uitkering. Andere gemeenten kiezen voor een investering in de uitbreiding van de vijf bibliotheekfuncties of meer bemenste openingsuren.

Uit een uitvraag van de VOB blijkt namelijk dat een groot deel van de openbare bibliotheken de bibliotheekmiddelen uit de decentralisatie-gelden niet ontvangt? Herkent de regering dit beeld? En zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de ambities die de wet beoogd in het garanderen van de toegang tot een volwaardige bibliotheek voor eenieder?

De regering is bekend met deze uitvraag van de VOB onder bibliotheekorganisaties en heeft ook rechtstreeks signalen ontvangen dat de beschikbare middelen vanuit de decentralisatie-uitkering niet in alle gemeenten volledig aan de bibliotheek beschikbaar zijn gesteld. Onder meer vanwege de door de VOB geuite zorgen heeft de toenmalig minister van OCW op 18 maart 2025 een brief gestuurd naar gemeenten om te stimuleren dat de middelen voor de bibliotheek worden aangewend.

Tegelijkertijd wijst de regering erop dat het bibliotheekstelsel een decentraal stelsel is. Gemeenten hebben beleidsvrijheid; zij bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid. De middelen die gemeenten ontvangen vanuit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. De regering ziet dit als een belangrijk uitgangspunt.

Om te verzekeren dat gemeenten in de bibliotheek (blijven) investeren, introduceert dit wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht. Wat betreft de invulling van de zorgplicht uit het wetsvoorstel zullen gemeenten moeten voldoen aan de vereisten uit de Wsob. In hun meerjarenplan over het bibliotheekbeleid moeten gemeenten hier een toelichting op geven. Ook wordt in het meerjarenplan een begroting opgenomen, waarmee de gemeente laat zien welke middelen zij aan de uitvoering van de zorgplicht gaat besteden. Daarmee kunnen de ambities uit het wetsvoorstel waargemaakt worden.

De provincie houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. Zolang gemeenten voldoen aan de vereisten uit de Wsob hebben en houden zij dus beleidsvrijheid bij het maken van inhoudelijke keuzes over het bibliotheekbeleid en de invulling van de zorgplicht in de lokale context.

Voor versterking van het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland komt jaarlijks € 385.000 beschikbaar. Het is de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie bekend dat op Bonaire de Biblioteka Publiko Boneiru bestaat, maar hoe staat het er op dit moment voor op Sint Eustatius en Saba met de bibliotheekvoorzieningen?

Op ieder eiland is een bibliotheekvoorziening in de vorm van een vestiging aanwezig. Zo is op Bonaire in 2025 een nieuwe bibliotheekvestiging geopend, waarbij alle vijf bibliotheekfuncties kunnen worden uitgevoerd. Op Saba zijn plannen gemaakt om de huidige bibliotheek op termijn onder te brengen in een nog te ontwikkelen, multifunctioneel expertisecentrum. Op Sint Eustatius kunnen nog stappen worden gezet om de huidige bibliotheek te ontwikkelen naar een toekomstbestendige bibliotheekvoorziening. Er worden momenteel gesprekken gevoerd tussen het openbaar lichaam van Sint Eustatius en het bestuur van de openbare bibliotheek, gericht op een betere informatievoorziening en planvorming ten aanzien van de bibliotheekversterking. Daarnaast is een pilot gestart voor ondersteuning van bibliotheken in Caribisch Nederland door een POI uit Europees Nederland.

Wat is daar de stand van zaken met schoolbibliotheken?

In heel Caribisch Nederland wordt samengewerkt tussen de bibliotheek en het onderwijs. Op welke manier dat gebeurt verschilt per eiland en is afhankelijk van de lokale context. Op Bonaire, het grootste eiland, zijn acht basisscholen en één vmbo-school (in de opstartfase) met een schoolbibliotheek. Er is een actief team vanuit de bibliotheek werkzaam op en voor basisscholen en momenteel wordt gekeken naar de inzet van de onderwijsprofessionals bij leesbevordering. Sint Eustatius en Saba zijn kleiner van omvang, de bibliotheken hebben ook een kleiner team van medewerkers. Op Sint Eustatius zijn collecties aangekocht voor alle basisscholen en de vmbo-school. Er worden nu stappen gezet naar een structurele samenwerking tussen de bibliotheek en het onderwijs. Op Saba is de samenwerking tussen de bibliotheek en de basis- en middelbare school goed. De scholen bezoeken regelmatig de bibliotheek. Er zijn plannen gemaakt voor het realiseren van schoolbibliotheken en versterking van de samenwerking rondom leesbevordering.

De leden van de CDA-fractie constateren dat dit wetsvoorstel voorziet in een structureel extra budget van € 60 miljoen, boven op het bestaande budget van ca. € 490 miljoen. Deze leden vragen wat de precieze onderbouwing is van dit extra bedrag. Hoe weet de regering of er niet meer of minder nodig is om de zorgplicht in te vullen?

Openbare bibliotheken in Europees Nederland ontvingen in 2024 in totaal € 511,6 miljoen uit gemeentelijke subsidies.120 Voor de extra taken die voortvloeien uit de zorgplicht, ontvangen gemeenten jaarlijks een structureel bedrag van circa € 60 miljoen. Met dit bedrag kunnen gemeenten de verbeteringen in het bibliotheekaanbod, die met de specifieke uitkering bibliotheken zijn gerealiseerd, voortzetten. Tevens kunnen gemeenten waar een bibliotheek ontbreekt, een volwaardige bibliotheekvoorziening tot stand brengen. Structurele financiering van gemeenten voor wettelijke taken verloopt via het gemeentefonds. Het is niet mogelijk om via het gemeentefonds alleen gemeenten te financieren die nog niet aan de zorgplicht voldoen. Daarom worden de middelen op basis van een verdeelsleutel over alle gemeenten verdeeld.

Vanuit het structurele extra jaarbudget van 60 miljoen euro ontvangen kleine gemeenten jaarlijks minimaal 100.000 euro en grotere gemeenten meer; het bedrag stijgt mee met het aantal inwoners. De gedachte hierachter is dat een bedrag van 100.000 euro per jaar voor kleine gemeenten volstaat om de zorgplicht basaal maar afdoende te kunnen invullen, al blijft aanvullende financiering vanuit de gemeente wenselijk om de meerwaarde en impact van de bibliotheek te vergroten.121

De VNG heeft op basis van een uitvoeringstoets geconstateerd dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is; de regering concludeert hieruit dat er voor kleinere gemeenten die nog niet aan de zorgplicht voldoen met de voorgestelde verdeelsleutel voldoende budget beschikbaar komt om hier verandering in te brengen.

De structurele financiële impuls die met dit wetsvoorstel gepaard gaat, wordt door de leden van de BBB-fractie positief gewaardeerd. Deze leden hechten eraan dat deze middelen daadwerkelijk ten goede komen aan het lokale bibliotheeknetwerk, zodat de beoogde versterking van het stelsel in de praktijk wordt gerealiseerd.

7. Evaluatie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel regelt dat de wet, gerekend vanaf het moment van inwerkingtreding, elke vijf jaar wordt geëvalueerd. In deze evaluatie zal onder meer de samenwerking tussen scholen en bibliotheken aan de orde komen bij leesbevordering en in de uitleningen via schoolbibliotheken. Hoe ziet volgens de regering straks een volwaardige bibliotheekvoorziening op iedere school eruit? Welke rol ziet de regering daarbij voor de scholen en welke rol voor de bibliotheken?

Over ‘een volwaardige bibliotheekvoorziening op school’ bestaan uiteenlopende definities. Scholen en bibliotheken bepalen zelf hoe zij invulling geven aan een bibliotheekvoorziening op school. Wel zijn er bepaalde richtlijnen die geraadpleegd kunnen worden wanneer een bibliotheekvoorziening op school wordt ingericht. Zo zijn er de bouwstenen van de aanpak ‘de Bibliotheek op school’122 en werken de bibliotheekbranche en Stichting Lezen aan een Kwaliteitskompas voor bibliotheken op school.

In de Kamerbrief Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden,123 wordt in lijn met de motie Moorman c.s.124 ingegaan op de vraag op welke manier elke school kan beschikken over een toegankelijke bibliotheekvoorziening en deskundige begeleiding. Inmiddels is ook de motie Biekman c.s.125 aangenomen over het verplicht stellen van een bibliotheek op alle instellingen binnen het funderend onderwijs.

Scholen krijgen met ingang van 2027 structureel middelen om de basisvaardigheden te verbeteren; scholen kunnen met dit geld onder andere een schoolbibliotheek bekostigen. Ook treden volgend schooljaar de vernieuwde kerndoelen Nederlands in werking. Hierin is expliciet opgenomen dat scholen een rijke leesomgeving moeten verzorgen. Daarbij krijgen bibliotheken met dit wetsvoorstel de wettelijke taak om scholen te ondersteunen bij leesbevordering. Voor bibliotheken komt voor dit doel in 2027 een budget van € 19 miljoen beschikbaar, vanaf 2028 gaat het om € 25 miljoen per jaar.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de uitwerking van de evaluatie zo lang op zich heeft laten wachten na het uitvoeren van de evaluatie in 2019.

De minister van OCW heeft op 2 april 2020 een beleidsreactie gegeven op de evaluatie van de Wsob.126 De beleidsreactie omvatte een beperkt aantal maatregelen, zoals het verplichte gratis lidmaatschap voor de jeugd, dat met de destijds beschikbare middelen kon worden opgepakt. Om het stelsel verder te kunnen versterken lag invoering van een wettelijke zorgplicht voor gemeenten voor de hand. Hiervoor waren aanvullende middelen nodig. Met het kabinet Rutte IV in 2022 kwam structurele financiering vrij voor het versterken van het bibliotheekstelsel.127 In 2023-2024 werd gestart met het repareren en versterken van het bibliotheeknetwerk via een specifieke uitkering waarmee gemeenten konden investeren in nieuwe bibliotheekvestigingen en het verbeteren van de dienstverlening van bestaande voorzieningen. In de jaren daarna kon deze investering worden voortgezet via een decentralisatie-uitkering. Vervolgens wordt de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de openbare bibliotheek wettelijk geborgd via dit wetsvoorstel.

8. Advies en consultatie

De leden van de D66-fractie merken op dat in een groot deel van Europa bibliotheken gratis zijn, hoe staat de wetgeving in andere Europese landen in verhouding tot de Nederlandse bibliotheekwetgeving omtrent het waarborgen van de toegang tot de bibliotheek?

In vrijwel alle lidstaten van de Europese Unie is het beleid rondom openbare bibliotheken net als in Nederland primair op lokaal niveau belegd. Dit maakt dat er grote verschillen zijn tussen Europese landen voor wat het bibliotheekbeleid betreft, zowel juridisch als financieel.

70% van de lidstaten van de Europese Unie beschikt net als Nederland over specifieke bibliotheekwetgeving waarin de beginselen van vrije toegang zijn verankerd. In 15 van de 27 Europese lidstaten is het bibliotheeklidmaatschap voor iedereen gratis; in Nederland geldt dit niet. Deze en andere informatie is te vinden in een rapport over openbare bibliotheken in Europa dat binnenkort verschijnt.128

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de memorie van toelichting is aangegeven dat geen algemeen gratis lidmaatschap wordt ingevoerd, mede vanwege het ontbreken van inzicht in de effecten en de budgettaire consequenties. Tegelijkertijd wijzen deze leden op de motie van de leden Rooderkerk en Kisteman129, waarin wordt verzocht onderzoek te doen naar op welke manier ieder kind automatisch lid kan worden van de openbare bibliotheek. Tegen deze achtergrond vragen deze leden naar de stand van zaken van dit onderzoek. Kan de regering aangeven wanneer de Kamer de uitkomsten van dit onderzoek kan verwachten? Is het eerste kwartaal van 2026 nog haalbaar zoals eerder aangegeven in een stand-van-zakenbrief? 130

Het onderzoek is inmiddels bij uw Kamer.131

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de VOB zich zorgen maakt of het budget dat het rijk beschikbaar stelt ook daadwerkelijk zal terechtkomen bij de bibliotheken. Deze leden vragen hoe de bekostiging die grotendeels geschiedt via de algemene uitkering gemeentefonds, voldoende waarborgen biedt dat het geld daadwerkelijk ter bestemder plaatse zal belanden.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben gelijk dat de bekostiging verloopt via het gemeentefonds, de middelen die gemeenten ontvangen zijn daarmee vrij besteedbaar. Met dit wetsvoorstel wordt echter een zorgplicht geïntroduceerd, waar gemeenten en openbare lichamen aan moeten voldoen. Deze zorgplicht dient als waarborg voor de besteding van middelen aan de bibliotheek. Gemeenten moeten immers voldoen aan de zorgplicht en dus middelen aanwenden om te voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel voor inwoners toegankelijk is, waaronder ten minste één bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties uit artikel 5 van de Wsob vervult en een collectie en professionele bemensing heeft.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel procent van de kinderen/jongeren tot 18 jaar lid zijn van de bibliotheek?

In 2024 telden bibliotheken ruim 2,4 miljoen leden van 0 tot 18 jaar132. Dat komt neer op 73% van alle kinderen en jongeren tot 18 jaar in (Europees) Nederland. In 2024 waren er in Caribisch Nederland (Sint Eustatius, Bonaire en Saba) in totaal 2024 jeugdleden (tot 18 jaar). Daarmee was in 2024 35% van de jeugd op de drie eilanden lid van de bibliotheek.133

Oftewel, welk deel van de kinderen/jongeren wordt hiermee bereikt en is hiervoor ook een doelstelling?

Het bereik van de bibliotheek is mogelijk groter dan de 73% die lid is. Zo werkten bibliotheken in het schooljaar 2024-2025 rondom leesbevordering samen met 5.048 locaties van kinderdagverblijven (54% van het totaal). Ook werkten ze samen met 5.986 schoollocaties in het primair onderwijs (86%) en 886 schoollocaties in het voortgezet onderwijs (61%).134 Het kan hierbij gaan om (incidentele) samenwerkingen zonder contract, of structurele samenwerking en via bijvoorbeeld BoekStart in de kinderopvang (met name bij kinderdagverblijven) of de Bibliotheek op school (dBos). De regering verwacht dat met deze samenwerkingen ook kinderen worden bereikt die geen regulier lidmaatschap van de lokale bibliotheek hebben. Daarnaast bereikt de bibliotheek ook kinderen en jongeren die geen lid zijn, maar deelnemen aan een activiteit of studeren in de bibliotheek. De regering heeft hierbij geen kwantitatieve doelstelling, maar stimuleert via leesbevorderingsprogramma’s als dBos en Boekstart wel dat kinderen en jongeren lid worden van de bibliotheek.

De leden van de CDA-fractie lezen dat er verschillende bibliotheken zijn die zich zorgen maken of het extra geld wel daadwerkelijk bij bibliotheken terecht komt, aangezien is gekozen voor een algemene uitkering uit het gemeentefonds. Deze leden begrijpen dat dit aansluit bij de huidige vormgeving van de middelen voor gemeenten, maar hebben hier nog wel een vraag over. De regering geeft namelijk aan dat uit onderzoek blijkt dat verreweg het grootste deel van de inkomsten van bibliotheken afkomstig is uit gemeentelijke subsidies – en dat dit bedrag ongeveer overeenkomt met de huidige beschikbare middelen. Deze leden vragen of de regering deelt dat dit algemene beeld niet alles zegt over de situatie op lokaal niveau, en dat dit in individuele situaties wel degelijk kan betekenen dat niet alle middelen bij de bibliotheek terecht komen. Zij vragen hoe de regering hiernaar kijkt.

De regering deelt de opvatting van de leden van het CDA dat het algemene beeld niet meteen alles zegt over de situatie op lokaal niveau. De middelen die gemeenten ontvangen vanuit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. In de praktijk kan het daarom voorkomen dat niet alle middelen via de gemeente bij de bibliotheek terechtkomen. Met dit wetsvoorstel wordt echter een zorgplicht geïntroduceerd, waar gemeenten en openbare lichamen aan moeten voldoen. Deze zorgplicht dient als waarborg voor de besteding van voldoende middelen aan de bibliotheek. Gemeenten moeten immers voldoen aan de zorgplicht en dus middelen aanwenden om te voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand voor inwoners toegankelijk is, waaronder ten minste één bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties uit artikel 5 van de Wsob vervult en een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting heeft.

En kan de regering aangeven of de middelen uit de Spuk bibliotheken ook daadwerkelijk bij bibliotheken terecht zijn gekomen?

Gemeenten zijn verplicht verantwoording af te leggen over de besteding van de Spuk-middelen via de zogenaamde ‘Sisa-systematiek’; dit geldt ook voor de specifieke uitkering voor bibliotheken. Dit is de standaardsystematiek voor de verantwoording van specifieke uitkeringen. Door middel van deze verantwoordingssystematiek wordt gegarandeerd dat de middelen uit deze specifieke uitkering terecht zijn gekomen bij de bibliotheken.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering kijkt naar het verzoek van de VOB om gemeenten en bibliotheken te ondersteunen bij de ontwikkeling van een subsidierelatie naar een bekostigingsrelatie en dit op te nemen in bestuurlijke afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten.

Gemeenten moeten hun bibliotheekbeleid beschrijven in een meerjarenplan. Het meerjarenplan moet een begroting bevatten en daarmee een meerjarig financieel perspectief bieden. In welke vorm dat gebeurt, via een subsidierelatie of een bekostigingsrelatie, is een keuze van de gemeente. De regering ziet geen rol voor zichzelf om gemeenten en bibliotheken hierbij te ondersteunen.

De leden van de SGP-fractie vragen op welke wijze richting kan worden gegeven aan de uitwerking van de zorgplicht van gemeenten. Deze leden constateren dat een concrete norm ten aanzien van openingstijden is vervallen. Zij begrijpen dat de regering ruimte wil laten aan de lokale praktijk om tot een passende uitwerking te komen, maar zij vragen er aandacht voor dat richtinggevende uitgangspunten nuttig kunnen zijn om het gesprek in gemeenten te ondersteunen.

De regering is het eens met de leden van de SGP-fractie dat richtinggevende uitgangspunten praktisch en wenselijk zijn. Om richting te geven, maar tegelijkertijd gemeenten de ruimte te laten af te wegen wat het beste past bij de lokale situatie, worden in het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, dat in het voorjaar van 2026 in internetconsultatie is geweest, verplichte onderdelen van het meerjarenplan genoemd, die dienen als uitgangspunt voor de invulling van de zorgplicht uit het voorgestelde artikel 6 van de Wsob. Deze onderdelen zijn concreet en zien op openbaar beschikbare gegevens. Daarnaast maakt de VNG met steun van het ministerie van OCW een handreiking voor gemeenten over de wijziging van de Wsob. In deze handreiking wordt aandacht besteed aan het meerjarenplan. De VNG is voornemens ook concrete voorbeelden en streefwaarden in deze handreiking op te nemen.

De leden van de SGP-fractie lezen dat gemeenten gezamenlijk een bibliotheekvoorziening in stand kunnen houden. Deze leden steunen de mogelijkheden voor gemeenten om samen te werken, maar zij vragen of de regering kan bevestigen dat gemeenten volgens het wetsvoorstel altijd minimaal een volwaardige bibliotheek met alle kernfuncties binnen de gemeente in stand moet houden.

Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege houdt als onderdeel van het aanbod van bibliotheekvoorzieningen ten minste één bibliotheekvoorziening in stand die alle vijf de functies uit artikel 5 van de Wsob omvat, een fysieke collectie heeft en over een professionele personeelsbezetting beschikt. Met ‘in stand houden’ wordt ook ‘mede in stand houden’ bedoeld, samen met een buurgemeente. Daarbij moet het aanbod wel op redelijke afstand toegankelijk zijn en moet de betreffende voorziening voldoen aan alle drie de eerdergenoemde eisen.

  1. Inwerkingtreding

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de regering beoogt pas drie jaar na publicatie van de wet de huidige bevorderingsplicht om te zetten in een zorgplicht. Deze leden wijzen op de motie van het lid Mohandis c.s. waarmee de Kamer al in 2022 vroeg om een wetswijziging om de toegang tot een volwaardige bibliotheek voor elke inwoner van Nederland garandeert.135 Hoe verhoudt de gekozen termijn zich tot het feit dat de Kamer met het aannemen van deze motie verzocht om de wetswijziging uiterlijk in 2023 aan de Kamer te doen toekomen?

In een eerdere versie van het wetsvoorstel was de zorgplicht vormgegeven als kwantitatieve norm, namelijk: ten minste één bibliotheekvestiging die een minimumaantal uren per week geopend is. Uit de consultatie van het wetsvoorstel bleek dat betrokken organisaties, zoals de VNG en de VOB, deze invulling onwenselijk vonden. Gelet op deze inbreng leek het de regering wenselijk om het wetsvoorstel aan te passen. De zorgplicht heeft daarbij een meer kwalitatieve invulling gekregen die recht doet aan de bezwaren van de betrokken partijen. Deze aanpassing heeft tijd gekost, ook omdat deze opnieuw is afgestemd met betrokken partijen. Daardoor heeft het wetsvoorstel enige vertraging opgelopen.

Onderdeel van het wetsvoorstel, in het kader van goed bestuur, is verder dat gemeenten een redelijke termijn krijgen om aan de verplichtingen van de wet te voldoen. Dat wil zeggen: voor het opstellen van een meerjarenplan en vervolgens voor het uitvoeren van het beleid uit het meerjarenplan. Voor het opstellen van het eerste meerjarenplan krijgen gemeenten een jaar de tijd, voor het voorbereiden op de zorgplichtkrijgen zij drie jaar de tijd. Met deze termijn verwacht de regering dat alle gemeenten en openbare lichamen bij inwerkingtreding van de zorgplicht aan deze plicht kunnen voldoen.

Heeft de regering ten aanzien van openbare bibliotheken vooruitlopend op de wetswijziging dan al die jaren stilgezeten?

De minister van OCW heeft op 2 april 2020 een beleidsreactie gegeven op de evaluatie van de Wsob.136 De beleidsreactie omvatte een beperkt aantal maatregelen, zoals het verplichte gratis lidmaatschap voor de jeugd, dat met de beschikbare middelen kon worden opgepakt. Met het kabinet Rutte IV kwam ook structurele financiering vrij voor het versterken van het bibliotheekstelsel.137 In 2023-2024 werd gestart met het repareren en versterken van het bibliotheeknetwerk via een specifieke uitkering waarmee gemeenten konden investeren in nieuwe bibliotheekvestigingen en het verbeteren van de dienstverlening van bestaande voorzieningen. In de jaren daarna kon deze investering worden voortgezet via een decentralisatie-uitkering. Vervolgens wordt de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de openbare bibliotheek wettelijk geborgd via dit wetsvoorstel.

Zou de regering inmiddels niet met een termijn van twee jaar moeten kunnen volstaan?

De termijn van drie jaar is gekozen met het oog op de tijd die gemeenten en openbare lichamen nodig hebben om zich redelijkerwijs te kunnen voorbereiden op de zorgplicht. Het is namelijk denkbaar dat gemeenten investeringen in bouw of verbouw moeten doen om aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Een periode van twee jaar na het opstellen van het meerjarenplan is dan niet voldoende. Daarom heeft de regering in overleg met partijen gekozen voor een termijn van drie jaar.

De leden van de PVV-fractie vragen de regering om te verduidelijken waarom er voor een overgangstermijn van drie jaar is gekozen. Op basis van welke analyse is vastgesteld dat deze termijn voor gemeenten toereikend is om aan de nieuwe zorgplicht te voldoen?

De termijn van drie jaar is gekozen met het oog op de tijd die gemeenten en openbare lichamen nodig hebben om zich redelijkerwijs te kunnen voorbereiden op de zorgplicht. Het is namelijk denkbaar dat gemeenten investeringen in bouw of verbouw moeten doen om aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Daarom heeft de regering in overleg met de VNG en de VOB gekozen voor een termijn van drie jaar.

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie hoe wordt omgegaan met gemeenten die na afloop van de overgangstermijn nog steeds niet beschikken over een volwaardige bibliotheekvoorziening.

Het is aan de provincie als toezichthouder om te bepalen hoe hiermee wordt omgegaan. Provincies kunnen ingrijpen als vastgelegde medebewindstaken niet (juist) worden uitgevoerd. Dan kan de toezichthouder gebruikmaken van de instrumenten uit het generieke interbestuurlijk toezicht, zoals indeplaatsstelling.

II. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdelen B en D

De leden van de SGP-fractie vragen waarom het bijvoeglijke naamwoord “openbare” door de regeling in verschillende onderdelen komt te vervallen en hoe zich dat verhoudt tot het opschrift van de wet.

Met het wetsvoorstel wordt een aantal artikelen in de Wsob gewijzigd, waarbij in een aantal gevallen begrippen worden aangepast. Dit was noodzakelijk omdat de huidige Wsob geen consistent begrippenkader kent. Een voorbeeld hiervan is het begrip ‘openbare bibliotheekvoorziening’. In de huidige wet is namelijk het onderscheid tussen bibliotheekvoorzieningen, zijnde de rechtspersonen die bibliotheken in stand houden, en bibliotheekvoorzieningen, zijnde de voorzieningen die worden verzorgd door die rechtspersonen, onduidelijk en inconsistent. Met dit wetsvoorstel wordt dit onderscheid verduidelijkt en consistent doorgevoerd in de wet. De rechtspersonen die bibliotheken in stand houden worden voortaan aangeduid als ‘bibliotheekorganisaties’ en de voorzieningen die zij verzorgen als ‘bibliotheekvoorzieningen’. In enkele gevallen heeft de harmonisatie ertoe geleid dat het bijvoeglijk naamwoord ‘openbare’ is komen te vervallen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd en wordt bovendien verduidelijkt dat alle, door bibliotheekorganisaties aangeboden voorzieningen in het kader van de wet openbaar zijn. Deze wijziging doet dus niet af aan het opschrift van de wet.

Artikel I, onderdeel F

De leden van de VVD-fractie steunen het uitgangspunt dat bibliotheekvoorzieningen voor alle inwoners toegankelijk moeten zijn en constateren dat in het wetsvoorstel wordt gesproken over “een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is”. Deze leden vragen zich af hoe dit criterium concreet moet worden geïnterpreteerd en hoe deze wordt bepaald.

In de memorie van toelichting wordt hierbij aangegeven dat het “voor de hand ligt om de geografie en demografie van de betreffende gemeente of het betreffende openbaar lichaam in acht te nemen” maar de leden vragen om een concretere toelichting.

In het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen worden de geografische en demografische indicatoren samen met enkele sociaal-maatschappelijke factoren in het kader van het meerjarenplan verder uitgewerkt. Het gaat om (i) de bereikbaarheid binnen redelijke afstand van het aanbod van bibliotheekvoorzieningen gelet op de oppervlakte van de gemeente dan wel het openbaar lichaam, (ii) het aantal inwoners, (iii) de leeftijdsopbouw, (iv) de sociaaleconomische status van de bevolking, (v) de manier waarop de lokale bibliotheek bijdraagt aan de lokale maatschappelijke opgaven, (vi) de betrokkenheid van de lokale bibliotheek bij de totstandkoming van het meerjarenplan en (vii) de verhouding tussen de lokale bibliotheek en andere sociaal-culturele voorzieningen en het onderwijs. Voor openbare lichamen in Caribisch Nederland geldt dat rekening moet worden gehouden met licht afwijkende criteria. Hiervoor is gekozen omdat niet alle voor de gemeenten genoemde CBS-gegevens ook voor Caribisch Nederland beschikbaar zijn. Zo ontbreekt de indicator met betrekking tot leeftijdsopbouw en is in plaats van sociaaleconomische status is opleidingsniveau gebruikt.

Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat het enkel beschikken over vrijwilligers onvoldoende is om te voldoen aan de zorgplicht. Deze leden onderstrepen dat zij een belangrijke bijdrage leveren aan het functioneren van bibliotheekvoorzieningen. Tijdens werkbezoeken hebben de leden bovendien gezien hoe groot de inzet en betrokkenheid van vrijwilligers is en hoe belangrijk zij zijn voor het mogelijk maken van activiteiten, zoals taalcursussen en het draaiend houden van voorzieningen. Tegelijkertijd zien zij dat de beschikbaarheid van vrijwilligers onder druk kan staan, onder meer als gevolg van vergrijzing. Zij vragen de regering daarom hoe zij de rol en inzet van vrijwilligers in relatie tot de zorgplicht ziet.

Bibliotheekorganisaties vormen samen met de POI's en de KB een netwerk; alle netwerkpartners werken intensief samen, bijvoorbeeld om evenwichtige collecties op te bouwen, het interbibliothecair leenverkeer te organiseren, digitaal informatie uit te wisselen en het onderwijs te ondersteunen. Hierin kwaliteit leveren is een vak en vergt expertise en continuïteit. Om dit in alle gemeenten te kunnen doen, werken bibliotheekorganisaties nooit alleen met vrijwilligers, maar hebben ze altijd (ook) betaalde krachten in dienst. De regering vermeldt de ‘professionele personeelsbezetting’ in de wet om bij deze praktijk aan te sluiten en een minimumniveau van dienstverlening te borgen. Het enkel beschikken over vrijwilligers is daarmee onvoldoende om te voldoen aan de zorgplicht. Echter, vrijwilligers spelen bij veel bibliotheken een belangrijke rol. Ze zijn een schakel tussen de bibliotheek en de lokale gemeenschap en ondersteunen betaalde krachten, maken activiteiten mogelijk en zorgen ervoor dat bibliotheken hun laagdrempelige en sociale functie kunnen vervullen. De regering ziet vooralsnog geen gebrek aan belangstelling om als vrijwilliger bij de bibliotheek aan de slag te gaan en verwacht niet dat dit met de komst van de zorgplicht zal veranderen.

Op welke wijze wordt rekening gehouden met mogelijke tekorten aan vrijwilligers in de toekomst?

Zoals genoemd, verwacht de regering niet dat de belangstelling voor vrijwilligersposities bij bibliotheken zal afnemen met de komst van de zorgplicht. Vrijwilligers leveren een wezenlijke bijdrage aan het bibliotheekwerk en veel bibliotheken voeren dan ook een actief vrijwilligersbeleid om eventuele tekorten in de toekomst uit te sluiten. Zo wordt actief uitgedragen dat vrijwilligers van waarde zijn voor de organisatie en er wordt ruimte geboden aan persoonlijke ontwikkeling.

En hoe wordt voorkomen dat gemeenten in de knel komen bij het voldoen aan de zorgplicht wanneer de beschikbaarheid van vrijwilligers afneemt?

De beschikbaarheid van vrijwilligers is zeker van wezenlijk belang voor het bibliotheekwerk. Echter, het voldoen aan de zorgplicht staat hier los van. Beschikken over professionele personeelsbezetting maakt wel onderdeel uit van de zorgplicht. Dit om de kwaliteit, expertise en continuïteit bij bibliotheken te waarborgen.

De leden van de SGP-fractie vragen of het uitwerken van het criterium “binnen redelijke afstand” uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente blijft dan wel dat er externe normen zijn die de vrijheid van de gemeente beperken.

Er worden geen nadere kwantitatieve normen in regelgeving vastgelegd, de invulling van het begrip ‘redelijke afstand’ is in beginsel de verantwoordelijkheid van de gemeente. Wel zijn in het conceptbesluit voor het meerjarenplan enkele geografische en demografische indicatoren en sociaal-maatschappelijke factoren opgenomen waar gemeenten en openbare lichamen rekening mee moeten houden bij de invulling van een redelijke afstand. Daarnaast kunnen gemeenten gebruik maken van een nog te publiceren handreiking van de VNG, die ook streefwaarden zal bevatten. Deze zijn bedoeld als hulpmiddel en voorbeeld en vormen geen verplichting.

Artikel I, onderdeel M

De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat de wijziging van artikel nog niet de beoogde duidelijkheid oplevert. Deze leden stellen vast dat de wet geen definitie bevat van het begrip openbare bibliotheek en dat, zoals benoemd bij artikel I, onderdelen B en D, het woord “openbare” juist op verschillende plekken vervalt. Bovendien wordt langer een onderscheid gehanteerd tussen lidmaatschap en het gebruik van voorzieningen. Hierdoor kan de vraag rijzen hoe verschillende lidmaatschappen zich tot elkaar verhouden. Deze leden vragen of de regering dit nogmaals wil bezien ten einde verwarring te voorkomen. Eveneens vragen zij hoe, in ieder geval ten aanzien van de landelijke digitale bibliotheek, van lidmaatschap gesproken kan worden voor zover het rechtsvormen betreft die geen leden kunnen hebben.

De leden merken terecht op dat er in het geval van bibliotheekorganisaties en ook de landelijke digitale bibliotheek geen sprake is van rechtsvormen die in privaatrechtelijke zin leden kunnen hebben. Met het gebruik van de term ‘lidmaatschap’ heeft de regering echter beoogd aan te sluiten bij de betekenis die in het maatschappelijk verkeer, en in het bijzonder in de context van de bibliotheek, aan deze term wordt gegeven. Dat is: het gebruik van voorzieningen of diensten die verzorgd of geleverd worden door een rechtspersoon. In het geval van de Wsob wordt met het lidmaatschap van de openbare bibliotheek dan ook gedoeld op het feit dat een persoon bij de bibliotheek is ingeschreven, het recht heeft om gebruik te maken van bepaalde diensten van bibliotheken, zoals het lenen van boeken en zoals het gebruik van de landelijke digitale bibliotheek, en dat de gegevens van deze persoon worden verwerkt om, bijvoorbeeld, een uitleenadministratie bij te kunnen houden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.Z.C.M. Tielen


  1. De inbreng van de wetgevingsrapporteurs is in het verslag te herkennen aan de zinsnede “de leden van de commissie (zijn van mening)” in tegenstelling tot “de leden van de X- fractie (zijn van mening)”.↩︎

  2. Koninklijke Bibliotheek, Dashboard Bibliotheekstatistiek’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-bibliotheekstatistiek.↩︎

  3. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  4. € 261.488 bij de wisselkoers op het moment van schrijven.↩︎

  5. Koninklijke Bibliotheek, ‘Databestand BES- en CAS-eilanden 2024’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/media/7143.↩︎

  6. Kamerstuk 31 293, nr. 670.↩︎

  7. Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 4.↩︎

  8. Wsob: Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.↩︎

  9. IPO: Interprovinciaal Overleg.↩︎

  10. Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 12.↩︎

  11. Het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen dat in het voorjaar van 2026 voor internetconsultatie is aangeboden (https://internetconsultatie.nl/bsob/b1), geeft invulling aan de elementen die daarbij in ieder geval aan bod moeten komen.↩︎

  12. De uitvoeringstoetsen bij het wetsvoorstel zijn te vinden via de wetgevingskalender: ‘Wijziging Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen i.v.m. invoering zorgplicht’, https://wetgevingskalender.overheid.nl/regeling/WGK014607/documenten/Tweede%20Kamer/Voorbereidende%20documenten%20gepubliceerd/1. De toetsen en reacties bij het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen zullen worden gepubliceerd op het moment dat het concept-besluit ter advisering aan de Afdeling advisering van de Raad van State wordt aangeboden.↩︎

  13. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  14. Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 13.↩︎

  15. Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 4.↩︎

  16. Koninklijke Bibliotheek, Dashboard Bibliotheekstatistiek’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-bibliotheekstatistiek.↩︎

  17. amvb: algemene maatregel van bestuur.↩︎

  18. Eerste concept van dit Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen is begin 2026 in consultatie geweest, https://internetconsultatie.nl/bsob/b1.↩︎

  19. VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten.↩︎

  20. VNG, maart 2025, Uitvoeringstoets Wijziging Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, https://vng.nl/sites/default/files/2025-05/eindrapport_ut_wijziging_wsob.pdf↩︎

  21. Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 11.↩︎

  22. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  23. Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 13.↩︎

  24. In 2024 werden bibliotheken 59 miljoen keer bezocht, zie:

    Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024/wettelijke-kernfuncties.↩︎

  25. Koninklijke Bibliotheek, Dashboard Bibliotheekstatistiek’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-bibliotheekstatistiek.↩︎

  26. www.biebtobieb.nl↩︎

  27. Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 13.↩︎

  28. Koninklijke Bibliotheek, Dashboard Bibliotheekstatistiek’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-bibliotheekstatistiek. .↩︎

  29. De uitvoeringstoetsen bij het wetsvoorstel zijn te vinden via de wetgevingskalender: ‘Wijziging Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen i.v.m. invoering zorgplicht’, https://wetgevingskalender.overheid.nl/regeling/WGK014607/documenten/Tweede%20Kamer/Voorbereidende%20documenten%20gepubliceerd/1. De toetsen en reacties bij het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen zullen worden gepubliceerd op het moment dat het concept-besluit ter advisering aan de Afdeling advisering van de Raad van State wordt aangeboden.↩︎

  30. Koninklijke Bibliotheek, Dashboard Bibliotheekstatistiek’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-bibliotheekstatistiek.↩︎

  31. VOB: Vereniging van Openbare Bibliotheken.↩︎

  32. Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 15.↩︎

  33. Koninklijke Bibliotheek, Dashboard Bibliotheekstatistiek’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-bibliotheekstatistiek.↩︎

  34. Kamerstuk 31 293, nr. 855.↩︎

  35. Kamerstuk 33 846, nr. 74.↩︎

  36. dBos: de Bibliotheek op School.↩︎

  37. Kamerstukken II 2025/26, 36981 nr. 2.↩︎

  38. Kamerstukken II 2025/26, 31293, nr. 875.↩︎

  39. Kamerstukken II 2025/26, 36981, nr. 2.↩︎

  40. Andersson Elffers Felix, Toegang zonder drempels. Een onderzoek naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap, 6 maart 2026, bijlage bij Kamerstukken II 2025/26, 33846, nr. 75.↩︎

  41. CBS, ‘Nabijheid van bibliotheekvoorzieningen, 2024’, www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/37/nabijheid-van-bibliotheekvoorzieningen-2024↩︎

  42. Kamerstuk 36 902, nr. 3, p. 12.↩︎

  43. Koninklijke Bibliotheek, Dashboard Bibliotheekstatistiek’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-bibliotheekstatistiek.↩︎

  44. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2021’, 28 juli 2022, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2021/openbare-bibliotheekvoorzieningen.↩︎

  45. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  46. Drie andere gemeenten hebben al samenwerkingsafspraken met buurgemeenten en twee andere gemeenten hebben geen bibliotheekvestiging maar wel een bibliobus; daarmee kunnen zij, net als de gemeenten met een of meerdere vestigingen, aan de zorgplicht gaan voldoen.↩︎

  47. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  48. Vernieuwing Bibliotheekconvenant 2024-2027, Stcrt. 2024, 33742.↩︎

  49. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  50. IDO: Informatiepunt Digitale Overheid.↩︎

  51. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dashboard Informatiepunten Digitale Overheid (IDO)’, 1 april 2026,https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-ido. .↩︎

  52. Kamerstukken II 2024/25, 26643, nr. 1371, bijlage 2.↩︎

  53. Kamerstukken II 2025/26, 26643, nr. 1450, p. 6-7.↩︎

  54. Naast vestigingen worden bijvoorbeeld ook afhaalpunten, zelfbedieningsbibliotheken en bibliotheekbushaltes tot de bibliotheekvoorzieningen gerekend.↩︎

  55. https://internetconsultatie.nl/bsob/b1.↩︎

  56. Ministerie van BZK, VNG en IPO, Handboek Wet revitalisering generiek toezicht, augustus 2012, p.29, https://open.overheid.nl/overheid/openbaarmakingen/api/v0/attachment/ronl-archief-0a7eab8c-761e-4bc9-9a58-83b4c2733ab5.↩︎

  57. ‘Wat is de Bibliotheek op school?’, https://www.debibliotheekopschool.nl/over/wat-is-de-bibliotheek-op-school.html.↩︎

  58. ‘Kwaliteitskompas de Bibliotheek op school’, https://pro.debibliotheekopschool.nl/over/kwaliteitskompas.html.↩︎

  59. Kamerstukken II 2025/26, 31293, nr. 875.↩︎

  60. Kamerstukken II 2025/26, 36699, nr. 27.↩︎

  61. Kamerstukken II, 2025/26, 36 773, nr. 5.↩︎

  62. Dankzij prijsindexaties in 2025 en 2026 zal de bijdrage in 2027 naar verwachting € 3,05 per inwoner bedragen. Het definitieve bedrag wordt gepubliceerd in de Septembercirculaire Gemeentefonds 2027.↩︎

  63. Dankzij prijsindexaties in 2025 en 2026 zal de minimumuitkering per gemeente in 2027 naar verwachting € 105.000 bedragen. Het definitieve bedrag wordt gepubliceerd in de Septembercirculaire Gemeentefonds 2027.↩︎

  64. Ministerie van BZK, VNG en IPO, Handboek Wet revitalisering generiek toezicht, augustus 2012, p.29, https://open.overheid.nl/overheid/openbaarmakingen/api/v0/attachment/ronl-archief-0a7eab8c-761e-4bc9-9a58-83b4c2733ab5.↩︎

  65. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  66. Koninklijke Bibliotheek, Dashboard Bibliotheekstatistiek’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-bibliotheekstatistiek.↩︎

  67. Volgens www.bibliotheeknetwerk.nl/artikel/bibliotheekbezoeken geeft circa de helft van de Nederlanders aan nooit een bibliotheek te bezoeken.↩︎

  68. Zie: https://www.internetconsultatie.nl/bsob/b1.↩︎

  69. Ministerie van BZK, VNG en IPO, Handboek Wet revitalisering generiek toezicht, augustus 2012, p.29, https://open.overheid.nl/overheid/openbaarmakingen/api/v0/attachment/ronl-archief-0a7eab8c-761e-4bc9-9a58-83b4c2733ab5.↩︎

  70. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2022’, 27 juli 2023, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2022.↩︎

  71. Dankzij prijsindexaties in 2025 en 2026 zal de bijdrage in 2027 naar verwachting € 3,05 per inwoner bedragen en wordt de minimumuitkering per gemeente in 2027 naar verwachting € 105.000. De definitieve bedragen worden gepubliceerd in de Septembercirculaire Gemeentefonds 2027.↩︎

  72. Art. 7 van de Wsob; ondanks terminologische wijzigingen blijft dit artikel wat betreft het netwerk in stand.↩︎

  73. KB, SPN en VOB, Netwerkagenda 2024-2027, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/sites/default/files/documents/Netwerkagenda.pdf.↩︎

  74. www.biebtobieb.nl↩︎

  75. Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 44.↩︎

  76. Kamerstuk 36 699, nr. 27.↩︎

  77. Antwoord op vraag 22 in Kamerstuk 36 773, nr. 4.↩︎

  78. Ministerie van OCW, ‘Masterplan basisvaardigheden; Structurele bekostiging basisvaardigheden’, https://www.masterplanbasisvaardigheden.nl/structurele-bekostiging-basisvaardigheden.↩︎

  79. Kamerstukken II 2025/26, 26643, nr. 1450, p. 6-7.↩︎

  80. Kamerstukken II 2025/26, 26643, nr. 1450, p. 6-7.↩︎

  81. Kamerstuk 26 643, nr. 1419.↩︎

  82. Kamerstukken II 2025/26, 26643, nr. 1450, p. 6-7.↩︎

  83. Kamerstukken II 2025/26, 26643, nr. 1423, p. 2.↩︎

  84. Kamerstukken II 2025/26, 26643, nr. 1450, p. 6-7.↩︎

  85. Kamerstukken II 2024/25, 26643, nr. 1371, bijlage 2.↩︎

  86. KPMG, Exploitatieonderzoek Informatiepunt Digitale Overheid, 21 oktober 2024, https://open.overheid.nl/overheid/openbaarmakingen/api/v0/attachment/1ed850df-1f05-49b2-bbab-10e3155f0372.↩︎

  87. Kamerstuk 36 740 VII, nr. 35.↩︎

  88. Kamerstukken II 2025/26, 26643, nr. 1450, p. 7.↩︎

  89. Kamerstukken II 2025/26, 26643, nr. 1450, p. 6-7.↩︎

  90. Kamerstukken II 2025/26, 26643, nr. 1423, p. 2.↩︎

  91. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  92. Koninklijke Bibliotheek, Dashboard Bibliotheekstatistiek’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-bibliotheekstatistiek.↩︎

  93. Zie: https://www.internetconsultatie.nl/bsob/b1.↩︎

  94. Eerste concept van dit Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen is begin 2026 in consultatie geweest, https://internetconsultatie.nl/bsob/b1.↩︎

  95. Eerste concept van dit Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen is begin 2026 in consultatie geweest, https://internetconsultatie.nl/bsob/b1.↩︎

  96. Mark Deckers, ‘De route naar de zorgplicht voor bibliotheken (zoals we die nu kennen) in vier vragen’,16 juni 2024, https://www.markdeckers.net/2024/06/de-route-naar-de-zorgplicht-voor.html.↩︎

  97. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  98. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  99. Andersson Elffers Felix, Eindrapport AEF onderzoek uitleningen schoolbibliotheken, 9 november 2023, bijlage bij Kamerstukken II 2023-2024, 33846, nr. 71.↩︎

  100. Andersson Elffers Felix, Eindrapport AEF onderzoek uitleningen schoolbibliotheken, 9 november 2023, bijlage bij Kamerstukken II 2023-2024, 33846, nr. 71.↩︎

  101. ECLI:EU:C:2011:445.↩︎

  102. Stcrt. 2024, 3271; Stcrt. 2024, 22720; Stcrt. 2025, 28036.↩︎

  103. StOL: Stichting Onderhandelingen Leenrechtvergoeding.↩︎

  104. SOnT: de Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding.↩︎

  105. Kamerstuk 32 820, nr. 549.↩︎

  106. Kamerstukken II 2024–2025, 32 820, nr. 543↩︎

  107. Ecorys & IViR, Onderzoek naar de ontwikkeling van de afdracht van leenrechtvergoedingen (2006-2015), 31 maart 2017, bijlage bij Kamerstukken II 2017-18, 28330, nr. 57.↩︎

  108. www.jeugdbibliotheek.nl↩︎

  109. Stcrt. 2018, nr. 5903.↩︎

  110. Andersson Elffers Felix, Toegang zonder drempels. Een onderzoek naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap, 6 maart 2026, p. 12-13, bijlage bij Kamerstukken II 2025-2026, 33846, nr. 75.↩︎

  111. Kamerstukken II 2025/26, 33846, nr. 75, p. 4↩︎

  112. Andersson Elffers Felix, Toegang zonder drempels. Een onderzoek naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap, 6 maart 2026, p. 12-13, bijlage bij Kamerstukken II 2025-2026, 33846, nr. 75.↩︎

  113. Andersson Elffers Felix, Toegang zonder drempels. Een onderzoek naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap, 6 maart 2026, bijlage bij Kamerstukken II 2025-2026, 33846, nr. 75.↩︎

  114. Andersson Elffers Felix, Toegang zonder drempels. Een onderzoek naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap, 6 maart 2026, bijlage bij Kamerstukken II 2025-2026, 33846, nr. 75.↩︎

  115. Eerste concept van dit Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen is begin 2026 in consultatie geweest, https://internetconsultatie.nl/bsob/b1.↩︎

  116. Ministerie van BZK, VNG en IPO, Handboek Wet revitalisering generiek toezicht, augustus 2012, p.29, https://open.overheid.nl/overheid/openbaarmakingen/api/v0/attachment/ronl-archief-0a7eab8c-761e-4bc9-9a58-83b4c2733ab5..↩︎

  117. Koninklijke Bibliotheek, Dashboard Bibliotheekstatistiek’, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-bibliotheekstatistiek.↩︎

  118. Te raadplegen via https://wetgevingskalender.overheid.nl/regeling/WGK014607/documenten/Tweede%20Kamer/Voorbereidende%20documenten%20gepubliceerd/1.↩︎

  119. Koninklijke Bibliotheek (2025). Bibliotheekstatistiek 2024: www.bibliotheeknetwerk.nl. Dossier Bibliotheekstatistiek 2024.↩︎

  120. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024’, 11 september 2025, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024.↩︎

  121. Dankzij prijsindexaties in 2025 en 2026 zal de bijdrage in 2027 naar verwachting € 3,05 per inwoner bedragen en wordt de minimumuitkering per gemeente in 2027 naar verwachting € 105.000. De definitieve bedragen worden gepubliceerd in de Septembercirculaire Gemeentefonds 2027.↩︎

  122. [1] ‘Wat is de Bibliotheek op school?’, https://www.debibliotheekopschool.nl/over/wat-is-de-bibliotheek-op-school.html.↩︎

  123. Kamerstukken II 2025/26, 31293, nr. 875.↩︎

  124. Kamerstukken II 2025/26, 36699, nr. 27.↩︎

  125. Kamerstukken II, 2025/26, 36 773, nr. 5.↩︎

  126. Kamerstukken II, 2019/20, 33846, nr. 57.↩︎

  127. Kamerstukken II, 2022/23, 33846, nr. 70.↩︎

  128. Publications Office of the European Union, Strengthening Europe Through Sustained Investment in Public Libraries, EU Open Method of Coordination, 2026..↩︎

  129. Kamerstuk 28 760, nr. 117.↩︎

  130. Kamerstuk 32 820, nr. 560.↩︎

  131. Kamerstukken II 2025/26, 33846, nr. 75.↩︎

  132. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024; Leden, fysieke collectie en uitleningen’, 29 juni 2026, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024/leden-fysieke-collectie-en-uitleningen.↩︎

  133. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dossier Bibliotheekstatistiek 2024; Bibliotheken in het Caribisch deel van het Koninkrijk’, 29 juni 2026, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/publicaties/dossier-bibliotheekstatistiek-2024/bibliotheken-in-het-caribisch-deel-van-het.↩︎

  134. Koninklijke Bibliotheek, ‘Dashboard Dienstverlening voor jeugd’, 19 maart 2026, https://www.bibliotheeknetwerk.nl/dashboard/dashboard-dienstverlening-voor-jeugd.↩︎

  135. Kamerstuk 32 820, nr. 474.↩︎

  136. Kamerstukken II, 2019/20, 33846, nr. 57.↩︎

  137. Kamerstukken II 2022-2023, 33846, nr. 70.↩︎