Voortgang gesprekken over de productiemiddelen voor de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren
Openbaar vervoer
Brief regering
Nummer: 2026D36333, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-07-17 12:23, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Onderdeel van kamerstukdossier 23645 -906 Openbaar vervoer.
Onderdeel van zaak 2026Z16076:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-09-01 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-09 10:15: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
23 645 Openbaar vervoer
Nr. 906 Brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juli 2026
Op 17 juni jl. heb ik met de Kamer gesproken in een tweeminutendebat
over de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren. Het kabinet heeft
de boodschap van de Kamer goed gehoord: er moet zo snel mogelijk
duidelijkheid komen over de afspraken rondom de productiemiddelen, zodat
het aanbestedingsproces zo min mogelijk vertraging oploopt en de
bereikbaarheid van de Waddeneilanden goed wordt geborgd. Het kabinet
neemt deze boodschap ter harte. Naar aanleiding van de motie-Grinwis
c.s.1, die in dit tweeminutendebat is
ingediend en vervolgens is aangenomen, informeert het kabinet de Kamer
met deze brief over de lopende gesprekken over de productiemiddelen.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ten eerste de schepen en ten
tweede de overige productiemiddelen (terminals en haveninfrastructuur).
Voor de vaststelling van de overnamesommen van de schepen moet het
kabinet een zorgvuldig proces doorlopen. Dat heeft invloed op de
planning van de lopende aanbesteding. Aan het einde van deze brief is
hierover een nadere toelichting opgenomen.
Schepen
Bij de overgang naar de nieuwe concessies in 2029 moeten de huidige concessiehouders (Rederij Doeksen en Wagenborg Passagiersdiensten) de schepen die gebruikt worden voor de uitvoering van de concessie overdragen naar de nieuwe concessiehouder, tegen een bepaalde overnamesom. De basis voor deze overnamesom is een taxatie van de schepen, uitgevoerd in opdracht van de huidige concessiehouders. Deze taxaties zijn vervolgens beoordeeld door een controleur in opdracht van het ministerie van IenW (hierna: IenW). Naar aanleiding van deze controle bepaalt op dit moment een bindend adviseur, op initiatief van IenW, of de uitgevoerde taxaties voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de concessies, of dat er nog aanpassingen nodig zijn. Deze bindend adviseur is door IenW en de huidige concessiehouders gezamenlijk aangesteld. Aan de hand van het oordeel van de bindend adviseur kan een definitieve overnamesom voor de schepen worden vastgesteld. Naar verwachting zal dit proces vlak na de zomer worden afgerond.
Gegeven het bovenstaande kost het proces om tot definitieve overnamesommen van de schepen te komen meer tijd dan eerder werd voorzien. Het kabinet doet alles wat mogelijk is om dit proces te versnellen, maar is afhankelijk van externe partijen en de beschikbaarheid van de betrokken personen in de zomerperiode.
Overige productiemiddelen
Op het gebied van de overige productiemiddelen (terminals en haveninfrastructuur) is het nodig dat inschrijvers weten welke gebruiksvergoeding zij in de nieuwe concessieperiode moeten gaan betalen voor het gebruik van deze productiemiddelen. Deze duidelijkheid is op 10 juli jl. gegeven door de publicatie van de tweede Nota van Inlichtingen.2 Met deze Nota van Inlichtingen zijn de geactualiseerde vastgoedovereenkomsten openbaar gemaakt die gelden bij de beschikbaarstelling van de productiemiddelen door het Rijk aan de nieuwe concessiehouders vanaf 2029. In deze vastgoedovereenkomsten is de hoogte van de gebruiksvergoeding opgenomen. Door deze duidelijkheid nu aan inschrijvers te verstrekken, ruim voordat een eerste inschrijving moet worden ingediend, geeft het kabinet ook invulling aan de motie-Wiersma.3
Vervolgproces
Door de geschetste stappen rondom het vaststellen van de overnamesommen van de schepen, zal het aanbestedingsproces vertraging oplopen. Informatie die van belang is voor inschrijvers zal immers later in de tijd beschikbaar komen. Het kabinet wil borgen dat inschrijvers voldoende tijd hebben om deze nieuwe informatie tot zich te nemen en daar vragen over te kunnen stellen richting IenW. Daarom zal er tegen het einde van 2026 een extra (vierde) Nota van Inlichtingen komen, voordat geïnteresseerde partijen in het voorjaar van 2027 een eerste inschrijving moeten indienen. Het beoogde moment van gunning schuift op naar het derde kwartaal van 2027. Daarmee resteert er nog steeds een afdoende implementatieperiode van ongeveer anderhalf jaar.
De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
Kamerstuk 23 645, nr. 903.↩︎
Kamerstuk 23 645, nr. 901.↩︎