Kabinetsreactie op het advies 'Eerlijk Verduurzamen: randvoorwaarden voor rechtvaardig beleid' van Rli
Duurzame ontwikkeling en beleid
Brief regering
Nummer: 2026D36364, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-08-03 12:21, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei (Ooit D66 kamerlid)
- Rli advies Eerlijk verduurzamen DEF
- Kabinetsreactie Rli advies: 'Eerlijk verduurzamen'
- Beslisnota bij Kamerbrief Kabinetsreactie op het advies 'Eerlijk Verduurzamen: randvoorwaarden voor rechtvaardig beleid' van Rli
Onderdeel van kamerstukdossier 30196 -862 Duurzame ontwikkeling en beleid.
Onderdeel van zaak 2026Z16083:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
- 2026-09-01 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-08 17:00: Procedurevergadering commissie Klimaat en Groene Groei (Procedurevergadering), vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Hierbij stuur ik u, mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de staatssecretaris van Financiën, een reactie op het advies “Eerlijk verduurzamen: randvoorwaarden voor rechtvaardig beleid'' van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli). Met het advies reikt de Rli de overheid belangrijke handvatten aan voor verduurzamingsbeleid dat niet alleen effectief, maar ook eerlijk is. En dat ervoor zorgt dat iedereen mee kán en mee gáát doen aan verduurzaming.
Het advies benadrukt dat de verduurzamingsopgave alleen kan slagen als deze door de samenleving als eerlijk wordt ervaren en gesteund wordt. Het kabinet onderschrijft deze kernboodschap. De transitie naar een duurzame samenleving is noodzakelijk om de leefomgeving voor huidige en toekomstige generaties te beschermen, biedt kansen op nieuwe banen en maakt Nederland minder afhankelijk van schommelingen in prijzen voor fossiele energie. Tegelijkertijd raakt de transitie mensen en bedrijven nu al op uiteenlopende manieren en heeft soms onbedoelde neveneffecten die bijdragen aan het vergroten van bestaande kwetsbaarheden en nieuwe ongelijkheden.
Het kabinet ziet het als belangrijke randvoorwaarde van succesvolle verduurzaming dat zo veel mogelijk burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties meedoen. En dat de lusten en lasten nu en op de langere termijn eerlijker worden verdeeld. Ook de situaties van bijvoorbeeld mensen met een laag inkomen, iemand die alleen woont, of iemand die voor zijn werk veel moet reizen, moeten meegenomen worden in beleidsvorming. Daarom gaat het kabinet voortaan bij nieuw beleid of wetgeving nadrukkelijker bezien welke groepen ervan profiteren, welke groepen risico lopen achter te blijven en welke aanvullende, gerichte inzet nodig is om kansen en lasten evenwichtiger te verdelen.
Het advies van het Rli raakt het verduurzamingsbeleid in al haar facetten. In deze reactie licht het kabinet een aantal aspecten van het advies uit, geeft aan op welke wijze het kabinet hiermee bezig is en waar het advies aanleiding is voor nieuwe inzichten of een andere aanpak. De waarde van het advies is bovenal dat het een belangrijke bijdrage kan leveren aan toekomstige beleidsontwikkeling en het maatschappelijk en politiek debat over verduurzaming. Daarvoor is het kabinet de Rli zeer erkentelijk.
Bevindingen Rli advies
De Rli doet drie kernaanbevelingen. Ten eerste moet verduurzamingsbeleid meer worden verbonden met rechtvaardigheid. Het beleid sluit nu onvoldoende aan bij de mogelijkheden van verschillende groepen in de samenleving, waardoor veel mensen, kleine bedrijven en maatschappelijke organisaties niet kunnen profiteren van de mogelijkheden die beleid biedt om te verduurzamen. Dit vergroot ongelijkheid en zet het draagvlak voor de transitie onder druk. Ten tweede adviseert de Rli om verduurzamingsbeleid structureel te verbinden met sociaaleconomisch en sociaal-cultureel beleid. De menselijke kant van beleid krijgt momenteel onvoldoende aandacht waardoor er te weinig oog is voor maatschappelijke gevolgen. De derde kernaanbeveling van de Rli is dat stevige beleidsinstrumenten nodig zijn om ervoor te zorgen dat duurzaamheid voor iedereen de standaard wordt. En dat iedereen, ook kapitaalkrachtige groepen die in staat zijn op eigen kracht duurzame keuzes te maken, dat ook doen en niet achterblijven.
In deze brief geeft het kabinet een algemene appreciatie van de hoofdboodschap van het rapport, gaat het in detail in op drie hoofdzaken uit het advies en reflecteert het daarnaast op overige aandachtspunten.
Appreciatie
De klimaatopgave en energietransitie zijn uniek in omvang, reikwijdte en complexiteit en zijn cruciaal om de concurrentiekracht en weerbaarheid van Nederland op de langetermijn te borgen. In de afgelopen jaren zijn belangrijke stappen gezet, onder meer op het gebied hernieuwbare energie, energiebesparing en de verduurzaming van de gebouwde omgeving.1 Het kabinet zet volop in op deze transitie en hecht waarde aan de inzet van alle partijen hierop. De huidige onzekerheden van energieprijzen als gevolg van conflicten in de wereld benadrukken het belang van verduurzaming en de noodzaak om vaart te maken. Het kabinet heeft hierin reeds belangrijke stappen gezet, zoals het maatregelenpakket om de gevolgen van hoge energieprijzen te beperken2 en het Noodfonds energie.
Tegelijkertijd groeit het besef dat deze opgaves een lange adem vergen en ook dat de relatief eenvoudig te realiseren maatregelen voor een belangrijk deel zijn genomen. Verdere voortgang vraagt om meer inzet van de hele samenleving. Dit betekent ook dat noodzakelijke maatregelen zichtbaarder en voelbaarder worden in de directe leefwereld van mensen en dat dit spanning oplevert. Om steun van mensen, kleine bedrijven en maatschappelijke organisaties voor de transitie te behouden is het nodig dat de overheid er samen met bedrijven en burgers in optrekt en dat iedereen zijn of haar eigen bijdrage hierin levert. Hiervoor is stabiel overheidsbeleid nodig, met voldoende normerende, beprijzende, subsidiërende en ontzorgende maatregelen en meer aandacht voor draagvlak, rechtvaardigheid, participatie en verdelingsvraagstukken. Het kabinet wil ervoor zorgen dat iedereen mee kan doen en ook mee doet. Door goed gebruik te maken van de ervaringen en inzichten die in de samenleving aanwezig zijn wil het kabinet beleid maken dat ook als rechtvaardig wordt ervaren. Bij de vormgeving van het klimaat- en energiepakket voor het voorjaar van 2027 wordt dan ook nadrukkelijk bezien hoe voldoende rekening kan worden gehouden met de positie van kwetsbare groepen.
Het kabinet heeft in het Klimaatplan 2025-20353 vastgelegd dat de transitie rechtvaardig moet zijn. Dit betekent dat beleid erop gericht is dat mensen naar draagkracht bijdragen, dat de grootste vervuilers daar evenredig naar betalen en dat de lusten en lasten van de transitie evenwichtig worden verdeeld, waarbij beleid rekening houdt met verschillen in uitgangspositie en handelingsperspectief. De inzichten uit het Rli-advies bevestigen het belang van deze koers en bieden aanknopingspunten om deze verder te concretiseren.
Deelaanbeveling 1: verbind het fysieke met het sociale domein
Een kernpunt uit het advies is de noodzaak om de samenhang tussen het sociale en fysieke domein van verduurzamingsbeleid te versterken. Verduurzaming is niet uitsluitend een technologische opgave maar raakt aan sociale uitdagingen zoals betaalbaarheid, gezondheid en bestaanszekerheid. Het kabinet herkent dit en heeft de afgelopen jaren stappen gezet om deze verbinding te versterken.
De energiecrisis als gevolg van de inval in Oekraïne heeft dit duidelijk laten zien. Gemeenten haalden toen, met steun en middelen vanuit het Rijk4, alles uit de kast om huishoudens te ondersteunen. Bij diverse gemeenten werd de samenhang van verduurzamingsbeleid en sociaal domeinbeleid daarmee meer expliciet. En ook binnen de Rijksoverheid werken de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Klimaat en Groene Groei (KGG) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) nauw samen bij de aanpak van energiearmoede, bijvoorbeeld middels het recent opgerichte Nationaal Energiearmoede Observatorium. Deze inzet laat zien dat een integrale aanpak mogelijk is en helpt aan te sluiten bij de behoeften van mensen.
Daarnaast biedt klimaatbeleid juist ook sociale kansen. Het verduurzamen van woningen en gebouwen is niet alleen belangrijk voor de klimaat- en energiedoelen, maar ook voor betaalbaarheid van de energierekening, gezondheid van bewoners en comfort en welzijn.5 Integraal beleid is dus ook slim om te doen.
Het kabinet zet deze lijn voort, werkt aan verdere integratie van het beleid en waakt dat dit niet leidt tot extra complexiteit of vertraging van de uitvoering. Daarom legt het nadruk op betere samenwerking binnen bestaande structuren en instrumenten. De betrokkenheid van zowel de sectordepartementen als de sociale departementen wordt beter verbonden, zodat beleid vanuit verschillende perspectieven wordt ontwikkeld en beoordeeld. Hierin is een aantal concrete stappen voorzien.
Het klimaatbeleid van het kabinet richt zich steeds meer op de periode na 2030. In de komende periode worden routes of transitiepaden6 richting klimaatneutraliteit uitgewerkt. De eerste contouren hiervan worden in de Klimaat- en Energienota 2026 opgenomen. Deze paden kennen een brede benadering van de transitie met meer aandacht voor samenhang met andere opgaven. Indicatoren om de voortgang te meten brengen niet alleen behaalde CO₂-reductie of technologische implementatie in kaart, maar zien ook toe op maatschappelijke aspecten en consequenties. Daarmee krijgt de maatschappelijke kant een plek ‘aan tafel’ en ontstaat een beter fundament om de fysieke en sociale beleidsdomeinen te verbinden, op basis hiervan afwegingen te maken en beleid tijdig bij te sturen waar dat nodig is.7
In lijn met bovenstaande toezegging gaat het kabinet onderzoeken hoe in de besluitvorming meer aandacht kan worden besteed aan de verdelingseffecten van klimaatbeleid per sector en tussen burgers en bedrijven. Ook kan flankerend beleid in kaart worden gebracht. Hierbij wordt ook inzichtelijk gemaakt in hoeverre invulling is gegeven aan rechtvaardigheid voor burgers en bedrijven.
Deelaanbeveling 2: Houd rekening met diversiteit in de samenleving
Een tweede kernpunt van het Rli-advies is de terechte constatering dat verduurzamingsbeleid burgers en ondernemers niet in gelijke mate raakt. Verschillen in inkomen, gender, kennis, schaalgrootte, sector en regio bepalen in belangrijke mate wat haalbaar en betaalbaar is. Het kabinet houdt hier bij de ontwikkeling van beleid steeds nadrukkelijker rekening mee. Instrumenten zoals uitvoeringstoetsen, aandacht voor doenvermogen en gedragsinzichten helpen om beleid beter aan te laten sluiten bij de praktijk. Ook wordt in toenemende mate gebiedsgericht gewerkt zodat rekening kan worden gehouden met lokale omstandigheden.
Daarnaast heeft het ministerie van Economische Zaken en Klimaat een dialoogtoolkit ontwikkeld en werkt het met een participatiepanel om beleid op een laagdrempelige manier te toetsen op begrijpelijkheid en burgerbetrokkenheid. Ook is voor de eerste keer sinds 2006 een nationaal burgerberaad georganiseerd, waarbij een representatieve groep deelnemers het kabinet een beeld geeft van wat burgers met verschillende achtergronden en meningen belangrijk vinden in het klimaatbeleid.
Het kabinet ziet echter dat verdere stappen nodig zijn om recht te doen aan de diversiteit in de samenleving en inclusiever beleid te maken. Daarom gaat het kabinet bezien hoe het dichter bij burgers kan staan en hoe de ervaringen en perspectieven van een bredere groep burgers, kleine ondernemers en maatschappelijke organisaties structureler en eerder in het beleidsproces kunnen worden betrokken. Hierbij wordt al gebruik gemaakt van verschillende vormen van participatie, zoals panels en consultaties, en wordt in toenemende mate ruimte gegeven dat burgers ook buiten georganiseerde participatie om invloed uit kunnen oefenen in hun directe leefomgeving, bijvoorbeeld via maatschappelijke initiatieven. Het kabinet ziet dit als manier om betere beleidsuitkomsten en een groter gevoel van betrokkenheid te realiseren.
Ook in Caribisch Nederland worden burgerperspectieven steeds actiever betrokken bij de klimaatopgave. De BES-eilanden werken aan klimaatplannen met nadruk op adaptatie. Het Rijk ondersteunt met kennis, middelen en expertise. De plannen worden per eiland uitgewerkt, met brede maatschappelijke consultatie en lokale participatie. Hiervoor wordt een passend participatietraject ontwikkeld, waar in elk geval voorzien zal worden in vertalingen in het Papiaments en Engels, evenals advertenties in lokale media.
Inclusief beleid heeft ook oog voor het perspectief van de kleine ondernemer. Het mkb speelt een cruciale rol in de transitie, maar beschikt niet altijd over de middelen of kennis om zelfstandig te verduurzamen. Daarom werkt het kabinet samen met uitvoeringsinstanties en medeoverheden aan een meer samenhangend ondersteuningsaanbod. Middels de inzet van RVO, KVK en gedragsonderzoek houdt het kabinet bij wat er leeft onder kleine ondernemers.8 De ministeries van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Economische Zaken en Klimaat hebben in 2025 in samenwerking met de provincies een ontzorgingsprogramma opgezet. Daarnaast is het kabinet in 2024 gestart met de interdepartementale werkgroep verduurzaming mkb (IWVM) die zes ministeries, RVO, KVK, VNG en IPO samenbrengt op ondersteuning aan het mkb.9
Deelaanbeveling 3: Monitor maatschappelijke impact
De Rli benadrukt als derde kernpunt het belang van structurele monitoring van de maatschappelijke effecten van verduurzamingsbeleid. De Rli noemt hierbij zowel sociaaleconomische als sociaal-culturele aspecten10 en onderscheidt zowel de impact van duurzaamheidsproblematiek11 zelf als de impact van het verduurzamingsbeleid.
Het kabinet onderschrijft dit belang en wil beter kunnen monitoren of iedereen mee kan doen en mee doet. Er bestaan reeds verschillende monitoringsinstrumenten die inzicht geven in de voortgang van verduurzamingsbeleid in diverse domeinen en de effecten daarvan. Bijlage 1 biedt hier een niet uitputtend overzicht van. Deze instrumenten bieden ondersteuning om beleid te sturen op eerlijke, inclusieve en maatschappelijk verantwoorde uitkomsten. En op het voorkomen van een stapeling van lasten bij huishoudens en bedrijven. Denk bijvoorbeeld aan het kennisprogramma Energietransitie Integraal Kostenbeeld (EIK). Op 18 mei jl. zijn daarvan het startrapport en het werkprogramma gepubliceerd.12 Met het Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO) wordt energiearmoede gemonitord.
Deze en andere monitoringinstrumenten zijn echter nog onvoldoende met elkaar verbonden en het ontbreekt aan synergie. Daarom zegt het kabinet toe te zullen gaan verkennen hoe de monitoring van maatschappelijke effecten beter kan worden geïntegreerd. Dit moet leiden tot meer samenhangende inzichten die gebruikt kunnen worden bij de ontwikkeling en bijsturing van beleid.
In dit verband is ook gewerkt aan een evaluatiekader voor verdelende rechtvaardigheid in klimaatbeleid13. Dit kader, geïnitieerd door het ministerie van Economische Zaken en Klimaat in samenwerking met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koningsrijkrelaties en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, maakt het mogelijk om op basis van nieuw ontwikkelde indicatoren de effecten van klimaatmaatregelen op verschillende groepen explicieter in beeld te brengen. Het kabinet kan hiermee toekomstige normerende, beprijzende en subsidiërende maatregelen beter afwegen.
De inzet om rechtvaardigheidseffecten mee te nemen die volgen uit het Klimaatplan 2025-2035 en bovengenoemd evaluatiekader richt zich primair op verdelende effecten van klimaatbeleid. Dit omdat uit onderzoek blijkt14 dat draagvlak voor klimaatbeleid nauw samenhangt met de ervaren rechtvaardigheid van de verdeling van kosten en baten. Daarbij zijn voor burgers belangrijke rechtvaardigheidsprincipes dat de (grote) vervuiler betaalt, er aandacht is voor verdeling naar draagkracht en (kwetsbare) huishoudens worden beschermd tegen financiële achteruitgang.15
Het kabinet onderschrijft dat de door de Rli genoemde dimensies van erkennende en procedurele rechtvaardigheid ook bijdragen aan draagvlak. Het zet daarom volop in om de stem van de burger te betrekken bij de keuzes die gemaakt moeten worden. De instelling van het bovengenoemde Nationaal Burgerberaad Klimaat is hierin een belangrijke en vernieuwende stap geweest.
Andere randvoorwaarden voor rechtvaardig verduurzamingsbeleid
Het Rli-advies is rijk en veelomvattend. Het belicht verschillende kanten van eerlijke en maatschappelijk verantwoorde maatregelen en adviseert over het inrichten van de juiste randvoorwaarden voor rechtvaardig verduurzamingsbeleid. Hieronder reflecteert het kabinet op verschillende deelaspecten van het advies en schetst waar van toepassing de (toekomstige) inzet daarop.
Normerende kaders die verduurzaming voor iedereen de standaard maken
Normering is een essentieel instrument om de transitie te versnellen. Heldere normen bieden richting, investeringszekerheid en helpen klimaatdoelen te halen. De Rli benadrukt dat normering daarnaast ook nodig is om te zorgen dat iedereen die kán verduurzamen, dat daadwerkelijk doet. De Rli wijst daarbij op het grote gevoel van onrechtvaardigheid dat bij sommige mensen leeft doordat zij worden aangezet tot ingrijpend verduurzamen terwijl het beeld is dat grote vervuilers minder worden aangesproken. Daarom pleit de Rli voor bredere inzet van normering voor zowel burgers als bedrijven.
Het kabinet zet normering in voor verduurzaming, onder meer via de uitfasering van lage energielabels in de huursector en de energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen. Daarnaast wordt via het Europese ETS uitstoot beprijsd, waardoor vervuiling ook voor bedrijven en elektriciteitscentrales steeds duurder wordt en verduurzaming juist aantrekkelijker.
De Rli stelt dat ook gezondheidsrisico’s zoals hittestress of luchtvervuiling om concrete normen vragen, bijvoorbeeld voor groen in woonwijken. Het kabinet onderschrijft dit en ondersteunt gemeenten hierbij met praktische handvatten, ontwikkeld binnen het Programma Gezonde Leefomgeving in samenwerking met RIVM en ZonMw16 en de Handreiking Groen in en om de Stad. Daarnaast wordt gewerkt aan de implementatie van de Natuurherstelverordening die volgend uit artikel 8 (herstel stedelijke ecosystemen) toewerkt naar een bevredigend niveau van stedelijke groene ruimte en boomkroonbedekking. Ook ondersteunt het Kabinet de ontwikkeling van een gestandaardiseerde meetmethode voor hitte in bestaande gebouwen door de NEN.17
In de samenleving is steun voor normering mits haalbare alternatieven of uitzonderingen mogelijk zijn voor mensen die dat nodig hebben. Het kabinet zal in bredere zin ingaan op normering en beprijzing in de aankomende kabinetsreactie van het WKR-rapport “Aan de slag met gedrag!” Het kabinet acht het daarbij cruciaal dat er voldoende handelingsperspectief blijft voor huishoudens, organisaties en bedrijven.
Met meer acceptatie in de samenleving wordt normering in de toekomst een steeds belangrijker onderdeel van de beleidsmix. Normering biedt duidelijkheid over het gewenste toekomstbeeld, vergroot investeringszekerheid en stimuleert innovatie. Het kabinet werkt dit verder uit in de eerdergenoemde langetermijn transitiepaden en meerjarige beleidsagenda van het klimaatbeleid.
Eerlijke beprijzing via een duurzaamheidsheffing en -dividend
Om overmatig en milieubelastend gedrag tegen te gaan, adviseert de Rli om vervuilende consumptie extra te belasten met een duurzaamheidsheffing, en vervolgens de heffingsopbrengsten generiek terug te geven aan burgers in de vorm van een duurzaamheidsdividend. Het kabinet put inspiratie uit dit voorstel en plaatst tegelijkertijd een aantal kanttekeningen.
Het kabinet onderschrijft het uitgangspunt dat de vervuiler betaalt. Beprijzing is een effectief instrument om duurzaam gedrag te stimuleren, de maatschappelijke kosten van vervuiling in de prijs op te nemen en het versterkt duurzamere businesscases. Het kabinet erkent ook dat hogere inkomens meestal meer uitstoten en dat er sprake is van ongelijke verdeling in het niveau van beprijzing tussen sectoren.18 Tegelijkertijd wil het kabinet zowel oog houden voor betaalbaarheid voor burgers als voor de concurrentiepositie van bedrijven, omdat dit uiteindelijk de samenleving als geheel ten goede komt.
Een verdelende duurzaamheidsheffing19 en ook een true pricing systematiek20 zijn eerder onderzocht door het kabinet. De toen gesignaleerde inhoudelijke en uitvoeringstechnische knelpunten ziet het kabinet als nog steeds relevant. Een dergelijke heffing verhoogt de kosten van levensonderhoud en kan kwetsbare huishoudens raken. Met een generieke terugsluis is het niet mogelijk gericht beleid te maken om de negatieve consequenties voor kwetsbare huishoudens te verminderen. Richting de voorjaarsbesluitvorming 2027 gaat het kabinet bezien welke (andere) mogelijkheden er zijn om eerlijk beprijzen meer onderdeel te maken van het klimaatbeleid.
Toegang tot recht op een schone, gezonde, duurzame leefomgeving
Via wetgeving en door het individuele recht op een schone, gezonde en duurzame leefomgeving wettelijk te erkennen kan verduurzamingsbeleid eerlijker worden, aldus de Rli. Voor het kabinet is het een duidelijke zaak dat bescherming tegen milieuschade cruciaal is voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties. Deze belangen zijn verankerd in nationale wetgeving zoals de Omgevingswet en in internationaalrechtelijke verplichtingen waaraan Nederland is gebonden. Bijlage 2 omschrijft en apprecieert deze kaders meer gedetailleerd in het licht van eerlijke verduurzaming.
Aandacht voor kwetsbare groepen: wijkgericht, lokaal, sociaal en ontzorgend
De Rli wijst op het belang van een wijkgerichte aanpak, met name voor mensen in een kwetsbare maatschappelijke positie. Het kabinet ziet het belang van lokaal maatwerk en onderschrijft dat verduurzaming voor iedereen toegankelijk moet zijn.21 In de afgelopen jaren is het instrumentarium op dit terrein aanzienlijk uitgebreid, met regelingen zoals het Nationaal Warmtefonds22, het Nationaal Isolatieprogramma23, de Nationale Prestatieafspraken huursector, de SPUK Aanpak Energiearmoede en lokale energieloketten. Dit heeft ertoe bijgedragen dat meer huishoudens verduurzamingsstappen kunnen zetten. Gemeenten spelen hierin een centrale rol, omdat zij het beste zicht hebben op de lokale situatie en de behoeften van inwoners. Ook is er het aankomende warmteprogramma24 waardoor burgers en bedrijven geïnformeerd en betrokken worden bij de warmtetransitie in hun gemeente. De inzet op het Nationaal Isolatieoffensief en op energiehuizen is een recent voorbeeld hoe dit kabinet invulling geeft aan aandacht voor kwetsbare groepen en ontzorging.25
Verdere intensivering van bestaande maatregelen voor kwetsbare groepen (waaronder Nationaal Warmtefonds en energiefixers voor micro-ondernemingen) hangt deels samen met beschikbare middelen uit het Sociaal Klimaatplan.26 Binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid is de aanpak van energiearmoede in kwetsbare wijken al in gang gezet; het kabinet werkt deze inzet momenteel verder uit en versterkt waar nodig, volgend uit het coalitieakkoord.
Tot slot pleit de Rli voor de inzet van wijkteams onder regie van gemeenten maar met kaders en middelen van het Rijk. Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke sociale infrastructuur als voorwaarde voor een transitie waarin iedereen mee kan doen en ondersteunt met verdere versterking van lokale structuren. Zoals het één-loket concept Energiehuis waar huishoudens, bedrijven en organisaties op toegankelijke manier ondersteund worden bij verduurzamen.27 Andere steunvoorbeelden zijn het versterken van lokale energie-initiatieven28, het Actienetwerk Energiehulp van de Fixbrigade en het Energiehulpnetwerk van Milieu Centraal. Daarbij is aandacht voor de specifieke positie en behoeften van vrouwen.
Sociale dimensie in regionale plannen
Ook in regionale plannen voor natuur, energie en water moet aandacht zijn voor de sociale dimensie, vindt de Rli. Dit is primair aan medeoverheden. In het energiedomein worden zij ondersteund via het NP RES, met aandacht voor participatie en lokaal eigendom. Aandachtspunten uit de RES-monitor 2025 van het PBL om het participatieproces te verbeteren, worden meegenomen bij het nieuw op te richten Nationaal Programma voor het energiesysteem.
Tot slot
Het kabinet beschouwt het Rli-advies als een belangrijke bijdrage aan de verdere ontwikkeling van eerlijk verduurzamingsbeleid en is hiervoor de Rli zeer erkentelijk. Het advies onderstreept dat een succesvolle transitie vraagt om een integrale benadering, waarin het halen van de gestelde klimaatdoelen en rechtvaardigheid hand in hand gaan, waarbij de schotten tussen het fysieke en sociale beleidsdomein worden weggenomen en waar in de toekomst moedige politieke keuzes moeten worden gemaakt zodat vervuilen meer gaat kosten en verduurzamen meer voordeel oplevert. Het kabinet kan met de aangereikte adviezen verder blijven werken aan een verduurzamingsaanpak waarin iedereen kan meedoen en waarin lusten en lasten eerlijk worden verdeeld. Het kabinet blijft de Kamer met regelmaat informeren over de voortgang.
Stientje van Veldhoven-van der Meer
Minister van Klimaat en Groene Groei
Plan kabinet: maatregelen om gevolgen hoge energieprijzen te beperken | Rijksoverheid.nl↩︎
De vier principes van het Klimaatplan 2025-2035 zijn: realisatie klimaatdoelen, bijdrage en ondersteuning naar draagkracht, vervuiler betaalt, gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid.↩︎
Een voorbeeld hiervan is de Specifieke Uitkering energiearmoede (SPUK).↩︎
Zie bijvoorbeeld de studie naar de effecten van de energiehulp van TNO Effect energiehulp | TNO↩︎
Voorjaarsbrief klimaat en energie | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl↩︎
Deze inzet sluit ook aan op het SER-advies "Gezond opgroeien, wonen en werken” (Kamerstuk 32793, nr. 794)↩︎
Zie bijvoorbeeld de onderzoeken “Gedragsanalyse Verduurzaming Mkb (maart 2023, D&B); Levensgebeurtenis Duurzaam Ondernemen (2020, KVK).↩︎
Kamerstuk 32637, nr. 695↩︎
Rli hanteert de term “sociaal-economisch” voor inkomen en vermogen en “sociaal-cultureel” voor aspecten betreffende cultuur en identiteit. Het kabinet gebruikt hier de term ”maatschappelijk” voor.↩︎
Met duurzaamheidsproblemen doelt de Rli zowel op problemen die buiten de directe invloedsfeer van burgers liggen (luchtvervuiling door industrie, PFAS, stank- en geluidsoverlast, tekort aan groen) als problemen waar mensen zelf invloed op hebben (zoals milieuvervuiling of CO₂ uitstoot als gevolg van consumptie).↩︎
Evalueren verdelende rechtvaardigheid klimaatbeleid en Werkwijzer verdelende rechtvaardigheid↩︎
Dechezleprêtre, A. et al. (2022), “Fighting climate change: International attitudes toward climate policies”, OECD Economics Department Working Papers, No. 1714, OECD Publishing, Paris, https://doi.org/10.1787/3406f29a-en↩︎
Een gezonde inrichting van de openbare ruimte: vuistregels voor Bewegen, Groen en Ontmoeten | RIVM en Eerlijke hitte in de stad | ZonMw Projects.↩︎
Eindrapport 'Keuzewijzer klimaat en energie' (Kamerstuk 32813, nr. 1317)↩︎
2025D07784%26did%3D2025D07784&data=05%7C02%7Cc.m.platz%40minezk.nl%7Ce68817a958e74d51242008de4c2f92ae%7C1321633ef6b944e2a44f59b9d264ecb7%7C0%7C0%7C639031964356039219%7CUnknown%7CTWFpbGZsb3d8eyJFbXB0eU1hcGkiOnRydWUsIlYiOiIwLjAuMDAwMCIsIlAiOiJXaW4zMiIsIkFOIjoiTWFpbCIsIldUIjoyfQ%3D%3D%7C0%7C%7C%7C&sdata=OWnNHq0xfHmDvClgmVO55%2F2zDDY8br%2B%2Be%2BuvKa4GHsI%3D&reserved=0">Rapport CE Delft True Pricing van consumptiegoederen (Kamerstuk 32813, nr. 1472)↩︎
Kamerstuk 32813, nr. 1541↩︎
Dankzij een renteloze lening uit dit fonds kunnen nagenoeg alle woningeigenaren verduurzaming bekostigen (Dnb (2024) https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/nieuws-2024/bijna-alle-huiseigenaren-kunnen-verduurzaming-eigen-woning-financieren-met-spaargeld-of-lening/; Nationaal Warmtefonds https://www.warmtefonds.nl/particulieren/energiebespaarlening-met-een-combinatielening↩︎
Zo is er in het NIP extra financiële ondersteuning beschikbaar bovenop de landelijk beschikbare subsidies, alsmede praktische ondersteuning voor mensen die hulp nodig hebben met het isoleren van hun woning.↩︎
Kamerstuk 32847, nr. 1490.↩︎
Kamerbrief Stand van Zaken Sociaal Klimaatplan (32813 nr. BK)↩︎
Stand van zaken implementatie EPBD IV Kamerstuk 32847, nr. 1405↩︎
Kamerstuk 30196, nr. 854↩︎