Inbreng verslag van een schriftelijk overleg inzake de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 (vreemdelingen- en asielbeleid)
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D36370, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-07-10 16:08, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie (VVD)
- Mede ondertekenaar: M.C. Burger, griffier
Onderdeel van zaak 2026Z15910:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-07-10 12:00 ā Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-07-10 12:00: Informele JBZ Raad (Ierland) van 16-17 Juli 2026 (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-07-10 12:00: JBZ-Raad (Ierland) (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-09-01 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-09 13:00: Procedurevergadering Asiel en Migratie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-09-09 14:30: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (š origineel)
32317 JBZ-Raad
Nr. Verslag van een schriftelijk overleg
Vastgesteld d.d. ā¦
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Asiel en Migratie over de volgende brieven:
Kabinetspositie over de stemming inzake het onderhandelingsakkoord voor de EU-Terugkeerverordening (Kamerstuk 22112, nr. 4363)
Verslag JBZ-Raad 4 en 5 juni 2026 en overige JBZ-ontwikkelingen (Kamerstuk 32317, nr. 1014)
Kabinetsappreciatie op verlenging van de activering van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming tot en met 4 maart 2028 (Kamerstuk 32317, nr. 1015)
Geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 (2026Z15910).
De vragen en opmerkingen zijn op 10 juli 2026 aan de minister van Asiel en Migratie voorgelegd. Bij brief van ⦠zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie
Peter de Groot
Griffier van de commissie
Burger
Inhoud
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
Inbreng van de leden van de PVV-fractie
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
II Reactie van de minister van Asiel en Migratie
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad) op 16 en 17 juli 2026 en van de verder aangeleverde stukken. Zij hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat er tijdens de JBZ-Raad zal worden gesproken over het visumbeleid, met als doel dit beleid beter aan te laten sluiten bij de doelstellingen omtrent interne veiligheid. Deze leden ondersteunen de inzet van het visumbeleid richting onwelgevallig gezinde derde landen. Steunt de minister eventuele voorstellen om het juridisch mogelijk te maken om van bepaalde landen, en met name Rusland, categorisch onderdanen uit te sluiten van de mogelijkheid om een visum te verschaffen? Denkt de minister dat voor zoān voorstel draagvlak in de EU bestaat? Is de minister daarnaast van plan om EU-lidstaten die op dit moment nog veel visa aan Russische onderdanen afgeven, hierop aan te spreken en dan met name Frankrijk, ItaliĆ« en Spanje? Is de minister daarnaast bereid om de nationale afgifte van Machtigingen tot Voorlopig Verblijf (MVV) ook te beperken indien er sprake is van een categorisch risico voor de interne veiligheid of indien de strategische belangen van Nederland daarmee in gevaar komen?
De leden van de VVD-fractie hebben voorts, omdat dit en marge ter sprake kan komen tijdens de JBZ-Raad, nog enkele vragen over gesprekken die lopen met de Taliban in het kader van afspraken over terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers. Deze leden zijn van mening dat de Taliban verwerpelijke opvattingen hebben over mensenrechten en dan met name de rechten van vrouwen, meisjes en journalisten. Zij begrijpen dat gesprekken over terugkeer noodzakelijk zijn, vooral voor EU-lidstaten met veel Afghaanse asielzoekers, maar willen hierbij wel markeren dat het beginsel van non-refoulement buiten kijf moet staan. Van welke categorieƫn uitgeprocedeerde asielzoekers verwacht de minister dat er bij succesvolle gesprekken sprake kan zijn van terugkeer? Kan de minister een inschatting geven van de hoeveelheid uitgeprocedeerde asielzoekers die mogelijk teruggestuurd zullen worden? Hoe zorgt de minister er tot slot voor dat het beginsel van non-refoulement voor uitgeprocedeerde asielzoekers uit Afghanistan gewaarborgd blijft?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de kabinetsreactie op het onderhandelingsresultaat voor de Terugkeerverordening ook onderdeel is van dit schriftelijk overleg. Deze leden zijn net als het kabinet optimistisch over het onderhandelingsresultaat en willen met name de onderhandelaars van het Europees Parlement bedanken voor het gevoerde tempo. Voornoemde leden zullen een snelle parlementaire behandeling van de onderdelen van de Terugkeerverordening die nationale omzetting behoeven, zoveel mogelijk bevorderen, ook omdat het dezelfde leden waren die om een zo snel mogelijke inwerkingtreding hebben gevraagd. Wanneer verwacht de minister dat er voorstellen hiertoe met de Kamer gedeeld zullen worden? Hoe is de minister van plan om de Kamer te betrekken bij beleidsvrijheid die de Terugkeerverordening op bepaalde onderdelen biedt, zoals de verhouding tussen vrijwillig en gedwongen terugkeer en de wederzijdse erkenning van terugkeerbesluiten? Is de minister daarnaast voornemens om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid om gedwongen terugkeer in te zetten bij uitgeprocedeerde migranten die een gevaar vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid, en bij uitgeprocedeerde migranten die niet of onvoldoende meewerken aan terugkeer? Is de minister tevens bereid om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid om materiĆ«le voorzieningen, waaronder opvang, voorwaardelijk te stellen aan de medewerking van de uitgeprocedeerde migrant aan het terugkeerproces? Is het hierbij mogelijk om āmedewerkingā zo ruim mogelijk te interpreteren, waardoor bijvoorbeeld het niet komen opdagen bij een afspraak met de Dienst Terugkeer en Vertrek of een andere uitvoeringsinstantie al reden kan zijn om voorzieningen in te trekken?
De leden van de VVD-fractie merken voorts op dat in Spanje ruim 1 miljoen illegale migranten zich hebben aangemeld voor een pardonregeling, waardoor hun verblijf wordt gereguleerd. Deze leden zijn van mening dat dit beleid vanwege het vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie het vertrouwen in het Europees migratiebeleid en in de Europese Unie in zijn geheel ondermijnt. Hoe kijkt de minister hiernaar? Deelt de minister de mening dat het beleid van Spanje op gespannen voet staat met artikel 4, derde lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie? Hoe gaat de minister voorkomen dat deze groep van ruim 1 miljoen gereguleerde migranten via het vrij verkeer van personen naar Nederland zal komen? Zijn er andere lidstaten die net als de aan het woord zijnde leden kritisch zijn op het beleid van Spanje? Is de minister bereid om samen met deze landen Spanje aan te spreken en om, indien mogelijk, juridische stappen tegen Spanje te ondernemen?
De leden van de VVD-fractie hebben additioneel nog enkele vragen over de informatie die de minister heeft aangeleverd over de uitvoering van het Entry-Exit System (EES). Deze leden zien dat de uitvoering hiervan vooralsnog gepaard gaat met de nodige kinderziektes. Op welke termijn verwacht de minister dat de problemen met de uitvoering van EES, en dan met name de uitvoering hiervan op Schiphol, opgelost zullen worden? Hoe kijkt de minister aan tegen de oproep van verschillende lidstaten om de registratie van biometrische gegevens ook na 6 september optioneel te maken? Tot welke datum zou er dan mogelijk sprake zijn van vrijwillige registratie? Welke rol spelen overwegingen omtrent nationale veiligheid en het tegengaan van overstay bij het standpunt van de minister hieromtrent?
De leden van de VVD-fractie merken ook op dat er recent een intentieverklaring is ondertekend tussen Nederland en Italiƫ om samenwerking op het gebied van migratie te versterken. Deze leden ondersteunen deze ambitie. Wel merken zij hierbij op dat het slechts gaat om een intentieverklaring en niet om harde afspraken. Dit wordt in de laatste paragraaf nog eens expliciet bevestigd. In welke mate kan de minister de garantie afgeven dat Italiƫ de tot uitdrukking gebrachte intentie daadwerkelijk nakomt? Deelt de minister de opvatting dat Nederland, indien Italiƫ om wat voor reden dan ook de afspraken niet nakomt, op grond van het EU Asiel- en Migratiepact alsnog verplicht is om asielzoekers die via Italiƫ naar Nederland afreizen, aan Italiƫ over te dragen? Deelt de minister daarnaast de opvatting dat er hierbij moet worden uitgegaan van naleving van mensenrechten, waaronder die voortvloeiend uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)? Op welke manier is de minister voorts van plan om de inzet op Assisted Voluntary Return and Reintegration programmes te vergroten? Wanneer verwacht de minister de eerste resultaten van deze inzet?
De leden van de VVD-fractie vragen naar aanleiding van het verslag van de vorige JBZ-Raad die plaatvond op 4 en 5 juni 2026 hoe de minister aankijkt tegen de wens van Cyprus om zo snel mogelijk toe te treden tot het Schengengebied. Meent de minister dat Cyprus hier op basis van objectieve maatstaven inderdaad op korte termijn klaar voor is? Hoe kijkt de minister aan tegen de oproep van de Commissie om toetreding tot Schengen een systematisch onderdeel uit te laten maken van het EU-uitbreidingsproces? In hoeverre past deze oproep binnen de ambitie van het kabinet voortvloeiend uit de aangenomen motie van het lid Becker c.s. (Kamerstuk 23987, nr. 399) om in te zetten op graduele toetreding?
De leden van de VVD-fractie constateren dat er tijdens de vorige JBZ-Raad ook is gesproken over migratiesamenwerking met Somaliƫ. Deze leden lezen verheugd dat er op bilateraal verband (beperkte) vooruitgang is geboekt op het gebied van terugkeerafspraken. Welk percentage van door Nederland afgewezen en uitgeprocedeerde Somaliƫrs keert op dit moment daadwerkelijk terug?
De leden van de VVD-fractie merken ook op dat er tijdens de vorige JBZ-Raad is stilgestaan bij de migratiesituatie in het Kanaalgebied. De afgelopen jaren proberen illegale migranten de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk vanaf steeds noordelijker gelegen stranden te maken, waardoor het een kwestie van tijd lijkt voordat er ook vanuit Nederland illegale migranten een poging zullen wagen. Welke stappen is de minister bereid om te nemen om deze oversteken zoveel mogelijk te voorkomen? In hoeverre wordt er om dit te bereiken samengewerkt met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Belgiƫ?
De leden van de VVD-fractie zien voorts nog dat de
kabinetsappreciatie van de verlenging van de activering van de Richtlijn
Tijdelijke Bescherming (RTB) tot en met 4 maart 2028 op de agenda van
het schriftelijk overleg staat. Deze leden ondersteunen hierbij de inzet
van het kabinet. Met de verlenging wordt het voor dienstplichtigen niet
langer mogelijk om zonder toestemming bescherming te claimen op grond
van de RTB. Welke maatregelen kan en is de minister bereid te nemen om
ervoor te zorgen dat deze uitgesloten groep niet asiel in Nederland zal
aanvragen? Hoe kansrijk acht de minister een asielaanvraag van een
individu binnen deze groep? Acht de minister daarnaast een landenbeleid
op basis van een breed scala aan objectieve en verifieerbare bronnen
noodzakelijk om asielaanvragen binnen deze groep adequaat en voortvarend
te kunnen beoordelen? Hoe kijkt de minister daarnaast aan tegen het
spanningsveld tussen artikel 5 en artikel 15 van de RTB? Meent de
minister net als de Commissie dat artikel 15 van de RTB niet van
toepassing is op groepen die worden uitgesloten van de RTB? Is het
tevens zo volgens de minister dat dienstplichtigen geen beroep kunnen
doen op een recht op familie- en gezinsleven verankerd in artikel 8 van
het EVRM? Hoe voorkomt de minister een toename van het aantal artikel 8
EVRM-aanvragen indien dit wel het geval is?
Inbreng van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de
geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026.
Zij stellen nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet voorstander is
van het voorstel om een grondslag te creƫren voor het vaststellen van
beperkende visummaatregelen. Kan de minister uitleggen hoe dit zich
verhoudt tot het besluit om Palestijnen toegang tot Nederland te
verlenen? Waarom acht het kabinet het in dat geval wel verantwoord om
personen uit een conflictgebied toe te laten, terwijl het tegelijkertijd
pleit voor strengere visumbeperkende maatregelen uit
veiligheidsoverwegingen, zo vragen voornoemde leden. Deze leden vragen
of iedere Palestijn die met een visum naar Nederland is gekomen,
onderworpen is aan een uitgebreide screening op terrorisme.
De leden van de PVV-fractie lezen in het verslag van de vorige JBZ-Raad
dat verschillende lidstaten nog kampen met uitdagingen, waaronder het
tegengaan van ontduiking. Kan de minister dit verder duiden en aangeven
welke lidstaten dit betreft? Daarnaast vragen deze leden de minister om
een uitgebreid overzicht van de stand van zaken in alle lidstaten ten
aanzien van de implementatie en uitvoering van de gemaakte afspraken,
met bijzondere aandacht voor de lidstaten aan de buitengrenzen van de
Europese Unie. Kan de minister daarbij tevens ingaan op de mate waarin
deze lidstaten voldoen aan hun verplichtingen op het gebied van
grensbewaking, registratie, terugkeer en het tegengaan van secundaire
migratie?
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat vliegvelden moeten gaan
vrezen voor forse vertragingen vanwege operationele problemen met het
EES. Kan de minister duiden waar deze problemen zich voordoen en welke
lidstaten inmiddels de stekker eruit hebben getrokken vanwege deze
problemen? Klopt het dat de biometrische registratie momenteel wordt
overgeslagen? Zo nee, welke gegevens worden wel opgeslagen? Zo ja, is de
minister het met de leden van de PVV-fractie eens dat wanneer niet alle
lidstaten uitvoering geven aan het grensproces en niet alle gegevens in
het systeem geregistreerd worden, het systeem enkel en alleen zorgt voor
onnodige stress en ellenlange rijen voor Nederlandse
vakantiegangers?
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat er weer vluchten vanaf
Schiphol naar Damascus gaan. Deze leden vragen de minister hoeveel
passagiers inmiddels al gebruik hebben gemaakt van deze route en welke
nationaliteiten deze passagiers hebben? Deze leden vragen ook waarom de
minister nog niet begonnen is om alle tijdelijke vergunningen van
Syriƫrs in Nederland in te trekken om vervolgens al die Syriƫrs op het
vliegtuig naar Damascus te zetten? Is de minister het met deze leden
eens dat nu er een directe vlucht naar Damascus vanuit Nederland
mogelijk is en Syriƫ weer veilig is, er geen enkel excuus meer is om al
die Syriƫrs terug te sturen?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het Spaanse Openbaar Ministerie
heeft bewezen dat 70% van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen,
die op hun leeftijd zijn getest, in werkelijkheid ouder dan 18 jaar
zijn. Nederland behoort tot de Europese landen die de meeste
alleenstaande minderjarige vreemdelingen opvangen. Kan de minister
aangeven hoeveel amvāers de afgelopen 5 jaar na hun leeftijdstest in
werkelijkheid ouder dan 18 bleken te zijn?
Ten slotte hebben de leden van de PVV-fractie kennisgenomen van de
kabinetsappreciatie over de verlenging van de Richtlijn Tijdelijke
bescherming OekraĆÆners tot en met 4 maart 2028. Deze leden vragen de
minister wanneer de besluitvorming hierover exact geagendeerd staat. Het
is voor deze leden volstrekt onacceptabel dat deze Richtlijn opnieuw met
een jaar wordt verlengd, terwijl in het nieuwe landenbeleid grote delen
van OekraĆÆne worden aangemerkt als binnenlands beschermingsalternatief.
Het is ook algemeen bekend dat veel OekraĆÆners regelmatig op en neer
reizen naar OekraĆÆne voor vakantie of familiebezoek.
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 in Dublin en hebben de recente ontwikkelingen in de EU en de lidstaten aandachtig gevolgd. Het Europees asielstelsel moet naar het oordeel van deze leden fundamenteel worden hervormd, waarbij asiel een gunst wordt die regeringen kunnen verstrekken en geen afdwingbaar recht, en met hulp, opvang en procedures buiten Europa. Zij hebben over de inzet van het kabinet in de Raad, alsmede over enkele recente Europese ontwikkelingen, de volgende vragen en opmerkingen.
Het enige migratieonderwerp dat het Ierse voorzitterschap agendeert, betreft de relatie tussen het EU-visumbeleid en de veiligheid, waarbij twee instrumenten voorliggen: gerichte restrictieve visummaatregelen tegen onderdanen van derde landen en een nieuw beoordelingskader voor visumvrijstellingen. Kan de minister uiteenzetten met welke concrete inzet hij de Raad ingaat en welke positie hij inneemt ten aanzien van beide instrumenten, zo vragen de leden van de JA21-fractie. Deze leden menen dat het artikel 25bis-mechanisme van de Visumcode sneller en steviger moet kunnen worden ingezet wanneer een derde land onvoldoende meewerkt aan terugkeer en overname, wanneer de veiligheidssituatie verslechtert of wanneer sprake is van hybride dreigingen. Deelt de minister deze opvatting en welke concrete voorstellen doet hij hiertoe in de Raad?
Nu het Europese visum- en screeningsinstrumentarium nadrukkelijk in het teken van veiligheid staat, dringt zich ook de vraag op naar de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Boomsma c.s. over het voortzetten van het uitlezen van gegevensdragers zoals mobiele telefoons (Kamerstuk 19637, nr. 3590). De leden van de JA21-fractie vragen of de minister kan bevestigen dat de praktijk van āQuick Checksā en het controleren van de telefoons conform de wens van de meerderheid van de Kamer inderdaad is hervat. Wat is de planning? En wanneer komt de regering met het aangekondigde wetsvoorstel om de juridische grondslag te verstevigen?
In het verslag van de JBZ-Raad van 4-5 juni 2026 meldt het kabinet voorts dat wordt āverkendā of de mogelijkheden tot het uitlezen van gegevensdragers in het kader van mensensmokkel kunnen worden verruimd. Wat is de stand van zaken van deze verkenning en wordt deze meegenomen in de juridische grondslag voor het uitlezen van mobieltjes waaraan wordt gewerkt, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
Aangaande de uitvoering van het Asiel- en Migratiepact constateren de leden van de JA21-fractie dat de implementatie in een aanzienlijk aantal lidstaten nog onvolledig is, met name wat betreft de grensprocedures, de opvang- en detentiecapaciteit en de nationale asielprocedures. Herkent de minister dit beeld en welke gevolgen heeft dit naar zijn oordeel voor de werking van het nieuwe stelsel in de eerste maanden? De Europese Commissie komt op 12 juli met een beoordeling van de mate waarin lidstaten hun grensprocedures op orde hebben, als input voor de solidariteitscyclus in het najaar. Kan de minister toezeggen deze beoordeling met de Kamer te delen? Welke inzet en consequenties verbindt hij aan het uitblijven van adequate implementatie door andere lidstaten? Kan hij daarbij bevestigen dat Nederland geen solidariteitsbijdrage zal leveren ten aanzien van lidstaten waarvan de Commissie vaststelt dat sprake is van systemische tekortkomingen in de naleving van het Dublin-/AMbV-acquis, zoals eerder aan de Kamer is gemeld?
De leden van de JA21-fractie vragen of de minister kan bevestigen dat Dublinclaimanten in ieder geval vanaf de datum van inwerkingtreding van het Pact weer worden teruggestuurd naar Italiƫ en Griekenland. Kan de minister de Kamer op de hoogte houden van het verloop van deze terugkeer en ook specifiek van eventuele rechtszaken waarin deze terugkeer wordt aangevochten en de uitkomsten daarvan?
De leden van de JA21-fractie verwelkomen zoals gezegd de hervatting van de overdrachten van Dublin-/AMbV-claimanten aan Italiƫ, maar constateren dat de precieze grondslag en reikwijdte daarvan onduidelijk blijven. Kan de minister nauwkeurig uiteenzetten welke afspraken op dit moment precies gelden ten aanzien van het overdragen van claimanten aan Italiƫ Ʃn aan Griekenland, wanneer die precies zijn gemaakt en welke afspraken precies zijn gemaakt over eerdere Dublinclaimanten? Gelden deze afspraken voor alle categorieƫn claimanten, dus ook voor bijvoorbeeld gezinnen, en zowel voor overname- als terugnamezaken of zijn bepaalde groepen daarvan uitgezonderd? Zijn er afspraken gemaakt over aantallen, quota of het tempo van overdrachten en, zo ja, welke? Het kabinet baseert de hervatting op de mondelinge bevestiging van de Italiaanse minister tijdens het gesprek van 3 juni 2026 dat Italiƫ adequate opvang zal bieden. Beschikt de minister over een schriftelijke toezegging op dit punt en, zo nee, acht hij een mondelinge bevestiging een voldoende robuuste grondslag? Bevat de op 3 juni 2026 ondertekende Declaration of Intent tussen Nederland en Italiƫ een concrete, afdwingbare garantie over adequate opvang van overgedragen claimanten of ziet die verklaring uitsluitend op bredere samenwerking? Kan de minister de relevante passages met de Kamer delen? Wat gebeurt er indien Italiƫ, ondanks de mondelinge toezegging, in de praktijk opnieuw geen adequate opvang blijkt te bieden? Op welke wijze monitort de minister dit en welke gevolgen verbindt hij daaraan voor lopende en toekomstige overdrachten?
Ten aanzien van Griekenland achten de leden van de JA21-fractie het een zeer goede zaak dat overdrachten naar Griekenland inmiddels daadwerkelijk zijn hervat. Kan de minister dit bevestigen en kan hij de precieze ingangsdatum van deze hervatting noemen? Klopt het dat dit per vrijdag 12 juni 2026 is ingegaan? Ziet deze hervatting alleen op nieuwe Dublin-/AMbV-claims en is de reeds bestaande voorraad aan Griekenland- en Italië-claimanten hiervan uitgezonderd? Wanneer is deze afspraak gemaakt en welke inzet had het Nederlandse kabinet daarbij? Heeft het Nederlandse kabinet überhaupt geprobeerd om in ieder geval Dublinclaimanten waarvan de termijn nog niet was verstreken per inwerkingtreding van het Pact ook te betrekken bij de overeenkomst? Waarom is dat niet geprobeerd of waarom is dat niet gelukt?
De leden van de JA21-fractie wijzen in dit verband ook op de recent gemelde groep van naar verluid ongeveer 600 Palestijnse asielzoekers die als Griekse statushouder naar Nederland zijn gekomen. Worden zij, ondanks hun recente aankomst, tot de uitgezonderde bestaande voorraad gerekend of tellen zij al mee als nieuwe instroom en worden zij dus wƩl overgedragen?
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre het continueren van de hervatting van Dublinoverdrachten afhankelijk is van Nederlandse financiƫle en andere inzet ter plekke.
De leden van de JA21-fractie vragen om hoeveel Dublin-/AMbV-claimanten uit Griekenland en Italiƫ het thans in totaal gaat van wie de overdrachtstermijn nog niet is verstreken en hoeveel daadwerkelijke overdrachten sinds 12 juni 2026 hebben plaatsgevonden. Welke inzet pleegt de minister om te voorkomen dat lopende termijnen van juist deze recent gearriveerde groepen ongebruikt verstrijken, waardoor Nederland alsnog van rechtswege zelf verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling?
De leden van de JA21-fractie beschouwen de Terugkeerverordening als noodzakelijk onderdeel van het EU Asiel- en Migratiepact en hechten aan een voortvarende toepassing. Kan de minister nauwkeurig aangeven welke bepalingen bij inwerkingtreding van toepassing worden en welke pas (twaalf maanden) later? Klopt het dat onder meer de grondslagen voor het realiseren en operationeel maken van terugkeer- of transithubs, de bepalingen inzake terugkeer van minderjarigen en de externe dimensie direct van toepassing zijn? De verordening maakt ook de overdracht van gezinnen met minderjarigen naar een terugkeer- of transithub mogelijk, terwijl dit in het oorspronkelijke Commissievoorstel uitdrukkelijk was uitgesloten. Kan de minister bevestigen dat Nederland van deze mogelijkheid gebruik wil maken? Op welke manier wordt daarbij toegezien op voorzieningen voor gezinnen?
Ten aanzien van terugkeerhubs vragen deze leden de minister de actuele stand van zaken te schetsen van de Nederlandse inzet op terugkeerhubs en het veilig-derde-landconcept, sinds zijn brief aan de Kamer van mei 2026. Welke rol vervult Nederland binnen de kopgroep (Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, Zweden en Griekenland) en welke concrete toezeggingen of inzet heeft Nederland tot nu toe gepleegd? Is binnen de kopgroep reeds sprake van afspraken over financiën, locaties en andere aanverwante zaken en, zo ja, hoe luiden deze en welke verplichtingen brengt dat voor Nederland met zich? Indien nog niet overeengekomen en/of nog vertrouwelijk: op basis van welke criteria wordt deze naar verwachting vormgegeven en kan dit worden betrokken bij de technische briefing op 10 september 2026? De Deense en Oostenrijkse bewindspersonen spreken van principeovereenkomsten vóór het einde van het jaar en de Duitse minister wil uiterlijk eind 2026 afspraken met derde landen, met het oog op operationele hubs in 2027. Hanteert Nederland eenzelfde concrete einddatum en acht de minister 2027 haalbaar? Zijn naar het oordeel van de minister verdere aanpassingen van de Vreemdelingenwet 2000 of andere nationale wetten nodig om terugkeerhubs operationeel en juridisch houdbaar te laten zijn? En, zo ja, wanneer verwacht hij deze wetswijziging in consultatie te brengen?
In het kader van het Britse Rwanda-plan zijn verschillende centra gebouwd, waarbij het Verenigd Koninkrijk al honderden miljoenen euroās zou hebben uitgegeven, zo merken de leden van de JA21-fractie op. Ziet de minister mogelijkheden om gebruik te maken van het āvoorwerkā en/of de voorzieningen die daaraan al zijn uitgegeven, om vergelijkbare afspraken te maken dan wel deze faciliteiten te benutten voor het inrichten van een terugkeerhub? Welke lessen heeft de minister getrokken uit het verloop van deze plannen en ook de plannen die ItaliĆ« heeft met centra in AlbaniĆ«?
Hoeveel van de vier maal 10 miljoen euro per jaar (voor de jaren 2025-2028) voor migratiepartnerschappen is beschikbaar voor terugkeer en terugkeerhubs? Kan de minister bevestigen dat hij, indien sprake is van meerkosten, hiertoe een voorstel zal doen aan de Kamer? Voornoemde leden merken op dat de minister meldde dat er tevens geld zou worden vrijgemaakt in de BHO-begroting voor het realiseren van terugkeerhubs en dat BHO-programmering wordt ingezet om tegemoet te komen aan de ontwikkelbelangen van (beoogde) partnerlanden. Kan de minister ondanks de voorbereidende fase een indicatieve bandbreedte geven van de omvang van de BHOS-/ODA-middelen die met de realisatie van terugkeerhubs gemoeid zullen zijn? Welke vormen van deze eventuele extra fondsen kwalificeren volgens de OESO-DAC-richtlijnen als ODA en op welke grondslag?
Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie aandacht voor Afghanistan. Kan de minister bevestigen dat Nederland heeft deelgenomen aan de technische gesprekken met de Afghaanse feitelijke autoriteiten en toelichten wat de Nederlandse inzet en positie daarbij was? Deze leden menen dat het mogelijk maken van terugkeer van Afghanen zonder rechtmatig verblijf, in het bijzonder van strafrechtelijk veroordeelden en personen die een veiligheidsrisico vormen, prioriteit verdient. Deelt de minister deze opvatting en welke concrete resultaten beoogt hij met deze gesprekken?
II Reactie van de minister van Asiel en Migratie