Kabinetsreactie op Jaarrapport van het College voor de Rechten van de Mens 2023 Deel I
Mensenrechten in Nederland
Brief regering
Nummer: 2026D36444, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-08-05 13:32, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Ooit CDA kamerlid)
- Mede ondertekenaar: A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
- Rapport ` Mensenrechten in Nederland 2023 – deel 1`
- Beslisnota bij Kabinetsreactie op Jaarrapport van het College voor de Rechten van de Mens 2023 Deel I
Onderdeel van kamerstukdossier 33826 -58 Mensenrechten in Nederland.
Onderdeel van zaak 2026Z16101:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-09-01 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-10 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
33826 Mensenrechten in Nederland
32813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Nr. 58 Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juli 2026
Het College voor de Rechten van de Mens (hierna: CRM) brengt elk jaar een rapport uit over mensenrechten in Nederland. De jaarlijkse rapportage van 2023, getiteld “Mensenrechten in Nederland 2023: Realisatie van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu in Nederland”, bestaat uit twee delen. Op 20 juni 2024 heeft het CRM het eerste deelrapport gepubliceerd, dat ingaat op het juridisch kader van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu in Europees en Caribisch Nederland. Met deze brief reageert het kabinet op dat eerste deelrapport. Het tweede deelrapport van 2023 is op 9 januari 2025 door het CRM gepubliceerd en richt zich op klimaatverandering en mensenrechten. De reactie op het tweede deelrapport is op 7 mei 2025 door de minister van Klimaat en Groene Groei aan uw Kamer verstuurd.1
In het eerste deelrapport geeft het CRM een analyse van het juridisch kader van het recht op een gezond, schoon en duurzaam leefmilieu dat volgt uit jurisprudentie, (algemene) aanbevelingen en rapporten van internationale, Europese en nationale rechters en toezichthouders op basis van mensenrechten. Met deze rapportage wil het CRM inzicht bieden in de betekenis van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu en de verplichtingen die hieruit voortvloeien voor de Nederlandse overheden. In het rapport doet het CRM vier aanbevelingen aan de Nederlandse overheid ten aanzien van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu.
In deze kabinetsreactie reageren wij, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, op het eerste deelrapport van het CRM van 2023. Wij hebben het rapport met veel waardering en interesse gelezen. De kabinetsreactie heeft langer op zich laten wachten, omdat een zorgvuldige interdepartementale afstemming noodzakelijk was over een aantal in het rapport beschreven onderwerpen. In de brief geven wij allereerst een algemene beschrijving van het rapport, waarna wij in zullen gaan op de concrete aanbevelingen die het CRM doet aan het kabinet.
Algemene beschrijving deelrapport
Met het rapport wil het CRM aantonen dat de noodzaak om mensenrechten te betrekken bij milieuaangelegenheden niet vrijblijvend is, maar een geldende verplichting is op basis van internationale en Europese verdragen, alsook op basis van nationale wet- en regelgeving. Het CRM schetst in het rapport een overkoepelend mensenrechtelijk kader voor milieuregelgeving, -beleid en -uitvoering. Hoewel een eenduidige definitie van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu nog ontbreekt, omvat het volgens het CRM in ieder geval het recht van mensen op een schone lucht, voldoende en schoon water, gezonde biodiversiteit en ecosystemen, gezonde en duurzame voedselproductie, een niet-toxisch milieu en een veilig klimaat.
In het deelrapport benoemt het CRM allereerst de bestaande uitgangspunten op het gebied van mensenrechten. Daarbij gaat het onder andere in op belangrijke rechterlijke uitspraken die de afgelopen jaren zijn gedaan in het kader van mensenrechten en milieu. Denk bijvoorbeeld aan de Klimaseniorinnen uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Daarin heeft het EHRM voor het eerst vastgesteld dat artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM, recht op privé- en familieleven) overheden verplicht om concrete maatregelen te treffen om klimaatdoelstellingen te behalen en schadelijke gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Vervolgens bespreekt het CRM de algemene mensenrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu, inclusief geldende materiële en procedurele standaarden en randvoorwaarden. Tot slot geeft het CRM een overzicht van thematische standaarden voortbouwend op het werk van de VN-Speciaal Rapporteur ten aanzien van het recht op een gezond leefmilieu.2
Reactie op de aanbevelingen van het CRM
Aanbeveling 1: Streef naar een gecodificeerd bindend recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu.
Zorg dat dit een effectief recht is, dat individuen en belangenorganisaties het recht kunnen afdwingen voor een rechter, dat het recht van toepassing is op Europees en Caribisch Nederland, en dat de belangen van mens, milieu en natuur centraal staan.
Zet in op vastlegging van dit recht op internationaal of Europees niveau. Een aanvullend protocol bij het EVRM heeft daarbij de sterke voorkeur.
Binnen de Nederlandse rechtsorde wordt het leefmilieu beschermd door diverse regelgeving, waaronder de Grondwet. Met artikel 21 van de Grondwet kent het Nederlandse recht op constitutioneel niveau een belangrijke instructienorm voor de overheid om het leefmilieu te beschermen en te verbeteren. Hoewel artikel 21 zich moeilijk leent als toetsingsnorm voor de rechter, wil dit niet zeggen dat van dit sociale grondrecht geen verplichtingen uitgaan. De inspanningsverplichting van artikel 21 van de Grondwet wordt gewaarborgd door Europese regelgeving en door nationale regelgeving zoals de Wet milieubeheer (en de bijbehorende besluiten). De verplichtingen die raken aan het beschermen en verbeteren van een leefmilieu zijn echter grotendeels uitgewerkt in de Omgevingswet. Deze wet heeft tot doel een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land, alsook de bescherming en verbetering van het leefmilieu te waarborgen. Daartoe verplicht de Omgevingswet een ieder tot het voldoende zorg dragen voor de fysieke leefomgeving en om zoveel mogelijk te voorkomen dat door zijn handelen nadelige gevolgen voor die omgeving optreden. Dit betekent dat burgers, bedrijven en overheden verantwoordelijk zijn voor het voorkomen van nadelige gevolgen voor de leefomgeving. De wet en de bijbehorende algemene maatregelen van bestuur stellen verder concrete regels op uiteenlopende milieuonderwerpen om de bewoonbaarheid van het land en het leefmilieu te borgen.
De Omgevingswet is niet van toepassing op Caribisch Nederland. Caribisch Nederland kent zijn eigen wettelijk kader (de BES-wet- en regelgeving) om de fysieke leefomgeving te beschermen en te verbeteren met oog voor de lokale omstandigheden en lokale problematiek. De belangrijkste wetten zijn de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES, de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES, en de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES. Tot slot krijgt de inspanningsverplichting ook vorm door de doorwerking van de mensenrechtenverdragen waar Nederland partij bij is. Met name de artikelen 2 en 8 van het EVRM zijn hierbij van belang. Dit zijn een ieder verbindende bepalingen in de zin van artikel 94 Grondwet.
Het CRM spreekt een voorkeur uit voor de codificatie van een bindend recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu in een aanvullend protocol bij het EVRM, wat een optie is die is geschetst in een rapport van het Stuurcomité mensenrechten van de Raad van Europa (CDDH).3 In dit rapport verzoekt het CDDH het Comité van Ministers van de Raad van Europa om de ontwikkeling van verschillende in het rapport beschreven juridisch bindende of niet-juridisch bindende instrumenten op het gebied van mensenrechten en milieu in overweging te nemen. Als lid van de Raad van Europa zal Nederland over de inhoud van dit rapport te zijner tijd een positie moeten innemen. Bij het bepalen van die positie overweegt het kabinet zowel het belang van het verder beschermen en bevorderen van het leefmilieu, als het belang om bestuurlijke afwegingsruimte te behouden om binnen het leefmilieu in maatschappelijke behoeften te kunnen voorzien. In deze kabinetsreactie kan het kabinet nog niet vooruitlopen op die positiebepaling. Wel verdient opmerking dat Nederland in 2021 in de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en in 2022 in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resoluties heeft gesteund (en geco-sponsord) waarin het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu op een niet-juridisch bindende wijze wordt erkend.4 Uit deze resoluties vloeien géén rechtstreekse verplichtingen voort voor het Koninkrijk of voor Nederland en burgers kunnen er geen rechtstreeks beroep op doen bij de rechter. Wel is het mogelijk dat de rechter bestaande mensenrechten of andere open normen (zoals de zorgvuldigheidsnorm in het privaatrecht) uitlegt in het licht van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu.
Aanbeveling 2: Verstevig op korte termijn de bescherming van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu op Caribisch Nederland.
Pak de ongelijkwaardige bescherming van mensenrechten aan op Caribisch Nederland door verdragen, waaronder het VN-Klimaatverdrag en het Verdrag van Aarhus, ook te laten gelden voor de BES-eilanden.
Draag zorg voor de effectieve bescherming van het recht op een gezond leefmilieu door een tweedeling in de bescherming van dit recht tussen Europees en Caribisch Nederland te voorkomen.
Ondersteun als Europees Nederland de BES-eilanden bij het realiseren van het recht op een gezond leefmilieu. Houd daarbij rekening met de sociaaleconomische en fysiologische verschillen tussen Europees en Caribisch Nederland, en de onderlinge historie.
Betrek de belangen van inwoners van Caribisch Nederland op zorgvuldige wijze bij de besluitvorming. Het opstellen van regelgeving, beleid en internationale afspraken/richtlijnen vereist betrokkenheid en inspanningen van zowel de Nederlandse regering als de bestuurscolleges.
Het kabinet onderschrijft het belang van een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu voor alle inwoners van Nederland. Bonaire, Sint Eustatius en Saba vormen een gelijkwaardig deel van het land Nederland. Daarbij is het uitgangspunt dat inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op een gelijkwaardige manier worden beschermd tegen de gevolgen van milieuvervuiling en klimaatverandering, met oog voor de specifieke context van de eilanden.
Het CRM wijst op verschillen in de toepassing van internationale verdragen en nationale wetgeving tussen Europees en Caribisch Nederland. Verdragen zoals het VN-Klimaatverdrag, de Overeenkomst van Parijs, en het Verdrag van Aarhus gelden momenteel niet voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het toepassingsgebied van deze verdragen is daarmee beperkt tot het Europese deel van Nederland. Hier zijn aanwijsbare redenen voor. Medegelding kán voordelen bieden, zoals versterking van de al bestaande rechtsbescherming op milieugebied en een meer volwaardige betrokkenheid bij het internationale klimaatbeleid. Medegelding brengt ook niet te onderschatten extra verplichtingen met zich mee, zoals het opzetten van uitvoeringswetgeving, extra monitorings- en rapportagesystemen, en reductieverplichtingen voor de eilanden. Deze verplichtingen vergen extra bestuurlijke en financiële capaciteit, wat schaars is bij de openbare lichamen. Gezien de omvang en de capaciteit van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is het van belang dat deze afweging zorgvuldig wordt gemaakt, in nauwe afstemming met de openbare lichamen. Desalniettemin staat het kabinet open voor het overwegen van medegelding van het VN-Klimaatverdrag, het Klimaatakkoord van Parijs en het Verdrag van Aarhus voor Caribisch Nederland.
Het ontbreken van medegelding betekent niet dat er geen adaptatie- en mitigatiemaatregelen worden genomen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba of dat de onderwerpen van rechtsbescherming in milieuaangelegenheden, participatie en inzage daarom bij voorbaat al niet goed zijn geregeld in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Ook zonder formele medegelding wordt er klimaatadaptatie- en mitigatiebeleid gemaakt en vindt participatie en consultatie over milieu- en klimaataangelegenheden plaats.
Wat betreft het milieubeleid is in 2012 de Wet volkshuisvesting ruimtelijke ordening en milieubeheer BES (hierna: Wet VROM BES) gedeeltelijk in werking getreden. De Wet VROM BES is op maat gemaakt waarbij de Wet milieubeheer als kader is gebruikt, rekening houdend met de specifieke omstandigheden op de eilanden en lokale vraagstukken. De complete Nederlandse wet- en regelgeving toepassen op de kleinschalige BES-eilanden werd destijds bovendien te uitgebreid en te complex geacht, mede gelet op de hoeveelheid en complexiteit van de onderliggende regelgeving.5 Met de Wet VROM BES werd eveneens een geïntegreerd kader beoogd op het gebied van milieu en de fysieke leefomgeving zoals ook de Omgevingswet voorstaat. Met de Wet VROM BES zijn overheden, burgers en bedrijven verantwoordelijk voor een veilig en schoon leefmilieu op Bonaire, Sint Eustatius en Saba en wordt een basisbescherming voor het milieu geboden. De wet bevat eveneens een algemene zorgplichtbepaling voor een ieder. Er geldt een milieueffectrapportage voor aangewezen activiteiten en ook is in de wet een beleidscyclus opgenomen. Elke 5 jaar stelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een milieubeleidsplan op. Het milieubeleidsplan is nu onderdeel van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribische Nederland (NMBP), dat loopt van 2020-2030. In het NMBP zijn ook maatregelen ter bescherming tegen klimaatverandering opgenomen. In het Coalitieakkoord “Aan de slag” is opgenomen dat het NMBP (fase 2) wordt voorgezet. In het najaar van 2026 zal het Kabinet de Kamer informeren over de invulling van fase 2.
Ook worden Bonaire, Sint Eustatius en Saba ondersteund bij het ontwikkelen van de eilandelijke klimaatplannen, zowel met middelen (€1 mln in 2024) als met onderzoek en kennis van de betrokken ministeries. Deze middelen worden ingezet voor lokale ondersteuning, kennisontwikkeling en participatie van inwoners. Het kabinet werkt verder momenteel aan een herijking van de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) voor zowel Europees als Caribisch Nederland. Bij de NAS en de adaptatiemaatregelen wordt de recente uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 over de bescherming van Bonaire tegen klimaatverandering in acht genomen.6 De openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, burgers, organisaties en bedrijven worden actief betrokken bij het participatietraject van de NAS2026. In internationaal verband wordt de nationale positie voorafgaand aan de Conferentie van Partijen bij het Raamwerkverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC COP) met alle delen van het Koninkrijk voorbereid via de Koninkrijksinstructie. Tot slot wordt er via platforms zoals het International Panel on Deltas and Coastal Areas (IPDC) en de Caribbean Climate and Energy Conference (mei 2025 Curaçao en mei 2023 Aruba) kennis gedeeld tussen Europese en Caribische partners. Op het gebied van klimaatmitigatie is in 2022 €33,6 miljoen geïnvesteerd in de verduurzaming van de elektriciteitsproductie op de eilanden, waarmee het aandeel duurzame energie de komende jaren aanzienlijk toeneemt.
De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli) heeft in het
rapport ‘Samen naar beter’ eveneens verschillen tussen Caribisch
Nederland en Europees Nederland onder de aandacht gebracht ten aanzien
van het fysieke domein, huisvesting, infrastructuur, connectiviteit
tussen de eilanden en klimaat.7 De Rli constateert dat
er in de breedte van het fysieke domein in potentie onwenselijke
verschillen bestaan tussen de nationale beleidsinzet voor Caribisch
Nederland en de nationale beleidsinzet voor Europees Nederland. Dit
heeft volgens de Rli te maken met het feit dat het principe van ‘comply
or explain’ niet secuur of niet controleerbaar wordt toegepast op
wetgeving- en beleidsintensiveringen in het fysieke domein. In de
kabinetsreactie van 7 november 2025 op de adviezen van de Rli en Raad
voor het Openbaar Bestuur heeft het Rijk vier actielijnen uitgezet om
een stap naar een gelijkwaardig voorzieningenniveau in de fysieke
leefomgeving van Bonaire, Sint Eustatius en Saba te realiseren.8 Zo zet het kabinet in op meerjarige
samenwerking en een samenhangende aanpak met de eilanden, versterking
van de uitvoeringscapaciteit en een duurzame bekostigingsystematiek van
de fysieke infrastructuur, wat de eilanden verder zal ondersteunen bij
het realiseren van een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu. Daarnaast
heeft een van de actielijnen betrekking op het beter waarborgen van het
principe van ‘comply or explain’. Hierbij benadrukt het kabinet dat de
toepassing van ‘comply or explain’ nadrukkelijk over een ‘gelijkwaardig’
en niet over een ‘gelijk’ voorzieningenniveau gaat. In de
kabinetsreactie van 7 november 2025 zegt het kabinet toe dat er, in het
verlengde van het advies van de Rli, serieus gekeken zal moeten worden
naar welke bestaande wetgeving voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba
verder nog moet worden ingevoerd of herzien.9
In het Coalitieakkoord 2026-2030 “Aan de slag” heeft het kabinet het
principe van ‘comply or explain’ nader gespecificeerd: nieuw beleid in
Europees Nederland wordt in de basis ingevoerd in Caribisch Nederland,
tenzij er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen. Voorts wordt er
gelijktijdig stapsgewijs een inhaalslag gemaakt bij verouderde
wetgeving.
Aanbeveling 3: Verzeker de rechtsbescherming door de rechter voor individuen en belangenorganisaties in zaken die gaan over het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu.
Zorg dat nauwkeuring in wetgeving is vastgelegd welke rechtsgang voor individuen en belangenorganisaties openstaat in milieuaangelegenheden. Draag daarbij ook zorg voor toegankelijke informatie over mogelijke rechtsmiddelen.
Zorg dat belangenorganisaties effectieve rechtsmiddelen hebben en houden om milieuaangelegenheden en klimaatverandering aanhangig te maken bij de rechter. Vereisten die gesteld worden aan belangenorganisaties om rechtszaken te starten moeten objectief, noodzakelijk, evenredig en duidelijk afgebakend zijn.
Het rapport van het CRM stelt dat het Verdrag van Aarhus en het EVRM vergen dat er brede toegang is tot de rechter voor individuen én belangenorganisaties. Het CRM beveelt in het rapport aan dat nauwkeurig in wetgeving moet zijn vastgelegd welke rechtsgang voor individuen en belangenorganisaties openstaat in milieuaangelegenheden en dat informatie toegankelijk is over mogelijke rechtsmiddelen. Ook beveelt het CRM aan ervoor te zorgen dat belangenorganisaties effectieve rechtsmiddelen hebben en behouden om zodoende milieuaangelegenheden en kwesties aangaande klimaatverandering aanhangig te maken bij de rechter.
Het kabinet merkt op dat toegang tot de bestuursrechter voor belangenorganisaties die zich inzetten voor milieubescherming bij een administratief besluit en het nalaten om een dergelijk besluit te nemen, wordt geboden krachtens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als er geen besluit voorhanden is en de bestuursrechter dus niet bevoegd is, kunnen belangenorganisaties die zich inzetten voor milieubescherming tegen handelingen en het nalaten te handelen opkomen bij de burgerlijke rechter krachtens artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Iedere persoon en rechtspersoon met voldoende belang kan bij de burgerlijke rechter tegen de Staat der Nederlanden en onderdelen daarvan, waaronder decentrale overheden, procederen. Zowel de bestuursrechter als de burgerlijke rechter bieden hiermee een ruime toegang tot de rechter aan burgers en belangenorganisaties, waaronder zij die zich inzetten voor milieubescherming, om de materiële en formele rechtmatigheid van handelingen, besluiten en nalatigheden van overheidsinstanties aan te vechten. Hiermee wordt toegang tot de rechter op grond van artikel 9, leden 2 en 3, van het Verdrag van Aarhus verzekerd.
Dat milieubelangenorganisaties daadwerkelijk toegang hebben tot de burgerlijke rechter op grond van artikel 3:305a BW blijkt onder meer uit de ontvankelijkheidsbeslissing van de rechtbank Den Haag in de klimaatzaak die Greenpeace heeft aangespannen tegen de staat over klimaatverandering op Bonaire.10 De burgerlijke rechter kan effectieve rechtsbescherming bieden, ook aan belangenorganisaties die zich inzetten voor milieubescherming.
De bevoegdheidsverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter voor het aanvechten van de rechtmatigheid van handelingen, besluiten en nalatigheden van overheidsinstanties is duidelijk en transparant vastgelegd in het nationale recht. Voor het bestuursrecht is dit vastgelegd in hoofdstuk 8, bijlage 2 en artikel 8:71 van het Awb, en voor het civiele recht in artikel 3:305a BW en artikel 70 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
De bovenstaande overwegingen over de toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden gelden evenzeer voor Caribisch Nederland, waar toegang tot de bestuursrechter voor belangenorganisaties geregeld is in de Wet administratieve rechtspraak BES (War BES). Aangemerkt als belangenorganisaties worden rechtspersonen die krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden bepaalde belangen behartigen (artikel 7 lid 1 War BES). In Caribisch Nederland is het uitgangspunt dat de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is. Hierop zijn wel meerdere uitzonderingen en het is mogelijk voor een rechter in Caribisch Nederland om een bepaalde rechtsregel uit de Awb in een bepaald geval analoog toe te passen. Eveneens kunnen stichtingen en verenigingen tegen handelingen en het nalaten te handelen opkomen bij de burgerlijke rechter krachtens artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek BES. Ook in Caribisch Nederland wordt toegang tot de rechter daarmee in grote mate verzekerd.
Het rapport van het CRM verwijst in het kader van de toegang tot de rechter voor belangenorganisaties naar de aanmaningsbrief van de Europese Commissie aan Nederland als onderdeel van een inbreukprocedure, omdat volgens de Europese Commissie onduidelijk is welke rechtsgang (bij de civiele rechter of bestuursrechter) openstaat tegen handelingen of nalatigheden van overheidsinstanties op basis van het milieurecht van de EU. De Tweede Kamer is op 2 mei 2024 geïnformeerd over het besluit van de Commissie om deze inbreukprocedure te starten.11 Naar aanleiding van de Nederlandse reactie op de ingebrekestelling heeft de Commissie op 7 mei 2025 besloten om de inbreukprocedure te sluiten.
Daarnaast stelt het rapport van het CRM de vraag of de toegang tot de burgerlijke rechter voor belangenorganisaties onder druk staat, verwijzend naar twee moties die in de Tweede Kamer zijn ingediend die de regering verzoeken te verkennen of strengere “representativiteitseisen” zouden moeten worden gesteld aan belangenorganisaties. Het rapport verwijst ook naar de evaluatie van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), waarin het vereiste van voldoende representativiteit uit artikel 3:305a BW meegenomen wordt. De uitkomsten van deze evaluatie zijn bij brief van 16 juni 2025 (het rechtsvergelijkend onderdeel)12 en bij brief van 19 november 2025 (de wetsevaluatie)13 aan de Kamer aangeboden. In de brief van 19 november 2025 wordt ten aanzien van het stellen van nadere vereisten aan de representativiteitstoets opgemerkt dat uit het onderzoek niet blijkt dat daar een noodzaak toe bestaat. Een nadere kabinetsreactie volgt naar verwachting in Q3 van 2026.
Aanbeveling 4: Bestendig en versterk de Nederlandse inzet op internationale samenwerking bij milieuvraagstukken en draag daarin zorg voor de waarborging van het recht op een schoon, gezond een duurzaam leefmilieu.
Monitor, evalueer en scherp internationale verplichtingen en doelstellingen voortdurend aan waar deze tekortschieten. Voorkom een afname in milieu- en mensenrechtenbescherming op internationaal niveau.
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor het versterken van de internationale rechtsorde en multilaterale samenwerking op het gebied van milieu. Nederland streeft naar een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu voor iedereen, en ziet internationale samenwerking als een essentieel middel om dit doel te bereiken. Deze inzet krijgt vorm via de naleving van het internationaal milieurecht, de monitoring en evaluatie van internationale verplichtingen, en via diplomatie, handel en kennisuitwisseling.
Binnen de Europese Unie werkt Nederland actief aan de versterking en uitvoering van het milieurecht. Dit gebeurt onder andere door betrokkenheid bij de herziening van belangrijke richtlijnen, zoals de Richtlijn Industriële Emissies en de Luchtkwaliteitsrichtlijn, en door de implementatie van strategisch beleid zoals de Europese Green Deal, de Europese Biodiversiteitsstrategie, en de Kaderrichtlijn Water.
Op mondiaal niveau draagt Nederland in lijn met nationale prioriteiten bij aan het versterken van het internationale milieurecht. Daarbij staat het waarborgen van een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu centraal. Nederland onderstreept het belang van internationale samenwerking bij het aanpakken van klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en vervuiling, onder meer via VN-instellingen zoals de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN), de VN-Mensenrechtenraad, de VN-Milieuvergadering (UNEA), en relevante milieuverdragsconferenties (zoals Conferences of the Parties, COPs).
Nederland levert daarom een actieve bijdrage aan de ontwikkeling en uitvoering van bestaande milieuverdragen waar het Verdragspartij bij is, zoals het Raamwerkverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (VN Klimaatverdrag) en de Overeenkomst van Parijs, het Biodiversiteitsverdrag en het Kunming-Montreal Raamwerk, het Desertificatieverdrag, en diverse verdragen over chemicaliën en afval. Ook ondersteunt Nederland de totstandkoming van nieuwe verdragen en de voorbereiding op implementatie van nieuwe verdragen, zoals de BBNJ-overeenkomst over mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht, en de onderhandelingen over een wereldwijd verdrag tegen plasticvervuiling.
Nederland neemt verschillende concrete maatregelen om een afname van milieu- en mensenrechtenbescherming op internationaal niveau te voorkomen. Deze inzet is gericht op het behouden en versterken van bestaande normen, het voorkomen van terugval (regressie) en het bevorderen van internationale samenwerking. Om te voorkomen dat bestaande milieubescherming wordt afgezwakt, zet Nederland zich in voor het opnemen van non-regressie clausules in internationale verdragen, zoals reeds het geval is in de Overeenkomst van Parijs. Ook pleit Nederland voor speciale aandacht voor kwetsbare groepen en toekomstige generaties. Daarnaast heeft Nederland in de VN-Mensenrechtenraad en in de AVVN resoluties gesteund waarin het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu wordt erkend.
Bovendien vormen ook monitoring en evaluatie een belangrijk onderdeel van de Nederlandse inzet. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) speelt hierin een centrale rol door de kwaliteit van milieu en natuur te volgen en het gevoerde beleid te evalueren. De bevindingen worden tweejaarlijks gepubliceerd in de Balans voor de Leefomgeving, en actuele informatie is beschikbaar via het Compendium voor de Leefomgeving. Internationaal draagt Nederland bij aan de versterking van milieu-informatie door deelname aan wetenschappelijke panels zoals het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), de Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) en het International Resource Panel, en het in 2025 opgerichte Intergovernmental Science Policy Panel on Chemicals, Waste and Pollution (ISP-CWP). Ook wordt voldaan aan internationale rapportageverplichtingen die voortvloeien uit milieuverdragen.
Tot slot werkt Nederland intensief samen met derde landen aan milieubeleid en -uitvoering. Dit gebeurt via kennisdeling, handel en diplomatie, met bijzondere aandacht voor thema’s als waterbeheer, klimaatadaptatie, voedselzekerheid en circulaire economie. Programma’s als Partners for Water en Blue Deal dragen bij aan duurzame oplossingen wereldwijd. Nederland ondersteunt daarnaast het VN-Milieuprogramma (UNEP), onder meer via het Montevideoprogramma, en levert bijdragen aan fondsen die landen helpen bij de uitvoering van hun milieudoelstellingen.
Conclusie
Zoals het CRM terecht stelt, staat de Nederlandse overheid voor grote uitdagingen ten aanzien van leefmilieuvraagstukken. Zeker omdat daarbij verschillende belangen soms lijnrecht tegenover elkaar staan. Wij hebben in deze brief gewezen op het belang van huidig geldende regelgeving die ziet op het beschermen en het bevorderen van het leefmilieu, waardoor de grondwettelijke taak van de regering wordt gewaarborgd. Ook is aangegeven dat het kabinet te zijner tijd met een positiebepaling komt over eventuele stappen binnen het verband van de Raad van Europa om het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu te erkennen. Verder onderstreept het kabinet het belang van een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu voor zowel Europees als Caribisch Nederland. Het kabinet neemt dit belang in acht bij de totstandkoming van regelgeving en beleid en blijft zich ter behartiging hiervan inzetten op het versterken van de internationale rechtsorde en multilaterale samenwerking. Tot slot onderstreept het kabinet het belang van rechtsbescherming door de rechter voor individuen en belangenorganisaties in zaken die gaan over het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu. Wij gaan, samen met de andere betrokken ministeries, graag in gesprek met het CRM op welke wijze al deze belangen het beste kunnen worden gewaarborgd.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
Kamerstukken II 2024/25 33 826, nr. 56.↩︎
VN-Mensenrechtenraad, Report of the special rapporteur on the issue of human rights obligations relating to the enjoyment of a safe, clean, healthy and sustainable environment, A/HRC/37/59, 24 januari 2018.↩︎
Het Engelstalige rapport is online beschikbaar: https://rm.coe.int/steering-committee-for-human-rights-cddh-cddh-study-on-the-need-for-an/1680b2b196.↩︎
Resoluties van de Mensenrechtenraad uit 2021 (A/HRC/RES/48/13) en de Algemene Vergadering uit 2022 (A/RES/76/300).↩︎
Kamerstukken II 2009/2010, 32473, nr. 3.↩︎
Rechtbank Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1344.↩︎
Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, Samen naar beter, 13 juni 2025.↩︎
Kamerstukken 2025/2026, 36 800 IV, nr. 21.↩︎
Idem.↩︎
Rechtbank Den Haag 25 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14834.↩︎
Overzicht ingebrekestellingen (per departement) (stand 31 maart 2024) – Bijlage bij Brief Uitvoering EU-Richtlijnen 2 mei 2024: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-1141608.↩︎
Kamerstukken II 2024/2025, 29279, nr. 975.↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 29279, nr. 1002.↩︎