[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Kabinetsreactie op het Rli-advies 'Falen en Opstaan'

Nota Ruimte

Brief regering

Nummer: 2026D36455, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-08-05 13:36, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 29435 -322 Nota Ruimte.

Onderdeel van zaak 2026Z16105:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


29435 Nota Ruimte

Nr. 322 Brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2026

Op 19 mei vorig jaar heeft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) het advies ‘Falen en opstaan, naar een doeltreffende aanpak van problemen in de leefomgeving’ aangeboden aan de minister-president en de bewindspersonen van VRO, BZK, IenW, EZ, KGG en LVVN. De Rli betoogt dat een verbetering in de samenwerking tussen overheden, bedrijfsleven en gemeenschappen noodzakelijk is om de uitdagingen in de fysieke leefomgeving het hoofd te bieden, waaronder het tekort aan betaalbare woningen, de noodzaak van verduurzaming van de Nederlandse energievoorziening en de ontwikkeling van een toekomstbestendige landbouw en robuuste natuur. Het kabinet is de Rli erkentelijk voor zijn advies. In onderstaande wordt de reactie uiteengezet.

Hoofdlijnen analyse adviesrapport ‘Falen en opstaan’

De Rli schrijft dat Nederland te kampen heeft met forse leefomgevingsproblemen ondanks veel beleidsinspanningen. De oorzaak daarvan ligt, in de analyse van de Rli, in een disbalans in het samenspel tussen overheid, bedrijfsleven en gemeenschappen. De Rli identificeert een aantal belemmeringen:

  1. Ontbreken van maatschappelijke dialogen over waarden: Het gaat in het maatschappelijk debat over collectieve belangen teveel over onenigheid over feiten, in plaats van over belangrijke waarden. Ook overheden lichten weinig toe welke waarden schuilgaan achter keuzes. Dit gaat ten koste van maatschappelijke acceptatie van beleid.

  2. Geen oog voor de bijdrage van gemeenschappen: Gemeenschappen, zoals woon- of gebiedscoöperaties, spelen tegenwoordig een kleine rol in de zorg voor collectieve belangen in de leefomgeving. Initiatieven lopen tegen bureaucratie en beperkende regelgeving aan.

  3. Samenspel tussen overheid en bedrijfsleven levert onvoldoende oplossingen: De zorg voor collectieve belangen is met name bij overheid en het bedrijfsleven komen te liggen. Deze benadering heeft volgens de Rli financieel-economisch gezien goede resultaten opgeleverd, maar heeft ervoor gezorgd dat collectieve belangen in de leefomgeving verwaarloosd zijn.

  4. Gebrek aan overzicht en slagvaardigheid bij overheid: Overheden zijn beperkt slagvaardig omdat ze te weinig faalruimte toelaten, beleidsdomeinen verkokerd zijn en de afstand tussen beleid en uitvoering te groot is.

De Rli doet de volgende agenderende aanbevelingen:

  1. Voer brede waardendialogen over leefomgevingsvraagstukken: Het expliciet maken en wegen van de waarden die in het geding zijn bij leefomgevingsvraagstukken vergt dat overheden met bedrijven en gemeenschappen in gesprek gaan over wat belangrijke waarden zijn.

  2. Betrek gemeenschappen gelijkwaardig in het samenspel: Gemeenschappen zijn voor overheden een belangrijke kennisbron en samenwerkingspartner in de zorg voor de leefomgeving. Om gelijkwaardig op te kunnen trekken hebben gemeenschappen passende ondersteuning en juridische ruimte nodig.

  3. Creëer gezamenlijke gremia waar overheid, bedrijfsleven en gemeenschappen samenkomen: Overheden zouden hun ambities meer moeten verbinden met het verantwoordelijkheidsgevoel van gemeenschappen en het ondernemerschap uit het bedrijfsleven.

  4. Breng bedrijven in stelling voor toekomstbestendige ontwikkeling: Naast investeren in innovatie is ook het beprijzen van negatieve effecten op de leefomgeving en het normeren van ongewenste activiteiten nodig. Dat geeft bedrijven een duidelijk doel waarop zij hun bedrijfsvoering kunnen aanpassen en creëert voor vooruitstrevende bedrijven een gelijk speelveld.

  5. Versterk het systemische vermogen van de overheid: Het langetermijnperspectief dat nodig is om leefomgevingsvraagstukken op te lossen vergt een overheid die haar ambtelijke organisatie op orde heeft. Dat vraagt om het doorbreken van verkokering, voldoende inhoudelijke deskundigheid en een betere aansluiting tussen beleid en uitvoering.

Rijksregie en samenwerking tussen overheden

Het kabinet onderschrijft de analyse van de Rli dat in Nederland een aantal lastige leefomgevingsvraagstukken speelt waarvoor tot op heden onvoldoende oplossingen zijn geboden. Ruimte wordt schaarser door toenemende activiteit en de groei van de bevolking. Het kabinet onderkent ook dat de complexiteit van de opgaven in de leefomgeving is toegenomen door de onderlinge samenhang tussen deze opgaven. We hebben leefomgevingsvraagstukken te lang sectoraal benaderd en lange tijd heeft het ontbroken aan een samenhangend toekomstbeeld voor Nederland. Na enkele jaren van afbouw is de nationale regie op de ruimte daarom in ere hersteld. Als Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voer ik regie door te sturen op samenhang tussen de grote opgaven en door het maken van duidelijke ruimtelijke keuzes. Dit brengt ons dichter bij ons uiteindelijke doel: voor iedereen een betaalbare, duurzame en passende woonruimte in een veilige en gezonde leefomgeving. De keuzes bepalen bijvoorbeeld waar gebouwd kan worden en hoe we ook zorgen voor een goede bereikbaarheid, ruimte voor werken en voorzieningen, natuur, schoon water uit de kraan en een tijdige energie-aansluiting. Het Kabinet geeft aan bovenstaande invulling door: duidelijke integrale keuzes in de Nota Ruimte, gebiedsgerichte uitvoering samen met medeoverheden via de NOVEX-aanpak, uitwerking en samenwerking in nationale programma’s bij verschillende vakdepartementen en de inzet van instrumentarium (vanuit de Omgevingswet en bijvoorbeeld het grondinstrumentarium).

Op 26 september 20251 is namens alle bewindslieden in het fysieke domein de Ontwerp-Nota Ruimte aangeboden. De Nota Ruimte is de integrale visie op de ruimtelijke ordening van Nederland en bevat samenhangende en integrale ruimtelijke keuzes en afwegingen voor nu, straks (2050) en met een doorkijk naar later. Het is mijn voornemen om de definitieve Nota Ruimte voor het einde van 2026 aan uw Kamer te sturen, hiermee geeft het kabinet richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, met als uiteindelijk doel een optimale balans tussen het beschermen en benutten van onze fysieke leefomgeving. In de Nota Ruimte zijn dertien nationale belangen gedefinieerd waarvan een goede en gezonde leefomgevingskwaliteit conform de Omgevingswet de eerste is. We werken toe naar een Nederland met in 2050 ongeveer 1,65 miljoen extra woningen. Dat betekent een toevoeging van twintig procent bovenop de acht miljoen woningen die er nu zijn in ons land. De groei van de bevolking betekent ook een vraag naar meer ruimte voor werken, voorzieningen, sport en groene, toegankelijke plekken voor recreatie en natuurbeleving. En om het meegroeien van de infrastructuur voor mobiliteit, energie en drinkwater. Dit in 30 jaar tijd voor elkaar krijgen, behelst de grootste ontwikkelopgave in de Nederlandse geschiedenis. En we doen dat op een manier die herkenbaar is, past bij lokale behoeften en kansen, en gedragen wordt door burgers en gemeenschappen. We hebben bij het opstellen van de Nota Ruimte daarom drie leidende principes gehanteerd:

  1. Meervoudig ruimtegebruik: Ruimte is schaars en waardevol. We zoeken waar het kan naar mogelijkheden voor functiecombinaties en naar efficiënt ruimtegebruik met behoud van ruimtelijke kwaliteit.

  2. Gebiedskenmerken centraal: We beschermen en benutten wat er is en ontwikkelen nieuwe, onderscheidende ruimtelijke kwaliteit. We werken aan lokaal en regionaal passende oplossingen.

  3. Zoveel mogelijk voorkomen van afwentelen: We schuiven problemen niet zondermeer door naar elders of naar toekomstige generaties en we streven naar een rechtvaardige verdeling van de lusten en lasten.

De Ontwerp-Nota Ruimte is opgesteld samen met de Ministeries van IenW, EZ, KGG, VWS, LVVN, Defensie, OCW en in overleg met medeoverheden (provincies, gemeenten en waterschappen). Daarnaast zijn ook het bedrijfsleven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en inwoners betrokken en wordt deze betrokkenheid nu intensief voortgezet. Het Rijk zet daarmee stappen om de sectorale verkokering in het leefomgevingsdomein te verminderen. Dat vraagt naast het maken van integrale keuzes ook om het regisseren van een goed samenspel tussen overheden en het in samenwerking met de regio benutten van de kracht van de lokale gemeenschappen. Daarom werken alle overheden gebiedsgericht samen aan de ruimtelijke inrichting van Nederland via de zogenaamde NOVEX-aanpak. Deze aanpak houdt in: het versnellen van de uitvoering van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), het versterken van de ruimtelijke regierol van de Rijksoverheid en het vernieuwen van de samenwerking in de (uitvoerings)relatie met provincies, gemeenten en waterschappen. Onder andere werken Rijk en regio in 16 NOVEX-gebieden en 3 verstedelijkingsgebieden samen met de stakeholders aan gebiedsgerichte uitvoering van de fysieke opgaven en de complexe stapeling daarvan. Uw Kamer is op 13 januari jl. geïnformeerd over de voortgang van de NOVEX-aanpak per provincie en per NOVEX-gebied.2 Daarmee stelt het Rijk medeoverheden in staat om invulling te geven aan hun specifieke rollen.

Na het afronden van de Ontwerp-Nota Ruimte zijn tijdens de periode van de terinzagelegging verdiepende informatieve bijeenkomsten georganiseerd in alle provincies met vertegenwoordigers van provincies, gemeenten en waterschappen. Daarnaast zijn gesprekken gevoerd met o.a. VNO-NCW, de Landbouwtafel, Groene 11 (natuur- en milieuorganisaties), bouwpartijen (Bouwend Nederland, Aedes, NEPROM en Woningbouwers NL), Rijksuitvoeringsorganisaties, VNG Commissie Ruimte, Unie van Waterschappen, Netbeheer Nederland, VEWIN, NVDE, BO VRO, CRa, PBL, Netwerk Maak Ruimte voor Gezondheid en Platform Ontwerp NL. Naast al deze gesprekken zal het kabinet alle bijna 500 zienswijzen, uit de terinzagelegging van 6 oktober t/m 15 december 2025, beantwoorden en verwerken bij de verdere uitwerking van de Nota Ruimte.

Op basis van het coalitieakkoord, de ontvangen zienswijzen, de reflecties van de Rli, het PBL en CRa, voeren we aanscherpingen door en passen we de Nota Ruimte aan. We wijzen tien extra nationaal grootschalige woningbouwlocaties aan. We werken daarnaast aan een nationale ruimtelijk-economische strategie voor de energie-intensieve haven- en industrieclusters om zo een clustering van zware industriële activiteiten te realiseren samen met de verduurzaming ervan. Ook geven we invulling aan de ambities voor een perspectief voor de landbouw en een sterke natuur en werken we aan ‘water en bodem sturend’ als richtinggevend principe. Voor toekomstige welvaart en veiligheid zijn keuzes in de ruimtelijke ordening, die goed aansluiten bij de natuurlijke kenmerken van het water- en bodemsysteem, van groot belang. Dit passen we bijvoorbeeld toe bij de locatiekeuze en inrichting van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen, om te voorkomen dat bebouwing op termijn gaat verzakken of een groot risico kent op wateroverlast en -schade. Door het veranderende klimaat zullen we water ook veel meer moeten vasthouden (voor waterbeschikbaarheid en voorkomen van wateroverlast) en onze bodem weer gezond moeten maken.

Het kabinet richt zich in de definitieve Nota Ruimte op het werken aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit met een thuis voor iedereen en zal dit ook verder uitwerken onder het principe ‘Zoveel mogelijk voorkomen van afwentelen’. De reflecties van de Rli, het PBL en CRa en zienswijzen van medeoverheden, organisaties en burgers op de Ontwerp-Nota ruimte en de motie-Teunissen (Kamerstuk 29435, nr. 301) wijzen ook op het belang hiervan. Hierbij maken we duidelijk hoe keuzes binnen dit thema bijdragen aan het halen van de doelen.

Naast de definitieve Nota Ruimte sturen we ook de uitvoeringsstrategie aan uw Kamer, waarin wordt opgenomen hoe invulling gegeven gaat worden aan de realisatie van de beleidskeuzen uit de Nota Ruimte. De Uitvoeringsstrategie is nog niet ‘de schop in de grond’, maar vormt de stap tussen visie en realisatie. Door de doorwerking goed te organiseren wordt de basis gelegd voor daadwerkelijk uitvoering van de keuzes uit de Nota ruimte. Enerzijds wordt aangegeven in welk Nationaal Programma de keuzes uit de Nota Ruimte worden uitgewerkt en uitgevoerd, zodat duidelijk is welke ministeries gaan werken aan de doorwerking en uitvoering. Anderzijds worden vervolgstappen benoemd waaraan, in die programma’s, wordt gewerkt. Daarnaast laten we zien op welke manier keuzes en programma’s met elkaar samenhangen, waar samenwerking en een samenhangende afweging nodig is. Op die manier borgen we ook de integraliteit, van de keuzes in de Nota Ruimte, in de uitvoering.

Participatie en gemeenschapskracht

Het Rijk wil de grote veranderingen richting 2050 nadrukkelijk met de samenleving vormgeven. Het betrekken van de samenleving bij de zorg voor de leefomgeving doen we met een combinatie van vormen die passen binnen en aanvullend zijn op de representatieve democratie.

Een gezonde en goede leefomgeving voor toekomstige generaties en het niet afwentelen was bijvoorbeeld een belangrijk principe in het Jongerendebat ‘Ruimte voor Jong Nederland’ dat we op 12 maart jl. organiseerden voor jonge professionals en studenten (mbo, hbo en universiteit) en bestuursleden van jongerenkoepels in het ruimtelijk domein (150 jongeren uit heel Nederland). De afgeronde Ontwerp-Nota Ruimte was de basis voor het programma. Met hen hebben we gesproken over wat er bij hen leeft ten aanzien van hun eigen leefomgeving en hoe de keuzes en richtingen, die in de Ontwerp-Nota Ruimte zijn gemaakt, verder kunnen worden gebracht in de uitvoering. Jongeren hebben creatief meegedacht hoe we opgaven kunnen combineren, met ruimtelijke puzzels, hoe je gebiedskenmerken centraal kan stellen en hoe we invulling kunnen geven aan het principe van niet afwentelen.

In voorgaande periode tijdens het opstellen van de Ontwerp-Nota Ruimte is ook ingezet op participatie en het ophalen van perspectieven vanuit de samenleving. Een groep inwoners, die een afspiegeling vormt van de samenleving, is daarbij betrokken. We hebben dit gedaan door het opvragen van burgerperspectieven aan de hand van vragen over thema’s en belangen die de deelnemers belangrijk vinden bij de inrichting van Nederland (panel 1.642 deelnemers). Daarnaast is een groep jongeren in een zestal sessies gevraagd hoe ze vinden dat Nederland moet worden ingericht (jongerenperspectieven), en zijn via het overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL) diverse maatschappelijke organisaties en partijen uit het bedrijfsleven betrokken voor het benutten van kennis uit de praktijk.

Het participatietraject voor de Ontwerp-Nota Ruimte vormt een goed voorbeeld van de wijze waarop burgers betrokken worden bij de nationale ruimtelijke ordening. Tegelijkertijd kunnen burgers juist op lokaal niveau een belangrijke rol spelen bij de zorg voor de leefomgeving. Uw Kamer is op 18 juni 20253 geïnformeerd over de vernieuwende wijze waarop we de kracht van de samenleving en democratie willen versterken en meer ruimte willen bieden aan eigen initiatieven van burgers en bedrijven. Door belemmerende regels weg te nemen. En door nieuwe manieren van invloed en zeggenschap van burgers te ondersteunen.

Gemeenschapsinitiatieven kunnen ook zorgen voor het doorbreken van impasses in leefomgevingsdossiers. Om de gemeenschapskracht te benutten zullen overheden anders moeten kijken naar gemeenschapsinitiatieven. We werken toe naar structurele ondersteuning van bewonersinitiatieven, onder andere via kennisdeling, community support en langjarige financiering voor succesvolle lokale pilots. Zo hebben we een programma en fonds voor coöperatieve woonvormen. Daarmee helpen we wooncoöperaties zich te ontwikkelen als serieus alternatief voor koopwoningen en huur bij woningcorporaties. De Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw richt zich ook op het opbouwen van sterke gemeenschappen door de realisatie van complete en zorgzame wijken en buurten, die aansluiten bij de behoeften van verschillende doelgroepen, en waarin ontmoeting, ondersteuning en samenredzaamheid centraal staan. Daarnaast deelt het kabinet in de Kamerbrief van 29 september jl. zijn visie om de rol van energiegemeenschappen in het energiesysteem te versterken.4 Deze gemeenschappen dragen, onder de juiste voorwaarden, namelijk bij aan een maatschappelijk gedragen energietransitie en een weerbare samenleving. Het kabinet poogt hierbij niet alleen energiegemeenschappen te versterken als speler in de energietransitie. Met de versterkte inzet wil het kabinet ook stimuleren dat energiegemeenschappen een zo breed en divers mogelijk bereik hebben en het faciliterend kader versterken, zodat energiegemeenschappen gericht worden ondersteund in een professionele organisatieopbouw.

De betrokkenheid van burgers wordt op decentraal niveau met de Wet versterking participatie verder versterkt. Met deze wet zijn lokale overheden per 1 januari 2025 verplicht om binnen twee jaar een participatieverordening op te stellen. Daarmee moet de overheid verduidelijken op welke wijze zij ruimte geeft aan maatschappelijk initiatief en de inbreng van burgers. Ook moeten decentrale overheden aangeven hoe burgers zaken zelf op kunnen pakken via het uitdaagrecht. Met het inwerkingtreden van de Omgevingswet zijn overheden en initiatiefnemers bovendien verplicht om participatie te organiseren voor de ruimtelijke plannen die zij willen uitvoeren of vaststellen. De Omgevingswet stimuleert daarbij nadrukkelijk de vroegtijdige participatie en transparante afwegingen bij beleid, plannen en projecten, en biedt ruimte aan initiatief.

Het OFL is tot slot een voorbeeld van een gremium dat overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties samenbrengt. Het OFL behandelt vraagstukken op het gebied van de fysieke leefomgeving die departementen overstijgen, waarbij de samenleving als uitgangspunt wordt genomen in plaats van de structuur van de overheid. Bovendien biedt het een onafhankelijke plek, onder onafhankelijk voorzitterschap, waarin alle partijen gelijkwaardig deelnemen en samen het proces vorm en inhoud geven. Het OFL zet erop in om naast de bekende koepel- en belangenorganisaties ook gemeenschappen of collectieven aan tafel te krijgen. Het Nationaal Klimaat Platform is daarvan een succesvol voorbeeld.

Waarden en dialoog

Het kabinet ziet het belang van een brede waardendialoog in het gesprek met de samenleving, in het bijzonder onze belangrijkste partners zoals medeoverheden, maatschappelijke partijen, ondernemers en burgers. Het is belangrijk om het gesprek over de inrichting van ons land op structurele basis voort te zetten met een representatieve vertegenwoordiging van de samenleving. De ruimte-raadpleging, burger- en jongerenperspectieven bieden diverse aanbevelingen hiervoor. We gaan daarom onderzoeken hoe we op structurele basis een nationale ruimtelijke dialoog kunnen vormgeven over ruimtelijke ordening en leefomgevingsbeleid, met oog voor de lange termijn ontwikkeling van Nederland.

Om waarden voor de leefomgeving inzichtelijk te maken, maken ministeries ook steeds vaker gebruik van de Participatieve Waarden Evaluatie (PWE). In een PWE-raadpleging ervaren deelnemers het keuzevraagstuk van een overheid in een online omgeving. Ze zien de beleidsopties die worden overwogen en de beperkingen die er zijn. Deelnemers beantwoorden de vraag wat zij zouden adviseren als ze in de schoenen van de beleidsmaker of bestuurder zouden staan en ze motiveren hun advies. Dit geeft informatie over hoe mensen de publieke waarden rond een bepaald thema wegen. Op het gebied van de fysieke leefomgeving is dit instrument bijvoorbeeld succesvol ingezet bij het Nationaal MilieuProgramma, de Lelylijn (ruim 10.000 reacties) en de brede maatschappelijke raadpleging (ruim 30.000 reacties) in het kader van het Burgerberaad Klimaat, waarover uw Kamer op 20 december 20245 is geïnformeerd. Ook voor de Ontwerp-Nota Ruimte is zo’n ruimteraadpleging georganiseerd (9.553 inwoners) om inzicht te krijgen in de ruimtelijke afwegingen die burgers maken.

Het kabinet ziet daarnaast het belang van het expliciteren van waarden bij de ontwikkeling van beleid. Bij het maken van keuzes zijn immers altijd waarden in het geding. Een goed voorbeeld hiervan is het gesprek over brede welvaart; dat is niet alleen te bepalen aan de hand van indicatoren, maar vergt gezamenlijk begrip van wat we onder brede welvaart verstaan. Zo zijn bij het opstellen van de verstedelijkingsstrategie voor regio Stedendriehoek gesprekken gevoerd in de regio over wat er onder brede welvaart verstaan wordt en wat daarin belangrijk wordt gevonden. Dit alles moet leiden tot een goed afgewogen en gedragen voorstel van een voorkeursvariant hoe de regio zich de komende jaren wil ontwikkelen.

Het voeren van een brede waardendialoog moet samengaan met goed inzicht in wat wel en niet mogelijk is boven en onder de grond. We maken keuzes op basis van wat we belangrijk vinden en maken daarbij gebruik van betrouwbare gebiedsinformatie. We werken als Rijk daarom datagedreven. Hiervoor hebben we de Nationale Geo-Informatie Infrastructuur (NGII), een samenwerkingsverband van publieke partijen. En onder de vlag van de meerjarenvisie Zicht op Nederland verbeteren het Rijk en medeoverheden de mogelijkheden om beleidskeuzes integraal, driedimensionaal en in de tijd voor eenieder inzichtelijk te maken.

De kracht van samenleving en bedrijfsleven

Een verbeterd samenspel tussen overheid, bedrijfsleven en samenleving vereist ook dat we reflecteren op de inspanningen die bedrijven leveren aan het oplossen van problemen.

De Rli benoemt het belang van investeren in innovatieve en toekomstige bedrijfsmodellen. Binnen het innovatiebeleid komen de grote opgaven in de fysieke leefomgeving o.a. aan bod in het missiegedreven innovatiebeleid, waarin overheden, kennispartners en bedrijfsleven samenwerken aan innovatie die bijdraagt aan oplossingen voor deze maatschappelijke opgaven op het gebied van energietransitie, circulaire economie, gezondheid & zorg, landbouw, water en voedsel en veiligheid. In de Integrale Kennis- en Innovatieagenda (KIA) voor Klimaat en Energie is bijvoorbeeld gericht aandacht voor de gebouwde omgeving, naast onderwerpen als industrie en mobiliteit. In de KIA Landbouw Water Voedsel staan een vitaal landelijk gebied en veerkrachtige natuur centraal en wordt o.a. gewerkt aan innovatieve en toekomstgerichte bedrijfsmodellen in de land- en tuinbouw. Verder is in de Kamerbrief Industriebeleid met focus6 van 17 oktober 2025 een raamwerk neergezet voor specifieke interventies die bijdragen aan verdienvermogen, weerbaarheid en maatschappelijke opgaven. Voor het oppakken van de opgaven in de fysieke leefomgeving is het tevens belangrijk dat de schade van vervuiling en de uitstoot van broeikasgassen weerspiegeld is in de prijs van producten en diensten. Het Europese emissiehandelssysteem ETS is een voorbeeld van een goed functionerend Europees beprijzingsmechanisme; bedrijven hebben hiermee namelijk een financiële prikkel om minder CO2 uit te stoten.

Wel moeten we oppassen dat de opeenstapeling van regels en complexe procedures niet werkt als belemmering bij de uitvoering van de opgaven. Daarom werkt het kabinet met een jaarlijkse Vereenvoudigingswet waarmee we wetten en regels structureel verbeteren. En werken we met de monitoring van de afspraken uit het programma STOER (Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving) aan het opsporen en wegnemen van overbodige of tegenstrijdige regels, het beter benutten van de bestaande mogelijkheden binnen wet- en regelgeving en het versterken van de samenwerking tussen overheden en marktpartijen.7,8 Ook gaat dit kabinet door met de Aanpak Regeldruk die door het vorige kabinet is gestart met als doel om voor de zomer voor 500 regels voor ondernemers de regeldruk te gaan verminderen.9 Het is een aanpak waarbij álle ministeries die regels hebben voor ondernemers meedoen. Het kabinet werkt hard aan die doelstelling en er is al substantiële voortgang geboekt. In december 2025 kondigde het vorige kabinet aan voor 218 regels regeldruk te verminderen. In april 2026 kondigde de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan hier 97 regels aan toe te voegen. En dit is geen eenmalige doelstelling. De inzet van dit kabinet is om jaarlijks minimaal 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen.

Daarnaast zijn op Europees niveau de gesprekken gaande over de vereenvoudiging of aanpassing van regels. Het kabinet onderschrijft, gezien haar ambitie om het mes te zetten in onnodig ingewikkelde regelingen, de Europese Omnibus-wetgeving. De ambitie blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Europese richtlijnen en regelgeving worden sneller en zoveel mogelijk 1-op-1 geïmplementeerd. Het kabinet maakt afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig is en administratieve lasten te beperken.

En tot slot is in de opdrachtbrief van de Taskforce Slagvaardige Overheid10 onder het eerste punt het vereenvoudigen van regelgeving opgenomen.

Slagvaardige overheid

Vanwege de urgentie gaat dit kabinet volop aan de slag met de aanpak van de opgaven, middels de Nota Ruimte, met de NOVEX-aanpak per provincie, in de NOVEX-gebieden en bijvoorbeeld met de Wet versterking regie volkshuisvesting, waarmee overheden het juiste wettelijke gereedschap in handen krijgen om met meer regie en tempo meer betaalbare woningen te bouwen.

Het kabinet maakt gebruik van de mogelijkheden en instrumenten onder de Omgevingswet om de aanpak van ruimtelijke opgaven te versnellen. De experimenteerbepaling biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid om tijdelijk af te wijken van bepaalde (juridische) regels. Een experiment richt zich op de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, procedures of besluitvorming. Dit zet ik in om het testen van innovatieve bouwopties mogelijk te maken. Daarnaast zet het kabinet het grondinstrumentarium actief in voor de ruimtelijke opgaven uit het coalitieakkoord. En we gaan door met de modernisering van de huidige wet- en regelgeving rondom het grondbeleid, zoals ook opgenomen in de beleidsbrief VRO.11 Het sneller en goedkoper beschikbaar krijgen van grond is essentieel voor de ruimtelijke opgaven.

Het kabinet onderschrijft het belang van een deskundige en samenhangende overheid, zoals ook door de WRR is benadrukt in het advies Deskundige overheid. Het kabinet heeft in dit kader de Ministeriële Taskforce Slagvaardige Overheid (TSOv) opgericht met als doel een eenvoudige en betrouwbare overheid die focust op wat echt nodig is. Speerpunten voor de taskforce zijn het verminderen van regeldruk/de vereenvoudigingsopgave, het verhogen van productiviteit en het verbeteren van dienstverlening. Ook wordt ingezet op het werken met multidisciplinaire en domeinoverstijgende teams voor grote opgaven en op versterking van digitale dienstverlening. De TSOv is één van de zes taskforces die zijn opgericht voor belangrijke thema’s waarop snel doorbraken moeten komen. De andere Ministeriële Taskforces zijn: Versnelling Woningbouw (TVW), Landbouw, Natuur en Stikstof (TLNS), Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat (TTWenV), Asiel en Migratie (TAenM) en Ondermijning (TO).12 De taskforces werken departementoverstijgend en sturen op concrete resultaten, met heldere doelen en mijlpalen.

De afgelopen jaren is er al een duidelijke beweging ingezet naar meer integraal en opgavegericht werken. De totstandkoming van de Nota Ruimte vormt daarvan een goed voorbeeld. Binnen dit proces werken meerdere departementen en bestuurslagen gezamenlijk aan het verbinden van ruimtelijke, economische, ecologische en sociale opgaven. Het kabinet acht het van belang om op deze ingeslagen weg voort te gaan. De nadruk ligt daarbij op het verder versterken van de bestaande samenwerkingspraktijk. Het inzetten op integrale werkwijzen draagt bij aan het overbruggen van beleidsdomeinen en aan het oplossen van complexe maatschappelijke vraagstukken. Tegelijk blijft het investeren in ambtelijk vakmanschap en de aandacht voor de uitvoerbaarheid van beleid essentieel. Ook het verder versterken van de Rijksbrede samenwerking blijft van belang, zodat uitvoering en beleid goed op elkaar blijven aansluiten (zoals voor kennisuitwisseling). Het kabinet ziet hierin een belangrijke basis voor een lerende en wendbare overheid.

Deze voor een deel systemische moderniseringen zijn de randvoorwaarde om de slagvaardigheid van de overheid te versterken en het werkend samenspel met andere actoren te faciliteren. Daar hoort, zoals het recente CEC-advies 'Kies voor de Toekomst'13 stelt, ook bij dat de overheid duidelijke spelregels opstelt die ruimte bieden aan een productieve, duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling van economische activiteiten. Door te normeren en beprijzen kan de overheid op een efficiënte manier de randvoorwaarden scheppen waarbinnen de markt zich verder ontwikkelt.

Het Rijk zet tot slot ontwerpkracht in via de Interdepartementale Ontwerpagenda om samen met medeoverheden kennis te delen, samenhang te creëren en tot innovatieve, breed gedragen oplossingen voor ruimtelijke vraagstukken te komen. Ik zet bijvoorbeeld ontwerpend onderzoek in om te komen tot de nationaal ruimtelijk-economische strategie voor de energie-intensieve haven- en industrieclusters. Hierover kom ik later dit jaar samen met de Ministers van KGG, EZK en IenW naar buiten.

Vooruitblik

Het kabinet zet de regie op de ruimtelijke ordening krachtig voort, en zet in op uitvoeringskracht om opgaven in de leefomgeving het hoofd te kunnen bieden.

Op dit moment werken we aan de afronding van de definitieve Nota Ruimte en uitvoeringsstrategie. Tegelijkertijd wordt in de samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen en de samenleving de NOVEX-aanpak verder vormgegeven, op meer uitvoeringsgerichte wijze. Dit gebeurt door het verder ontwikkelen en uitwerken van de ruimtelijke arrangementen en de afspraken daarin tussen Rijk en provincies over omgevingsbeleid, in het bijzonder voor die onderwerpen waarop Rijk en provincie meer regie nemen. En dit gebeurt ook door het opstellen van de regionale investeringsagenda’s (RIA) gekoppeld aan de uitvoeringsagenda’s van de NOVEX-gebieden. De RIA zet de programmering van de ruimtelijke opgaven uit de uitvoeringsagenda om in een beeld van benodigde investeringen én mogelijke bekostiging daarvan in het NOVEX-gebied, om invulling te kunnen geven aan de gecombineerde ruimtelijke opgaven.

Tot slot is het belangrijk om vanuit een langetermijnperspectief in te zetten op structuurversterkende infrastructuur om de nieuwe woningen tot 2050 goed te ontsluiten en de ontwikkeling van Nederland op langere termijn, conform de Nota Ruimte, mogelijk te maken, hiervoor is de brief Langetermijnperspectief infrastructuur en woningbouw14 met uw Kamer gedeeld.

De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,

E. Boekholt-O'Sullivan


  1. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 435, nr. 269↩︎

  2. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 A, nr. 10↩︎

  3. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VII, nr. 142↩︎

  4. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 196, nr. 854↩︎

  5. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 32813, nr. 1463↩︎

  6. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 29826, nr. 277↩︎

  7. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 1352↩︎

  8. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 1383↩︎

  9. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 637, nr. 706↩︎

  10. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 848, nr. 106↩︎

  11. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XXII, nr. 45↩︎

  12. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 848, nr. 106↩︎

  13. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XIII, nr. 66↩︎

  14. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 29435, nr. 270↩︎