[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Antwoord op vragen van het lid Schilder over het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D36464, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-07-10 17:20, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z12600:

Preview document (🔗 origineel)


AH 2524

2026Z12600

Antwoord van minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen 10 juli 2026)

1. Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische uitlatingen?

Antwoord:

Ja.

2. Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd zijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme was een onafhankelijk adviescollege dat voor vier jaar, op verzoek van de Tweede Kamer, is ingesteld. De staatscommissie had als opdracht wetenschappelijk onderzoek te doen en op basis daarvan advies te geven over beleid, wet- en regelgeving om discriminatie en racisme tegen te gaan. Deze adviezen richten zich zowel op de overheid alsook op het parlement en de samenleving. De Staatscommissie heeft om invulling te geven aan deze opdracht een werkprogramma opgesteld. Hierin stond de werkwijze en inhoudelijke lijnen beschreven waarlangs de staatscommissie gedurende vier jaar haar onderzoek vormgaf en uitvoerde.

3. Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te “normeren” zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?

Antwoord:

Voor politici geldt dat zij een ruime uitingsvrijheid hebben. Politici moeten kritiek kunnen uitoefenen op het beleid en standpunten over de inrichting van de samenleving kunnen uitdragen. Kamerleden kunnen niet strafrechtelijk vervolgd worden voor wat zij in de vergaderingen van het parlement zeggen. Dit vind ik zelf ook belangrijk.

Aan de andere kant heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook gezegd dat politici vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat hun publieke uitingen intolerantie tegen bepaalde groepen voeden.

Woorden doen er immers toe, in het bijzonder die van politici. Onze uitspraken kunnen een grote invloed hebben en doorwerken in de samenleving en de manier waarop mensen met elkaar omgaan. We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid, als kabinet en parlement, om het goede voorbeeld te geven. Dit draag ik ook uit.

4. Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, ministers en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd dienen te worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Het is aan de rechter en het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel te vellen over de vraag of er in een specifiek geval sprake is van discriminatie of racisme. Wel zie ik het als taak van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme om, als onafhankelijk adviescollege, met algemene aanbevelingen te komen voor het kabinet, alsook voor de samenleving als geheel. Uit het onderzoek van de staatscommissie blijkt dat uitlatingen van Kamerleden invloed hebben op uitingen in kranten en op sociale media en omgekeerd.

5. Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden, ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers? Zo ja, waarom?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 2.

6. Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting op geven?

Antwoord:

De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme noemt in haar eindrapport een aantal recente voorbeelden van uitingen en handelingen waarvan zij constateren dat die (direct of indirect) bijdragen aan structurele patronen van discriminatie en racisme in de Nederlandse samenleving. De staatscommissie beschrijft deze voorbeelden niet om individuele politici aan te spreken, maar om een breder patroon van politieke terughoudendheid te illustreren. Er worden daarbij voorbeelden van verschillende politici en politieke partijen aangehaald.

7. Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een ‘vlekkeloze beheersing van de Nederlandse taal’ niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens de commissie niet strikt noodzakelijk is?

Antwoord:

Het is nog te vroeg om op specifieke aanbevelingen van de staatscommissie in te gaan. Dit vraagt om nadere bestudering, overleg en afstemming. Tijdens het Commissiedebat discriminatie, racisme en mensenrechten van 21 mei 2026 heb ik toegezegd met een kabinetsreactie te komen op het eindrapport van de staatscommissie en op enkele van de voortgangsrapportages. In deze kabinetsreactie zal ik ook ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.

8. Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Ja. Goede beheersing van de Nederlandse taal blijft van belang voor de kwaliteit van dienstverlening en communicatie met burgers.

9. Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?

Antwoord:

Zoals meermaals is aangegeven in recente debatten en in antwoord op Kamervragen, gelden bij het Rijk geen streefcijfers of voorkeursbeleid bij werving en selectie. Het beleid binnen het Rijk ziet toe op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie, op basis van de functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie.

10. Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?

Antwoord:

De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme heeft op 8 juni 2026 haar eindrapport gepresenteerd. De staatscommissie was voor vier jaar ingesteld en de commissie is na het presenteren van haar eindrapport en het afronden van haar onderzoek opgeheven. Dit is ook zo opgenomen in het instellingsbesluit.

[1] De Volkskrant, 8 juni 2026, 'Staatscommissie roept politici op: reageer niet terughoudend op

Discriminerende uitlatingen', (https://www.volkskrant.nl/politiek/staatscommissie-roept-politici-op-reageer-niet-terughoudendop-discriminerende-uitlatingen~bfe6c559/)