Antwoord op vragen van het lid Ceulemans over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie van het massale uitvraagproces inzake een vordering tegen de Staat
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D36492, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-07-30 12:44, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.T.P.H. Palmen, staatssecretaris van Financiën (Ooit Nieuw Sociaal Contract kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z15264:
- Gericht aan: S.T.P.H. Palmen, staatssecretaris van Financiën
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2536
Antwoord van staatssecretaris Eerenberg (Financiën) (ontvangen 10 juli 2026)
Vraag 1
Bent u bekend met het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2026, gepubliceerd op 29 juni 2026, met zaaknummer C/16/595361 / HA ZA 25-314, inzake een vordering tegen de Staat door kinderen van een moeder die als gedupeerde van de toeslagenaffaire erkend is?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Bent u ermee bekend dat uit deze uitspraak blijkt dat aan de leden van dit gezin, na het erkennen van de moeder als gedupeerde op basis van het ouderverhaal en op grond van vermeend institutioneel vooringenomen handelen bij het terugvorderen naar aanleiding van non-respons, respectievelijk 430.250,- euro is uitgekeerd aan de moeder (vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2025 met UHT), ruim 260.000,- euro aan de vader (via de regieroute VSO) en respectievelijk twee keer 10.000,- euro aan de twee oudste kinderen en eenmaal 8.000,- euro aan het jongste kind, waarmee de compensatie voor het gezin als geheel neerkomt op 718.250,- euro?
Antwoord 2
Ja
Vraag 3
Wat is uw reactie op het feit dat uit de brievenadministratie, waarnaar de ADR onderzoek heeft gedaan, is gebleken dat er wel degelijk sprake is geweest van meerdere uitvraag- en rappelbrieven, dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag volgens het vonnis van de rechtbank mocht terugvorderen en derhalve niet is gebleken dat er vooringenomen is gehandeld?
Antwoord 3
Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20262 geeft de verzend- en ontvangstadministratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen. De verzend- en ontvangstadministratie wordt al wel ingezet bij bezwaar, beroep en andere procedures. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de ontvangen schadevergoeding nooit wordt teruggevorderd.
Vraag 4
Deelt u de conclusie dat met deze uitspraak achteraf duidelijk is geworden dat dit zeer hoge bedrag aan compensatie aan de leden van één gezin op onterechte grond is uitgekeerd? Zo nee, waarom bent u niet bereid de conclusie te onderschrijven die de Staat zelf juist wil aantonen met het inbrengen van deze gegevens in een rechtszaak?
Antwoord 4
In 2020 is het beleid vormgegeven op basis van de compensatie voor de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) populatie. Daarbij was relevant dat in het zogenoemde kantoorproces (handmatige behandeling van een dossier door een medewerker) een centrale administratie van verzonden brieven en reacties ontbrak, en daarmee correspondentie niet altijd traceerbaar was. Hierdoor ontstond de breed gedeelde aanname dat de administratie ook in andere dossiers onvolledig zou zijn, ook in de massale processen waarbij brieven (deels) geautomatiseerd worden aangemaakt en verzonden. Dit speelde een belangrijk rol in de keuze die in 2020 is gemaakt voor generiek beleid waarbij het ouderverhaal leidend is. Een lijn die ook brede steun had in uw Kamer.
Het is destijds een politieke keuze geweest om het niet hebben ontvangen van een brief aan te merken als een grond voor gedupeerdheid. Over individuele gevallen doe ik verder geen uitspraken.
Vraag 5
Waarom blijft u vooralsnog vasthouden aan de lijn dat op grond van de brievenadministratie en het ADR-onderzoek niet is vast te stellen in hoeveel gevallen personen onterecht als gedupeerde zijn aangemerkt aangezien hiervoor onder andere opnieuw oudergesprekken gevoerd zouden moeten worden? Erkent u dat dit uitgangspunt niet in lijn is met deze rechterlijke uitspraak, waarin op basis van het bestaande dossier in combinatie met de brievenadministratie wél een dergelijke conclusie wordt getrokken? Wat is hierop uw reactie?
Antwoord 5
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Daarom is het verhaal van de ouder hierover altijd leidend in de beoordeling.
De rechtbank heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijs toegestaan, maar heeft daaruit geen conclusie getrokken dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid. De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid, dat is ook niet aan de civiele rechter, maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. De civiele rechter heeft hier geoordeeld dat eisers onvoldoende hebben aangetoond welke besluiten onrechtmatig waarom en waarom, waardoor er in deze civiele zaak geen sprake is van onrechtmatig handelen.
Vraag 6
Onderschrijft u dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar dat compensatie op grond van vermeend vooringenomen handelen bij een aantal jaren van non-respons al snel tot enorm hoge compensatiebedragen kan leiden?
Antwoord 6
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb aangegeven zijn de compensatiegronden een politieke keuze geweest. Verder wil ik benadrukken dat de zaak op zichzelf staat, omdat iedere casus anders is. De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Een kwantificatie van de relatie tussen het aantal jaren van non-response en de hoogte van de compensatie is dan ook niet te maken.
Vraag 7
Hoe vaak is door de Staat tijdens rechtszaken gebruikgemaakt van gegevens uit deze brievenadministratie sinds het uitkomen van het ADR-onderzoek? Wat waren de uitkomsten hiervan en om welke -achteraf- onterecht uitgekeerde compensatiebedragen ging het hierbij?
Antwoord 7
De Staat gebruikt sinds februari 2026 de verzend- en ontvangstadministratie in rechtszaken. Tot en met 30 juni 2026 is de verzend- en ontvangstadministratie in 8 civiele zaken gebruikt in processtukken. In alle 8 zaken is een ouder gecompenseerd wegens non‑respons, terwijl er wél vraagbrieven zijn aangetroffen.
Het is goed om te vermelden dat we in civiele procedures alleen zicht hebben op een kleine groep ouders die een procedure starten. Dat is geen goede representatie van de totale populatie van gedupeerde ouders.
De civiele rechter heeft tot en met 30 juni 2026 in één zaak geoordeeld dat er met de kennis van nu geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen, omdat de ouders wel vraagbrieven hebben ontvangen maar hierop niet is gereageerd. De civiele rechter heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijsmiddel aanvaard, maar daaruit niet afgeleid dat sprake is van ten onrechte vastgestelde gedupeerdheid of onterecht uitgekeerde compensatie. De beoordeling van de mate van gedupeerdheid is niet aan de civiele rechter maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. Het is daarom niet inzichtelijk of de compensatie ten onrechte is uitgekeerd en om welke bedragen dat zou gaan.
Voor overige rechtszaken wordt het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie niet gemonitord.
Vraag 8
Bij hoeveel eventueel lopende zaken is hier sprake van?
Antwoord 8
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in 7 lopende civiele zaken als verweer in processtukken gebruikt. In deze 7 zaken zijn vraagbrieven teruggevonden, terwijl de ouder (gedeeltelijk) is gecompenseerd voor non‑respons. Het is niet vast te stellen of de ouder destijds een antwoord op de vraagbrief heeft verzonden.
Aangezien de rechtbank op 24 juni 2026 vonnis heeft gewezen in één zaak, wordt die zaak niet meer als een lopende procedure beschouwd. Wel staat tegen het vonnis nog hoger beroep open, zodat de procedure alsnog kan worden voortgezet en in dat geval opnieuw als lopend kan worden aangemerkt.
Vraag 9
Op welke andere manieren is er sinds het verschijnen van het ADR-onderzoek gebruikgemaakt van de desbetreffende brievenadministratie? Om hoeveel dossiers ging dit?
Antwoord 9
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in de volgende gevallen gebruikt:
-Integrale Beoordeling: bij nieuwe aanvragen (in het kader van de
verschoonbare termijn).
-In specifieke gevallen voor personen die mogelijk recht hebben op de
nabestaanderegeling of ex- toeslagpartnerregeling.
-Bezwaar en beroep: bijvoorbeeld voor de (her)beoordeling van niet
toegekende jaren.
-Civiele procedures: wordt voor de hele procedure gebruikt.
Er wordt buiten de civiele procedures om niet gemonitord in welke gevallen de administratie wordt gebruikt. Het is daarom niet mogelijk om het aantal dossiers te noemen.
Zoals eerder aangegeven verken ik momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Vraag 10
Wordt de brievenadministratie nu standaard gebruikt bij nog niet afgeronde dossiers? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
De verzend- en ontvangstadministratie wordt nu standaard gebruikt voor de in antwoord op vraag 9 genoemde gevallen.
Vraag 11
Garandeert u dat in geen enkel dossier met betrekking tot vermeend vooringenomen handelen in relatie tot het massale uitvraagproces meer tot betaling of compensatie wordt overgegaan zonder voorafgaande controle van de brievenadministratie? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
In antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven in welke gevallen de verzend- en ontvangstadministratie wordt gebruikt. Hoewel in de genoemde processen voldoende waarborgen zijn ingericht, kunnen er in een grote uitvoeringsorganisatie fouten gemaakt worden. Daarom kan ik geen garantie geven dat dit altijd goed gaat.
Vraag 12
Hoeveel personen zijn in totaal als gedupeerd aangemerkt en gecompenseerd op grond van ’institutioneel vooringenomen handelen in het kader van het massale uitvraagproces en voor welk bedrag in totaal? Wilt u deze gegevens zo snel en zo precies mogelijk, per toeslagjaar weergegeven, met de Kamer delen?
Antwoord 12
Circa 34.000 ouders zijn in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen. Hoeveel van de 34.000 daarvan in het kader van het massale uitvraag proces als gedupeerde zijn aangemerkt kan alleen worden vastgesteld als de individuele dossiers handmatig worden onderzocht. Het is dan ook niet mogelijk om bedragen te noemen.
Vraag 13
Waarom is zo lang doorgegaan met het uitkeren van zeer hoge compensatiebedragen (in het geval van deze rechtszaak op basis van een vaststellingsovereenkomst met UHT uit maart 2025) terwijl het bestaan van de administratie binnen UHT toen al ruim vier jaar bekend was, in de zomer van 2024 een intern onderzoek naar de administratie was gestart en toenmalig staatssecretaris Achachbar in november 2024 hierover een intern memo ontving?
Antwoord 13
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld3. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Vraag 14
Deelt u de conclusie dat, de totale omvang van de hersteloperatie overziend, het uitkeren van een astronomisch bedrag aan compensatie op onterechte gronden te voorkomen was geweest wanneer eerder was geluisterd naar, en gehandeld naar aanleiding van, de jarenlange waarschuwingen van
UHT-medewerkers over het bestaan van een accurate brievenadministratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de conclusie dat het zeer laakbaar is dat dit niet is gebeurd?
Antwoord 14
Er is zorgvuldig gehandeld naar aanleiding van de ontvangen signalen. Toen er een concreet signaal kwam heb ik direct de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
De totale hoogte van de individuele compensatie vloeit voort uit de (deels forfaitaire) schadekaders die een invulling vormen van werkelijke schade. Zo is dat in de wet bepaald.
Vraag 15
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 15
Ja
De Rechtspraak, 29 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3705, Rechtbank Midden-Nederland, C/16/595361 / HA ZA 25-314↩︎
Kamerbrief: Stand van zaken Hersteloperatie toeslagen juni 2026. Verzonden op 3 juli 2026. Kenmerk: 2026Z15805. ↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, 36708, nr. 63↩︎