[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Beleidsagenda emissiereductie productketens

Schoon en zuinig

Brief regering

Nummer: 2026D36508, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-08-05 13:42, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 31209 -268 Schoon en zuinig.

Onderdeel van zaak 2026Z16117:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


31209 Schoon en zuinig

30196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 268 Brief van de minister van Klimaat en Groene Groei

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2026

Nederland behoort sinds jaar en dag tot de meest productieve en welvarende landen ter wereld. Daar mogen we trots op zijn. Tegelijkertijd kent deze welvaart ook een keerzijde: ons consumptiepatroon gaat gepaard met hoge broeikasgasemissies die schadelijk zijn voor het klimaat. Die emissies worden veroorzaakt door zowel economische activiteit in Nederland als via buitenlandse toeleveringsketens van grondstoffen en geïmporteerde producten.

Het goede nieuws is dat ons klimaatbeleid, ondanks dat we nog een lange weg te gaan hebben, wel aantoonbaar werkt: de totale broeikasgasvoetafdruk van de Nederlandse consumptie is tussen 2010 en 2021 afgenomen met 19 procent, terwijl de totale omvang van onze economie in die periode met 18 procent is gestegen.12 Hiermee levert Nederland een belangrijke bijdrage aan het tegengaan van wereldwijde klimaatverandering, zonder dat dit ten koste gaat van onze welvaart. Die bijdrage aan de internationale klimaatactie is te danken aan onze nationale CO2-reductie, waarop gestuurd wordt met onze nationale klimaatdoelen. Een aandachtspunt hierbij is dat het deel van deze consumptie-voetafdruk dat wordt veroorzaakt door de buitenlandse toeleveringsketens van grondstoffen en producten, in die periode nagenoeg gelijk is gebleven. Daarmee zijn deze zogenoemde ‘ketenemissies’ in het buitenland nu groter dan onze binnenlandse uitstoot van broeikasgasemissies.

Dat kan beter. Ten eerste omdat een aanpak gericht op het verlagen van ketenemissies het risico op koolstoflekkage, oftewel de verplaatsing van productie en daarmee de CO2-uitstoot naar het buitenland, kan verkleinen. Momenteel wordt immers vooral gestuurd op nationale emissiereductie, waardoor verplaatsing van productie naar het buitenland op papier onterecht kan worden geïnterpreteerd als klimaatwinst. Dit is daarmee nadelig voor de Nederlandse en Europese industrie, wanneer hier geen verduurzaming mee gerealiseerd wordt. Wanneer overal in Europa de juiste en zelfde berekeningen van de volledige broeikasgasvoetafdruk van producten en beleidsmaatregelen worden toegepast, kan dit bijdragen aan het voorkomen van koolstoflekkage en een eerlijker speelveld voor de Europese industrie.

Ook kan het sturen op ketenemissies een belangrijke impuls geven aan de transitie naar een circulaire economie en daarmee aan de leveringszekerheid van grondstoffen en de strategische autonomie van Nederland. Het goed meten en reduceren van ketenemissies gaat hand in hand met het verduurzamen van onze productieketens en consumptie, waardoor we met beleid beter kunnen gaan sturen op minder import van vervuilende grondstoffen en producten uit het buitenland. Indien bijvoorbeeld de maatschappelijke kosten door ketenemissies van fossiele plastics of fast fashion kleding beter worden meegenomen in de berekeningen en besluitvorming, kan dit lagere kosten en een groter verduurzamingspotentieel onthullen van onder andere circulaire lokale productie, recycling en hergebruik.

Ten slotte bestaat er tussen de verduurzamingsmogelijkheden in de buitenlandse keten nog veel laaghangend fruit, in tegenstelling tot de verduurzamingsmogelijkheden in Nederland, waarbij het voor het klimaat niet uitmaakt waar deze emissiereductie plaatsvindt.

In de Internationale Klimaatstrategie (IKS) van 2022 was al de kabinetsambitie opgenomen om onze internationale voetafdruk op klimaatgebied substantieel te verkleinen. In lijn met deze ambitie is in het Klimaatplan 2025-2035 besloten tot een verkenning van een EU-broeikasgasvoetafdrukdoel: een doel dat stuurt op de reductie van broeikasgasemissies in de gehele keten, inclusief de productieketen van consumptiegoederen in het buitenland. Ten behoeve van deze verkenning heeft CE Delft onderzoek gedaan naar de potentiële meerwaarde van een dergelijk doel, wat leidde tot een aantal beleidsaanbevelingen aan het kabinet.3,4 In deze brief breng ik u op de hoogte van de beleidsagenda die mede op basis van deze aanbevelingen tot stand is gekomen, evenals de kabinetsinzet op de korte en langere termijn.

Uitkomsten verkenning

Uit de verkenning is gebleken dat het, ondanks de voordelen die het zou kunnen opleveren, niet opportuun is om nu actief in te zetten op de invoering van een bindend EU-broeikasgasvoetafdrukdoel. De belangrijkste reden hiervoor betreft de methodologische tekortkomingen van een bindend doel: verduurzaming is lastig van jaar tot jaar waar te nemen in de broeikasgasvoetafdruk van de EU en ook de beschikbare data hiervoor zijn nog beperkt.

Het kabinet volgt dit advies van CE Delft om nu niet over te gaan tot een bindend doel en kiest voor een gefaseerde aanpak. Daarmee kan het kabinet toch op korte termijn stappen zetten en hiermee op middellange termijn bijdragen aan ketenemissiereductie. Hiervoor is ambtelijk een Beleidsagenda emissiereductie productketens ontwikkeld, op basis waarvan de kabinetsinzet hieronder uiteen wordt gezet. Sommige van deze maatregelen, zoals het beter meewegen van koolstoflekkage in klimaatbeleid, kunnen zelfs op korte termijn al een positief effect hebben op meer circulaire productketens – ook zonder het stellen van een (bindend) doel. Andere maatregelen die ik wil nemen zijn nu eerst nodig om op de langere termijn verdere stappen te kunnen zetten in onze ketenaanpak.

De beleidsagenda bestaat met name uit EU-inzet, waarvoor Nederland zich de komende tijd samen met gelijkgestemde lidstaten hard gaat maken in Brussel. Hiermee zal het kabinet direct aan slag gaan. De bijbehorende nationale inzet zal komende tijd verder worden uitgewerkt.

Europese inzet

Onder de EU-inzet valt onder andere het verbeteren van data, meetmethodes en rapportages op Europees niveau. Dit heeft betrekking op de broeikasgasvoetafdruk van landen, maar ook de zogenoemde scope 3 emissies van bedrijven: de emissies die niet worden veroorzaakt door eigen fabrieken of voertuigen (scope 1) of ingekochte energie (scope 2), maar in de rest van de keten (scope 3). Daarbij kan vooral worden gestuurd op de diensten, grondstoffen en materialen die zijn ingekocht (scope 3.1). Deze scope 3.1 emissies worden vaak buiten Europa veroorzaakt, aangezien de grondstoffen en materialen daar vandaan komen.

Onder de EU-inzet valt ook het pleiten voor het opnemen van zogeheten ‘Guiding Principles’ in EU-klimaatwetgeving: een afwegingskader voor nieuw beleid, waarbij bepaalde principes worden getoetst: zo zou koolstoflekkage (verplaatsing van emissies naar het buitenland ten gevolge van productieverplaatsing) zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Bij voorkeur zou nieuw beleid zelfs leiden tot emissiereductie in buitenlandse ketens. De principes moeten op basis van impactanalyses vooraf beter meegewogen worden in de politieke besluitvorming over nieuw beleid. Ook wordt voorgesteld om niet-bindende streefgetallen te introduceren voor de EU-broeikasgasvoetafdruk, zodat deze indicatief wordt bijgehouden zonder dat dit leidt tot verplichtingen voor overheden of extra regeldruk voor bedrijven.

Ten slotte zal het kabinet in Brussel pleiten voor het faciliteren van bedrijven die scope 3-emissies meenemen in klimaatrapportages en transitieplannen. Zo kan het midden- en kleinbedrijf (mkb) ondersteund worden wanneer het emissiedata als toeleverancier of afnemer moet aanleveren bij veel grotere bedrijven, die onder de Europese richtlijn voor duurzaamheidsrapportage (CSRD) hun scope 3-emissiedata inzichtelijk moeten maken. Een andere mogelijkheid is bij Europese aanbestedingen de voorkeur te geven aan bedrijven die actief werken aan het reduceren van hun scope 3-emissies.

Deze inzet zal zoveel mogelijk meegenomen worden in de Nederlandse inbreng bij de discussies over de post-2030 klimaatarchitectuur van de EU. Aanvullend aan deze EU-inzet kan op een meer internationaal niveau worden ingezet op vergelijkbaar ketenemissiebeleid in andere delen van de wereld. Dergelijke internationale beleidsafspraken vergroten de mondiale impact van maatregelen en dragen bij aan een gelijker speelveld. Er zijn verschillende fora van de Verenigde Naties (VN), zoals het VN-klimaatverdrag, waarbinnen de opname van zulke afspraken mogelijk zou zijn. Nederland zal hier dus ook aandacht voor vragen richting de eerstvolgende VN-klimaattop: COP31 in Antalya.

Ondersteuning Nederlands bedrijfsleven

Conform het motto ‘practice what you preach’ zal het kabinet op termijn ook eerste stappen zetten, in het verlengde van de eerdergenoemde EU-inzet. De acties leiden daarbij niet tot extra regelgeving voor bedrijven of verplichtingen voor overheden. Door ook in Nederland het risico op koolstoflekkage en daarmee productieverlies te verlagen, kunnen we voordeel geven aan bedrijvigheid uit Nederland ten opzichte van buitenlandse ketens. Dit kan verduurzaming stimuleren, omdat buitenlandse ketens (zoals die in de kunststof- en textielsector) nog veelal gebruik maken van fossiele grondstoffen. Vanuit het Nederlandse bedrijfsleven bestaat er behoefte aan ondersteuning vanuit de overheid op het gebied van ketenemissies, zo bleek bij de ambtelijke verkenning voor de beleidsagenda en ook eerder al uit een onafhankelijke verkenning onder koplopers binnen verschillende sectoren.5

Het kabinet zal hiervoor de eerdergenoemde ‘Guiding Principles’ uitwerken voor het Nederlandse klimaatbeleid, evenals niet-bindende streefgetallen voor de broeikasgasvoetafdruk. Beide acties moeten ervoor zorgen dat koolstoflekkage naar andere EU-lidstaten en derde landen waar mogelijk voorkomen wordt en onze mondiale broeikasgasvoetafdruk beter gemonitord en waar mogelijk verkleind wordt.

Daarnaast zal ik de mogelijkheden onderzoeken om een nationale aanpak op ketenemissies verder te ondersteunen, conform de aanbevelingen in de beleidsagenda. Ik verwacht de Kamer in de loop van 2027 hier verder over te informeren.


Tot slot

De verschillende acties onder de beleidsagenda worden de komende maanden verder uitgewerkt. Hiermee zetten we langzaam maar zeker stappen naar circulaire en klimaatneutrale ketens – niet meer alleen op Nederlands grondgebied, maar nu ook in de rest van de wereld.

De minister van Klimaat en Groene Groei,

S. van Veldhoven–van der Meer


  1. Broeikasgasvoetafdrukken Nederland, 2010 - 2021 | Compendium voor de Leefomgeving↩︎

  2. Bruto binnenlands product, gecorrigeerd voor inflatie. Nationale rekeningen: revisie tijdreeksen 1995-2021 | CBS↩︎

  3. EU-broeikasgasvoetafdrukdoel | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎

  4. Verzamelbrief circulaire economie september 2025 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl↩︎

  5. Voor de totstandkoming van de ambtelijk ontwikkelde beleidsagenda zijn bedrijven geconsulteerd die scope 3 berekeningen maken, evenals de Dutch Sustainable Growth Coalition (DSGC). Zie ‘Annex III’ van de beleidsagenda voor alle gesprekspartners. Zie voor de eerdere verkenning onder bedrijven: Eindrapport participatief traject belanghebbenden ketenemissies | Rijksoverheid.nl.↩︎