Geannoteerde Agenda Informele bijeenkomst van Milieuministers van 23 en 24 juli 2026
Milieuraad
Brief regering
Nummer: 2026D36511, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-07-31 14:53, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
- Mede ondertekenaar: S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei (Ooit D66 kamerlid)
- Geannoteerde Agenda Informele bijeenkomst van Milieuministers 23 en 24 juli 2026
- Beslisnota bij Kamerbrief inzake geannoteerde agenda Informele bijeenkomst van Milieuministers van 23 en 24 juli 2026
Onderdeel van kamerstukdossier 21501 08-1041 Milieuraad.
Onderdeel van zaak 2026Z16118:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
- Volgcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-07-14 12:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-07-14 12:00: Informele Milieuraad op 23 en 24 juli 2026 (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-09-01 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-09 10:15: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
21 501-08 Milieuraad
Nr. 1041 Brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de minister van Klimaat en Groene Groei
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juli 2026
Hierbij sturen wij u, mede namens de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp en de Minister en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de geannoteerde agenda van de informele bijeenkomst van Milieuministers van 23 en 24 juli 2026 in Ierland. Het kabinet neemt zich voor deel te nemen aan deze bijeenkomst. De inhoud van deze geannoteerde agenda geeft de meest recente stand van zaken weer, maar het Ierse voorzitterschap heeft nog geen achtergrondstukken gedeeld.
De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
De minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Geannoteerde agenda informele bijeenkomst van Milieuministers 23 en 24 juli 2026
Het Ierse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie (hierna: Voorzitterschap) heeft een voorlopige agenda voor de informele bijeenkomst van Milieuministers van 23 en 24 juli (hierna: de informele Milieuraad) gedeeld. Tijdens de Informele Milieuraad staan de volgende werksessies geagendeerd:
decarbonisatie en concurrentievermogen;
Europa’s mondiale leiderschap op het gebied van milieu en partnerschappen - gedachtewisseling over de voorbereidingen op de Conference of the Parties (COP)31 (klimaat) en COP17 (biodiversiteit);
Gedachtewisseling over de link tussen circulaire economie en concurrentievermogen.
De achtergrondstukken zijn op het moment van schrijven nog niet gedeeld door het Voorzitterschap. In lijn met de afspraken over de informatievoorziening aan de Kamer, ontvangt de Kamer hierbij daarom deze geannoteerde agenda op hoofdlijnen.
Decarbonisatie en concurrentievermogen
Het Voorzitterschap organiseert een werksessie over Decarbonisatie en concurrentievermogen. Dit onderdeel betreft de rol van verduurzaming als kernonderdeel van het EU-industriebeleid. Daarbij staat centraal hoe klimaatbeleid, innovatie en elektrificatie het industrieel concurrentievermogen kunnen versterken, met het oog op economische weerbaarheid, strategische autonomie en duurzame groei. De discussie richt zich op de vraag hoe de Europese Unie (EU) koers kan houden richting klimaatneutraliteit, terwijl investeringen en de verduurzaming van energie-intensieve sectoren worden ondersteund in een steeds competitievere mondiale omgeving. Ook wordt besproken hoe stabiele beleidskaders kunnen bijdragen aan langetermijnzekerheid voor de industrie, snellere uitrol van schone technologie en het behoud van verduurzaming als concurrentievoordeel voor de Europese economie.
Inzet Nederland
Het is cruciaal dat de EU, ook na 2030, verduurzaming als versneller voor lange termijn concurrentievermogen en weerbaarheid blijft zien. Hiertoe is het noodzakelijk de industriële transitie naar schone productieprocessen te versnellen via het realiseren van een afzetmarkt voor schone producten. Allereerst draagt een voorspelbaar emissiereductiepad na 2030 bij aan lange termijn zekerheid dat investeren in de groene transitie loont en dat de klimaatdoelen 2040 en 2050 op een kosteneffectieve manier kunnen worden behaald. De herziening van de ETS-richtlijn is een belangrijke gelegenheid om invulling te geven aan deze ambities, op een kosteneffectieve manier en met oog voor een gelijk speelveld. Anderzijds moeten de randvoorwaarden voor schone marktcreatie op orde zijn. Naast betaalbare energie, verminderde regeldruk, Europees gelijk speelveld en het proportioneel weren tegen oneerlijke concurrentie van derde landen, is het vergroten van de vraag naar schone producten (vraagcreatie) van belang om voor industrieën een afzetmarkt voor deze producten te realiseren. In dit verband is de invulling en inrichting van de Industrial Accelerator Act essentieel. Het kabinet pleit daarom onder andere in de Raad voor Concurrentievermogen voor meer ambitie op vraagcreatie, middels bijvoorbeeld duurzame productnormen en gerichte transitiepaden voor de energie-intensieve sectoren.
Krachtenveld
Het krachtenveld laat zich grofweg indelen in drie groepen. Enerzijds zijn er lidstaten die het belang benadrukken van voortgang in de verduurzaming van de EU. Anderzijds is er een groep lidstaten, die kritisch zijn op het EU-klimaatbeleid wegens de (korte termijn) impact op de industrie en huishoudens. Daarnaast is er een groep lidstaten die een middenpositie innemen, waarbij verduurzaming gekoppeld wordt aan versterking van het verdienvermogen van de industrie. Daarbij geldt dat de posities ten aanzien van specifieke voorstellen, zoals het ETS en het overige post-2030-klimaatbeleid, nog in ontwikkeling zijn.
Europa’s mondiale leiderschap op het gebied van milieu en partnerschappen - Gedachtewisseling over de voorbereidingen op COP31 (klimaat) en COP17 (biodiversiteit)
Tijdens de informele Milieuraad vindt ook een gedachtewisseling plaats over de voorbereidingen op de VN-klimaatconferentie COP31, die in november dit jaar plaatsvindt in Antalya, Turkije. Het voorzitterschap wil ook kijken hoe deze voorbereiding kan helpen bij de voorbereiding van de VN-biodiversiteitsconferentie COP17.Deze COP vindt plaats in oktober in Jervan, Armenië.
Het Voorzitterschap schrijft hierover in de uitnodiging dat de EU in een tijd van toenemende geopolitieke onzekerheid een centrale rol heeft te spelen om internationale samenwerking door te zetten, partnerschappen te versterken, en ambitie voor zowel klimaat als biodiversiteit te behouden. De gedachtewisseling bouwt verder op de informele bijeenkomst van Milieuministers op 5 - 6 februari1, op de uitwisselingen tijdens de Milieuraad van 17 maart2 en de Milieuraad van 25 juni jl., waar klimaatministers hebben gesproken over de inzet in internationale klimaatprocessen en over mondiale milieudiplomatie.
Inzet Nederland
Gezien de steeds zichtbaar wordende effecten, en omvang van uitdagingen op het terrein van biodiversiteitsverlies, klimaatverandering en milieuvervuiling wereldwijd, en de steeds meer zichtbaar wordende effecten, is het van belang dat de EU blijft investeren in effectieve multilaterale samenwerking. Daar hoort bij dat de EU zich tijdig voorbereidt op de COPs.
Nederland maakt zich hierbij sterk voor inzet op zogenoemde coalitions of the willing, vooral daar waar voortgang op multilateraal niveau moeizaam is. Een vroegtijdige, open dialoog kan mogelijkheden voor landingszones in de onderhandelingen tijdig helpen identificeren.
Bij de jaarlijkse Verenigde Naties (VN)-klimaatconferentie is de nadruk meer en meer komen te liggen op implementatie van de gemaakte afspraken. Dit is ook het geval bij de VN-biodiversiteitsconferentie. Daarmee groeit ook het belang van (vrijwillige) initiatieven om multilaterale afspraken zo snel mogelijk te helpen realiseren, en wereldwijde weerbaarheid tegen klimaatverandering te versterken. Het kabinet verwelkomt deze verbreding en zal dit ook uitdragen bij de informele bijeenkomst in Ierland. Nederland heeft met de recente conferentie over de transitie weg van fossiele brandstoffen samen met Colombia het voortouw genomen om dergelijke implementatie verder te brengen. Nederland zal verder het belang benadrukken van concrete stappen om wereldwijd weg te bewegen van fossiele brandstoffen en om ontbossing te stoppen. Ook zal Nederland vragen om betere coördinatie van de EU-inzet op de zogenaamde actie agenda, zodat daarin meer focus ontstaat op initiatieven die leiden tot concrete uitkomsten voor de mondiale klimaattransitie.
Tot slot acht het kabinet het in een verschuivend geopolitiek krachtenveld van belang dat de EU inzet op nieuwe samenwerkingsvormen, zoals strategische partnerschappen en coalities van gelijkgezinde landen. De EU en haar lidstaten dienen zich te positioneren als betrouwbare en stabiele samenwerkingspartner om op wetenschap gebaseerde maatregelen te bevorderen, ook door voortvarende implementatie van Europees klimaat- en biodiversiteitsbeleid. Tevens acht het kabinet het hierbij van belang dat de EU haar diplomatieke inzet op het terrein van klimaat, biodiversiteit én vervuiling integreert in verschillende beleidsterreinen, en daarbij effectief gebruik maakt van de externe beleidsinstrumenten van de EU. Het kabinet zet blijvend in op versterking van die rol en duidelijk Europees leiderschap, ook in aanloop naar het Nederlandse EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2029.
Krachtenveld
Er is brede steun binnen de EU voor sterk Europees leiderschap tijdens de COPs voor klimaat en voor biodiversiteit. De Europese rol als bruggenbouwer tussen ontwikkelde landen en ontwikkelende landen wordt doorgaans gezien als een belangrijke factor in de wereldwijde consensus die nodig is voor besluiten tijdens de COP. Lidstaten zijn het ook met elkaar eens dat voor effectief multilateralisme diversiteit aan partners belangrijk is, waarbij niet alleen wordt samengewerkt met gelijkgestemde landen maar ook het contact wordt versterkt met landen die andere standpunten innemen dan de EU.
Tegelijkertijd verschillen lidstaten in accenten en prioriteiten. Sommige lidstaten leggen eerder nadruk op het vaststellen van ambitieuze doelen en internationale mijlpalen, terwijl andere meer gewicht toekennen aan uitvoerbaarheid, nationale beleidsruimte en economische impact. In algemene zin benadrukken veel lidstaten dat implementatie van eerder overeengekomen besluiten centraal moet staan in de EU-inzet, en dat de EU zelf helder moet communiceren over de door de EU beoogde en behaalde resultaten.
Circulaire economie
Tijdens de informele Milieuraad van 23 en 24 juli zullen lidstaten onder leiding van het voorzitterschap met elkaar in gesprek gaan over de link tussen het circulaire economiebeleid binnen de EU en het effect daarvan op de weerbaarheid van Europa. Stilgestaan zal worden bij hoe circulariteit bij kan dragen aan Europa’s concurrentievermogen, Europa minder vatbaar kan maken voor externe schokken en zodoende Europa’s strategische autonomie kan versterken.
Inzet Nederland
Het kabinet onderschrijft de wezenlijke bijdrage die een circulaire economie kan leveren aan het concurrentievermogen en de strategische autonomie van Europa3. Een duurzamer gebruik van primaire grondstoffen vermindert bijvoorbeeld onze grondstoffenafhankelijkheid, stimuleert innovatie, en maakt Europa minder vatbaar voor prijsschommelingen van primaire grondstoffen. Door maatregelen op Europees niveau te treffen, creëren we bovendien een gelijk speelveld voor ondernemers binnen de Unie.
Voor deze transitie naar een circulaire economie zijn krachtig en effectief Europees beleid en wetgeving essentieel. Daarbij is het van belang dat Europa optimaal gebruikmaakt van de kracht van de Europese interne markt. Nederland kijkt daarom uit naar de aangekondigde Circular Economy Act (CEA), die een belangrijk instrument moet vormen voor het versnellen van de circulaire transitie. De Kamer is eerder al geïnformeerd over de Nederlandse inzet voor de CEA4. De CEA op zichzelf vormt tegelijkertijd slechts een onderdeel van het instrumentarium om de transitie te maken, en zal gecomplementeerd moeten worden met bijvoorbeeld een snelle en ambitieuze uitrol van Europees productbeleid. De afgelopen jaren is hiervoor reeds belangrijke wetgeving aangenomen, zoals de Ecodesign for Sustainable Products Regulation (ESPR). Het is belangrijk dat de uitwerking en implementatie hiervan onverminderd doorgaat. Daarnaast is het belangrijk dat ook de juiste randvoorwaarden worden gecreëerd, zoals verbeterde financiering van en voor circulariteit, toegang tot de juiste informatie voor consumenten, en de naleving van internationale verplichtingen, ook bij het adresseren van handelspraktijken die mogelijk de circulaire transitie belemmeren.
Krachtenveld
Over het algemeen is er veel steun voor de transitie naar een circulaire economie, waarbij de noodzaak van de transitie voor zowel het Europese concurrentievermogen en strategische autonomie, als voor de milieu-, klimaat- en biodiversiteitstransities wordt benadrukt. Wel verschillen de lidstaten (aanzienlijk) in hun wensen welke EU-maatregelen hiervoor ingezet moeten worden, alsook de mate van ambitie daarbij.
Kamerstukken II, 2025-2026, 21501-08, nr. 1025↩︎
Kamerstukken II, 2025-2026, 21501-08, nr. 1030↩︎