Antwoord op vragen van het lid Keijzer over de kosten van adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties van ministeries
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D36514, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-07-14 09:54, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E. van der Burg, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z11806:
- Gericht aan: P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Gericht aan: T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
- Gericht aan: S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
- Gericht aan: R.A.A. Jetten, minister-president
- Gericht aan: D. Yeşilgöz-Zegerius, minister van Defensie
- Gericht aan: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
- Gericht aan: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
- Gericht aan: S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Gericht aan: A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
- Gericht aan: E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Gericht aan: S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
- Gericht aan: J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Gericht aan: H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
- Gericht aan: R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Gericht aan: E. Heinen, minister van Financiën
- Gericht aan: V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
- Gericht aan: W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
- Gericht aan: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2539
Antwoord van staatssecretaris Van der Burg (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
(ontvangen 10 juli 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 2308
Vraag 1
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
Vraag 2
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Antwoord vragen 1 en 2
In de vragen wordt verwezen naar verschillende (vormen van) organisaties die de regering op enigerlei wijze van advies (kunnen) voorzien. Ten behoeve van de beantwoording wordt onderscheid gemaakte tussen deze organisatievormen.
De regering wordt onder meer geadviseerd door onafhankelijke adviescolleges. Op grond van artikel 79 van de Grondwet en de Kaderwet adviescolleges worden vaste adviesorganen van het Rijk die adviseren over wetgeving en beleid, bij wet ingesteld. Adviescolleges kunnen op verzoek van regering of parlement, of ongevraagd, adviseren over beleid en wetgeving op het terrein waarop zij zijn ingesteld. De in de vraagstelling genoemde Wetenschappelijke Klimaatraad en de Nederlandse Sportraad zijn adviescolleges in de zin van de Kaderwet. De adviescolleges onder de Kaderwet die in 2025 actief waren, zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.1 Een actueel overzicht van de adviescolleges onder de Kaderwet wordt bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.2
Naast adviescolleges in de zin van de Kaderwet adviescolleges, bestaan er ook onafhankelijke externe commissies. Niet alle externe commissies zijn adviescommissies. Voor zover deze commissies (ook) een adviestaak hebben, adviseren zij de regering onafhankelijk over de uitvoering van bestaand beleid. De lijst van externe commissies wordt zo goed als mogelijk bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.3 Voor de instelling van externe commissies hanteert het kabinet de Leidraad instellen externe commissies.4
Voor de meeste adviescolleges en -commissies worden begrote uitgaven niet apart op de departementale begroting vermeld. Om tegemoet te komen aan het informatieverzoek uit vragen 1 en 2, zal het kabinet eenmalig een overzicht opstellen met de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving. Dit zijn de adviescolleges onder de Kaderwet adviescolleges en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.5 Er is enige tijd nodig om deze informatie bij de departementen te verzamelen en op een inzichtelijke wijze te kunnen presenteren. Ik zal dit overzicht voor het einde van het derde kwartaal aan de Kamer doen toekomen.
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft), ook genoemd in vraag 1, valt niet onder de reikwijdte van de Kaderwet adviescolleges. De taken, inrichting en werkwijze van het Cft zijn onder meer vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het Cft toetst aan de normen zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht en adviseert hierover gevraagd en ongevraagd aan de Rijksministerraad. De uitgaven aan het Cft komen ten laste van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties, artikel 6 (Apparaat) en zijn in de onderstaande tabel weergegeven. De in de tabel opgenomen uitgaven hebben betrekking op de volledige organisatie die de werkzaamheden verricht ten behoeve van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, het College financieel toezicht BES (Cft BES) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). De colleges financieel toezicht hebben als toezichthouder tot doel om met de besturen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba duurzame overheidsfinanciën te realiseren. Het Cft BES voert zijn taken uit op basis van Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; het CAft doet dit op grond van de Landsverordening Aruba financieel toezicht.
| Begrote uitgaven Colleges financieel toezicht (bedragen x €1.000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 |
| 6.063 | 4.519 | 4.308 | 4.735 | 4.624 | 4.612 |
In vragen 1 en 2 wordt daarnaast verwezen naar ‘non-gouvernementele organisaties’. Departementen kunnen aan organisaties die geen onderdeel uitmaken van de Rijksoverheid subsidies verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De Kamers worden structureel geïnformeerd over welke subsidies door de departementen verstrekt worden. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften6 worden in alle begrotingen per begrotingsartikel in de tabel ‘budgettaire gevolgen van beleid’ de subsidies opgenomen, met een ondergrens van €1 miljoen.7 In bijlage 3 bij elke begroting, het subsidieoverzicht, wordt een overzicht van alle subsidies voor het betreffende departement opgenomen, zonder budgettaire ondergrens. Hierbij wordt ook het subsidiebedrag tot twee jaar voor en vier jaar na het betreffende begrotingsjaar vermeld. Tevens dient voor elke subsidie het betreffende begrotingsartikel, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie te worden opgenomen. In de vraag wordt specifiek aandacht gevraagd voor het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ook deze subsidies worden vermeld in de betreffende begrotingen, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de minister van VWS, in antwoord op vragen van leden van uw Kamer, recent aanvullende informatie verstrekt over de subsidies aan het Voedingscentrum.8
Vraag 3
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Antwoord vraag 3
Het is niet mogelijk om specifiek aan te geven of er op enig moment in het afgelopen jaar, op een ministerie, een beleidsvoorstel is aangepast vanwege ‘informele invloed’ van een orgaan dat onder de brede definitie uit de vraagstelling valt. In algemene zin kan ik zeggen dat het kabinet hecht aan een transparant openbaar bestuur. Het kabinet heeft die inzet onder meer beschreven in de beleidsbrief Binnenlandse Zaken.9 Van ‘formele invloed’ van non-gouvernementele organisaties is uiteraard geen sprake.
Hoogwaardige en onafhankelijke advisering van adviescolleges komt de beleidsvorming ten goede en levert een bijdrage aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Het rapport ‘Deskundige Overheid’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wijst erop dat een deskundige overheid in staat moet zijn om relevante kennis en kunde binnen het brede kennisecosysteem rond de overheid op een goede manier te betrekken bij de beleidsvorming. Adviezen van adviescolleges, net als andere adviezen die het kabinet ontvangt, kunnen daarmee uiteraard invloed hebben op het beleid. Daar gaat echter altijd een politieke weging aan vooraf. Adviezen zijn, naar hun aard, namelijk niet bindend. De formele kaders van het adviesstelsel zijn erop gericht om transparantie over ontvangen adviezen te bevorderen en het primaat van de politiek te borgen. Artikel 80, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat adviezen van adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving openbaar gemaakt dienen te worden. De Kaderwet adviescolleges verplicht de verantwoordelijk bewindspersoon om binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk advies diens standpunt kenbaar te maken aan de Eerste en Tweede Kamer. Ook de Kamers vragen het kabinet geregeld om te reageren op adviezen van adviescolleges, bijvoorbeeld als de Kamer zelf om het betreffende advies verzocht heeft. Met dit alles wordt richting de Kamers en de samenleving inzichtelijk gemaakt welke adviezen de regering gehad heeft van adviescolleges en hoe de regering met deze adviezen is omgegaan. Het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer. Het is goed te markeren dat het kabinetsbeleid is om geen ‘adviesverplichtingen’ in te voeren, waarbij de regering verplicht is om advies te vragen alvorens zij beleid of wetgeving maakt. Dit is verankerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.10 Voor de instelling van externe commissies, buiten de Kaderwet adviescolleges, geldt de Leidraad instellen externe commissies. Hierbij worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder de Kaderwet. Ook daar geldt dat bewindspersonen de Kamers informeren over adviezen van onafhankelijke externe commissies en de reactie van het kabinet op deze adviezen.
Vraag 4
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Antwoord vraag 4
Leden van adviescolleges worden conform de Kaderwet adviescolleges benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het beleidsterrein waarop het adviescollege is ingesteld. Adviescolleges opereren onafhankelijk. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een onder het ministerie ressorterende instelling zijn daarom bij wet uitgesloten van het lidmaatschap van een adviescollege dat adviseert op het beleidsterrein waarop de ambtenaar werkzaam is. Ook legt de secretaris van het adviescollege over diens werkzaamheden slechts verantwoording af aan het college. Voor externe adviescommissies worden, conform de Leidraad instellen externe commissies, dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Er is daarnaast wet- en regelgeving omtrent de vergoedingen van leden van adviescolleges- en commissies en de openbaarmaking daarvan. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat adviescolleges transparant zijn over nevenfuncties van raadsleden.11
Over non-gouvernementele organisaties kan ik in algemene zin zeggen dat de Kamer via de begrotingen structureel geïnformeerd wordt over welke subsidies worden verstrekt en welke wet- en regelgeving hierop van toepassing is.
Voor subsidies dient in het subsidieoverzicht bij elk begrotingshoofdstuk vermeld te worden ten laste van welk begrotingsartikel een subsidie komt, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie. Langs die weg wordt inzichtelijk gemaakt welke voorwaarden er aan subsidies gesteld worden.
Vraag 5
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Antwoord vraag 5
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2. Adviescolleges kunnen zich, op grond van artikel 19 van de Kaderwet adviescolleges, laten bijstaan door andere personen voor zover dat voor de invulling van hun wettelijke adviestaak noodzakelijk is. Het is passend dat adviescolleges hierin onafhankelijk opereren. Conform de Leidraad instellen externe commissies geldt hetzelfde uitgangspunt voor externe (advies)commissies.
Vraag 6
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Antwoord vraag 6
Het kabinet houdt niet bij hoeveel uren ambtenaren besteden aan dergelijke werkzaamheden. Het is een regulier en integraal onderdeel van het werk van een beleidsdepartement om contact te hebben met partijen die de regering gevraagd of ongevraagd van kennis en advies voorzien, om reacties op deze adviezen voor te bereiden en vervolgens de bewindspersoon te ondersteunen bij het afleggen van verantwoording aan het de Staten-Generaal.
Vraag 7
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
Antwoord vraag 7
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hier in het commissiedebat Leefstijlpreventie op 23 april jl. en in het navolgende Tweeminutendebat op 18 juni jl. uitgebreid met leden van uw Kamer over gesproken. Het Voedingscentrum voorziet in de onafhankelijke voorlichting over voedsel en voeding. De Schijf van Vijf die hiervoor de basis vormt, is een vertaling van de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van de ministeries van VWS en LVVN. Zowel de Gezondheidsraad als het Voedingscentrum zijn onafhankelijk werkende organisaties die zich baseren op de wetenschap. De onderbouwing van zowel de Richtlijnen van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van de Schijf van Vijf zijn online beschikbaar en daarmee transparant. Het kabinet hecht waarde aan de onafhankelijke rol en taken van het Voedingscentrum en waakt ervoor dat ministeries hierop inhoudelijk invloed uitoefenen. Het kabinet vindt dat het Voedingscentrum naar haar rol heeft gehandeld en ziet daarom geen aanleiding voor verbetermaatregelen.
Vraag 8
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Antwoord vraag 8
Het kabinet vindt het in algemene zin wenselijk dat adviescolleges, vanuit hun onafhankelijke deskundigheid, de adviestaak vervullen die de wetgever hun heeft opgedragen. Het staat adviescolleges, zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, daarmee vrij om beleidsmaatregelen voor te stellen ter uitvoering van hun wettelijke adviestaak. Adviezen zijn, naar hun aard, niet bindend. Zoals beschreven bij antwoord 3, is er een duidelijke en transparante rolverdeling tussen adviescolleges en regering. Adviescolleges adviseren; het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer.
Kamerstukken II 2025/26, 31490, nr. 396;↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 31490, nr. 348;↩︎
De Sociaal-Economische Raad (SER) valt niet onder Kaderwet adviescolleges maar wordt traditioneel wel beschouwd als een vast college van advies in de zin van artikel 79 Grondwet. Omdat de SER voor zijn adviestaak geen financiering van departementen ontvangt, wordt de SER niet meegenomen in het toegezegde overzicht.↩︎
De ondergrens van €1 miljoen geldt niet voor ‘begrotingssubsidies’ waarbij de begrotingswet als wettelijke grondslag voor het betreffend subsidiebedrag gaat gelden op basis van artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c, van de Awb. In die gevallen worden de afzonderlijke subsidiebedragen in de toelichting van het betreffend begrotingsartikel en optioneel in de tabel vermeld.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36915-XVI, nr. 3, p. 35-37 en Kamerstukken II 2025/26, 29214, nr. 113;↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800-VII, nr. 97;↩︎
Aanwijzing 5.7: In een regeling wordt niet voorzien in de verplichting advies te vragen over algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk.↩︎
Kamerstukken II 2015/16, 28101, nr. 15;↩︎