Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 (vreemdelingen- en asielbeleid) (Kamerstuk 32317-1016)
JBZ-Raad
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D36742, datum: 2026-07-14, bijgewerkt: 2026-08-03 11:51, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie (VVD)
- Mede ondertekenaar: M.C. Burger, griffier
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij het Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 (vreemdelingen- en asielbeleid) (Kamerstuk 32317-1016)
Onderdeel van kamerstukdossier 32317 -1018 JBZ-Raad.
Onderdeel van zaak 2026Z16194:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-09-01 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-09 13:00: Procedurevergadering Asiel en Migratie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Asiel en Migratie
Preview document (🔗 origineel)
32317 JBZ-Raad
Nr. 1018 Verslag van een schriftelijk overleg
Vastgesteld 14 juli 2026
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Asiel en Migratie over de volgende brieven:
Kabinetspositie over de stemming inzake het onderhandelingsakkoord voor de EU-Terugkeerverordening (Kamerstuk 22112, nr. 4363)
Verslag JBZ-Raad 4 en 5 juni 2026 en overige JBZ-ontwikkelingen (Kamerstuk 32317, nr. 1014)
Kabinetsappreciatie op verlenging van de activering van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming tot en met 4 maart 2028 (Kamerstuk 32317, nr. 1015)
Geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 (32317, nr. 1016).
De vragen en opmerkingen zijn op 10 juli 2026 aan de minister van Asiel en Migratie voorgelegd. Bij brief van 14 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie,
Peter de Groot
Griffier van de commissie,
Burger
Inhoud
I Vragen en opmerkingen uit de fracties en reactie van de minister van Asiel en Migratie
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
Inbreng van de leden van de PVV-fractie
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
I Vragen en opmerkingen uit de fracties en reactie van de minister van Asiel en Migratie
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad) op 16 en 17 juli 2026 en van de verder aangeleverde stukken. Zij hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat er tijdens de JBZ-Raad zal worden gesproken over het visumbeleid, met als doel dit beleid beter aan te laten sluiten bij de doelstellingen omtrent interne veiligheid. Deze leden ondersteunen de inzet van het visumbeleid richting onwelgevallig gezinde derde landen.
Vraag 1
Steunt de minister eventuele voorstellen om het juridisch mogelijk te maken om van bepaalde landen, en met name Rusland, categorisch onderdanen uit te sluiten van de mogelijkheid om een visum te verschaffen? Denkt de minister dat voor zo’n voorstel draagvlak in de EU bestaat? Is de minister daarnaast van plan om EU-lidstaten die op dit moment nog veel visa aan Russische onderdanen afgeven, hierop aan te spreken en dan met name Frankrijk, Italië en Spanje? Is de minister daarnaast bereid om de nationale afgifte van Machtigingen tot Voorlopig Verblijf (MVV) ook te beperken indien er sprake is van een categorisch risico voor de interne veiligheid of indien de strategische belangen van Nederland daarmee in gevaar komen?
Antwoord
Het kabinet maakt zich zorgen over de toename van Schengenvisa voor Russische staatsburgers, waaronder toeristenvisa, die door enkele EU-lidstaten worden afgegeven, en spreekt lidstaten daar op aan binnen de daarvoor bestemde EU gremia.
In dit kader heeft het kabinet de gezamenlijke brief, op initiatief van Zweden, over restrictieve en uniforme toepassing van het EU-visumbeleid ten aanzien van Russische burgers, medeondertekend. Hierover heeft het kabinet uw Kamer in het verslag van de JBZ-Raad van 4-5 juni 2026 geïnformeerd.1
Het kabinet steunt het voorstel om in de EU-Visumcode een juridische grondslag op te nemen voor gerichte beperkende visummaatregelen wanneer de relatie tussen de EU en een visumplichtig derde land ernstig verslechtert en daardoor de interne veiligheid van de EU in het geding is. Het kabinet zal op de Raad het belang benadrukken dat de maatregelen (in eerste instantie) gericht zouden moeten zijn op een bepaalde categorie personen, zoals de actoren die verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor de verslechterde relatie. Daarnaast acht het kabinet het noodzakelijk dat – gezien de potentiële gevolgen voor de bredere relatie met derde landen – de Raad een besluit neemt over dergelijke maatregelen. Er is nog geen duidelijk beeld te geven of er voldoende draagvlak is in de Raad voor de introductie van een dergelijk instrumentarium. Naar verwachting zullen lidstaten in het bijzonder verschillend aankijken tegen deze institutionele bevoegdheidsverdeling tussen de Raad en Commissie.
Wat betreft de afgifte van Machtigingen tot Voorlopig Verblijf (MVV) is het al mogelijk om de toegang te weigeren indien er een gevaar blijkt voor openbare orde/nationale veiligheid of wanneer er gegronde reden is te veronderstellen dat de vreemdeling voor een ander doel dan opgegeven naar Nederland is gekomen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval en met het evenredigheidsbeginsel, cf. verscheidene EU-richtlijnen, zoals die inzake de toelating en verblijf van onder meer onderzoekers en studenten (EU/2016/801) en van EU Blauwe Kaarthouders (EU/2021/1883). Een categorische uitzondering is niet mogelijk. Wanneer er twijfels zijn over de motieven van de persoon die naar Nederland komt, is er reeds een bestaande werkwijze bij de IND ingeregeld.
De leden van de VVD-fractie hebben voorts, omdat dit en marge ter sprake kan komen tijdens de JBZ-Raad, nog enkele vragen over gesprekken die lopen met de Taliban in het kader van afspraken over terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers. Deze leden zijn van mening dat de Taliban verwerpelijke opvattingen hebben over mensenrechten en dan met name de rechten van vrouwen, meisjes en journalisten. Zij begrijpen dat gesprekken over terugkeer noodzakelijk zijn, vooral voor EU-lidstaten met veel Afghaanse asielzoekers, maar willen hierbij wel markeren dat het beginsel van non-refoulement buiten kijf moet staan.
Vraag 2
Van welke categorieën uitgeprocedeerde asielzoekers verwacht de minister dat er bij succesvolle gesprekken sprake kan zijn van terugkeer? Kan de minister een inschatting geven van de hoeveelheid uitgeprocedeerde asielzoekers die mogelijk teruggestuurd zullen worden? Hoe zorgt de minister er tot slot voor dat het beginsel van non-refoulement voor uitgeprocedeerde asielzoekers uit Afghanistan gewaarborgd blijft?
Antwoord
Terugkeer van vertrekplichtige vreemdelingen is een prioriteit van het kabinet. Het kabinet zet zich ervoor in om zoveel als mogelijk vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf te laten terugkeren. De terugkeer van vreemdelingen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid en/of de openbare orde hebben daarbij de speciale aandacht van het kabinet. Gesprekken over terugkeer met de de facto autoriteiten in Afghanistan hebben in dat kader plaatsgevonden. Dit geldt ook voor vertrekplichtige Afghanen. Op dit moment zijn er rond de 290 vreemdelingen met de Afghaanse nationaliteit vertrekplichtig. De groep vreemdelingen veroordeeld in de strafrechtketen, of voor nationale veiligheid of oorlogsmisdaden ligt rond de 40. Effectieve terugkeer van vreemdelingen veroordeeld in de strafrechtketen is over het algemeen complexer dan van uitgeprocedeerde asielzoekers zonder strafrechtelijke veroordeling. In alle gevallen is er sprake van een individuele beoordeling.
Een geüpdatete versie van het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is 28 mei jl. met uw Kamer gedeeld. Afhankelijk van de mate van vervolging kan er worden geoordeeld dat er sprake is van groepsvervolging of kan een risicoprofiel worden aangewezen. Uiteindelijk vindt er altijd een individuele beoordeling plaats waarbij geldt dat ook personen die niet onder groepsvervolging vallen of niet zijn aangemerkt als risicoprofiel nog steeds in aanmerking kunnen komen voor bescherming. Hierbij wordt ook het beginsel van non-refoulement in acht genomen. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
De leden van de VVD-fractie zien voorts nog dat de kabinetsappreciatie van de verlenging van de activering van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) tot en met 4 maart 2028 op de agenda van het schriftelijk overleg staat. Deze leden ondersteunen hierbij de inzet van het kabinet. Met de verlenging wordt het voor dienstplichtigen niet langer mogelijk om zonder toestemming bescherming te claimen op grond van de RTB.
Vraag 3
Welke maatregelen kan en is de minister bereid te nemen om ervoor te zorgen dat deze uitgesloten groep niet asiel in Nederland zal aanvragen? Hoe kansrijk acht de minister een asielaanvraag van een individu binnen deze groep?
Antwoord
Iedereen heeft recht om asiel aan te vragen. Dit recht kan niet worden ingeperkt. Asielverzoeken zullen altijd op individuele basis worden beoordeeld, omdat de individuele omstandigheden moeten worden meegewogen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het recent vastgestelde landenbeleid Oekraïne. Desertie en dienstweigering vormen op zichzelf geen gronden voor internationale bescherming, conform internationale normen.
Vraag 4
Acht de minister daarnaast een landenbeleid op basis van een breed scala aan objectieve en verifieerbare bronnen noodzakelijk om asielaanvragen binnen deze groep adequaat en voortvarend te kunnen beoordelen?
Antwoord
Ja. Zoals op 1 juli jl. met uw Kamer gedeeld heeft het kabinet landenbeleid Oekraïne vastgesteld. Het landenbeleid is vastgesteld op basis van verschillende openbare bronnen die ook met uw Kamer zijn gedeeld in afwachting van het ambtsbericht dat verwacht wordt in het vierde kwartaal. Zodra het ambtsbericht beschikbaar is zal het landenbeleid opnieuw tegen het licht worden gehouden.
Vraag 5
Hoe kijkt de minister daarnaast aan tegen het spanningsveld tussen artikel 5 en artikel 15 van de RTB? Meent de minister net als de Commissie dat artikel 15 van de RTB niet van toepassing is op groepen die worden uitgesloten van de RTB?
Antwoord
Artikel 5 van de RTB geeft de Raad de mogelijkheid om te bepalen welke groepen tijdelijke bescherming kunnen krijgen onder de RTB, waardoor het mogelijk is om hiervoor specifieke criteria, zoals het niet ontwijken van dienstplicht, en aanpassing in reikwijdte toe te passen. Het uitvoeringsbesluit kan het recht op gezinshereniging zoals is vastgelegd in artikel 15 van de Richtlijn zelf niet inperken. Dit zal derhalve moeten worden meegewogen bij een aanvraag voor tijdelijke bescherming onder de RTB.
Vraag 6
Is het tevens zo volgens de minister dat dienstplichtigen geen beroep kunnen doen op een recht op familie- en gezinsleven verankerd in artikel 8 van het EVRM? Hoe voorkomt de minister een toename van het aantal artikel 8 EVRM-aanvragen indien dit wel het geval is?
Antwoord
Het recht op gezinshereniging is in de huidige Richtlijn
verankert in artikel 15. Deze blijft overeind in het nieuwe voorstel
voor verlenging van de RTB. Het ligt daarmee niet in lijn der
verwachting dat deze verlenging met scopebeperking zal leiden tot een
toename in het aantal aanvragen op basis van 8 EVRM.
Inbreng van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de
geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026.
Zij stellen nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet voorstander is
van het voorstel om een grondslag te creëren voor het vaststellen van
beperkende visummaatregelen.
Vraag 7
Kan de minister uitleggen hoe dit zich verhoudt tot het besluit om Palestijnen toegang tot Nederland te verlenen? Waarom acht het kabinet het in dat geval wel verantwoord om personen uit een conflictgebied toe te laten, terwijl het tegelijkertijd pleit voor strengere visumbeperkende maatregelen uit veiligheidsoverwegingen, zo vragen voornoemde leden. Deze leden vragen of iedere Palestijn die met een visum naar Nederland is gekomen, onderworpen is aan een uitgebreide screening op terrorisme.
Antwoord
Het voornemen van de Commissie voor gerichte beperkende visummaatregelen ziet op situaties waarin de relatie tussen de EU en een visumplichtig derde land ernstig verslechterd is en daardoor o.a. de interne veiligheid van de EU in het geding kan komen. Dit kan, maar hoeft zeker niet, samenvallen met een conflictsituatie in dat land. Het voornemen heeft de Commissie opgenomen in de EU-visumstrategie, waarover uw Kamer via de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 5-6 maart jl. is geïnformeerd. De discussie op deze Raad gaat dus over dat voornemen. Met de input van de lidstaten zal de Commissie het voorstel nader uitwerken.
In algemene zin worden visumaanvragen individueel beoordeeld,
waarbij ook getoetst wordt (middels EU databases) of iemand een risico
vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Deze toetst vindt
onafhankelijk van de nationaliteit van de aanvrager plaats. Daarnaast
hebben lidstaten (o.g.v. art.22 Visumcode) de mogelijkheid om een
nationaliteit consultatieplichtig te maken, waarbij een lidstaat bezwaar
kan maken tegen afgifte van een visum in individuele, gemotiveerde
gevallen. De informatie welke lidstaat voor welke nationaliteiten deze
raadpleging vooraf verlangt, is niet openbaar.
Ten slotte hebben de leden van de PVV-fractie kennisgenomen van de
kabinetsappreciatie over de verlenging van de Richtlijn Tijdelijke
bescherming Oekraïners tot en met 4 maart 2028.
Vraag 8
Deze leden vragen de minister wanneer de besluitvorming hierover exact geagendeerd staat.
Antwoord
Besluitvorming over de verlenging van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming zal – vanwege de urgentie - naar verwachting plaatsvinden via een schriftelijke procedure. Voor het uitvoeren van deze procedure zal toestemming worden gevraagd op het Comité van permanente vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten bij de Europese Unie (Coreper) op 15 juli. Daarna volgt de schriftelijke procedure. Het kabinet is voornemens in te stemmen.
Het is voor deze leden volstrekt onacceptabel dat deze Richtlijn opnieuw met een jaar wordt verlengd, terwijl in het nieuwe landenbeleid grote delen van Oekraïne worden aangemerkt als binnenlands beschermingsalternatief. Het is ook algemeen bekend dat veel Oekraïners regelmatig op en neer reizen naar Oekraïne voor vakantie of familiebezoek.
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 in Dublin en hebben de recente ontwikkelingen in de EU en de lidstaten aandachtig gevolgd. Het Europees asielstelsel moet naar het oordeel van deze leden fundamenteel worden hervormd, waarbij asiel een gunst wordt die regeringen kunnen verstrekken en geen afdwingbaar recht, en met hulp, opvang en procedures buiten Europa. Zij hebben over de inzet van het kabinet in de Raad, alsmede over enkele recente Europese ontwikkelingen, de volgende vragen en opmerkingen.
Het enige migratieonderwerp dat het Ierse voorzitterschap agendeert, betreft de relatie tussen het EU-visumbeleid en de veiligheid, waarbij twee instrumenten voorliggen: gerichte restrictieve visummaatregelen tegen onderdanen van derde landen en een nieuw beoordelingskader voor visumvrijstellingen.
Vraag 9
Kan de minister uiteenzetten met welke concrete inzet hij de Raad ingaat en welke positie hij inneemt ten aanzien van beide instrumenten, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
Antwoord
Zoals aangegeven op vragen van de leden van de fractie van de VVD steunt het kabinet het voorstel om in de EU-Visumcode een juridische grondslag op te nemen voor gerichte beperkende visummaatregelen wanneer de relatie tussen de EU en een visumplichtig derde land ernstig verslechtert en daardoor onder andere de interne veiligheid van de EU in het geding dreigt te komen.. Het kabinet zal inzetten op duidelijke afbakening van de categorieën die door de maatregelen getroffen kunnen worden, zonder dat deze limitatief zijn, om het instrument flexibel te houden. Tevens zal het kabinet een stevige rol voor de Raad bepleiten in dit instrument.
Vraag 10
Deze leden menen dat het artikel 25bis-mechanisme van de Visumcode sneller en steviger moet kunnen worden ingezet wanneer een derde land onvoldoende meewerkt aan terugkeer en overname, wanneer de veiligheidssituatie verslechtert of wanneer sprake is van hybride dreigingen. Deelt de minister deze opvatting en welke concrete voorstellen doet hij hiertoe in de Raad?
Antwoord
Het kabinet is voorstander van de inzet van 25bis-maatregelen tegen derde landen die niet voldoende meewerken aan terugkeer. Het nemen van negatieve visummaatregelen onder artikel 25bis van de EU-Visumcode, of de dreiging van het nemen van deze maatregelen is eerder effectief gebleken. Zo zijn onlangs de negatieve visummaatregelen tegen Ethiopië ingetrokken, omdat de terugkeersamenwerking was verbeterd in de periode nadat de maatregelen in 2024 waren genomen. Het kabinet blijft er daarom op inzetten dat er negatieve visummaatregelen kunnen worden ingesteld onder art. 25 bis van de Visumcode indien derde landen niet voldoende meewerken aan terugkeer. Deze maatregelen dienen ingebed te worden in de bredere relatie met het desbetreffende derde land en samen te gaan met duidelijke communicatie over de criteria voor afschaling om het instrument het meest effectief te maken.
Daarnaast kijkt het kabinet met interesse uit naar het voorstel van de Commissie voor de herziening van de EU-Visumcode. Naar verwachting wordt dit voorstel het komende jaar gepubliceerd en zal daarin ook aandacht zijn voor aanpassing van artikel 25bis. De verwachting is dat dit voorstel concrete aanpassingen bevat voor artikel 25bis die het artikel steviger en sneller inzetbaar zullen maken. Dit is reeds in de visumstrategie van de Commissie uiteengezet.
Tevens is het Kabinet voorstander van het in de EU-Visumcode opnemen van een juridische grondslag voor gerichte beperkende visummaatregelen wanneer de relatie tussen de EU en een visumplichtig derde land ernstig verslechtert en daardoor de interne veiligheid van de EU in het geding is. Voorts verwijs ik u, als het gaat om beperkende visummaatregelen vanwege de veiligheidssituatie, naar het antwoord op vraag 1.
Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie aandacht voor Afghanistan.
Vraag 11
Kan de minister bevestigen dat Nederland heeft deelgenomen aan de technische gesprekken met de Afghaanse feitelijke autoriteiten en toelichten wat de Nederlandse inzet en positie daarbij was?
Antwoord
Een Nederlandse ambtenaar op operationeel niveau heeft het gesprek bijgewoond. Het gaat om een operationeel gesprek. Hiervan wordt zoals gebruikelijk geen afschrift gestuurd naar de Tweede Kamer.
Deze leden menen dat het mogelijk maken van terugkeer van Afghanen zonder rechtmatig verblijf, in het bijzonder van strafrechtelijk veroordeelden en personen die een veiligheidsrisico vormen, prioriteit verdient.
Vraag 12
Deelt de minister deze opvatting en welke concrete resultaten beoogt hij met deze gesprekken?
Antwoord
Terugkeer van vertrekplichtige vreemdelingen is een prioriteit van het kabinet. Het kabinet zet zich ervoor in om zoveel als mogelijk vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf te laten terugkeren. De terugkeer van vreemdelingen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid en/of de openbare orde hebben daarbij de speciale aandacht van het kabinet. Dit geldt ook voor vertrekplichtige Afghanen. Op 16 oktober 2025 stuurden verschillende lidstaten, waaronder Nederland, een brief aan Eurocommissaris Brunner met de oproep om mensen zonder verblijfsrecht in de EU te helpen om terug te keren naar Afghanistan. Een gezamenlijke EU-aanpak geeft Nederland de mogelijkheid om terugkeer van Afghanen die niet in de EU mogen blijven naar Afghanistan beter te regelen.
Kamerstukken II, vergaderjaar 2025-2026, 32 317, nr. 1014.↩︎