Antwoord op vragen van de leden Vellinga-Beemsterboer en Klos over de waterproblematiek ten gevolge van klimaatverandering
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D37875, datum: 2026-08-05, bijgewerkt: 2026-08-11 10:03, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Onderdeel van zaak 2026Z16259:
- Gericht aan: V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2632
Antwoord van minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 5 augustus 2026)
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar het niveau "dreigend watertekort" op 1 juli concreet betekent en of u verwacht dat Nederland deze zomer opschaalt naar "feitelijk watertekort"?
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief1 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau "dreigend watertekort" (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een “feitelijk watertekort” (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek Waterverdeling en Droogte2.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking, onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s3 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden naarmate het klimaat verandert.
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met 3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?
De Kamerbrief4 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen. Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en middellange termijn?
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar, het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief5. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven is dat minder water gebruiken altijd beter is - het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan Natuurbranden6.
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades, dijken en funderingen?
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen. Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen. Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector. Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022 hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen, omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen, bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg van droogte is vooraf vaak onzeker.
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt u toezeggen dit wel te doen?
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren 20187 en 20228. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten, bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s9 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken). Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid en het risico op wateroverlast.
Op welke wijze werkt u samen met de minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
De Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31793-301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte, structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het drastisch verminderen van de CO2-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende) maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken te voldoen?
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke rol ziet u voor zichzelf daarin?
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)10 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (Ontwerp-)NAS’26 streeft het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om - in samenwerking met belanghebbenden - keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport "Voorbij de risico's"[5] op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft overgenomen?
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de Ontwerp-NAS. Zo zijn de risicoanalyses in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en provincies samenwerken.
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt “water en bodem sturend" in hun huidige vorm toereikend zijn voor zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet zou inhouden?
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt. Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen, is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een ‘restje rivierwater’ krijgen?
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen een 'restje rivierwater' krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van "een ramp na de ramp", omdat particulieren achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen. Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg 2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term “ruimhartig ” is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts. Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare schade.
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa 433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse - wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind 2022. Dit betrof €433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van €24 miljoen verleend aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers. Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatsteunregels, en een eventuele onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door het "woud aan regels" te loodsen[9] en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig is?
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke instrumenten u die graad wilt verhogen?
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar deze brief.
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
'Meerlaagsveiligheid' is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast. Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS'26 uiterlijk 2029 opgeleverd. De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom op dit moment niet te geven.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Ja.
Bijlage 1: Landelijke verdringingsreeks (uitleg IPLO)
De verdringingsreeks geeft een rangorde voor de verdeling van de hoeveelheid water bij waterschaarste of dreigende waterschaarste. De verdringingsreeks bestaat uit 4 categorieën. De rangorde van belangen binnen de categorieën 1 en 2 is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgelegd. Dit staat in artikel 3.14. Binnen de categorieën 3 en 4 legt het Bkl geen rangorde vast.
De provincie kan in de omgevingsverordening een rangschikking binnen categorie 3 en 4 vastleggen. Dit kan alleen binnen deze categorieën, maar niet tussen de categorieën.
| categorie 1 - | categorie 2 - | categorie 3 - | categorie 4 - |
|---|---|---|---|
| veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade | nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid) | kleinschalig hoogwaardig gebruik | overige belangen (economische afweging, ook voor natuur) |
- stabiliteit van waterkeringen - voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen) - natuur, voor zover het gaat om onomkeerbare schade |
- drinkwatervoorziening - energievoorziening |
- tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen - Verwerken van industrieel proceswater |
- scheepvaart - landbouw - natuur - industrie - waterrecreatie - binnenvisserij - drinkwatervoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid) - energievoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid) - overige belangen |
| gaat voor → | gaat voor → | gaat voor → | - |
De verdringingsreeks geldt voor alle oppervlaktewateren. Op grond van artikel 7.13 Bkl kan de provincie in de omgevingsverordening de rangorde van categorie 3 en 4 ook van toepassing verklaren op grondwater. Alle waterbeheerders moeten hiernaar handelen. Dit betekent dat de verdringingsreeks doorwerkt:
als in een andere dan de eigen regio een watertekort heerst, en
als die andere regio afhankelijk is van water dat via de eigen regio wordt aangevoerd
Kamerstukken II, 27 625, nr. 745↩︎
https://iplo.nl/thema/water/crisismanagement-water/landelijk-draaiboek-waterverdeling-droogte/↩︎
KNMI, 2023. Klimaatscenario’s voor Nederland.↩︎
Kamerstukken II, 27 625, nr. 745↩︎
Kamerstukken II, 27 625, nr. 745↩︎
https://www.nctv.nl/documenten/2025/05/14/landelijk-crisisplan-natuurbranden↩︎
Ecorys, 2019. Economische schade door droogte in 2018.↩︎
Deltares, 2024. De droogte van 2022: een brede analyse van de ernst en maatschappelijke gevolgen.↩︎
https://www.deltaprogramma.nl/deltaprogramma/kennisontwikkeling-en-signalering/deltascenarios↩︎
Ministerie van infrastructuur en Waterstaat, Evaluatie NAS Hoofdrapport, Kamerstuk 702701, 2022↩︎