Antwoord op vragen van het lid Mutluer over georganiseerd seksueel geweld, online verspreiding van seksueel misbruik en de recente zedenzaak waarbij vrouwen mogelijk werden gedrogeerd, verkracht en gefilmd
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D39667, datum: 2026-08-28, bijgewerkt: 2026-08-28 15:42, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Onderdeel van zaak 2026Z12604:
- Gericht aan: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2806
Antwoord van minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 augustus 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 2452
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?[1]
Antwoord op vraag 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 2
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni jl. heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). Als het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Vraag 3
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
Antwoord op vraag 3
De politie is in algemene zin bekend met dit fenomeen waarbij in digitale groepen kennis wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen om hen seksueel te misbruiken.
Eventuele meldingen of signalen over het drogeren van slachtoffers om hen seksueel te misbruiken en het filmen daarvan, worden door de politie en het Openbaar Ministerie zorgvuldig beoordeeld en, waar aangewezen, onderzocht. Zolang een strafrechtelijk onderzoek loopt kan de politie hierover geen mededelingen doen.
Vraag 4
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Antwoord op vraag 4
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Het onderzoek naar de in het artikel genoemde casus loopt, waarbij ook nadrukkelijk wordt onderzocht of verdachten gezamenlijk strafbare feiten hebben gepleegd. In het algemeen geldt dat wanneer de opsporingsdiensten een stelselmatigheid ontdekken of herkennen, dit altijd prioriteit krijgt bij de inzet van de opsporingscapaciteit. Dit is in lijn met het uitgangspunt dat de opsporingscapaciteit wordt ingezet daar waar een zo groot mogelijk maatschappelijk effect kan worden bereikt.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
Vraag 5
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 5
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Vraag 6
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Antwoord op vraag 6
Op grond van artikel 46 Sr zijn bepaalde handelingen strafbaar
als deze worden gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf waarop een
gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Dit geldt ook in geval
van ernstige seksuele misdrijven zoals (gekwalificeerde)
opzetverkrachting (artikel 243 Sr). Strafbare voorbereidingshandelingen
zijn onder meer het opzettelijk verwerven of voorhanden hebben van
voorwerpen, stoffen of ruimten die zijn bestemd voor het begaan van een
dergelijk misdrijf. In het geval van een drogeerverkrachting kan het
aanschaffen van de middelen die worden gebruikt om het slachtoffer te
drogeren bijvoorbeeld een strafbare voorbereidingshandeling zijn.
Daarbij is van belang dat er naast de genoemde strafbare voorbereiding meer strafbaarstellingen zijn op basis waarvan vroegtijdig strafrechtelijk kan worden ingegrepen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van seksuele misdrijven (artikel 140 Sr); in dat geval is voor strafbaarheid niet vereist dat al een aanvang is gemaakt met het plegen van die misdrijven. Ook de enkele poging een ander uit te lokken om een seksueel misdrijf te begaan is zelfstandig strafbaar (artikel 46a Sr).
Vraag 7
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 7
De zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel
geweld vind ik niet nodig of wenselijk. In aanvulling op het antwoord op
vraag 6 hierboven wijs ik erop dat in Titel XIV van het Wetboek van
Strafrecht verschillende seksuele misdrijven zijn opgenomen die bij
seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing
kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting, en de
voorbereiding van, poging tot en deelneming aan die misdrijven.
Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht, strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn – zoals hiervoor al aan de orde kwam – eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2˚, en 46a Sr).
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden meen ik dat het huidige strafrechtelijk instrumentarium volstaat om ook in een vroegtijdig stadium krachtig op te treden tegen strafbaar handelen dat is gericht op seksueel misbruik.
Vraag 8
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
Antwoord op vraag 8
In geval van een concrete verdenking van een misdrijf (waaronder een seksueel misdrijf), kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie, ook in besloten digitale groepen. Inzet van deze bevoegdheden vindt alleen plaats wanneer dat noodzakelijk en proportioneel is, onder gezag van het Openbaar Ministerie en met inachtneming van de wettelijke waarborgen en rechterlijke toetsing waar vereist.
Over de frequentie van de toepassing van deze bevoegdheden kunnen geen gedetailleerde cijfers worden gedeeld. Deze inzet wordt selectief toegepast en cijfers daarover worden niet afzonderlijk en centraal openbaar gemaakt, mede vanwege het opsporingsbelang.
Vraag 9
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
Antwoord op vraag 9
De doelen van de DSA en de Online Safety Act zijn vergelijkbaar in het bevorderen van een veilige online omgeving door online aanbieders verplichtingen op te leggen die onder meer zien op effectieve moderatie en risicobeheersing. Verschillen zijn er ook, zoals in de benadering van de risicosturing en het toezichtsmodel.
De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze diensten aan moeten voldoen. Hostingdiensten en online platforms dienen illegale online content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten, en riskeren zij zelf aansprakelijkheid. Kennis kan onder meer ontstaan door de ontvangst van een melding van illegale online content. Daarnaast legt de DSA aan tussenhandeldiensten zorgvuldigheidsverplichtingen op, zoals het inrichten van kennisgevings- en actiemechanismen, zodat het melden van illegale online content voor iedereen eenvoudig en toegankelijk is. De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten.
Er kan sprake zijn van illegale online content in de zin van de DSA indien op het beeldmateriaal seksuele gedragingen van personen zichtbaar zijn die zelf geen toestemming hebben gegeven om die opnamen te maken dan wel te verspreiden (artikel 254ba Sr).
De Online Safety Act 2023 stelt een uitgebreid wettelijk kader vast voor online gebruikersdiensten (zoals sociale mediaplatforms en onlinefora) en zoekdiensten. Op grond van deze wet rusten op deze diensten duidelijke wettelijke verplichtingen om illegale content, waaronder het zonder toestemming verspreiden van intieme afbeeldingen, tegen te gaan.
Op basis van de wet moeten deze diensten proportionele systemen en processen inrichten om de risico's op illegale content, waaronder misbruik van intieme afbeeldingen zonder toestemming, te identificeren, te beperken en te beheersen. Dit omvat onder meer de verplichting om risicoanalyses uit te voeren, effectieve systemen voor contentmoderatie te implementeren en toegankelijke meld- en klachtenprocedures voor gebruikers in te richten. Platforms moeten daarnaast maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers met illegale content worden geconfronteerd en dergelijke content, zodra zij daarvan kennis hebben, snel verwijderen.
Deze verplichtingen gelden voor de volledige werking van een dienst. In de praktijk betekent dit onder meer dat effectieve moderatie- en meldsystemen aanwezig moeten zijn voor de verschillende functies, onderdelen en gebruikersgemeenschappen van een platform. De wet is nadrukkelijk gebaseerd op een stelsel van systemen en processen. Van aanbieders wordt verwacht dat zij risico's op een integrale en proportionele wijze aanpakken, en niet uitsluitend reageren door afzonderlijke uitingen van illegale content achteraf te verwijderen.
Voor zoekdiensten gelden vergelijkbare verplichtingen. Zij moeten proportionele maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers via zoekresultaten worden blootgesteld aan illegale content. Dit omvat onder meer het inrichten van systemen om dergelijke content in zoekindexen te identificeren en de kans te verkleinen dat gebruikers daarmee worden geconfronteerd, mede naar aanleiding van meldingen van gebruikers.
De Online Safety Act legt geen directe verplichtingen op aan hostingdiensten van derden of andere aanbieders van internetinfrastructuur. De wet kent de Britse toezichthouder ‘Ofcom’ echter ruime handhavingsbevoegdheden toe wanneer gereguleerde platforms of zoekdiensten hun wettelijke verplichtingen niet nakomen. Zo kan Ofcom gebruikmaken van zogenoemde Business Disruption Measures door de rechter te verzoeken derden, zoals hostingdiensten, betalingsverwerkers of internetaanbieders, te verplichten hun dienstverlening aan een niet-conform platform te beëindigen of de toegang daartoe te beperken.
Samengevat legt de Online Safety Act 2023 de primaire verantwoordelijkheid bij gebruikersdiensten en zoekdiensten om de verspreiding van seksueel getinte afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld, te identificeren, te verwijderen en te beperken door middel van robuuste en proportionele systemen en processen. Hoewel hostingdiensten en andere aanbieders van internetinfrastructuur niet rechtstreeks aan deze verplichtingen zijn gebonden, kunnen zij via de handhavingsbevoegdheden van Ofcom indirect worden betrokken wanneer dat noodzakelijk is om naleving van de wet af te dwingen.
Vraag 10
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om
platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van
niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online
seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom
niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Antwoord op vraag 10
Op dit moment kan aan aanbieders van tussenhandeldiensten gelet
op artikel 8 DSA geen algemene verplichting worden opgelegd tot
monitoring van de door hen doorgegeven of opgeslagen informatie, noch
tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op
illegale activiteiten. De DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit
betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het
toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of
in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen
aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de
Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke
mogelijkheid om te bezien of aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen
voor tussenhandeldiensten nodig en wenselijk zijn. De evaluatie
resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De
staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de
Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in
gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders
om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te
bepalen.
Het kabinet acht het van groot belang dat aanbieders van diensten effectief optreden tegen de verspreiding van strafbaar materiaal. Nederland zet zich daarom in Europees verband in voor een juridisch kader waarmee aanbieders, binnen de grenzen van de grondrechten en met passende waarborgen, maatregelen treffen om de verspreiding van dit materiaal op hun diensten te voorkomen, op te sporen en te verwijderen.
Vraag 11
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Antwoord op vraag 11
Op grond van artikel 254ba Sr is het opzettelijk en
wederrechtelijk vervaardigen van een visuele weergave van seksueel aard
van een ander strafbaar. Hetzelfde geldt voor het beschikken over een
dergelijke visuele weergave die zo is vervaardigd of het openbaar maken
hiervan. In geval van een verkrachting mag worden verondersteld dat het
slachtoffer niet instemt met het maken van het beeldmateriaal en dat dit
materiaal daarom wederrechtelijk is. Als de betrokkene minderjarig is,
is het maken en verspreiden van een visuele weergave van seksuele
handelingen van diegene altijd strafbaar, zelfs als de minderjarige
vrijwillig betrokken is bij seksuele handelingen (artikel 252 Sr).
In dit verband kan in sommige gevallen ook relevant zijn de strafbaarstelling van het openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van slachtoffers waarin het initiatiefvoorstel van de leden Straatman en Mutluer voorziet (Kamerstukken II 2022/23, 36381, nr. 2). Ik volg de behandeling van dat wetsvoorstel door uw Kamer met interesse.
[1] NOS, 4 juni 2026, 'Vrouwen mogelijk door partner gedrogeerd, verkracht en gefilmd, vier mannen opgepakt', https://nos.nl/artikel/2617074-vrouwen-mogelijk-door-partner-gedrogeerd-verkracht-en-gefilmd-vier-mannen-opgepakt