Antwoord op vragen van het lid Becker over georganiseerd seksueel geweld
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D39676, datum: 2026-08-28, bijgewerkt: 2026-08-28 15:28, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Onderdeel van zaak 2026Z12776:
- Gericht aan: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2800
Antwoord van minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 augustus 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 2464
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht 'Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd'? [1]
Antwoord op vraag 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de mening dat het feit dat er in deze gevallen sprake is van samenwerking tussen meerdere verdachten die het beeldmateriaal binnen digitale netwerken met elkaar deelden, tips uitdelen en elkaar aanmoedigen, er sprake is van georganiseerd seksueel geweld?
Antwoord op vraag 2
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni 2026 heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Vraag 3
Is er voldoende kennis over het fenomeen georganiseerd seksueel geweld en hoe andere landen dit fenomeen bestrijden?
Antwoord op vraag 3
De Nederlandse opsporingsdiensten werken, onder andere in
EPMACT1-verband en in de Virtual Global
Taskforce,2 nauw samen met een groot aantal
buitenlandse opsprongsdiensten. In deze gremia wordt kennis en
informatie over seksueel geweld gedeeld en besproken, in het bijzonder
wanneer er aanwijzingen zijn die wijzen op stelselmatigheid of een
georganiseerd verband.
Daarnaast werkt de politie in de aanpak van (online) seksuele misdrijven intensief samen met ketenpartners binnen het strafrecht en de hulpverlening. Met name tussen de specialistische teams binnen de politie (Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme, Teams opsporing seksuele misdrijven en Teams Migratiecriminaliteit en Mensenhandel), en specifieke experts bij de ketenorganisaties vindt nauwe samenwerking en kennisdeling plaats. Ook hier geldt dat als er signalen zijn van stelselmatigheid, dit zal opvallen en aanleiding zal vormen voor nader onderzoek.
Zoals aangegeven in de beleidsbrief JenV, wil dit kabinet vanuit de envelop nationale veiligheid bestemd voor politie, een impuls geven aan de aanpak van online seksuele misdrijven.3 Ik zal uw Kamer in de JenV-ontwerpbegroting informeren over de nadere invulling van de middelen.
De politie is belast met de (digitale) opsporing. Het OM beoordeelt de uitkomsten daarvan aan de hand van het geldende juridisch kader. Bij het OM werken collega’s die gespecialiseerd zijn in seksuele misdrijven en collega’s die specifieke expertise hebben op gedigitaliseerde criminaliteit. Deze portefeuilles werken nauw met elkaar samen. De digitale ontwikkelingen en modus operandi op dit terrein gaan snel. Er wordt geïnvesteerd om deze dynamiek bij te benen.
Vraag 4
Deelt u de mening dat georganiseerd seksueel geweld een andere aanpak behoeft dan individuele zedenzaken?
Antwoord op vraag 4
Ja, verschillende typen zaken vragen een andere benadering.
Grootschalige zaken van seksueel geweld met een online component vragen
bijvoorbeeld een andere manier van opsporen dan individuele zaken van
fysiek seksueel geweld, omdat de opsporing ervan per definitie
regio-overstijgend is, er veelal (aanvankelijk) geen verdachten bekend
zijn en er meerdere slachtoffers worden gemaakt. Omdat bewijsvergaring
vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere
specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en
analisten.
Bij zowel individuele zedenzaken als grootschalige zedenzaken geldt dat het van groot belang is dat er sprake is van coördinatie en samenwerking met ketenpartners binnen het strafrecht, en met het zorg- en veiligheidsdomein (bijvoorbeeld Centrum Seksueel Geweld, Slachtofferhulp NL, reclassering), zodat de juiste hulp en ondersteuning kan worden geboden aan slachtoffers.
Vraag 5
Bent u bereid met spoed te onderzoeken hoe georganiseerd seksueel geweld als zelfstandige categorie kan worden erkend en aangepakt?
Antwoord op vraag 5
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge
Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar
Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk
beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard,
omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als
een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en
welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over
de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief
aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en
(on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Vraag 6
Bent u het ermee eens dat de verantwoordelijkheid nog te veel
op de schouders van slachtoffers ligt wanneer digitale bedrijven pas in
actie komen na melding van het slachtoffer? Hoort deze
verantwoordelijkheid niet bij de bedrijven zelf te liggen?
Antwoord op vraag 6
Het kabinet is van mening dat online platforms en techbedrijven een belangrijke verantwoordelijkheid dragen bij het tegengaan van online seksueel misbruik.
De verantwoordelijkheid van tussenhandeldiensten, waaronder online platforms, is in de Europese Unie geharmoniseerd geregeld in de Digital Services Act (DSA). De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waaraan deze diensten moeten voldoen. Op grond van de DSA zijn tussenhandeldiensten in beginsel niet aansprakelijk voor de informatie die gebruikers via hun diensten verspreiden. Dat zijn de gebruikers zelf.
Echter, de DSA bepaalt ook dat hostingdiensten en online platforms
het mogelijk moeten maken om illegale inhoud bij hen te melden. Wanneer
ze een dergelijke melding ontvangen dan worden zij geacht om prompt
actie te ondernemen en ingeval er sprake is van illegale inhoud om die
inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Doen zij dat niet, dan
kunnen zij zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling. De
DSA bevat verschillende andere zorgvuldigheidsverplichtingen die beogen
illegale inhoud tegen te gaan, zoals de verplichting om gebruikers die
frequent illegale inhoud plaatsen, te schorsen.
Mijn ministerie zet zich in om de bestaande mogelijkheden onder de DSA
te benutten zodat slachtoffers zo goed mogelijk worden geholpen. Zo
ondersteunt mijn ministerie stichting Offlimits en Meld Online
Discriminatie, die door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op basis
van de DSA zijn aangewezen als ‘betrouwbare flaggers’. Hun meldingen
moeten door hostingdiensten en online platforms met prioriteit worden
behandeld.
De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Vraag 7
Bent u bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk waarin platformen verantwoordelijk worden gehouden voor het niet bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal? Welke lessen kan Nederland leren uit deze Online Safety Act?
Antwoord op vraag 7
Ja, ik ben bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd
Koninkrijk. De Online Safety Act 2023 verplicht alle bedrijven die onder
de wet vallen, waaronder sociale-mediaplatforms, om snel en doeltreffend
op te treden tegen strafbaar online misbruik. De wet legt alle
technologieplatforms een wettelijke verplichting op om proactief de
meest schadelijke illegale inhoud aan te pakken. Hieronder valt ook
misbruik met intieme afbeeldingen.
Op grond van de wet moeten gebruikers- en zoekdiensten die onder de reikwijdte van de wet vallen de risico's van illegale inhoud op hun platforms beoordelen en passende systemen en processen invoeren om te voorkomen dat gebruikers met illegale inhoud worden geconfronteerd. Daarnaast moeten zij de tijd dat dergelijke inhoud online beschikbaar blijft tot een minimum beperken en deze snel verwijderen zodra zij hiervan op de hoogte zijn. Dit geldt ook voor misbruik met intieme afbeeldingen, dat binnen dit wettelijke kader is aangemerkt als een prioritaire vorm van ‘illegale schade’.
‘Ofcom’, als onafhankelijke toezichthouder in het Verenigd Koninkrijk, heeft wettelijke gedragscodes (Codes of Practice) gepubliceerd waarin wordt uiteengezet welke maatregelen aanbieders kunnen nemen om aan deze verplichtingen te voldoen. Er bestaan handhavingsmechanismen om naleving af te dwingen. Wanneer bedrijven hun verplichtingen niet nakomen, beschikt Ofcom over handhavingsbevoegdheden, waaronder het opleggen van boetes tot 18 miljoen Britse pond of 10% van de in aanmerking komende wereldwijde omzet, afhankelijk van welk bedrag hoger is. In de ernstigste gevallen kan Ofcom de rechter verzoeken maatregelen te nemen om de toegang tot niet-conforme diensten in het Verenigd Koninkrijk te blokkeren. Onder bepaalde omstandigheden kan Ofcom bovendien strafrechtelijke vervolging instellen tegen leidinggevenden.
Daarnaast voert de regering van het Verenigd Koninkrijk via de Crime and Policing Act een nieuwe verplichting in voor technologieplatforms om intieme afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld zo snel mogelijk te verwijderen, en in ieder geval binnen 48 uur na een geldige melding van een gebruiker. Ook hierbij geldt dat bedrijven die niet aan deze verplichting voldoen, boetes kunnen krijgen tot 10% van hun wereldwijde omzet of, in de ernstigste gevallen, dat hun dienst in het Verenigd Koninkrijk kan worden geblokkeerd.
Het is van belang om de Britse ervaringen zorgvuldig te volgen en te evalueren. Binnen de Europese Unie geldt het kader van de Digital Services Act (DSA), dat grote online platforms eveneens verplicht om risico's op illegale content te beperken en daartegen op te treden. Nederland zet zich in voor een effectieve uitvoering en handhaving van deze regels.
Vraag 8
Klopt het dat in het Verenigd Koninkrijk het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap waarin strafbare dingen gebeuren, strafbaar is gesteld?
Antwoord op vraag 8
Nee, uit navraag bij collega’s van het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt dat het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap op zichzelf niet strafbaar is onder het Britse recht. Strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat op basis van concrete strafbare gedragingen die binnen zo'n digitale gemeenschap worden verricht, en niet door het enkele lidmaatschap of passieve deelname.
Zo is het zonder toestemming delen van intieme afbeeldingen, waaronder gemanipuleerde of deepfake afbeeldingen, strafbaar. Daarnaast bestaan – net als in Nederland - strafbepalingen die zien op het opzettelijk vervaardigen of laten vervaardigen van een intieme afbeelding van een ander zonder diens toestemming. Ook kan strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaan wanneer iemand strafbare activiteiten binnen dergelijke groepen faciliteert of bevordert, bijvoorbeeld door een actieve rol te spelen bij het mogelijk maken van het delen of verspreiden van illegale content. Dit kan zich voordoen wanneer beheerders of moderatoren, terwijl zij op de hoogte zijn van strafbare activiteiten, handelingen verrichten die deze activiteiten ondersteunen of stimuleren, of wanneer personen zelf deelnemen aan de verspreiding van dergelijk materiaal.
Daarnaast kunnen algemene strafrechtelijke bepalingen, zoals medeplichtigheid, deelneming aan een samenspanning of strafbare feiten met betrekking tot de verspreiding van illegale content, van toepassing zijn. Welke bepalingen gelden, hangt af van de rol, kennis en intentie van de betrokkene.
Tot slot heeft de Britse regering aangegeven de operationele aanpak van deze risico's verder te versterken. Daarbij wordt onder meer ingezet op gespecialiseerde undercoverteams die online opereren, beschikken over technische expertise om ernstige daders op te sporen en kunnen infiltreren in online omgevingen waar dergelijke strafbare feiten plaatsvinden.
Ook de Nederlandse politie werkt, onder meer in EMPACT-verband, mee aan internationale undercoveroperaties, met gekwalificeerde medewerkers. Op deze manier wordt kennis en expertise van de Nederlandse opsporing vergroot en levert de politie een waardevolle bijdrage in internationale opsporingsonderzoeken.
Vraag 9
Bent u bereid te onderzoeken of een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld bij kan dragen aan een betere strafrechtelijke aanpak van facilitatoren en passieve deelnemers door bijvoorbeeld het strafbaarstellen van enkel het deelnemen aan dit soort onlinegroepen?
Antwoord op vraag 9
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en
strafverzwaringsgronden vind ik een zelfstandige strafbaarstelling van
georganiseerd seksueel geweld niet nodig of wenselijk. Zo zijn in Titel
XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven
opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt
begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en
verkrachting. Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek
betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht strafbaar
kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen
bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen
aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een
derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee
of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke
gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid,
onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die
behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe
opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel
48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid,
middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging
doen, zijn eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2˚,
en 46a Sr). Verder is het vervaardigen, openbaar maken en verspreiden
van beeldmateriaal van seksueel misbruik – zoals beeldmateriaal van een
aanranding of verkrachting – afzonderlijk strafbaar gesteld (artikel
254ba, eerste lid, Sr). Tot slot is deelneming aan een criminele
organisatie die het oogmerk heeft om seksuele misdrijven te plegen,
strafbaar op grond van artikel 140 Sr.
Het enkel passief deelnemen aan een online groep zal in de regel niet voldoende zijn voor strafbaarheid. Dat acht ik, hoe verwerpelijk het bestaan van deze groepen ook is, ook niet wenselijk. Voor strafbaarheid zal steeds enige actieve betrokkenheid bij een concreet strafbaar feit vereist zijn.
Vraag 10
Wat is de stand van zaken van het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken?
Antwoord op vraag 10
Op dit moment wordt gewerkt aan een wettelijke grondslag voor
informatievergaring door de politie uit publiek toegankelijke bronnen
voor het voorkomen of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen.
De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, ook gegevens vergaren
als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de
persoonlijke levenssfeer. Een wetsvoorstel met die strekking ligt
momenteel ter advisering voor bij de Afdeling advisering van de Raad van
State. Dat wetsvoorstel ziet op het verzamelen van persoonsgegevens uit
publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van
het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het
streven is om dat wetsvoorstel, dat de politie de bevoegdheid geeft om
in besloten groepen te kijken, in de tweede helft van 2026 in
consultatie te geven.
Vraag 11
Bent u bereid in dit wetstraject ook mee te nemen welke bevoegdheden de politie nodig heeft om in besloten digitale groepen te kijken om georganiseerd seksueel geweld tegen te kunnen gaan?
Antwoord op vraag 11
Het wetsvoorstel ziet op informatievergaring ten behoeve van
openbare-ordehandhaving. Om georganiseerd seksueel geweld te bestrijden
is het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden passender dan de
bevoegdheden gericht op het aanpakken van verstoringen van de openbare
orde.
Wanneer sprake is van een concrete verdenking van een misdrijf (zoals een seksueel misdrijf), beschikken opsporingsinstanties reeds over verschillende bevoegdheden die digitale observatie in besloten digitale groepen mogelijk maken.
De politie beschikt op grond van artikel 3 Politiewet 2012 over de bevoegdheid voor kortdurende, niet-stelselmatige observaties. In geval van een concrete verdenking van een misdrijf, kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie.
[1] De Telegraaf, 4 juni 2026, Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd.
EMPACT staat voor European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats, en is een door Europol gecoördineerd EU-veiligheidsinitiatief. EMPACT verbindt lidstaten ten behoeve van een geïntegreerde aanpak in de strijd tegen zware en georganiseerde internationale criminaliteit. Online seksueel kindermisbruik/uitbuiting is een van de (sub)prioriteiten voor 2026-2029.↩︎
De Virtual Global Taskforce (VGT) is een internationale alliantie van opsporingsinstanties, niet-gouvernementele organisaties en partners uit de particuliere sector die zich inzetten voor de wereldwijde bestrijding van online seksueel misbruik en uitbuiting van kinderen.↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, 36800-VI-142.↩︎