Antwoord op vragen van het lid Van Duijvenvoorde over seksuele uitbuiting van minderjarigen
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D39697, datum: 2026-08-28, bijgewerkt: 2026-08-28 15:59, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Onderdeel van zaak 2026Z11814:
- Gericht aan: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2811
Antwoord van minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 augustus 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 2350
Vraag 1
Bent u bekend met de berichtgeving vanaf 21 mei 2026 over een lopend
politieonderzoek in het Duitse Neurenberg, waarbij de recherche een
speciale onderzoekscommissie genaamd "EKO Kajal" heeft ingesteld naar
aanleiding van signalen dat minderjarige meisjes — van wie het jongste
bekende slachtoffer dertien jaar oud is — rondom het centraal station
stelselmatig werden benaderd door een groep verdachten van voornamelijk
Syrische, Noord-Afrikaanse en Pakistaanse afkomst, afhankelijk werden
gemaakt van harddrugs zoals crystal meth en vervolgens seksueel werden
uitgebuit?
Antwoord op vraag 1
Ja
Vraag 2
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving, mede in het licht van de
grootschalige zaken in Rotherham en Rochdale, waarbij de dadergroepen
overwegend bestonden uit mannen van Pakistaanse afkomst en de
slachtoffers overwegend autochtone Britse meisjes waren — en waarbij de
officiële evaluatie (Jay Report, 2014) concludeerde dat autoriteiten
jarenlang hebben gefaald doordat zij de etnische achtergrond van de
dadergroepen niet durfden te benoemen — en deelt u de opvatting dat
onderzocht moet worden in hoeverre bij dergelijke zaken sprake is van
etnisch gemotiveerde selectie van slachtoffers?
Antwoord op vraag 2
Seksueel misbruik van minderjarigen is afschuwelijk; ieder slachtoffer van seksuele uitbuiting is er één te veel. Gelet op het feit dat het hier gaat om berichtgeving over individuele zaken die buiten Nederland spelen, ga ik op de berichten niet verder in. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor structureel etnisch gemotiveerde slachtofferselectie in Nederlandse zaken, daarom is een onderzoek gericht op etniciteit niet nodig.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat zaken als Rotherham en Rochdale enerzijds, en
de huidige zaak in Neurenberg anderzijds, een structureel patroon
laten zien waarbij kwetsbare minderjarigen door
georganiseerde groepen worden gerekruteerd, via alcohol, drugs of
intimidatie in een positie van afhankelijkheid en onmacht worden
gebracht en vervolgens stelselmatig seksueel worden misbruikt en
uitgebuit — en dat dit patroon zich doorgaans buiten het directe zicht
van politie, hulpverlening en lokale overheden afspeelt?’
Antwoord op vraag 3
Seksueel misbruik van minderjarigen is afschuwelijk. De situaties in Rotherham, Rochdale en Neurenberg spelen in verschillende landen. Het is niet aan mij om daar verdere uitspraken over te doen.
Voor de Nederlandse situatie geldt dat er geen vergelijkbare zaken bekend zijn van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen — waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet. De politie en het OM hebben wel onderzoeken gekend waarin minderjarige slachtoffers seksueel zijn uitgebuit door samenwerking van meerdere daders, maar er zijn geen aanwijzingen voor een structureel patroon. De politie is hier alert op en zal bij eventuele nadere signalen direct afwegen of opsporingsonderzoek geïndiceerd is.
Vraag 4
Beschikt u over signalen dat vergelijkbare vormen van
georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen — waarbij
drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt
ingezet — zich ook in Nederland voordoen? Zo ja, wat is hierover bekend?
Zo nee, op basis waarvan concludeert u dat dergelijke signalen
ontbreken, mede gelet op het feit dat de Nationaal Rapporteur
Mensenhandel in 2025 heeft gewaarschuwd voor infiltratie van criminele
netwerken in zorginstellingen?
Antwoord op vraag 4
Bij de politie zijn thans geen aanwijzingen bekend van vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet.
De waarschuwing van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel
Geweld tegen Kinderen (hierna: Nationaal Rapporteur) voor infiltratie
van criminele netwerken in zorginstellingen was mede aanleiding voor het
Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) om onderzoek te
doen naar ronselpraktijken binnen zorginstellingen. Uit dat onderzoek
volgt dat zorginstellingen vanwege de kwetsbaarheid van bewoners
aantrekkelijk kunnen zijn voor mensenhandelaren. Tot dusverre is in één
geval betrokkenheid van een medewerker vastgesteld. Ondanks de
resultaten uit dit onderzoek ben ik mij bewust van de signalen van
criminele infiltratie in zorginstellingen. We voeren binnen het
Actieplan Samen tegen mensenhandel daarnaast een pilot uit naar de
preventie van ronselen in beschermd en begeleid wonen. Dit is gericht op
het herkennen, bespreken en voorkomen van ronselen in zorginstellingen.
De eerste inzichten laten zien dat de aanpak professionals helpt bij het
signaleren en bespreekbaar maken van risico’s.
Vraag 5
Worden in Nederland gegevens bijgehouden over de mate waarin
minderjarige meisjes via drugs, schulden, afhankelijkheidsrelaties of
andere vormen van dwang in seksuele uitbuiting terechtkomen? Zo ja, wat
laten deze gegevens zien over de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom
niet, en acht u dit aanvaardbaar?
Antwoord op vraag 5
De politie registreert slachtoffers van uitbuiting die bij haar in beeld komen, waaronder minderjarige meisjes. De specifieke vorm van dwang waardoor zij in de uitbuitingssituatie terecht zijn gekomen (bijvoorbeeld drugs, schulden of afhankelijkheidsrelaties) wordt niet landelijk en uniform geregistreerd. Daar is vanuit het opsporingsbelang ook geen directe noodzaak toe, omdat voor minderjarigen het bestaan van dwang geen vereiste is om te komen tot strafbaarheid wegens mensenhandel.
Vraag 6
Kunt u aangeven in hoeveel zaken van seksuele uitbuiting of verkrachting
van minderjarigen de afgelopen vijf jaar sprake was van een
georganiseerd samenwerkingsverband van meerdere daders, en in hoeveel
zaken van een individuele dader?
Antwoord op vraag 6
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) houdt geen registratie bij van
het aantal zaken met betrekking tot seksuele uitbuiting van
minderjarigen waarin sprake was van een georganiseerd
samenwerkingsverband dan wel van individuele daders.
Vraag 7
In hoeverre beschikken politie, Openbaar Ministerie, gemeenten,
jeugdzorginstellingen en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel over
voldoende instrumenten om georganiseerde netwerken die minderjarigen
seksueel uitbuiten vroegtijdig te herkennen en te ontmantelen, en welke
knelpunten worden hierbij gesignaleerd?
Antwoord op vraag 7
De politie en het OM zijn primair verantwoordelijk voor het herkennen (politie) en het opsporen en vervolgen (OM) van verdachten van georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten. Gemeenten en jeugdzorginstellingen vervullen een cruciale signalerings- en meldfunctie richting ketenpartners. De Nationaal Rapporteur doet onafhankelijk onderzoek en adviseert het kabinet over verbeteringen in de aanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen.
De politie en het OM geven aan te beschikken over toereikende instrumenten om signalen van georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten tijdig te herkennen en te onderzoeken. Wanneer dergelijke netwerken in beeld komen, biedt het huidige wettelijke kader voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden.
Er wordt stevig geïnvesteerd in het versterken van de signalerings- en meldfunctie rond mensenhandel in brede zin, bij ketenpartners. Binnen het Actieplan Programma Samen tegen Mensenhandel is specifieke aandacht voor minderjarige slachtoffers via bewustwording en deskundigheidsbevordering, onder meer bij jeugdzorg, politie en het OM. Professionals worden ondersteund met een gratis e‑learning, maatwerktrainingen en de campagne “Jongeren zijn #GeenBuit” om signalen van mensenhandel bij jeugdigen tijdig te herkennen en ernaar te handelen. Ook wordt ingezet op het verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen lokale en regionale partners centraal, en de versterking van de regionale en bovenregionale samenwerking.
Vraag 8
Wordt in Nederland structureel onderzocht of bepaalde
groepen minderjarige meisjes een verhoogd risico lopen slachtoffer te
worden van deze vorm van uitbuiting — bijvoorbeeld meisjes uit
instabiele gezinssituaties, de jeugdzorg of de gesloten jeugdhulp — en
zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek?
Antwoord op vraag 8
Er zijn op dit moment geen signalen bekend bij de politie van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet. Gericht onderzoek op basis van politiedata naar deze concrete modus operandi is daardoor momenteel niet mogelijk.
Vraag 9
Beschikt u over gegevens omtrent de nationaliteit,
migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten die in Nederland
betrokken zijn bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen?
Zo ja, bent u bereid deze gegevens met de Kamer te delen? Zo nee, deelt
u de opvatting dat het ontbreken van deze registratie — gelet op de
uitdrukkelijke conclusie in het Britse Jay Report dat het niet benoemen
van de achtergrond van dadergroepen het ingrijpen heeft vertraagd en
slachtoffers heeft geschaad — zelf een beleidsrisico vormt dat correctie
behoeft?
Vraag 10
Indien gegevens over de achtergrond van daders bij georganiseerde
seksuele uitbuiting van minderjarigen niet structureel worden verzameld
of geanalyseerd, acht u het wenselijk hierin verandering te brengen,
zodat beter inzicht ontstaat in de aard, omvang en achtergrond van deze
ernstige vorm van criminaliteit en de aanpak daarop kan worden
afgestemd?
Antwoord op vragen 9 en 10
De politie en het OM registreren geen migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten. Indien bekend wordt de nationaliteit door de politie wel geregistreerd; deze gegevens worden gedeeld met de Nationaal Rapporteur en opgenomen in haar jaarbeeld. Bijzondere categorieën van politiegegevens mogen ook enkel door de politie en het OM verzameld en verwerkt worden indien dit noodzakelijk is voor het doel van de verwerking, i.c. de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Deze gegevens worden dan ook niet categorisch verwerkt, omdat de verwerking niet voor alle situaties noodzakelijk zal zijn. De Nationaal Rapporteur heeft de wettelijke taak om onderzoek te doen naar de aard en omvang van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen. Ook is het een wettelijke taak om onderzoek te doen naar de effecten van het huidige beleid op de aanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen en om de regering te adviseren over het voorkomen en bestrijden ervan. Ik laat me hierover dan ook adviseren door de Nationaal Rapporteur.
Vraag 11
Welke concrete lessen trekt u uit de zaken in Neurenberg, Rotherham,
Rochdale en vergelijkbare buitenlandse onderzoeken, en ziet u aanleiding
om de Nederlandse aanpak — inclusief het instrumentarium voor
vroegherkenning, registratie en vervolging — tegen het licht te
houden?
Antwoord op vraag 11
Het is niet aan ons om op basis van mediaberichten over buitenlandse
zaken conclusies te trekken of beleidslessen te formuleren.
Vraag 12
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van de aard en omvang van
georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen in Nederland,
inclusief de wijze waarop politie, Openbaar Ministerie en hulpverlening
dit monitoren en bestrijden, alsmede een beoordeling of het huidige
instrumentarium toereikend is?
Antwoord op vraag 12
De Nationaal Rapporteur rapporteert jaarlijks over de aard en omvang van seksuele uitbuiting, ook van minderjarigen. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 7 geven politie en OM aan voldoende uit de voeten te kunnen met het huidige instrumentarium.