[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Antwoord op vragen van het lid Coenradie over de verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D39723, datum: 2026-08-28, bijgewerkt: 2026-08-28 16:11, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z11815:

Preview document (🔗 origineel)


AH 2817

2026Z11815

Antwoord van minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 augustus 2026)

Vraag 1

Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?

Antwoord op vraag 1

De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) is gevraagd om informatie te verstrekken om

deze vraag te kunnen beantwoorden. De Rvdr heeft aangegeven dat in de voor

hun beschikbare managementinformatiesystemen geen gemiddelde straffen

worden genoemd. Wel kan een berekening worden gemaakt van een selectie

zaken. Omdat de genoemde delictscategorieën soms erg breed zijn en een

combinatie bevatten van zware feiten en minder zware feiten, is ervoor gekozen

om een overzicht te maken van de gemiddelde straffen van één of meerdere

vergelijkbare veelvoorkomende delictscategorieën over de jaren 2021-2025.

Het gaat om de navolgende delicten:

  • Moord, (gekwalificeerde) doodslag en doodslag met een terroristisch oogmerk (287 Wetboek van Strafrecht (Sr), 288 Sr, 288a Sr of 289 Sr)

  • Verkrachting (242 Sr bij pleegdatum vóór 1/7/2024 en 243 lid 2 Sr, 246 lid 2 Sr, 248 lid 2 Sr of 250lid 2 Sr bij pleegdatum vanaf 1/7/2024)

  • Wederrechtelijke vrijheidsberoving (282 Sr)

  • Zware mishandeling (302 Sr)

  • Deelneming aan terroristische organisatie (140a Sr)

Voor het merendeel van deze delicten geldt dat in het grootste deel van de 1-

feitszaken (dat wil zeggen zaken die slechts één bewezen feit omvatten) een

vrijheidsstraf is opgelegd, al dan niet in combinatie met een taakstraf, geldboete

en/of maatregel zoals bijvoorbeeld terbeschikkingstelling (TBS). Voor het delict

‘zware mishandeling’ geldt dat in ruim twee derde van de 1-feitszaken waarin

sprake is van een strafoplegging een vrijheidsstraf is opgelegd: in de meeste

zaken van het overige deel is een taakstraf (die bij jeugdigen en jongvolwassenen

kan bestaan uit een leerstraf en/of werkstraf volgens artikel 77h SR) opgelegd.

De rechter baseert de strafmaat vooral op de ernst van het specifieke feit,

vergelijkbare uitspraken en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het strafmaximum fungeert daarbij als uiterste grens en niet als uitgangspunt.

Ook de richtlijnen van het Openbaar Ministerie blijven onder de strafmaxima. De

hogere strafmaxima zijn in de praktijk voorbehouden aan de meest zware

gevallen.

Als bijlage is een overzicht bijgevoegd van de gemiddelde opgelegde vrijheidsstraf

(het onvoorwaardelijk en het voorwaardelijke deel samen) en van de opgelegde

TBS of Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ) voor deze delicten.

Hierbij volgt de toelichting bij de cijfers genoemd in het overzicht:

  • Deze cijfers zijn indicatief. Ze geven een zo goed mogelijke representatie op basis van de informatie die op dit moment beschikbaar is uit de voor de Rechtspraak beschikbare management informatiesystemen.

  • Het genoemde jaar betreft het jaar van afdoening door de rechtbank.

  • Zowel zaken met een volwassen als met een minderjarige veroordeelde zijn meegenomen in de analyse.

  • Ten aanzien van sommige zaken geldt dat in de tabel meer artikelen worden genoemd (zowel bij moord, (gekwalificeerde) doodslag en doodslag met een terroristisch oogmerk, als bij verkrachting). Daarvoor geldt dat per zaak is gekeken of één of meer van de genoemde wetsartikelen door de rechtbank in eerste aanleg bewezen is verklaard in combinatie met de oplegging van een straf. Voor de zaken waarin één artikel wordt genoemd (wederrechtelijke vrijheidsbeneming, zware mishandeling en deelneming aan een terroristische organisatie) geldt hetzelfde, met het verschil dat het daar steeds om één artikel gaat.

  • Deze cijfers hebben betrekking op het grondfeit. Voor zover dat juridisch mogelijk is, kan het daarbij zowel gaan om voorbereiding van het grondfeit, poging tot het grondfeit of het voltooide grondfeit. Daarnaast kan – voor zover dat juridisch mogelijk is – (ook) sprake zijn van deelneming aan het grondfeit (medeplegen, medeplichtigheid, uitlokking of doen plegen van het grondfeit). Ook kan sprake zijn van samenloop tussen feiten. Hierdoor is er geen betrouwbare informatie uit de voor de Rechtspraak beschikbare managementinformatiesystemen te halen ten aanzien van de toepasselijke wettelijke maximumstraf in een concrete zaak. Daarvoor is jurisprudentieonderzoek nodig.

  • In de voor de Rechtspraak beschikbare management informatiesystemen is het onderscheid tussen zaken waarin moord bewezen is verklaard en zaken waarin doodslag bewezen is verklaard niet betrouwbaar geregistreerd. We leveren daarom de zaken over moord en doodslag samen.

  • Voor het bepalen van de gemiddeld opgelegde straf zijn alleen 1-feitszaken meegenomen. Hierdoor is zeker te stellen dat de opgelegde straf enkel is opgelegd voor het gedefinieerde feit, en niet (mede) bepaald wordt door andere feiten in de zaak.

  • In het overzicht worden cijfers over de opgelegde vrijheidsstraf getoond. Naast vrijheidsstraffen kunnen in een zaak ook taakstraffen, geldboetes en/of maatregelen zoals bijvoorbeeld TBS zijn opgelegd.

  • De opgelegde vrijheidsstraf betreft zowel het voorwaardelijk als onvoorwaardelijk opgelegde deel. De gemiddelde vrijheidsstraffen betreffen alleen de vrijheidsstraffen met een opgelegde duur, dus levenslange gevangenisstraffen zijn hierin niet meegenomen. In het aantal zaken waarin een vrijheidsstraf is opgelegd, worden zaken waarin levenslange gevangenisstraffen zijn opgelegd wel meegeteld. Voor levenslange gevangenisstraffen geldt voor de onderzochte periode (2021-2025) voor de 1-feitszaken moord, gekwalificeerde doodslag en doodslag met terroristisch oogmerk dat levenslang minder dan 5 keer is opgelegd door de rechtbank.

  • Alleen zaken met een eindvonnis ‘strafoplegging’ zijn meegenomen. Er kunnen bij zaken met eindvonnis ‘ontslag van alle rechtsvervolging’ een TBS of PIJ zijn opgelegd. Deze zaken zijn niet opgenomen in het overzicht.

  • Aantallen zijn afgerond op vijftallen. Vanwege de geringe aantallen per jaar, zijn de gegevens over zaken over ‘Deelneming aan terroristische organisatie’ samengevoegd voor de geanalyseerde periode.

Tot slot merkt de Rvdr bij het aanleveren van het overzicht over de opgelegde

straffen per delict in zijn algemeenheid op dat de informatie over de straffen in

relatie tot de maximumstraf geen betrouwbare informatie oplevert en daarom ook

niet in het overzicht is opgenomen.

Vraag 2

Kunt u aangeven welk percentage van de bij het Openbaar Ministerie aangebrachte geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht uiteindelijk heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per delictscategorie en per jaar uitsplitsen?

Antwoord op vraag 2

Deze informatie is bij zowel het Openbaar Ministerie als bij de Raad voor de rechtspraak niet beschikbaar waardoor ik daar geen antwoord op kan geven.

Vraag 3

Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?

Antwoord op vraag 3

Met verwijzing naar het op antwoord 1, beperkt de aangeleverde informatie door de Rvdr zich tot een gemiddelde straf per delict. Deze cijfers in het

aangeleverde overzicht hebben betrekking op het grondfeit. Voor zover dat

juridisch mogelijk is, kan het daarbij zowel gaan om voorbereiding van het

grondfeit, poging tot het grondfeit of het voltooide grondfeit. Daarnaast kan –

voor zover dat juridisch mogelijk is – (ook) sprake zijn van deelneming aan het

grondfeit (medeplegen, medeplichtigheid, uitlokking of doen plegen van het

grondfeit). Ook kan sprake zijn van samenloop tussen feiten. Hierdoor is er geen

betrouwbare informatie uit de beschikbare managementinformatiesystemen te

halen ten aanzien van de toepasselijke wettelijke maximumstraf in een concrete zaak.

Vraag 4

Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?

Antwoord op vraag 4

Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 1 en 3 kan op deze vraag geen antwoord worden gegeven.

Vraag 5

Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?

Antwoord op vraag 5

De strafeis per individuele strafzaak of per delictscategorie wordt door het Openbaar Ministerie niet geregistreerd.

Vraag 6

Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?

Antwoord op vraag 6

Met verwijzing naar het antwoord op vraag 5, is de gevraagde informatie over het gemiddelde verschil tussen de strafeis en de opgelegde straf niet beschikbaar. Daarom kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.

Vraag 7

Kunt u voor geweldsdelicten tegen hulpverleners inzichtelijk maken wat in de afgelopen vijf jaar de gemiddelde strafeis van het Openbaar Ministerie was, wat de gemiddelde uiteindelijk opgelegde straf was en hoe groot de afwijking daartussen gemiddeld was, zowel in absolute zin als percentage van de strafeis?

Antwoord op vraag 7

Met verwijzing naar het antwoord op vragen 1 en 5, is de gevraagde informatie bij geweldsdelicten tegen hulpverleners niet beschikbaar en kan daarom geen antwoord worden gegeven op deze vraag.

Vraag 8

Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?

Antwoord op vraag 8

Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 5 en 6, kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.

Vraag 9

Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?

Antwoord op vraag 9

Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 1 en 3, kan geen antwoord worden gegeven op deze vraag.

Vraag 10

Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?


Antwoord op vraag 10

De verhouding tussen de opgelegde straffen en de wettelijke strafmaxima wordt zowel door het ministerie, als het Openbaar Ministerie en de Raad voor de rechtspraak niet structureel bijgehouden. In het licht van het antwoord op vraag 1, kan met de beschikbare informatie uit de managementinformatiesystemen geen voldoende betrouwbaar en compleet beeld worden gegeven met betrekking tot het bewezenverklaarde feit in relatie tot de opgelegde straf en/of maatregel. Ook ontstaat daardoor geen voldoende betrouwbaar beeld over de van toepassing zijnde maximumstraf in een concrete zaak en kan dus ook de vraag hoe de opgelegde straf zich verhoudt tot die maximumstraf niet worden beantwoord. Wat de maximumstraf is in een concrete zaak hangt – zoals in het antwoord op vraag 1 besproken – van zoveel factoren af dat het verwerken van deze informatie in de managementinformatiesystemen een intensief en complex traject zal zijn – los

van of het technisch haalbaar is.

Vraag 11

Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 11

Het WODC-onderzoek ‘Strafverzwaring in samenhang’ biedt mede door middel van jurisprudentieonderzoek inzichten in de mate waarin verhogingen van wettelijke strafmaxima doorwerken in de rechterlijke straftoemeting.1 Daarmee bestaat voor een aantal delicten reeds een beeld van de betekenis van strafmaxima in de rechterlijke straftoemetingspraktijk.

De onderzoekers concluderen dat de uitdaging ligt in het ontwikkelen van beter

onderbouwde en consistent toegepaste straftoemetingskaders. De wetgever kan

volgens de onderzoekers wettelijke strafmaatverhogingen beter onderbouwen en

de rechterlijke macht (rechtspraak en het Openbaar Ministerie) zou de

onderbouwing van de straftoemetingsrichtlijnen kunnen verbeteren.

Aanvullend inzicht in de verhouding tussen wettelijke strafmaxima, de

strafvorderingsrichtlijnen van het OM en de oriëntatiepunten van de rechtspraak

kan evenwel bijdragen aan een beter begrip van de wijze waarop deze factoren

zich tot elkaar verhouden. Tegen deze achtergrond ben ik in gesprek met het OM

en de Rechtspraak over het versterken van de onderbouwing van de wettelijke

strafmaatverhogingen, de straftoemetingsrichtlijnen van het OM en de rechtspraak

en over de doorwerking van de wettelijke verhogingen. Ik informeer u hierover

nader in de tweede helft van 2026.

Bijlage: Overzicht gemiddelde opgelegde vrijheidsstraffen


  1. Kamerstukken II 2025/26, 29279, nr. 1013.↩