De aanpak van strategische afhankelijkheden en de verwerking van kritieke grondstoffen.
Schriftelijke vragen
Nummer: 2026D39846, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-08-31 12:47, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Krijg melding als deze vragen beantwoord worden:
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.B. Lohman, Tweede Kamerlid (CDA)
- Mede ondertekenaar: J.G.L.M. Bühler, Tweede Kamerlid (CDA)
Onderdeel van zaak 2026Z17449:
- Gericht aan: H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
- Gericht aan: S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
(ingezonden 31 augustus 2026)
Vragen van de leden Lohman en Bühler (beiden CDA) aan de ministers van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van Economische Zaken en Klimaat over de aanpak van strategische afhankelijkheden en de verwerking van kritieke grondstoffen.
Bent u bekend met het rapport "Strategisch handelen. Beleid voor een geopolitieke economie" van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) van 25 augustus 2026, en met de constatering daarin dat de vitale afhankelijkheden van Europa niet kleiner worden maar eerder groter?
Kunt u, los van de nog te verschijnen kabinetsreactie op dit rapport, aangeven hoe de Nederlandse en Europese afhankelijkheid op het gebied van kritieke grondstoffen en clean tech zich feitelijk heeft ontwikkeld sinds de vaststelling van de China-strategie en de strategie voor economische veiligheid? Kunt u dat met cijfers onderbouwen, en aangeven of die afhankelijkheid in absolute zin is toegenomen of afgenomen?
Gegeven dat de WRR benadrukt dat Nederland scherper moet kiezen welke economische activiteiten strategisch relevant zijn, welke chemische ketens, basischemicaliën en verwerkingsstappen beschouwt het kabinet als strategisch relevant voor Nederland en Europa, en op basis van welke criteria wordt die keuze gemaakt?
Deelt u de opvatting dat strategische autonomie niet alleen gaat over toegang tot kritieke grondstoffen, maar ook over de capaciteit om deze grondstoffen in Europa te raffineren, chemisch te verwerken en toe te passen in halfgeleiders, batterijen, defensietechnologie, medische producten en andere vitale waardeketens? Zo ja, welke beleidsconsequenties verbindt u daaraan?
Wordt bij afbouw of verduurzaming van bestaande chemische productie expliciet getoetst of daarmee strategische afhankelijkheden ontstaan of toenemen? Zo ja, hoe gebeurt dat; zo nee, is het kabinet bereid zo’n strategische toets in te voeren?
Kunt u aangeven welk deel van het in Chili en Argentinië gewonnen lithium en koper in China wordt geraffineerd en verwerkt, en welk deel in de Europese Unie? Deelt u de constatering dat verwerking zich concentreert in China omdat de kosten daar kunstmatig laag worden gehouden, en niet omdat daar sprake is van een natuurlijk kostenvoordeel?
Kunt u aangeven wat de huidige status is van het EU-Mercosur-akkoord en het interim-handelsakkoord tussen de Europese Unie en Chili, en welke onderdelen daarvan op dit moment daadwerkelijk worden toegepast? Kunt u daarnaast per grondstoffenpartnerschap of memorandum dat de Europese Unie met Chili en Argentinië heeft gesloten aangeven welke concrete resultaten sinds inwerkingtreding zijn geboekt, uitgedrukt in investeringsbesluiten, gezamenlijke projecten of verwerkingscapaciteit die daadwerkelijk in aanbouw of in bedrijf is, en welke resultaten zijn uitgebleven?
Hoeveel tijd verstrijkt gemiddeld tussen het sluiten van een dergelijke afspraak en het moment waarop daadwerkelijk in verwerkingscapaciteit wordt geïnvesteerd? Hoe verhoudt dat tempo zich tot de snelheid waarmee Chinese partijen in dezelfde landen tot investeringsbesluiten komen?
Herkent u het beeld, dat naar voren kwam tijdens het recente werkbezoek van de Kamerdelegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan Chili en Argentinië, dat deze landen de Europese Unie graag als derde partner naast de Verenigde Staten en China zouden zien, maar in de praktijk aanlopen tegen trage procedures, langdurige besluitvorming en een omvangrijk pakket aan voorwaarden? Zo nee, waarop baseert u dat?
Ligt Nederland op koers ten opzichte van de doelen uit de Critical Raw Materials Act? Welke strategische projecten op het gebied van raffinage en verwerking zijn in Nederland in voorbereiding of in uitvoering, en welke investeringsbesluiten zijn daarover het afgelopen jaar daadwerkelijk genomen?
Hoeveel Europese handelsbeschermingsonderzoeken lopen er op dit moment die voor de Nederlandse industrie van belang zijn, en wat is de gemiddelde doorlooptijd tussen het indienen van een klacht en het opleggen van definitieve maatregelen? Deelt u de constatering dat maatregelen daardoor vaak te laat komen, zoals eerder gebeurde bij zonnepanelen, waar de Europese sector al was verdwenen op het moment dat de tarieven er kwamen?
Welke instrumenten heeft Nederland zelf, los van de exclusief Europese bevoegdheid op het gebied van tarieven, om strategische afhankelijkheden te verkleinen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op aanbestedingsvoorwaarden, investeringstoetsing en de inzet van nationale middelen, en aangeven hoe vaak deze instrumenten de afgelopen twee jaar daadwerkelijk zijn toegepast?
Bij welke Europese voorstellen voor steviger optreden op handelsgebied heeft Nederland het afgelopen jaar terughoudendheid bepleit, en op welke gronden? Bent u bereid die opstelling tegen het licht te houden nu de WRR concludeert dat niets doen eveneens een hoge prijs kent?
Welke gevolgen hebben de Chinese antidumpingheffingen op Europees varkensvlees en zuivel gehad voor de Nederlandse export, en hoe weegt het kabinet dit soort tegenmaatregelen mee bij zijn positiebepaling over toekomstige Europese maatregelen? Welke opvang is er voor sectoren die als vergelding worden geraakt?
Hoe weegt het kabinet de recente escalatie van het handelsconflict tussen de Verenigde Staten en Canada, en de oproep van premier Carney tot samenwerking tussen middenmachten? Welke concrete stappen zet Nederland richting landen als Canada, Japan, Zuid-Korea en de Zuid-Amerikaanse grondstoffenlanden?
Wanneer ontvangt de Kamer de kabinetsreactie op het WRR-rapport, en kunt u toezeggen dat deze voor de begrotingsbehandeling naar de Kamer komt?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden, en daarbij niet volstaan met een verwijzing naar de nog te verschijnen kabinetsreactie, aangezien de vragen zien op feiten en op de uitvoering van staand beleid?