Memorie van toelichting
Wijziging van de Kadasterwet in verband met het verduidelijken van de inschrijvingseisen van registerverklaringen, het regelen van een grondslag voor de geautomatiseerde verwerking van aktes, het regelen van de verplichting voor de bewaarder om voortaan stukken in te schrijven die gesteld zijn in een vreemde of de Friese taal en een aantal andere wijzigingen (Verzamelwijziging Kadasterwet)
Memorie van toelichting
Nummer: 2026D39902, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-09-01 14:44, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Onderdeel van zaak 2026Z17472:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-09-02 14:29 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-09-02 14:29 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Besluit)
- 2026-09-02 14:29: Aanvang aansluitend aan de beëdiging: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-08 16:30: Procedurevergadering Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Preview document (🔗 origineel)
37 000 Wijziging van de Kadasterwet in verband met het verduidelijken van de inschrijvingseisen van registerverklaringen, het regelen van een grondslag voor de geautomatiseerde verwerking van aktes, het regelen van de verplichting voor de bewaarder om voortaan stukken in te schrijven die gesteld zijn in een vreemde of de Friese taal en een aantal andere wijzigingen (Verzamelwijziging Kadasterwet)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
I. Algemeen deel
1. Inleiding
Het onderhavige wetsvoorstel is erop gericht een aantal onderdelen
van de Kadasterwet te repareren, te verbeteren en te actualiseren. Het
doel van de verbetering en actualisering betreft het voorkomen van
fouten, het tegengaan van onduidelijkheden, het bevorderen van het
internationale rechtsverkeer en het verminderen van de administratieve
lasten voor partijen betrokken in de keten. Zo tracht het wetsvoorstel
onduidelijkheden weg te nemen in relatie tot de context voor het
inroepen van het recht op herstel van een gegeven in de Basisregistratie
Kadaster (BRK) door belanghebbenden en scherpt het eisen aan bij de
inschrijving van rechtsfeiten en rechtshandelingen in de BRK. In
rechtszaken en uit de praktijk is namelijk gebleken dat de eerdere
formulering van de bepalingen met betrekking tot deze onderwerpen in de
Kadasterwet voor onduidelijkheid heeft gezorgd.
Actualisaties die met dit wetsvoorstel worden doorgevoerd betreffen
bijvoorbeeld het invoegen van een grondslag ten behoeve van het
geautomatiseerd verwerken van akten in de BRK en de mogelijkheid van het
inschrijven van stukken in een buitenlandse taal. Digitale
ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat geautomatiseerde verwerking van
stukken ter inschrijving in de BRK tegenwoordig op betrouwbare wijze kan
worden gerealiseerd. Geautomatiseerde verwerking leidt tot betere
integratie van de processen van partners in de vastgoedketen, is qua
inschrijvingstarief goedkoper voor de partijen die overgaan tot
inschrijving van stukken en leidt tot minder fouten in de bijwerking.
Uit de praktijk is bovendien gebleken dat door geautomatiseerde
verwerking achteraf minder verbeteringen in de registratie hoeven te
worden doorgevoerd door de Dienst voor het kadaster en de openbare
registers (hierna: de Dienst)1. De positieve ervaringen
die zijn opgedaan in de praktijk met geautomatiseerde verwerking worden
daarom met dit wetsvoorstel bestendigd. Door het toegenomen
rechtsverkeer met internationale partijen is daarnaast gebleken dat
vaker stukken in een buitenlandse taal worden aangeboden bij de Dienst.
Ter bevordering van het internationale rechtsverkeer is daarom besloten
om een nieuwe verplichting voor de Dienst in te voeren om voortaan ook
stukken in een buitenlandse taal in te schrijven.
Door de aard van de wijzigingen hebben deze veelal tot gevolg dat
naar verwachting de administratieve lasten voor de Dienst en de partijen
in de uitvoeringspraktijk, met name de partijen in de vastgoedketen
(notarissen, deurwaarders en rechthebbenden) zullen verminderen.
Onderdelen die naar verwachting bij zullen dragen aan de kwaliteit van
de gegevens in de BRK, zoals het geautomatiseerde verwerken van akten
waardoor minder fouten worden gemaakt bij de bijwerking, dragen
daarnaast naar verwachting ook bij aan het verminderen van
administratieve lasten voor notarissen, overheidsorganisaties en
bestuursorganen omdat zij dan minder onjuistheden terug hoeven te
melden.
Dit wetsvoorstel voldoet aan de criteria voor een verzamelwet
(Aanwijzing 6.4 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). De samenhang
van de onderdelen is daarin gelegen dat het allen actualisaties
betreffen van de Kadasterwet, die niet van een omvang en complexiteit
zijn waardoor een afzonderlijk wetsvoorstel gerechtvaardigd zou zijn
voor losse onderdelen daarbinnen, en het is op voorhand niet de
verwachting dat één van de onderdelen dermate politiek omstreden is dat
een goede parlementaire behandeling van andere onderdelen in het geding
zou kunnen komen.
Hieronder in hoofdstuk 2 worden de verschillende wijzigingen en nut en noodzaak daarvan kort inhoudelijk beschreven. Zie de artikelsgewijze toelichting voor een uitgebreidere toelichting.
2. Inhoud van het voorstel
De voorstellen tot wijziging van de Kadasterwet kunnen in verschillende categorieën worden onderverdeeld qua onderwerp, namelijk:
Herstel onduidelijke bewoordingen
Herstel foutieve verwijzingen
Inschrijving stukken buitenlandse en de Friese taal
Geautomatiseerde inschrijving
Verduidelijking inschrijvingseisen registerverklaringen
Informatie ter oriëntatie kadastrale kaart
Onduidelijkheid omtrent kadastrale grens
Verdere verwerking met oogmerk verstrekken aan derden
Deze onderwerpen worden hierna verder inhoudelijk
beschreven.
2.1 Herstel onduidelijke bewoordingen
De wijziging van artikel 7t van de Kadasterwet herstelt onduidelijke bewoordingen. De huidige formulering wekt de indruk dat bij verdenkingen van mogelijke fouten in de BRK op elk moment gereageerd kan worden. Beoogd is echter dat een verzoek tot herstel als bedoeld in artikel 7t van de Kadasterwet alleen mogelijk is als het in de BRK opgenomen gegeven verschilt van het gegeven in het brondocument omdat dit onjuist of onvolledig is overgenomen. Het gaat dan om de situatie dat sprake is van een kennelijke misslag. Dit is een door de Dienst gemaakte fout bij het overnemen van het gegeven, waardoor het gegeven in de basisregistratie kadaster niet overeenkomt met het gegeven in het brondocument. Artikel 7t is samen met artikel 7s ontstaan uit de artikelen 112 tot en met 114 (oud) van de Kadasterwet. Deze artikelen zijn op 1 januari 2008, bij de invoering van de basisregistratie kadaster, komen te vervallen. De artikelen 112 tot en met 114 (oud) boden belanghebbenden de mogelijkheid om in de gevallen waarin bij de bijwerking van de kadastrale registratie, inclusief de registers voor schepen en luchtvaartuigen, door de Dienst kennelijke misslagen waren begaan, een verzoek te doen tot herstel van deze misslagen. Een zodanig verzoek kon zich alleen richten tegen het feit dat de bijwerking zelf onjuist of onvolledig was geschied en niet tegen het resultaat van de bijwerking. Abusievelijk is bij het herformuleren van de oude artikelen een onduidelijke formulering opgenomen in artikel 7t.
De huidige formulering heeft geleid tot diverse rechtszaken2 waarbij de belanghebbende de bewaarder verzocht om toepassing te geven aan artikel 7t, eerste lid, terwijl feitelijk geen sprake was van een dergelijk onjuist of onvolledig overnemen en de rechter om die reden heeft geoordeeld dat artikel 7t, eerste lid, niet van toepassing was. Om verdere rechtszaken en dus deze onnodige belasting van de rechterlijke macht te voorkomen wordt artikel 7t, eerste lid, opnieuw geformuleerd zodat wordt aangesloten bij de oorspronkelijke bedoeling van de artikelen die zagen op de kennelijke misslag, om een belanghebbende de mogelijkheid te bieden om (enkel) bij een onjuist of onvolledig overnemen van de gegevens uit het brondocument in de BRK bij de bewaarder een verzoek tot herstel in te dienen. Deze wijziging laat de mogelijkheid van een belanghebbende om tegen het resultaat van de bijwerking bezwaar te maken, onverlet. Artikel 7t gaat namelijk niet over dat recht op het maken van bezwaar tegen het resultaat van een bijwerking. Daarover gaan artikelen 7r en 56b van de Kadasterwet.
Deze wijziging voorkomt mogelijk onnodige administratieve kosten bij de Dienst en andere betrokken partijen, omdat het afwijzen van een verzoek voortaan op grond van een duidelijke wettelijke grondslag plaatsvindt, waardoor eventuele nieuwe juridische procedures hierover zouden kunnen worden voorkomen.
Gelet op het aantal ‘artikel 7t-zaken’ over 2021 (40) en 2022 (35) kan naar inschatting ongeveer 1/3 deel daarvan voorkomen worden door het verduidelijken van het artikel. In 2021 werden namelijk 15 van deze zaken onterecht op artikel 7t gebaseerd en in 2022 waren dat er 11.
2.2 Herstel foutieve verwijzingen
In artikel 7u staat een onjuiste verwijzing naar artikel 48, tweede lid, onderdeel e, inzake publiekrechtelijke beperkingen, en deze is abusievelijk niet geschrapt bij de eerdere aanpassing van artikel 7f, tweede lid, waarin de authentieke gegevens in de BRK worden vastgesteld.
In artikel 58, derde lid, staan verwijzingen naar diverse wetten die al enige tijd geleden of inmiddels zijn vervallen. De Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, de Landinrichtingswet en de Reconstructiewet concentratiegebieden zijn in 2007, 2010 respectievelijk 2014 vervallen en op basis van die wetten is het niet meer mogelijk om een akte van toedeling of ruilakte ter inschrijving aan te bieden. De Wet inrichting landelijk gebied is per 1 januari 2024 vervallen en opgegaan in de Omgevingswet. Dientengevolge dient in artikel 58, derde lid, verwezen te worden naar de herverkavelingsakte als bedoeld in artikel 16.136 van de Omgevingswet.
2.3 Inschrijven stukken buitenlandse taal
Door het toenemende rechtsverkeer met internationaal opererende
cliënten, worden steeds meer akten in een buitenlandse taal opgemaakt.
Hieruit volgt dat het steeds belangrijker wordt dat ook buiten de
Nederlandse landsgrenzen de betekenis en strekking van
rechtshandelingen, die op basis van ons nationale recht plaatsvinden,
worden begrepen. Vanuit de praktijk leeft daarom de wens dat deze
stukken in de originele taal worden ingeschreven in de openbare
registers. De wijziging leidt ertoe dat ook stukken die in een vreemde
of de Friese taal zijn opgesteld (samen met een letterlijke Nederlandse
vertaling, in de vorm van een akte in het Nederlands), in de openbare
registers ingeschreven worden. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan wensen
van klanten van de Dienst. De dienstverlening wordt hiermee verbeterd en
uitgebreid. Er is voor gekozen om één uniforme nieuwe regeling te maken
voor alle stukken waarvoor een vertaling wordt verlangd (te weten
stukken in een vreemde taal of in de Friese taal), daarom wordt de
nieuwe werkwijze ook voor de stukken die in de Friese taal zijn gesteld
gevolgd.
De inschrijving van stukken in een vreemde of de Friese taal bevordert
de begrijpelijkheid en toegankelijkheid van stukken voor het
internationale rechtsverkeer en daarmee ook het rechtsverkeer in
Nederland. Ook het Nederlandse rechtsverkeer zal er immers baat bij
hebben dat partijen die de Nederlandse taal niet machtig zijn sneller en
met meer zekerheid kunnen handelen op grond van het ingeschreven stuk in
een vreemde of de Friese taal.
Net als nu het geval is blijft de Nederlandse akte leidend in geval van
interpretatieverschillen, waardoor de rechtszekerheid door deze
wijziging niet negatief wordt beïnvloed.
Om de documenten in de openbare registers toegankelijk en begrijpelijk
te houden voor eenieder die de registers raadpleegt, maar tevens ook om
geen onderscheid te maken tussen de documenten die in een vreemde of de
Friese taal worden aangeboden en de Europese verklaring van erfrecht,
wordt ook bij de inschrijving van een dergelijke verklaring een
vertaling verlangd.
Daarnaast wordt op verzoek van de notariële rechtspraktijk het eerste lid gewijzigd zodat daarin geregeld wordt dat bij de aanbieding van een Nederlands stuk waarin de akte in de Friese of een vreemde taal is opgenomen, een Nederlandse vertaling kan worden toegevoegd of wel door een beëdigd vertaler, of wel door de notaris, waarbij de notaris aangeeft dat deze vertaling overeenstemt met de tekst in het Fries of in de vreemde taal. Het komt regelmatig voor dat partijen in een andere taal hebben gecontracteerd, bijvoorbeeld omdat een van de partijen in het buitenland is gevestigd. Wanneer er gecontracteerd is over de koop/verkoop van onroerend goed, dan dient een notariële akte te worden opgesteld waarin de notaris in de akte ook de partijbedoelingen weergeeft. Uit de notariële praktijk blijkt dat er kantoren zijn die dermate gespecialiseerd zijn in buitenlandse akten, dat zij ook de verantwoordelijkheid voor een juiste (volledige) vertaling in de Nederlandse taal op zich kunnen nemen. Het ook in die gevallen vasthouden aan de eis van een vertaling door een beëdigde vertaler zou een onnodige administratieve last betekenen. Wel zal de notaris dan expliciet de verantwoordelijkheid voor de vertaling moeten nemen door zelf te verklaren dat de vertaling overeenstemt met het stuk in de buitenlandse taal. Overigens is deze werkwijze niet anders dan nu wordt gehanteerd voor akten die in de Friese taal zijn gesteld. Daarvoor was al op basis van het eerste lid van artikel 41 reeds mogelijk dat de notaris de Nederlandse vertaling kon opstellen.
Overigens kan het ook wenselijk zijn om in de Nederlandse tekst van de akte een passage op te nemen in een vreemde taal omdat die passage de bedoeling van partijen exact weergeeft. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een ontbindende voorwaarde waaronder partijen de koop/verkoop zijn aangegaan. In een dergelijke situatie waarin de tekstpassage in de vreemde taal slechts een ondergeschikt gedeelte is van de totale tekst van de verder in de Nederlandse taal opgestelde akte, kan nog steeds worden volstaan met een Nederlandse vertaling van de passage in de vreemde taal, door de inzet van een beëdigd vertaler, dan wel door partijen of door de notaris opgestelde Nederlandse vertaling van die tekstpassage in de akte. Als partijen of de notaris de Nederlandse tekst verzorgen, dan is dat onder de voorwaarde dat de notaris in de akte verklaart dat de vertaling overeenstemt met de tekst in de vreemde of de Friese taal.
Dankzij deze wijziging zullen de administratieve lasten voor de
Dienst dalen omdat het weigeren van stukken met daarin de Friese of
buitenlandse teksten en de daarmee gepaard gaande administratieve
procedures, niet meer plaats hoeven te vinden. Inschrijving van
dergelijke stukken leidt niet tot een ander inschrijftarief noch tot
extra IT-lasten. De dienstverlening aan bedrijven en professionals
verbetert omdat stukken in de Friese of in een vreemde taal, of met
Friese of tekstdelen in een vreemde taal, niet meer geweigerd hoeven te
worden.
Overigens staat deze wijziging los van de introductie van de
mogelijkheid om een gewaarmerkt afschrift van een Europese
erfrechtverklaring in te schrijven als bedoeld in artikel 27a van de
Kadasterwet. Deze mogelijkheid tot inschrijving van een dergelijke
verklaring is een uitvloeisel van artikel 62, eerste lid, van de
verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van
4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de
erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en
de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van
erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese
erfrechtverklaring (PbEU 2012, L 201). Bij inschrijving van een Europese
erfrechtverklaring is het eveneens verplicht om een Nederlandse
vertaling door een beëdigd vertaler mee in te schrijven. De verordening
regelt immers niet (of: wijzigt niet) onder welke wettelijke voorwaarden
en op welke wijze de registratie moet plaatsvinden van een recht van de
erflater op de (onroerende) zaken uit de nalatenschap die in het ter
inschrijving aangeboden document staan vermeld. In overweging 18 van de
verordening staat hierover:
(…) In het bijzonder dient de op grond van deze verordening afgegeven Europese erfrechtverklaring een geldig document te vormen voor de inschrijving van de goederen van de nalatenschap in het register van een lidstaat. Dit laat onverlet dat de bij de registratie betrokken autoriteiten de persoon die om registratie verzoekt, kunnen vragen om zodanige aanvullende informatie te verstrekken of zodanige aanvullende stukken over te leggen, als vereist onder het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden, zoals gegevens of documenten in verband met de betaling van belastingen. (…).
2.4 Geautomatiseerde inschrijving
Deze actualisatie van de wetgeving volgt de ICT-ontwikkelingen die het mogelijk maken dat sommige stukken volledig geautomatiseerd worden ingeschreven in de openbare registers. De geautomatiseerde inschrijving leidt tot betere integratie van de processen van partners in de vastgoedketen. Daarnaast worden hierdoor minder fouten gemaakt bij de bijwerking waardoor er achteraf ook minder verbeterd hoeft te worden in de registratie. Door het geautomatiseerd verwerken van akten kan het inschrijvingstarief lager vastgesteld worden. Kortom, deze wijziging leidt tot betere, efficiëntere en goedkopere dienstverlening door de Dienst.
De Dienst heeft hiertoe een systematiek ontwikkeld, waarbij de elektronisch ter inschrijving aangeboden stukken geheel geautomatiseerd worden verwerkt op basis van vooraf, door de bewaarder goedgekeurde modeldocumenten.
Op grond van een in 2006 gesloten convenant tussen de Dienst en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: KNB) is een specifieke systematiek ontwikkeld, die sinds 2009 ook wordt gebruikt. Hierbij is geen sprake van een ‘uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit’, wat verboden is op grond van artikel 22 van de Algemene verordening gegevensbescherming. Er is immers altijd sprake van menselijke tussenkomst, in de persoon van de notaris, die het beoogde rechtsgevolg invoert. Dit neemt niet weg dat het wenselijk is om de geautomatiseerde verwerking wettelijk te regelen in en op grond van de Kadasterwet zodat de wetgeving aansluit bij de (digitale) uitvoeringspraktijk van de Dienst en de notarissen, hetgeen hier wordt voorgesteld.
De door de Dienst ontwikkelde systematiek houdt geen materiële wijziging in van taak, functie, verantwoordelijkheden en mogelijke aansprakelijkheid van de notaris en de Dienst. De notaris is en blijft verantwoordelijk voor de juistheid en de vormgeving van de akte en voor het afgeven van afschriften. Het oordeel of, en zo ja hoe de bijwerking in de basisregistratie kadaster door een akte plaatsvindt, is en blijft de verantwoordelijkheid van de Dienst. Voor fouten of onregelmatigheden die bij de bijwerking van de basisregistratie kadaster worden gemaakt, is en blijft de Dienst primair verantwoordelijk en aansprakelijk.
Dit onderdeel in het wetsvoorstel betreft dus een betere wettelijke
borging van de bestaande situatie. Inhoudelijk wijzigt er niets aan de
bestaande verantwoordelijkheden of aansprakelijkheden tussen de Dienst
en de notaris.
De meeste elektronisch ter inschrijving aangeboden stukken, die
automatisch kunnen worden verwerkt, bestaan uit twee delen, te
weten:
a. een vast (eerste) deel (modeldocument) mét elektronisch mutatiebestand dat geautomatiseerd kan worden verwerkt en waarin alle voor de bijwerking van de basisregistratie van belang zijnde feiten en rechtshandelingen zijn opgenomen (het zogeheten gestandaardiseerde deel van de akte), en
b. een vrij (tweede) deel dat door de notaris vrij geredigeerd kan worden, maar waarin geen voor de bijwerking van de registratie van belang zijnde feiten en rechtshandelingen mogen worden opgenomen.
Overigens bestaan er ook elektronisch aangeboden stukken zonder vrij
(tweede) deel. Dit is het geval bij doorhalingen, registerverklaring
koop en verklaring van erfrecht. Ook is het denkbaar dat in de toekomst
nog andere mogelijke varianten ontstaan, die het mogelijk kunnen maken
om andere typen stukken in te schrijven die nu nog handmatig moeten
worden ingeschreven.
Het gebruik van modeldocumenten is noodzakelijk om de juistheid van de
afdoening van akten en daarmee de rechtszekerheid geautomatiseerd te
kunnen waarborgen. Als de notaris bij de elektronische akte het
modeldocument met elektronisch mutatiebestand meelevert, kan het
geautomatiseerde systeem van de Dienst controleren of het modeldocument
ongewijzigd is gebruikt en daarmee geautomatiseerd vaststellen welke
gegevens op welke wijze in de basisregistratie kadaster moeten worden
opgenomen. De bijwerking geschiedt dus ook geautomatiseerd.
Bijhouding van de basisregistratie kadaster vindt plaats op grond van het gehele stuk dat elektronisch voor geautomatiseerde verwerking ter inschrijving is aangeboden. Voor vergissingen, verzuimen of andere onregelmatigheden die gemaakt zijn bij het bijwerken van de basisregistratie kadaster, is de Dienst aansprakelijk op grond van artikel 117, derde lid, van de Kadasterwet. Een derde zal de Dienst voor eventuele schade dan ook kunnen aanspreken op grond van voornoemde wetsbepaling.
Met een notaris die gebruik wil maken van modeldocumenten wordt evenwel een overeenkomst gesloten waarin door de notaris aansprakelijkheid wordt aanvaard jegens de Dienst, ingeval de Dienst aansprakelijk wordt gesteld door een derde op grond van artikel 117, derde lid, van de Kadasterwet. De Dienst heeft derhalve een contractueel regresrecht jegens de notaris indien de notaris in het vrije deel van het stuk abusievelijk toch feiten of rechtshandelingen heeft opgenomen, die niet in de basisregistratie kadaster zijn verwerkt waardoor schade voor derden is ontstaan. Voor betrokkenen die schade ondervinden blijft de Dienst echter op grond van artikel 117 van de Kadasterwet het aanspreekpunt.
De invoering van het gebruik van modeldocumenten (in de praktijk ook wel: ‘stylesheets’ genoemd) maakt onderdeel uit van het programma Ketenintegratie Inschrijving Kadaster (KIK).
Vanaf 2009 zijn de eerste ervaringen opgedaan met het gebruik van
modeldocumenten voor relatief eenvoudige akten. Op basis van de
ervaringen van notarissen en het Kadaster zijn in de loop van de tijd
aanpassingen doorgevoerd in de modeldocumenten en zijn de verschillende
soorten akten, die geautomatiseerd verwerkt kunnen worden, uitgebreid.
Geconstateerd is ook dat een aantal akten niet (eenvoudig) in
modeldocumenten is vorm te geven. Deze akten zijn dusdanig complex dat
handmatige verwerking ervan noodzakelijk blijft. Medio 2023 ligt het
percentage akten dat geheel geautomatiseerd verwerkt kan worden op circa
45%. Gelet op dit deel van de akten dat op genoemde wijze door de Dienst
kan worden verwerkt, is het wenselijk om geautomatiseerde verwerking van
akten in de Kadasterwet vast te leggen.
Deze wijziging vergt investeringen in ICT die bij de Dienst reeds
langjarig zijn voorzien. Doordat optimalisering van het inschrijfproces
plaatsvindt en de bijwerking van de BRK geautomatiseerd kan plaatsvinden
levert dit onderdeel ook baten op voor de Dienst. Deze baten bestaan uit
minder personeelsinzet voor het ‘vertoetsen’ (handmatig verwerken) van
akten. Bij een percentage van ongeveer 45% van de akten die
geautomatiseerd verwerkt kunnen worden per jaar, scheelt dat ongeveer 68
fte, wat qua personeelskosten ongeveer 5,5 miljoen euro bedraagt.
Daarnaast levert het ook baten op omdat hierdoor minder fouten worden
gemaakt die achteraf hersteld dienen te worden.
De voorgestelde wijziging leidt tot betere en goedkopere dienstverlening aan bedrijven en professionals (waaronder een lager inschrijftarief) en verbetering van de keten. Door akten geautomatiseerd te verwerken wordt ingeschat dat aan de kant van het notariaat, bedrijven en burgers ongeveer 10 miljoen euro per jaar bespaard wordt. Deze inschatting is gebaseerd op het aantal akten en tarieven in 2023, bij een percentage van 45% akten die geautomatiseerd verwerkt kunnen worden (zie kader hieronder).
Voorbeeld hypotheekakten
Op basis van artikel 2 van de Tarievenregeling Kadaster, golden in 2023
voor een hypotheekakte in beginsel de volgende tarieven:
Aangeleverd in papieren vorm: € 163,50
Elektronisch aangeleverd, handmatig verwerkt: € 137,50
Elektronisch aangeleverd en geautomatiseerd verwerkt € 78,50
Afgelopen jaar zijn ongeveer 300.000 hypotheekakten ingeschreven (excl. BES). Omdat in papieren vorm nauwelijks meer wordt aangeleverd, kan gesteld worden dat hiervan 45% geautomatiseerd is verwerkt (zijnde: 135.000 stuks), waarvoor dus een lager tarief is betaald (€ 137,50 - € 78,50 = € 59,00), dan wanneer deze niet geautomatiseerd zouden zijn verwerkt. Dit is bijna 8 miljoen Euro (135.000 x € 59,00) dat voor dit typen akten minder aan inschrijftarief is betaald (= ‘uitgespaard’).
Voorbeeld overige akten
Naast hypotheekakten zijn in 2023 ca. 400.000 (excl. BES) overige akten ingeschreven. Afhankelijk van welk type akte is de besparing per akte bij geautomatiseerde verwerking lager (resp. € 26,50 of € 10,30 lager, volgens artikel 2 van de Tarievenregeling Kadaster zoals deze gold in 2023). Uitgaand van 45% geautomatiseerde verwerking, dan zouden van de overige akten ca. 180.000 geautomatiseerd verwerkt kunnen zijn in 2023 en dan is er tussen de 4,8 miljoen – 1,9 miljoen euro minder aan inschrijftarieven voldaan omdat deze akten volledig geautomatiseerd verwerkt konden worden.
2.5 Verduidelijking inschrijvingseisen registerverklaringen
Uit vragen die vanuit de praktijk zijn gesteld aan de Dienst en uit
overleg met de KNB is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de
interpretatie van de artikelen 26, 30, 34 en 36 in relatie tot artikel
37 van de Kadasterwet. Welke eisen gelden er nu precies voor de
inschrijving van de daar bedoelde rechtshandelingen en rechtsfeiten?
In het onderhavige wetsvoorstel worden deze inschrijvingseisen
verduidelijkt, hetgeen naar verwachting een beperking van de
administratieve lasten zal opleveren voor de notaris en de burgers en
bedrijven die klant zijn van de notaris en de Dienst omdat minder
onjuiste of onvolledige verzoeken tot inschrijving bij de Dienst zullen
worden gedaan, waardoor geen contact met de notaris nodig is en direct
tot inschrijving kan worden overgegaan.
Over deze wijzigingen heeft reeds in het voorbereidingstraject van dit
wetsvoorstel afstemming plaatsgevonden met de KNB.
2.6 Informatie ter oriëntatie kadastrale kaart
In de huidige kadastrale kaart is een voorstelling van de omtrek van hoofd- of bijgebouwen opgenomen als (vast) onderdeel van de kadastrale kaart. Dit is vastgelegd in artikel 48, derde lid, onderdeel d, van de Kadasterwet. De omtrek van hoofd- en bijgebouwen wordt overgenomen uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie (hierna: BGT). De liggingen van de weergaves van kadastrale grenzen enerzijds en van de omtrek van hoofd- en bijgebouwen anderzijds zijn op de kaart aan elkaar aangepast om een logisch beeld te krijgen. In artikel I, onderdeel M van dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de weergave van de omtrek van gebouwen in de kadastrale kaart te schrappen.
Door de omtrek van hoofd- en bijgebouwen, als vast onderdeel van de
kadastrale kaart eruit te halen, zal na inwerkintreding van dit
wetsvoorstel geen aanpassing meer van de weergave van de kadastrale
grenzen in relatie tot de omtrek van gebouwen, plaatsvinden. Dit levert
een efficiënter en accurater vernieuwings- en bijhoudingsproces op van
de kadastrale kaart, omdat er geen aanpassingen aan de weergave van de
kadastrale grenzen hoeven te worden gedaan. De weergaves van de
kadastrale grenzen op de kaart zullen accurater worden, hetgeen baten
oplevert voor gebruikers van de kaart.
Dat geldt dus voor vernieuwings- en bijhoudingsprocedures na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Bij de informatieverstrekking zal
op verzoek informatie over de ligging van gebouwen worden verstrekt
omdat dit nodig kan zijn ter oriëntatie op de kadastrale kaart. Zo zal
de kadastrale kaart gecombineerd worden met de Basisregistratie
grootschalige topografie (hierna ook wel: BGT) waarin de omtrekken van
hoofd- en bijgebouwen staan vermeld die op basis van de voor de BGT
geldende specificaties worden ingewonnen en afgebeeld. Het opvragen van
deze aanvullende informatie zal voor de gebruiker gemakkelijk en
laagdrempelig toegankelijk worden gemaakt, en het zal geen aanvullende
kosten opleveren.
Op termijn is het dus mogelijk dat bij de informatieverstrekking de
omtrek van een gebouw visueel (deels) buiten een op de kadastrale kaart
weergegeven grens komt te liggen. Dit is echter een gevolg van de
combinatie van twee verschillende kaartlagen (te weten de kadastrale
kaart en de BGT), met verschillende specificaties, die niet meer in één
kaart(beeld) worden ingepast. Dat lijkt in zekere zin nadelig te zijn,
maar het is een bewuste keuze, in het belang van een accuratere weergave
van de kadastrale grenzen op de kadastrale kaart. Bovendien is de
visualisatie van de omtrek van gebouwen ‘slechts’ bedoeld voor een goede
oriëntatie op de kadastrale kaart en dus niet om een zo nauwkeurig
mogelijke weergave te geven van de ligging van de kadastrale grenzen ten
opzichte van (de omtrek van) gebouwen.
Voor de Dienst zullen het schrappen van de omtrek van hoofd- en bijgebouwen als vast onderdeel van de BRK en het op verzoek toevoegen van informatie ter oriëntatie op de kadastrale kaart per saldo kostenneutraal uitvallen. Het inpassen van de kadastrale grenzen aan de omtrek van hoofd -en bijgebouwen uit de BGT is een handeling die niet meer hoeft plaats te vinden. Hier staat tegenover dat er een optionele kaartlaag (BGT) beschikbaar gesteld wordt op verzoek.
Dit verzoek zal door de afnemer van de gegevens met weinig moeite kunnen worden gedaan. Het opvragen van deze aanvullende informatie zal namelijk voor de gebruiker laagdrempelig toegankelijk worden gemaakt, en het zal geen aanvullende kosten opleveren.
2.7 Onduidelijkheid wie kadastrale grens aanwijst
Het is noodzakelijk om bij een splitsing of samenvoeging van een
perceel op verzoek van een eigenaar of beperkt gerechtigde, te
verduidelijken wie de grens kan aanwijzen indien dit naar het oordeel
van de Dienst noodzakelijk is. In de huidige praktijk bestaat hier
onduidelijkheid over en dat levert, vaak onnodige, vertraging op in het
bijhoudingsproces. Met de verduidelijking die is opgenomen in artikel I,
onderdeel O, verloopt het bijhoudingsproces efficiënter en verbetert de
dienstverlening aan klanten. Dit vermindert de administratieve lasten
voor de Dienst doordat naar verwachting het proces van aanwijzing
eenvoudiger en efficiënter kan verlopen en achteraf minder correcties
hoeven worden doorgevoerd.
Het wetsvoorstel beperkt ook de lasten voor eigenaren die niet meer
hoeven te worden gehoord als er een verzoek tot bijhouding door een
beperkt gerechtigde wordt gedaan op grond van artikel 73, tweede lid, en
ook worden lasten beperkt voor andere belanghebbenden dan de verzoeker
tot een splitsing of samenvoeging van percelen die ingevolge de
voorgestelde wijziging van artikel 73, derde lid, niet meer worden
opgeroepen voor het verstrekken van inlichtingen ter plaatse. Zie de
artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel Q, voor een nadere
toelichting.
2.8 Voorwaarden aan verdere verwerking van persoonsgegevens met
oogmerk te verstrekken aan derden
In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld (in artikel I, onderdeel U)
wettelijk te verankeren dat er, naast de reeds bestaande contractuele
voorwaarden, bij algemene maatregel van bestuur nadere voorwaarden
worden gesteld aan de verstrekking van persoonsgegevens uit de BRK en de
openbare registers aan ondernemingen die deze verwerken in producten met
het oogmerk deze te verstrekken aan derden. Deze voorwaarden zijn
gericht op het waarborgen van een rechtmatige en betrouwbare verwerking
van de persoonsgegevens door de onderneming. De betreffende
ondernemingen worden in de praktijk vaak geduid met de term
‘resellers’.
Tot de taken van de Dienst behoren het verstrekken van
inlichtingen over gegevens die de Dienst heeft gekregen in het
kader van de uitvoering van zijn taken, zoals het houden van de openbare
registers, het houden en bijwerken van de BRK en de registraties voor
schepen en luchtvaartuigen (artikel 3, eerste lid, onderdeel i, van de
wet) én het bevorderen van de toegankelijkheid en de
uitwisselbaarheid van de hiervoor genoemde gegevens (artikel 3,
eerste lid, onderdeel j, van de wet).
Het uitvoeren van genoemde taken, inclusief de daarvoor te verwerken
persoonsgegevens, dient verenigbaar te zijn met de doeleinden, genoemd
in artikel 2a van de wet. Bepaalde afnemers van de Dienst verwerken de
door de Dienst verstrekte gegevens in afgeleide producten met het doel
deze producten aan te bieden aan derden. Voorbeelden van dergelijke
producten zijn het 1-op-1 doorleveren van informatieproducten van de
Dienst. De afnemer treedt hierbij op als een tussenschakel in de
informatieketen naar de eindgebruiker. De toegevoegde waarde van deze
afnemer zit in de wijze waarop de Kadastergegevens toegankelijk worden
gemaakt of de integratie van de gegevens in gebruikersapplicaties van de
eindgebruiker. Zo zijn er notariële softwareleveranciers die
Kadastergegevens in het softwarepakket van een notaris integreren,
waardoor de notaris efficiënter zijn werkzaamheden kan uitvoeren bij het
opstellen van in te schrijven stukken. Een ander voorbeeld is het
leveren van informatieproducten door afnemers op basis van afgeleide of
samengestelde Kadastergegevens. De Dienst verstrekt dan bepaalde
elementen van gegevens (zg. ‘halffabricaten’, zoals transactiedata) die
in combinatie met andere (niet van de Dienst afkomstige) data worden
gebruikt in de professionele vastgoedmarkt. De toegevoegde waarde van
dit type afnemers is dat zij hierdoor gespecialiseerde
informatieproducten voor onder meer taxateurs kunnen aanbieden, die niet
door de Dienst worden aangeboden.
Dit type afgeleide producten bieden een toegevoegde waarde in het kader
van de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen en bevorderen
van economische activiteiten op de vastgoedmarkt én deze producten
worden niet door de Dienst aangeboden.
De Dienst voert reeds een doelbindingstoets uit ten aanzien van de
verstrekking van persoonsgegevens aan dergelijke partijen die van de BRK
en de openbare registers afgeleide producten aanbieden, vanuit zijn rol
als verwerkingsverantwoordelijke, en stelt contractuele voorwaarden.
Door de nieuwe grondslag uit te werken op het niveau van de algemene
maatregel van bestuur zullen daarnaast door de regering voorwaarden
worden gesteld teneinde een zorgvuldigere verdere verwerking van
persoonsgegevens te waarborgen.
Naar aanleiding van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens is het
artikel aangevuld met een uitwerking van de door de Autoriteit
Persoonsgegevens omschreven erkenningsregeling, in een nieuw tweede,
derde en vierde lid van artikel 107d. De Autoriteit Persoonsgegevens
ziet in dat afgeleide producten en diensten bij kunnen dragen aan de
doelstelling van de Kadasterwet. De verstrekking van persoonsgegevens
door het Kadaster ten behoeve van die producten en diensten is dan op
zichzelf in overeenstemming met de doeleinden van de Kadasterwet zodat
van onverenigbare verdere verwerking door het Kadaster geen sprake hoeft
te zijn.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft echter in haar advies aangegeven
dat het verstrekken van persoonsgegevens aan deze ondernemingen in
strijd is met hoger recht, tenzij de betrouwbaarheid van de verwerking
van de persoonsgegevens door de onderneming voorafgaand aan het
verstrekken daarvan wordt getoetst. Het hoger recht dat de Autoriteit
Persoonsgegevens bedoelt betreft het bestaan van passende waarborgen bij
een verdere verwerking van persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 6,
vierde lid, aanhef en onderdeel e, van de Algemene verordening
gegevensbescherming (hierna: AVG). De Autoriteit Persoonsgegevens
oordeelt dat een dergelijke waarborg nog ontbrak en dient te worden
opgenomen in de vorm van een betrouwbaarheidstoets (of
‘erkenningsregeling’).
Op basis van het tweede lid van artikel 107d zal de Dienst daarom een
toets uitvoeren en op basis van het derde en vierde lid van artikel 107d
zal vervolgens ook periodiek een herhaalde controle plaatsvinden (welke
een herhaling inhoud van een deel van de oorspronkelijke toets, hetgeen
bij algemene maatregel van bestuur nader wordt uitgewerkt). Zie
paragraaf 8.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting
voor meer informatie over het advies van de Autoriteit
Persoonsgegevens.
De toets van de Dienst ziet erop of de beoogde verwerking van de
verstrekte persoonsgegevens door de onderneming aan een aantal
voorwaarden voldoet. De dienst zal daarvoor toetsen aan een vijftal
eisen waarvan de eerste is opgenomen in dit wetsvoorstel, terwijl eis
twee tot en met vier zullen worden opgenomen in de algemene maatregel
van bestuur. De vijfde eis tenslotte betreft de uitvoeringssfeer van de
Dienst, die voor de goede uitvoering van de door de Autoriteit
Persoonsgegevens gevraagde erkenningsregeling voortaan het recht op
controle (in de praktijk ook bekend als de ‘right to audit’) zal opnemen
in overeenkomsten met de ondernemingen.
Inhoudelijk betreft het de volgende eisen:
Doelbinding: de onderneming gebruikt de persoonsgegevens voor het product zoals afgesproken in de overeenkomst. Initieel toetst de Dienst deze beoogde verwerking bij het aangaan van de overeenkomst, dit is de bestaande situatie. Nieuw is de jaarlijkse verklaring van de onderneming dat persoonsgegevens niet voor andere doelen worden gebruikt. Dit leidt tot beperkte (extra) kosten voor de onderneming (enkele uren op jaarbasis). De onderneming dient de beoogde verwerking van de verstrekte persoonsgegevens goed en volledig te omschrijven, en zal jaarlijks moeten verklaren dat die omschrijving nog steeds volstaat en overeenkomt met wat de Dienst en de onderneming bij het aangaan van de overeenkomst zijn overeengekomen.
Betrouwbaarheid en veiligheid: de Dienst toetst of de onderneming geen banden heeft met landen met een offensief cyberprogramma. De beperkte kosten hiervoor zijn voor de Dienst.
Geen strafbare feiten rechtspersoon: via het overleggen van een VOG Rechtspersoon door de onderneming bij het aangaan van de overeenkomst. Hiermee wordt verzekerd dat er geen strafbare feiten gepleegd zijn die een risico vormen voor het gebruik van persoonsgegevens door de onderneming. Dit leidt tot eenmalige kosten van ongeveer € 200 voor de onderneming.
Informatiebeveiliging: passende, risico-gebaseerde technische en organisatorische maatregelen door de onderneming zijn noodzakelijk om de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van kadasterinformatie te waarborgen. Hiervoor moet een actuele ISO-27001 certificering of aantoonbaar gelijkwaardig certificaat overlegd worden door de onderneming. De kosten voor de onderneming bedragen initieel € 5000 - € 20.000 (afhankelijk van scope en de huidige stand van informatiebeveiliging bij het bedrijf) en jaarlijks € 2000 - € 5000.
Opnemen recht op controle (‘right to audit’) in overeenkomsten. Bij vermoedens van misbruik of overtreding van de gebruiksvoorwaarden door de onderneming of diens afnemers kan de Dienst een audit laten uitvoeren. Kosten van de audit komen voor rekening van de onderneming als onregelmatigheden worden geconstateerd, anders voor rekening van de Dienst. Zoals hiervoor aangegeven zal het recht op controle worden opgenomen in de overeenkomsten, niet in een voorwaarde in de algemene maatregel van bestuur.
De nieuwe voorwaarden zullen, zoals hierboven ook wordt uiteengezet, lasten opleveren voor de betrokken ondernemingen, met name de eis met betrekking tot informatiebeveiliging. Het gaat momenteel om in totaal 23 ondernemingen die mogelijk te maken krijgen met de aangescherpte eisen en lasten.
Bij het formuleren van de voorwaarden is inspiratie opgedaan bij de voorwaarden die de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) stelt aan serviceproviders. De eis van de ISO-27001 certificering of aantoonbaar gelijkwaardig certificaat is hieraan ontleend. De overige voorwaarden zijn niet overgenomen, hetgeen voornamelijk ermee samenhangt dat de relatie tussen de KvK, serviceproviders en uiteindelijke afnemer en gebruiker verschilt van de relatie tussen de Dienst, de in artikel 107d bedoelde ondernemingen en diens uiteindelijke afnemers en gebruikers. De serviceprovider van de KvK vraagt namelijk gegevens op namens zijn klant en biedt niet een eigen product aan zoals de hier bedoelde ondernemingen dat doen.
Gezien de strekking van het advies van de Autoriteit
Persoonsgegevens, bij ongewijzigde vaststelling is sprake van strijd met
hoger recht (te weten het ontbreken van passende waarborgen als bedoeld
in artikel 6, vierde lid, aanhef en onderdeel e, van de AVG), is het
noodzakelijk om invulling te geven aan een erkenningsregeling. Met de
voorgestelde eisen is de balans gezocht tussen het beperken van risico’s
enerzijds en het beperken van extra lasten voor ondernemingen
anderzijds. Hierbij is meegewogen dat gelet op de lastenverzwaring aan
de kant van de ondernemingen er geen extra tarief voor het toetsen van
de betrouwbaarheid door de Dienst in rekening wordt gebracht. Er zijn
alternatieve maatregelen overwogen die tot aanzienlijk zwaardere lasten
zouden hebben geleid. Het gaat hierbij om het vragen van een
assuranceverklaring van ondernemingen (hetgeen is vervangen door een
eigen verklaring en een recht op controle voor de Dienst) en de eis wat
betreft rollenscheiding (zie paragraaf 8.6 voor nadere
toelichting).
Daarnaast wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld (in artikel I, onderdeel
T) om een grondslag op te nemen op grond waarvan de Dienst (algemene)
voorwaarden mag stellen bij het verstrekken van inlichtingen uit de
openbare registers, de registraties en de bescheiden bedoeld in artikel
50 van de Kadasterwet. De Dienst stelt momenteel al voorwaarden bij het
verstrekken van producten en diensten uit de openbare registers en de
(basis)registraties, maar in de praktijk wordt regelmatig door afnemers
in twijfel getrokken of dergelijke voorwaarden mogen worden gesteld door
de Dienst. Het wordt op basis van deze publiekrechtelijk grondslag
duidelijk geregeld dat de Dienst dergelijke privaatrechtelijke
voorwaarden kan opleggen. Dergelijke voorwaarden zien bijvoorbeeld op
betalings- en aansprakelijkheidsvoorwaarden. Het gaat niet om
voorwaarden die een beperking zouden kunnen zijn op het beginsel van de
openbaarheid van de gegevens en de raadpleegbaarheid daarvan voor
eenieder.
Producten en diensten uit de openbare registers en de registraties bevatten doorgaans persoonsgegevens die direct herleidbaar zijn tot personen. Dit is noodzakelijk voor de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen (verkoop woning of verstrekken hypotheek) of ter uitvoering van publiekrechtelijke taken (zoals belastingheffing of ruimtelijke ordening ). Het kader van de Wet hergebruik van overheidsinformatie, waaronder de mogelijkheid van het stellen van voorwaarden op grond van artikel 6 van die wet is daardoor niet toepasbaar. Daarom wordt voorgesteld een dergelijke grondslag op te nemen in de Kadasterwet. De Dienst zal bij het stellen van voorwaarden op deze grondslag erop zien dat die voorwaarden evenredig en gerechtvaardigd zijn gelet op de doeleinden van de Dienst. Bij het verstrekken van inlichtingen die geen persoonsgegevens bevatten zal de Dienst voldoen aan de eisen van de Wet hergebruik van overheidsinformatie.
3. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving
3.1 Algemene verordening gegevensbescherming
Ten aanzien van de wijzigingen die zien op de
geautomatiseerde inschrijving van aktes, is geen sprake van een
‘uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit’, wat
verboden is op grond van artikel 22, eerste lid, van de AVG. Er is
immers altijd sprake van menselijke tussenkomst, in de persoon van de
notaris, die de beoogde rechtsgevolgen zelf in de modeltekst opneemt.
Dit neemt niet weg dat het wenselijk is om de geautomatiseerde
verwerking wettelijk te regelen in en op grond van de Kadasterwet zodat
de wetgeving aansluit bij de (digitale) uitvoeringspraktijk van de
Dienst en de notarissen, hetgeen in dit wetsvoorstel wordt
voorgesteld.
Verder heeft de wijziging die hierboven in paragraaf 2.8 is
toegelicht ook een raakvlak met de AVG omdat er wordt voorgesteld een
grondslag op te nemen op grond waarvan op het niveau van de algemene
maatregel van bestuur specifieke voorwaarden worden gesteld omtrent
gegevensverwerking. De voorwaarden zijn gericht op het waarborgen van
een zorgvuldigere verdere verwerking van persoonsgegevens.
3.2 Datagovernanceverordening
De door de VNG ingediende consultatiereactie heeft inzichtelijk gemaakt
dat het goed is om de verhouding tussen het voorgestelde artikel 107d en
Hoofdstuk II van de Verordening (EU) 2022/868 van het Europees Parlement
en de Raad van 30 mei 2022 betreffende Europese datagovernance en tot
wijziging van Verordening (EU) 2018/1724 (hierna:
Datagovernanceverordening) toe te lichten.
Hoofdstuk II van de Datagovernanceverordening ziet op het door openbare
lichamen onder voorwaarden toegang te verlenen tot bepaalde
gegevenscategorieën met het oog op hergebruik. Aan het toestaan van dat
hergebruik kunnen voorwaarden worden gesteld. In de
Datagovernanceverordening wordt hergebruik als volgt gedefinieerd in
artikel 2, tweede lid: “het gebruik van gegevens die in het bezit zijn
van openbare lichamen door natuurlijke of rechtspersonen, voor andere
commerciële of niet-commerciële doeleinden dan het oorspronkelijk doel
binnen de openbare taak waarvoor de gegevens zijn geproduceerd, met
uitzondering van de uitwisseling van gegevens tussen openbare lichamen
uitsluitend met het oog op de vervulling van hun openbare taken.”
Het voorgestelde artikel 107d beoogt géén hergebruik van de door de
Dienst te verstrekken inlichtingen, maar biedt een grondslag om op het
niveau van de algemene maatregel van bestuur voorwaarden te stellen
teneinde een zorgvuldigere verdere verwerking van
persoonsgegevens te waarborgen. De verwerking door ondernemingen van de
door de Dienst verstrekte inlichtingen dient verenigbaar te zijn met de
doeleinden van artikel 2a van de Kadasterwet.
Met het voorgestelde artikel 107d en de daaraan verbonden voorwaarde dat
de door de Dienst verstrekte inlichtingen alleen worden verstrekt aan
een onderneming als de door de onderneming beoogde verwerking van de te
verstrekken inlichtingen verenigbaar is met de doeleinden, genoemd in
artikel 2a, houdt derhalve geen hergebruik in als bedoeld in Hoofdstuk
II van de Datagovernanceverordening.
3.3 Dienstenrichtlijn
De in artikel 107d en de op grond van het eerste en vierde lid van
dat artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur bevatten
voorwaarden die kwalificeren onder artikel 16, tweede lid, onderdeel b,
van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van
12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. Het zou
daarmee eisen betreffen die een niet toegestane beperking op het vrije
verkeer van diensten opleveren en in principe genotificeerd dienen te
worden bij de Europese Commissie. Echter, in artikel 17, derde lid, van
die richtlijn is bepaald dat artikel 16 niet van toepassing is op
aangelegenheden die vallen onder Richtlijn 95/46/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens
en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Genoemde richtlijn
betreft de voorganger van de Algemene Verordening Gegevensbescherming
(Verordening EU 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27
april 2016).
Omdat artikel 107d en de onderliggende algemene maatregel van bestuur
gericht zijn op het waarborgen van een rechtmatige en betrouwbare
verwerking van persoonsgegevens, is artikel 16 niet van toepassing en is
er dus geen sprake van eisen die een niet toegestane beperking op het
vrije verkeer van diensten opleveren en is er ook geen sprake van een
notificatieverplichting.
3.4 Wet hergebruik van overheidsinformatie
De Wet hergebruik van overheidsinformatie (hierna: Who) is erop
gericht om de openheid en het hergebruik van gegevens, die door
organisaties met een publieke taak worden beheerd, te verbeteren.
Artikel I, onderdelen T en U, van dit wetsvoorstel, bevatten grondslagen
voor het stellen van voorwaarden met betrekking tot het verstrekken van
gegevens door de Dienst, waardoor het goed is de verhouding van deze
onderdelen met de Who nader toe te lichten.
De Who is op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van die wet,
in beginsel niet van toepassing op persoonsgegevens in bij of krachtens
de wet ingestelde registers voor zover deze openbaar toegankelijk zijn.
Onderdeel U ziet op het stellen van nadere voorwaarden met betrekking
tot de verwerking van persoonsgegevens en daarmee is de Who niet van
toepassing op onderdeel U.
Onderdeel T ziet op het toevoegen van een grondslag voor het stellen van (privaatrechtelijke) algemene voorwaarden en heeft daarmee een breder bereik, waardoor de Dienst er zorg voor moet dragen dat de gestelde voorwaarden die geen betrekking hebben op persoonsgegevens voldoen aan de Who. Zie met name artikel 6 van de Who, met beperkingen die gelden met betrekking tot het stellen van dergelijke voorwaarden.
3.5 Algemene wet bestuursrecht
Bij al dan niet geautomatiseerde bijhouding van de BRK ontvangt de
belanghebbende een kennisgeving met het resultaat van de bijhouding.
Tegen de bijhouding kan, indien gewenst, de belanghebbende in bezwaar en
beroep gaan. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift
zes weken. Die termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht aan met ingang van de dag na die waarop
het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Die
bekendmaking geschiedt op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht door toezending of uitreiking aan de
belanghebbenden. De kennisgeving is dan ook de bekendmaking van het
resultaat van de bijhouding en dient enkel om de dag te bepalen waarop
de termijn om bezwaar te maken tegen de bijhouding aanvangt.3
Verder ontstaat er in dit wetsvoorstel een nieuwe bezwaarmogelijkheid, namelijk met betrekking tot het nieuwe artikel 107d, specifiek het tweede lid. De Dienst moet voorafgaand aan het verstrekken van inlichtingen aan de in dat artikel bedoelde ondernemingen een toets uitvoeren om vast te stellen of de inlichtingen aan die onderneming mogen worden verstrekt. De beslissing die de Dienst neemt is een appellabel besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar mogelijk is.
4. Gevolgen
4.1. Algemeen
De verschillende onderdelen van dit wetsvoorstel betreffen verschillende onderwerpen binnen de Kadasterwet. De gevolgen lopen daardoor uiteen, maar in het algemeen geldt dat de aard van de wijzingen zodanig is dat alle betrokkenen profiteren. Een deel van de wijzigingen draagt bij aan het verminderen van administratieve lasten voor de partijen in de vastgoedketen, direct of indirect profiteren ook burgers hiervan.
4.2. Gevolgen voor de Dienst
Over het algemeen zijn de extra kosten voor de Dienst beperkt en
kunnen binnen de bestaande budgetten worden opgevangen. Een aantal
wijzingen zouden mogelijk tot minder kosten kunnen leiden, bijvoorbeeld
omdat het herstel van onduidelijke bewoordingen zou kunnen leiden tot
minder rechtszaken.
De gevolgen per relevant onderdeel zijn omwille van de duidelijkheid al
in hoofdstuk 2 opgenomen.
4.3. Gevolgen
voor burgers, bedrijven en professionals
Burgers, bedrijven en professionals profiteren over het algemeen van de voorgestelde wijzigingen, met uitzondering van voorwaarden aan verdere verwerking van persoonsgegevens met oogmerk verstrekken aan derden, hetgeen lasten oplevert voor een aantal bedrijven. De gevolgen per relevant onderdeel zijn omwille van de duidelijkheid al in hoofdstuk 2 opgenomen.
4.4 Gevolgen voor de rechterlijke macht
Noemenswaardig in dit verband is de wijziging van artikel 7t, eerste lid. Deze verduidelijking kan mogelijk onnodige rechtszaken in de toekomst voorkomen en daarmee de werklast voor de rechterlijke macht verlichten. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel A van dit wetsvoorstel voor een nadere toelichting.
4.5 Financiële gevolgen voor
het Rijk
Er zijn geen financiële gevolgen voor het Rijk.
4.6 Financiële
gevolgen voor decentrale overheden
Dit wetsvoorstel heeft geen direct meetbare financiële gevolgen voor decentrale overheden. Indirect worden er wel enkele baten verwacht, doordat de kwaliteit van de BRK verhoogd wordt, zullen bestuursorganen naar verwachting namelijk minder onjuiste gegevens hoeven terug te melden. Dit leidt waarschijnlijk tot een lastenverlichting.
5. Uitvoering, toezicht en handhaving
Normen in de Kadasterwet zijn gericht tot gebruikers van de diensten van het Kadaster maar bevatten ook verplichtingen voor de Dienst. De Dienst ziet toe op de naleving van de normen die gericht zijn tot de gebruikers van het Kadaster. De Dienst wordt gecontroleerd door en bijgestaan met advies van de raad van toezicht op grond van artikel 12, eerste lid, van de Organisatiewet Kadaster.
Het nieuw voorgestelde artikel 107d ziet op de (verdere) verwerking van persoonsgegevens en ligt daarom op het terrein waar de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op houdt.
Het wetsvoorstel is in goed overleg met de Dienst opgesteld. Alle
wijzigingen betreffen wijzigingen die door de Dienst gewenst zijn en
uitgevoerd kunnen worden.
6. Inwerkingtreding
Dit wetsvoorstel treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip. Er is terugwerkende kracht geregeld voor artikel I,
onderdeel M, eerste lid, en artikel II. Zie de artikelsgewijze
toelichting bij artikel I, onderdeel M, onder het kopje ‘toevoeging
nieuw onderdeel l aan het tweede lid van artikel 48’, voor de
onderbouwing daarvan.
Ten slotte is bepaald dat er een afwijkend tijdstip van inwerkingtreding
kan worden geregeld in het koninklijk besluit voor artikel I, onderdeel
U. Voor wat betreft dat tijdstip van inwerkingtreding zal rekening
worden gehouden met een reële benodigde voorbereidingstijd voor de
betreffende ondernemingen. Zie de artikelsgewijze toelichting bij
artikel I, onderdeel U, voor een nadere toelichting.
7. Evaluatie
Een aparte evaluatie is niet nodig. Het betreft relatief kleine wijzingen, deze worden geëvalueerd als onderdeel van de Kadasterwet als geheel.
8. Advies en consultatie
8.1 Internetconsultatie
Dit wetsvoorstel is van 10 september 2024 tot en met 5 november 2024
openbaar geconsulteerd door publicatie op www.internetconsultatie.nl.
Daarop is één reactie ingediend. In de reactie wordt verzocht om het
op Bonaire mogelijk te maken om digitaal te kunnen inzien wie eigenaar
is van een perceel en dat de adressen moeten worden verbeterd.
Het Kadaster op Bonaire valt buiten de scope van deze verzamelwijziging
van de Kadasterwet. Voor Caribisch Nederland geldt aparte wetgeving: de
Kadasterwet Bes. In algemene zin werkt het kabinet via de werkagenda
waardegedreven digitaliseren aan het versterken van de digitale
dienstverlening in Caribisch Nederland, ook het Kadaster is hierbij
betrokken. Zie: https://www.digitaleoverheid.nl/kabinetsbeleid-digitalisering/werkagenda/.
Daarnaast is er een reactie ingediend door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG), er is advies uitgebracht door de Autoriteit Persoonsgegevens en in het voortraject is afgestemd met de KNB.
Ten slotte is naar aanleiding van het advies van de Autoriteit
persoonsgegevens een tweede en een derde lid toegevoegd aan artikel
107d, hetgeen een specifieke groep ondernemingen raakt. Daarom is er een
aanvullende consultatieronde geweest met deze ondernemingen, zie
daarover paragraaf 8.6 hieronder.
8.2 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
De VNG heeft per brief van 15 november 2024 aan het ministerie van VRO
laten weten zich te kunnen vinden in de voorgestelde wetswijzigingen. De
VNG ziet met name het voorstel om de omtrek van hoofd- en bijgebouwen te
schrappen als een vast onderdeel van de kadastrale kaart als een
duidelijke verbetering. Wel uit de VNG haar zorgen over de samenhang van
dit voorstel met de andere lopende en voorgenomen wet- en regelgeving
met betrekking tot het Kadaster en vraagt VRO om hier duidelijkheid over
te geven.
Samenhang lopende wet- en regelgeving kadaster
Er is tussen de verschillende lopende wijzigingen van de bestaande wet- en regelgeving geen sprake van samenhang in die zin dat de ene wijziging randvoorwaardelijk is voor een andere, of dat wijzigingen vanwege een onderling verband noodzakelijkerwijs parallel zouden moeten lopen. De Verzamelwijziging van de Kadasterwet bevat technische, beleidsarme reparaties en aanpassingen die niettemin leiden tot aanzienlijke verbeteringen. De behoefte aan deze wijzigingen leeft al jaren bij Kadaster en zijn klanten. Het betreft een verzameling van onderdelen van de wet die ieder voor zich reeds nu om op zichzelf staande redenen, los van andere lopende en voorgestelde ontwikkelingen van de wet of lagere regelgeving, enige vorm van ‘reparatie’ behoeven waarvoor aanpassing van de wet noodzakelijk is. Vanwege het op zichzelf staande karakter van de achtergrond en het moment van de respectieve reparaties die in dit wetsvoorstel zijn bijeengebracht, is er geen concrete inhoudelijke of procesmatige samenhang met andere ontwikkelingen aan te duiden.
Daarnaast loopt een wijziging van het Kadasterbesluit die voortvloeit uit de noodzaak doxing te voorkomen naar aanleiding van berichtgeving dat gezocht kon worden onder een valse identiteit in de kadastrale registers. Dit beleidsrijke traject staat dus ook los van de Verzamelwijziging Kadasterwet.
De wijziging van de Kadasterwet in verband met nieuwe taak voegt een taak toe het takenpakket van het Kadaster. Het gaat hierbij om het ontsluiten van geo-informatie via Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK) waar nog geen wettelijke grondslag voor was. Dit traject loopt al sinds 2022 en staat zowel qua inhoud als proces los van de Verzamelwijziging Kadasterwet.
De door de VNG genoemde voorgenomen aanpassing van de Uitvoeringsregeling Kadasterregeling 1994 heeft wel betrekking op hetzelfde onderwerp als waarop artikel I, onder M, tweede lid, en onder S, van het onderhavige wetsvoorstel ziet, namelijk de kadastrale kaart. Het thans in de Verzamelwijziging Kadasterwet opgenomen voorstel om de omtrek van hoofd- en bijgebouwen te schrappen als een vast onderdeel van de kadastrale kaart is feitelijk ook voortgekomen uit een nadere beschouwing van de kadastrale kaart in het kader van de Uitvoeringsregeling. Als zodanig kan de nu voorgestelde aanpassing echter los van de ontwikkeling in de Uitvoeringsregeling worden bezien; deze aanpassing houdt reeds op zichzelf, onafhankelijk van andere ontwikkelingen, een verbetering in zoals ook door VNG wordt opgemerkt.
Samenhang voorgenomen wet- en regelgeving kadaster
Los van bovenstaande op dit moment benodigde aanpassingen op onderdelen, bestaat het beleidsvoornemen om voor de toekomst een volledig herziene Kadasterwet te ontwerpen die naar structuur meer flexibel en toekomstvast is.
Deze brede herziening van de Kadasterwet verkeert nog in een pril stadium. De ambtelijke voorbereidingen zijn gestart, uiteraard zullen alle stakeholders verderop in het proces betrokken worden.
Ook de beoogde Wet geodata, nog in een zeer pril stadium, staat los van de Verzamelwijziging Kadasterwet. Met de Wet geodata wordt beoogd één wet te realiseren waarin alle bestaande en toekomstige Geobasisregistraties een plaats krijgen. De bestaande wetgeving wat betreft de geobasisregistraties is ruim 20 jaar oud en is verkokerd per geobasisregistratie. Er is behoefte aan één samenhangende set (geo)basisgegevens die data in plaats van registraties centraal stelt. De Wet geodata faciliteert daarmee de beleidsvisie Zicht Op Nederland4 en vervangt delen van de Kadasterwet (BRK (deels)/BRT) en de wetten Basisregistratie grootschalige topografie (BGT), Basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) en Basisregistratie ondergrond (BRO). Uiteraard zullen ook bij dit traject alle stakeholders verderop in het proces betrokken worden.
Datagovernanceverordening
Een ander aandachtspunt van de VNG ten aanzien van de samenhang met overige wet- en regelgeving is dat het voorgestelde artikel 107d bij uitvoering een situatie kan scheppen die onder materiële reikwijdte van Hoofdstuk II van de Datagovernanceverordening valt en daarmee onder de nog in werking te treden Uitvoeringswet Datagovernanceverordening. Het heeft de voorkeur van de VNG dat ten minste in de memorie van toelichting in hoofdstuk 3 (Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving) alsnog duiding over de samenhang hiermee wordt opgenomen. Deze suggestie van de VNG is overgenomen, daartoe is paragraaf 3.2 ingevoegd in het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Wet digitale overheid
De VNG noemt ten slotte ook de samenhang met de Wet digitale overheid (hierna: Wdo) een zorgpunt. Volgens de VNG ontstaat in het voorgestelde artikel 11d, tweede lid, een aanwijzingsbevoegdheid voor de minister ten aanzien van technische standaarden die overlapt met de al bestaande bevoegdheid onder artikel 3 Wdo, maar zonder de waarborgen van dat artikel. Het lijkt de VNG logischer om hiervoor van de al bestaande Wdo-bevoegdheid gebruik te maken.
De delegatiebevoegdheid aan de minister in artikel 11d, tweede lid, van de Kadasterwet, is van een andere orde dan de bevoegdheid van de minister op grond van artikel 3 van de Wdo. In de Wdo gaat het om de mogelijkheid om bepaalde (open) standaarden aan te wijzen die verplicht door overheden – in hun verkeer onderling, met burgers en bedrijven – in het elektronisch verkeer gebruikt moeten worden. In de Kadasterwet gaat het om de bevoegdheid om het voorschrijven van bepaalde technische eisen die nodig zijn om het elektronisch aanleveren en verwerken van akten in de openbare registers en de BRK te laten plaatsvinden. Deze bevoegdheid dient niet zo ver te reiken dat deze technische eisen in andere elektronische dienstverlening van andere overheidsorganisaties ook moet hebben te gelden. Dit is niet noodzakelijk, noch proportioneel omdat de technische eisen voor het elektronische aanleveren van stukken alleen specifiek hebben te gelden voor het aanleverproces van akten ter inschrijving in de openbare registers voor registergoederen en bijhouding daarvan in de BRK.
8.3 Autoriteit Persoonsgegevens
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft op 8 april 2025 advies
uitgebracht over dit wetsvoorstel. Het advies van de Autoriteit
Persoonsgegevens ziet op het voorgestelde artikel 107d5 van
de Kadasterwet. In het advies geeft zij aan dat bij ongewijzigde
vaststelling sprake is van strijd met hoger recht, te weten het
ontbreken van passende waarborgen als bedoeld in artikel 6, vierde lid,
aanhef en onderdeel e, van de AVG. Bij een latere navraag heeft de
Autoriteit Persoonsgegevens aangegeven dat dit het hoger recht is dat in
het advies is bedoeld.
Hoofdlijnen van het advies zijn:
- De wet moet voorzien in een erkenningsregeling om zo vast te kunnen stellen dat een persoon of instelling aan bepaalde eisen voldoet ('erkenning') en daaraan zodanige voorschriften en beperkingen te verbinden dat het risico op gebruik van de kadastergegevens voor andere doelen wordt weggenomen.
- Voor zover voorschriften voor alle erkende afnemers gelijkluidend zullen zijn, kunnen deze in een algemeen verbindend voorschrift worden neergelegd.
- Het ligt in de rede om het Kadaster zowel voor de erkenning als het toezicht op de naleving van de voorschriften en beperkingen verantwoordelijk te maken.
- Voor zover voor de uitvoering van vorenbedoelde taken een vergoeding wordt gevraagd aan de commerciële dienstverlener die erkenning vraagt en/of heeft, zal die de vorm moet hebben van een wettelijk tarief.
In navolging van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens wordt
voorgesteld om het tweede en derde lid toe te voegen aan artikel 107d
van de Kadasterwet. Op grond van het tweede lid, onderdeel a, zal de
Dienst toetsen of de door de onderneming beoogde verwerking van de te
verstrekken inlichtingen verenigbaar is met de doeleinden, genoemd in
artikel 2a van de Kadasterwet. Daarnaast zal de Dienst op grond van
onderdeel b toetsen of de onderneming voldoet aan de nadere voorwaarden
die op grond van het eerste lid bij algemene maatregel van bestuur
zullen worden geregeld. Die voorwaarden zullen gericht zijn op onder
meer de informatiebeveiliging van de onderneming.
Op grond van het derde lid zal de Dienst jaarlijks controleren of de
door de onderneming verrichte verwerking van de aan de onderneming
verstrekte inlichtingen nog steeds verenigbaar is met de doeleinden,
genoemd in artikel 2a. Tevens kan de jaarlijkse controle van de Dienst
nog toezien op andere voorwaarden, dat wordt op het niveau van de
algemene maatregel van bestuur uitgewerkt.
Er zal voor het toetsen op deze voorwaarden geen vergoeding worden
gevraagd door de Dienst aan de ondernemingen. De nieuwe voorwaarden
zullen wel lasten opleveren voor de betrokken ondernemingen, zie
daarvoor paragraaf 2.8 van het algemeen deel van deze memorie van
toelichting.
Aangezien dit tweede en derde lid nieuw zijn in vergelijking met de
versie van het wetsvoorstel dat in internetconsultatie is gebracht,
heeft er een aanvullende specifieke consultatie plaatsgevonden over dit
onderdeel met de (huidige) ondernemingen die hierdoor zullen worden
geraakt. Zie paragraaf 8.6 daarover. Ook is het wetsvoorstel opnieuw
voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR),
aangezien dit nieuwe onderdeel regeldruk met zich meebrengt voor het
bedrijfsleven.
8.4 Adviescollege Toetsing en Regeldruk
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) had het dossier in eerste
instantie niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen
omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft. Het advies van de
Autoriteit Persoonsgegevens met betrekking tot een erkenningsregeling
leidt mogelijk tot meer lasten voor een aantal ondernemingen (zie 8.3).
Om deze reden is voor dit onderdeel opnieuw advies gevraagd aan het
ATR.
Ook over het aangepaste onderdeel heeft het ATR hetzelfde oordeel. Het
ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat
het geen aanmerkelijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
8.5 Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: KNB)
Reeds in de voorbereidingsfase is er afstemming geweest over dit
wetsvoorstel met de KNB. In overleg met de KNB zijn de artikelen 11d en
54, tweede lid, en de toelichting daarbij zodanig aangescherpt dat
duidelijk is dat er met deze wijzigingen geen materiële wijziging beoogd
is van taak, functie, verantwoordelijkheden en mogelijke
aansprakelijkheid van de notaris en de Dienst.
Ook is de technische verduidelijking van de inschrijvingseisen die gelden voor het inschrijven van stukken in de openbare registers, opgenomen in artikel I, onderdelen E tot en met J en onderdeel L, in afstemming met de KNB tot stand gekomen.
8.6 Ondernemingen die vallen binnen het bereik van artikel 107d
Het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens over de erkenningsregeling (zie paragraaf 8.3) en de opname daarvan in het wetsvoorstel heeft gevolgen voor ondernemingen die vallen onder het bereik van artikel 107d. Omdat dit advies is uitgebracht en het wetsvoorstel is aangepast na de periode van de internetconsultatie zijn deze ondernemingen apart geconsulteerd over het betreffende onderdeel in het wetsvoorstel.
Om de ondernemingen goed te informeren en hen de gelegenheid te geven te reageren is tijdens een bijeenkomst op 17 september 2025 door de Dienst en het ministerie van VRO toegelicht wat de impact van het advies was en welke invulling van de te stellen eisen op grond van de erkenningsregeling op hoofdlijnen werd overwogen naast de voorwaarden die nu al in de overeenkomsten worden opgenomen. Hierna volgen de in eerste instantie overwogen eisen, dus nog voor aanpassing naar aanleiding van de consultatie van de ondernemingen:
Verplichte ISO 27001 certificatie voor ondernemingen (dan wel een aantoonbaar vergelijkbaar certificaat).
Een rapportage van een onafhankelijke accountant of auditor (assuranceverklaring) waarin wordt aangetoond: (i) aantal/omvang verkochte producten (waarin kadastrale gegevens zijn verwerkt) en (ii) doel waarvoor producten zijn aangeboden.
Er moet sprake zijn van rollenscheiding (organisatorisch en administratief). Wanneer een partij meerdere ‘rollen’ heeft of wil uitoefenen, met name een rol als (directe) afnemer van kadastrale gegevens als ‘eindgebruiker’ én een rol als reseller, dan mag de rol van reseller alleen uitgeoefend worden in een afzonderlijke entiteit (met KvK inschrijving).
De onderneming mag niet verbonden zijn met of onderdeel uitmaken van een organisatie of land dat een offensief cyberprogramma voert tegen Nederland.
De belangrijkste reacties en vragen van de ondernemingen:
Duidelijk moet zijn wat precies onder ‘resellers’ wordt verstaan.
Mogelijk moet onderscheid worden gemaakt in verschillende soorten resellers.
Een accountants- of assuranceverklaring kan voor (kleine) partijen een flinke lastenverhoging met zich meebrengen. Maatregelen moeten proportioneel zijn. Kijk goed naar wat de verklaring precies moet inhouden en wat de scope en frequentie van de verklaring moet zijn.
Betrouwbaarheid van bedrijven kan ook worden aangetoond door middel van een VOG-rechtspersoon die door Justis wordt afgegeven. Dit is een lichtere vorm van betrouwbaarheidstoets.
Wordt er ook gekeken naar de eisen die andere overheidsorganisaties (bijvoorbeeld de KvK) stellen?
Komt er een overgangstermijn, en een bezwaarmogelijkheid voor afgewezen partijen?
Op basis van de reacties van de ondernemingen zijn de voorstellen aangepast. Zo wordt de eis wat betreft rollenscheiding niet meer overwogen en wordt het punt van de ondernemingen om betrouwbaarheid aan te tonen met een VOG-rechtspersoon toegevoegd aan de eisen. De beoogde assuranceverklaring is vervangen door een eigen verklaring van de ondernemingen6, met een ‘right to audit’’ voor de Dienst. In paragraaf 2.8 is een volledig overzicht van de eisen opgenomen.
Voor wat er onder een reseller wordt verstaan wordt de volgende
definitie gehanteerd: ‘een onderneming die producten vervaardigt of
aanbiedt waarin kadastrale informatie is verwerkt met het oogmerk om de
producten aan derden te verstrekken’. Het gaat daarbij niet om het
verwerken van open data van het Kadaster. De verstrekking van de
gegevens van het Kadaster betreft de kern van het product dat de
onderneming aanbiedt aan derden. Op deze wijze is dit type onderneming
te onderscheiden van bijvoorbeeld een notaris of makelaar, die de
gegevens verwerkt in het kader van een andere, bredere
dienstverlening.
Er wordt voor wat betreft de voorwaarden in de algemene maatregel van
bestuur geen onderscheid gemaakt in verschillende soorten resellers. Van
de overgebleven voorwaarden is overwogen dat deze algemeen dienen te
gelden, onafhankelijk van de vraag of sprake is van bijvoorbeeld een
kleine of een grotere onderneming. De eis met betrekking tot de
verplichte ISO 27001 certificatie draagt reeds een differentiatie in
zich: voor een grotere onderneming die meer /complexere verwerkingen van
gegevens uitvoert is ook een intensievere beveiliging nodig ten behoeve
van het verkrijgen van de certificatie.
Voorts blijft naast de eisen in de algemene maatregel van bestuur ook
de mogelijkheid bestaan dat de Dienst specifieke voorwaarden opneemt in
de overeenkomsten, waarin meer rekening gehouden kan worden met de
specifieke situatie.
Bij het formuleren van de eisen is gekeken naar de eisen die de Kamer
van Koophandel (hierna: KvK) in vergelijkbare situatie stelt aan
afnemers en serviceproviders. Een aantal eisen is hierbij overgenomen,
zoals bijvoorbeeld de ISO-27001 certificering of aantoonbaar
gelijkwaardig certificaat.
Ten slotte is er inderdaad de mogelijkheid van bezwaar voor partijen
die afgewezen worden wanneer ze niet voldoen aan de nieuwe eisen.
Er is gekozen om een gefaseerde inwerkingtredingsbepaling op te nemen in
dit wetsvoorstel, waardoor dit onderdeel met de nieuwe verplichtingen
voor de betrokken ondernemingen mogelijk later in werking kan treden dan
de overige onderdelen in dit wetsvoorstel. Die inwerkingtredingsdatum
zal zo worden bepaald dat er een realistische voorbereidingstijd is voor
de betrokken ondernemingen.
II. Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
Zie paragraaf 2.1 van het algemeen deel van deze toelichting over deze wijziging. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt het eerste lid opgedeeld in twee leden.
Onderdeel B
In de periode van de parlementaire behandeling van de Wet
basisregistraties kadaster en topografie is destijds in een nota van
wijziging7 artikel 7f, tweede lid, van de
Kadasterwet aangepast door artikel 48, tweede lid, onderdeel e,
betreffende gegevens met betrekking tot beperkingenbesluiten, niet
langer als authentiek gegeven aan te merken.
Abusievelijk heeft dezelfde wijziging toen niet plaatsgevonden in
artikel 7u. Dat wordt met deze wijziging hersteld.
De reden in de toelichting bij die nota van wijziging is destijds als
volgt geformuleerd: “De gegevens genoemd in het voorgestelde artikel 7f,
onderdeel e, betreffen gegevens met betrekking tot publiekrechtelijke
beperkingen zoals bedoeld in de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
beperkingen onroerende zaken. Op dit moment is aanwijzing van die
gegevens tot authentiek gegeven niet aan de orde. Die gegevens dienen
met name de rechtszekerheid. Om die reden worden zij in het wetsvoorstel
nu niet aangewezen als authentieke gegevens, maar volgen zij het regime
dat ook voor andere primair ten behoeve van de rechtszekerheid opgenomen
gegevens, zoals gegevens betreffende hypotheek en koopsom, geldt. Zij
gelden dus als ‘andere dan authentieke gegevens’.”
Onderdelen C en K
Zie ook paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze toelichting over
deze wijziging. Het huidige artikel 41 van de Kadasterwet regelt in het
derde lid dat enkel de vertaling van een in een vreemde of de Friese
taal opgesteld stuk wordt ingeschreven in de openbare registers en dat
de in een vreemde of de Friese taal opgestelde stukken onder de
bewaarder blijven berusten. Die stukken zijn niet via de openbare
registers raadpleegbaar. Om ook deze laatst genoemde stukken voortaan in
de openbare registers in te schrijven, wordt voorgesteld het artikellid
daartoe te wijzigen. Vanaf het moment van inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel gaat deze verplichting voor de Dienst gelden.
In verband met de raadpleegbaarheid en de rechtszekerheid wordt ten
aanzien van de in een vreemde of de Friese taal opgemaakte stukken in de
openbare registers bepaald, dat bij discrepantie of
interpretatieverschillen tussen de tekst in de akte die in een vreemde
of de Friese taal is opgemaakt en de tekst van de Nederlandse vertaling,
deze laatste prevaleert. Dit voorschrift wordt vastgelegd in het
gewijzigde vierde lid (nieuw) van artikel 41.
Artikel 9a is gewijzigd om te zorgen dat artikel 9 van overeenkomstige toepassing blijft voor de in vreemde of Friese taal gestelde stukken voor zover die nog onder de bewaarder berusten. Dat gaat om alle stukken van voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel: die worden niet alsnog ingeschreven, maar zullen onder de bewaarder blijven berusten.
Onderdelen D en N
Zie ook paragraaf 2.4 van het algemeen deel van deze toelichting over
deze onderdelen.
In het nieuw voorgestelde artikel 11d wordt de geautomatiseerde
verwerking van akten geregeld. Het eerste lid van artikel 11d regelt dat
een elektronisch aangeleverd stuk als bedoeld in artikel 10a in een
zodanige elektronische vorm kan worden aangeboden dat het voor
geautomatiseerde verwerking ervan in aanmerking komt. In dit lid komt
tot uitdrukking dat het aan de notaris is om te beslissen op welke wijze
hij een akte aanlevert. Het gebruik van de modeldocumenten is derhalve
niet verplicht, maar bij gebruik ervan worden door de Dienst lagere
inschrijvingstarieven gehanteerd (op grond van artikel 2 van de
Tarievenregeling Kadaster).
Op grond van artikel 11d, tweede lid, kan de Dienst nadere regels stellen over de soorten
(rechts)feiten die voor geautomatiseerde verwerking vatbaar zijn alsmede over de voorwaarden
waaraan moeten worden voldaan om stukken geautomatiseerd te laten verwerken. Aangezien het om technische eisen gaat, die in de loop van de tijd kunnen wijzigen, ligt het voor de hand deze eisen in lagere regelgeving door de Dienst vast te leggen.
Daarnaast wordt in een nieuw tweede lid van artikel 54 van de Kadasterwet vastgelegd dat, in het geval gebruik wordt gemaakt van geautomatiseerde verwerking, de bijhouding van de basisregistratie kadaster uitsluitend plaatsvindt op grond van het stuk dat elektronisch wordt aangeboden.
Onderdelen E tot en met J en onderdeel L
De Dienst ontvangt al enige tijd signalen vanuit het notariaat dat de
inschrijvingsvereisten voor rechtsfeiten op grond van de artikelen 26 en
verder van de Kadasterwet niet altijd helder of eenduidig kunnen worden
toegepast. Het is niet altijd duidelijk welk artikel van de Kadasterwet
van toepassing is op het feit dat ingeschreven dient te worden. Soms
lijken de gestelde vereisten in de wet ook voor meerdere uitleg vatbaar
te zijn. Veel registerverklaringen die worden aangeboden voldoen niet
aan de gestelde inschrijvingsvereisten, zodat deze stukken moeten worden
geweigerd. In dit voorstel wordt aan de hand van technische
verbeteringen van de artikelen 26, 30, 34, 36 en 37 van de wet
verduidelijkingen aangebracht die de toepasbaarheid van de
inschrijvingsvereisten zullen verbeteren.
Deze verbeteringen zijn tot stand gekomen in overleg met de Dienst en de
KNB. De belangrijkste verduidelijkingen zijn dat opsommingen binnen
artikelleden zijn opgenomen in losse onderdelen, in plaats van de
voorheen opgenomen lastig leesbare doorlopende tekst. Daarbij is de
verhouding van de artikelen met de in artikel 37 geregelde verklaring
van de notaris verduidelijkt, door de in artikel 37 geregelde verklaring
van de notaris een logische plaats binnen deze opsommingen te geven.
Tevens wordt voor een efficiëntere inschrijving van stukken met bewijzen voorgesteld dat, wanneer een bewijsstuk wordt verlangd dat reeds is ingeschreven in de openbare registers, volstaan kan worden met een verwijzing naar dat ingeschreven stuk. Dit betreft de wijziging van artikel 44, eerste lid, die is voorgesteld in onderdeel L. Artikel 19 van de wet bevat al de mogelijkheid om bij in te schrijven stukken te kunnen verwijzen naar reeds eerder ingeschreven stukken op de wijze zoals door de minister is vastgesteld. Dit is uitgewerkt in artikel 12 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994.
Onderdeel M
Toevoeging nieuw onderdeel l aan het tweede lid van artikel 48
Tot 1 januari 2008, de datum van inwerkingtreding van de Wet basisregistraties kadaster en topografie, was het mogelijk dat de minister op basis van het bepaalde in het tot dan toe geldende onderdeel i van artikel 48, tweede lid, van de Kadasterwet, andere gegevens dan de reeds in artikel 48, tweede lid, onder a tot en met h genoemde gegevens kon aanwijzen die werden opgenomen in de kadastrale registratie. Op basis hiervan is in artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 aanvullend geregeld welke gegevens in de kadastrale registratie worden opgenomen. Door inwerkingtreding van de Wet basisregistratie kadaster en topografie op 1 januari 2008 is artikel 48, tweede lid, onderdeel i, gewijzigd waardoor de formele grondslag voor artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 is komen te vervallen. Aangezien de gegevens zoals genoemd in artikel 14 nadien nog steeds in de basisregistratie kadaster worden opgenomen en het voor de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen ook noodzakelijk is dat dergelijke gegevens in de basisregistratie kadaster opgenomen blijven worden, is van belang om de op 1 januari 2008 abusievelijk geschrapte grondslag te herstellen.
Het voorgestelde nieuwe onderdeel l, alsmede artikel II en de aan onderdeel l te verlenen terugwerkende kracht (zie artikel III), strekken daartoe. Er is getoetst aan Aanwijzing 5.62 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Het betreft geen belastende regeling en het rechtsgevolg is dat artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 weer op de Kadasterwet berust.
Het vervallen van het derde lid, onderdeel d
Zie paragraaf 2.6 van het algemeen deel van deze toelichting voor een toelichting op deze wijziging en de wijziging die is opgenomen in onderdeel R (de wijziging van artikel 100 van de Kadasterwet).
Onderdeel O
Onderdeel O wijzigt artikel 57 van de Kadasterwet om te
verduidelijken dat de beslissing of een aanwijs ter plaatse zal
plaatsvinden of niet is voorbehouden aan de ambtenaar van de Dienst.
Voorgesteld wordt om mandatering van deze bevoegdheid aan
niet-ondergeschikten uit te sluiten.
Hoewel uit de wet kan worden afgeleid dat alle handelingen ten behoeve
van de bijhouding op grond van de in de openbare registers ingeschreven
stukken, door dezelfde ambtenaar van de Dienst worden uitgevoerd, wordt
in de praktijk met enige regelmaat hiervan afgeweken. Terwijl de Dienst
bij alle stappen8 betrokken is, worden deze niet
altijd door dezelfde ambtenaar van de Dienst uitgevoerd en kan
mandatering aan een deskundige derde plaatsvinden. Dit betreft
bijvoorbeeld de aanwijs ter plaatse en de meting als het gaat om nieuwe
bouwterreinen. Het komt regelmatig voor dat deze stappen in de
bijhouding niet meer door een ambtenaar van de Dienst maar door
bijvoorbeeld een deskundige van de gemeenten zelf worden uitgevoerd. De
gemandateerde deskundige heeft hierbij niet de bevoegdheid om te
beslissen of een aanwijs ter plaatse zal plaatsvinden of niet. Dit
betreft een kerntaak van de Dienst die niet gemandateerd dient te worden
aan niet-ondergeschikten. Dat is reeds staande praktijk, maar wordt
hiermee geëxpliciteerd.
Ook wordt voorgesteld om ten aanzien van de mededeling in artikel 57 te bepalen dat deze niet in alle gevallen de dag en het uur aangeeft waarop de aanwijzing die de grondslag vormt voor de meting, zal plaatsvinden. In plaats daarvan bevat de mededeling het moment waarop of de periode waarin de aanwijzing zal plaatsvinden.
Uiteraard moeten de eigenaar en de beperkt gerechtigde op de hoogte zijn van het precieze moment waarop de aanwijzing plaatsvindt. Echter, in de praktijk blijkt dat dat op het moment van het doen van de mededeling het precieze moment van de aanwijzing niet altijd bepaalbaar is, met name bij nieuwbouwprojecten. In dat geval zal de mededeling de periode waarin de aanwijzing plaatsvindt bevatten en zal in overleg met de eigenaar en beperkt gerechtigde(n) het precieze moment in die periode worden afgestemd.
Onderdeel P
Voorgesteld wordt om in artikel 58, eerste lid, een foutieve verwijzing te herstellen, evenals in het derde lid.
Onderdeel Q
In onderdeel Q wordt artikel 73, tweede lid, zodanig gewijzigd dat de eigenaar van een onroerende zaak niet langer hoeft te worden gehoord voordat tot bijhouding kan worden overgegaan op verzoek van beperkt gerechtigde. Artikel 73, tweede lid, bepaalt dat een eigenaar van, of een beperkt gerechtigde tot, een onroerende zaak een verzoek tot splitsing of samenvoeging tot percelen kan doen indien hij daarbij een redelijk belang heeft én het een geval betreft dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald. In artikel 22 van het Kadasterbesluit zijn deze gevallen geregeld. Op grond van de tweede volzin van artikel 73, tweede lid moet, indien het verzoek afkomstig is van een beperkt gerechtigde, de eigenaar van die onroerende zaak door de Dienst worden gehoord voordat tot bijhouding kan worden overgegaan. Nadat de bijhouding voltooid is, ontvangen alle belanghebbenden het resultaat van de bijhouding en kan een belanghebbende op grond van artikel 56b van de Kadasterwet eventueel bezwaar maken tegen een beschikking inzake de bijwerking. In de praktijk leidt een verzoek tot splitsing door een beperkt gerechtigde nauwelijks tot problemen en wordt het horen van de eigenaar, voordat tot bijhouding wordt overgegaan, als een vertragende stap in het proces ervaren. De mogelijkheden tot splitsing (of samenvoeging) van percelen zijn immers beperkt tot de gevallen genoemd in artikel 22 van het Kadasterbesluit alsmede wijzigt het (bloot)eigendom van de eigenaar erdoor ook niet. Dit laatste is regelmatig de reden dat een eigenaar niet reageert op een verzoek om gehoord te worden, wat het uitvoeren van het verzoek tot splitsing (of samenvoegen) onnodig vertraagt. Gelet ook op de bezwaarmogelijkheid van alle rechthebbenden, zoals de eigenaar of een beperkt gerechtigde, met betrekking tot het gewijzigde perceel, is het horen van de eigenaar voordat tot bijhouding wordt overgegaan, niet noodzakelijk om de rechten van eigenaar en beperkt gerechtigde te waarborgen.
Tevens wordt voorgesteld artikel 73, derde lid, te wijzigen zodat in afwijking van artikel 57, eerste, tweede en derde lid, enkel de verzoeker van de splitsing of samenvoeging van percelen wordt uitgenodigd om ter plaatse inlichtingen aan de ambtenaar van de Dienst te verschaffen, indien dit door de Dienst noodzakelijk wordt gevonden. Onder de verzoeker kan zowel de eigenaar – ook als hij als bloot eigenaar moet worden aangemerkt – als de beperkt gerechtigde worden verstaan. De reden om in deze situatie af te wijken van artikel 57, eerste tot en met derde lid, is dat in de praktijk, buiten de verzoeker om, de overige belanghebbenden doorgaans niet verschijnen om ter plaatse inlichtingen te geven. Daarnaast zijn de gevallen waarin op verzoek van een (bloot) eigenaar of beperkt gerechtigde een splitsing van percelen kan plaatsvinden, beperkt en nader ingekaderd door artikel 22 van het Kadasterbesluit. Door alleen de verzoeker tot de splitsing van percelen uit te nodigen en ter plaatse de inlichtingen te laten verstrekken kan het proces tot bijhouding (vooraf) een stuk efficiënter verlopen. Hierbij geldt eveneens dat alle belanghebbenden in kennis worden gesteld van het resultaat van de bijhouding en daartegen eventueel bezwaar kunnen maken. De rechten van de overige belanghebbenden worden in de nieuwe situatie derhalve nog steeds goed geborgd.
Onderdeel R
Artikel 85, tweede lid, van de Kadasterwet bevat een opsomming van
informatie die is opgenomen in de registratie voor schepen. Als gevolg
van de inwerkingtreding van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen9, die de vlagregistratie van
zeeschepen regelt, is een samenwerking vastgelegd (één loket) tussen het
Kadaster en de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) om de
teboekstelling en de vlagregistratie van een zeeschip zo spoedig
mogelijk te laten verlopen. Bij registratie van schepen wordt over en
weer informatie gedeeld die relevant is in het kader van de
registratie.
Om de informatie die wordt ontvangen van de ILT gemakkelijk te koppelen aan de informatie die al beschikbaar is bij het Kadaster, is het wenselijk om daarbij gebruik te maken van identificatienummers. De ILT kent bij ieder in te vlaggen schip een uniek NSI-nummer (nationaal scheepsidentificatienummer) toe. Om het gezamenlijke loket tussen de ILT en het Kadaster te kunnen laten functioneren, worden berichten over en weer verzonden met gebruikmaking van het NSI-nummer om het juiste schip te kunnen identificeren. Het is dan ook wenselijk dat dit nummer ook bij het Kadaster in de registratie voor schepen wordt opgenomen.
Op grond van artikel 7g, tweede lid, van de Kadasterwet kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat een gegeven wordt toegevoegd aan een registratie van het Kadaster. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door in artikel 36a van de Maatregel teboekgestelde schepen 1992 op te nemen dat dit NSI-nummer in de registratie voor schepen wordt opgenomen. Artikel 7g schrijft echter ook voor dat dit vervolgens zo spoedig mogelijk dit bij wet te regelen. Daartoe dient de wijziging van artikel 85, tweede lid, opgenomen in dit onderdeel.
Onderdeel S
Zie paragraaf 2.6 van het algemeen deel van deze toelichting voor een toelichting op deze wijziging en de wijziging die is opgenomen in het tweede lid van onderdeel M (het vervallen van artikel 48, derde lid, onderdeel d, van de Kadasterwet).
Onderdelen T en U
Artikel 107 wordt aangevuld met een nieuw onderdeel h, op grond
waarvan de Dienst (algemene) voorwaarden mag stellen bij het verstrekken
van inlichtingen uit de openbare registers, de registraties en de
bescheiden bedoeld in artikel 50 van de Kadasterwet.
Het nieuw in te voegen artikel 107d, eerste lid, biedt een grondslag om
op het niveau van de algemene maatregel van bestuur voorwaarden te
stellen teneinde een rechtmatige en betrouwbare verdere verwerking van
persoonsgegevens te waarborgen bij afname van persoonsgegevens door
ondernemingen teneinde afgeleide producten te kunnen leveren die
toegevoegde waarde bieden in de vastgoedketen. De Dienst biedt
dergelijke producten niet aan en dit is aan de markt overgelaten. Binnen
het bereik van artikel 107d vallen alleen (een beperkte groep)
ondernemingen die met hun producten toegevoegde waarde bieden in de
vastgoedketen én waarvan de verwerking van kadastrale informatie
verenigbaar is met de doeleinden van de Dienst als bepaald in artikel 2a
Kadasterwet.
Zie paragraaf 2.8 van het algemeen deel van deze toelichting voor een
uitgebreidere toelichting.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft in haar advies aangegeven dat het
verstrekken van persoonsgegevens aan deze ondernemingen in strijd is met
hoger recht (te weten het ontbreken van passende waarborgen als bedoeld
in artikel 6, vierde lid, aanhef en onderdeel e, van de AVG), tenzij de
betrouwbaarheid van de verwerking van de inlichtingen door de
onderneming voorafgaand aan het verstrekken van de persoonsgegevens
wordt getoetst. Zie paragraaf 8.3 van het algemeen deel van deze memorie
van toelichting voor meer informatie over het advies van de Autoriteit
Persoonsgegevens.
In navolging van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens wordt
voorgesteld om het tweede en derde lid toe te voegen aan artikel 107d.
Op grond van het tweede lid, onderdeel a, zal de Dienst toetsen of de
door de onderneming beoogde verwerking van de te verstrekken
persoonsgegevens verenigbaar is met de doeleinden, genoemd in artikel 2a
van de Kadasterwet. Daarnaast zal de Dienst op grond van onderdeel b
toetsen of de onderneming voldoet aan de nadere voorwaarden die op grond
van het eerste lid bij algemene maatregel van bestuur zullen worden
geregeld. Die voorwaarden zullen gericht zijn op onder meer de
informatiebeveiliging van de onderneming.
Op grond van het derde lid zal de Dienst jaarlijks controleren of de
door de onderneming verrichte verwerking van de aan de onderneming
verstrekte persoonsgegevens nog steeds verenigbaar is met de doeleinden,
genoemd in artikel 2a. Tevens kan daarnaast ook op andere voorwaarden
periodiek een controle plaatsvinden, dat wordt op het niveau van de
algemene maatregel van bestuur uitgewerkt op grond van het vierde
lid.
Voor wat betreft het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en de
onderliggende voorwaarden in de algemene maatregel van bestuur zal
rekening worden gehouden met een reële benodigde voorbereidingstijd voor
de betreffende ondernemingen.
Zie paragraaf 2.8 van het algemeen deel van deze toelichting voor een nadere toelichting over deze twee wijzigingen.
Artikel II
Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel M, onder
het kopje ‘toevoeging nieuw onderdeel l aan het tweede lid van
artikel 48’, voor een toelichting op deze wijziging.
Artikel IV
Zie hoofdstuk 6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting
voor een nadere toelichting op de inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O’Sullivan
De Dienst is belast met de hem bij of krachtens de Kadasterwet, de Kadasterwet BES of andere wetten opgedragen taken. Denk bijvoorbeeld aan het houden van de openbare registers en het houden en bijwerken van de basisregistratie kadaster.↩︎
ECLI:NL:RVS:2022:1850, ECLI:NL:RVS:2021:1174, ECLI:NL:RVS:2018:1195 en ECLI:NL:RBROT:2021:2131. In 2021 zijn er in totaal 40 'artikel 7t-zaken' door de rechter behandeld waarvan er 15 onterecht gebaseerd waren op artikel 7t en waarvan nog in 7 zaken in hoger beroep moet worden beslist. In 2022 zijn 35 ‘artikel 7t-zaken’ behandeld waarvan 11 onterecht gebaseerd waren op artikel 7t en waarin nog in 5 zaken in hoger beroep moet worden beslist.↩︎
Zie ook: ECLI:NL:RVS:2019:39↩︎
https://zichtopnl.nl/visie+zicht+op+nederland+van+het+gi-beraad/default.aspx↩︎
Het gaat in het kader van artikel 107d niet om alle ondernemingen die gegevens van het Kadaster afnemen, maar om bepaalde ondernemingen die een product aanbieden met behulp van gegevens van het Kadaster. Zie paragraaf 2.8 van deze memorie van toelichting voor een uitgebreidere toelichting.↩︎
Behoudens de accountantsverklaring die op basis van de huidige overeenkomsten door bepaalde ondernemingen al moet worden verstrekt in verband met het aantal en/of de omvang van verkochte producten. Dit blijft ongewijzigd.↩︎
Kamerstukken II 2006/07, 30544, nr. 8↩︎
Dit proces bestaat uit de volgende stappen: 1. De aanwijzing ter plaatse en het opmaken van een relaas van bevindingen 2. De meting; 3. De bijhouding zelf; en 4. Het kosteloos verschaffen van inlichtingen aan de belanghebbenden omtrent de uitkomsten van de meting.↩︎
Stb. 2023, 157.↩︎