[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Antwoord op vragen van de leden Piri, Belhirch, Teunissen, Ceder, Van Baarle, Dobbe en Dassen over geen uitvoering geven aan de motie Piri die de regering verzoekt om te onderzoeken of (beperkte) individuele financiële tegemoetkoming mogelijk is voor goed gedocumenteerde gevallen van slachtoffers van Hawija

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D39942, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-08-31 16:50, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z16403:

Preview document (🔗 origineel)


AH 2849

2026Z16403

Antwoord van minister Yeşilgöz-Zegerius (Defensie) (ontvangen 31 augustus 2026)

1. Herinnert u zich uw Kamerbrief van 13 juli jl. waarin u aangeeft niets de doen met de Kameruitspraak om te onderzoeken of slachtoffers van Hawija individueel kunnen worden gecompenseerd?

Ja.

2. Erkent u dat de Kamerbrief geen nieuwe informatie of argumenten bevat die de leden niet al tot zich hadden genomen voor de stemming over de motie?

Het is aan de leden zelf om te bepalen welke argumenten zij meenemen in hun overwegingen voor een stemming.

3. Erkent u dat er in de motie niet wordt gesproken over de aansprakelijkheid van de gevolgen van de wapeninzet door de Nederlandse staat, en deze motie dus ook los staat van de rechtszaak die wordt gevoerd door slachtoffers?

Ja.

4. Klopt het dat andere partnerlanden en Nederland zelf in het verleden vrijwillige (ex gratia) betalingen hebben uitgekeerd aan burgerslachtoffers zonder dat er sprake was van aansprakelijkheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het argument dat het uitkeren van individuele vrijwillige betalingen in de zaak Hawija 'de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet - die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd - een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen'?

Als uitgangspunt geldt dat Defensie bij een legitieme krijgshandeling onder het humanitair oorlogsrecht niet verplicht is tot compensatie voor burgerslachtoffers. Dat kan anders liggen in geval van onrechtmatig geweldgebruik of een rechterlijke uitspraak. Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratia betalingen) is gericht op maatwerk.1 Nederland heeft in het verleden, bijvoorbeeld in Afghanistan in de periode 2002-2021, net als meerdere partnerlanden vrijwillige vergoedingen op individueel niveau uitgekeerd.2 De aard van de inzet in Afghanistan verschilde wezenlijk van die in Irak tegen ISIS: in Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijden van ISIS. Dergelijke variabelen, zoals de aard van de wapeninzet en de context van een conflict, zorgen voor verschillende afwegingen bij het al dan niet toekennen van vrijwillige individuele financiële vergoedingen.

Voorkomen moet worden dat de verwachting ontstaat dat bij toekomstig, rechtmatig geweldgebruik op een legitiem doel tijdens een gewapend conflict3, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen terwijl er geen reden is om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.

5. Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren telkens tevens praktische bezwaren zijn geuit tegen individuele vergoedingen - zoals dat het onmogelijk is om te achterhalen wie er schade hebben geleden -, zonder dat hier serieus onderzoek naar is gedaan? Zo nee, op welke wijze is deze optie onderzocht?

De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Het kabinet heeft de opties in kaart gebracht voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of gemeenschap, zoals eerder aan uw Kamer gemeld.4 Over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele vergoeding is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief ‘Reactie-BOOS-uitzending over Hawija’ van 19 mei 2026.5 Alhoewel niet doorslaggevend, klopt het dat er verschillende praktische bezwaren zijn geuit als onderdeel van deze overwegingen, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele vergoeding te realiseren.

6. Kunt u bevestigen dat reeds in 2020, toen er werd gekozen door het toenmalige kabinet om niet over te gaan tot individuele compensatie, hierover verschil van mening was tussen de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie? Zo ja, kunt u die stukken met de Kamer delen?

Binnen zowel het ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken is zorgvuldig nagedacht over de opties voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of de gemeenschap.6 Er is meermaals ambtelijk overleg geweest over de wenselijkheid en haalbaarheid van deze opties. Het uiteindelijke besluit ligt echter bij het kabinet dat destijds op basis van verschillende overwegingen heeft besloten niet over te gaan tot het uitkeren vrijwillige tegemoetkomingen op individueel niveau, zoals ook benoemd in de Kamerbrief ‘Reactie BOOS-uitzending over Hawija’ van 19 mei 2026.7 De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Allereerst stelt het kabinet dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd, en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet - die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd - een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Hoewel niet doorslaggevend gelden in deze casus ten overvloede verschillende praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Zo is het jaren na de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie in Hawija welke schade heeft ondervonden door de secundaire explosie en om, conform de motie Fritsma8, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Stukken hieromtrent zijn openbaar gemaakt op basis van de Wet open overheid.9

7. Denkt u dat het moeilijk is om conform de motie-Fritsma vast te stellen dat de vijf omgekomen kinderen van Abdullah Rashid Saleh geen ISIS-sympathisanten waren? Zo ja, waarom?

De motie-Fritsma verzoekt de regering “op actieve wijze zeker te stellen dat geen cent van de door Nederland betaalde schadevergoedingen aan de gemeenschap van Hawija terechtkomt bij (oud-)IS’ers”.10 Gelet op het besluit van het kabinet om over te gaan tot vrijwillige vergoeding van de gemeenschap, zijn er geen stappen ondernomen om tot vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.11 Defensie heeft dan ook geen onderzoek gedaan naar persoonsdossiers van individuele slachtoffers en spreekt zich niet uit over individuele casuïstiek.

8. Hoe kan het tot rechtsongelijkheid leiden als mensen niet voldoende kunnen bewijzen dat zij slachtoffer zijn van de Nederlandse wapeninzet in Hawija? Is er bij eerdere vrijwillige betalingen ook uitgekeerd aan slachtoffers die daar geen enkel bewijs voor hebben aangeleverd?

Een individuele tegemoetkoming zou, indien daartoe zou worden besloten, betrekking moeten hebben op de volledige groep die daarvoor op basis van gehanteerde criteria in aanmerking zou komen, en niet op slechts een deel van deze groep. Dit vraagstuk is echter niet aan de orde, aangezien reeds is besloten om niet over te gaan tot individuele tegemoetkomingen.12

9. Bent u bereid om conform de aangenomen Kamermotie alsnog te onderzoeken of individuele compensatie mogelijk zou kunnen zijn en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren? Zo nee, waarom niet?

Nee. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief ‘Reactie motie Lid Piri (PRO), juni 2026’ en ‘Reactie-BOOS-uitzending over Hawija’ van 19 mei 2026.13 Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa 10 miljoen voor aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.

10. Kunt u de bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?

Ja.


  1. Kamerstuk 36 200 X, nr. 11.↩︎

  2. Kamerstuk 27 925, nr. 272 en Kamerstuk 3466.↩︎

  3. Correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht uitgevoerd.↩︎

  4. Kamerstuk 27 925, nr. 753, 2 oktober 2020.↩︎

  5. Kamerstuk 2026Z10230↩︎

  6. Kamerstuk 27 925, nr. 753, 2 oktober 2020↩︎

  7. Kamerstuk 2026Z10230↩︎

  8. Kamerstuk 29521-453, 22 dec 2022↩︎

  9. Woo-besluit 22600437↩︎

  10. Kamerstuk 29521-453, 22 dec 2022↩︎

  11. Kamerstuk 27 925, nr. 753, 2 oktober 2020↩︎

  12. Kamerstuk 27 925, nr. 753, 2 oktober 2020↩︎

  13. Kamerstuk 2026Z10230↩︎