Antwoord op vragen van de leden Stoffer en Ceder over het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D39950, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-08-31 16:56, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z12422:
- Gericht aan: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Gericht aan: K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2852
Antwoord van staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 31 augustus 2026)
Bent u bekend met het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
De Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) kent drie vrijstellingen voor de plicht van ouders1 hun kind als leerling in te schrijven op een school. Deze vrijstellingen volgen uit artikel 5 Lpw, en houden kort samengevat in dat een kind wordt vrijgesteld, wanneer a) deze om lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is voor het onderwijs, b) de ouders overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen, en c) het kind al staat ingeschreven op een school in het buitenland en hier ook regelmatig heengaat. Ouders met een 5(a)- of 5(b)-vrijstelling kunnen ervoor kiezen om thuisonderwijs te geven, maar er bestaat geen ‘vrijstelling voor thuisonderwijs’.
In het schooljaar 2024-2025 waren er 2860 5(b)-vrijstellingen. Deze cijfers berusten op de leerplichttelling.2 Het is niet bekend of er bij al deze vrijstellingen ook vervangend (thuis)onderwijs wordt geboden.
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd? Wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?
Dit klopt niet. De Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) belet niet dat deze gegevens worden geregistreerd. Artikel 6 Lpw schrijft voor dat ouders aan de gemeente waarin zij wonen kennisgeven op welke grond zij menen een beroep te mogen doen op een vrijstelling. Indien zij een beroep doen op de 5(b)-vrijstelling moet die kennisgeving de verklaring bevatten dat er overwegende bedenkingen bestaan tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden.
In het kader van hun toezichthoudende taak moeten de leerplichtambtenaren van de gemeente, als een kind niet is ingeschreven op een school, kunnen vaststellen of er beroep op vrijstelling is gedaan en zo ja, of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het doen van beroep op vrijstelling. Hiervoor is het bewaren van genoemde kennisgevingen en verklaringen noodzakelijk. In dit verband verwijs ik naar een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, waarin de rechtbank het standpunt dat de gemeente voor het bewaren van de verklaring over de richtingbezwaren geen beroep kon doen op de wettelijke plicht tot verwerking als bedoeld in de AVG, verwierp.3 De rechtbank achtte het bewaren van de verklaring noodzakelijk, evenredig, proportioneel en evenwichtig.
DUO registreert dat een leerling een vrijstelling heeft op grond van artikel 5 Lpw, maar niet of dit is op grond van onderdeel a, b of c. DUO maakt dus niet de koppeling op persoonsniveau tussen de leerling en de reden van vrijstelling. Voor de leerplichttelling baseert DUO zich op informatie van de leerplichtambtenaren die per gemeente het totaal aantal vrijstellingen doorgeven. Hierbij wordt wel een uitsplitsing gemaakt per onderdeel a, b, of c, maar omdat dit om totalen gaat, is er geen sprake van gegevensverwerking.
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Dat klopt. In het derde kwartaal van dit jaar wordt deze evaluatie gestart en de uitkomsten worden in de eerste helft van 2027 verwacht. Op dit moment is nog niet precies vastgelegd op welke elementen deze evaluatie precies ziet. Uw suggestie wordt meegenomen in de besluitvorming hierover.
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Het modelformulier waarnaar wordt verwezen in de vraagstelling is een hulpmiddel voor gemeenten en heeft geen juridische status. In dat formulier uit 1995 werd ouders verzocht een feitelijke verklaring te geven dat zij overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning.
In de Nederlandse rechtsstaat is de rechter bevoegd tot interpretatie van wetten en regels en langs die weg wordt het positieve recht mede vormgegeven. Die interpretatie kan door de jaren heen veranderen, omdat juridische of maatschappelijke ontwikkelingen daartoe nopen. Mede daarom bevat de wet (bewust) abstracte termen, die in de rechtspraktijk nader vorm krijgen. Zo kan het recht meebewegen met de tijd. Het arrest van de HR van 21 april 2026 is daar een goed voorbeeld van. Het arrest geeft duidelijkheid over de wijze waarop de Lpw moet worden uitgelegd en toegepast.
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen? Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet? Vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
Ik ben bekend met deze jurisprudentie over het van rechtswege ontstaan van de vrijstelling. Deze jurisprudentie betreft slechts de afbakening van de bevoegdheid van de bestuursrechter ten opzichte van die van de strafrechter. Er is dus geen sprake van verschillende inhoudelijke lijnen in de rechtspraak over de voorwaarden waaronder een vrijstelling ontstaat.
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs? Welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?
De redenering van de Hoge Raad is gebaseerd op een uitvoerige analyse van de reeds ingezette perspectiefwisseling ten aanzien van de rechten van het kind. De Hoge Raad baseert zich daarbij vooral op internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke bepalingen. De Hoge Raad is bevoegd om een eerder standpunt aan te scherpen. In de praktijk waren er veel vragen over het bestaande toetsingskader en de manier waarop die zou moeten worden toegepast, die leidden tot verschillende procedures bij verschillende gemeenten. De Hoge Raad heeft met het recente arrest het toetsingskader willen verduidelijken en aanscherpen.
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?
Ik ben bekend met de jurisprudentie waarin het EHRM heeft geoordeeld dat staten beoordelingsruimte hebben bij het bepalen of zij thuisonderwijs toestaan.4 Het EHRM heeft in diezelfde jurisprudentie benadrukt dat het niet in strijd is met het EVRM om thuisonderwijs te verbieden of om dit niet actief mogelijk te maken. Nederland kan hierin een eigen afweging maken.
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet? Hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?
De Hoge Raad is bevoegd om de Lpw te interpreteren. Die interpretatie vindt plaats met inachtneming van de voor de rechtsvraag relevante juridische context. Het is aan de rechter om te bepalen op welke wijze die interpretatie plaatsvindt, wat het resultaat daarvan is en hoe die wordt gemotiveerd. Het recht op onderwijs van het kind is als zodanig niet expliciet in het nationale recht neergelegd. In artikel 2 EP EVRM is het recht op onderwijs én het ouderlijk opvoedingsrecht wel neergelegd. De kern van de zaak werd uiteindelijk gevormd door de verhouding tussen die twee rechten en daar sluit de HR bij aan. Daarover is ook jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voorhanden, waarnaar de Hoge Raad verwijst. De Hoge Raad betrekt overigens ook het nationale recht, voor zover hij verwijst naar de mogelijkheid om particuliere scholen te stichten waar de leerplicht kan worden vervuld.
Ik volg de stelling dat het thuisonderwijs en de vrijstelling onder de Grondwet een status hebben die niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen niet. Bij de invoering van de Lpw in 1969 is thuisonderwijs als onderwijsvorm juist afgeschaft. Van een vanzelfsprekende status van het thuisonderwijs was dus allerminst sprake. Dat geldt ook voor de vrijstelling. Hoewel het geven van thuisonderwijs in het wetsontwerp van de Lpw 1969 nog was opgenomen als vrijstellingsgrond, is deze mogelijkheid in de definitieve wet vervallen. Hierbij was geen overweging dat het thuisonderwijs een zo vanzelfsprekende status had dat het niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen in de wet.
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten? Welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Ik deel niet dat de Hoge Raad relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing heeft gelaten. Daarbij heeft de Hoge Raad in zijn arrest rekenschap gegeven van de vrijheid van onderwijs uit artikel 23 Grondwet door te wijzen op de mogelijkheden voor ouders om geschikt onderwijs te kiezen voor hun kind en de mogelijkheid om particuliere scholen te stichten.5
Wanneer de veroordeelde meent dat de Hoge Raad een oordeel heeft gegeven dat in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, kan diegene hierover een klacht indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de vorm van een verzoekschrift. Indien deze klacht slaagt, kan een verzoek tot herziening bij de Hoge Raad worden gedaan op grond van artikel 457, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
Alleen wanneer er een 5(b)-vrijstelling is ontstaan, is er geen sprake van een strafbaar feit en kan niet worden toegekomen aan de vraag of er van een strafuitsluitingsgrond (rechtvaardigingsgrond dan wel schulduitsluitingsgrond) van toepassing zou kunnen zijn. Er is dan namelijk geen verplichting om te handelen in lijn met artikel 2 Lpw, zodat een overtreding daarvan ook niet mogelijk is.
Ik deel dat zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie.
Wat betekent het recent arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren? Hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
De rechtsgelijkheid en rechtszekerheid worden gewaarborgd omdat het arrest voor alle gemeenten geldt, ook in lopende zaken. Ook hebben de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Ingrado naar aanleiding van het arrest een handreiking opgesteld.6 De handreiking biedt duidelijkheid aan gemeenten en leerplichtambtenaren.
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Uit de Grondwet volgt dat onderwijs een voorwerp van aanhoudende zorg van de regering is en dat het geven van onderwijs vrij is. Hieruit vloeit concreet voort dat de overheid zorg draagt voor een toegankelijk stelsel met voldoende openbaar onderwijs en dat het stichten van een school naar de eigen richting mogelijk is en een dergelijk initiatief vanuit de overheid gefinancierd kan worden. Het onderwijs op openbare scholen is levensbeschouwelijk neutraal. Van deze uitgangspunten wordt in het arrest van de Hoge Raad rekenschap gegeven. Overigens is in Nederland 31% van de basisscholen openbaar, 30% van de scholen is katholiek, 30% protestants-christelijk en 9% heeft een andere denominatie.7 Voor 98% van de leerlingen (po en vo) geldt dat er een openbare school op redelijke afstand beschikbaar is.
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht? Op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
Het is niet aan het kabinet om rechterlijke uitspraken te becommentariëren. De door de Hoge Raad gehanteerde criteria volgen uit Europese jurisprudentie.8
De brede vorming die we van elke school verwachten in het kader van burgerschapsonderwijs (en dus ook openbare) komt terug in de wettelijke vereisten om onder andere kennis over en respect bij te brengen voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap en seksuele gerichtheid.
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt? Bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Ik zie geen noodzaak tot een dergelijke verkenning. Het uitgangspunt is dat openbare scholen hieraan voldoen. In de wet is immers bepaald dat openbare scholen toegankelijk zijn voor leerlingen van alle achtergronden en dat het onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.9 Scholen worden hierop gecontroleerd door de Inspectie van het Onderwijs.
Zoals aangekondigd stuur ik u spoedig een kamerbrief over artikel 5(b) Lpw, waarbij ook het arrest van de Hoge Raad wordt meegenomen. Een aanvullende verkenning acht ik niet noodzakelijk.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
Ja, ik kan deze vragen afzonderlijk beantwoorden en de antwoorden met u delen voor ik de brief stuur.
Voor de leesbaarheid wordt het woord ouder gebruikt, maar waar ouder staat wordt degene die het gezag over de jongeren uitoefent bedoeld (artikel 2, eerste lid, Lpw).↩︎
De leerlingentelling is te raadplegen via https://duo.nl/open_onderwijsdata/onderwijs-algemeen/verzuim/verzuim-landelijk.jsp↩︎
Rechtbank Noord-Holland, 9 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1171, r.o. 5.↩︎
EHRM, 11 september 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0911DEC003550403 (Konrad v. Germany).↩︎
Hoge Raad, 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:658, r.o. 4.10↩︎
Handreiking: Omgaan met vrijstellingen artikel 5 onder B leerplichtwet na uitspraak Hoge Raad april 2026 | VNG.↩︎
https://www.ocwincijfers.nl/sectoren/primair-onderwijs/instellingen/aantal-scholen-in-het-primair-onderwijs↩︎
Folgerø-arrest (EHRM 29 juni 2007, zaaknr. 15472/02).↩︎
Dit volgt uit artikel 23, derde lid, van de Grondwet en is vervolgens herhaald in artikel 46 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 2.3 van de Wet op het voortgezet onderwijs. Ook in het burgerschapsonderwijs wordt kennis over en respect voor de verschillen in geloof en levensovertuigingen bijgebracht (artikel 8, derde lid, Wet op het primair onderwijs en artikel 2.2, eerste lid, Wet voortgezet onderwijs 2020).↩︎