Antwoord op vragen van het lid het lid Kostic over het wolven- en natuurbeleid
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D39997, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-09-01 10:54, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ooit VVD kamerlid)
- Mede namens: J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Onderdeel van zaak 2026Z16661:
- Gericht aan: J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Gericht aan: S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2871
Antwoord van staatssecretaris Erkens (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), mede namens de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 31 augustus 2026)
1
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat we in een biodiversiteitscrisis zitten (zie onder andere de gezamenlijke conclusies van het Intergouvernementeel Wetenschaps- en Beleidsplatform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC))? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Antwoord
Het gaat inderdaad over het algemeen niet goed met natuur en biodiversiteit in Nederland. Dit blijkt, naast uit de rapporten van IPBES en IPCC, ook uit nationale rapportages zoals die van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en de elfde Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk II 2025-2026, 33576, nr. 472). 1 We zien dat lokaal ook verbetering plaats vindt door natuurherstelmaatregelen, maar over het geheel bezien nemen bijzondere, van oorsprong hier voorkomende natuurwaarden nog steeds af. De natuur wordt daarmee steeds eenvormiger in plaats van (bio)diverser. De nationale rapportages voor Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn over de periode 2019-2024 laten zien dat slechts 6 van de 52 habitattypen (12%) en 20 van de 91 Habitatrichtlijnsoorten (22%) in gunstige staat zijn. De vogels laten een iets rooskleuriger beeld zien, maar daarvoor worden alleen aantallen en trends gerapporteerd en niet of die aantallen voldoende zijn.
2
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat wolven een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan herstel van natuur en biodiversiteit in Nederland en daarmee bijdragen aan een gezondere en veiligere toekomst voor de mens? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Antwoord
Een wolf is een groot roofdier en heeft een belangrijke sturende rol in het ecosysteem. Hij staat bovenaan in de voedselpiramide.
3
Bent u bereid om te werken aan initiatieven die meer bekendheid geven aan de positieve bijdrage van wolven voor Nederland? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Via het Landelijk Informatiepunt Wolven (LIW) wordt bekendheid gegeven aan de aanwezigheid van wolven in Nederland. Het LIW biedt feitelijke, actuele en toegankelijke informatie over wolven in Nederland en is een centrale plek waar iedereen terecht kan met vragen over wolven.
4
Kunt u bevestigen dat wetenschappers van onder andere het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) aangeven dat Nederland meer ruimte moet maken voor natuur?
Antwoord
Dit blijkt inderdaad uit onderzoek van PBL en ook uit bijvoorbeeld de hiervoor aangehaalde rapportage over soorten en habitattypen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR).2 Een belangrijke voorwaarde voor de duurzame instandhouding van VHR-beschermde natuur is voldoende ruimte. De natuurherstelverordening bevat bindende en tijdsgebonden verplichtingen en maakt de noodzaak voor meer ruimte voor natuur daarmee extra urgent.
Naast deze wettelijke verplichtingen toont onderzoek aan dat investeringen in natuur tal van maatschappelijke en economische voordelen hebben.
5
Hoeveel schapen houden we in Nederland en hoeveel worden er per jaar geslacht? Hoeveel daarvan is voor de export?
Antwoord
In 2025 was het gemiddeld aantal schapen in Nederland ongeveer 900.500 schapen. In dat jaar zijn ongeveer 481.000 slachtingen gemeld. Het is niet bekend hoeveel geslachte schapen bestemd waren voor de export.
6
Kunt u bevestigen dat Nederland het meest veedichte land is van Europa?
Antwoord
Ja.
7
Deelt u de opvatting dat daar iets aan moet veranderen en er zo meer ruimte moet komen voor natuur en in het wild levende dieren, zoals wolven? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Nederland heeft de wettelijke verplichting om te zorgen voor de duurzame instandhouding van VHR-beschermde soorten en habitattypen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat daarvoor meer ruimte nodig is. Dat hoeft niet allemaal te worden ingevuld met gebieden met een exclusieve natuurfunctie; leefgebieden van veel soorten kunnen bijvoorbeeld goed samengaan met andere functies. De ruimtelijke inpassing van de Nederlandse natuurdoelen vraagt zorgvuldige afweging met andere ruimtelijke opgaven.
8
Kunt u met de Kamer delen met welke diersoorten het niet goed gaat, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om die negatieve trend aantoonbaar te keren en welke tijdlijn daarbij hoort, aangezien er een duidelijke opdracht vanuit de Kamer ligt (motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 21501-08, nr. 942)) aan het kabinet om met maatregelen te komen om ervoor te zorgen dat de negatieve trend voor verschillende dierpopulaties zo snel mogelijk wordt gekeerd en dat er extra maatregelen worden getroffen om aan alle bestaande natuurafspraken te voldoen? Kunt u met de Kamer ook delen aan welke bestaande (Europese) afspraken rondom natuur het kabinet nog niet voldoet, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om hier alsnog aan te voldoen en welke tijdlijn daarbij hoort?
Antwoord
Zoals aangegeven in de meest recente rapportage van de VHR gaat het met een aanzienlijk deel van de Nederlandse beschermde soorten niet goed. Via verschillende instrumenten en programma’s wordt gewerkt aan populatieherstel (bijvoorbeeld Programma Natuur, Groen in en om de Stad, Basiskwaliteit Natuur). In het kader van de NHV worden aanvullende maatregelen ontwikkeld om de situatie te verbeteren. Voor diersoorten bevat de NHV een algemene verplichting om voor alle VHR-soorten voldoende leefgebied van voldoende kwaliteit te verzekeren. Daarnaast zijn er ook tijdgebonden kwantitatieve verplichtingen voor specifieke soortgroepen (boerenlandvogels, bosvogels, mariene soorten en bestuiverpopulaties). Het kabinet geeft invulling aan deze verplichtingen in het Natuurplan. Voor het voldoen aan de bestaande Europese afspraken rondom natuur heeft het kabinet extra maatregelen genomen met het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof (Kamerstuk II 2025-2026, 36800-XIV, nr. 87).
9
Erkent u dat het belangrijk is dat we leren samenleven met de wolven en dat de overheid een cruciale rol speelt in het faciliteren daarvan? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
De wolf is er nu eenmaal in Nederland, dus we moeten manieren vinden om daar op een goede manier mee om te gaan. Hierbij heb ik extra oog voor de veiligheid van inwoners in wolvengebieden. Via het LIW en nationale regelgeving geef ik invulling aan mijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het omgaan met wolven in Nederland.
10
Deelt u de opvatting dat samenleven met de wolf betekent dat wij mensen ons ook aanpassen aan de aanwezigheid van wolven in Nederland, zoals we ons ook aanpassen aan andere dieren (denk aan broedende vogels, zwanen met kleintjes, et cetera)? Welke wettelijke of bestuurlijke aanpassingen, bijvoorbeeld in ruimtelijke ordening of recreatiegedrag, gaat u in dat kader nemen?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 9.
11
Deelt u de opvatting dat het uitbreiden van het natuurareaal en wegwerken van de versnippering van natuur in Nederland de kans kleiner zou maken op zogenaamde “probleemsituaties met een wolf”? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijk bronnen baseert u zich? Zo ja, bent u bereid zich daar meer voor in te zetten en wat gaat u concreet extra doen?
Antwoord
Het ligt in de verwachting dat een uitbreiding of ontsnippering van dat habitat ertoe leidt dat er in beginsel ruimte komt voor het bestaand aantal roedels wolven. Of het ook leidt tot een kleinere kans op probleemsituaties met wolven kan ik nu niet zeggen, er is geen onderzoek naar gedaan.
Voor zover het gaat om wolvenaanvallen op vee heeft Wageningen Environmental Research, zoals ik u in mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025-2026, 33576, nr. 484) heb gemeld, een ruimtelijke analyse uitgevoerd van de schade in Nederland. De onderzoekers concluderen dat het grootste deel van de aanvallen door gevestigde wolven vallen binnen beperkte gebieden die aangewezen zouden kunnen worden als preventiezones waar wolfwerende maatregelen nodig zijn. Momenteel bezie ik wat deze resultaten betekenen voor de invulling van de open norm uit het Besluit houders van dieren met een beleidsregel en voor andere beleidsdossiers. Dit wordt mede onderwerp van gesprek tijdens het Nationaal Wolvenberaad in december.
12
Erkent u dat de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) wel nieuwe beoordelingsregels introduceert voor de begrippen “probleemwolf” en “probleemsituatie met een wolf”, maar niet concreet vastlegt welk handelingsprotocol geldt wanneer zich morgen een incident met een wolf voordoet? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Provincies zijn bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen voor een flora- en fauna-activiteit. De amvb vult de beoordelingsregels voor een flora- en fauna-activiteit voor handelingen met betrekking tot een wolf in afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) aan met specifieke regels voor het geval sprake is van een ‘probleemwolf’ of een ‘probleemsituatie met een wolf’ (de nieuwe artikelen 8.74la en 8.74lb Bkl). Deze aanvullende beoordelingsregels zijn bedoeld om het bevoegd gezag specifieke handvatten te bieden voor de toetsing aan de vereisten voor vergunningverlening. Het is aan bevoegd gezag om hieraan invulling te geven in het kader van de daadwerkelijke vergunningverlening.
13
Worden onafhankelijke wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts gevraagd om advies bij verdere invulling van de AMvB en wordt dit advies leidend? Zo nee, waarom niet? Hoe ziet de tijdlijn voor het vervolgproces eruit?
Antwoord
De amvb behoeft geen verdere invulling en er is hiervoor daarom geen vervolgproces waar wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts bij worden betrokken. Wel moeten provincies, als bevoegd gezag, als zij bij de vergunningverlening gebruik maken van de mogelijkheden die de amvb biedt, gebruikmaken van het oordeel van wolvendeskundigen bij de vraag of er sprake is van een ‘probleemwolf’ of een ‘probleemsituatie met een wolf’. Provincies kunnen zelf bepalen welke deskundigheid er in specifieke gevallen nodig is en eventueel nadere eisen stellen aan de in te schakelen deskundige.
14
Kunt u per situatie aangeven welke landelijke scenario’s, draaiboeken of protocollen inmiddels gereed zijn voor situaties, zoals: een wolf nabij bebouwing, een wolf bij honden, een wolf bij goed beschermd vee, een wolf op of nabij een speelplek, een wolf die een mens verwondt? Wie gaat in zulke gevallen ter plaatse? Wie stelt de feiten vast? Wie duidt het gedrag van de wolf? Wie communiceert met omwonenden en wie neemt het besluit om op te schalen? Hoe wordt geborgd dat de betrokkenen geen jagersbelangen hebben?
Antwoord
Het opstellen van draaiboeken en protocollen, als ook het per geval vaststellen of er sprake is van een probleemsituatie of een probleemwolf is de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten van de betrokken provincie. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen op welke manier het dit plaatsvindt.
15
Is het uitgangspunt om alles te doen om te voorkomen dat wolven moeten worden gedood en dat dus eerst alle alternatieven moeten zijn uitgeprobeerd? Zo nee, waarom wordt gemakzuchtig omgegaan met het doden van een prachtig dier dat recht heeft op ruimte in Nederland?
Antwoord
De Europese regelgeving bepaalt de algemene kaders van het Nederlandse wolvenbeleid. Het verlenen van een vergunning voor het doden, of vangen, van een wolf is binnen deze kaders mogelijk, wanneer aan bepaalde vereisten is voldaan. Het eerste vereiste is dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, het tweede vereiste is de aanwezigheid van een goede rechtvaardigingsgrond voor de handeling. Het derde vereiste is dat het ingrijpen geen afbreuk doet aan het streven om de wolf in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het bevoegd gezag toetst dus bij de beoordeling van een vergunningaanvraag onder meer of er geen minder ingrijpende alternatieve maatregelen dan het opzettelijk doden van de wolf zijn. Er wordt in de praktijk serieus omgegaan met deze voorwaarden en er wordt niet lichtzinnig omgegaan met het doden van wolven.
16
Klopt het dat door de gewijzigde beschermingsstatus verjaging of verstoring van wolven in bepaalde situaties zonder omgevingsvergunning kan plaatsvinden, maar dat daarbij nog steeds de specifieke zorgplicht geldt? Hoe voorkomt u dat deze wijziging in de praktijk wordt opgevat als een vrijbrief voor burgers, dierhouders of andere partijen om zelfstandig wolven te verjagen?
Antwoord
Het klopt dat het enkel verstoren van wolven niet langer vergunningplichtig is nu de wolf is toegevoegd aan bijlage IX bij artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Wel valt verstoring onder de specifieke zorgplicht, die is geregeld in artikel 11.27 van het Bal. Provincies zijn voor de specifieke zorgplicht het bevoegd gezag. Die zorgplicht houdt kort gezegd in dat van de initiatiefnemer van een activiteit die nadelige gevolgen kan hebben voor een soort, wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen daadwerkelijk nadelige gevolgen kan hebben en ook hoe hij die gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen. Het uitgangspunt van deze specifieke zorgplicht is ook dat handelingen met mogelijk nadelige gevolgen voor in het wild levende planten en dieren achterwege worden gelaten. Dit betekent dat verstoring op een zorgvuldige manier moet gebeuren om nadelige gevolgen voor in dit geval de wolvenpopulatie te voorkomen. Provincies kunnen daarover maatwerkregels stellen of in individuele gevallen maatwerkvoorschriften geven, om duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop bij het verstoren van wolven aan de zorgplicht invulling kan worden gegeven (artikelen 11.29 en 11.31 van het Bal). In de praktijk zal de verstoring vaak gebeuren door gespecialiseerde eenheden die in opdracht van de provincie werken. Hiermee is gewaarborgd dat er geen sprake kan zijn van een vrijbrief en dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met het verjagen van wolven.
17
Welke middelen zijn volgens u toegestaan om wolven te verjagen? Wie mag die middelen inzetten? Onder wiens verantwoordelijkheid gebeurt dat? Wie handhaaft en wanneer komt er een landelijk protocol voor zorgvuldige en deskundige aversieve conditionering?
Antwoord
De toegestane middelen zijn niet gespecificeerd en er is, mits het legaal toegestane middelen betreft, geen beperking aan diegenen die deze middelen mogen gebruiken. Er wordt in de praktijk van uitgegaan dat alle legale middelen zijn toegestaan, mits deze niet dodelijk zijn en geen inbreuk maken op de staat van instandhouding, waaronder middelen die geluid- en lichtsignalen verspreiden. Het bevoegd gezag kan, desgewenst met behulp van een wolvendeskundige, bepalen welke middelen in welke situatie en op welke ingezet kunnen worden. Het verjagen en verstoren van de wolf valt daarnaast onder de specifieke zorgplicht die is geregeld in artikel 11.27 van het Bal. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 16.
18
Kunt u zich herinneren dat de Raad van State erop heeft gewezen dat de rol, onafhankelijkheid en expertise van de wolvendeskundige onvoldoende duidelijk waren uitgewerkt? Kunt u aangeven aan welke harde criteria een onafhankelijke wolvendeskundige moet voldoen? Hoe belangenverstrengeling met bijvoorbeeld jagers en agrarische sector wordt uitgesloten en of provincies verplicht worden gebruik te maken van een landelijk deskundigenteam?
Antwoord
In het advies is de Afdeling advisering van de Raad van State inderdaad ingegaan op de door het bevoegd gezag bij de beoordeling van vergunningaanvragen te betrekken wolvendeskundige. In de nota van toelichting ben ik daarom nader ingegaan op de rol van deze wolvendeskundige bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag. Een wolvendeskundige heeft expertise op het gebied van wolvengedrag, wetgeving of sociale impact en heeft daarom kennis over de interactie tussen wolven en hun leefomgeving, hoe een roedel functioneert, migreert of jaagt. Vanuit zijn expertise kan hij bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Zijn deskundigheid kan blijken uit kennis en ervaring op een specifiek onderwerp over de wolf door wetenschappelijke publicaties of breed erkende meerjarige professionele ervaring. Het is aan het bevoegd gezag om een deskundige te kiezen en eventueel nadere eisen te stellen aan de in te schakelen deskundige. Hierbij is het van belang dat de onafhankelijkheid en expertise van de geraadpleegde wolvendeskundige maatschappelijk niet ter discussie staat. De deskundige zal bijvoorbeeld zelf geen direct belang mogen hebben bij het doden of vangen van wolven en geen deel mogen uitmaken van een actiegroep of een organisatie waarvan de maatschappelijke integriteit rond de positie van de wolf ter discussie staat. Er kan voor een deskundige uit het nog op te richten Landelijk Deskundigenteam Wolven worden gekozen, dit is niet verplicht.
19
Wanneer is duidelijk hoe dit deskundigenteam wordt samengesteld, welk mandaat het krijgt, hoe het wordt gefinancierd en binnen welke termijn het na een incident ter plaatse kan zijn?
Antwoord
De provincies hebben het voortouw bij de inrichting van dit team. Om provincies hierbij te helpen, ondersteun ik bij de oprichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven, dat zal bestaan uit deskundigen met brede expertise, waaronder deskundigheid over wolvengedrag, juridische kennis en diergeneeskundige deskundigheid. Het doel van dit Landelijk Deskundigenteam is de bevoegde overheden van duiding en onafhankelijk advies te voorzien bij incidenten. Naar verwachting is dit team op voor het eind van het jaar operationeel.
20
Bent u bereid om in lijn met de aangenomen motie-Podt/Kostic (Kamerstuk 33576, nr. 438) een instructie mee te geven aan provincies om bij de oprichting van het landelijk deskundigenteam mee te nemen in het advies van de kwartiermaker dat dit team multidisciplinair moet zijn en de aanstelling van leden niet gebaseerd mag zijn op politieke voorkeuren, maar gebaseerd moet zijn op objectieve profielen van deskundigheid en ervaring en om te zoeken naar een organisatorische structuur die de onafhankelijkheid van het team waarborgt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Zoals ik u in mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025-2026, 33576, nr. 484) heb gemeld, hebben de provincies het voortouw bij de inrichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven. Hierbij wordt rekening gehouden met deskundigheid en objectiviteit van de leden. Het past niet bij de bevoegdheidsverdeling tussen Rijk en provincies om hier een instructie over mee te geven.
21
Kunt u bevestigen dat de Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat in de toelichting een overtuigende motivering ontbreekt waarom een vergunning op voorhand binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan een individuele vergunning voor afschot van een "probleemwolf" en dat de Afdeling ook opmerkt dat ook met een individuele vergunning snel en adequaat kan worden opgetreden?
Antwoord
Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025/26, 33576, nr. 486) heb aangegeven, heeft de Raad van State in haar advies van 20 mei jl. aangegeven de toelichting van de meerwaarde van deze vergunning op voorhand nog niet overtuigend te vinden en geadviseerd nader te motiveren waarom dit een passend instrument is voor de aanpak van ernstige incidenten, hoe dit instrument kan dienen om snelheidswinst te behalen ten opzichte van de individuele vergunningen, en hoe het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling moet worden geduid. Naar aanleiding van dit advies heb ik de nota van toelichting daarom aangevuld en heb ik daarnaast de bepaling over feitelijke vaststelling gewijzigd.
22
Waarom houdt u vast aan de mogelijkheid van een vergunning op voorhand voor het doden van wolven die in toekomstige situaties mensen letsel toebrengen, terwijl de Raad van State dus vragen heeft bij de meerwaarde, snelheid, rechtsbescherming en juridische duiding van dit instrument?
Antwoord
Als een mens door een wolf is aangevallen en er daarbij ook letsel is toegebracht, is er sprake van een zeer ernstige situatie met grote maatschappelijke onrust tot gevolg. In zo’n situatie moet er snel kunnen worden gehandeld en moet worden voorkomen dat op dat moment nog een volledige vergunningprocedure moet worden doorlopen. Daarom vind ik het van belang dat het voor deze meest ernstige situatie van agressie mogelijk is om vooraf een vergunning te verlenen voor het doden van een wolf. Als voor deze situaties op voorhand al een vergunning is verleend, ligt deze vergunning als het ware al op de plank en kan snel worden ingezet. Gelet op de vragen van de Raad van State heb ik de nota van toelichting op dit punt aangevuld, waarbij nader is ingegaan op de passendheid, wenselijkheid en meerwaarde van het instrument van de vergunning op voorhand voor toekomstige situaties, en op de specifieke waarborgen die zijn verbonden aan deze vergunning. Daarnaast heb ik naar aanleiding van de vragen van de Raad van State over het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling – zoals ook toegelicht in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025/26, 33576, nr. 486) – de bepaling over deze feitelijke vaststelling gewijzigd in een advies- en informatieplicht waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Dat voorschrift houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning in het specifieke geval – waarbij het bevoegd gezag een deskundige raadpleegt – en vervolgens het bevoegd gezag moet informeren over de wijze waarop hij bij het gebruik van de vergunning gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag en de wolvendeskundige. Met deze wijziging worden onduidelijkheden over het rechtskarakter voorkomen en blijft de snelheid van het proces behouden. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
23
Kunt u alsnog een onderbouwde argumentatie geven waarom een vergunning op voorhand binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan een individuele vergunning voor afschot van een wolf? Kunt u daarbij concreet aangeven hoeveel sneller de vergunning op voorhand in de praktijk zou werken dan een individuele vergunning? Kunt u aangeven welke extra risico's op fouten daar tegenover staan?
Antwoord
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 22 heb aangegeven, is er als een mens door een wolf is aangevallen en daarbij ook letsel is toegebracht, sprake van een zeer ernstige situatie met grote maatschappelijke onrust tot gevolg. In zo’n geval moet er snel kunnen worden ingegrepen. Het kan dan immers noodzakelijk zijn om direct in te grijpen om te voorkomen dat de situatie zich herhaalt of dat het gevaarlijke gedrag wordt overgenomen door andere wolven van dezelfde roedel, wat mogelijk tot grootschaliger ingrijpen met voor de populatie grotere gevolgen zou kunnen noodzaken. Bij deze incidentele gevallen gaat het daarnaast om de meest ernstige situaties van agressie van een wolf naar een mens, waarbij het belang van leven en gezondheid van mensen zwaar weegt. Artikel 8.74lb, tweede lid, van het Bkl maakt het mogelijk dat er voor deze meest ernstige situatie van agressie op voorhand een vergunning is verleend, zodat deze op de plank ligt als zo’n situatie zich voordoet en er niet nog een volledige vergunningprocedure doorlopen moet worden.
Omdat het gaat om een vergunning voor toekomstige situaties, waarbij op het moment van vergunningverlening nog onduidelijk is welke wolf het betreft, wordt aan deze vergunning een advies- en informatieplicht verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie (zie ook mijn antwoord op vraag 22).
24
Aangezien de Raad van State zich afvraagt of de combinatie van het verlenen van de vergunning op voorhand en het later "activeren" daarvan niet averechts kan werken, doordat op twee momenten juridische procedures kunnen ontstaan, onderschrijft u dit risico, en zo ja, hoe weegt u dit risico af tegen de beoogde snelheidswinst?
Antwoord
Nee. Zoals ik mijn antwoorden op de vragen 22 en 23 heb toegelicht, is de bepaling over de feitelijke vaststelling naar aanleiding van het advies van de Raad van State gewijzigd. In deze antwoorden heb ik toegelicht dat dit gewijzigde voorschrift is vormgegeven in een advies- en informatieplicht. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
25
Aangezien de Raad van State het een tekortkoming noemt dat het kabinet geen duidelijkheid geeft over het rechtskarakter van de vaststelling dat een wolf letsel aan een mens heeft toegebracht, kwalificeert u deze vaststelling als een zelfstandig appellabel besluit, als een bestuurlijk rechtsoordeel of als een louter feitelijke handeling en welke rechtsmiddelen staan in elk van die gevallen open voor belanghebbenden?
Antwoord
Zie mijn antwoorden op de vragen 22, 23 en 24.
26
Hoe waarborgt u dat ook bij gebruik van een koepelvergunning steeds een individuele, feitelijke en ecologische beoordeling plaatsvindt, inclusief toetsing aan niet-dodelijke alternatieven en de staat van instandhouding? Kunt u toelichten of en hoe u hier wetenschappers bij gaat betrekken?
Antwoord
Het gaat om een vergunning op voorhand voor toekomstige situaties. Bij de verlening van deze vergunning is het bewijsvermoeden van overeenkomstige toepassing, waardoor het bevoegd gezag bij de beoordeling in beginsel kan uitsluiten dat er minder ingrijpende alternatieve maatregelen beschikbaar zijn en ervan uit kan gaan dat er een rechtvaardigingsgrond is. Ook kan op het moment van verlening worden getoetst of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding. Gelet op het feit dat het hier om zeer incidentele gevallen gaat, want gekoppeld aan de meest ernstige situatie van agressie en bovendien in een context van een nog steeds groeiende populatie, zal een negatief effect op de populatie naar verwachting kunnen worden uitgesloten. Daarnaast moet ook het van hogere orde zijnde universele recht op leven en verbod van foltering (artikelen 2 en 3 van het EVRM en artikel 2 van het Handvest grondrechten van de Europese Unie) in de afweging bij de verlening van deze vergunning worden betrokken. Deze grondrechten vragen de overheid immers om actief invulling te geven aan het voorkomen van inbreuken op deze rechten en in te grijpen en zich in te spannen om het leven en welzijn van ingezetenen te beschermen als er een acuut risico dreigt voor dat leven of het oplopen van verwondingen.
Omdat op het moment van vergunningverlening nog niet is vastgesteld om welke wolf het gaat, is het van belang dat extra wordt geborgd dat deze vergunning alleen wordt gebruikt in die situatie waarvoor de vergunning is bedoeld. Daartoe is in de amvb geregeld dat aan zo’n vergunning een advies- en informatieplicht is verbonden. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 22 en 23.
27
Bent u bereid provincies te verzoeken geen koepelvergunning te verlenen of te gebruiken zolang de juridische houdbaarheid, rechtsbescherming, onafhankelijke deskundigheid en provinciale uitvoering niet aantoonbaar zijn geborgd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Het is aan Gedeputeerde Staten als bevoegd gezag om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om een vergunning op voorhand te verlenen. Ik verzoek hen juist om van deze mogelijkheid gebruik te maken.
28
Bent u bereid om begrippen als "verstoring", "aversieve conditionering", "pogingen", "hetzelfde gebied" en "geïnteresseerd lijkt" alsnog nader te duiden in een ministeriële regeling, beleidsregel of werkinstructie voor wolvendeskundigen en bevoegde gezagen, om eenduidige toepassing tussen provincies te waarborgen en misbruik of rechtsonzekerheid te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Hoe borgt u dan een eerlijke bescherming van de wolven?
Antwoord
Het is aan Gedeputeerde Staten als bevoegd gezag om een nadere invulling te geven aan deze begrippen. Ik zie geen reden om deze begrippen nader in te vullen.
29
Kunt u aangeven of het klopt dat nog steeds in meerderheid van gevallen van aanvallen op landbouwdieren blijkt dat boeren hun dieren onvoldoende tot niet hadden beschermd? Hoeveel aanvallen waren er op landbouwdieren afgelopen jaren en in hoeveel gevallen hadden de boeren onvoldoende of geen maatregelen genomen om hun dieren te beschermen? Kunt u de cijfers daarover per jaar (in de afgelopen vier jaar) met de Kamer delen?
Antwoord
Op basis van de beschikbare gegevens van BIJ12 over schademeldingen in het kader van aanvallen op landbouwdieren door wolven blijkt dat in een aanzienlijk deel van de gevallen sprake was van beschermingsmaatregelen die niet in overeenstemming waren met de provinciale adviesnormen. De exacte cijfers per jaar (2022–2025) zijn hieronder weergegeven.3
| JAAR | TOTAAL AANTAL SCHADEMELDINGEN * | AANTAL GEVALLEN MET ONVOLDOENDE OF GEEN BESCHERMING | PERCENTAGE ONVOLDOENDE BESCHERMING |
|---|---|---|---|
| 2022 | 312 | 308 | 99% |
| 2023 | 427 | 418 | 98% |
| 2024 | 804 | 773 | 96% |
| 2025** | 1.121 | 1.040 | 92% |
* Het totaal aantal aanvallen betreft alleen de gevallen waarbij een schadeclaim is ingediend en waarbij de schade (vermoedelijk) is veroorzaakt door een wolf.
** Deze getallen wijken af van de BIJ12 jaarrapportage wolf 20254. Dit komt omdat er ten tijde van de publicatie van de jaarrapportage nog 13 meldingen in behandeling waren.
30
Kunt u ook delen hoeveel geld elk jaar is gegeven aan dierhouders ter compensatie voor wolvenaanvallen?
Antwoord
Uit informatie van BIJ12 blijkt dat de provincies de afgelopen jaren de volgende tegemoetkoming in de wolvenschade hebben uitgekeerd:5
2022: €300.708,00
2023: €366.818,00
2024: €928.382,00
2025: €1.551.602,00
31
Wordt er op deze zorgplicht van dierhouders gehandhaafd? Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Hoe en hoe vaak wordt dan gecontroleerd en door wie? Kunt u in details schetsen hoe dat precies in praktijk gaat?
Antwoord
De NVWA behandelt jaarlijks een groot aantal meldingen over dierenwelzijn. Meldingen van onvoldoende bescherming van vee tegen wolven vallen daar ook onder. Er is geen specifieke capaciteit toebedeeld aan inspecties over bescherming tegen wolven. Meldingen over onvoldoende bescherming tegen roofdieren worden beoordeeld en risicogericht opgepakt. Er wordt daarvoor gekeken hoeveel aanvallen er hebben plaatsgevonden, in welk gebied deze hebben plaatsgevonden en welke maatregelen de houder lijkt te hebben genomen.
De NVWA richt haar toezicht nu op situaties waarbij duidelijk sprake is van een exces. Dit in afwachting van de nadere invulling van de norm voor bescherming tegen wolven. In geval van een exces wordt er een fysieke inspectie uitgevoerd door een inspecteur dierenwelzijn. Er wordt gekeken welke dieren aanwezig zijn, in welk gebied ze staan en op welke manier bescherming wordt geboden tegen wolven. De NVWA benut hierbij de fauna preventiekit van BIJ12. Indien een overtreding wordt geconstateerd, volgt een interventie en een herinspectie.
32
Hoe vaak zijn in afgelopen vier jaar straffen/boetes opgelegd aan boeren die hun landbouwdieren niet volgens richtlijnen van experts hebben beschermd met wolfwerende maatregelen en dus niet aan hun zorgplicht hebben voldaan? Wat waren dan de straffen/boetes precies?
Antwoord
In 2022 en 2023 heeft de NVWA geen inspecties uitgevoerd op de bescherming van gehouden dieren tegen wolven. Dit heeft er mee te maken dat de terugkomst van wolven naar Nederland een nieuwe ontwikkeling was, waar nog kennis over opgedaan moest worden en waar veehouders zich nog op moesten aanpassen. Eind 2024 heeft de NVWA één inspectie uitgevoerd en voor het eerst een officiële waarschuwing op dit onderwerp gegeven. In 2025 tot en met juni 2026 zijn er 8 inspecties uitgevoerd. In 6 gevallen is er een overtreding geconstateerd en een officiële waarschuwing gegeven. Ook zijn er 3 herinspecties uitgevoerd. Bij deze herinspecties bleek de situatie op orde.
33
Met welke extra maatregelen gaat u ervoor zorgen dat dierhouders hun dieren eindelijk volgens adviezen van experts gaan beschermen en dus aan hun zorgplicht voldoen?
Antwoord
Dierhouders zijn verantwoordelijk voor het beschermen van hun dieren tegen roofdieren, waaronder wolven. Om deze verplichting concreter te maken, wordt gewerkt aan een beleidsregel. Deze zal helderheid bieden over de verwachtingen en normen voor veebescherming. Dit draagt bij aan een effectiever toezicht en handhaving. Daarnaast zetten overheden in op het ondersteunen van dierhouders bij het treffen van adequate wolfwerende maatregelen. Dit vergt namelijk aanzienlijke inspanningen, specifieke kennis en expertise. Om dierhouders hierbij te ondersteunen, zijn de volgende maatregelen genomen:
Het Rijk heeft middelen beschikbaar gesteld voor regionale veebeschermingsinitiatieven.
Provincies bieden subsidies voor de aanschaf van wolfwerende maatregelen.
Er zijn diverse initiatieven gestart of in ontwikkeling, zoals de Drentse praktijkproef met mobiele wolfwerende rasters. Deze initiatieven dragen bij aan kennisontwikkeling en praktische toepassing van beschermingsmaatregelen. Uit de huidige ontwikkelingen blijkt dat dierhouders in toenemende mate gebruikmaken van de beschikbare ondersteuningsmogelijkheden. Dit onderstreept het belang van deze regelingen en initiatieven voor de praktijk.
34
Wanneer wordt het uitkeren van een schadevergoeding strikt gekoppeld aan naleving van de preventienorm door dierenhouders? Kunt u een concrete tijdlijn schetsen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Het uitkeren van tegemoetkomingen bij schade door wolven is een provinciale bevoegdheid. De provincies bepalen zelf de voorwaarden en vereisen momenteel geen preventieve maatregelen om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming in de schade. Het is aan provincies om te bepalen wanneer er wat hen betreft voldoende praktische en doelmatige mogelijkheden tot ingrijpen zijn die het opportuun maken om preventieve maatregelen als voorwaarde te stellen.
35
Kunt u delen hoe de gesprekken met de provincies zijn verlopen over de rapporten die ten gevolge van de aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33576, nr. 436) zijn opgesteld? Welke concrete afspraken zijn er gemaakt? Was er ondersteuning van het ministerie gewenst vanuit de provincies voor Europese aanvragen en is die ondersteuning geboden? Zo ja, kunt u aangeven hoe vaak dit is voorgekomen?
Antwoord
De rapporten zijn met de provincies gedeeld en besproken. Daarbij is afgesproken dat provincies bezien hoe de uitkomsten kunnen worden betrokken bij hun subsidieregelingen. Ook is aangeboden provincies te ondersteunen bij aanvragen voor Europese fondsen. Van dit aanbod is tot op heden geen gebruik gemaakt. Wel wordt op initiatief van LVVN en Gelderland gekeken of deelname aan het Europese LIFE-project ‘Wild Wolf’ haalbaar is. De provincies Drenthe, Noord-Brabant en Groningen hebben aangegeven ook interesse te hebben in deelname.
36
Welke rol van het ministerie is vastgelegd wat betreft de suggesties en conclusies uit de rapporten? Kunt u een overzicht geven welke conclusies en suggesties uit de rapporten zijn overgenomen en welke niet en uitleggen waarom wel en niet?
Antwoord
Provincies zijn verantwoordelijk voor de subsidieregelingen voor wolfwerende maatregelen. Het ministerie verkent de aanvullende inzet van rijksregelingen binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en kan provincies ondersteunen bij Europese aanvragen. De aanbevelingen om bestaande regelingen toegankelijker en eenvoudiger te maken, het verhoogde de-minimisplafond te benutten en Europese financieringsmogelijkheden nader te onderzoeken, worden onderschreven. Provincies bepalen zelf of en hoe zij hun regelingen aanpassen. Voor LIFE en Horizon Europa zijn samenwerkingsprojecten en een langdurige voorbereiding vereist. Het EFRO biedt binnen de huidige programmaperiode weinig financiële ruimte. Deze mogelijkheden zijn daarom tot op heden niet omgezet in afzonderlijke landelijke subsidieregelingen.
37
Kunt u per jaar aangeven hoeveel geld er afgelopen vier jaar is besteed aan maatregelen die helpen bij het leren samenleven met de wolf en het voorkomen van mens-wolfconflicten en ook waar dat geld precies aan is besteed?
Antwoord
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, biedt het LIW feitelijke, actuele en toegankelijke informatie over wolven in Nederland. Specifieke gegevens over maatregelen die helpen bij het leren samenleven met de wolf worden niet structureel bijgehouden. In 2025 en 2026 is er €2.653.000
besteed aan het LIW.
38
Kunt u een overzicht geven hoeveel geld er binnen het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), het Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en Horizon Europa beschikbaar is en hoeveel er in de afgelopen jaren (per jaar) in Nederland is benut, specifiek óók voor preventie van wolfmensconflicten en betere bescherming van landbouwdieren door veehouders, ook per provincie? [1]
Antwoord
De gevraagde informatie is niet op dit detailniveau beschikbaar. Europese fondsen registreren uitgaven naar programma en projectdoel en niet afzonderlijk als preventie van mens-wolfconflicten of bescherming van landbouwdieren. Daardoor kan de Nederlandse benutting niet per jaar en provincie worden uitgesplitst. Uit de uitgevoerde verkenning blijkt dat binnen Horizon Europa maximaal € 37 miljoen beschikbaar was voor relevante oproepen en binnen LIFE maximaal € 3,5 miljoen per project, hier is door Nederland nog geen gebruik van gemaakt. Binnen het GLB is voor de regeling Productieve investeringen Groen-Blauw en dierenwelzijn voor 2023–2028 in totaal € 50 miljoen beschikbaar, in ieder geval Gelderland heeft hier een subsidiemogelijkheid voor gerealiseerd. EFRO biedt binnen de huidige programmaperiode naar verwachting weinig ruimte. Provincies maken voor wolfwerende maatregelen vooralsnog beperkt gebruik van Europese fondsen; wel worden dus rijksmiddelen en provinciale middelen ingezet, zie ook mijn antwoord op vraag 33.
39
Kunt u aangeven of uw verkenning naar aanleiding van aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33576, nr. 436) ertoe heeft geleid dat meer houders van landbouwdieren hun dieren beter en volgens officiële instructies zijn gaan beschermen? Wat heeft het kabinet precies gedaan in het licht van de motie en wat waren de resultaten?
Antwoord
Dit verband kan niet causaal worden vastgesteld. Het aantal dierhouders dat maatregelen treft, wordt niet landelijk op uniforme wijze geregistreerd. Ter uitvoering van de motie heeft het kabinet de provinciale subsidieregelingen en de Europese financieringsmogelijkheden laten onderzoeken, de uitkomsten met provincies gedeeld en ondersteuning bij Europese aanvragen aangeboden. Uit het onderzoek blijkt dat acht provincies begin 2025 een subsidieregeling hadden en dat in meerdere provincies budgetten zijn verhoogd of regelingen zijn vereenvoudigd. Dit wijst op een toenemend gebruik van wolfwerende maatregelen, maar maakt niet inzichtelijk welk deel daarvan rechtstreeks het gevolg is van de motie.
40
Kunt u delen wat provincies hebben gedaan met uw oproep naar aanleiding van de aangenomen motie-Kostic/Graus (Kamerstuk 33576, nr. 437) om een tijdelijk stop in te stellen op beheer van en jacht op de belangrijkste prooien van de wolf?
Antwoord
Er is tot op heden door de provincies geen vervolg gegeven aan deze oproep, want er zijn momenteel bij de provincies geen aanwijzingen dat er sprake is van een tekort aan voedsel voor wolven in de leefgebieden. Daarnaast is het beheer van grote hoefdieren in deze gebieden vaak een onderdeel van een breder beleid, zoals het voorkomen van aanrijdingen en biodiversiteitsherstel door graasdrukvermindering. De impact van wolven op de populatie is niet voldoende om die doelstellingen te bereiken.
41
Bent u bereid deze oproep opnieuw te doen aan de provincies en daar afspraken over te maken, gezien uw leidende rol in het wolvenbeleid? Zo nee, waarom drukt u dan onder het mom van 'spoed' wel een AMvB zonder een debat door de Kamer, maar weigert u ervoor te zorgen dat de meest basale, belangrijke maatregelen die wolf-mensconflicten kunnen voorkomen (zoals het stoppen van jagen in bepaalde gebieden) worden genomen?
Antwoord
De oproep is bekend bij de provincies. Het is aan hen als bevoegd gezag om te besluiten over de invulling van het natuurbeleid. Zie ook mijn antwoord op vraag 40.
42
Kunt u een overzicht geven van extra maatregelen die het kabinet heeft getroffen of nog gaat treffen (met tijdlijn) in het kader van preventie van conflicten tussen mensen en wolven en het leren samenleven met wolven, zoals (maar niet uitsluitend) goede en wijdverspreide en makkelijk toegankelijke voorlichting over wat wel/niet te doen en het afsluiten van natuurgebieden?
Antwoord
Via het LIW, het landelijk initiatief veebescherming en de amvb zet me ik in om informatie beschikbaar te stellen en preventieve maatregelen mogelijk te maken en te ondersteunen waarmee incidenten met wolven kunnen worden voorkomen. Zie in dit verband ook mijn antwoord op de vragen 3 en 37.
43
Is er met onafhankelijke wolvenexperts en wetenschappers gesproken over welke maatregelen het beste getroffen zouden kunnen worden voor het faciliteren van samenleven met wolven? Welke van die maatregelen zijn wel en niet overgenomen?
Antwoord
Het LIW en BIJ12 maken bij hun informatievoorziening gebruik van wetenschappelijke informatie en praktijkervaringen. Er wordt niet bijgehouden welke informatie wel en niet wordt overgenomen.
44
Kunt u aangeven welke juridische risico’s werden bedoeld in de beslisnota over de AMvB (Kamerstuk 2026D20155) in de zin: “De conclusie is dat er sowieso juridische risico's zitten aan de figuur van de vergunning op voorhand”? Wie heeft deze risico-inschatting gemaakt en op basis van welke analyse? Waarom is deze passage niet, of niet in vergelijkbaar expliciete bewoordingen teruggekomen in de Kamerbrief van 24 april 2026 (Kamerstuk 33576, nr. 480) zelf?
Antwoord
In de Kamerbrief van 24 april jl. heb ik aangegeven dat ik verschillende varianten van de vergunning op voorhand voor toekomstige situatie heb verkend en dat juridische risico’s in dit verband niet zijn uit te sluiten. De juridische risico’s waarover het in de bijbehorende beslisnota ging, zagen op de juridische houdbaarheid van een dergelijke op voorhand verleende vergunning, waarbij onder meer onzekerheid over de staat van instandhouding van de wolf, toetsing van de situatie in het individuele geval en vraagstukken over rechtsbescherming een rol spelen. Juristen van mijn ministerie hebben over deze varianten een risico-inschatting gemaakt en deze is ook onderschreven door de Landsadvocaat. Met de vormgeving van de vergunning op voorhand met aanvullende waarborgen zoals deze nu in de amvb is opgenomen zijn de risico’s zoveel mogelijk beperkt. Zekerheidshalve heb ik – zoals ook in die brief genoemd – het ontwerpbesluit opnieuw aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025-2026, 33576, nr. 484) en ook in mijn antwoord op uw vragen 21, 22 en 23 heb toegelicht, heb ik vervolgens naar aanleiding van dat advies de toelichting nog aangevuld en het aan die vergunning verbonden voorschrift gewijzigd.
45
Bent u bereid in het kader van artikel 68 van de Grondwet de volledige beslisnota, inclusief de hier geciteerde passage, ongeschoond openbaar te maken? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt dat zich tot artikel 68 van de Grondwet?
Antwoord
De beslisnota is, op persoonsgegevens na, reeds volledig openbaar.
46
Kunt u uitleggen hoe een systeem van vooraf verleende vergunningen, die later moeten worden "geactiveerd" na vaststelling dat de juiste wolf is betrokken, praktisch uitvoerbaar is als het kabinet zelf erkent dat die identificatie in veel gevallen onmogelijk is? Welke concrete identificatiemethode (bijvoorbeeld DNA-onderzoek of camerabeelden) wordt bij activering van een vergunning op voorhand als minimaal vereist beschouwd, door welke onafhankelijke actoren wordt dat uitgevoerd en binnen welke termijn moet deze beschikbaar zijn voordat tot doden wordt overgegaan?
Antwoord
Aan de vergunning op voorhand is een advies- en informatieplicht verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij in een concrete situatie daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie (artikel 8.74sa Bkl).
De adviesverplichting houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning voor het doden van de wolf in kwestie. Het bevoegd gezag geeft dit advies na raadpleging van een wolvendeskundige. In het advies gaat het bevoegd gezag in op vraag of het hier daadwerkelijk om de wolf gaat die letsel heeft toegebracht. Er is geen vereiste identificatiemethode of -termijn vastgelegd en er kan altijd een mate van onzekerheid bestaan bij identificatie ten tijde van spoed. Omdat er sprake is van letsel zal er waarschijnlijk DNA van de wolf aanwezig zijn, zodat hierbij DNA-onderzoek kan worden verricht. Het advies kan ook gaan over de verificatie van uiterlijke of gedragskenmerken van de wolf. Na ontvangst van dit advies moet de vergunninghouder het bevoegd gezag informeren over de wijze waarop hij in dat individuele geval gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag (de informatieplicht).
47
Wat gebeurt er als bij twijfel over de identiteit van de wolf toch tot afschot wordt overgegaan en achteraf blijkt dat de verkeerde wolf is gedood? Welke juridische en beleidsmatige consequenties heeft dat en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Antwoord
Zoals ik in onder meer mijn antwoord op vraag 46 heb aangegeven, is aan de vergunning op voorhand een voorschrift bestaande uit een adviesverplichting in combinatie met een informatieplicht verbonden, waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Het voorschrift verzekert dat het bevoegd gezag voor elk concreet geval waarbij daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de vergunning op voorhand, na raadpleging van een wolvendeskundige, heeft kunnen adviseren en daarmee toezicht kan uitoefenen. Er kan altijd een mate van onzekerheid bestaan bij identificatie ten tijde van spoed. Als er twijfel is over de identiteit van de wolf in kwestie, zal het bevoegd daaraan in het advies aandacht besteden. De vergunninghouder zal bevoegd gezag vervolgens moeten informeren over de wijze waarop hij gevolg geeft aan het advies. Indien nodig kan het bevoegd gezag, als de vergunninghouder bijvoorbeeld in afwijking van het advies wil handelen, handhavend optreden, met bijvoorbeeld een last onder bestuursdwang.
Provincies zijn voor de vergunningverlening het bevoegd gezag en hebben daarmee ook de verantwoordelijkheid voor bestuursrechtelijke handhaving. Het handelen in strijd met de voorschriften van een vergunning is ook strafbaar op grond van de Wet op de economische delicten. Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving. Dit geldt overigens niet specifiek voor de vergunning op voorhand voor elke vergunning voor flora- en fauna-activiteit met betrekking tot een wolf.
Het grootste deel van de aanvallen door gevestigde wolven valt binnen beperkte gebieden, zo blijkt uit de ruimtelijke analyse van Wageningen Environmental Research. We onderzoeken in het kader van het vaststellen van de Beleidsregel ter invulling van de open norm de mogelijkheid om die gebieden aan te wijzen als preventiezones waar wolfwerende maatregelen noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren tijdens mijn werkbezoek aan Nedersaksen: er zijn roedels wolven die schuw zijn en geen overlast veroorzaken en ook roedels die dat wel doen. We moeten ons richten op de roedels die overlast veroorzaken. Met beheer en met schuw maken. Dan zou het aantal incidenten ook omlaag kunnen gaan.
48
Erkent u dat een onbekende staat van instandhouding, gelet op vaste Europese rechtspraak (waaronder ECLI:EU:C:2019:851), een verhoogde motiveringsplicht en een voorzorgsbenadering met zich meebrengt bij elk voornemen tot versnelde of verruimde vergunningverlening voor het doden van wolven? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Antwoord
Ik deel het uitgangspunt dat er gelet op de onbekende staat van instandhouding vanuit voorzorg moet worden uitgegaan van een ongunstige staat van instandhouding en er gelet op vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie alleen in uitzonderlijke situaties kan worden overgegaan tot het aan de natuur onttrekken van wolven door doden of vangen. Dat uitgangspunt is ook gehanteerd bij de in de amvb opgenomen specifieke beoordelingsregels. Ik vind het van belang dat er een brede afweging van belangen plaatsvindt, waarbij het recht op leven prevaleert.
49
Op welke datum wordt het in uw brief (Kamerstuk 33576, nr. 480) aangekondigde aanvullende Staat van Instandhouding (SvI)-onderzoek aan de Kamer toegezonden? Bent u, zolang dit onderzoek nog niet beschikbaar is, bereid de onderdelen van de AMvB die zien op versnelde vergunningverlening niet toe te passen? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Antwoord
Ik zal uw Kamer voor het eind van het jaar het onderzoeksrapport toesturen. De amvb is op 11 juli jl. in werking getreden. De invulling van de specifieke beoordelingsregels is zodanig dat is verzekerd dat het onttrekken van wolven aan de natuur in een situatie dat de soort nog niet in een gunstige staat van instandhouding verkeert overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt beperkt tot uitzonderlijke situaties, namelijk de meest ernstige gevallen van agressie, en met waarborgen is omgeven.
50
Aangezien de wolvenpopulatie tussen vergunningverlening en daadwerkelijk gebruik (mogelijk jaren later) kan zijn afgenomen en de staat van instandhouding nu al als ongunstig geldt, op welk momenten vindt toets aan de staat van instandhouding plaats en kan het bevoegd gezag een vergunning intrekken als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding geeft? Zo nee waarom niet? Is bevoegd gezag daartoe verplicht als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding geeft? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Antwoord
Ik heb de afgelopen periode aanpassingen aan de amvb gedaan om deze juridisch houdbaar te maken, waaronder het goed verwerken van het laatste advies van de Raad van State. Zoals ook toegelicht in de nota van toelichting is daarbij rekening gehouden met de staat van instandhouding van wolven in Nederland.De toets over de vraag of het ingrijpen afbreuk doet aan het streven om de wolf in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat te laten voortbestaan vindt plaats bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag.
Het bevoegd gezag kan de vergunning intrekken, of de voorschriften van een vergunning wijzigen, als er sprake is van een situatie die ertoe had geleid dat de aanvraag op dat moment geweigerd had kunnen worden (artikel 8.97 van het Bkl). Daarvan zou sprake kunnen zijn als de toets aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding een andere uitkomst zou hebben. Het bevoegd gezag is hiertoe niet verplicht.
51
Hoe beoordeelt u het risico dat het wettelijk vermoeden dat in een "probleemsituatie" geen minder schadelijke alternatieven bestaan en een rechtvaardigingsgrond voor ingrijpen aanwezig is, de bewijslast in bezwaar- en beroepsprocedures feitelijk verschuift van het bevoegd gezag naar degene die het vermoeden wil weerleggen, zoals natuurorganisaties?
Antwoord
Deze specifieke regels vinden hun rechtvaardiging in het bijzondere karakter van wolven, waardoor deze als zij gewend zijn geraakt aan mensen en mensen niet langer ontwijken, daadwerkelijk een gevaar kunnen vormen voor de mens. Tevens zijn zij als grote roofdieren een bedreiging voor door de mens gehouden dieren. Bij incidenten met een wolf die daadwerkelijk een gevaar vormt voor mensen en gehouden dieren en bij wolven die die een probleem kunnen gaan vormen moet snel en adequaat kunnen worden opgetreden. Het gaat bij deze zogenaamde ‘probleemwolven’ en ‘probleemsituaties met een wolf’ om nauwkeurig in het tweede en derde lid van artikel 8.74la van het Bkl omschreven gevallen. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een ‘probleemwolf’ of een ‘probleemsituaties met een wolf’ wordt ook in alle gevallen een wolvendeskundige geraadpleegd. Het gaat hier om een wettelijk bewijsvermoeden, waarbij ruimte is voor tegenbewijs en ook voor een nadere afweging van het bevoegd gezag in een concreet geval.
52
Hoe verhoudt dit risico zich tot vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder de Finse wolvenzaak (ECLI:EU:C:2019:851), waarin is bepaald dat de bewijslast voor het ontbreken van alternatieven bij het bevoegd gezag zelf ligt?
Antwoord
Het bevoegd gezag kan gebruik maken van het wettelijk bewijsvermoeden, waarbij de specifieke beoordelingsregels zo zijn vormgegeven dat alleen als sprake is van een ‘probleemwolf’ of een ‘probleemsituatie met een wolf’ zoals nauwkeurig is omschreven in artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl, wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn.
53
Welke concrete, verifieerbare gegevens moeten zijn vastgelegd voordat een beroep op dit bewijsvermoeden gerechtvaardigd is en bent u bereid dit als toetsbare voorwaarde in de AMvB of de onderliggende beleidsregel vast te leggen?
Antwoord
De specifieke beoordelingsregels zijn zo vormgegeven dat als sprake is van een ‘probleemwolf’ of een ‘probleemsituatie met een wolf’ zoals nauwkeurig is omschreven in artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl, wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn en er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Alleen als aan de hier omschreven situatie wordt voldaan kan met gebruikmaking van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl een omgevingsvergunning voor het (tijdelijk) vangen of doden worden verleend. Bij de omschrijving van de omstandigheden waaronder de wolf kan worden beschouwd als een ‘probleemwolf’, is verzekerd dat het in alle gevallen om de meest ernstige situaties gaat, namelijk situaties van gebleken agressie van een wolf tegen mensen of gehouden, goed beschermde dieren. En bij de lichtere categorie van een ‘probleemsituatie met een wolf’ is geregeld dat de specifieke beoordelingsregels alleen van toepassing zijn bij het slechts voor korte duur uit de natuur halen van wolven, met het oog op monitoring of verplaatsing. Naar mijn idee is dit voldoende concreet in artikel 8.74la van het Bkl opgenomen.
54
Hoe waarborgt u dat het wettelijke vermoeden niet ertoe leidt dat de escalatieladder uit de interventierichtlijnen in de praktijk wordt overgeslagen of onvoldoende wordt gedocumenteerd, terwijl juist het bevoegd gezag moet aantonen dat minder schadelijke alternatieven daadwerkelijk zijn benut of onderzocht?
Antwoord
Het is aan provincies als bevoegd gezag om te bepalen op welke manier de provinciale interventierichtlijnen worden toegepast. Deze richtlijnen vormen geen verplichting voor provincies. Bij het beoordelen of er sprake is van een ‘probleemwolf’ of een ‘probleemsituatie met een wolf’ waaraan het bewijsvermoeden van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl is verbonden, betrekt het bevoegd gezag altijd het oordeel van een wolvendeskundige. Een deskundige kan vanuit zijn expertise bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Hiermee is geborgd dat er in de betreffende situatie daadwerkelijk sprake is van een probleemwolf als bedoeld in dat artikel waarbij wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn.
55
Deelt u de constatering dat het criterium voor een "probleemsituatie" met een wolf dat deze “ten minste twee keer getolereerd heeft dat mensen naderen tot minder dan 30 meter” mede afhankelijk is van menselijk gedrag waar de wolf geen controle over heeft en dat natuurlijk, niet-agressief gedrag van de wolf daardoor tot een probleemkwalificatie kan leiden, terwijl de aanleiding (mede) in menselijk gedrag ligt? Denk aan de wolven die voortdurend wordt opgezocht door recreanten en fotografen en wordt gevoerd met pannenkoeken?[2][3] Wat gaat u doen om te voorkomen dat wolven op deze manier worden bestraft voor verkeerd gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet en met welke wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Antwoord
Ik vind het van groot belang dat mensen zo veel mogelijk afstand houden tot wolven. Maar het kan desondanks voorkomen dat mensen en wolven elkaar tegenkomen. Dit kan leiden tot probleemsituaties. Ik keur het lokken of bewust benaderen van wolven af. Via het LIW wordt informatie verstrekt hoe het publiek met deze situatie om moet gaan. Het is aan provincies en gemeenten als bevoegd gezag, met ondersteuning van een deskundige, om in specifieke situaties te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een probleemsituatie.
56
Welke maatregelen zijn genomen of worden genomen om te voorkomen dat mensen die tegenstander zijn van de aanwezigheid van wolven doelbewust dicht bij een wolf gaan staan, een wolf benaderen of een wolf lokken om zo een "probleemsituatie" in de zin van dit artikel te creëren? Kunt u dit uitgebreid toelichten en aangeven hoe de maatregelen zijn afgestemd met wetenschappers en onafhankelijke wolvenexperts?
Antwoord
Zoals ik mijn antwoord op vraag 55 heb aangegeven, keur ik het lokken of bewust benaderen van wolven af. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat mensen bewust ‘probleemsituaties’ uitlokken.
57
Bent u bereid dit criterium te schrappen of te herformuleren zodat uitsluitend gedrag van de wolven zelf, en niet het verkeerde gedrag van de mens, bepalend is voor de kwalificatie en dus om te voorkomen dat wolven onnodig worden bestraft voor verkeerd gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 49 heb aangegeven, is de amvb op 11 juli jl. in werking getreden en zie ik geen aanleiding om hier aanpassingen aan te doen.
58
U heeft tegen een aangenomen motie van de Kamer de AMvB zonder debat met de Kamer definitief vastgesteld, maar was daarvoor de definitieve, na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 20 mei 2026, aangepaste tekst van het ontwerpbesluit met nader rapport aan de Kamer toegezonden (los van uw brieven) en was de door de vaste commissie voor LVVN gevraagde reactie op de notitie van Werkgroep Wolf Leusden van 12 mei 2026 daarvoor verzonden? Klopt het dat vragen vanuit de Eerste Kamer nog niet waren beantwoord, voordat u de AMvB definitief had gemaakt? Kunt u een precieze tijdlijn delen?
Antwoord
In mijn beantwoording van vragen van uw Kamer op 6 juli jl. (Kamerstukken II 2025-2026, 33576, nr. 512) heb ik aangegeven dat ik uw Kamer inzicht heb gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, dat ik uw Kamer heb gewezen op het belang van spoedige vaststelling van het besluit en dat het afwachten van een oordeel van uw Kamer geen vereiste is in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit.
Een reactie op de twee brieven van de Werkgroep Wolf Leusden (Kamerstukken II 2025-2026, 2026Z09907/2026D23750 en 2026Z14671/2026D34934) heeft uw Kamer op 27 augustus ontvangen in mijn brief over de ontwikkelingen in het wolvenbeleid (Kamerstuk II 2025-2026, nr. 2026Z17340).
Op 6 juli jl. heb ik de Eerste Kamer de beantwoording toegestuurd van nadere vragen over wijziging Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) toegestuurd (Kamerstukken I 2025-2026, 33118, HH). De amvb is op 10 juli jl. gepubliceerd en op 11 juli jl. in werking getreden.
59
Wie gaat toezicht houden, monitoren en handhaven op correcte en tijdige uitvoering van de wet en Europese afspraken rondom wolven? Hoe wordt dit precies gecontroleerd? Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Is er extra capaciteit door dit kabinet vrijgemaakt hiervoor en zo ja, hoeveel en voor wat precies?
Antwoord
Provincies zijn het bevoegd gezag voor het uitvoeren van en controleren van het wolvenbeleid. In het Wolvenplan 2025 hebben provincies hun gezamenlijke beleid vastgelegd. Daarnaast zijn er verschillende provincies die aanvullend beleid hebben geformuleerd. Het is mij niet bekend hoe elke provincie de controle uitvoert en welke capaciteit hiervoor wordt ingezet, omdat er geen centrale registratie plaatsvindt van de provinciale inzet. Het kabinet heeft geen extra capaciteit vrijgemaakt voor controle van het wolvenbeleid.
60
Kunt u deze vragen één voor één voor het debat over de wolf beantwoorden?
Antwoord
Ja.