[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Antwoord op vragen van het lid Rooderkerk over het bericht ‘Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere’

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D40089, datum: 2026-09-01, bijgewerkt: 2026-09-01 11:03, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z15832:

Preview document (🔗 origineel)


AH 2878

2026Z15832

Antwoord van staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 1 september 2026)

Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 2542

Inleiding

Gezien de belangstelling vanuit uw Kamer voor dit onderwerp, hecht ik eraan u verder te attenderen op vier Woo-verzoeken die recent zijn ingediend over de bekostiging van de Renaissanceschool. Vandaag zal ik in reactie op de vier

Woo-verzoeken informatie openbaar maken. De informatie wordt gepubliceerd op open.overheid.nl. De informatie omvat onder andere het marktonderzoek.

Vraag 1

Klopt het dat de Renaissanceschool in Almere rijksbekostiging ontvangt?

Per welke datum is deze bekostiging toegekend en kan het advies van de Inspectie van het Onderwijs (onderwijsinspectie) als bijlage worden meegestuurd?

Antwoord 1

Ja, de Renaissanceschool in Almere ontvangt vanaf augustus 2026 bekostiging. Het besluit hierover is genomen op 3 juni 2025 en ook gepubliceerd in de Staatscourant.1 Het inspectieadvies is opgevraagd via een WOO-verzoek en zal op korte termijn openbaar worden gemaakt.

Vraag 2

Welke rechtspersoon is het bevoegd gezag van de Renaissanceschool? Wie zijn de bestuurders en toezichthouders, en welke andere organisaties zijn formeel of feitelijk bij deze school betrokken?

Antwoord 2

Het bevoegd gezag is de Tocqueville stichting. De namen van de bestuurders van de stichting zijn geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.. De stichting heeft een one-tier model waar het toezicht onderdeel uitmaakt van het bestuur. In het uittreksel van de KvK worden geen andere organisaties genoemd die formeel of feitelijk betrokken zijn bij deze stichting.

Het bestuur is verantwoordelijk voor wat er op de school gebeurt.

Vraag 3 en 4
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat een school aparte leertrajecten aanbiedt voor jongens en meisjes op basis van “de biologische verschillen tussen de seksen” en daarbij stelt dat individuele verschillen in aanleg en geslacht “fundamenteel en onveranderlijk” zijn?

Hoe verhoudt het aanbieden van aparte leertrajecten zich tot de Algemene wet gelijke behandeling en sociale veiligheidsverplichting uit artikel 8, lid 3a, Wet op het primair onderwijs?

Antwoord 3 en 4

In beginsel mag een school bij het aanbieden van onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht.2 De Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) staat voor bijzondere scholen een beperkte uitzondering toe op deze hoofdregel.3 Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Een school mag alleen onderscheid naar geslacht maken voor zover dat onderscheid een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormt, gelet op de religieuze of levensbeschouwelijke

grondslag van de school. Onderscheid naar geslacht is alleen toegestaan indien er sprake is van gelijkwaardige voorzieningen en het gemaakte onderscheid mag niet verder gaan dan passend is op basis van genoemde grondslag.

In alle gevallen moet de school aan de wettelijke burgerschapsopdracht blijven voldoen, die onder andere is vastgelegd in artikel 8, lid 3a, van de Wet op het Primair Onderwijs. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dat ze zorgdragen voor een schoolcultuur die daar van uitgaat. Daarop ziet de inspectie toe. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt ook nadrukkelijk van scholen dat ze haar leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in geslacht, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Voor een school die onderscheid maakt op grond van geslacht, brengt dat een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee.

Vraag 5

Is het huidige toezichtkader voldoende toegerust om in te grijpen wanneer scholen leerlingen op basis van geslacht structureel verschillend behandelen of verschillende leertrajecten aanbieden?

Antwoord 5

In het antwoord op vraag 3 is beschreven wat wel en niet mag bij onderscheid naar geslacht; dat volgt uit de Awgb en uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Wanneer een school zich niet aan de wettelijke burgerschapsopdracht houdt, kan de inspectie een herstelopdracht geven en, bij uitblijven van herstel, een financiële sanctie opleggen. Leven er bij leerlingen, ouders of onderwijspersoneel twijfels over of de Awgb wordt nageleefd, dan kunnen ze daarover een oordeel vragen bij het College voor de Rechten van de Mens.

Vraag 6

Deelt u de opvatting dat een school leerlingen moet leren kritisch te denken op basis van feiten en wetenschap, en dat het wegzetten van wetenschappelijke consensus als “falsifieerbare hypothesen” in de levensovertuiging van de school hiermee op gespannen voet staat?

Antwoord 6

Met de kerndoelen wordt gereguleerd welke kennis, inzicht en vaardigheden leerlingen moeten verwerven en welke ervaringen zij binnen het onderwijs moeten opdoen. Een school moet waarborgen dat haar onderwijsprogramma gericht is op het realiseren van de kerndoelen. Onderdeel daarvan is ook het leren gebruiken van natuurwetenschappelijke werkwijzen, daarbij behoort het toepassen van onderzoekstappen.4 Daarnaast staat het een bijzondere school vrij om ook een eigen mens- en maatschappijvisie over te brengen in het onderwijs. Dat mag echter slechts voor zover de kerndoelen en de vereisten van de burgerschapsopdracht in acht worden genomen.

Vraag 7

Hoe verhoudt de publieke bekostiging van een school die door een politieke partij expliciet als "onze eigen school" en als onderdeel van de eigen "zuil" wordt gepresenteerd, zich tot de vereiste van algemeen maatschappelijk nut die ten grondslag ligt aan de bekostigingssystematiek?

Antwoord 7

Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria (zoals de belangstellingsmeting of de kwaliteitstoets). De lat voor nieuwe scholen is democratisch bepaald en voor iedereen gelijk. Ook in de praktijk moet elke school voldoen aan dezelfde wettelijke voorschriften, daar ziet de inspectie op toe.

Vraag 8

Hoe wenselijk acht u het dat een politieke partij of politieke beweging een eigen school opricht?

Antwoord 8

Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan.

Deze vrijheid is echter niet onbegrensd. Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht rust op scholen ook de verantwoordelijkheid om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en om hen voor te bereiden op deelname aan onze pluriforme samenleving. Dat vraagt onder meer van scholen dat ze ruimte bieden voor uitwisseling van ideeën, ook als die ideeën schuren met de eigen grondslag, zodat leerlingen zelfstandig leren denken en eigen keuzes kunnen maken.

Vraag 9

Deelt u de mening dat het gebruik van rijksbekostiging voor het opbouwen van de politieke infrastructuur van een partij een ongeoorloofd doel is dat haaks staat op de publieke functie van onderwijs?

Antwoord 9

De bekostiging die nieuwe scholen ontvangen mag enkel worden uitgegeven aan de kosten voor personeel en exploitatie van de school. De inspectie controleert hierop. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.

Vraag 10

Hoe waarborgt u dat leerlingen leren omgaan met verschillende opvattingen en niet worden opgevoed binnen de ideologische wereld van één politieke partij?

Antwoord 10

Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben scholen de plicht om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid. De inspectie beoordeelt of scholen voldoen aan deze plicht, en kan hier tevens op handhaven als dat nodig is.

Vraag 11

Welke wettelijke waarborgen bestaan er op dit moment om te voorkomen dat een bekostigde school feitelijk functioneert als verlengstuk van een politieke partij of politieke beweging?

Antwoord 11

De wettelijke burgerschapsopdracht borgt op alle scholen, ook scholen die uitgaan van een specifieke richting, dat het onderwijs zich herkenbaar richt op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de grondwet. Daarnaast dienen scholen leerlingen kennis over en respect voor verschillen bij te brengen, onder ander op het gebied van godsdienst, levensovertuiging en politieke gezindheid. Dit volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht en heeft ook een plaats in de nieuwe kerndoelen burgerschap, die in 2027 worden opgenomen in de wet.

Vraag 12

Deelt u de opvatting dat artikel 23 van de Grondwet ruimte biedt voor scholen met een eigen richting, maar geen vrijbrief is voor discriminatie, uitsluiting, antidemocratische vorming of partijpolitieke indoctrinatie?

Antwoord 12

Ja, die mening deel ik. Niet voor niets is in het coalitieakkoord opgenomen dat de vrijheid van onderwijs niet mag worden misbruikt om de kernwaarden van onze democratische rechtsstaat te ondermijnen. De vrijheid van onderwijs stopt daar waar discriminatie, uitsluiting of de vorming van antidemocratisch gedachtegoed begint. Voor scholen geldt nadrukkelijk de plicht om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat te bevorderen en om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in lijn is met deze basiswaarden.

Vraag 13

Hoe beoordeelt u de opening van de school in het kader van de burgerschapsopdracht? Acht u de het huidige toetsingskader van de onderwijsinspectie voldoende toereikend?

Antwoord 13

Het toetsingskader van de onderwijsinspectie sluit voldoende aan bij de huidige burgerschapsopdracht en wetgeving. Op basis van de inhoud van de bekostigingsaanvraag bestaat nu geen aanleiding om aan te nemen dat de school niet aan de burgerschapsopdracht zal voldoen. De inspectie toets hier nog eens op in het eerste jaar.

Vraag 14

Bent u bereid, indien blijkt dat deze praktijk binnen het huidige toezichtkader onvoldoende kan worden aangepakt, te onderzoeken of het toezichtkader of de wet ten aanzien van de oprichting van nieuwe scholen moet worden aangescherpt?

Antwoord 14

Het inspectietoezicht en de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zijn bedoeld om ongewenste praktijken tegen te gaan. De inspectie controleert in het eerste jaar na de start van iedere school of de school voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van onder andere de kwaliteit en veiligheid, waaronder de eisen rondom burgerschap.

Vraag 15

Klopt het dat dit de eerste school is die via een marktonderzoek is opgericht en welk bureau heeft dit onderzoek uitgevoerd? Kan het marktonderzoek meegestuurd worden?

Antwoord 15

Het klopt dat dit de eerste nieuwe school is die de belangstelling heeft aangetoond via een marktonderzoek. Het betreffende marktonderzoek is ook opgevraagd via een WOO-verzoek en wordt parallel aan de beantwoording van deze schriftelijke vragen openbaar gemaakt.

Vraag 16

Hoe beoordeelt u dat via een marktonderzoek de oprichting van de school wordt mogelijk gemaakt, terwijl het eerder niet gelukt is ondanks flinke campagnes de benodigde verklaringen te verzamelen en gezien het geringe aantal aanmeldingen?

Antwoord 16

Het is binnen de stichtingsprocedure mogelijk om voldoende belangstelling aan te tonen via ouderverklaringen of (in uitzonderingssituaties5) een marktonderzoek. Beide methoden zijn bedoeld om een goede voorspelling te geven van de daadwerkelijke belangstelling voor een school. Het marktonderzoek moet zijn afgenomen op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek.

In 2022 heeft de Tocqueville stichting ook een belangstellingsmeting gedaan, maar vervolgens geen bekostigingsaanvraag ingediend. Daarna heeft dit bestuur besloten een particuliere school op te richten en deze later weer te sluiten. De praktijk zal moeten uitwijzen in hoeverre het marktonderzoek een goede voorspeller is van de daadwerkelijke belangstelling voor de nieuwe school. Omdat de cijfers uit het marktonderzoek en de huidige leerlingenpopulatie verschillen, nemen we deze vorm van belangstellingsmeting mee bij de evaluatie van de wet. Elke nieuwe school moet aan het begin van het vierde jaar minimaal de helft van de stichtingsnorm behalen. In het geval van de Renaissanceschool bedraagt dit aantal 139. Zo niet, dan stopt de bekostiging aan het einde van dat schooljaar.


  1. Staatscourant. 2025, 18568↩︎

  2. Artikel 7, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb).↩︎

  3. Artikel 7, tweede lid, van de Awgb.↩︎

  4. Zie voorgesteld kerndoel 29C voor het primair onderwijs.↩︎

  5. Artikel 9 van de Regeling voorzieningenplanning po 2021.↩︎