Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 25 juni 2026, over het Jaarverslag van het ministerie VWS 2025
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025
Verslag van een wetgevingsoverleg
Nummer: 2026D40149, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-09-01 16:11, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (PRO)
- Mede ondertekenaar: M.E. Esmeijer, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36945 XVI-18 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025.
Onderdeel van zaak 2026Z17536:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-06-25 14:30: Jaarverslag ministerie VWS 2025 (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
36 945 XVI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025
Nr. 18 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 31 augustus 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 25 juni 2026 overleg gevoerd met mevrouw Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, over:
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 20 mei 2026 inzake jaarverslag van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (Kamerstuk 36945-XVI, nr. 1);
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 9 juni 2026 inzake beantwoording vragen commissie inzake het jaarverslag van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (Kamerstuk 36945-XVI, nr. 1) (Kamerstuk 36945-XVI, nr. 7);
- het wetsvoorstel Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (Kamerstuk 36945-XVI);
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 9 juni 2026 inzake verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden over het wetsvoorstel Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025 (Kamerstuk 36945-XVI, nr. 8);
- de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 20 mei 2026 inzake aanbieding van het rapport resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kamerstuk 36945-XVI, nr. 2);
- de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 9 juni 2026 inzake beantwoording vragen commissie, gesteld aan de Algemene Rekenkamer, over het rapport resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kamerstuk 36945-XVI, nr. 2) (Kamerstuk 36945-XVI, nr. 5);
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 9 juni 2026 inzake beantwoording vragen commissie, gesteld aan de regering, over het rapport resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kamerstuk 36945-XVI, nr. 2) (Kamerstuk 36945-XVI, nr. 6).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
De griffier van de commissie,
Esmeijer
Voorzitter: Synhaeve
Griffier: Krijger
Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Van Brenk, Van Meetelen, Synhaeve, Tijmstra, Vliegenthart en Wendel,
en mevrouw Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
Aanvang 14.35 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag. Ik open deze vergadering van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Aan de orde vandaag is het wetgevingsoverleg over de jaarverantwoording 2025 van VWS. Ik heet ook beide bewindspersonen en de ondersteuning van harte welkom. Aan de zijde van de Kamer zijn aanwezig mevrouw Vliegenthart namens PRO, mevrouw Wendel van de VVD, mevrouw Van Meetelen namens de PVV, mevrouw Tijmstra van het CDA en mevrouw Van Brenk namens 50PLUS. Ik mag vandaag als uw voorzitter fungeren. Dat is al iets vaker gebeurd deze week. Ik zal straks ook mijn eigen bijdrage doen namens D66.
Even kijken. We hebben in totaal vier uur de tijd voor dit wetgevingsoverleg. De sprekersvolgorde die zal worden gehanteerd, zal dezelfde sprekersvolgorde zijn als bij de begrotingsbehandeling. De opbouw van dit debat is als volgt. We beginnen met een bijdrage vanuit de rapporteurs. Daar zullen dan de bewindspersonen op reageren. Vervolgens hebben we de eerste termijn aan de zijde van de Kamer. Dan gaan we even schorsen en dan hebben we de tweede termijn van de bewindspersonen. Nee, dat zal dan de eerste termijn van de bewindspersonen zijn. Dan volgt de tweede termijn van de Kamer en tweede termijn van de bewindspersonen.
Ik stel voor dat ik nu eerst het woord geef aan de twee rapporteurs. Dat zijn de leden Synhaeve en Vliegenthart. Dus dan kijk ik even naar mevrouw Wendel en vraag ik of zij even het voorzitterschap wil overnemen voor dit eerste onderdeel.
Voorzitter: Wendel
De voorzitter:
Nou, vooruit. Dan ga ik even uitgebreid naar mezelf. Nee, het woord is eerst aan mevrouw Synhaeve als rapporteur.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Als rapporteurs hebben we namens de commissie VWS de jaarverantwoording VWS over het jaar 2025 nader bekeken. Gezien de tijd beperken we ons hier tot vier onderwerpen: risico's bij de inning en besteding van belasting- en premiegeld, de opvolging van de aanbevelingen uit de periodieke rapportages, de uitkomsten van de V-100 over de mentale gezondheid van toekomstige generaties en de aandachtspunten van de Rekenkamer over de bedrijfsvoering. Ik zal eerst bij twee punten stilstaan en daarna kan de voorzitter het woord doorgeven aan mevrouw Vliegenthart voor de laatste twee punten.
Bij het eerste punt begin ik met complimenten aan de minister over de bedrijfsvoering. De sinds 2022 door de Rekenkamer gesignaleerde ernstige onvolkomenheden zijn in 2025 grotendeels opgelost. Wel ziet de Rekenkamer ruimte om het interne fraudebeleid te versterken en een onvolkomenheid bij de uitvoeringstoetsen. Die missen regelmatig of zijn onvolledig. Dat geldt vooral voor de uitvoeringstoetsen van toezichthouders. Daar mist vaak informatie over de personele gevolgen van wetgeving. De minister erkent dit en sluit aan bij het rijksbrede traject Doorontwikkeling uitvoeringstoets. Toch is de vraag of de minister kan toezeggen beter te sturen op het ontbreken van uitvoeringstoetsen en vooral personeelsinformatie in bestaande uitvoeringstoetsen en of zij de Kamer kan informeren over de voortgang.
Dan de risico's. Ook hier eerst complimenten over de Nationale Zorgreserve, die in recordtijd opgebouwd is. Daar staat tegenover dat we in grote lijnen zien dat de beleidsdoelen achterblijven. Uit het jaarverslag maken we op dat ondanks gevoerd beleid de bevolking iets ongezonder is geworden. Een voorbeeld: het aantal rokers neemt niet af en het aantal minderjarige vapers neemt zelfs toe. Welke oorzaken ziet de minister zelf voor het achterblijven bij de doelstellingen uit onder meer de Gezonde Generatie 2040, de Samenhangende preventiestrategie en Gezondheid in alle beleidsdomeinen? Zijn die doelen wel haalbaar en zijn de middelen, inclusief financiële middelen, wel toereikend genoeg om deze doelen te bereiken?
Tot slot heeft de commissie gekeken naar de risico's bij de aanpak van zorgfraude. We zien als commissie dat de minister positieve stappen onderneemt met extra budget en meer capaciteit bij inspecties. De commissie wil wel graag meer zicht op de effectiviteit van wetgeving. Hebben de inspecties voldoende capaciteit en kan de minister toezeggen specifieke aandacht te geven aan de personele impact van beleid?
Dat was mijn bijdrage als rapporteur, voorzitter. Mevrouw Wendel?
De voorzitter:
De voorzitter zit te slapen, heb ik gehoord! Het woord is aan mevrouw Vliegenthart.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Dan ga ik door met het volgende punt. Dat is een aanvulling op de andere rapporteur, mevrouw Synhaeve, en gaat over de opvolging van de aanbevelingen uit de periodieke rapportages. De minister heeft eind 2025 de resultaten van twee periodieke rapportages ontvangen, over arbeidsmarktbeleid in de zorg en het geneesmiddelenbeleid. Op basis van de opvolgingsbrief zien we dat de minister serieus werk maakt van de opvolging van de aanbevelingen, maar de Rekenkamer merkt wel op dat de signalen over geneesmiddelentekorten beter kunnen als gebruik wordt gemaakt van eenduidige valide cijfers en dat dit vooraf beter te formuleren is als een verbeterpunt. We wijzen in dit verband ook op de opmerking van de Rekenkamer over taakstellingen. Als deze voor de overheid niet samengaan met scherpe keuzes, dan kan dit ten koste gaan van de effectiviteit van al het beleid. Dat zou zomaar het geval kunnen zijn geweest bij het achterblijven van verschillende beleidsdoelen. We willen de minister daarom ook vragen op welke manier ze uitvoering gaat geven aan de oproep om scherpe keuzes te maken bij de bezuinigingen op het ambtelijk apparaat en verdere uitvoering van de zorg, waar ze accenten gaat leggen en welke thema's ze laat liggen. We zouden de minister ook willen vragen om in brede zin, dus voor al het beleid, de impact van het beleid duidelijker meetbaar en dus zichtbaarder te maken door de inzet van specifieke, meetbare, afrekenbare, realistische en tijdgebonden doelen, zodat we beter kunnen gaan sturen op die aanbeveling.
Tot slot, als vierde punt, de V-100. Vanuit ons rapporteurschap hebben we gesproken met twaalf jongvolwassenen over de effecten van beleid op de mentale gezondheid van toekomstige generaties jongeren. De boodschappen waar zij mee kwamen, waren helder. Jongeren zien een angstaanjagende toekomst voor zich met veel prestatiedruk en weinig erkenning door oudere generaties. Concreet stelden zij voor om direct werk te maken van het verbeteren van het jeugdzorgstelsel, met medeneming van de stem van jongeren, en om werk te maken van de prestatiedruk die jongeren op vele manieren voelen. Zij hebben hierover vragen gesteld aan de minister. We kijken heel erg uit naar de antwoorden. Kan de minister aangeven wanneer die antwoorden naar de Kamer komen?
Voorzitter. Dan rond ik af, want dit was onze inbreng namens de commissie als rapporteurs. Dank u wel.
De voorzitter:
Dan wil ik heel graag het woord teruggeven aan de oplettende voorzitter, mevrouw Synhaeve.
Voorzitter: Synhaeve
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de bewindspersonen om te reageren op de inbreng van de rapporteurs. Ik verzoek de leden om daarin niet te interrumperen.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Allereerst veel dank aan de beide rapporteurs, mevrouw Vliegenthart en mevrouw Synhaeve, zeg ik via u, voorzitter, voor uw scherpe en zorgvuldige inbreng en ook voor de breedte van de onderwerpen waar u op in bent gegaan in de rapportage. Ik denk dat dat recht doet aan de breedte van het VWS-domein en de vele onderwerpen die de revue passeren, en ook aan de zorgvuldigheid waarmee u de uitkomsten van het jaarverslag van VWS, de bevindingen van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk én de uitkomsten van de V-100 heeft gewogen.
U bent in uw bijdrage ingegaan op vier onderwerpen: de aandachtspunten van de Rekenkamer, de risico's bij de inning en besteding van belasting- en premiegeld, de opvolging van de aanbevelingen uit de periodieke rapportages, en de uitkomsten van de V-100. Ik zal langs die blokken reageren, waarbij de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal ingaan op de vragen en opmerkingen naar aanleiding van de V-100-rapportage en ook op zorgfraude en de vragen die daarover gesteld zijn, en natuurlijk de arbeidsmarktrapportage.
Voorzitter. Ik begin met de bedrijfsvoering en het financieel beheer. Laat ik beginnen met te zeggen dat dit onderwerp tot twee jaar geleden het debat over het jaarverslag van VWS beheerste, want het is nog niet zo heel lang geleden dat het financieel beheer bij VWS ernstig tekortschoot. In 2023 waren er maar liefst zes onvolkomenheden, waarvan één ernstige. Door heel hard werken en veel inzet in de afgelopen jaren van heel veel collega's van minister Sterk en mijzelf op het ministerie is het gelukt om bijna alle onvolkomenheden weg te werken. Het is in dit licht dan ook heel fijn dat de rapporteurs veel van de mensen die hieraan gewerkt hebben, via deze weg een compliment hebben gegeven. Ik geef dat heel graag aan hen door. Ik merk ook op dat die positieve ontwikkeling ook door de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer wordt onderkend. Dit geeft vertrouwen dat VWS duurzaam meer in control is over de bedrijfsvoering.
Dat vertrouwen is wat mij betreft niet alleen gebaseerd op wat we verbeterd hebben, maar ook op hoe dat is gedaan. Veel maatregelen zijn inmiddels structureel ingebed in de organisatie. Er is bijvoorbeeld een opleidingsprogramma waarmee alle medewerkers hun kennis over de financiële kant van goed beleid kunnen vergroten, en er zijn expertisecentra ingericht voor subsidies voor inkoop en sinds 2025 ook voor de keuze van het juiste financiële instrument. De herinrichting van de financiële functie is in 2025 afgerond en we hebben de planning-and-controlcyclus versterkt, zodat zowel de ambtelijke top als de politieke top gerichter op risico's kan sturen. Dit zijn geen losse interventies; het is echt een samenhangend pakket van maatregelen, bouwstenen die leiden tot een organisatie die steeds beter in control is.
Vandaag, in het jaarverslag dat nu voorligt en de reactie van de Rekenkamer daarop, resteren nog twee onvolkomenheden: het financieel beheer en de uitvoeringstoetsen. Ik heb er vertrouwen in dat we ook hier op de korte termijn stappen in kunnen zetten. Voor het financieel beheer resten er nog wat aandachtspunten: het verder uniformeren van de procesbeschrijvingen en de ontwikkeling van een fraudebeleid. Deze punten hebben echt onze gezamenlijke aandacht. Zoals ik al zei, verwacht ik dat we ook hier op korte termijn nog significante stappen kunnen zetten.
Voorzitter. De beide rapporteurs vragen of we kunnen toezeggen beter te sturen op het ontbreken van uitvoeringstoetsen en op het ontbreken van personeelsinformatie daarin en de Kamer over de voortgang daarvan te informeren. Die toezegging doe ik namens ons beiden heel graag. We zetten gericht in op het proces van uitvoeringstoetsen en we nemen de aanbevelingen van de Rekenkamer over. Zoals de rapporteurs terecht opmerken, sluiten we aan bij het rijksbrede traject Doorontwikkeling uitvoeringstoets. Het is mij ook echt menens, juist omdat het gebrek aan personeelsinformatie zeker bij toezichthouders raakt aan de vraag of nieuwe wetgeving in de praktijk ook uitvoerbaar is. Heel concreet doe ik hierbij de toezegging om de Kamer hierover uitgebreid te informeren in de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag over 2026. We kiezen dat moment heel bewust, want dan kunnen we laten zien of de maatregelen die in 2026 genomen worden, ook echt hebben gewerkt. Dat is wel mijn verwachting, maar daarover zullen we dan rapporteren in het jaarverslag dat u volgend jaar ontvangt.
Voorzitter. Mijn dank ook voor het compliment van de rapporteurs voor de Nationale Zorgreserve, die inderdaad in korte tijd is opgebouwd. De Rekenkamer beoordeelt dat beleid als toereikend: er zijn ruim 5.000 reservisten ingeschreven, de administratie is op orde en twee grote knelpunten uit de coronacrisis, namelijk de administratieve last en de aansluiting tussen vraag en aanbod, zijn aangepakt. Dat is belangrijk, want het maatschappelijk belang van een goede voorbereiding op een crisis is alleen maar toegenomen. Ik neem de aanbevelingen van de Rekenkamer hierbij ook over, onder meer die over het oefenen van de inzet. We nemen dat mee in de verdere verkenning naar het opdrachtgeverschap van de zorgreserve. We hebben daarbij oog voor het punt dat de huidige aanbestedingsopdracht eind 2027 afloopt.
Voorzitter. Tegenover het positievere beeld zien de rapporteurs dat beleidsdoelen op het gebied van volksgezondheid achterblijven. Het aantal rokers daalt niet en het aantal minderjarige vapers neemt zelfs toe. Op de vraag naar de oorzaken daarvan en naar de haalbaarheid van de doelen en de toereikendheid van de middelen zal ik verder ingaan in het blokje preventie en de gezonde generatie, maar ik wil eerst nog wat zeggen over de opvolging van de aanbevelingen uit de periodieke rapportages.
Voorzitter. De beide rapporteurs constateren dat er serieus werk wordt gemaakt van de opvolging van de aanbevelingen uit de twee rapportages, namelijk die over het arbeidsmarktbeleid en het geneesmiddelenbeleid. Ik dank hen ook voor die constatering en licht graag het geneesmiddelenbeleid kort toe. Minister Sterk zal zo meteen ingaan op het arbeidsmarktbeleid.
U wijst in navolging van de Rekenkamer op een terecht verbeterpunt ten aanzien van het geneesmiddelenbeleid, namelijk de signalering van tekorten die beter kan, met eenduidigere en valide cijfers, en door dit vooraf beter te formuleren. Ik onderschrijf die aanbevelingen, dat dringende advies, van harte. Er bestaat immers nog geen uniforme definitie van een tekort en we missen de volledige vergelijkbare data over de ernst en de omvang ervan.
Binnen het AZWA, het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, maken we daarom afspraken met koepels van zorgverleners, ziekenhuizen, zorgverzekeraars, patiënten, groothandels en leveranciers. Die afspraken gaan over een uniforme en eenduidige definitie van een tekort, over het versnellen en verbeteren van de data-uitwisseling en over de haalbaarheid van één informatiepunt met duidelijke, uniforme en actuele informatie. Ik zeg de rapporteurs toe dat ik daarbij het patiëntenperspectief expliciet zal meenemen en de Patiëntenfederatie ook bij de verdere uitwerking zal betrekken, want uiteindelijk gaat het om de patiënt, die op dit moment niet in alle gevallen een volwaardig alternatief heeft voor het vertrouwde middel. Ik zal de Kamer hierover in het eerste kwartaal van 2027 nader informeren.
Voorzitter. Dan de scherpe keuzes bij taakstellingen. De rapporteurs verwijzen naar de opmerking van de Rekenkamer over die taakstellingen en zeggen dat als de bezuinigingen niet samengaan met scherpe keuzes, ze ten koste kunnen gaan van de effectiviteit van het beleid. De vraag aan mij is hoe ik uitvoering geef aan de oproep om die keuzes te maken bij de bezuinigingen op het apparaat en in de uitvoering en daarbij accenten te leggen. Ik geef even iets van achtergrond voordat ik hier nader op in zal gaan.
Het kabinet-Schoof heeft vanuit het Hoofdlijnenakkoord 2024 een apparaatstaakstelling opgelegd. Het aandeel van het ministerie van VWS hierin bedraagt 67,9 miljoen vanaf 2029. Die taakstelling loopt op vanaf 2025. Dat is best een fors bedrag. Dat vraagt een zorgvuldige invoering. Voor het eerste jaar is ingezet op het terugdringen van de externe inhuur en de versobering van de bedrijfsvoering. In de komende jaren zal naar verwachting het aantal fte afnemen. Op basis van natuurlijk verloop wordt vanuit efficiencyoverwegingen in sommige gevallen besloten om bepaalde functies niet meer in te vullen. Dat betreft dan afzonderlijke functies en heeft geen betrekking op complete afdelingen of directies. Daarbovenop komen dan nog taakstellingen uit het kabinet-Jetten, samen voorlopig 114,2 miljoen structureel vanaf 2030. Op dit moment wordt er gewerkt aan plannen voor de invulling van deze taakstelling door het kabinet.
Wij zien dat de krapte op de arbeidsmarkt binnen zorg en welzijn aanhoudt en dat tekorten zullen stijgen. Met de ondertekening van de zorgakkoorden zijn stappen gezet om de houdbaarheid en toegankelijkheid van de zorg te borgen. Zo zijn er afspraken gemaakt om de groei van de zorgvraag en de vraag naar arbeid af te remmen, onder meer door van passende zorg de norm te maken en de beweging van zorg naar gezondheid te versterken. Aan de aanbodzijde richten de afspraken zich op het verlagen van de administratieve lasten, de inzet van arbeidsbesparende technologie en het opleiden en ontwikkelen van personeel daar waar de tekorten het grootst zijn. Dit ziet echt op de vraag: hoe sturen we nou op de zorguitgaven, collectief of macro, om die zo goed mogelijk onder controle te krijgen?
Voorzitter. Dan de sturing op meetbare doelen. Hier doen de rapporteurs een bredere aanbeveling, die ik heel graag oppak. Het gaat namelijk om de impact van beleid: duidelijker, meetbaar en zichtbaar, met specifieke meetbare, afrekenbare, realistische en tijdgebonden doelen, en daar beter op sturen. Ik onderschrijf echt het belang daarvan, want inzicht in wat beleid oplevert, is in de eerste plaats voor de Kamer van groot belang om haar controlerende taak te kunnen uitvoeren, maar ook voor ons als ministers om te kunnen sturen op het beleid dat wij maken. Wij zetten daar stappen in. Zo nemen we, mede op verzoek van de commissie, indicatoren op in de begrotingsartikelen, zodat de doelen en de voortgang beter navolgbaar worden. We ontwikkelen ook de monitoring van de akkoorden door naar een geïntegreerde IZA/AZWA-monitor te gaan, zodat we efficiënter op de voortgang kunnen sturen. Ik zeg de Kamer hierbij toe dat we die monitoring voortzetten, ook na de looptijd van het IZA en het AZWA. Dat doen we om die trends, die beweging naar de voorkant, die beweging van zorg naar gezondheid en die beweging naar passende zorg, ook echt voor langere termijn te kunnen blijven volgen. Ik wil daar wel een kanttekening bij maken: niet elk maatschappelijk effect laat zich vatten in één afrekenbaar getal. Sommige indicatoren laten een beweging zien die we ook maar ten dele via beleid kunnen beïnvloeden. Zaken zoals welbevinden of sociale samenhang zijn lastig in één cijfer uit te drukken. Ik wil dus echt scherper sturen op meetbare doelen. Nogmaals, ik begrijp dat verzoek en die vraag echt goed. We zullen dat dus ook doen, maar wel op een manier die recht doet aan de complexiteit van het zorgdomein en niet een schijnzekerheid creëert of ons gaat laten sturen op één bepaald getal, waarmee we de samenhang en het bredere perspectief uit het oog verliezen.
Voorzitter. Dan kom ik bij preventie en de gezonde generatie. De rapporteurs vragen welke oorzaken ik zie voor het achterblijven van de doelen van het Nationaal Preventieakkoord en de Gezonde Generatie 2040, ondanks de doorontwikkeling van de samenhangende preventiestrategie en de aanpak Gezondheid in alle beleidsdomeinen. Ik zie ook de data. Ik noemde net al een aantal voorbeelden, maar ik zie dus ook dat de trends op een aantal indicatoren stagneren. Roken onder jongeren daalt niet. Het vapen neemt toe. De levensverwachting blijft al enkele jaren vrijwel gelijk. Voor obesitas, overgewicht, zien we ook wel echt zorgwekkende cijfers. Veel van die problemen hangen samen met andere maatschappelijke vraagstukken. Dat maakt het aanpakken en het oplossen van deze problemen ook taai. Daarom zetten we in op een, om het maar in jargon te zeggen, domeinoverstijgende aanpak via, wat we dan noemen, de rijksbrede agenda Gezondheid in alle beleidsdomeinen. Daarin werken we ook echt nauw samen met de collega's van Wonen, van Sociale Zaken, maar ook van IenW, als het bijvoorbeeld gaat om de gezonde leefomgeving. Dit vraagt echt een lange adem en een gezamenlijke inzet. Dat kan de Rijksoverheid niet alleen. De agenda die we hebben, bundelt lopende en nieuwe maatregelen en vormt ook de basis voor gesprekken met andere partijen over het maken van nieuw beleid, om samen te werken aan een lichamelijke, mentale en sociale gezondheid.
Het kabinet heeft de ambitie van de gezondste generatie ooit. Gezond opgroeien, gezond blijven en kunnen blijven wonen in je eigen omgeving is de basis voor een leven waarin je mee kunt doen. We bekijken op dit moment wat we daar nog extra in kunnen doen, of hoe we de accenten hier zo goed mogelijk kunnen leggen. De cijfers, die ik eerder al noemde, laten zien dat er voor diverse leefstijlthema's extra inzet nodig is. U heeft vast ook al in het nieuws iets gezien over het laatste gezondheidsadvies, bijvoorbeeld over alcohol. Daar zal het kabinet zich dus ook over buigen en nog met een reactie op komen.
Dan de vraag of doelen en middelen in verhouding staan. Ik kom kort na de zomer met een brief om ook echt die voortgang beter in kaart te brengen. Dan zal ik op die vraag specifiek ingaan, want ik vind dat ook een terechte vraag.
Voorzitter. Ik denk dat ik hiermee ben ingegaan op alle vragen die aan mij gesteld zijn. Ik wil dus graag het woord geven aan mijn collega, de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
Minister Sterk:
Heel goed, minister. Ik heb nog een aantal onderwerpen waar ik op in zal gaan: arbeidsmarktbeleid, de uitkomsten van de V-100 en zorgfraude.
Allereerst werd er gevraagd naar de opvolgingen van de aanbevelingen uit de periodieke rapportages. Ik zal via de opvolgingsbrief uitvoering geven aan de aanbevelingen. Het blijft natuurlijk gewoon een topprioriteit om die arbeidsmarkttekorten tegen te gaan, want ik denk dat dat de komende jaren echt een van de grootste vraagstukken voor de zorg is. Daar werken we ook aan via de afspraken uit het AZWA, onder meer door de administratietijd naar 20% van de werktijd van het zorgpersoneel te brengen en ook door verantwoord opleiden. Het is echt een opgave van de lange adem. Het is niet iets wat we volgende week gerealiseerd hebben, maar de richting staat denk ik wel heel duidelijk. Daar moeten we gewoon stevig in doorstappen.
Dan zorgfraude en personele impact. De rapporteurs vroegen mij naar de aanpak van zorgfraude. Ze zien de positieve stappen -- gelukkig, zeg ik dan ook -- zoals extra budget en meer capaciteit bij de inspecties, maar willen ook meer zicht op de effectiviteit van de wetgeving. Ze vragen of de inspecties wel voldoende capaciteit hebben en of ik specifieke aandacht zou willen geven aan de personele impact van het beleid. Dat laatste zeg ik toe. Bij de verdere uitwerking van het beleid tegen zorgfraude zal ik nadrukkelijk aandacht besteden aan de uitvoerbaarheid en aan de personele impact voor de betrokken organisaties. Als wij die zorgfraude echt willen aanpakken, is het natuurlijk ontzettend belangrijk dat we voldoende mensen hebben, en ook deskundige mensen, zowel bij de toezichthouders als bij de uitvoeringsorganisaties. Daarom kijken we bij elke nieuwe maatregel ook naar de gevolgen voor de uitvoering. Daar valt de personele inzet die daarvoor nodig is dus ook onder. Daarmee geef ik een bredere invulling aan de bredere aanbeveling van de Rekenkamer om consequent oog te hebben voor de uitvoerbaarheid van beleid. Dat is dezelfde rode draad als bij de uitvoeringstoetsen.
Ten slotte de uitkomsten van de V-100. Ook van mijn kant dank aan de rapporteurs. Zij spraken met twaalf jongvolwassenen over mentale gezondheid. Volgens mij heeft mevrouw Vliegenthart daar net ook het nodige over gezegd. De rapporteurs vragen mij concreet wanneer de antwoorden op de vragen van de jongeren naar de Kamer komen. Ik had liever een ander antwoord gegeven, maar die antwoorden zijn helaas vandaag nog niet aangeleverd. Ze gaan ook best breed over het stelsel, niet alleen binnen ons eigen ministerie. Dat vraagt toch altijd weer afstemming met andere ministeries, en dat kost soms iets meer tijd dan je zou willen. Volgende week zullen de antwoorden naar de Kamer verstuurd worden.
Afrondend, voorzitter. De minister van VWS begon al met een positieve noot over de bedrijfsvoering. Daar wil ik op terugkomen. Binnen het ministerie groeit het vertrouwen -- ik denk ook dat dat terecht is -- dat we steeds beter in control zijn over de middelen die we beheren. Dat is maar goed ook, want het gaat tenslotte over belastinggeld. Daar moeten we zeer prudent, zinnig en zuinig mee omgaan. Tegelijkertijd houden de rapporteurs ons een spiegel voor die ik ook herken: inhoudelijke doelen vragen onverminderd onze volle inzet en daar moeten we scherper kunnen laten zien wat het beleid oplevert. We hebben op een aantal punten concrete toezeggingen gedaan, namelijk op de uitvoeringstoetsen en de terugkoppeling daarover in het jaarverslag van 2026, op het patiëntperspectief bij de geneesmiddelentekorten en op de personele impact bij de aanpak van zorgfraude. Ik heb net ook een toezegging gedaan over de uitkomsten van de V-100, namelijk dat de antwoorden op de vragen volgende week zullen komen.
Ik dank namens ons beiden nogmaals de rapporteurs voor hun scherpe, constructieve en ook betrokken inbreng. Hun vragen raken de kern van wat we willen, namelijk zicht houden op waar we staan, scherp blijven op waar het beter kan en samen verantwoordelijkheid nemen voor een gezond en veerkrachtig Nederland. Ik kijk uit naar de eerste termijn van de fracties.
Dank jullie wel.
De voorzitter:
Dank jullie wel. Dat brengt ons inderdaad bij de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Dat gaan we in de volgende volgorde doen. Eerst komt mevrouw Vliegenthart aan het woord, daarna ikzelf, dan mevrouw Van Meetelen, dan mevrouw Wendel, dan mevrouw Van Brenk en tot slot mevrouw Tijmstra. Dan geef ik het woord graag aan mevrouw Vliegenthart namens PRO.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Voor ik start vanuit PRO, wil ik nog één keer als rapporteur mijn dank aan de ambtelijke ondersteuning geven. Als rapporteurs kunnen we dit werk doen door hun inzet, dus dank je wel.
De voorzitter:
Dat geeft mij ook de ruimte om nog één punt toe te voegen. Mijn voorstel is om in de eerste termijn drie interrupties te hanteren, als dat oké is. Ik zie mensen knikken. Bij dezen. Dan heeft mevrouw Vliegenthart nu echt het woord voor haar bijdrage in de eerste termijn.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Voorzitter. Voor ik start met de door mij voorbereide bijdrage over het jaarverslag, wil ik toch starten met een punt over een zeer urgente situatie, namelijk de sluiting van twee villa's van ExpertCare. Al maanden maken Kamerleden van verschillende fracties zich enorme zorgen over kinderen met een meervoudige beperking die zorg krijgen op de locaties van ExpertCare. Deze locaties zouden onverwachts sluiten, maar de minister heeft beloofd dat dit pas zou gebeuren als er voor alle kinderen een passende oplossing zou zijn. De cliëntenraad, bestaande uit ouders van deze kinderen, waarschuwt ons voortdurend over afspraken die niet worden nagekomen en over ondermijning door het bestuur van ExpertCare en hun buitenlandse eigenaren van B. Braun. De Kamer heeft op verschillende momenten aan de minister gevraagd om in te grijpen, maar het doemscenario is nu uitgekomen. Zo lazen wij vanmorgen in een persbericht van de cliëntenraad van ExpertCare dat de IGJ, via een zogeheten aanwijzing, eindelijk ingrijpt. Zij constateren namelijk dat de zorg ondermaats en onverantwoord is. Daarom sluiten twee locaties: Vleuten en Waalre. Er is echter geen oplossing voor de ouders en kinderen die nu verblijven op de zorglocaties die per 1 juli -- dat is over een paar dagen -- worden gesloten.
Gezien de enorme tijdsdruk willen wij heel graag het volgende van de minister weten. Waar kunnen de kinderen die nu op deze locaties zitten vanaf 1 juli naartoe? Om hoeveel kinderen gaat het? Wie is hier verantwoordelijk voor? Dat lijkt ons niet ExpertCare, want er wordt niet voor niets een aanwijzing gegeven. Wat gaat de minister doen als deze kinderen vanaf 1 juli geen plek hebben? Welke noodscenario's zijn er uitgewerkt? Wanneer ziet de minister aanleiding om zelf in te grijpen? Ziet zij dat hier grenzen zijn overschreden? Het gaat hier namelijk over kinderen die zeer specifieke zorg nodig hebben en wier leven op het spel staat als deze zorg er even niet is. Mijn volgende vraag: hoe wordt voorkomen dat ExpertCare het ook op andere locaties zover laat komen? Worden de kosten die gemaakt gaan worden, op hen verhaald?
Voorzitter. We horen heel graag een eerste reactie in het debat nu, maar we beseffen ook dat deze vragen nogal precies zijn, dus we zouden ook graag een brief voor maandag willen, met de antwoorden erin. Kan de minister dat toezeggen? Ik hoor dat er naast mij gefluisterd wordt. De vraag stel ik overigens ook namens Mirjam Bikker, die nu niet aanwezig is. Ik zie ook mevrouw Van Meetelen van de PVV knikken. Volgens mij is het een breedgedragen vraag en onderwerp, waar we volgende week over debatteren.
Voorzitter. Dan ga ik naar mijn inbreng over het jaarverslag. Vandaag zou ik graag willen inzoomen op één conclusie uit het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer. De gezondheidsdoelen die we met elkaar hebben afgesproken, worden niet gehaald. Sterker nog -- de minister zei het net ook al -- het aantal jongeren en het aantal zwangere vrouwen dat rookt of vapet, is zelfs toegenomen. Dat is pijnlijk en zorgelijk, want die conclusie gaat niet slechts over cijfers, maar over mensen. Het gaat over mensen die kampen met de gezondheidsrisico's van overgewicht, kinderen die op hun 13de al verslaafd raken aan vapen, met alle gevaren van dien, mensen die maanden moeten wachten op psychische hulp. Uiteindelijk gaat het ook over een samenleving die ongezonder wordt. De Rekenkamer wijst er ook op dat Nederlanders in vergelijking met de inwoners van veel andere Europese landen relatief kort in goede gezondheid leven. Ook het RIVM constateert dat de doelen uit het Nationaal Preventieakkoord voor roken, alcoholgebruik en overgewicht buiten bereik dreigen te raken, terwijl we inmiddels al jaren spreken over het belang van preventie. Ook deze coalitie heeft gezegd in te willen zetten op preventie en te willen zorgen voor de gezondste generatie ooit.
Laat duidelijk zijn dat gezondheid niet eerlijk is verdeeld in Nederland. Wie meer geld heeft, een hogere opleiding heeft genoten of in een gezonde leefomgeving woont, leeft gemiddeld langer en leeft gemiddeld langer in goede gezondheid. Wie minder te besteden heeft, woont vaker in een buurt met meer luchtvervuiling. Wie minder toegang heeft tot sportvoorzieningen, ervaart meer stress. Het uitblijven van acties en resultaten op het gebied van preventie raakt deze groep het hardst. Wie voldoende inkomen heeft, kan namelijk een sportschoolabonnement nemen, gezonde voeding betalen of particuliere ondersteuning organiseren, maar voor mensen of gezinnen die iedere maand moeten puzzelen om rond te komen, zijn die keuzes veel minder vanzelfsprekend. Juist daarom moet preventiebeleid niet alleen effectief, maar ook eerlijk zijn. Het moet gezondheidsverschillen verkleinen in plaats van vergroten.
Als we wat dieper inzoomen op dit beeld van relatief kort in goede gezondheid leven, zien we dat vrouwen zelfs vaak nóg korter in goede gezondheid leven. Vanochtend werd de Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid gepresenteerd, een belangrijk moment voor vele vrouwen die dagelijks kampen met onverklaarde klachten en zich niet gehoord voelen, maar ook voor de zorgverleners die, ondanks weinig tijd en middelen, zich er met hart en ziel voor inzetten om vrouwengezondheid te verbeteren. Inhoudelijk is die werkagenda een grote vooruitgang ten opzichte van de strategie van vorig jaar, maar wie verder kijkt, ziet dat het vooral een lege huls is van grote ambities en al bestaande initiatieven, zonder verantwoordelijkheid, meetbare doelen en de zo hoognodige investering, terwijl een simpele rekensom laat zien dat investeren in vrouwengezondheid de samenleving miljarden oplevert.
Voorzitter. Het kabinet heeft grote ambities: de gezondste generatie ooit. Mijn vraag aan de minister is: wat betekent "de gezondste generatie ooit" eigenlijk voor dit kabinet? Welke meetbare doelen verbindt het kabinet hieraan? Hoe weet het kabinet dat de maatregelen die nu worden ingezet, daadwerkelijk effectief zijn? Als je het mij vraagt, zijn die vragen nu eigenlijk onvoldoende te beantwoorden, niet omdat we geen cijfers hebben en niet omdat er helemaal geen beleid is, maar omdat er zicht ontbreekt op de relatie tussen de ambities, de maatregelen en het resultaat.
Als we miljarden uitgeven aan zorg en preventie, moeten we niet alleen weten of geld wordt uitgegeven, maar ook wat het daadwerkelijk oplevert voor de gezondheid van mensen. Daarom zou het wat ons betreft goed zijn als we veel systematischer inzicht krijgen in de effecten van preventiemaatregelen. Voor economische keuzes hebben we Keuzes in Kaart en voor de zorg kennen we Zorgkeuzes in Kaart, maar voor preventie ontbreekt een vergelijkbaar instrument. Zo'n instrument zou het kabinet en ons als Tweede Kamer helpen om betere keuzes te maken. Uiteindelijk helpt dat dus ook weer mensen. Hoe kijkt de minister hiernaar? Is ze bereid in kaart te brengen of zo'n zorgkaart, Keuzes in Kaart voor preventie, op te zetten is? Is ze bereid die op te zetten?
Daarnaast vind ik het opvallend dat de voortgang op preventiedoelen slechts eens in de twee jaar in beeld wordt gebracht door het RIVM. Als we weten dat we achterlopen op onze doelen en het kabinet ook nog eens veel hogere ambities heeft, namelijk de gezondste generatie ooit, waarom zouden we dan slechts een keer per twee jaar kijken hoe het ervoor staat? Juist nu die doelen onder druk staan, is het namelijk belangrijk om jaarlijks inzicht te krijgen in de voortgang, zodat tijdig kan worden bijgestuurd, en niet pas als het te laat is. Hoe kijkt de minister hiernaar? Is ze bereid om jaarlijks te rapporteren over die voortgang?
Voorzitter. Mijn conclusie is daarom dat het probleem breder is dan doelen die niet gehaald worden. Het probleem is dat we onvoldoende zicht hebben op de vraag welke maatregelen echt effectief zijn om die doelen alsnog te behalen. Want een gezondere samenleving ontstaat niet vanzelf. Daarvoor zijn keuzes nodig, keuzes die eerlijk en rechtvaardig zijn én werken voor iedereen, en niet alleen voor wie zich dat kan veroorloven.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik even naar mijn linkerzijde met het verzoek of mevrouw Vliegenthart even het voorzitterschap over zou willen nemen.
Voorzitter: Vliegenthart
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Synhaeve voor haar bijdrage namens D66.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. De gezondste generatie ooit werd net al een aantal keer genoemd. Daar wil ik mee beginnen. D66 gelooft dat dat kan, omdat we vinden dat iedereen dezelfde kans verdient op een gezond leven. Wie opgroeit in een buurt met vieze lucht en weinig groen, met de verleiding van vapes en sigaretten in de buurt en te weinig ruimte om veilig te spelen of te sporten, begint niet met dezelfde kansen. Die begint met 3-0 achterstand. Daar willen we met alle macht iets aan doen. Juist daarom zijn de bevindingen uit het jaarverslag van VWS zo belangrijk en, eerlijk gezegd, zorgelijk. De doelen uit het Nationaal Preventieakkoord en de daaropvolgende en daarmee samenhangende preventiestrategie blijven namelijk achter. Voor het bereiken van de rook- en vapevrije generatie gaat de ontwikkeling bij jongeren tot 25 jaar en zwangere vrouwen zelfs de verkeerde kant op. Het aantal jongeren dat rookt daalt al een tijdje niet verder en het aantal vapende studenten neemt toe. Dat is een zorgwekkende ontwikkeling …
De voorzitter:
O! Mevrouw Van der Brenk. Of nee, Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Het voorzitterschap gaat nog niet helemaal soepel. Ik wilde iets vragen aan D66. U begint over jonge kinderen, vapen enzovoort, maar we hebben recent gehoord dat het al veel eerder is. We zien dat Nederland internationaal gewoon heel slecht scoort. We zijn op de ranglijst gezakt naar plaats 22. We zien dat er babysterfte is en dat er zwaar overgewicht is bij jongeren. Hoe kijkt D66 ernaar dat we gaan proberen dat aan te pakken?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ja, dat heeft onze volmondige steun, natuurlijk. Ik denk dat wij toen we gisterochtend die berichten lazen, allemaal dachten "dit kan toch niet waar zijn?", ook gezien de breedte van waarom we weer zo gezakt zijn. Ik ben dan ook heel blij met de brede steun die we gisteren in de procedurevergadering hebben uitgesproken. Volgens mij was dat namens alle partijen. Laten we nou zorgen dat we ons even heel goed laten informeren door de Kinderombudsman en Children's Rights Watch om te kijken wat hier nou eigenlijk gebeurt. Ik heb ook een verzoek op de regeling gezet om daar een groter plenair debat met elkaar over te voeren. Ik hoop op jullie brede steun aankomende dinsdag om dat daadwerkelijk op de agenda te krijgen. Volgens mij vinden we elkaar daarin dus echt helemaal.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan mevrouw Synhaeve voor het vervolg van haar bijdrage.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel. Daarnaast wijst de Rekenkamer erop dat mensen in Nederland vergeleken met mensen in andere landen relatief kort in goede gezondheid leven. Mensen in Nederland leven gemiddeld wel iets langer -- dat is mooi -- maar van die extra jaren brengen we er juist minder door in goede gezondheid.
Voorzitter. Dit vraagt om actie. We willen niet blijven hangen in doelen die niet gehaald worden, maar met stevige plannen vooruit. Beide ministers hebben al mooie stappen gezet, maar als de cijfers stagneren, moeten we ook eerlijk zijn. Er is meer nodig. De toekomst vraagt om een politiek die gezondheid echt centraal zet in al haar beleid. De gezonde keuze moet niet alleen mogelijk zijn, maar ook makkelijker, eerlijker en bereikbaar voor iedereen.
Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Acht de minister de voorgenomen plannen waar momenteel aan wordt gewerkt, voldoende om de komende jaren wél duidelijke resultaten te zien richting de doelstelling van die gezondste generatie ooit? Ik hecht eraan om te zeggen dat "de gezondste generatie ooit" voor mij gaat om mensen van alle leeftijden. Het gaat niet alleen om de kinderen die nu geboren worden, maar juist breed in onze samenleving. Dan de tweede vraag: ziet de minister mogelijkheden om extra maatregelen in te zetten wanneer dat doel te weinig in beeld komt? Ik heb de reactie van de minister op de bijdrage van de rapporteurs goed beluisterd. Ze zei daarin: we zijn nog aan het kijken wat we eventueel extra zouden kunnen doen, vanuit het idee van gezondheid in alle beleidsterreinen of beleidsdomeinen. Zou zij daar iets meer toelichting op kunnen geven?
Voorzitter. Dan de V-100 en de uitkomsten daarvan. Jongeren hebben ons tijdens de V-100 een belangrijke en heldere boodschap meegegeven. Die boodschap is wat ons betreft ook heel zorgelijk. Jongeren kijken niet altijd even hoopvol naar de toekomst. Steeds vaker kijken zij daarnaar met zorgen, stress en angst over de druk om te presteren, over hun mentale gezondheid en over klimaatverandering, waarvan zij de gevolgen moeten gaan dragen. Voor ons is dit duidelijk een alarmsignaal. Mentale gezondheid is geen individueel probleem dat jongeren zelf maar even moeten oplossen; het is ook echt een maatschappelijke en politieke opdracht. Beleid dat vandaag gemaakt wordt, heeft invloed op hoe het leven van jongeren er straks uit komt te zien. We moeten jongeren daarom veel meer dan we nu doen, structureel meenemen in beleidskeuzes, niet als sluitstuk of als vinkje op een lijst van dingen die we moeten doen, maar structureel en vanaf het begin.
Daartoe heb ik de volgende vragen aan de minister. Hoe kijkt de minister naar het steeds vaker naar voren komende en steeds duidelijkere signaal van jongeren over de zorgen die zij hebben over de toekomst? Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat de signalen die naar voren zijn gekomen in de V-100 niet alleen gehoord worden, maar ook daadwerkelijk meegenomen worden in beleid? Welke verantwoordelijkheid ziet de minister voor zichzelf om jongeren niet alleen gezonder, maar ook hoopvoller naar de toekomst te laten kijken? Ik vind het fantastisch dat we nu voor het eerst in zo'n lange tijd weer een minister van Jeugd hebben, want ik denk dat daar de kracht zit, als we juist over beleidsterreinen heen dat perspectief van kinderen en jongeren centraal kunnen stellen. Ik hoor graag een reflectie van de minister daarop.
Dank u wel.
Voorzitter: Wendel
De voorzitter:
Als derde voorzitter constateer ik dat er een interruptie is van mevrouw Vliegenthart namens PRO.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Ik wil graag aan mevrouw Synhaeve dezelfde vraag stellen die ik ook aan de minister stelde: wat betekent voor haar "de gezondste generatie ooit"? Wanneer is dat doel bereikt? Mevrouw Synhaeve en ik delen datzelfde doel. Ook wij zouden heel graag willen werken aan die preventie, maar is mevrouw Synhaeve het met mij eens dat het op dit moment heel erg onduidelijk is wat de effectiefste maatregelen zijn en welke opties we in kaart brengen? Is zij het met mij eens dat een keuzekaart, een zorgkaart, inzicht zou geven voor het voeren van effectief beleid?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel voor deze vraag, derde voorzitter. Ik gaf net al aan dat "de gezondste generatie ooit" voor mij echt breed gaat. Het gaat niet alleen om de generatie die nu geboren wordt. Voor mij hangt dit heel erg samen met de vraag of we er echt in slagen om met elkaar de beweging van zorg naar gezondheid te maken. Dat roept onmiddellijk ook de vraag op hoe je dat dan het snelst en het meest effectief doet. Ik geloof heel erg in een voorstel zoals de suikertaks. Ik geloof dat we op die manier ervoor kunnen zorgen dat de gezonde keuze ook de makkelijke keuze wordt en dat we op die manier heel grote stappen kunnen zetten met elkaar.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vervolgvraag.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
We hoorden in het verslag en het verantwoordingsonderzoek dat juist meetbare doelen missen. Ik ga hier echt niet om meetbare doelen vragen, maar ook mevrouw Synhaeve hoor ik heel duidelijk zeggen "als we een stap naar voren hebben gemaakt" en "ik geloof in de suikertaks". Daarin vindt D66 een medestander in PRO, maar is het voldoende? Nogmaals is dus mijn vraag hoe mevrouw Synhaeve hiertegen aankijkt. Hoe kunnen we veel breder vooraf al in kaart brengen welke opties en maatregelen er zijn om aan de drie doelen, vapen, roken, en obesitas, te werken? Zou het niet helpen om nu al met elkaar te kijken wat het effectiefst is en of we meer dingen tegelijkertijd moeten doen? Hoe kijkt mevrouw Synhaeve daarnaar?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Het begint inderdaad met het hebben van meetbare doelen. Het zijn twee vragen naast elkaar, denk ik. Je wilt weten waar je eigenlijk op stuurt. Dat brengt ons bij de vraag: maar zijn we dan nog aan het draaien aan de knoppen die het grootste effect sorteren? Als het gaat om de meetbare doelen, ben ik heel blij met het volgende. Hoe zorgen we er nou voor dat we de doelstellingen van het IZA en het AZWA goed in kaart kunnen brengen? Volgens mij hebben we het daar gisteren nog over gehad in een tweeminutendebat. Ik geloof dat we daarmee al een heel deel van de oplossing te pakken hebben. Als het gaat om de meest effectieve knoppen om aan te draaien: wij denken natuurlijk dat we die al voor een deel te pakken hebben in het coalitieakkoord. Maar ik zie juist kansen voor dit kabinet om samen te bekijken wat de meest effectieve knoppen zijn. Als er knoppen zijn die nog veel effectiever blijken te zijn, kunnen we het daar volgens mij zeker over hebben met elkaar.
De voorzitter:
Dan heeft u ook nog een interruptie van mevrouw Van Meetelen van de PVV.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, eerste, tweede of derde voorzitter; ik weet het allemaal niet meer. Ik wil uiteraard verder op de suikertaks. We hebben daar natuurlijk een verschillend beeld over. Ik wil wel graag het volgende aan D66 vragen. Stel dat er meetbare doelen opkomen. Dat is in andere landen al gedaan. Daaruit bleek dat het niet het beoogde effect sorteert, maar dat het alleen maar een belasting is die wordt geïnd. Is D66 dan ook bereid om ervan af te zien?
Mevrouw Synhaeve (D66):
We zien juist dat het in andere landen heel effectief is. We zien dat juist door zo'n suikertaks te heffen, producenten veel minder suiker gebruiken in hun producten. We zien dat de gezondheid daardoor vooruitgaat. Ik zie op dit moment geen enkele reden om daaraan te twijfelen.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vervolgvraag van mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Het is niet waar wat u zegt. Het eerste land dat daar ooit mee is begonnen, is Zuid-Afrika. Dat heeft uiteindelijk geen gezondheidswinst geboekt. Hier en daar is inderdaad wel minder suiker terechtgekomen in frisdranken; dat klopt. Maar het wordt elders toch gewoon gebruikt. Er is geen sprake van gezondheidswinst, maar wel van heel veel belastinginkomsten. Ze willen daar nu eigenlijk van af, maar dat kan niet meer, omdat het op de begroting staat. Ik vraag nogmaals aan D66: als blijkt dat het na een meting toch niet zo is, bent u dan bereid om van die belasting af te zien?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik zie geen enkele reden om eraan te twijfelen dat deze interventie gaat leiden tot meer gezondheid, dus nee.
De voorzitter:
Volgens mij is het voorzitterschap dan weer terug bij mevrouw Synhaeve van D66.
Voorzitter: Synhaeve
De voorzitter:
Dank u wel. Ik vermoed dat het voorzitterschap ook een tijdje bij mij blijft. Dat brengt ons bij de bijdrage van mevrouw Wendel, die spreekt namens de VVD. O, sorry, dit gaat niet goed. Dat brengt ons bij de bijdrage van mevrouw Van Meetelen, die spreekt namens de PVV.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Vandaag bespreken wij het jaarverslag van het ministerie van VWS. Als je dit jaarverslag leest, zie je vooral één patroon: het kabinet presenteert overal voortgang, maar die voortgang bestaat opvallend vaak uit akkoorden, agenda's, pilots, monitors, programma's, overlegtafels en regionale samenwerkingsstructuren. Ondertussen blijven de echte problemen bestaan: wachtlijsten, personeelstekorten, versnippering, bureaucratie en onvoldoende grip op kwaliteit en veiligheid. Daarom wil mijn fractie vandaag eigenlijk vooral één vraag centraal stellen: komt het geld terecht bij mensen die het echt nodig hebben of blijft het ergens hangen in het stelsel?
Voorzitter. Ik begin bij de jeugdzorg. Het kabinet trekt tot en met 2027 cumulatief circa 3,7 miljard euro extra uit voor gemeenten naar aanleiding van de Hervormingsagenda Jeugd. Ook trad de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg deels in werking per 1 januari 2026. Maar de kern blijft wel dezelfde: meer geld naar het bestaande stelsel. Maar dat stelsel schiet juist keer op keer tekort. We hebben het hier al heel vaak over gehad, gisterenavond nog. Lokale teams moeten meer zelf gaan doen, er komt weer een productstructuur en er wordt gewerkt aan vereenvoudiging, samenwerking en toekomstscenario's. Ik zal niet zeggen dat alles slecht is, maar welk kind in een onveilige situatie wordt vandaag gered door het kabinet? Het kabinet deelt de administratie van de jeugdhulp gewoon weer opnieuw in vaste hokjes in. Ik vraag elke keer: wat schieten we daarmee op? Ik vraag de minister hoeveel van die extra miljarden daadwerkelijk gaat naar directe bescherming van die kinderen. Hoeveel gaat naar toezicht, snelle interventie en acute veiligheid? Hoeveel verdwijnt er in overleg, implementatie, monitoring en bestuurlijke drukte?
Voorzitter. De PVV heeft genoeg van stelseloverleg en procesvernieuwing. We willen graag zien dat middelen ten goede komen aan de directe bescherming van kinderen, aan onafhankelijk toezicht en aan extra capaciteit voor acute bescherming bij mishandeling, verwaarlozing of ernstige onveiligheid. Een kind dat nu gevaar loopt, heeft namelijk niets aan de zoveelste hervormingsagenda. Dat kind heeft bescherming nodig. Kan de minister aangeven welk deel van de middelen voor de hervormingsagenda's programma's, pilots en stelseloverleggen daadwerkelijk terechtkomt bij de onafhankelijke controle en de directe acute bescherming van kinderen? Is zij bereid om eventueel geld weg te halen bij overleg en bureaucratie om de capaciteit voor onmiddellijke bescherming bij ernstige onveiligheid uit te breiden?
Voorzitter. Dan de ggz en de suïcidepreventie. Het jaarverslag en het onderliggende dossier laten zien dat de mentale gezondheid onder druk staat, dat mensen vastlopen in wachttijden en dat het stelsel versnipperd is. De conclusie is zelfs dat het huidige stelsel van psychische problematiek niet houdbaar is. Tegelijkertijd zien we weer brede preventieprogramma's, campagnes, praatlijnen, agenda's en bewustwordingstrajecten. Iemand die suïcidaal is, heeft geen campagne nodig, maar hulp, en wel nu. Wat de PVV betreft moet geld daarom vooral naar concrete hulp, naar gemeentelijke suïcidepreventie, naar wachttijdondersteuning, naar laagdrempelige hulp voor jongeren met ernstige mentale klachten en naar de aanpak van verward of onbegrepen gedrag wanneer veiligheid en zorg concreet samenkomen. Het moet niet naar nog meer communicatie en naar nog meer bewustwording of meer campagnes, maar naar hulp, echt wezenlijke hulp. Daarom vraag ik de minister hoeveel mensen op dit moment op een ggz-wachtlijst staan terwijl ze ernstige psychische klachten hebben? Hoe voorkomt de minister dat mensen tijdens het wachten verder afglijden? Waarom kiest het kabinet niet veel scherper voor directe hulp, wachttijdondersteuning en suïcidepreventie? Ik ben blij met de afgelopen week aangenomen motie over kijken naar plaatsing en passende zorg. Ik kijk uit naar hoe de minister uitwerking geeft aan die motie.
Voorzitter. De PVV is voor gezondheid, maar tegen een overheid die voorlichting gebruikt om gedrag, aanbod en leefomgeving te sturen. In het jaarverslag staat dat het verkoopaandeel van Schijf van Vijfproducten in supermarkten wordt gemonitord als voorbereiding op afspraken met supermarkten. Dan gaat het al lang niet meer alleen over informeren. Dat blijkt ook uit de recent ontvangen subsidiebeschikkingen. Het Voedingscentrum wordt met miljoenen euro's belastinggeld gefinancierd, voert activiteiten uit binnen beleidskaders en goedgekeurde werkplannen van de regering en moet consumenten op alle mogelijke manieren stimuleren om volgens de Schijf van Vijf te eten. De overheid geeft dit ene voedingsmodel daarmee een kunstmatige voorkeurspositie en presenteert de afzender vervolgens als onafhankelijk en neutraal. Bovendien wordt voedingsadvies vermengd met duurzaamheid, gedragsbeïnvloeding en de gewenste inrichting van het voedselaanbod. Voor de PVV hoort uitsluitend de gezondheid van mensen de basis te zijn. Dat betekent: geen klimaatpolitiek of overheidssturing en geen politieke boodschap vermomd als vrijblijvend voedingsadvies. Durft de minister dan in ieder geval toe te geven dat het genoemde "vrijblijvende advies" helemaal niet zo vrijblijvend is en dat er een arsenaal aan instrumenten voor beïnvloeding wordt ingekocht via het departement?
Voorzitter. Dan sport en bewegen. Meer dan 400 organisaties zijn aangesloten bij de Beweegalliantie. Dat klinkt indrukwekkend, maar een groot netwerk is nog geen sterk sportbeleid. Uiteindelijk moet het gaan om betaalbare contributies, goede accommodaties en voldoende trainers en verenigingen die niet bezwijken onder regels, energiekosten en financiële onzekerheid. Sportbeleid moet niet worden afgemeten aan het aantal aangesloten organisaties, overlegtafels of beleidsprogramma's. De kernvraag is of verenigingen overeind blijven, accommodaties betaalbaar zijn en Nederlanders daadwerkelijk kunnen sporten. Gaat de minister dáárop sturen? Dat zou een goed initiatief zijn. Gaat zij dat ook echt doen?
Voorzitter. Zoals de minister heeft kunnen zien, heeft de PVV samen met de ChristenUnie, SGP, SP, 50PLUS en PRO schriftelijke vragen gesteld over de kraamzorg, naar aanleiding van een gesprek en een artikel. Maar de PVV krijgt via allerlei belanghebbenden toch wel zorgelijke signalen binnen. Ik ben meerdere keren gemaild en maak me echt zorgen over het signaal dat er misschien wordt overwogen om de kraamzorg uit het basispakket te halen. In eerdere debatten werd al pijnlijk duidelijk dat kraamzorg in de praktijk lang niet altijd gegarandeerd kan worden, terwijl vrouwen daar vanuit het basispakket wel op moeten kunnen rekenen. De PVV vreest dat de minister het personeelstekort dan niet oplost door kraamverzorgenden te behouden, op te leiden en aan te trekken, maar misschien wel door het recht op kraamzorg af te schaffen. Ik vraag mij echt af of dit signaal klopt. Dan zouden vrouwen niet meer op kraamzorg kunnen rekenen en kan niemand de overheid nog aanspreken op een tekort. Probleem opgelost, maar dit lijkt mij niet de manier. Dit is voor de PVV onaanvaardbaar. Kraamzorg is geen luxe, maar noodzakelijke zorg voor moeder en kind. Kan de minister hier nu klip-en-klaar garanderen dat dit nooit gebeurt? Graag een duidelijk antwoord. Ik heb eventueel een motie klaarliggen om de kraamzorg blijvend te verankeren in de basiszorg.
Voorzitter. Ook bij de Europese gezondheidsdossiers zien wij reden tot zorg. De European Health Data Space, een nieuw zbo, de Health Data Access Body, medische gegevens, het opt-outmechanisme: dit raakt aan privacy, nationale zeggenschap en medische vrijheid. Kan de minister garanderen dat medische data voor Nederlanders niet via Europese constructies buiten hun daadwerkelijke controle komen? Blijft Nederland zelf baas over de inrichting van ons zorgstelsel?
Voorzitter. Het ministerie gaf vele miljarden uit in 2025. De Kamer moet dan meer krijgen dan een opsomming van akkoorden, agenda's, pilots, monitors, programma's en overlegtafels. We moeten kunnen vaststellen wat al dat geld heeft opgeleverd voor Nederlanders. De Algemene Rekenkamer schetst een dubbel beeld. VWS heeft hardnekkige problemen in het subsidie- en inkoopbeheer eindelijk opgelost. Dat verdient erkenning. Het financieel beheer is echter nog steeds niet op orde. Verantwoordelijkheden zijn niet altijd scherp belegd, complexe financiële dossiers worden onvoldoende beheerst en maatregelen tegen fraude en integriteitschendingen zijn nog niet stevig genoeg verankerd. Hoe borgt de minister dat de verbeteringen structureel zijn? Wie is persoonlijk verantwoordelijk als het financieel beheer opnieuw verslechtert? Wanneer kan de Kamer vaststellen dat deze laatste onvolkomenheid werkelijk is opgelost?
De belangrijkste conclusie van de Rekenkamer gaat echter niet alleen over de vraag of geld volgens de regels wordt uitgegeven; het gaat vooral over de vraag of het werkt. Heeft het effect? Dat is essentieel. Dat zien we het duidelijkst bij de zorgakkoorden. Even tussendoor: ik spreek ook namens mijn collega Maeijer. Zij zou normaal gesproken een onderdeel van dit debat doen. Ik spreek ook namens haar. Met het IZA, het AZWA en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg moet de zorg toegankelijk worden gehouden, moeten personeelstekorten worden teruggedrongen, moeten administratieve lasten worden verminderd en moet de uitgavenstijging worden afgeremd. Voor het IZA was oorspronkelijk 2,8 miljard euro aan transformatiemiddelen beschikbaar. Van de 445 IZA-acties waren er volgens VWS eind 2025 287 afgerond en 146 in uitvoering. Dat klinkt indrukwekkend, maar een afgeronde actie is nog geen beter toegankelijke zorg, een overlegstructuur is nog geen kortere wachtlijst en een toegekende subsidie is nog geen verpleegkundige aan het bed. De Rekenkamer stelt vast dat de minister wel weet welke activiteiten zijn uitgevoerd, maar niet weet of alle maatregelen samen voldoende bijdragen aan goede, toegankelijk en betaalbare zorg. Er is geen duidelijke trend en geen aantoonbaar causaal verband.
Dan kan de minister niet volstaan met de mededeling dat honderden acties zijn afgevinkt. Ik sla trouwens een stukje over, hoor. Wat heeft een patiënt aan 287 afgeronde acties wanneer hij nog steeds te lang wacht? Wat heeft de zorgmedewerker daaraan wanneer de administratiedruk niet merkbaar daalt? Wat heeft de belastingbetaler aan miljarden aan transformatiemiddelen wanneer niet aantoonbaar is welke maatregel welk resultaat oplevert? Ik heb zojuist van de minister in reactie op de bijdrage van de rapporteurs gehoord dat zij wel van zin is om het een en ander te doen. Ik heb gehoord wat u zei. Dat wil ik wel even zeggen.
De PVV wil geen nieuwe stapel voortgangsrapportages. We willen een beperkt aantal harde doelen, een directe koppeling tussen geld en resultaat en openheid over afwijkingen.
De voorzitter:
Dat klinkt als een punt. Dat leidt tot een vraag van mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik ben wel nieuwsgierig naar het volgende. De partij van mevrouw Van Meetelen heeft natuurlijk het grootste deel van vorig jaar op VWS gezeten. Toch hoor ik nu eerlijk gezegd wel heel veel negativiteit van de PVV. Ik ben benieuwd of mevrouw Van Meetelen misschien ook wat positieve punten kan noemen. Ik kan mij namelijk voorstellen dat zij ook trots is op haar partij, die op VWS ongetwijfeld iets gedaan zal hebben.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nou, zeker! Dat is zeker het geval. Ik was ook nog niet klaar. Ik wilde ook nog zeggen dat er ook positieve dingen waren, maar dat kan ik ook eventueel overslaan. Dat is zeker zo. Ik ben zeker trots op onze minister, die dit allemaal in gang heeft gezet, waardoor deze minister het nu een stukje makkelijker heeft. Desondanks zitten er gewoon nog lacunes, hiaten in. Als iets beter gaat, betekent dat natuurlijk niet dat we alles hebben opgelost. Maar ik ben zeker blij met de minister die we hebben gehad.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vervolgvraag van mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dit antwoord is heel hoog over, maar mevrouw Van Meetelen heeft hier toch best wel een lang en uitgebreid verhaal met wat wat mij betreft niet per se complimenten aan onze ministers zijn. Ik ben dus wel benieuwd of mevrouw Van Meetelen concreet kan aangeven waar ze trots op is.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Weet u waar ik concreet trots op ben? Eigenlijk heeft het nog niet eens iets te maken met trots. Je ziet inderdaad dat het heel veel beter gaat met het financieel beheer. Ik moest even zoeken naar het woord. Dat is goed. Alleen, dat ontslaat je niet van een heleboel dingen die nog altijd openstaan. Het is prima dat er, als het gaat om acties die openstonden, vinkjes worden gezet en dat bepaalde dingen opgelost worden, maar dat betekent niet dat wachtlijsten of wat dan ook automatisch beter zijn opgelost aan het bed of voor de medewerker. Dat is eigenlijk mijn verhaal.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik ben het een beetje kwijt. Ik zal het stukje met de aardige woorden overslaan. Nee, hoor. Ik ga verder.
Voorzitter. Dezelfde eis van grip geldt ook voor PALLAS. Er is gisteren natuurlijk ook een debat over geweest, maar ik wil er toch nog een paar dingen over zeggen. De nieuwe reactor is natuurlijk van groot belang voor de productie van medische isotopen en daarmee voor de behandeling van patiënten, onder andere bij kanker. Juist daarom mogen er geen gaten in de controles zitten. Met het project is circa 2,5 miljard euro gemoeid. De Kamer heeft PALLAS begin 2025 aangewezen als groot project en ontvangt vanaf 2026 halfjaarlijkse voortgangsrapportages. Er zijn verbeteringen doorgevoerd. De rollen van financiers, aandeelhouders en beleidsmakers zijn duidelijker gescheiden. De Auditdienst Rijk controleert de financiële informatie en kijkt ook naar programmabeheersing, risicomanagement en informatievoorziening.
Toch ontbreekt volgens de Rekenkamer nog een voldoende zelfstandige interne controlefunctie. De minister moet onafhankelijk kunnen vaststellen of de planning haalbaar is, kostenramingen realistisch zijn, risico's volledig worden gemeld en informatie van NRG PALLAS betrouwbaar is. Bij een project van deze omvang mag de slager gewoon niet zijn eigen vlees keuren. Waarom is die onafhankelijke controlefunctie er nog niet? Wanneer is zij volledig operationeel? Aan wie rapporteert zij? Kan zij rechtstreeks escaleren naar de ambtelijke en politieke leiding? Krijgt de Kamer in de halfjaarlijkse rapportages ook haar bevindingen te zien, inclusief eventuele verschillen van inzicht met NRG PALLAS?
Voorzitter, ik denk dat ik het hierbij laat, want een aantal onderdelen zijn gisteren ook al behandeld in het debat.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat brengt ons bij mevrouw Wendel voor haar bijdrage in eerste termijn namens de VVD.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Vandaag debatteren we over het jaarverslag van het ministerie van VWS, een mooi moment om terug te blikken op 2025 en om verbeterpunten te formuleren voor komende jaren. Vandaag wil ik stilstaan bij drie onderwerpen: de zorgkosten die maar blijven stijgen, innovatie in de zorg en zorgfraude.
Voorzitter. De zorgkosten zijn het afgelopen jaar weer met 5,6 miljard euro gestegen. Die voortdurende stijging is onhoudbaar geworden, en dat terwijl de dubbele vergrijzing pas na 2030 haar piek zal bereiken. De VVD wil de komende jaren dan ook scherpere keuzes maken om ervoor te zorgen dat de nominale premie en de belasting voor zorg niet nog verder exploderen, en om ervoor te zorgen dat we er kunnen zijn voor de mensen die dat het hardst nodig hebben. Wat ons betreft moet de Kamer zich uitspreken over wat we wel en niet noodzakelijk vinden, want voor de VVD is ongelimiteerd belastinggeld uitgeven aan de VVD ...
(Hilariteit)
Mevrouw Wendel (VVD):
Voor de VVD is ongelimiteerd belastinggeld uitgeven aan de VWS-begroting geen optie. Tegelijkertijd hebben we in de toekomst zo'n groot personeelstekort dat geld niet eens ons grootste probleem is. Wij hopen daar vanaf 2026 dan ook stappen in te zetten.
Dan innovatie. In 2025 is een plan van aanpak ...
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voordat de VVD de kas gaat spekken van de VVD, moet ik toch even ingrijpen! Het klinkt heel heftig: de kosten exploderen, het is verschrikkelijk. Maar is de VVD bereid om eens kritisch te kijken wat nou de werkelijke kosten zijn voor al die mensen die werken aan het bed, in de zorg dus, in verhouding tot de kosten voor al die mensen die verdienen aan de zorg? Straks zal ik er in mijn bijdrage op ingaan. Als we daar eens wat kritischer naar kijken, kunnen we het geld van de ene pot verschuiven naar de andere.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik ben zeker bereid om daar met mevrouw Van Brenk naar te kijken. Ik denk dat we dat ook al doen. Maar waar mevrouw Van Brenk ideeën heeft, sta ik daar meer dan voor open, want volgens mij moeten we alle stappen die we kunnen zetten om de zorg te verbeteren, om kwalitatief goede zorg te kunnen bieden aan mensen, ook zetten.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Wendel (VVD):
Innovatie. In 2025 is een plan van aanpak gelanceerd door de Regiegroep Aanpak Regeldruk. De doelstelling is om de administratietijd tot 2030 te halveren, tot maximaal 20% van de werktijd van de zorgverlener. AI is een van de dingen die verlichting moeten bieden. In 2025 zijn al een aantal AI-toepassingen in de zorg zichtbaar geworden, zoals spraakgestuurd rapporteren en capaciteitsplanning. Tegelijkertijd laat 2025 ook zien dat AI-geletterdheid bij verschillende organisaties sterk kan verschillen. Databeschikbaarheid en interoperabiliteit blijven een beperkende factor en er is behoefte aan betere validatie en heldere governance om vertrouwen en veiligheid te borgen. De VVD is blij dat er een beweging is ingezet, maar wil in 2026 verdere stappen zien. Zo moeten een opt-out als onderdeel van de implementatie van de EHDS en interoperabiliteit in 2026 echt geregeld zijn. Kan de minister toezeggen dit in 2026 eindelijk te realiseren? Ik ben me er uiteraard van bewust dat deze minister er nog niet zo heel lang zit. Dit is dus niet een persoonlijke aanval, zeg ik via de voorzitter.
Voorzitter, tot slot zorgfraude. De VVD vraagt keer op keer aandacht voor zorgfraude. In het verleden heeft dat tot te weinig actie geleid. Wat de VVD betreft is er in 2025 dan ook veel te veel zorggeld verdwenen in de zakken van criminelen. De minister heeft recent een plan van aanpak zorgfraude gelanceerd. De VVD wil in 2026 daar concrete resultaten van zien. In 2025 is de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg in werking getreden. Deze wet lost belangrijke knelpunten in de gegevensuitwisseling op, waardoor ketenpartners zorgfraude beter kunnen aanpakken; een belangrijke stap. Ook recent is er weer een belangrijke wet aangenomen. We zijn er echter nog niet. De VVD wil gegevensuitwisseling blijven verbeteren totdat die geen onnodig obstakel meer vormt. Minder enthousiast is de VVD erover dat de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders er nog steeds niet is. Ik wil de minister vragen of ik die deze zomer dan toch eindelijk echt mag verwachten. Wat is de stand van zaken van de Taskforce Integriteit Zorgsector en de taskforce zorgfraude bij de politie? Wanneer zullen de investeringen in de aanpak van zorgfraude naar verwachting echt rendement opleveren?
Voorzitter. Dan toch nog een actualiteit die echt niet kan wachten. Gisteren kwam EenVandaag naar buiten met het nieuws dat het gespecialiseerde team binnen de IGJ om zorgfraude aan te pakken opgedoekt wordt. Dit gaat over het team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing. Uit het beeld dat EenVandaag schetst, blijkt dat de reguliere teams nog niet in staat zijn om zorgfraude effectief te herkennen en te bestrijden. De IGJ heeft namelijk een hele andere manier van kijken. Die is niet ingericht om zorgfraude aan te pakken, maar is gericht op leren, verbeteren en gezond vertrouwen. Dat begrijp en steun ik als het gaat om zorg, maar als het gaat om criminelen die actief het zorgdomein ingaan om geld wit te wassen, zorggeld in hun zakken te steken en cliënten uit te buiten, dan steun ik dat niet. Voor die groep hebben we een specialistisch team nodig gericht op fraude- en criminaliteitsbestrijding.
De VVD is dan ook stomverbaasd door dit besluit van de IGJ, juist ook omdat de minister begin deze maand aankondigde meer multidisciplinaire teams te willen om zorgfraude aan te pakken. Hierover heb ik dus een aantal vragen aan de minister. Waarom is dit besluit genomen? Hoe strookt dit besluit met feit dat het team IBZ juist werd opgericht na een kritisch rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2022? Uit dat rapport bleek namelijk dat de aanpak van zorgfraude in de praktijk nauwelijks werkte. De IGJ gaf positieve rapporten af, terwijl over diezelfde instellingen ernstige fraudesignalen binnenkwamen.
Het beeld dat EenVandaag schetst, heb ik zelf ook in de praktijk gezien. Ketenpartners hadden sterke signalen. Dan kwam de IGJ met een aangekondigde controle en dan bleek alles piekfijn in orde. De eigenaren van dat malafide zorgbedrijf kregen dan ruim voldoende tijd om de boel even in orde te maken voordat de IGJ langskwam. Ketenpartners wachtten dan hoopvol af en kregen uiteindelijk een positief rapport op het bureau, terwijl we gewoon wisten dat het niet in de haak was. Ik wil echt een reflectie van de minister op dit punt. Hoe strookt dit nieuws met de aanpak van zorgfraude, die we juist enorm willen verstevigen?
Voorzitter, ik sluit af. De Algemene Rekenkamer wijst ons er ook dit jaar in haar rapport weer op dat te weinig aandacht voor zorgfraude een groot risico is. De VVD zal het kabinet dan ook blijven controleren op dit punt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van Brenk namens 50PLUS.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter. Zorg maakt mensen gezonder, houdt ze zelfstandig en vergroot de kwaliteit van leven. Ze maakt het mogelijk om te blijven werken, te zorgen voor anderen en mee te doen in het dagelijks leven. Goede en tijdige zorg voorkomt vaak zwaardere en duurdere zorg later. Zorg levert meer dan gezondheidswinst alleen. Ze ontlast mantelzorgers, voorkomt isolement en versterkt vertrouwen en sociale samenhang. Moeten we dan niet alleen kijken naar wat het kost, maar juist ook naar wat het oplevert?
Voorzitter. Mijn hart huilt als ik denk aan de plannen van dit kabinet. Het wil de huishoudelijke zorg wegbezuinigen, juist degene die wekelijks de oudere of gehandicapte ziet, die ziet of het niet goed gaat, die meeleeft, die de tijd neemt om even stil te staan bij de zorgen, die het ziet als iemand ingeschakeld moet worden omdat het niet meer gaat en die ervoor zorgt dat iemand langer thuis kan blijven wonen, precies dat wat het kabinet wil. Is het nou echt nodig? Loopt het nu gierend uit de rails? Ik dacht het niet. Maar afhankelijk van hoe je het een en ander framet, lukt dat heel vaak wel.
De Wmo: de gemeenten geven er meer aan uit, maar is het werkelijk een probleem? In 2017 ging het om 4,6 miljard. In 2024 is het 6,05 miljard. Dat lijkt een stijging van 32%, maar als je het corrigeert met inflatie, resteert een groei van 8%. In diezelfde periode is het aantal gebruikers met 23% toegenomen. Dat zegt dus dat de kosten per gebruiker gedaald zijn en als je kijkt naar de rijksbegroting, dan zie je dat het aandeel van de Wmo daalde van 1,44% naar 1,24%. We geven dus een kleiner deel uit, terwijl er meer mensen gebruik van maken. Is het daarmee dan onbetaalbaar geworden? Wij denken van niet. Cijfers kunnen zo gemanipuleerd weergegeven worden, maar zien we wel alles of krijgen we een beeld voorgeschoteld waar nog wel het een en ander op af te dingen is?
In ziekenhuizen geldt de gemiddelde ligduur als teken van succes: hoe korter, hoe beter. Maar klopt dat wel? Zorg die eerst in het ziekenhuis werd geleverd, wordt nu verplaatst naar huis, naar wijkverpleging, naar mantelzorgers. De ligduur verdwijnt, maar de zorg niet. We zien de druk die dit oplevert voor andere domeinen niet, de extra afstemming en onzekerheid voor patiënten.
Zorg levert gezondheid en kwaliteit van leven op, maar die zien we niet terug in cijfers. De Rekenkamer waarschuwt al jaren voor het overschrijden van maximaal aanvaardbare wachttijden. In 2020 constateerde de Rekenkamer dat door de wachttijden in de ggz voor complexe psychische problemen de cliënt het langst moest wachten op een behandeling. Door de aanpassing van de financiering is het iets beter geworden, maar zien we wel alles? Iemand met diverse psychische klachten past niet binnen één diagnose. Dan wordt het te moeilijk en hoort men bij intakes vaak "nee". Die komt niet voor op een wachtlijst en die komt niet terug in de kwaliteitsindicatie van de instellingen die de persoon weigerden. Voor de cijfers bestaat ze niet. Wij hier zien haar niet. Wij kennen al deze mensen niet. Ze staan immers nergens weergegeven.
Een moeder van een cliënt met een verstandelijke beperking vertelde: "Ze hebben niet letterlijk gezegd dat mijn dochter te duur was. Ze zeiden dat er geen passende plek voor haar was." Dat is eigenlijk hetzelfde, maar dan in andere woorden. We praten over en zien cijfers van patiënten die wel in zorg zijn, maar wie buiten beeld blijft, diegenen die bij de voordeur worden geweigerd, die zien en horen we niet, maar die zijn er wel. Daar heeft de maatschappij uiteindelijk de last van te dragen. 's Heeren Loo gaf aan dat het gemiddeld €10.000 per jaar verlies lijdt voor een VG7-cliënt. In 2023 kwam dat neer op 25 miljoen tekort. Een instelling die nee zegt, beschermt de balans, maar daarmee is het probleem niet opgelost, maar wordt het verschoven naar ouders en mantelzorgers.
Zien wij ook hoeveel geld er nu werkelijk gaat naar verpleegkundigen, naar mensen aan het bed? Wij zien in de cijfers niet hoeveel er gaat naar verpleegkundigen aan het bed en hoeveel er gaat naar adviseurs, onderzoekers, ICT-systemen en controles. De Rekenkamer is kritisch op de vele akkoorden en de kosten en baten die daarmee gemoeid zijn. Wat hebben werknemers aan het bed en de mensen thuis nu werkelijk gemerkt van het vele geld dat beschikbaar is gesteld? Wil de minister hier eens op reflecteren? Wat ons betreft gaat de kost voor de baat uit, maar beseft deze regering dat veel maatschappelijke problemen uiteindelijk terechtkomen op het bordje van de zorg? Preventie helpt. Dakloosheid, armoede, ongezonde voeding, schuldenproblematiek: als er bij die problemen door andere ministeries adequaat geholpen zou worden, zou dat heel veel zorg schelen. Ziet de minister dit ook?
Voorzitter. Is de minister bereid om eens te kijken naar het aanbesteedcircus? Vele mensen werken daaraan en dat zijn vaak niet de goedkoopste jongens en meisjes. 342 gemeentes zijn daar mee bezig, en nog veel meer organisaties. Wat kost dat allemaal in verhouding met wat het oplevert? Kunnen we niet kritischer kijken naar iedereen die werkt en verdient aan de zorg, zodat we niet hoeven te bezuinigen op de mensen die werken in de zorg? Daar worden onze burgers namelijk de dupe van. Zouden we dat uit elkaar kunnen halen in de begroting en in het jaarverslag? Wat kosten alle mensen die verdienen aan de zorg ons? Dan zetten we dat in verhouding met al die harde werkers in de zorg en dan zullen we pas praten over waar die bezuinigingen neerslaan.
Voorzitter. Tot dit moment was 50PLUS opbouwend kritisch, maar nu moet het chagrijn er even uit. Wanneer geeft de minister zorgfraude de prioriteit die het verdient? Waarom moest een commissiedebat maanden verplaatst worden omdat het ministerie zijn zaakjes niet op orde had? Er wordt gesproken over bedragen die oplopen tot 10 miljard euro, het bedrag dat deze regering wil bezuinigen op zorg. Wij vinden het dan wel zo fair dat je alles op alles zet om dan ook dat gapende gat van het zorggeld dat wegvloeit naar zorgcriminelen te dichten. Daar zie ik te weinig urgentie op. Ik wil wijzen op de herhaaldelijke kritische noten van de Rekenkamer. Het werd net al gezegd. Er ligt een rapport, Een zorgelijk gebrek aan daadkracht. Het rapport is van 2022, vier jaar geleden. Nu is er nog steeds een zorgelijk gebrek aan daadkracht, ook van deze minister. We konden gisteravond bij EenVandaag zien welke daadkracht er wel getoond werd, namelijk het ontmantelen en uit elkaar trekken van het speciale team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing -- mijn collega van de VVD zei het net -- dat bewezen heeft zorgfraude te kunnen opsporen. Zo wordt heel veel waardevolle kennis en ervaring om zorgfraude te bestrijden vernietigd. Dat is wat ons betreft onbestaanbaar, want er is een schrijnend tekort aan doortastend, proactief toezicht.
Voorzitter. Wij worden moedeloos van zo veel in onze ogen onkunde. Ik wil dat deze minister aan ons uitlegt hoeveel urgentie dit onderwerp heeft op haar ministerie. Hoeveel mensen zijn hier dag en nacht mee bezig? Ziet iedereen de noodzaak? Hoe is de samenwerking met JenV en het Openbaar Ministerie? Alles wat over meerdere ministeries verdeeld is, lijkt gedoemd te mislukken. Hoe strak zit hier nu regie op? Wij zijn het vertrouwen in de aanpak nu al kwijt door deze verkeerde start. Graag een uitgebreid betoog van deze minister en geen kluitjes of riet.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat brengt ons bij de laatste spreker van de zijde van de Kamer in de eerste termijn. Dat is mevrouw Tijmstra namens het CDA.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik had een korte inbreng, maar er zijn tussentijds ook al een aantal vragen beantwoord door de minister, dus hij werd steeds korter. Er is wat overlap met andere collega's, maar als ik dat er ook nog uit haal, wordt het wel heel kort. Sta me dus toe om een paar punten die ik mooi en belangrijk vind te herhalen.
Voorzitter. Voordat ik inga op de inhoud, wil ik allereerst mijn dank uitspreken aan alle mensen in de uitvoering. Afgelopen jaar mocht ik starten als Kamerlid. Sinds dag één valt mij op dat heel veel mensen zich iedere dag, vaak buiten de schijnwerpers, met een enorme betrokkenheid inzetten voor het publieke belang. Dat zijn zorgprofessionals, vrijwilligers, onderzoekers, medewerkers van de Tweede Kamer, ambtenaren op het ministerie en vele anderen, mensen die niet op zoek zijn naar aandacht, maar wel iedere dag het verschil maken. Daarvoor wil ik iedereen hartelijk danken. Ook dank aan de rapporteurs van deze commissie en de VWS-commissiestaf voor hun rapportage en de bijdrage over het jaarverslag 2025. Jullie hebben heel veel voorwerk gedaan en belangrijke vragen over alle stukken aan de minister voorgelegd. Daarom is mijn inbreng kort en hou ik het bij twee punten die ik graag nog wil aanhalen.
Het eerste punt is de Nationale Zorgreserve. In 2020 werd unaniem de motie-Heerma/Wilders aangenomen, waarin het kabinet werd verzocht te onderzoeken of een nationale reserve aan zorgmedewerkers kon worden opgericht. Inmiddels is de Nationale Zorgreserve een feit en staan er meer dan 5.000 zorgreservisten klaar om bij te springen in een crisis, een heel mooi en hartverwarmend resultaat. Het is ook mooi om te zien dat oud-zorgprofessionals bereid zijn om opnieuw hun kennis en ervaring in te zetten wanneer een situatie daarom vraagt. Ik heb nog twee vragen aan de minister hierover. Er loopt nog een onderzoek naar de optimale verdeling over de verschillende profielen. Kan de uitkomst van dat onderzoek ook aanleiding zijn om het streefdoel van 5.000 zorgreservisten te herzien? Mijn tweede vraag is: wanneer verwacht de minister de resultaten van dit onderzoek te kunnen delen met de Kamer?
Voorzitter. Tot slot wil ik ook kort stilstaan bij de V-100, die dit jaar in het teken stond van de effecten van beleid op toekomstige generaties. De inbreng van jongeren laat opnieuw zien hoe belangrijk het is om juist met hen in gesprek te gaan. Zij zullen immers het langst de gevolgen dragen van de keuzes die wij vandaag maken. Dank aan alle jongeren die hun ervaringen, zorgen en ideeën met ons hebben gedeeld. Veel jongeren ervaren grote druk en maken zich zorgen over hun mentale gezondheid, de toegankelijkheid van de zorg en hun toekomstkansen. Tegelijkertijd spreken ze ook hoop uit en vragen ze om erkenning, om een samenleving waarin mentale gezondheid bespreekbaar is, om toegankelijke zorg en om beleid dat oog heeft voor de langere termijn. Wij zijn heel erg benieuwd naar de reactie van de minister. We wachten af tot die volgende week komt.
Tot zover mijn eerste termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat brengt ons aan het einde van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik kijk even naar de bewindspersonen om te zien hoeveel tijd zij nodig denken te hebben. Ik stel voor dat we om 16.30 uur weer verdergaan met elkaar. Dank u wel.
De vergadering wordt van 15.57 uur tot 16.31 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef graag het woord aan de bewindspersonen voor de beantwoording vanuit het kabinet, maar niet voordat ik even naar de zijde van de Kamer kijk. Mijn voorstel zou zijn om te werken met drie interrupties. Dat is weinig, hoor ik. Laten we werken met vier interrupties in deze termijn. Ik kijk even naar mijn rechterzijde. Wie mag ik als eerste het woord geven? De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Dank aan alle Kamerleden voor de gestelde vragen. Ik begin met alle vragen die gesteld zijn over preventie. Daarna komen een aantal vragen over het monitoren, specifiek over het jaarverslag en over de bedrijfsvoering. Dan heb ik nog wat ik maar even "overig" noem. Daar zitten de vragen in van mevrouw Tijmstra over de zorgreservisten en van mevrouw Van Meetelen over specifiek de ggz.
Voorzitter. Ik begin met preventie. De vraag van mevrouw Vliegenthart was: wat is volgens het kabinet nou die gezondste generatie? Ik denk dat ik dat het beste als volgt kan illustreren. Dat omvat voor mij namelijk een aantal elementen. Een daarvan zijn de gezondheidsverschillen, waar mevrouw Vliegenthart in haar bijdrage ook naar verwees. Mevrouw Vliegenthart noemde terecht het punt dat mensen met een lager inkomen gemiddeld genomen een aantal jaar eerder komen te overlijden en een heel aantal jaren, oplopend tot bijna twintig jaar, in mindere gezondheid leven. Ik denk dat wij een verantwoordelijkheid hebben om iets te doen aan die constatering, aan het feit dat die gezondheidsverschillen er zijn in de moderne samenleving die Nederland is anno 2026. Dat doen we door ook vanuit de overheid verantwoordelijkheid te nemen en maatregelen te nemen. Dit kabinet wil daar iets aan doen. Dit kabinet wil alles op alles zetten om die trend te keren. Daar hoort ook bij dat we er verantwoordelijkheid voor nemen en alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat de generatie die nu opgroeit, gezond kan opgroeien en gezonde keuzes maakt. Daar hoort bij dat we ze dat gezonde gedrag aanleren. Dat is natuurlijk ook de reden dat de preventiestrategie zich heel erg focust op jongeren. Zij zitten in de leeftijd dat je dat gezonde gedrag nog makkelijker kan aanleren en hopelijk kan voorkomen dat ongezond gedrag de boventoon gaat voeren.
Wat mij betreft is, als je echt een heel aantal jaar verder kijkt, naar 2040, de trend van gezondheidsverschillen dan gekeerd. Het is belangrijk dat we vooruitgang boeken op een heel aantal onderwerpen die ikzelf al noemde in reactie op de vragen van de rapporteurs, maar waar mevrouw Vliegenthart en mevrouw Synhaeve ook op in zijn gegaan. Ik heb het over vapen, roken, gezonde voeding, obesitas, overgewicht en natuurlijk bewegen, ook niet onbelangrijk. Op vragen over bewegen zal de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport nog ingaan. Dat bij elkaar opgeteld zorgt voor een generatie die er goed en gezond voor staat, die op een goede en gezonde manier het leven kan leiden. Dit geldt voor alle generaties of alle leeftijden; dat zei mevrouw Synhaeve ook heel terecht. Dat we ons focussen op kinderen en de keuzes die jongeren maken, is één, maar dat neemt niet weg dat gezond leven en op een gezonde manier je leven kunnen leiden voor iedereen natuurlijk van het allergrootste belang is.
Bij het vormgeven van ons preventiebeleid vind ik het volgende ook belangrijk. Dat sluit ook goed aan bij de vragen die mevrouw Vliegenthart en mevrouw Synhaeve mij stelden, denk ik. Je wil je eigenlijk focussen op de maatregelen die de meeste impact hebben op de korte termijn, maar ook op de langere termijn. Precies dat ben ik nu aan het doen. Daar werk ik aan met de collega's op VWS. Wij hebben heel veel ambities. We hebben in de afgelopen jaren heel veel afspraken gemaakt op het gebied van preventie. Het komt er nu ook echt op aan dat we die gaan uitvoeren, dat we dat gaan doen en dat we een aantal maatregelen die we in wet- en regelgeving willen vastleggen, daarin ook vastleggen. Alleen, je kan tijd en capaciteit natuurlijk maar één keer inzetten. Dat wil ik graag zo slim en effectief mogelijk doen, op zo'n manier dat we zo snel mogelijk die impact duurzaam organiseren. Dat ben ik op dit moment aan het doen. Ik kom -- ik denk dat dat net na de zomer wordt -- met een brief over hoe we verdergaan met die preventiestrategie die vorig jaar gepresenteerd is en hoe ik op basis van de acties die allemaal uitstaan en die ook weer allemaal in het coalitieakkoord staan, kom tot een prioritering -- misschien moet ik het zo noemen -- van waar de meeste impact zit.
Dat is dus hoe ik te werk wil gaan. Dat raakt direct aan de vragen die gesteld zijn over de monitoring en het zicht hebben op de resultaten. Dat is natuurlijk ongelofelijk belangrijk. Lukt het ons om die trend te keren of om die beweging op een goede manier in te zetten? Of "voort te zetten", moet ik zeggen, want er gebeuren natuurlijk echt al veel dingen. Daarvoor hebben we het RIVM gevraagd om met een monitor te komen. Daar wordt op dit moment hard aan gewerkt. Ik hoop de Kamer ook echt te kunnen schetsen -- dat zal iets later zijn dan de brief waar ik het net over had -- hoe die monitor eruit gaat zien en hoe we die op zo'n manier vormgeven dat je de samenhang van de aanpak goed in kaart kan brengen.
Het is niet wat mevrouw Vliegenthart mij vroeg, maar het risico is natuurlijk, omdat we op al die verschillende terreinen beleid hebben en ook aparte doelen op grond van de preventiestrategie, dat we ons uiteindelijk met zo'n monitor heel erg op één zo'n doel of één zo'n cijfer gaan blindstaren, terwijl het natuurlijk uiteindelijk de som der delen is die dat hogere doel van die gezondste generatie ooit voor elkaar moet krijgen. Ik hoop dat we tot een monitor komen -- dat is het gesprek dat ik met het RIVM voer -- die aan dat gesprek een bijdrage levert, zodat we heel gericht in ons beleid kunnen bijsturen of, als dat nodig is, aanvullende maatregelen kunnen treffen. Ik wil me de komende periode dus heel erg focussen op het daadwerkelijk uitvoeren van wat we hebben afgesproken, wat al in gang is gezet en wat in het coalitieakkoord is opgeschreven.
Mevrouw Van Brenk zei heel terecht dat preventie helpt. Veel maatschappelijke problemen komen uiteindelijk op het bordje van de zorg terecht, zei mevrouw Van Brenk. Volgens mij citeer ik haar nu ongeveer letterlijk. Ik denk dat dat terecht is. Dat laat zien waarom wij vanuit VWS natuurlijk een verantwoordelijkheid hebben als het gaat om het preventiebeleid, maar dat gezondheid en de focus op gezondheid in alle beleidsterreinen terug moeten komen. Ook daar wordt aan gewerkt.
Mevrouw Synhaeve vroeg mij of ik wat explicieter of concreter kon zijn over wat we daarvoor aan het doen zijn en wanneer we daar meer over laten weten. Wij zijn daarover in gesprek. Ik heb bijvoorbeeld het programma Kansrijke Start. We hebben het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. We werken ook aan een investeringsmodel preventie. Breder, natuurlijk met de minister van VRO, gaat het over wonen en de leefomgeving. Ik noemde IenW ook al. Die gesprekken lopen dus. Aan het eind van het jaar komen we met een brief over de voortgang en over hoe we die samenhang eigenlijk nog meer in dat beleid willen gaan brengen. Ik ben het erg met mevrouw Synhaeve eens dat het uiteindelijk voor elkaar krijgen van die gezonde generatie natuurlijk ziet op goed preventiebeleid, maar ook op het echt voor elkaar krijgen van het uitgaan van gezondheid in ons beleid. Dat geldt natuurlijk in de zorg, maar dat geldt veel breder dan alleen in de zorg.
Mevrouw Vliegenthart vroeg mij ook: we monitoren dat nu een keer in de twee jaar; zou je dat niet eigenlijk niet jaarlijks moeten gaan doen? Ik vertelde al over de monitor met het RIVM die in ontwikkeling is. Ik weet oprecht niet of de monitor beter wordt als we die verbetering moeten zoeken in het vaker doen, of dat die verbetering meer zit in hoe we ervoor zorgen dat de informatie die er is en op een goede manier in samenhang in de monitor terechtkomt. Daar wil ik echt nog even over nadenken. Je ziet natuurlijk dat er naast de RIVM-monitor nog heel veel aparte rapporten verschijnen en er dashboards zijn die allemaal rapporteren over voortgang. Er zal dus altijd informatie beschikbaar komen, ook gedurende het jaar dat er geen RIVM-monitor is. Maar ik wil er ook in de vormgeving echt even goed over nadenken hoe we ervoor zorgen dat het in een frequentie verschijnt die ons helpt om op een goede manier het debat te kunnen voeren en het beleid te kunnen bijstellen als dat nodig is.
Voorzitter. Mevrouw Vliegenthart vroeg: we hebben Keuzes in Kaart voor de zorg, maar zou je zoiets niet ook moeten hebben voor preventie? Op zichzelf vind ik dat een logische vraag. Ik kan alleen niet zomaar iets toevoegen aan Keuzes in Kaart, want dat is echt een instrument van het CPB. Zij gaan daar zelf over. Wat ik wel zelf aan het doen ben, is op grond van alles wat we nu aan plannen hebben liggen, bekijken wat daar de meest impactvolle maatregelen van zijn en tot wat voor prioritering dat in mijn ogen zou moeten leiden. Wellicht geeft dat al een eerste inzicht en kunnen we op grond daarvan ook het debat voeren over de vraag of mevrouw Vliegenthart het met mij eens is dat dat de volgorde moet zijn.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Vliegenthart.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Het gaat mij vooral om het volgende. Volgens mij hebben we het een tijdje geleden gehad over leefstijlpreventie en bijvoorbeeld de hoogte van de boetes voor vapes. Voor mij, maar volgens mij breder voor de Kamer en ook voor het kabinet, is nog niet helemaal inzichtelijk vanaf welke hoogte een boete precies effectief is. Of het nou gebeurt in Keuzes in Kaart of in een andere vorm, mijn vraag is vooral om een breder inzicht te krijgen, zodat we als Kamer -- en überhaupt ook het kabinet -- beter kunnen zien of de maatregelen die het kabinet neemt, de opties die het kiest, echt effectief zijn, welke dan effectief zijn, vanaf wanneer ze effectief zijn en hoe ze effectief zijn. Daar gaat mijn vraag vooral over, net zoals de motie waar ik naartoe werk.
Minister Hermans:
Die vraag begrijp ik goed. Eigenlijk probeerde ik dat ook uit te leggen; als ik dat niet duidelijk heb gedaan, ga ik nog een poging wagen. Toen wij drie maanden geleden begonnen en ik een overzicht kreeg, in de trant van "dit is het lopende beleid op het gebied van preventie, dit moet nog uitgewerkt worden en dit komt daar nog bij op basis van het coalitieakkoord", heb ik gevraagd om mij aan te geven waar de meeste impact zit en wat het meest effectief is. Er zijn immers maar zoveel mensen en er is zoveel tijd, dus ik wil het op een goede manier inrichten. Ik heb die vraag dus gesteld. Wij brengen het nu in kaart, natuurlijk voor zover wij het weten. Dat overzicht deel ik heel graag met de Kamer. Als ik een prioritering aanbreng en u het daar niet mee eens bent, kunnen we dan immers het debat daarover voeren. Dat is het werk dat ik nu aan het doen ben.
Ik denk dat ik daarmee de preventievragen beantwoord heb. Dan kom ik bij de vragen die zijn gesteld over monitoring, maar dan niet zozeer over het monitoren van preventiebeleid, maar over IZA en AZWA. Daar stelde mevrouw Tijmstra mij een vraag over, en als ik het mij goed herinner mevrouw Van Meetelen ook. De vraag van mevrouw Tijmstra was of ik verwacht dat de monitor het gesprek dat we met elkaar voeren, gaat verbeteren en of er beter zicht komt op de resultaten en op de onderdelen waar resultaten juist achterblijven. Dat is precies de bedoeling. Daarom zijn we die monitor aan het aanpassen. Net zoals de Rekenkamer, mevrouw Tijmstra in haar inbreng en natuurlijk ook de rapporteurs vinden wij het belangrijk om de resultaten die we met die akkoorden boeken, inzichtelijk te maken en die informatie ook te delen. Wij verwachten dat we met de komende meting al meer data hebben en dus echt meer duiding kunnen geven aan de resultaten dan we met de eerder verstuurde nul- en éénmeting over de resultaten van het IZA hebben kunnen delen. Wij werken nu dus aan de geïntegreerde IZA/AZWA-monitor. In de tweede helft van 2026 zullen we de Kamer daar nader over informeren. Het doel is om echt effectiever te kunnen sturen op voortgang en sneller te kunnen ingrijpen.
Tegen mevrouw Van Meetelen zeg ik ook dat wij natuurlijk zoeken naar een manier waarop het geen afvinklijstje van acties is. U formuleerde het iets mooier, maar zo heb ik het geïnterpreteerd. Dat vind ik ook terecht, want of een actie nu wel of niet is uitgevoerd, het gaat erom wat we ermee bereiken in de verbetering van de zorg die we voor elkaar willen krijgen. Daar zeg ik wel direct bij dat we in het IZA en het AZWA natuurlijk een heel aantal samenwerkingsafspraken hebben gemaakt, bijvoorbeeld over hechte wijkteams, eerstelijnssamenwerkingsverbanden of de sterke sociale teams. In debatten krijgen we weleens discussie over de vraag: in hoeverre verbetert dat nou de zorg? Ja, dat verbetert daadwerkelijk de zorg, want die samenwerking is zo cruciaal om die verbinding tussen het medische en het sociale domein voor elkaar te krijgen. Daar ging het gisteren in het tweeminutendebat ook nog over. Sec opschrijven dat er eerstelijnssamenwerkingsverbanden zijn, is niet de bedoeling van de monitor. De bedoeling van de monitor is om dan ook echt te kunnen toelichten hoe dit nou helpt bij het beter verbinden van die medische en sociale teams en het versterken van de eerste lijn, want dat moet juist ten goede komen aan de zorg en ondersteuning van mensen.
Mevrouw Tijmstra vroeg nog naar het doorlopen van de monitoring en het inzichtelijk hebben van de resultaten na afloop van de looptijd van het IZA en het AZWA. Ik dacht dat ik daar al op ingegaan was in mijn reactie op de rapporteurs. Het is inderdaad de intentie, omdat het natuurlijk een langer lopende beweging is en we goed zicht willen houden op hoe dat zich voortzet.
Voorzitter. In het kader van de monitoring is er een vraag over de bedrijfsvoering en de monitoring daarop. Daar vroeg mevrouw Van Meetelen nog naar. Heel precies is de vraag: wie is er persoonlijk verantwoordelijk als het financieel beheer opnieuw verslechterd? De verantwoordelijkheid voor het financiële beheer voor het ministerie van VWS ligt bij de minister van VWS, dus dat ben ik. Daar kunt u mij dus op aanspreken.
Mevrouw Van Meetelen vroeg mij ook wanneer de Kamer kan vaststellen wanneer de onvolkomenheden die nu nog gerapporteerd zijn, worden opgelost. Ik zei in reactie op de rapporteurs al dat ik er vertrouwen in heb dat we die laatste stappen ook kunnen zetten. We zullen de Kamer daar in de jaarrapportage 2026, die volgend jaar dus naar de Kamer komt, uiteraard over informeren. Nogmaals, dan kunt u mij daar alle vragen over stellen, als verantwoordelijke voor het financiële beheer.
Voorzitter. Dan kom ik bij een aantal overige vragen. Ik begin met de ggz-vraag van mevrouw Van Meetelen. De overallvraag uit de bijdrage van mevrouw Van Meetelen was of het geld nou terechtkomt bij de mensen voor wie het bedoeld is. Specifiek inzoomend op de ggz zei mevrouw Van Meetelen daarover: we moeten eigenlijk geen campagnes meer doen; mensen hebben gewoon hulp nodig. Ik ben het met mevrouw Van Meetelen eens dat er heel veel mensen zijn die staan te popelen om hulp, met name specialistische, complexe ggz-zorg. Ik ga zo dus in op de vraag over de wachtlijsten. Tegelijkertijd vind ik dat we ook moeten doorgaan met voorlichten en campagnes, omdat ik bewustwording van het belang van mentale gezondheid, dat als je je even niet zo lekker voelt, je daar over kunt praten, dat dat niet raar is en dat je daar geen drempel bij moet ervaren, ook van heel groot belang vind. Daarmee is het vraagstuk, het probleem van mensen die specialistische ggz-zorg nodig hebben, niet opgelost. Dat zeg ik geenszins. We moeten het allebei doen. We hebben aandacht voor mentale gezondheid, waar we ook de mentalegezondheidsnetwerken voor hebben. Maar dat doen we ook door daar via bewustwordingscampagnes op in te zetten.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag, maar de minister kan eerst het antwoord op deze vraag afmaken.
Minister Hermans:
Helemaal goed. Dan ga ik nu naar de specifieke vraag over de mensen op de wachtlijsten. Dit gaat natuurlijk echt over de complexe ggz-vragen. Met mevrouw Van Meetelen en iedereen in de Kamer ben ik het eens dat we er echt met z'n allen voor aan de lat staan -- ik ook, als verantwoordelijk minister -- om nu eindelijk, zou ik willen zeggen, iets te doen aan die wachtlijsten. Toen ik in 2017 in de Kamer kwam en woordvoerder op dit onderwerp was, hadden we al debatten over de wachtlijsten en die hebben we nog steeds. Dat is frustrerend voor ons allemaal, maar natuurlijk in de allereerste plaats voor mensen die wachten op die zorg.
Voorzitter. Dan de volgende vraag: hoeveel mensen staan er nu op een wachtlijst? Dat zijn er ruim 100.000. Er staan ruim 100.000 mensen op een wachtlijst die wachten op een intake of behandeling in de ggz. De wachttijd voor iets minder dan de helft van de mensen is langer dan de afgesproken treeknormen. Wat ik nu noem is een getal, maar achter elk cijfer gaat een verhaal schuil van een individueel mens met een hulpvraag. De zwaarte en de ingewikkeldheid daarvan kan ik niet meenemen in die cijfers, maar omdat mevrouw Van Meetelen mij heel specifiek vroeg hoeveel mensen er op een wachtlijst staan, geef ik toch dat antwoord.
We hebben afgesproken met de zorgaanbieders en de zorgverzekeraars dat we in de tijd dat mensen op de wachtlijst staan, ons zo veel mogelijk inzetten voor proactieve zorgbemiddeling, om de wachttijd zo veel mogelijk te verkorten. Dat doen we dan door mensen te bemiddelen naar zorgaanbieders bij wie er wel tijd is. Die proactieve zorgbemiddeling is in april van dit jaar gestart, dus ik hoop dat we daarvan op korte termijn de eerste resultaten kunnen delen met de Kamer.
Als je langer op een wachtlijst staat, kan wachttijdondersteuning helpen om verergering van klachten te voorkomen. Er zijn heel veel verschillende initiatieven voor vormen van wachttijdondersteuning. We maken nu een handreiking om de initiatieven die er zijn, bekender en beter vindbaar te maken, zodat ook op de plekken waar mensen daar nog geen voordeel van hebben, we dat wel zo snel mogelijk voor elkaar krijgen. In de brief over de toekomst van de mentale gezondheid en ggz, die ook de reactie op het ibo is, zal ik ook hierop nader ingaan. We zullen in de komende periode al die stappen moeten blijven zetten en al die acties moeten blijven ondernemen om mensen op de wachtlijsten zo goed mogelijk te helpen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik was nog even aan het nadenken. De minister heeft al een aantal dingen gezegd. We hebben het verschillende keren over de wachttijdondersteuning gehad. De vraag was ook een beetje: was daar wel genoeg budget voor en op welke manier wordt dat dan ingezet? De PVV is toch wel van mening dat … We zien liever dat eerder wordt gekozen voor directe hulp en wachttijdondersteuning dan voor die campagnes. Ik begrijp wat de minister zegt, namelijk dat we dat ook moeten blijven doen, maar als er keuzes gemaakt moeten worden, hoop ik toch dat de minister ervoor kiest om direct de mensen te ondersteunen die op dit moment zitten te wachten op die hulp, want die zitten al zo lang te wachten en we zijn al te ver. Kan de minister ernaar kijken dat dat voorrang krijgt als daar keuzes in gemaakt moeten worden? In het vorige debat had ik namelijk begrepen dat dat het geval is. Als dat zo is, als er financiële keuzes gemaakt moeten worden, moet dat voorrang hebben.
Minister Hermans:
Ik hoop dat ik de vraag van mevrouw Van Meetelen goed begrijp. Ik denk dat het heel goed en belangrijk is dat de proactieve zorgbemiddeling nu actief gestart is. Dat is werk tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Daar wordt dus op ingezet. De initiatieven voor wachttijdondersteuning worden nu bij elkaar gebracht, zodat die breder bekend kunnen worden. Ik weet nu niet zo uit mijn hoofd wat daar financieel voor nodig is, dus als er keuzes gemaakt moeten worden, weet ik niet hoe die uitpakken. Ik moet natuurlijk nog reageren op de motie van mevrouw Van Meetelen, die vorige week, of kortgeleden in elk geval, is aangenomen. Ik zou dat allemaal graag willen betrekken bij de brief die ik net noemde, die er nog voor de begrotingsbehandeling van VWS komt.
Ik wil er wel voor oppassen om … Daarom trok ik dat net uit elkaar. De inzet op de campagnes is echt een ander type inzet en die verdringt nu niet, naar mijn beleving, de inzet die we doen op de proactieve zorgbemiddeling. Ik vind die campagnes en die bewustwording op het punt van mentale gezondheid en mentale weerbaarheid heel belangrijk, omdat we daarmee een deel van de problemen in de toekomst kunnen voorkomen. Ik zou het dus ook zonde vinden als we zo strikt gaan zijn dat dat allemaal niet meer kan, maar ik heb goed gehoord wat mevrouw Van Meetelen zegt. Zij heeft gevraagd: wat kun je doen voor deze specifieke groep, die al zo lang wacht, en hoe kun je daarin nog gerichtere keuzes maken om hen, ook als ze wachten, al te helpen, ofwel via zorgbemiddeling, ofwel via wachttijdondersteuning?
Voorzitter. Dan twee vragen van mevrouw Tijmstra over de Nationale Zorgreserve. Die gaan over de profielen. Zijn die aanleiding om het streefdoel van 5.000 te herzien? Wanneer verwacht de minister de resultaten van het onderzoek daarnaar met de Kamer te kunnen delen? De aanbesteding voor het beheren, uitbouwen en inrichten van de zorgreserve is gegund aan de Stichting Extra Samen. Die noemde mevrouw Tijmstra ook al. Die loopt tot december 2027. We zijn nu dus aan het kijken hoe we de zorgreserve vormgeven na die tijd. Daar wil ik ook de uitkomsten van het onderzoek naar het optimale aantal reservisten en het profiel daarvan bij betrekken. Ik weet niet exact wanneer die verkenning klaar is, maar mijn bedoeling is wel om in de loop van 2027, dus voordat de huidige aanbesteding afloopt, de Kamer te informeren over hoe we hiermee verdergaan. Daar wil ik dat onderzoek bij betrekken, dus dan krijgt mevrouw Tijmstra het sowieso. Dat is voldoende, zie ik aan de non-verbale communicatie. Ik zal de Kamer daar dus over informeren.
Voorzitter. Ik zei dat dat het mapje overig was, maar dan zou ik geen recht doen aan nog een aantal gestelde vragen. Mevrouw Van Meetelen zei iets over de kraamzorg. Ik weet niet of het echt een vraag was, maar het was in elk geval een stelling, en die ging over het verdwijnen van kraamzorg uit het basispakket. Ik dacht: het is toch goed om daar even op te reageren. Het kabinet heeft daar namelijk geen plannen of beleidsvoornemens voor. Het kan zijn dat dit ervandaan komt dat deze maatregel weleens in lijsten of overzichten met mogelijke besparingsmaatregelen heeft gestaan, maar dit kabinet heeft die maatregel niet in het coalitieakkoord opgenomen en is dit niet van plan. Dat laat onverlet dat wij debatten hebben met elkaar over de kraamzorg en over hoe wij op een goede manier kunnen omgaan met de personeelstekorten, die ook daar natuurlijk druk zetten op de zorg. Maar dit specifieke punt, waar mevrouw Van Meetelen het over had, is niet aan de orde.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat is mooi om te horen. Desalniettemin heb ik wel een motie klaarliggen om dit zeker te weten. Ik zie dat de minister moet lachen, maar ik zal het toelichten. Die zorgen komen wel bij ons terecht en die wil ik dus wel overbrengen aan de minister. Ik ben blij dat ze zegt: dit kabinet is dat niet van plan. Desalniettemin kan het altijd nog. Wij willen echt uitgesproken hebben dat het absoluut niet, nooit, uit het basispakket gaat, want dat kan echt niet. Waarom zijn mensen dat dan toch gaan denken? Ik denk dat er heel veel onrust is in die sector, en ik denk dat dat terecht is, want het loopt daar absoluut niet goed. Ik wilde de minister toch wel even laten weten dat er echt een hoop mensen op de lijn komen die bang zijn dat dit uiteindelijk misschien wel de conclusie gaat worden. Ik ben blij om te horen dat de minister zegt: dat zijn we nu niet van plan. Maar weet wel dat er mensen in de sector zijn die dit vrezen. Ik mag hopen dat het echt niet gaat plaatsvinden.
Minister Hermans:
Ik heb daarop gereageerd door te zeggen wat het kabinetsbeleid is. Daar sta ik voor. Ik wacht de motie af en daar zal ik dan in tweede termijn op reageren. Dat hangt ook af van hoe het daarin geformuleerd is. Maar dit kabinet erkent, onderkent en ziet de ongelofelijk grote waarde van kraamzorg in onze zorg en daar staan we voor. Dat er uitdagingen zijn, zien wij ook. Daar werken we aan. Sterker nog, daar ga ik volgende week, na ons debat over IZA en AZWA, ook nog met de kraamzorgsector zelf verder over in gesprek.
Voorzitter. Mevrouw Van Meetelen had nog een vraag over de eigenstandige, onafhankelijke controlfunctie in de situatie van PALLAS. We hebben daar gisteren een commissiedebat over gehad. Er is ook bij deze maatregel stilgestaan. Een eigenstandige controlfunctie is een van de aanbevelingen van, dacht ik, de Rekenkamer. Daar wordt hard aan gewerkt. Wij werken aan de implementatie van die verschillende aanbevelingen. Ik zei gisteren ook dat het streven is om dat nog dit jaar allemaal af te ronden. Nou is die eigenstandige controlfunctie wel een van de aanbevelingen die wat meer tijd kost en ook zorgvuldigheid vraagt. De vragen die mevrouw Van Meetelen mij stelde, over hoe dat rapporteren er precies uitziet en hoe je precies gaat escaleren, zijn onderdeel van het implementeren, het vormgeven van die functie binnen VWS. Ik heb gisteren toegezegd om daar verder op in te gaan in de volgende voortgangsrapportage, die in oktober of november komt. Dat zou ik nu dus ook tegen mevrouw Van Meetelen willen zeggen.
Voorzitter. Dan vroeg mevrouw Van Brenk nog of we in de begroting en het jaarverslag uiteen kunnen rafelen wat alle mensen die verdienen aan de zorg kosten in relatie tot al die harde werkers in de zorg, en dan pas praten over waar bezuinigingen neerslaan. Ik begrijp die vraag van mevrouw Van Brenk op zich heel goed, ook vanuit de opbouw van het betoog van mevrouw Van Brenk en de waardering die alle Kamerleden en dus ook mevrouw Van Brenk met grote regelmaat uitspreken voor iedereen die werkt in de zorg. Dat kunnen wij alleen maar onderschrijven. Maar als wij naar onze begroting en het jaarverslag kijken, dan zoomen we natuurlijk uit naar: hoe ziet het er nou nationaal uit? Hoe ontwikkelen de zorguitgaven zich? Wat hebben wij daar te doen om onze zorg, ons zorgstelsel, nu maar ook in de toekomst overeind te houden, zodat we de mensen die de zorg zo hard nodig hebben, die zorg ook kunnen blijven geven? Daar gaat natuurlijk ook het grootste deel van het geld op de zorgbegroting naartoe. Door allerlei afspraken die we gemaakt hebben en door alle partijen die daar invulling aan geven, proberen we dat op een efficiënte en doelmatige manier te doen, want het is uiteindelijk natuurlijk wel geld dat we met z'n allen opbrengen.
Maar het echt uiteenrafelen van wat mevrouw Van Brenk zegt, verhoudt zich niet tot hoe wij de begroting hebben opgebouwd. Ook gebeurt er natuurlijk van alles in ziekenhuizen, in verpleeghuizen, bij huisartsen, bij tandartsen en op allerlei plekken. Zeker in private organisaties kunnen we natuurlijk niet tot achter de komma meekijken, maar op het collectieve niveau is het onze verantwoordelijkheid. Zo kijken wij naar onze begroting en ook naar hoe we rapporteren in het jaarverslag. Wat zien wij nou gebeuren in de zorg, met de ontwikkeling van de zorguitgaven, het personeelsvraagstuk dat op ons afkomt, de technologische vooruitgang en de veranderende zorgvraag? Hoe geven we in die context vorm aan onze opdracht, namelijk zorgen dat dat systeem zo goed mogelijk kan functioneren voor de mensen die dat nodig hebben?
Voorzitter. Ik denk dat ik mijn vragen dan beantwoord heb.
De voorzitter:
Ja, maar dat leidt nog wel tot een vraag van mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik kan me zomaar voorstellen dat het niet zomaar anders kan als je iets al jaren doet en we aan zo'n begroting van een ministerie schaven. Ik zou eigenlijk wel graag willen dat er in ieder geval gesproken kan worden over de vraag of we er voldoende kritisch in zijn aan wie we geld uitgeven. Zouden we niet zelf ook eens kritisch moeten kijken naar, zoals ik het noemde, het aanbestedingscircus? Daar gaat best veel geld in om. Wat levert de zorg op? Het gaat dan niet zozeer alleen maar over centen en over wat het kost, maar over wat het de maatschappij oplevert. Ik zou dat soort dingen ook wel graag in dit geheel willen zien. Ik maakte net ook het punt dat er 100.000 mensen op de wachtlijst staan. Komt dat nou door een personeelsschaarste of heeft dat er ook nog mee te maken dat die patiënten misschien best wel veel geld kosten? Neem ook het voorbeeld dat ik gaf van 's Heeren Loo. Zijn we daar met z'n allen wel voldoende kritisch op? Dat zou ik eigenlijk ook wel van de minister verwachten. Is zij bereid om daar misschien eens een keertje met mensen die hier ook kritisch naar kijken over in gesprek te gaan?
Minister Hermans:
Ik reageer even op de twee voorbeelden van mevrouw Van Brenk, om daarmee direct aan te geven waarom ik het antwoord gaf zoals ik dat net gaf. Bij het voorbeeld van 's Heeren Loo -- dat is weliswaar de verantwoordelijkheid van de minister van Langdurige Zorg -- zagen we natuurlijk dat er voor die ingewikkelde groep patiënten, of patiënten met een ingewikkelde zorgvraag, moet ik zeggen, druk op het tarief of het budget zat. Dat is dus ook omhooggegaan aan het begin van dit jaar. Dat doen we natuurlijk in reactie op wat we zien gebeuren in de praktijk. We hebben een bedrag beschikbaar. Dat komt via de zorginstelling bij die patiënten terecht, maar dat is onvoldoende om de intensieve zorg te kunnen leveren die geleverd moet worden. In de ggz, de wachtlijsten waar mevrouw Van Brenk het over had, zijn het heel veel factoren bij elkaar. Natuurlijk speelt er een personeelstekort in de ggz, maar we hadden daar ook te maken met het vraagstuk van de exclusiecriteria, waardoor we zagen dat patiënten tussen wal en schip belandden. We hebben toen gezegd dat we van die exclusiecriteria af moeten, omdat het niet zo kan zijn dat patiënten die te complex of te ingewikkeld zijn, of omdat hun zorgvraag dat is … Ik moet het heel zorgvuldig formuleren. Het kan niet zo zijn dat ze nergens zorg krijgen omdat de zorgvraag van patiënten te complex of ingewikkeld is. Je moet dus steeds heel precies kijken, of dat nou in de gehandicaptenzorg is, in de ggz of bij de ziekenhuizen, waarom iets niet loopt of gaat zoals we dat voor ogen hadden. Daar is niet één oplossing voor. Een hoger tarief is ook niet altijd de oplossing, maar soms dus wel, zoals in het voorbeeld dat ik net schetste. In de ggz moeten we zo veel verschillende maatregelen tegelijkertijd nemen om iets te kunnen doen aan die extreemlange wachtlijsten en om het systeem klaar te maken voor de toekomst.
Tot slot kreeg ik de vraag of ik toch nog eens naar die begroting wil kijken. Ik denk dat de zorgbegroting op zichzelf, zoals wij die presenteren, heel goed inzicht geeft in hoeveel geld er nou naar elk van die specifieke onderwerpen of zorgsectoren gaat. Je kan uit de begroting natuurlijk ook iets halen over wat er vanuit de overheid via de ova-systematiek nog wordt geïnvesteerd in het kader van arbeidsmarktbeleid. Als het over de arbeidsmarkt gaat, spelen cao's tegelijkertijd natuurlijk ook een rol. Wij kunnen dat niet allemaal uit elkaar trekken, zoals mevrouw Van Brenk vraagt. Ik denk wel dat het debat en het type vragen dat mevrouw Van Brenk stelt, en ons ongetwijfeld zal blijven stellen, een goede manier zijn om in ieder geval in het debat dit soort dingen uit elkaar te trekken en heel precies te kunnen kijken waar we maatregelen treffen en te kijken of die doen wat ze moeten doen. Uiteindelijk geven we al dat geld uit -- dat is heel veel geld en wordt steeds meer; daardoor hebben we ook de verantwoordelijkheid om te hervormen -- maar dat moet wel terechtkomen op de plek en bij de mensen die dat nodig hebben.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik moest daar even op kauwen. Ik blijf iedere keer zeggen: ja, we geven veel geld uit, maar we krijgen er ook heel veel voor terug. Op dat punt zou ik het fijner vinden als er bij het jaarverslag van het ministerie ook ruim baan komt om te zeggen wat de zorg ons allemaal oplevert en wat een fantastisch werk zij doen. Kan er gekeken worden naar meer ruimte daarvoor? Ik zie namelijk echt wel dat wij met z'n allen best goed bezig zijn op onderdelen. Dat mag je best wat meer uitventen; laat ik het zo zeggen.
Minister Hermans:
Hier ben ik het echt hartgrondig mee eens, en minister Sterk ook. Ik denk dat wij het te vaak vooral hebben over wat er niet goed gaat. Dat is ook goed, want wij hebben dan een opdracht om daar verbetering in aan te brengen, maar dat doet geen recht aan alle dingen die wel goed gaan en het keiharde werk dat er dag in, dag uit wordt verzet. Als ik de opmerking van mevrouw Van Brenk zo mag opvatten dat wij daar meer aandacht aan gaan besteden, of het nou in ons beleidsstuk bij de Miljoenennota of terugkijkend in het jaarverslag is, dan ben ik het hartgrondig met mevrouw Van Brenk eens en dan zullen we dat doen.
De voorzitter:
Dan geef ik nu graag het woord aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Ik hoop dat mijn stem het houdt. We gaan kijken hoever ik kom. Ik wil even beginnen met een reactie op VEC. Ook ik ben echt heel boos over waar we nu uiteindelijk zijn gekomen. Ik vind het echt verschrikkelijk voor de kinderen en de ouders om wie het gaat. Wij hebben VEC natuurlijk vanaf het eerste moment aangesproken op hun verantwoordelijkheid om dit gewoon goed te regelen. Zij zijn verantwoordelijk voor die kinderen en moeten die zorg leveren. We hebben er ook alles aan gedaan om daar met man en macht bij te helpen. Dat deden we met de zorgverzekeraars. We hebben Project Herberg opgezet. De IGJ heeft erbij gezeten. De NZa heeft erbij gezeten. We hebben zelfs onlangs nog een onafhankelijke intermediair aangesteld, omdat we natuurlijk allemaal wilden voorkomen dat we zouden komen bij waar we nu toch blijkbaar zijn gekomen. De inspectie heeft moeten constateren dat de patiëntveiligheid en de kwaliteit van zorg gewoon niet meer op orde zijn en dat er daarmee dus een aanwijzing gegeven moet worden. Ik vind het eigenlijk echt verschrikkelijk dat het zover is gekomen. Daar baal ik ook enorm van. Ik heb uw Kamer hier eerder deze week ook vertrouwelijk over geïnformeerd. Ik zal zorgen dat voor het debat dat volgende week gepland staat … Dat is in ieder geval aangevraagd door mevrouw Van Meetelen, volgens mij.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Mevrouw Maeijer.
Minister Sterk:
O, mevrouw Maeijer! Ik zal er in ieder geval voor zorgen dat er ook een brief komt met antwoorden op de vragen die u heeft gesteld in uw inbreng, want dat lijkt me ook van belang voor het debat dat we dan zullen voeren.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Wij hebben het expliciete verzoek of dat voor maandag kan. Het debat is donderdag, maar dan zijn de villa's al gesloten. Wij zouden die informatie echt heel graag eerder hebben. Het is echt ontzettend van belang. Ik denk dat dit echt heel breed gedragen is in de Kamer. Deze vragen stel ik namens heel veel mensen, in ieder geval van de oppositie, maar ik denk dat ook in de coalitie mensen zich zorgen maken. Daarom doe ik dus echt het expliciete verzoek of dat voor maandag kan.
Minister Sterk:
Ik denk dat we ons allemaal zorgen maken en dat we allemaal willen dat dit goed gaat. Ik ga daar dus echt mijn best voor doen. Alleen is de aanwijzing van IGJ natuurlijk nog niet openbaar. Die wordt waarschijnlijk rond 30 juni openbaar. Eigenlijk zou ik die er graag bij willen betrekken, want dan kan ik nog meer informatie geven en dat misschien ook duiden, maar ik ga mijn best doen om maandag in ieder geval al een reactie te geven.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Misschien meer een verzoek voor als dat allemaal nog niet openbaar of nog vertrouwelijk is. Er is eerder ook een vertrouwelijke brief gekomen. Stel dat het nog vertrouwelijk is, dan kunnen we hetzelfde proces als eerder deze week ingaan, zodat die brief er wel maandag komt. Dat is meer een aanvulling.
Minister Sterk:
Dat lijkt me een hele goede afspraak. Dat even voor nu. Ik zou daarmee niet willen zeggen dat het daarmee is opgelost, zeg ik dan maar even.
Dan het onderwerp zorgfraude. Mevrouw Van Brenk verweet mij dat ik daar te weinig aan doe. Ik ben daar toch een klein beetje door verrast, moet ik zeggen, want ik was nog geen drie maanden minister, of ik had al een heel plan van aanpak liggen. Ook ik vind namelijk dat mensen die kwetsbaar zijn, het verdienen om goede zorg te krijgen en dat niet over hun rug heen zorgcriminelen zichzelf verrijken, zoals we wel zien gebeuren. We zien gewoon een zorgmaffia in Nederland ontstaan en steeds groter worden. Die moeten wij gewoon aanpakken. Volgens mij hebben wij in de brief van 6 juni heel duidelijk aangegeven dat we aan de voorkant de boel gaat dichtdraaien. Er moeten vergunningen komen. Of je nou hoofdaannemer bent, onderaannemer of een single, zoals ze dat geloof ik noemen, een solist: iedereen moet een vergunning hebben. We gaan ook kijken of iedereen een vog heeft. We gaan ervoor zorgen dat de Wet Bibob wordt ingezet. Daar heeft u volgens mij terecht naar gevraagd naar aanleiding van het experiment in Twente. We hebben 58 miljoen vrijgemaakt voor extra capaciteit. We gaan ervoor zorgen dat de gegevensuitwisseling tussen de politie, het OM en andere instanties op orde komt.
Ik ben het dus heel erg met u eens dat het heel belangrijk is dat we een vuist maken tegen zorgfraude. Aankomende week zal naar alle waarschijnlijkheid -- hij moet natuurlijk eerst nog door de ministerraad -- de brief over de Wibz uw kant op komen. Ook daarmee gaan we nog weer verder in op wat we willen doen, juist om te voorkomen dat de zorgcriminelen de overhand krijgen. Dat bedrag, die 10 miljard -- het is een schatting; niemand weet het echt zeker -- hoort natuurlijk gewoon in de zorg terecht te komen en niet in de zakken te belanden van mensen die daar op deze manier geld aan verdienen. U vindt mij dus aan uw zijde. Volgens mij trekken we aan dezelfde kant van het touw, namelijk dat we willen dat dit niet langer gebeurt, en zeker niet in een tijd waarin we moeten kijken naar de oplopende kosten voor de zorg in Nederland. We willen dat het geld echt wordt besteed aan goede, kwalitatieve zorg voor al die mensen die dat nodig hebben.
Dan ga ik even in op de opmerking die u, net als mevrouw Wendel, maakte over EenVandaag. Dat was voor mij ook echt een verrassing, moet ik zeggen. Het is natuurlijk een besluit van de IGJ zelf geweest. Mij hoeven ze daar op zich niet bij te betrekken; ik ga daar verder ook niet over. Maar ik was ook wel verrast, want nogmaals, de zorg heeft topprioriteit. Ik heb ook gevraagd: hoe zit dat dan precies? Het blijkt zo te zijn dat het een tijdelijke organisatie is, zoals mevrouw Wendel zei. De organisatie is opgericht in 2022, meen ik, en is tijdelijk geweest. De bedoeling van de IGJ is dat het nu wordt voortgezet in de lijnorganisatie, dus dat de kennis die daar zit, in de hele organisatie komt. Ze blijven ook actief deelnemen aan de samenwerkingsverbanden, zoals de Taskforce Integriteit Zorgsector en ook de Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude. De aanpak van zorgfraude is ook gewoon een beleidsprioriteit van VWS. Zo is het opgenomen in de kaderbrief, maar het is ook een prioriteit die opgepakt moet worden door de IGJ.
Ik heb met enige regelmaat een gesprek met de inspecteur van de IGJ. In het eerstvolgende gesprek dat ik met haar heb, wil ik gewoon eens vragen "hoe weten we nou zeker dat we de kennis die daar zat en wat ze daar konden, kunnen behouden?", juist om de zorgfraude hard te kunnen blijven aanpakken. Volgens mij denkt niemand daar anders over in de Kamer. Daar zal ik u later dan ook over berichten.
Mevrouw Wendel (VVD):
Wat mij echt tegenstaat, is dat in het artikel -- er even van uitgaande dat dat klopt -- wordt geschreven over een soort richtingenstrijd binnen de IGJ, dus dat mensen het intern niet met elkaar eens zijn en dat dat mede aanleiding is dat dit team wordt opgedoekt. Dan denk ik: het kan toch niet zo zijn dat dit nu gebeurt omdat mensen binnen de IGJ het niet met elkaar eens zijn? Want ja, wie staat er dan wederom langs de zijlijn te lachen? Dat zijn natuurlijk die criminelen. De minister geeft aan dat zij in gesprek gaat met de IGJ. Ik zou graag van de minister willen weten wanneer dat ongeveer is en of zij ons ook een terugkoppeling kan geven. Ik vind het namelijk belangrijk dat we juist zo'n specialistisch team hebben dat gericht die malafide zorgaanbieders aanpakt, in plaats van puur en alleen kijken naar leren en vertrouwen.
Minister Sterk:
Volgens mij zei ik net al dat ik niet precies weet wanneer ik dat gesprek heb, maar we zijn nog twee weken aan het werk en ik hoop dat het daar ergens in valt. Anders moet ik proberen om het zo te plannen. Maar ik zal in ieder geval direct na de zomer eventjes terugkoppelen wat er precies besproken is, want dan bent u ook pas weer aan het werk.
Dat op dit punt, voorzitter.
Dan had mevrouw Wendel ook ...
De voorzitter:
Voordat we daarmee verdergaan, is er nog een vraag van mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik was gisteren echt laaiend. Ik dacht: hoe kan dit nou? We hebben een minister die zegt "ik ga alles aanpakken". Ik was al heel erg chagrijnig omdat een debat uitgesteld was, omdat de Wibz niet op tijd klaar was. Daarvan dacht ik ook al: nou, het ministerie heeft lekkere prioriteiten! En dan gaat IGJ ... Ik begrijp dat dat geen zbo is en dat het ministerie daar dus niet de eigenaar van is en er toezicht op houdt. Ik zou die verhouding ... Ik had meteen de telefoon gepakt. Ik had die inspecteur gebeld en gezegd: waar ben jij in godsnaam mee bezig? Ik weet niet beter dan dat onze contacten bij de Arbeidsinspectie echt heel chagrijnig zijn dat dit gebeurt, omdat die kennis daar gewoon echt heel hard nodig is. Inderdaad, precies zoals mevrouw Wendel zegt: er zitten daar andere mensen, die kijken daar met een andere blik naar, die zijn lief, die geven mensen nog allemaal de kans om te verbeteren. Er is, precies zoals deze minister zegt, een zorgmaffia en daar kan je niet lief voor zijn. Daar moeten echt pitbulls op zitten. Ik denk dan: als het de hoogste prioriteit is, dan hoop ik dat dat gesprek heel snel is. Ik wil daar heel graag heel snel een reactie op.
Minister Sterk:
Ik ga mijn uiterste best doen om dat zo snel mogelijk te doen. Over dit debat: volgens mij gaat de Kamer zelf over haar agenda. Wij doen ons werk, maar u gaat zelf over de agenda van de commissievergaderingen.
Voorzitter. Er waren nog een aantal vragen gesteld over zorgfraude. Mevrouw Wendel vroeg wanneer de investeringen in de aanpak van zorgfraude naar verwachting echt rendement zullen gaan opleveren. Wat mij betreft is dat natuurlijk het liefst morgen, maar soms moet je dingen toch nog even gaan regelen. We hebben natuurlijk de capaciteit die we gaan vrijmaken, de middelen zijn ervoor en ik hoop dat we vanaf Q1 ook gewoon daarmee aan de gang gaan en dat dit ook zo snel mogelijk tot effect zal leiden.
U wilde ook weten wat de stand van zaken is van de Taskforce Integriteit Zorgsector en de taskforce zorgfraude bij de politie. De Taskforce Integriteit Zorgsector, oftewel de TIZ, zet een belangrijke volgende stap in haar ontwikkeling met de invoering van een nieuwe governance en de inrichting van een onafhankelijk kernbureau. Daar starten ze deze zomer mee. Er wordt ook gewerkt aan de inrichting van een taskforce zorgfraude bij de politie. De minister van JenV onderzoekt samen met relevante partners hoe deze taskforce het beste kan worden gepositioneerd en ingericht, in samenhang met andere initiatieven.
De versterking van de TIZ en de verkenning van de taskforce bij de politie staan ook in het teken van een meer samenhangende slagvaardige en resultaatgerichte aanpak van zorgfraude. We hebben natuurlijk ook een Taskforce Ondermijning in dit kabinet. Ook daar staat dit op de agenda en ook daar hebben we het regelmatig over dit onderwerp. Ondermijning is soms ... Dat is natuurlijk eigenlijk het verschrikkelijke met die zorgmaffia. Het gaat soms niet eens over zorg, maar het gaat ook over drugs, over het witwassen van geld, over wapenhandel. Daarom is het ook goed, denk ik, dat het ook in die taskforce een prominente plek heeft.
Volgens mij heb ik wel voldoende laten weten aan mevrouw Van Brenk dat dit echt de hoogste prioriteit heeft, dat we daar echt met man en macht mee bezig zijn, dat de samenwerking met het ministerie van JenV en het OM echt goed is. We hebben nu gelukkig ook meer middelen om die samenwerking nog meer te versterken en ook de gegevensuitwisseling met OM en politie te verbeteren. Ik denk ook -- en dat zit in die taskforce -- dat het natuurlijk wel belangrijk is om een interdepartementale aanpak te hebben, want wij doen een deel, maar er ligt een heel belangrijk deel bij JenV, maar ook bij Sociale Zaken. Het is dus ook belangrijk dat we dat in samenhang oppakken.
Dat was het blokje zorgfraude, voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk, uw laatste interruptie.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ja, die moet daar dan maar aan besteed worden. Ik hoop trouwens dat de minister het volhoudt tot het reces, met dat gehoest. Laat ik zeggen dat ik me zorgen maak. Als iets over meerdere ministeries verdeeld is, dan loopt dat heel vaak niet zo soepel. Dat zien we bij sommige onderdelen. Van vanochtend een heel simpel voorbeeldje: de rivierkreeftjes vreten onze sloten aan. Dat ligt bij Landbouw, maar de lasten zitten bij IenW. Nou, hoe harder Landbouw dan werkt, hoe minder lasten IenW heeft. Dit is ook zoiets waarvan ik denk: hoe gaan we nou zorgen dat dit ook bij JenV on top of mind zit? En dat terwijl we ook zedenzaken hebben, terwijl we ook ... Kortom, er is een heleboel, maar hierbij willen we echt dat het geld van Zorg ook echt in de zorg blijft. Misschien kan de minister dus nog iets zeggen over hoe die samenwerking gaat, zodat ik er meer vertrouwen in heb dat die regie ook echt goed belegd is.
Minister Sterk:
Dat heb ik net geprobeerd aan te geven. We hebben als kabinet zes taskforces in het leven geroepen, juist voor die onderwerpen waarvan we zeggen dat het echt prioriteit heeft om ze op te gaan lossen. Dat gaat onder andere over stikstof en over woningbouw, maar het gaat ook over ondermijning. Hier hebben we het natuurlijk over ondermijning. Volgens mij is de minister van JenV de trekker van die taskforce. Wij zitten daar ook bij, minister Hermans en ik, juist om daar vanuit de zorgfraude op aan te sluiten, want nogmaals, ondermijning is vaak iets wat heel veel terreinen pakt. Ik weet dat wij niet altijd een goede -- zeg maar -- pers hebben als het gaat over coördinatie en samenwerking. Ik kan best een paar dossiers noemen waar dat soms best wel ingewikkeld is, zeg ik dan maar even heel eerlijk. Maar ik heb het gevoel dat nu uitgerekend op dit dossier wel echt door iedereen die urgentie wordt gevoeld en dat daar echt goed op wordt samengewerkt. Als u andere geluiden hoort, dan hoor ik dat ook graag; dan heb ik iets in de hand waarmee ik naar mijn collega's kan stappen.
De voorzitter:
Dank u wel. U gaf net aan dat het eerste blokje, over zorgfraude, was afgerond. Zou u nog kunnen zeggen wat de andere blokjes zijn?
Minister Sterk:
Jazeker, dat kan ik: digitalisering en gegevensuitwisseling, een blokje jeugd, één vraag over sport en dan nog een paar kleine vragen over overige zaken. Het valt dus mee, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik begrijp dat er over het vorige blokje, over zorgfraude, nog een vraag is van mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
De afgelopen periode heb ik me natuurlijk hard ingezet om zorgfraude aan te pakken. Wat mij triggert, is dat ik veel mensen op de lijn krijg die zeggen: "Wat nou als ik per ongeluk een foutje maak? Kom ik dan in de knel? Komen jullie dan achter me aan?" Nou, ik denk dat we met elkaar al goed proberen om aan die mensen uit te leggen dat dat absoluut niet het geval is, dus dat het ons echt gaat om criminelen die moedwillig de zorg ingaan om -- nou ja, even plat gezegd -- het geld in eigen zak te steken. Ik zou de minister dus dit willen vragen. We noemen het altijd "zorgfraude", maar zouden we die naam niet gewoon moeten aanpassen naar iets met "ondermijning in de zorg" of "zorgcriminaliteit"? Dat is natuurlijk wat het is. Het is natuurlijk geen foutje in een declaratie; het zijn criminelen die doelbewust de zorg ingaan. Misschien moeten we het beestje gewoon bij de naam noemen.
Minister Sterk:
Ik heb de titel "zorgfraude" zelf niet bedacht. Ik heb het daarom zelf ook soms liever over de "zorgmaffia", want dat is echt waar we het over hebben. Dat is wat we willen aanpakken, niet de mensen die een foutje maken in een declaratie of die misschien te laat zijn met iets. Dat zijn natuurlijk niet de mensen bij wie het geld verdwijnt. Het gaat echt om die criminele organisaties die hebben ontdekt dat de zorg een laag punt is, waar ze makkelijk in kunnen stappen, waar kwetsbare mensen zitten, waar veel geld in omgaat en waar ze dus makkelijk geld kunnen verdienen, zolang wij die toegang niet beter aan de voorkant dichtdraaien. Dat is waar dit over gaat en dat is wat ik wil aanpakken.
Voorzitter. Dan kom ik bij een heel ander onderwerp, namelijk digitalisering en gegevensuitwisseling. Een vraag van ook mevrouw Wendel over de EHDS. Mevrouw Wendel zegt dat ze graag wil dat dit al in 2026 echt geregeld is. Nou, dat gaat niet lukken, want wij volgen de EHDS-tijdlijnen. Ik denk dat u een beetje refereert aan een debat dat we hebben gehad, waarin ik heb toegezegd dat we die opt-out gaan uitwerken: hoe gaat die eruitzien? Daar waren toen heel veel vragen over, ook of je daar nog een soort uitzondering op kunt maken voor als je als zorgverlener toch die informatie zou willen. Daar kom ik na de zomer mee. Na de zomer kom ik dus met hoe we die opt-out gaan vormgeven. Het regelen van die opt-out doen we uiteindelijk pas in 2029, want dat past in de tijdlijnen van het EHDS-voorstel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik geef toe dat ik misschien stiekem ook wel wist dat die in de tweede tranche van de EHDS zit. Ik bedoel er vooral mee dat het zorgdomein hier volgens mij echt om staat te springen. Volgens mij zitten we er allemaal echt op te wachten. We zijn alweer jaren verder in 2029. Ik wil de minister dus eigenlijk vragen of het niet iets sneller kan.
Minister Sterk:
Dat durf ik niet zo te zeggen. Ik denk dat dat namelijk samenhangt met wetgeving die we dan daarvoor moeten maken. We hebben daarvoor volgens mij überhaupt nog een discussie te voeren met elkaar over hoe we willen dat die opt-out eruit gaat zien. Ik merkte dat de Kamer daar nog geen eenduidige visie op had. Volgens mij heb ik voorgesteld om met een voorstel te komen van hoe wij denken dat dat eruit zou moeten zien. Het is dan nog aan de Kamer om daarmee in te stemmen. Volgens mij kunnen we het dan gaan uitvoeren.
Voorzitter. Mevrouw Van Meetelen vroeg of ik kan garanderen dat de medische gegevens van Nederlanders niet via de EU-constructies buiten hun daadwerkelijke controle komen en of wij zelf de baas blijven over de inrichting van ons zorgstelsel. Wat betreft de eerste vraag kan ik zeggen dat 100%-garanties niet bestaan. Daar ben ik even heel eerlijk in. Zorgaanbieders zijn in principe verantwoordelijkheid voor de beveiliging van die data, want daar zijn die data. Ik heb die niet. Die liggen bij de zorgaanbieders. Daarbij hoort ook dat ze inzicht hebben in waar die data worden opgeslagen. Ik denk dat het goede van het nieuwe systeem is dat we data dus niet op één plek verzamelen. Die data blijven bij zorgaanbieders. Als er een connectie moet worden gelegd tussen een zorgverlener en iemand die de zorggegevens beheert, dan gaat alleen dat specifieke autootje, zeg maar, naar de zorgverlener rijden, waardoor je dus in principe nooit alles zomaar zou moeten kunnen laten overgaan. Misschien is het geruststellende antwoord dan dat Nederland wel gewoon zelf verantwoordelijk blijft voor de inrichting van haar zorgstelsel. Dat was dit blokje, voorzitter.
Dan kom ik bij het blokje jeugd. Mevrouw Synhaeve vroeg hoe ik kijk naar het signaal dat jongeren zich steeds vaker en duidelijker zorgen maken over de toekomst. Ik kom zo ook nog even op haar tweede vraag. Ik vind dat zorgelijk. Wij denken dat dat voor een deel misschien door corona komt, maar dat is inmiddels ook alweer bijna vijf jaar geleden. Het is natuurlijk gewoon niet goed dat wij horen dat de mentale gezondheid van jongeren niet goed is. Mijn collega, minister Hermans, zet daar natuurlijk ook op in bij de ggz. We hebben de Versterkingsagenda Mentale gezondheid, die ook gericht is op het versterken van de mentale veerkracht van jongeren. We doen dat ook door mentale gezondheid bespreekbaar te blijven maken.
Ik was laatst bijvoorbeeld bij een heel mooi project. Dat is een project van een sportverenging in Voorburg. De koningin was daar ook, trouwens. Dat heet De Onzichtbare Blessure. Daarbij spreken ze met jongeren, adolescenten, over hoe het eigenlijk met hen gaat. Wat ik zo ontwapenend vond -- ik heb zelf een zoon van 18 jaar -- is dat deze jongeren daar echt goed met elkaar over konden praten. Het kan dus. Ik denk dat het een hele mooie plek is om over dit soort dingen te spreken, juist in deze context, waarin je natuurlijk in een team zit en een prestatie wil neerzetten met elkaar. Ik denk dat het goed is dat we dat soort dingen doen. We hebben zelf natuurlijk De Checkers meeontwikkeld. Je hebt natuurlijk ook In je bol. Dat zijn tools die zijn voortgekomen uit de coronatijd. Wij proberen daar dus wat aan te doen.
U had ook een hele mooie vraag, vond ik, namelijk: welke verantwoordelijkheid ziet de minister voor zichzelf om jongeren hoopvoller naar de toekomst te laten kijken? Die vraag krijg ik natuurlijk niet vaak aan deze kant van de tafel. Ik kan daar natuurlijk een beleidsantwoord op geven. Ik denk dat mijn collega net al van alles heeft gezegd over wat je nou met een gezonde toekomst wil. Ik denk zelf dat het ook ontzettend belangrijk is dat wij als volwassenen hoop blijven houden, dat wij laten zien dat we nog vertrouwen hebben in deze wereld en dat we aan oplossingen voor deze jongeren werken. Dat gaat over het oplossen van de woningnood. Dat gaat over de klimaataanpak, als je kijkt naar wat er deze dagen gebeurt. Ik denk dat het ontzettend nodig is dat jongeren het gevoel hebben: "Deze mensen zijn bezig voor mijn toekomst. Daar heb ik ook invloed op en daar mag ik aan meedoen." Ik denk dat het echt de dure taak is van ons als kabinet om dat in te zetten. Volgens mij proberen we dat ook in het coalitieakkoord uit te stralen. Ik hoop dat dat leidt tot hoop bij jonge mensen. Ik denk namelijk dat er in deze wereld veel is om over te wanhopen. Wij zijn het aan onszelf verplicht om te zorgen dat er hoop blijft.
Voorzitter. Dan had mevrouw Synhaeve ook nog de vraag over wat we gaan doen met de signalen die naar voren zijn gekomen uit de V-100. Maar volgens mij had ik daar al van aangegeven dat we daar volgende week op terugkomen.
Ten slotte had mevrouw Van Meetelen twee vragen: hoeveel van de miljarden gaat daadwerkelijk naar de directe bescherming van kinderen? En: welk deel gaat er naar middelen voor de hervormingsagenda? Het is niet dat ik me er nou makkelijk vanaf wil maken, maar die middelen die we hebben gaan natuurlijk naar gemeentes toe. Die gemeentes hebben dat in hun gemeentefonds. Er is verder niet heel specifiek gelabeld waar dat vervolgens verdwijnt. Zij zijn natuurlijk aan zet om dat optimaal te besteden. Zij hebben natuurlijk ook een democratisch orgaan dat hen daarop toetst; dat is de gemeenteraad. Die moet controleren of het geld dat wordt besteed aan jeugdzorg, inderdaad terechtkomt waar het moet. We zien wel dat die uitgaven van gemeentes aan jeugdzorg toenemen. Dat ziet u natuurlijk ook, want daar had u het over. Volgens mij is dat ook het gesprek dat we op dit moment voeren. Hoe moeten we dat jeugdzorgstelsel dan beter inrichten, zodat er aan de voorkant veel beter gekeken wordt of het gaat om een zorgvraag? Misschien gaat het wel om een vraag die te maken heeft met het welbevinden van jongeren.
We willen ook proberen om veel meer collectief aan te bieden, waardoor jongeren misschien in groepen kunnen praten over dingen die hen bezighouden en waarmee we ze willen activeren om meer te gaan bewegen of deel te nemen aan culturele activiteiten. Niet alles is immers een zorgvraag. Ik probeer met de sector te kijken hoe we dat kunnen doen, enerzijds met de Reikwijdtewet, maar ook met macrobeheersing, want die gaat over de oplopende kosten. We willen dat met de hele keten van de jeugdbescherming gaan doen. Dat is het toekomstscenario. Volgens mij gaat het u er ook heel erg om dat we het zo hebben georganiseerd dat als kinderen echt vandaag onze zorg nodig hebben, ze die ook vandaag krijgen. Daar werken we echt hard aan. We hebben het al vaker gezegd, maar daar zijn we met die hele keten mee bezig. Dat gaat niet alleen maar over extra geld. Dat gaat ook over of we met elkaar de goede dingen doen en of we dat op dezelfde manier doen. Dan hoeft iemand niet elke keer opnieuw zijn verhaal te vertellen als hij weer bij het volgende loket komt, want dan doen we het dus niet goed. Daar werken we aan.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik ben het met de minister eens dat we niet aan het kijken zijn naar extra geld. Het gaat mij er vooral om dat we weten waar het geld nou eigenlijk naartoe gaat en waar het aan uit wordt gegeven. Ik snap dat de minister zegt dat het bij de gemeenten ligt, maar mijn vraag zit 'm er meer in of we beter inzichtelijk en duidelijk kunnen krijgen: dit gaat daarnaartoe, dat gaat daarnaartoe. Kan het meer uitgesplitst worden en kunnen wij in de Kamer inzichtelijk krijgen waar het allemaal naartoe is gegaan? Nu hebben we dat zicht namelijk gewoon niet. Dat is eigenlijk een beetje waar ik naartoe wil.
Minister Sterk:
De behoefte die u verwoordt, kan ik me heel goed voorstellen. Je denkt ook wel: daar gaat zo veel geld naartoe en hoe kan het dan dat dat niet genoeg is? Waar wordt het dan aan uitgegeven? Voor een heel klein deel denk ik dat we daar ook wel zicht op hebben, want we weten natuurlijk hoeveel geld er naar de hervormingsagenda gaat. Dat weten we ook voor die toekomstscenario's. Maar juist voor de jeugdzorg ligt dat voor een heel groot deel bij gemeentes, want gemeentes zijn aan zet in de jeugdzorg. Wij kunnen dus in grote lijnen wel aangeven -- die getallen noemde u ook -- wat daarnaartoe gaat, maar hoe dat precies besteed wordt, is gewoon veel ingewikkelder. Helaas kan ik u daar op dit moment dus niet zomaar een antwoord op geven.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Minister Sterk:
Ik ben bij het volgende blokje, voorzitter. Dat was één vraag over sport, ook van mevrouw Van Meetelen. Ik wil overigens wel even erop wijzen dat we volgende week nog een commissiedebat hebben over sport. Ik hoop eigenlijk dat we daar dan misschien wat meer verdiepend op uw vraag in kunnen gaan. Ik vind het natuurlijk ontzettend belangrijk dat we niet vooral geld uitgeven, maar vooral ook mensen aan het sporten krijgen. Dat is volgens mij waar u naar vraagt. Ik werk ook met NOC*NSF en de VSG. De VSG is de Vereniging Sport en Gemeenten, waarin de gemeentes samenwerken aan vitale sportverenigingen. Ik ben ook aan het werken aan een wet sport en bewegen, juist ook om daar meer prioriteit aan te geven, maar ik stel voor dat we dat gesprek volgende week vervolgen bij het commissiedebat.
Dan ben ik bij het laatste blokje, overig. Daarin heb ik nog twee vragen, of eigenlijk nog maar één, want volgens mij is die andere vraag net al door mijn collega Hermans beantwoord. Dit is een vraag van mevrouw Van Brenk. Zij vroeg of ik bereid ben om kritisch te kijken naar het aanbesteedcircus, want 342 gemeentes en heel veel zorgorganisaties houden zich daarmee bezig, dus wat kost dit in verhouding tot wat dit oplevert? Die vraag kan ik helaas niet zomaar beantwoorden, want dit is best een hele ingewikkelde vraag. De aanbestedingswetgeving waarover u het heeft, is ook een verantwoordelijkheid van de ministeries van EZK en BZK. Op dit moment vindt er overleg plaats met die betreffende ministers en dus ook rijksbreed over het aanpassen van die regeldruk. We kijken hoe een vereenvoudiging van dat aanbesteden mogelijk is. Het is soms namelijk inderdaad een heel circus als je kijkt naar wat je dan moet invullen om uiteindelijk bij een opdracht uit te komen. Dat is ook mijn ervaring vanuit mijn vorige rol. De vraag is heel terecht, denk ik: kunnen we dat niet wat simpeler maken? Maar daar wordt dus aan gewerkt door die ministeries en rijksbreed.
Dat was 't, voorzitter.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde van de beantwoording van het kabinet gekomen. Dan gaan we door met de tweede termijn van de zijde van de Kamer, te beginnen met mevrouw Vliegenthart.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Dank, voorzitter. Ik begin gewoon direct met twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de doelen uit het Nationaal Preventieakkoord op het gebied van roken, alcoholgebruik en overgewicht niet gehaald dreigen te worden;
overwegende dat het kabinet grote ambities heeft op het gebied van preventie, maar dat het voor het kabinet onvoldoende inzichtelijk is in hoeverre maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan het behalen van deze doelen;
verzoekt de regering om naar het voorbeeld van Keuzes in Kaart inzichtelijk te maken wat de precieze gezondheidsimpact is van een groot palet aan mogelijke preventiemaatregelen rondom de doelen van het terugdringen van roken, alcoholgebruik en overgewicht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vliegenthart.
Zij krijgt nr. 9 (36945-XVI) (#1).
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de doelen uit het Nationaal Preventieakkoord op het gebied van roken, alcoholgebruik en overgewicht niet gehaald dreigen te worden;
overwegende dat de voortgang van de preventiedoelen slechts een keer in de twee jaar gemonitord wordt, maar dat het belangrijk is om dit jaarlijks inzichtelijk te hebben om bij te kunnen sturen;
verzoekt de regering om jaarlijks te laten rapporteren over de voortgang op de doelen rondom het terugdringen van roken, alcoholgebruik en overgewicht, en hierover verantwoording af te leggen aan de Tweede Kamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vliegenthart.
Zij krijgt nr. 10 (36945-XVI) (#2).
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Dat was 'm. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie zelf af van mijn tweede termijn. Dat brengt ons bij mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Voorzitter, dank. Ik had nog een hele tekst, maar die ga ik niet meer gebruiken, want we hebben al heel veel besproken.
Ik heb nog wel een paar moties. Ik wil daar nog wel iets over zeggen. Voor ons staat gewoon vast dat wij vinden dat je per grote beleidsmaatregel moet kunnen zien hoeveel geld daaraan wordt uitgegeven en welke effecten er worden bereikt. De effecten moeten zichtbaar zijn en ook moet duidelijk zijn wie er verantwoordelijk is wanneer resultaat uitblijft. Dat geldt voor de zorgakkoorden, voor jeugdzorg, voor preventie, voor grote projecten als PALLAS, dus eigenlijk voor alle grote projecten. We hebben het dus niet over de kleinere projecten, maar als er echt grote uitgaves worden gedaan, dan moeten we daar gewoon beter inzicht in krijgen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering bij grote VWS-programma's en zorgakkoorden voortaan vooraf meetbare resultaten, termijnen, verantwoordelijken en stopcriteria vast te leggen en financiering te beëindigen wanneer aantoonbare resultaten structureel en gedurende langere tijd uitblijven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 11 (36945-XVI) (#3).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat nieuwe wetgeving niet mag worden ingevoerd zonder duidelijkheid over uitvoerbaarheid, personeelsbeslag en gevolgen voor bestaande taken;
verzoekt de regering geen wetsvoorstellen op het terrein van VWS aan de Kamer te sturen zolang relevante uitvoeringsorganisaties geen volledige uitvoeringstoets hebben uitgevoerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 12 (36945-XVI) (#4).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat preventiebeleid mensen moet informeren, maar niet moet betuttelen, sturen of indoctrineren;
verzoekt de regering af te zien van preventiebeleid dat via subsidies, campagnes, productaanbod of gedragssturing de vrije keuzes van Nederlanders probeert te beperken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 13 (36945-XVI) (#5).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering ervoor zorg te dragen dat kraamzorg altijd onderdeel blijft van het basispakket,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 14 (36945-XVI) (#6).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Wendel ziet af van haar tweede termijn. Dat brengt ons bij mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Nou, dat gaat snel. Maar dan neem ik ook gewoon de tijd, heb ik maar bedacht!
Voorzitter. Er zijn een paar punten waar ik op terug wil komen. Ik ben blij met de opmerking die net gemaakt werd over de aanbestedingen. Ik weet dat een onderzoeksjournalist heeft geprobeerd om bij een gemeente inzicht te krijgen in de kosten van aanbestedingen. Het is die gemeente gewoon niet gelukt om enig cijfer te leveren. Dat is eigenlijk te gek voor woorden. Er zijn daar namelijk een heleboel mensen mee bezig. Dat is gewoon doodzonde, want ze kosten toch het nodige, zoals ik al zei. Ik zou dus toch iets aan de minister willen vragen. Ik heb twee moties. Ik weet bij voorbaat al dat ze zullen worden ontraden, maar ik moet ze gewoon indienen -- sorry. Maar misschien zou zij erover kunnen nadenken of de Algemene Rekenkamer niet een opdracht of een vriendelijk verzoek van ons zou kunnen krijgen om hier eens kritisch naar te kijken: zouden we iets uit elkaar kunnen rafelen over de kosten ín en áán de zorg?
Ik had ook nog een opmerking gemaakt die onvoldoende geadresseerd is. Ik vind dus dat ik 'm nog een keer moet maken. Bij onze cijfers zijn er nog steeds mensen die niet terugkomen. Die zien we niet, omdat ze aan de poort van organisaties geweigerd worden of omdat ze dingen niet kunnen. Maar de problemen zijn er wel. Die liggen dan bij de burgers. Ik denk dat we er nog even over moeten nadenken of we daar iets mee kunnen of moeten doen.
Dan mijn moties, die misschien al bij voorbaat wanhopig zijn, maar misschien zijn er suggesties om ze enigszins aan te passen waardoor ze werkbaar worden.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat deze regering voornemens is te bezuinigen op de zorg;
overwegende dat deze bezuiniging niet terecht mag komen bij degenen die direct werken in de zorg;
overwegende dat onvoldoende inzichtelijk is in het jaarverslag welke kosten áán de zorg gemaakt worden en welke ín de zorg;
verzoekt de regering zich te gaan inspannen om inzichtelijk te maken welke kosten er gemoeid zijn áán de zorg versus ín de zorg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.
Zij krijgt nr. 15 (36945-XVI) (#7).
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dan nog eentje. Ook die is heel lastig, omdat de minister net gezegd heeft dat ze er niet over gaat. Ik vind eigenlijk dat ze daar wel over zou moeten gaan, maar een minister kan natuurlijk ook niet alles. Ik ga het toch proberen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat zorgfraude een groot probleem is waardoor miljarden aan zorggeld wegvloeien naar zorgcriminelen;
overwegende dat er te weinig capaciteit is voor de controle, en dat opgebouwde kennis en ervaring behouden moeten blijven;
overwegende dat het team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) beschikt over brede expertise die nodig is om georganiseerde criminaliteit in de zorg te herkennen, maar dit team om onduidelijke redenen wordt opgeheven;
verzoekt de regering het speciale team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) van IGJ, dat bewezen heeft fraude te kunnen opsporen, in stand te houden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.
Zij krijgt nr. 16 (36945-XVI) (#8).
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Dan ga ik er maar weer met de geuzenkreet uit: overigens is 50PLUS van mening dat alle 60-plussers recht moeten hebben op een gordelroosvaccinatie.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik even naar de bewindspersonen ...
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Voorzitter, mag ik ook nog?
De voorzitter:
Excuses! Ik ga veel te snel.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Mijn inbreng was natuurlijk kort, maar nu word ik meteen helemaal over het hoofd gezien!
De voorzitter:
U dacht: dit gaat helemaal niet goed, hoor. Maar volgens mij komt het misschien wel doordat we al vier debatten gehad hebben de afgelopen dagen.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ik had nog één punt. Ik zie dat de minister in overleg zijn, maar ik heb nog één heel klein punt. Ik wil hen in ieder geval bedanken voor de uitgebreide beantwoording.
Ik wil ook heel graag het verhaal onderschrijven dat we ook een hoopvol perspectief moeten blijven vertellen. Er gebeurt gewoon ontzettend veel moois in de samenleving. Dat is ook precies de reden waarom ik mijn inbreng begon met het bedanken van hen die afgelopen jaar zich er gewoon keihard voor ingezet hebben om het juiste te doen. Ik vind het heel erg mooi dat het omarmd wordt in het kabinet. Ik zou het ook heel mooi vinden als er gewoon in het politieke werk meer aandacht komt voor alle dingen die goed gaan en alle inspirerende mensen die er zijn in Nederland.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik heb nog drie keer op mijn lijstje gekeken, maar we hebben nu wel degelijk iedereen gehad. Excuses voor zonet. Ik kijk even naar de bewindspersonen: hoeveel tijd denken jullie nodig te hebben? Tien minuten? Uitstekend. Dan gaan wij om 18.00 uur weer verder.
De vergadering wordt van 17.49 uur tot 17.59 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik vermoed zomaar dat we nu alvast kunnen beginnen. Ik kijk naar de zijde van het kabinet voor de tweede termijn.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel.
Ik begin met de motie op stuk nr. 9, van mevrouw Vliegenthart, die gaat over het inzichtelijk maken van de precieze gezondheidsimpact van een groot palet aan mogelijke maatregelen. Dat is een beetje naar analogie van Keuzes in Kaart. Ik verwijs even naar wat ik daarover heb gezegd in de eerste termijn. Zoals gezegd ben ik daarmee bezig. Ik ben dat in kaart aan het brengen, dus dat wil ik doen, maar ik wil even oppassen, want ik weet niet of we hetzelfde verstaan onder "een groot palet". Ik vraag dus: wat ligt er, wat loopt er en wat staat er in het regeerakkoord, ook specifiek ingezoomd op die wetgevende maatregelen? Dat breng ik nu in kaart en dat deel ik natuurlijk graag met de Kamer na de zomer. Als ik het zo mag interpreteren, kan ik 'm dus oordeel Kamer geven.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Ja, in principe is het oké om het zo te interpreteren, maar wel even met het volgende ding erbij. Die brieven van het kabinet over het waarom en hoe krijgen we natuurlijk dagelijks. Ik zou het ook fijn vinden als er iets breder kan worden laten zien van "deze maatregel hebben we nu overwogen, maar daar kiezen we nu niet voor", dus iets meer in detail. We hadden het net bijvoorbeeld over die boetes.
Minister Hermans:
Ja, maar ik begrijp uw vraag als: we hebben heel veel maatregelen op papier staan, ook in het coalitieakkoord, en wat is nou het effect of de verwachte impact van zo'n maatregel? Er zit ook iets met boetes in, dus ik kan me best voorstellen dat we daar wat over opschrijven, maar om bij alles te vermelden wat we nog meer overwogen hebben …
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Ik wil een beetje voorkomen dat het een brief wordt zoals we die zo veel …
De voorzitter:
Even via de voorzitter. Mevrouw Vliegenthart.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Dank, voorzitter. Volgens mij moeten we hier wel uit kunnen komen. Ik wil voorkomen dat het een brief als zo vele wordt: dit gaan we doen en dat doen we daarom. Ik wil graag iets meer uitleg krijgen. Neem die boetes: vanaf welk moment is dat nu effectief en hebben we daar informatie over? En bijvoorbeeld: op basis daarvan kiest de minister ervoor om deze en deze maatregel in te zetten. Snapt u waar ik heen wil?
Minister Hermans:
Ja, dat snap ik heel goed.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Anders hou ik 'm gewoon zoals ie is. Dan kunt u 'm ontraden en gaan we 'm in stemming brengen. Dat is ook goed.
Minister Hermans:
Dat snap ik heel goed. Ik probeer daar ook aan tegemoet te komen en tegelijk probeer ik de verwachting dat ik alle mogelijke opties en maatregelen met alle plussen, minnen en effecten in kaart breng, te temperen. Ik focus me dan wel echt even op wat er nu klaarligt, wat we al eerder afgesproken hebben om te gaan doen, waarbij we nu gewoon moeten gaan kiezen en waar we de eerste stap zetten, de eerste energie op inzetten, en waar daarna. Maar het wordt niet alleen maar een brief met: dit gaan we doen. U vraagt, en daar heb ik ook om gevraagd, naar de impact van die verschillende maatregelen.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Laten we het zo doen, en als ik niet tevreden ben met uw brief is er vast een moment waarop ik nog een nieuwe versie hiervan kan indienen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 9 heeft dan oordeel Kamer.
Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 10, over de monitor. Daarvan zou ik eigenlijk aan mevrouw Vliegenthart willen vragen of zij bereid is die motie even aan te houden. Ik zei namelijk al dat ik met het RIVM in overleg ben over hoe we die monitor nou op een goede manier gaan vormgeven. Onderdeel daarvan is ook de frequentie waarmee hij dan verschijnt. Ik begrijp heel goed wat hieronder zit, maar ik ben daarover in overleg, dus ik loop dan een beetje vooruit op dat gesprek. Daarom dus mijn verzoek of zij 'm wil aanhouden.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Ik wil 'm zeker aanhouden, met de toevoeging dat het wat ons betreft én beter kan én nog wel meer mag. Maar we willen 'm aanhouden. Dan zien we waar we komen.
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Vliegenthart stel ik voor haar motie (36945-XVI, nr. 10) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Hermans:
Geweldig. Dank. Dan komen we bij de motie op stuk nr. 11, van mevrouw Van Meetelen, om vooraf resultaten, stopcriteria et cetera vast te leggen. Deze motie ga ik ontraden. Kijk, de minister van Langdurige Zorg en ik zijn echt niet te beroerd om ergens mee te stoppen, iets bij te stellen of bij te sturen als wij in de uitvoering van IZA en AZWA zien dat dingen niet goed gaan, maar dit van tevoren doen, zeker met stopcriteria en financiering beëindigen, vind ik ook echt van wantrouwen uitgaan. Wij sluiten die akkoorden juist in vertrouwen met al die partijen aan tafel om samen werk te maken van betere zorg. Om die reden ontraad ik dus deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 11: ontraden.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 12 gaat over de uitvoeringstoetsen. Ik zei in mijn reactie op de inbreng van de rapporteurs al dat wij ons inzetten om dat proces van die uitvoeringstoetsen te verbeteren en de aanbevelingen van de Rekenkamer over te nemen, en dat we ons aansluiten bij dat rijksbrede traject voor de doorontwikkeling van de uitvoeringstoets. Ik vind deze motie dus eigenlijk overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 12: overbodig.
Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 13. Die verzoekt de regering af te zien van preventiebeleid. Die motie ontraad ik. Ik heb in de eerste termijn geschetst hoe wij kijken naar die gezonde generatie en naar het belang van het wegwerken van gezondheidsverschillen en gezond kunnen opgroeien. Als we het nou hebben over perspectief en hoop, geloof ik ook echt dat we het met elkaar voor elkaar kunnen krijgen en dat we een balans van maatregelen vinden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 13: ontraden.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 14 over de kraamzorg. Die motie is overbodig. Het beleid van dit kabinet is dat die in het pakket zit en blijft. Daar sta ik voor en daar maak ik me hard voor.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 14: overbodig.
Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 15. Dat is een verzoek van mevrouw Van Brenk om in het jaarverslag inzichtelijk te maken welke kosten er gemoeid zijn met mensen die aan de zorg verdienen versus mensen die in de zorg verdienen. Ik heb geprobeerd te schetsen hoe wij invulling geven aan onze begroting en daarna natuurlijk aan het jaarverslag. Vanuit die optiek moet ik deze motie ontraden. Maar mijn toezegging blijft staan dat we meer positieve en mooie dingen in beeld brengen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik had nog een ander verzoek gedaan. Het kan zijn dat de minister even te druk was met de moties, zal ik maar zeggen. Het ging over de Algemene Rekenkamer. De vraag was of die misschien niet aan zoiets zou willen werken.
Minister Hermans:
Zonder nu iets af te willen schuiven zeg ik: dat verzoek kan de Kamer natuurlijk ook altijd zelf aan de Rekenkamer doen. Wij geven natuurlijk onze rapportages en onze begroting aan de Rekenkamer, maar verzoeken aan de Rekenkamer kunnen ook vanuit de Kamer komen.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 15: ontraden.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 16 is aan de minister van Langdurige Zorg. Volgens mij waren er verder geen vragen gesteld.
De voorzitter:
Ik zie dat de motie op stuk nr. 15 tot vragen leidt. Ik dacht dat de motie was ontraden.
Mevrouw Wendel (VVD):
O, sorry, voorzitter. Ik dacht dat u "ontijdig" zei. Vandaar dat ik …
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 15 is ontraden.
Minister Sterk:
Voorzitter. Dan heb ik nog één motie te appreciëren, namelijk de motie op stuk nr. 16. We hebben daar net over gesproken. Ik heb aangegeven dat ik contact ga zoeken met de inspecteur en dat ik dit zal bespreken. In die zin zou ik dus eigenlijk willen vragen of mevrouw Van Brenk 'm zou willen aanhouden. Als ze dat niet doet, is mijn oordeel "ontijdig".
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik denk daar even over na, maar ik snap wat de minister zegt.
Minister Sterk:
Voorzitter. Dan heb ik eigenlijk nog twee andere appreciaties van moties uit een eerder debat, maar ik denk dat het belangrijk is om die …
De voorzitter:
Ik ga eerst nog even concluderen. De motie op stuk nr. 16 wordt misschien aangehouden, en als dat niet zo is, is de motie ontijdig.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Mag ik nog één vraag stellen? Hoe lang moet ik 'm aanhouden? Wanneer weet ik wat meer?
Minister Sterk:
Dat is een goede vraag. Ik denk dat ik volgende week ga proberen om toch even contact te zoeken. Ik ga kijken of dat lukt, en als dat zo is, zal ik u een bericht sturen. Maar dat zal wel na de stemmingen van dinsdag zijn, vermoed ik zo.
Dan heb ik nog twee appreciaties van moties uit twee debatten die afgelopen week hebben plaatsgevonden, waar dinsdag over wordt gestemd. Eén daarvan wil ik van een andere appreciatie voorzien, en één moest überhaupt nog een appreciatie krijgen. De eerste is gisteravond ingediend tijdens het tweeminutendebat over digitale ontwikkelingen in de zorg. Het is een motie van PRO, namelijk de motie op stuk nr. 366 (27529) (#9), van de leden Bushoff en Kathmann. Die heb ik het oordeel "ontraden" gegeven, maar dat had "oordeel Kamer" moeten zijn. Ik denk dat dat even belangrijk is.
Dan was er nog een andere motie die van een appreciatie moest worden voorzien, die ingediend was bij mijn collega. Dat is de motie op stuk nr. 894. Het dossiernummer waar dit bij hoort, is 32793. Die ging over de financiering van de sportakkoorden. Ik moet deze motie ontraden. Het is trouwens een motie van de leden Dobbe en Jimmy Dijk. De motie is namelijk ongedekt. Verder wil ik verwijzen naar het debat dat wij dinsdag zullen hebben over sport en bewegen.
De voorzitter:
Dank u wel. De motie ingediend tijdens het tweeminutendebat rond digitale ontwikkelingen in de zorg door de leden Bushoff en Kathmann krijgt dus oordeel Kamer en de motie op stuk nr. 894 (32793) (#10) over de sportakkoorden ingediend door de leden Dobbe en Van Dijk wordt ontraden.
We zijn nog niet klaar. We gaan langzaamaan richting een afronding, maar niet voordat ik alle toezeggingen heb voorgelezen. Dat zijn er dertien.
- De minister van VWS zal de Kamer uitgebreid informeren over het beter sturen op de uitvoeringstoets in het jaarverslag over 2026.
- De minister van VWS zal de Kamer in Q1 2027 nader informeren over het patiëntenperspectief.
Minister Hermans:
Is dat naar aanleiding van een rapportage, voorzitter?
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Volgens mij ging dat over geneesmiddelen, het patiëntenperspectief bij geneesmiddelen.
Minister Hermans:
O ja! Dat heb ik inderdaad toegezegd, geneesmiddelen.
De voorzitter:
Dat wordt toegevoegd.
- De derde. Kort na de zomer ontvangt de Kamer een brief over de verhouding tussen doelen en middelen.
Kunnen we die nog een beetje aanscherpen?
Minister Hermans:
Gaat dit over een preventiebrief, die ik na de zomer stuur?
De voorzitter:
Ik stel voor dat we deze schrappen als we zelf niet weten, zowel ter linker- als ter rechterzijde, wat we precies bedoelen.
- De minister van VWS komt kort na de zomer met een brief over de voortgang van de preventiestrategie.
- De minister van VWS stuurt na de zomer een brief over de preventiemonitor.
Minister Hermans:
Ja, dat hoop ik. Dat is de RIVM-monitor.
De voorzitter:
Dan de volgende.
- De minister van VWS stuurt aan het eind van dit jaar een brief over de voortgang en samenhang van een gezonde generatie.
Minister Hermans:
Gezondheid in alle beleidsdomeinen.
De voorzitter:
Ik vermoed dat we die bedoelen. Dan de volgende.
- De minister van VWS stuurt in de tweede helft van 2026 de geïntegreerde IZA/AZWA-monitor naar de Kamer.
Minister Hermans:
Ja, dat klopt. Die zijn we nu aan het maken. Volgens mij komt de eerste versie daarvan in het najaar.
De voorzitter:
De volgende.
- De minister van VWS zal in de jaarrapportage over 2026 ook ingaan op de onvolkomenheden in de bedrijfsvoering.
Minister Hermans:
Ja, we moeten volgend jaar natuurlijk weer op de stand van zaken en de Rekenkamer reageren. Dit is ongoing concern, of hoe zeg je dat? Dat moeten we sowieso doen.
De voorzitter:
De volgende.
- De minister van VWS zal in de brief over de toekomst van de mentale gezondheid/ggz een update over de zorgbemiddeling op de wachtlijst meenemen.
Ik denk dat dat de wachtlijstbemiddeling is.
Minister Hermans:
Ik heb sowieso gezegd dat ik in de brief of in die reactie ook in zou gaan op de motie van mevrouw Van Meetelen naar aanleiding van haar vraag daarover. Op de proactieve zorgbemiddeling zal ik ingaan in die brief of mogelijk al eerder in een brief. U krijgt of in die brief of in een andere een update over hoe het gaat met de proactieve zorgbemiddeling.
De voorzitter:
Uiterlijk in die brief. Dat brengt ons bij de volgende toezegging, maar niet voordat er nog een vraag beantwoord is. Mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Even ter bevestiging: inclusief de wachttijdondersteuning?
Minister Hermans:
Ja, daar zal ik op ingaan en op die handreiking.
De voorzitter:
De volgende.
- De minister van VWS stuurt in de loop van 2027 een brief over hoe nu verder met de Nationale Zorgreserve.
Minister Hermans:
Ja.
De voorzitter:
De volgende toezegging.
- De minister van Langdurige Zorg stuurt voor het debat een brief over ExpertCare, zo mogelijk maandag.
Ik kijk even.
Mevrouw Vliegenthart (PRO):
Nee, het verzoek was uiterlijk maandag.
De voorzitter:
Uiterlijk maandag.
- De minister van VWS zal ook aandacht besteden aan de positieve effecten van de zorg in het volgende jaarverslag.
- De minister van Langdurige Zorg zal de Kamer informeren over haar gesprek met de IGJ over het opdoeken van het zorgfraudeteam. Dat gebeurt na de zomer.
Minister Sterk:
Neeneenee. Ik ga proberen om dat aankomende week te doen, om voor de stemmingen van donderdag iets te laten weten.
De voorzitter:
We naderen het einde.
Minister Sterk:
Ik heb nog een toezegging gedaan die nu niet door u is voorgelezen en dat is de toezegging dat we volgende week de antwoorden geven op de vragen over de V-100.
De voorzitter:
Klopt. Die voegen we toe aan het overzicht.
Ik moet nog even een stukje voorlezen. Nog even volhouden. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de vergadering. Ik stel vast dat in het WGO geen motie is ingediend met de bedoeling dechargeverlening aan voorwaarden te verbinden of op te schorten. Over de overige moties en over de slotwet en de daarmee de decharge zelf wordt gestemd op donderdag 3 juli.
Ik dank de ministers, de leden van de commissie VWS en allen die dit debat hebben gevolgd en ik sluit de vergadering.
Sluiting 18.15 uur.