[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Antwoord op vragen van het lid Tijmstra over het bericht ‘Aantal Nederlandse muziekstudenten op conservatoria fors gedaald’

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D40164, datum: 2026-09-01, bijgewerkt: 2026-09-01 14:31, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z16404:

Preview document (🔗 origineel)


AH 2902

2026Z16404

Antwoord van minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 1 september 2026)

1. Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal Nederlandse studenten op de conservatoria de afgelopen jaren fors is afgenomen en wat is uw reactie op deze ontwikkeling? 1)

Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. De indruk dat het aantal Nederlandse studenten dat begint aan een opleiding op een conservatorium afneemt, was een van de aanleidingen voor een onderzoek dat in opdracht van OCW is uitgevoerd door onderzoeksbureau Blueyard dat heeft geresulteerd in het rapport ‘Toegang tot de top. Strategische verkenning naar toptalentontwikkeling in klassieke muziek en dans in Nederland’. Ik stuur het rapport als bijlage mee met deze beantwoording.

2. Is het aandeel Nederlandse studenten alleen in relatieve zin of ook in absolute zin gedaald en zo ja, met hoeveel en wat zijn hiervan volgens u de oorzaken?

Het NOS-artikel gaat alleen in op de masteropleidingen, maar de bacheloropleidingen zijn ook relevant. In de cijfers zijn ook de opleidingen Docent Muziek niet meegenomen. Deze studenten worden opgeleid tot muziekdocent in het funderend onderwijs en daarbuiten, bijvoorbeeld als zzp’er of bij een cultureel centrum.

Hieronder vindt u een overzicht van de cijfers van Nederlandse en internationale studenten van de bachelor- en mastermuziekopleidingen tussen 2006 en heden, inclusief de absolute aantallen:

Op grond van bovenstaande data constateer ik dat de berichtgeving over terugval van het percentage Nederlandse studenten enige nuancering nodig heeft. Uit de cijfers blijkt dat het percentage Nederlandse bachelorstudenten in de loop van de tijd niet is gedaald, maar het percentage Nederlandse masterstudenten wel. NOS geeft over de masterstudenten aan dat het percentage tussen 2006/2007 en 2025/2026 is teruggevallen van 52% naar 22%. Ik constateer een afname van 43% naar 22%.

De verdeling tussen Nederlandse en internationale studenten loopt per conservatorium wel uiteen; sommige conservatoria hebben een meer internationaal profiel dan andere. Daarbij gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.

Het is duidelijk dat het kunstonderwijs in Nederland relatief veel internationale studenten aantrekt. De commissie Bussemaker constateert in ‘ACT! Naar een assertief, collectief en transformatief kunstonderwijs’ dat Nederlandse kunstopleidingen internationaal worden erkend als toonaangevend.1 Het onderzoeksrapport ‘Toegang tot de top’ geeft aan dat het Sectorplan HBO-kunstonderwijs 2011 ‘Focus op toptalent’ hier mogelijk een rol in heeft gespeeld.2 In lijn met de focus destijds op (internationaal) toptalent in het hbo en wo als geheel, was het doel van dit sectorplan om het Nederlandse kunstonderwijs zijn vooraanstaande internationale positie verder te laten versterken. Kunstopleidingen zijn zich gaan ontwikkelen vanuit een bewuste onderwijsvisie met een internationaal en intercultureel karakter. Deze internationale uitwisseling draagt bij aan het Nederlandse culturele en creatieve werkveld en cultuuraanbod. Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat indertijd al is gewaarschuwd dat Nederland de eigen voedingsbodem voor talent dan ook moest onderhouden3. Er bestaat zo mogelijk een spanningsveld tussen de focus op excellentie en internationaal toonaangevend onderwijs en voldoende ruimte behouden voor de toegankelijkheid en het opleiden van het Nederlands talent.

3. Deelt u de zorg dat de afnemende instroom van Nederlandse studenten aan conservatoria mede het gevolg is van een afgenomen aanbod van toegankelijk en betaalbaar buitenschools muziekonderwijs in gemeenten, onder meer door het verdwijnen van muziekscholen? Zo nee, waarom niet?

Een van de conclusies in het onderzoeksrapport ‘Toegang tot de top’ is dat talentontwikkeling bestaat uit een ecosysteem van verschillende elementen die elkaar beïnvloeden en gelijktijdig met elkaar samenwerken. Het bestaan van buitenschools muziekonderwijs is daarin één van die elementen, maar zeker niet het enige. Ik vind het wenselijk dat dit gehele ecosysteem goed werkt en dat alle talenten binnen het ecosysteem voldoende mogelijkheden hebben om zich te ontwikkelen.

4. Onderschrijft u dat cultuureducatie en muziekonderwijs bijdragen aan de brede ontwikkeling van kinderen, onder meer op het gebied van concentratie, taalontwikkeling, sociale vaardigheden, creativiteit en welzijn en welke plaats geeft het kabinet deze maatschappelijke waarde in het cultuur- en onderwijsbeleid?

Ik onderschrijf dat cultuureducatie (waaronder muziekonderwijs) bijdraagt aan de brede ontwikkeling van kinderen. Cultuureducatie leert kritisch en creatief denken, zorgt voor de ontwikkeling van sociale en culturele vaardigheden en draagt bij aan creatieve ontplooiing en talentontwikkeling. Vanwege deze maatschappelijke waarde zet het kabinet zich in om kinderen en jongeren in contact te laten komen met kunst en cultuur op school en daarbuiten. Cultuureducatie is onderdeel van het curriculum in het funderend onderwijs via de kerndoelen kunst en cultuur. Muziek is hierbinnen een verplichte discipline. Voor het gehele leergebied kunst en cultuur zijn geactualiseerde kerndoelen opgesteld die naar verwachting per 1 augustus 2027 in werking zullen treden. Naast deze wettelijke taak voor scholen stimuleert het ministerie van OCW, gezamenlijk met onder andere provincies en gemeenten, cultuureducatie in den brede op school en daarbuiten met programma’s zoals Cultuureducatie met Kwaliteit, de Cultuurkaart in het vo en mbo, het programma Méér Kunst en Cultuur in School en Omgeving, en de cultuurcoaches.

5. Heeft het kabinet inzicht in de verschillen tussen gemeenten en regio’s in de beschikbaarheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen en in de gevolgen van gemeentelijke bezuinigingen en beleidskeuzes?

In het recent opgeleverde onderzoeksrapport ‘Geografische spreiding van cultuur’ zijn acht verschillende sectoren onderzocht, waaronder cultuurbeoefening. Voor de sector cultuurbeoefening is gekeken naar organisaties gericht op cultuureducatie en cultuurparticipatie. In dit onderzoek is muziekonderwijs meegenomen onder de brede noemer cultuurbeoefening. Het rapport laat zien dat basisvoorzieningen, zoals cultuurbeoefening, relatief gelijkmatig over het land verspreid en toegankelijk zijn.4

Het rapport biedt ook inzicht in de overheidsuitgaven aan cultuur. Wat betreft de totale uitgaven aan cultuurbeoefening komt het grootste deel vanuit gemeenten. Op gemeentelijk niveau zijn verschillen in de uitgaven aan cultuurbeoefening zichtbaar: er is sprake van enkele uitschieters en van een groep gemeenten met relatief lage uitgaven per inwoner aan cultuurbeoefening ten opzichte van het gemiddelde. Gemeenten die dit betreft kennen geen duidelijke overeenkomsten, waardoor aannemelijk is dat de verschillen samenhangen met lokale beleidskeuzes.5

De ‘Monitor gemeentelijk beleid voor cultuurbeoefening op school en in de vrije tijd 2026’ laat ook zien dat het grootste gedeelte van de gemeenten (88%) beleid heeft voor cultuurbeoefening, meestal voor zowel school als de vrije tijd. Van deze gemeenten richt 60% zich met diverse beleidsinstrumenten op centra voor de kunsten en muziekscholen.6

6. Deelt u de opvatting dat de mogelijkheid om een instrument te leren bespelen niet afhankelijk mag zijn van de gemeente waarin een kind woont? Zo ja, welke rol ziet u voor het Rijk om deze verschillen te verkleinen?

Het is aan gemeenten om te bepalen hoe zij de lokale infrastructuur voor cultuurbeoefening ondersteunen en wat, zoals bijvoorbeeld muziekscholen. Wel zijn er tussen het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025 – 2028 afgesloten. Hierin is een van de ambities dat wordt ingezet op een sterk ecosysteem voor cultuurbeoefening, waarin iedereen de mogelijkheid heeft een leven lang cultuur te beoefenen. Onder deze ambitie valt onder andere de afspraak dat de ondertekenende partijen vanuit de eigen verantwoordelijkheid gezamenlijk werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en – participatie, amateurkunst en talentontwikkeling in stad, dorp, landelijk gebied en het Caribisch deel van het Koninkrijk.

7. Hoe kijkt u naar de rol van muziekscholen en Lokaal Muziekles, waar muzikaal talent begint, als onderdeel van het culturele ecosysteem van Nederland en welke rol ziet u hierin voor het kabinet?

Muziekscholen hebben een belangrijke functie als kweekvijver voor muzikaal talent. Naast gemeentelijk gesubsidieerde muziekscholen en kunstcentra waar ook muziekles wordt gegeven, zijn er ook particuliere instellingen – zoals Lokaal Muziekles - en zzp’ers die muzieklessen aanbieden en die een belangrijke rol hebben bij talentontwikkeling. Zoals ik bij antwoord 6 aangaf, heb ik bestuurlijke afspraken gemaakt met IPO en VNG om te werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en talentontwikkeling, het is hierbij aan gemeenten om te bepalen hoe zij dit ondersteunen.

8. In hoeverre verwacht u dat het eerder ingezette beleid voor de versterking van amateurkunst, bijvoorbeeld via de Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst, voldoende effect heeft om de beschikbaarheid en toegankelijkheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen te verbeteren?

Dit jaar is de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst opengesteld voor de periode 2026-2028. De focus van deze regeling ligt op het versterken van de landelijke infrastructuur amateurkunst door bijvoorbeeld samenwerkingen tussen provinciale steuninstellingen, amateurkunstinstellingen en amateurkunstgroepen. Ik verwacht dat dit positief effect gaat hebben op de beschikbaarheid, toegankelijkheid en ondersteuning van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen. Daarnaast ziet het beleid op cultuureducatie erop toe dat kinderen via school in aanraking komen met kunst en cultuur, waaronder muziek. Momenteel wordt gewerkt aan een aanpak om het beleidsinstrumentarium voor cultuureducatie en de infrastructuur die daarmee de afgelopen jaren is opgebouwd te verankeren, samenhangender en steviger te maken voor de periode na 2029. Ook daarvan verwacht ik dat cultuureducatie – waaronder muziek - toegankelijker wordt voor kinderen in heel Nederland.

9. Welke gevolgen verwacht u van de afnemende instroom van Nederlandse conservatoriumstudenten voor de toekomstige beschikbaarheid van professionele musici, muziekdocenten en orkestleden?

In de professionele Nederlandse orkesten zijn al veel internationale musici werkzaam en dat is op zich geen bezwaar; de klassieke muzieksector is nu eenmaal een internationale sector. Ik ben wel van mening dat de infrastructuur in Nederland zodanig moet zijn dat in Nederland opgroeiende toptalenten een kans hebben om een opleiding te volgen aan het conservatorium en uiteindelijk door te stromen naar professionele orkesten. Zoals in ‘Toegang tot de top’ wordt beschreven is de sector bovendien circulair: toptalenten worden zelf docent, dirigent of rolmodel en houden daarmee de ontwikkeling van nieuwe generaties talent in stand. Internationale studenten gaan dit naar verwachting minder vaak doen: er zijn duidelijke signalen dat zij de kennis van het Nederlands ontberen die nodig is om aan te sluiten op de Nederlandstalige arbeidsmarkt en ze zijn vaker georiënteerd op de internationale arbeidsmarkt. Dat kan het ecosysteem onder druk zetten.

10. Vindt u dat Nederland een verantwoordelijkheid heeft om te zorgen voor een duurzame voedingsbodem voor eigen muzikaal talent? Zo ja, hoe geeft u daar invulling aan samen met provincies en gemeenten?

Ik vind het wenselijk dat er een rijk muziekleven is in Nederland, met voldoende mogelijkheden voor in Nederland opgegroeide kinderen om op het hoogste niveau mee te doen. Ook onderzoeksrapport ‘Toegang tot de top’ constateert dat er gaten lijken te zitten in het ecosysteem. Ik zet me er daarom voor in dat de voorwaarden hiervoor verbeteren. In de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025 – 2028 is talentontwikkeling onderwerp van gesprek met de provincies en gemeenten. Het onderzoeksrapport ‘Toegang tot de top’ is aanleiding om hierover het gesprek voort te zetten.

11. Kunt u uiteenzetten hoe het kabinet uitvoering geeft aan het voornemen uit het coalitieakkoord om extra aandacht te hebben voor talentontwikkeling, muziekscholen en landelijke dekking van cultuurvoorzieningen?

Talentontwikkeling heeft vele verschillende aspecten en spelers. Naast de inzet met provincies en gemeenten via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025 – 2028 (zie de antwoorden op vragen 6, 7 en 10) zie ik ook een rol voor de Rijkscultuurfondsen in het kader van hun opdracht voor het cultuurbestel 2029 en verder. Mijn ambitie is om zowel met de andere overheden als de Rijkscultuurfondsen stappen te zetten om lacunes waar mogelijk op te vullen.

1) Website NOS, 18 juli 2026, "Aantal Nederlandse muziekstudenten op conservatoria fors gedaald", Aantal Nederlandse muziekstudenten op conservatoria fors gedaald


  1. Commissie Bussemaker, 2026: ACT! Naar een assertief, collectief en transformatief kunstonderwijs, pagina 10.↩︎

  2. Blueyard: Toegang tot de top. Strategische verkenning naar toptalentontwikkeling in klassieke muziek en dans in Nederland, pagina 57.↩︎

  3. Focus op toptalent. Sectorplan hbo kunstonderwijs 2012-2016, pagina 16.↩︎

  4. AFF & SEO ‘Rapport Geografische spreiding van cultuur in Nederland’, pagina 65.↩︎

  5. Idem: pagina 16↩︎

  6. LKCA 2026: Monitor ‘Gemeentelijk beleid voor cultuurbeoefening op school en in de vrije tijd’↩︎