[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Nota naar aanleiding van het verslag

Wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met het verhogen van het aandeel van gas uit hernieuwbare bronnen in de totale leveringen van gas aan afnemers (Wet bijmengverplichting groen gas)

Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag

Nummer: 2026D40307, datum: 2026-09-03, bijgewerkt: 2026-09-03 16:14, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36947 -8 Wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met het verhogen van het aandeel van gas uit hernieuwbare bronnen in de totale leveringen van gas aan afnemers (Wet bijmengverplichting groen gas) .

Onderdeel van zaak 2026Z10595:

Onderdeel van zaak 2026Z17618:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 947 Wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met het verhogen van het aandeel van gas uit hernieuwbare bronnen in de totale leveringen van gas aan afnemers (Wet bijmengverplichting groen gas)

Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 3 september 2026

I. Inleiding

De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei bij het wetsvoorstel bijmengverplichting groen gas. Hieronder worden de vragen beantwoord die door de leden van de D66-, VVD-, PRO-, PVV-, CDA-, SGP-, PvdD- en ChristenUnie-fractie zijn gesteld. De vragen en opmerkingen uit het verslag zijn integraal opgenomen in cursieve tekst en de beantwoording daarvan in gewone typografie.

II. Beantwoording vragen van de leden van de D66-, VVD-, PRO-, PVV-, CDA-, SGP-, PvdD- en ChristenUnie-fractie

I. ALGEMEEN DEEL

De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel het lid Van den Berg tot wetgevingsrapporteur benoemd. De wetgevingsrapporteur heeft ten behoeve van het verslag een schriftelijke inbreng opgesteld. De commissie heeft besloten de inbreng van de wetgevingsrapporteur over te nemen en in het verslag als inbreng van de commissie op te nemen. De commissie is de wetgevingsrapporteur erkentelijk voor zijn bijdrage aan het verslag.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden beschouwen de bijmengverplichting voor groen gas als een belangrijke stap naar een schoon, betaalbaar en onafhankelijk energiesysteem. Met deze verplichting wordt de afhankelijkheid van fossiel aardgas uit instabiele landen verminderd, de productie van duurzame energie van eigen bodem gestimuleerd en nieuw perspectief geboden aan boeren en de industrie. Deze leden hebben nog enkele vragen over het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet bijmengverplichting groen gas. Deze leden hebben op een aantal punten nog vragen en opmerkingen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en hebben daarover enkele vragen. Deze leden onderschrijven het belang van opschaling van groen gas als onderdeel van de energietransitie. Tegelijkertijd roept het wetsvoorstel vragen op over onder andere de mate waarin de voorgestelde bijmengverplichting daadwerkelijk zal bijdragen aan extra productie van groen gas in Nederland en over de gevolgen voor de energierekening van huishoudens en bedrijven.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen, met name over de gevolgen van het voorstel voor de glastuinbouw.

De leden van de PvdD-fractie hebben met zorg kennisgenomen van de Wet bijmengverplichting groen gas.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden hebben een aantal vragen.

1. Inleiding

  1. De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat de verplichte levering van groen gas aan eindgebruikers, oplopend tot ruim 0,8 miljard m3 in 2031, zorgt voor de benodigde stimulering om te investeren in productie-installaties, in de Europese Unie maar ook specifiek in Nederland. Ook lezen de leden van de commissie dat het wenselijk is dat het wetsvoorstel significant bijdraagt aan de benodigde investeringen in productiecapaciteit in Nederland en niet alleen maar zorgt voor stimulering van buitenlandse groengasproductie. De leden van de commissie vragen of dat de reden is dat de regering in een eerdere versie van het wetsvoorstel buitenlands gas had uitgesloten van de bijmengverplichting. Kan de regering in meer detail ingaan waarop de verwachting is gebaseerd dat dit wetsvoorstel zorgt voor investeringen in Nederland in productie-installaties? Wat als de kosten van buitenlands gas dermate laag zijn dat er geen prikkel is om te investeren in productie-installaties in Nederland? Op welke manieren kan de regering onder dit wetsvoorstel bijsturen als de bijmengverplichting - door het toestaan van buitenlands gas - niet leidt tot de beoogde investeringen in productiecapaciteit in Nederland?

Initieel was in de vormgeving van de bijmengverplichting een voorwaarde opgenomen dat alleen in Nederland geproduceerd groen gas kon worden gebruikt. Dat is echter door de Europese Commissie beoordeeld als zijnde in strijd met het vrije verkeer van goederen. De regering heeft hierop besloten deze voorwaarde te laten vallen, waarmee ook in de Europese Unie geproduceerd groen gas gebruikt kan worden om aan de bijmengverplichting te voldoen.

In de praktijk zijn er echter verschillende factoren die een rem zetten op de import van groen gas, zoals de eis dat groen gas binnen de bijmengverplichting moet zijn geproduceerd zonder exploitatiesubsidie, dat sommige landen export van gesubsidieerd groen gas verbieden (zoals Duitsland, Italië en Tsjechië) en dat verschillende Europese landen ook werken aan de introductie van een bijmengverplichting, waaronder Frankrijk, Duitsland en Ierland. Daarom is niet op voorhand te zeggen in welke mate de verplichting ingevuld gaat worden met groen gas uit andere Europese landen.

Om in deze context investeringszekerheid te versterken, creëert de regering specifiek voor Nederlandse producenten de mogelijkheid om maandelijks te wisselen tussen subsidiëring via de SDE++ of de bijmengverplichting. Daarmee vormt de SDE++ een vangnet voor Nederlandse producenten. Daarnaast zet de regering met de DEI++ en flankerend beleid, van zowel het energie- als landbouwdomein, in op het stimuleren van Nederlandse productie. De DEI++ is een investeringssubsidie en kan dus wel gecombineerd worden met de bijmengverplichting.

Marktpartijen geven aan, ondanks de openstelling voor buitenlands groen gas, nog steeds te verwachten dat Nederlands groen gas ingekocht gaat worden. Producenten geven daarbij aan te verwachten dat de bijmengverplichting een prikkel gaat leveren voor investeringen in productie-installaties in Nederland, onder andere omdat het binnen het landbouwdomein aantrekkelijker wordt om mestvergisting en mestverwerking te combineren ten behoeve van zowel de productie van groen gas als de reductie van methaan en stikstof.

De regering monitort de effecten van de bijmengverplichting en rapporteert hierover jaarlijks aan de Tweede Kamer. Uit die monitoring blijkt ook de oorsprong van het groen gas dat is ingezet binnen de bijmengverplichting. Uiteraard blijft de regering hierover in goed overleg met de sector.

  1. De leden van commissie merken op dat de regering in het nader rapport naar aanleiding van een vraag van de Afdeling advisering van de Raad van State ingaat op de evaluatie van het wetsvoorstel. Daarin staat dat uitgegaan wordt van een evaluatie in 2029. Indien voldoende informatie ontbreekt kan deze evaluatie uitgesteld worden tot uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding. De leden van de commissie hebben daarover de volgende vragen. Als het wetsvoorstel in werking treedt met ingang van 1 januari 2027 en de evaluatie pas na 5 jaar zal plaatsvinden, zal de evaluatie niet eerder beschikbaar zijn dan in 2032. De regering geeft aan dat de huidige looptijd van de bijmengverplichting loopt tot en met 2035. Gezien de gemiddelde doorlooptijd van wetgeving, lijkt het doorvoeren van eventuele wijzigingen weinig zinvol, omdat de dan resterende tijd beperkt is. De leden van de commissie vragen of de regering kan aangeven in hoeverre tussentijds gemonitord gaat worden hoe het wetsvoorstel uitwerkt in de praktijk? Dit mede in het licht van hetgeen wordt beschreven in paragraaf 2.2.2 van de memorie van toelichting. Hierin wordt aangegeven dat een exponentieel groeipad gehanteerd wordt om toe te groeien naar de streefdoelstelling in 2031. Het groeipad zal worden opgenomen en uitgewerkt in de algemene maatregel van bestuur op basis van onderhavig wetsvoorstel. Hoewel het uitgangspunt is dat het groeipad tot 2031 vast zal staan, kunnen er onvoorziene omstandigheden in de groengas markt plaatsvinden die aanpassing van het groeipad noodzakelijk maken. Onvoorziene omstandigheden kunnen er bijvoorbeeld toe leiden dat de groengasproductie drastisch afneemt of stagneert. Kan de regering aangeven wat de gevolgen voor het groeipad zijn als de evaluatie pas in 2032 plaatsvindt? De leden van de commissie vragen of de regering kan aangeven aan welke onvoorziene omstandigheden gedacht wordt. Kan de regering aangeven wat een mogelijke neerwaartse bijstelling betekent voor het achterliggende Europese doel voor de broeikasgasemissiereductie?

De regering is voornemens de wet te evalueren in 2029. Om effectief te kunnen evalueren moet voldoende informatie beschikbaar zijn, bijvoorbeeld over de totale geleverde hoeveelheid groen gas onder de bijmengverplichting, de productietoename in Nederland en de bijbehorende emissiereductie. Op het moment van evaluatie zal de bijmengverplichting twee jaar hebben doorlopen en zullen dus in ieder geval de gegevens bekend zijn over de totale leveringen van groen gas en de daarbij behorende emissiereductie uit twee verplichtingsjaren. Alleen als er relevante additionele informatie ontbreekt, dan kan de evaluatie met een of meer jaren worden uitgesteld tot uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding.

Ook zal de regering de werking van de bijmengverplichting tussentijds monitoren en de Kamer hierover informeren, onder meer op basis van de rapportages van de Nederlandse Emissieautoriteit (hierna: NEa). Jaarlijks zal de NEa een overzicht openbaar maken waar per energieleverancier de aard en de herkomst van de grondstof van het ingeboekte groen gas en het gehanteerde duurzaamheidsysteem vermeld is. Meerdere keren per jaar zal de NEa actuele gegevens over het totaal aantal bijgeschreven en gespaarde groengaseenheden (hierna: GGE’s) openbaar maken.

In het geval de evaluatie in 2032 plaats zou vinden, is van belang dat de markt zich voldoende kan voorbereiden op een eventuele aanpassing van het groeipad. Dit is onder meer afhankelijk van de marktomstandigheden op dat moment en de omvang van de aanpassing. Het belang van meerjarige zekerheid en duidelijkheid voor de opschaling van groengasproductie zal de regering nadrukkelijk meewegen in besluitvorming over een eventuele aanpassing van het groeipad.

Vanwege het belang van meerjarige zekerheid zal de regering in principe terughoudend zijn in het doorvoeren van een neerwaartse bijstelling van de bijmengverplichting. De regering wil echter wel handelingsperspectief behouden voor onvoorziene situaties, zoals een forse afname van de beschikbaarheid van groen gas. Een neerwaartse bijstelling betekent dat er minder broeikasgasemissie wordt gereduceerd. De precieze impact daarvan op de Europese doelen is afhankelijk van de omvang van de neerwaartse bijstelling.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om een reactie op hun algemene zorg dat het wetsvoorstel een nieuwe wettelijke kostenverplichting introduceert voor huishoudens en ondernemers, terwijl de betaalbaarheid, binnenlandse productiecapaciteit, vergunningverlening, stikstofruimte, netcapaciteit en uitvoerbaarheid nog onvoldoende hard zijn geborgd. Deze leden onderschrijven dat groen gas een rol kan spelen in een betrouwbaar energiesysteem, maar vragen waarom de regering kiest voor het verplichten van de vraag voordat de aanbodzijde aantoonbaar op orde is.

De regering herkent zich niet in het beeld dat de betaalbaarheid, binnenlandse productiecapaciteit en uitvoerbaarheid onvoldoende hard zijn geborgd in de bijmengverplichting. Gezien het opbouwpad van de bijmengverplichting liggen de volumes waaraan de eerste jaren voldaan moet worden nu al binnen de bandbreedte van huidige Nederlandse groengasproductievolumes. Voor de verdere opschaling van de groengasproductie vormt de bijmengverplichting juist een essentiële randvoorwaarde. De bijmengverplichting vormt namelijk een kosteneffectieve manier om de business case van producenten te verbeteren en is als zodanig een essentieel onderdeel van het geheel aan beleidsmaatregelen om groen gas te stimuleren.

De beschikbare netcapaciteit, de stikstofruimte en de daarmee samenhangende vergunningverlening vormen op dit moment inderdaad een uitdaging voor verschillende ontwikkelingen binnen Nederland, ook voor de verdere opschaling van de productie van groen gas. De regering zet mede daarom in op het verbeteren van deze randvoorwaarden.

Het opbouwpad van de bijmengverplichting is gebaseerd op analyses van de verwachte groengasbeschikbaarheid in Nederland, waarin bestaande uitdagingen en het wegnemen hiervan in de loop der tijd zijn meegewogen. Dit is afgestemd met de relevante sectorpartijen. In de eerste jaren passen de volumes binnen de bandbreedte van de huidige productiecapaciteit in Nederland. Bovendien heeft de regering recent een stikstofpakket gepresenteerd, waarmee perspectief ontstaat op meer stikstofruimte.

Op basis hiervan is de taxatie van de regering dat de te behalen opschaling door de bijmengverplichting goed haalbaar is. Daarbij tekent de regering wel aan dat dit soort ramingen een bepaalde onzekerheid bevatten en dat de groen gas markt in ontwikkeling is. Daarom houdt de regering vinger aan de pols en wordt de bijmengverplichting in 2029 geëvalueerd.

Ook wordt de impact van de bijmengverplichting op de energierekening uiteindelijk beperkt door de meerkosten indirect te maximeren via de buy-out

De Nederlandse Emissieautoriteit geeft aan dat de bijmengverplichting in de voorgestelde vorm uitvoerbaar is.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken om te onderbouwen waarom de voorgestelde bijmengverplichting groen gas (BMV) per 1 januari 2027 zou moeten ingaan. Is de regering bereid de inwerkingtreding te heroverwegen als vóór die datum onvoldoende zekerheid bestaat over betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en daadwerkelijk realiseerbare productie?

Zoals ook op de vorige vraag is geantwoord, herkent de regering zich niet in het beeld dat onvoldoende zekerheid bestaat over de betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en daadwerkelijk realiseerbare productie. Een snelle invoering van de bijmengverplichting is juist van belang om alle geplande installaties draaiende te krijgen en duidelijkheid te bieden aan de sector voor toekomstige investeringen.

De regering ziet geen aanleiding om het moment van inwerkingtreding te heroverwegen en spant zich maximaal in voor inwerkingtreding per 1 januari 2027. De inwerkingtreding van de bijmengverplichting is eerder al twee jaar uitgesteld. Nieuw uitstel zou leiden tot investeringsonzekerheid voor ondernemers in de groengassector en minder CO2-reductie. Het tijdspad om inwerkingtreding per 1 januari 2027 te halen is krap en afhankelijk van de parlementaire behandeling, tijdige advisering van de Raad van State over de AMvB en parallel het verloop van de notificatie van onderliggende regelgeving bij de Europese Commissie. Op basis van de huidige stand van zaken acht de regering inwerkingtreding per 1 januari 2027 haalbaar.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat onderhavig wetsvoorstel beoogt om de groei van groengasproductie in Nederland te stimuleren. Het verbruik van buitenlands groen gas is echter niet uitgesloten. Deze leden vragen welk doel de regering nu precies beoogt met onderhavig wetsvoorstel. Wil de regering de binnenlandse productie stimuleren of vooral de consumptie van een bepaald volume groen gas garanderen, ongeacht waar het groen gas vandaan komt? Kan de regering tevens uiteenzetten wat het verwachte aandeel is van import de komende jaren? Hoe voorkomt de regering dat deze import niet (investeringen in) Nederlandse productie verdringt?

Het doel van de bijmengverplichting is de beschikbaarheid van groen gas te vergroten, wat bijdraagt aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem. Initieel was in de vormgeving van de bijmengverplichting een voorwaarde opgenomen dat alleen in Nederland geproduceerd groen gas kon worden gebruikt. Dat is echter door de Europese Commissie beoordeeld als zijnde in strijd met het vrije verkeer van goederen. De regering heeft hierop besloten deze voorwaarde te laten vallen, waarmee ook in de Europese Unie geproduceerd groen gas gebruikt kan worden om aan de bijmengverplichting te voldoen.

In de praktijk zijn er echter verschillende factoren die een rem zetten op de import van groen gas, zoals de eis dat groen gas binnen de bijmengverplichting moet zijn geproduceerd zonder exploitatiesubsidie, dat sommige landen export van gesubsidieerd groen gas verbieden (zoals Duitsland, Italië en Tsjechië) en dat verschillende Europese landen ook werken aan de introductie van een bijmengverplichting, waaronder Frankrijk, Duitsland en Ierland. Daarom is niet op voorhand te zeggen in welke mate de verplichting ingevuld gaat worden met groen gas uit andere Europese landen.

Om in deze context investeringszekerheid te versterken creëert de regering specifiek voor Nederlandse producenten de mogelijkheid om maandelijks te wisselen tussen subsidiëring via de SDE++ of de bijmengverplichting. Daarmee vormt de SDE++ een vangnet voor Nederlandse producenten. Daarnaast zet de regering met de DEI++ en flankerend beleid, van zowel het energie- als landbouwdomein, in op het stimuleren van Nederlandse productie. De DEI++ is een investeringssubsidie en kan dus wel gecombineerd worden met de bijmengverplichting.

Marktpartijen geven aan, ondanks de openstelling voor buitenlands groen gas, nog steeds te verwachten dat Nederlands groen gas ingekocht gaat worden. Producenten geven daarbij aan te verwachten dat de bijmengverplichting een prikkel gaat leveren voor investeringen in productie-installaties in Nederland, onder andere omdat het binnen het landbouwdomein aantrekkelijker wordt om mestvergisting en mestverwerking te combineren ten behoeve van zowel de productie van groen gas als de reductie van methaan en stikstof.

De regering monitort de effecten van de bijmengverplichting en rapporteert hierover jaarlijks aan de Tweede Kamer. Uit die monitoring blijkt ook de oorsprong van het groen gas dat is ingezet binnen de bijmengverplichting. Uiteraard blijven we hierover in goed overleg met de sector.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie zijn in beginsel voorstander van vraagnormering. In het geval van groengasproductie merken deze leden wel op dat randvoorwaarden, zoals voldoende ruimte op het stroomnet en snelle vergunningverlening, op orde moeten zijn. Deze leden vragen of de randvoorwaarden volgens de regering op orde zijn voor de opschaling van groengasproductie? Zo nee, is de verwachte opschaling (die nodig is voor het halen van de gewenste CO2-ketenemissiereductie) haalbaar volgens de regering? Zo ja, kan de regering dit onderbouwen, onder meer met de gebruikte aannames voor de doorlooptijd van vergunningverlening en de bouw van vergisters?

De beschikbare netcapaciteit, de stikstofruimte en de daarmee samenhangende vergunningverlening vormen op dit moment inderdaad een uitdaging voor verschillende ontwikkelingen binnen Nederland, ook voor de verdere opschaling van de productie van groen gas. De regering zet in op het verbeteren van deze randvoorwaarden.

Het opbouwpad van de bijmengverplichting is gebaseerd op analyses van de verwachte beschikbaarheid van groen gas in Nederland, waarin bestaande knelpunten en het wegnemen hiervan zijn meegewogen. Dit is afgestemd met de relevante sectorpartijen. In de eerste jaren passen de volumes binnen de bandbreedte van de huidige productiecapaciteit in Nederland. Bovendien heeft de regering recent een stikstofpakket gepresenteerd, waarmee perspectief ontstaat op meer stikstofruimte.

Op basis hiervan is de taxatie van de regering dat de te behalen opschaling door de bijmengverplichting goed haalbaar is. Daarbij tekent de regering wel aan dat dit soort ramingen een bepaalde onzekerheid bevatten en dat de groen gas markt in ontwikkeling is. Daarom houdt de regering vinger aan de pols en wordt de bijmengverplichting in 2029 geëvalueerd.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke keuzes andere lidstaten maken om de productie en consumptie te stimuleren? Kan de regering per lidstaat uiteenzetten welke maatregelen worden overwogen of reeds worden geïmplementeerd.

Er is binnen Europa een groot verschil tussen een kopgroep van landen die al veel aan stimulering van groen gas doen en een aantal landen waar dit nog nauwelijks gebeurt. In het algemeen is er in Europa een tendens naar de stimulering van de vraagzijde in plaats van het subsidiëren van productie. Hier wordt ingegaan op de grootste producenten in Europa:

  • In Frankrijk is er sinds 2018 sprake van subsidiëring van groengasproductie middels een feed-in-tariff en is sprake van investeringssubsidies voor de ombouw van productie-installaties voor biogas naar groen gas. Hier werd in 2024 ca. 1 miljard euro aan uitgegeven. Sinds 2026 is er in Frankrijk ook een bijmengverplichting voor groen gas.

  • Duitsland heeft tot nu toe ook het grootste gedeelte van de groei gerealiseerd met subsidie, op basis van een feed-in-premium voor elektriciteitsproductie en de invoering van een verplichting voor de transportsector. De groei is een aantal jaar gestagneerd in Duitsland. Momenteel wordt de introductie van een bijmengverplichting overwogen.

  • In Denemarken is ook sprake van subsidiëring van groengasproductie via tenders. De meest recente tender is in 2024 van start gegaan, met een budget van ongeveer 1,7 miljard euro.

  • Italië heeft een snelle groei van groengasproductie gerealiseerd met een combinatie van verschillende subsidies, waaronder een feed-in-premium, feed-in-tariff en investeringssubsidies, via verschillende aanbestedingsrondes.

1.1. Essentie van het wetsvoorstel

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering de keuze voor een wettelijke afnameverplichting als hoofdroute voor opschaling nader te motiveren. Welke minder belastende alternatieven, zoals gerichte productiestimulering, aanpassing van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of sectorale ketenafspraken, zijn integraal vergeleken op effectiviteit, maatschappelijke kosten en uitvoerbaarheid?

Zoals toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zorgen de huidige beleidsinstrumenten, waaronder de SDE++, voor onvoldoende groei in de consumptie en productie van groen gas. Uit onderzoek van CE Delft volgt dat een bijmengverplichting het meest effectieve instrument is om de productie van groen gas flink op te schalen.1 Met de bijmengverplichting wordt een zekere vraag vanuit de markt gegarandeerd, waardoor investeringszekerheid geboden wordt. Daarnaast kan specifiek gestuurd worden in de opschaling van de consumptie van groen gas.

Een aanpassing van de SDE++ is overwogen als alternatief voor de bijmengverplichting. De SDE++ is in de afgelopen jaren al een aantal keer binnen de huidige structuur geoptimaliseerd voor groen gas. Om de benodigde effectiviteit te bereiken via de SDE++ zou vergaande aanpassing nodig zijn, zoals een apart en aanvullend budget, meer verschillende categorieën en bedragen die dynamisch meebewegen met de biogrondstoffenmarkt. Dit past niet binnen de vormgeving en systematiek van de SDE++.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering duidelijk te maken welk probleem de BMV oplost dat niet eerst via vergunningverlening, stikstofruimte, netcapaciteit en investeringszekerheid opgelost zou moeten worden. Waarom acht de regering het verantwoord om de vraag wettelijk te verplichten als verschillende knelpunten zich juist aan de aanbodzijde voordoen?

De beschikbare netcapaciteit, de stikstofruimte en de daarmee samenhangende vergunningverlening vormen op dit moment inderdaad een uitdaging voor verschillende ontwikkelingen binnen Nederland, ook voor de verdere opschaling van de productie van groen gas. De regering zet in op het verbeteren van deze randvoorwaarden. Eén van deze essentiële randvoorwaarden voor het opschalen van productie van groen gas is een sluitende business case. Al deze knelpunten moeten gelijktijdig worden aangepakt. De bijmengverplichting is een kosteneffectieve manier om de business case voor producenten te verbeteren en een essentieel onderdeel van het geheel aan beleidsmaatregelen en -interventies om groen gas te stimuleren.

Het opbouwpad van de bijmengverplichting is gebaseerd op analyses van de verwachte groen gas beschikbaarheid in Nederland, waarin bestaande knelpunten en het wegnemen hiervan zijn meegewogen. Dit is afgestemd met de relevante sectorpartijen. In de eerste jaren passen de volumes binnen de bandbreedte van de huidige productiecapaciteit in Nederland. Bovendien heeft de regering recent een stikstofpakket gepresenteerd, waarmee perspectief ontstaat op meer stikstofruimte.

Op basis hiervan is de taxatie van de regering dat de te behalen opschaling door de bijmengverplichting goed haalbaar is. Daarbij tekent de regering wel aan dat dit soort ramingen een bepaalde onzekerheid bevatten en dat de groen gas markt in ontwikkeling is. Daarom houdt de regering vinger aan de pols en wordt de bijmengverplichting in 2029 geëvalueerd.

2. Hoofdlijnen van het voorstel

2.1. Groen gas als onderdeel van het toekomstige energiesysteem

  1. De leden van de commissie lezen dat mest ingezet kan worden als grondstof voor groen gas. De verwachting is dat op de korte termijn het stikstofdeel van het digestaat (een restproduct van mestvergisting) een bijdrage kan leveren aan de vervanging van kunstmest op basis van fossiele bronnen. De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat hiervoor gewacht moet worden op een wijziging van de Nitraatrichtlijn. De leden vragen of het klopt dat deze Europese regelgeving in februari van dit jaar al is aangenomen in Europa? Kan de regering aangeven of dit klopt, wat de huidige stand van zaken is, en wat dit precies betekent voor dit wetsvoorstel?

Renure is een uit dierlijke mest geproduceerde meststof die kan worden toegepast als alternatief voor kunstmest op basis van fossiele bronnen. Op 10 februari 2026 heeft de Europese Commissie een wijziging gepubliceerd van bijlage III van de Nitraatrichtlijn die het mogelijk maakt om jaarlijks en onder voorwaarden tot maximaal 80 kg N/ha/jaar uit enkele Renure-producten te gebruiken bovenop de gebruiksnorm voor dierlijke mest van 170 kg N/ha/jaar. De regelgeving om Renure onder voorwaarden in Nederland toe te laten is de afgelopen maanden voorbereid en op 12 juni 2026 in werking getreden middels een wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm).

Renure kan ook geproduceerd worden uit digestaat dat ontstaan is uit mono-vergisting of co-vergisting van tenminste 50% dierlijke mest met een co-materiaal dat vermeld staat op bijlage Aa, onderdeel IV van de Urm. Hoewel de toelating van Renure geen directe betekenis heeft voor dit wetsvoorstel, zorgt het voor een extra stimulering voor de verwerking van digestaat tot Renure, wat kan bijdragen aan een hogere stikstofreductie door mestvergisting en mestverwerking. Een betere business case voor Renure kan een stimulans zijn voor de productie van groen gas in combinatie met Renure.

  1. De leden van de commissie lezen dat uit het onderzoek van CE Delft volgt dat een bijmengverplichting het meest effectieve instrument is om de productie van groen gas flink op te schalen in Nederland. Uit het onderzoek zelf blijkt echter dat het onderzoek zich niet richtte op de vraag wat het meest effectieve instrument is. In de in het onderzoek aangehaalde Routekaart Groen Gas worden verschillende beleidsinstrumenten beschreven, waaronder de bijmengverplichting maar onder andere ook een verlaging van de energiebelasting op groen gas om de productie van groen gas te stimuleren. Aan CE Delft is verzocht de voor- en nadelen van een bijmengverplichting verder uit te diepen en ontwerpopties in kaart te brengen. De leden van de commissie vragen of er alternatieven zijn overwogen voor de bijmengverplichting, zoals deze onder andere in de Routekaart Groen Gas zijn beschreven?

Alle instrumenten uit de Routekaart Groen Gas, waaronder een bijmengverplichting, zijn overwogen of uitgewerkt.2 Op basis hiervan is geconcludeerd dat de gewenste productie- en consumptiegroei niet kan worden gerealiseerd zonder de bijmengverplichting groen gas. Specifiek voor een aanpassing van de energiebelasting geldt dat dit de komende jaren niet kan worden uitgevoerd door de Belastingdienst en dat het geen kosteneffectieve optie is, aangezien een generiek belastingvoordeel niet stuurt op een uiteindelijke productie of emissiereductie.

  1. De leden van de PRO-fractie constateren dat de regering verwacht dat het overgrote deel van de benodigde groengasproductie zal komen uit mestvergisting. Ze vragen de regering hoe wordt voorkomen dat een financieel aantrekkelijke bijmengverplichting daarmee ook een structurele prikkel wordt om de omvang van de veestapel op peil te houden of te vergroten, terwijl het kabinetsbeleid elders juist is gericht op reductie van de stikstofuitstoot. Kan de regering toelichten hoe de bijmengverplichting zich verhoudt tot de bredere landbouwtransitie en welke waarborgen de regering ziet om te voorkomen dat deze twee sporen van beleid elkaar tegenwerken?

Wat voor de omvang van de veestapel een meer bepalende rol speelt is het landbouwbeleid in brede zin en het stikstofbeleid in specifieke zin. De regering heeft op 26 juni 2026 een stikstofpakket aangekondigd, dat ertoe moet leiden dat er meer vergunningen verleend kunnen worden.3 De bijmengverplichting wordt daardoor ingekaderd. Voor de bijmengverplichting is geen specifieke verhouding tussen bepaalde technieken of grondstoffen nodig. Er zijn voldoende andere biogene reststromen waarmee groen gas geproduceerd kan worden, dit hoeft geen mest te zijn.

Binnen de bijmengverplichting is mestvergisting een relatief aantrekkelijke route omdat hiermee additionele methaanreductie behaald wordt, waardoor de relatieve waarde van dit groen gas hoger is. Dat betekent niet dat voor een veehouder de business case van groengasproductie op zichzelf groot genoeg zal zijn om de kosten van het houden van meer vee te compenseren. De primaire business case blijft naar verwachting leidend voor de omvang van de hoeveelheid vee op een bedrijf en de totale veestapel in Nederland.

  1. De leden van de CDA-fractie constateren ten aanzien van de binnenlandse productie van groen gas dat de regering het stimuleren van groengasproductie in Nederland als expliciete doelstelling van het wetsvoorstel benoemt. Tegelijkertijd erkent de memorie van toelichting dat, door de openstelling van de bijmengverplichting voor groen gas uit andere EU-lidstaten, niet goed te voorspellen is in welke mate de extra vraag naar groen gas daadwerkelijk zal leiden tot extra productie in Nederland. Een nadere kwantitatieve analyse van het verwachte aandeel Nederlandse productie, de rol van import en de bijdrage van verschillende productieroutes, waaronder mestvergisting ontbreekt. Deze leden vragen de regering om hier wel een nadere analyse van voor te leggen aan de Kamer.

Initieel was in de vormgeving van de bijmengverplichting een voorwaarde opgenomen dat alleen in Nederland geproduceerd groen gas kon worden gebruikt. Dat is echter door de Europese Commissie beoordeeld als zijnde in strijd met het vrije verkeer van goederen. De regering heeft hierop besloten deze voorwaarde te laten vallen, waarmee ook in de Europese Unie geproduceerd groen gas gebruikt kan worden om aan de bijmengverplichting te voldoen.

In de praktijk zijn er echter verschillende factoren die een rem zetten op de import van groen gas, zoals de eis dat groen gas binnen de bijmengverplichting moet zijn geproduceerd zonder exploitatiesubsidie, dat sommige landen export van gesubsidieerd groen gas verbieden (zoals Duitsland, Italië en Tsjechië) en dat verschillende Europese landen ook werken aan de introductie van een bijmengverplichting, waaronder Frankrijk, Duitsland en Ierland. Daarom is niet op voorhand te zeggen in welke mate de verplichting ingevuld gaat worden met groen gas uit andere Europese landen.

Om in deze context investeringszekerheid te versterken, creëert de regering specifiek voor Nederlandse producenten de mogelijkheid om maandelijks te wisselen tussen subsidiëring via de SDE++ of de bijmengverplichting. Daarmee vormt de SDE++ een vangnet voor Nederlandse producenten. Daarnaast zet de regering met de DEI++ en flankerend beleid, van zowel het energie- als landbouwdomein, in op het stimuleren van Nederlandse productie. De DEI++ is een investeringssubsidie en kan dus wel gecombineerd worden met de bijmengverplichting.

Marktpartijen geven aan, ondanks de openstelling voor buitenlands groen gas, nog steeds te verwachten dat Nederlands groen gas ingekocht gaat worden. Producenten geven daarbij aan te verwachten dat de bijmengverplichting een prikkel gaat leveren voor investeringen in productie-installaties in Nederland. Binnen het landbouwdomein wordt het aantrekkelijker om mestvergisting en mestverwerking te combineren ten behoeve van zowel de productie van groen gas als de reductie van methaan en stikstof.

De regering monitort de effecten van de bijmengverplichting en rapporteert hierover jaarlijks aan de Tweede Kamer. Uit die monitoring blijkt ook de oorsprong van het groen gas dat is ingezet binnen de bijmengverplichting. Uiteraard blijft het kabinet hierover in goed overleg met de sector.

  1. De leden van de CDA-fractie merken op dat de memorie van toelichting juist ten aanzien van (mono)mestvergisting bijzonder positief is. De regering stelt dat vermeden methaanemissies in de systematiek worden meegewogen, waardoor mestvergisting een relatief sterke stimulans krijgt en de businesscase voor deze techniek aanzienlijk verbetert. Daarnaast wijst de regering op de bredere maatschappelijke voordelen van mestvergisting, zoals methaan- en stikstofreductie, extra inkomsten voor agrarische ondernemers en een betere benutting van reststromen. Tegen deze achtergrond vragen deze leden welk aandeel van de beoogde productiegroei naar verwachting afkomstig zal zijn uit mono- en mestvergisting. Kan de regering nader inzicht geven in de mate waarin de bijmengverplichting daadwerkelijk zal bijdragen aan de realisatie van het beschikbare Nederlandse mestpotentieel? Welke vergunningstechnische, ruimtelijke, financiële of netgerelateerde knelpunten belemmeren momenteel verdere opschaling en welke maatregelen acht de regering noodzakelijk om deze weg te nemen?

De regering stelt geen vereisten over de verhouding tussen verschillende technieken in de bijmengverplichting. Bij de vormgeving van de bijmengverplichting is voor de bepaling van de hoogte van de doelstelling uitgegaan van een verhouding tussen verschillende productietechnieken die gerealiseerd kunnen worden en de grondstoffen die daarvoor worden gebruikt. Hierbij is een bijdrage van mest aangenomen ter grootte van bijna 40% in het volume gebruikte grondstoffen, waarmee ruim 60% van de gerealiseerde ketenemissiereductie wordt gerealiseerd. Deze mest kan zowel in een monomestvergister of in een covergistingsinstallatie benut worden. De praktijk hoeft hier niet noodzakelijkerwijs bij aan te sluiten.

De bijmengverplichting groen gas zal naar verwachting een impuls geven aan de vergisting van beschikbare mest. Het zal op zichzelf niet resulteren in de vergisting van alle beschikbare mest, maar dat is ook niet de doelstelling van de bijmengverplichting. Voor verdere opschaling van mestvergisting zijn ook andere randvoorwaarden nodig, namelijk een natuurvergunning en aansluiting op het elektriciteitsnet. Maatregelen die hiervoor nodig zijn gaan verder dan alleen het stimuleren van groengasproductie en worden integraal opgepakt door de regering.4 Verder wordt binnen het Programma Groen Gas onder andere ingezet op voldoende beschikbaarheid van duurzame grondstoffen en op het realiseren van voldoende invoedcapaciteit voor groen gas.

  1. De leden van de CDA-fractie merken voorts op dat de regering in de brief over het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof (Kamerstuk 36800-XIV, nr. 87) heeft aangekondigd de productie van groen gas via (mono)mestvergisting de komende jaren actief te stimuleren, onder meer in combinatie met de opschaling van Renure. Deze leden steunen deze aanpak, omdat zij niet alleen bijdraagt aan de productie van hernieuwbaar gas, maar ook aan de reductie van methaan- en ammoniakemissies. Ook de samenwerking van de regering met onder andere Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO), Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en Rabobank aan een versnellingsplan, gericht op snellere vergunningverlening en het wegnemen van belemmeringen voor opschaling, kan op hun instemming rekenen. Wel vragen deze leden de regering nader toe te lichten hoe zij invulling zal geven aan deze versnellingsaanpak, welke concrete maatregelen zij daarbij neemt, welke bijdrage zij daarvan verwacht aan de reductie van stikstof-, methaan- en ammoniakemissies en de realisatie van de stikstofdoelstellingen, en op welke termijn deze maatregelen naar verwachting effect zullen hebben.

De regering ziet het genoemde versnellingsplan als een positief signaal dat verschillende partijen hetzelfde doel voor ogen hebben (productie van groen gas en productie van Renure-meststoffen) en samen willen werken om dit te realiseren. Het aanbod is interessant voor agrarisch ondernemers vanwege het verdienmodel voor mestvergisting, de mogelijkheid voor emissiereductie (methaan en ammoniakemissie) alsook de mogelijkheid om mestafzetkosten te verlagen.

Een aantal van de verzoeken uit het versnellingsplan is onderdeel van kabinetsbeleid. Zo heeft de verantwoordelijke minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur al laten weten dat wordt ingezet op het vergroten van kennis over vergunningverlening voor mestverwerking en -vergisting, onder andere via de verdere ontwikkeling van het expertisecentrum groen gas, en op het stimuleren van de productie van groen gas via mestvergisting en subsidies voor Renure-installaties.

De regering beziet momenteel welke andere onderdelen van het aanbod op welke wijze opgepakt kunnen worden in overleg met betrokken partijen.

  1. De leden van de CDA-fractie vragen de regering om vooruitlopend op de evaluatie van het wetsvoorstel, periodiek inzicht te geven in de ontwikkeling van de binnenlandse groengasproductie, uitgesplitst naar productieroute. Voorts vragen zij de regering om duidelijk te maken welke aanvullende beleidsopties kunnen worden overwogen om investeringen in binnenlandse productie, en in het bijzonder in (mono)mestvergisting, verder te stimuleren indien blijkt dat een substantieel deel van de vraag wordt ingevuld door import en de Nederlandse productie achterblijft. Deze leden merken in dit kader op dat de memorie van toelichting benoemt dat als het aandeel Nederlandse productie binnen de bijmengverplichting tegenvalt, dat gegeven zal worden meegewogen in de evaluatie van het wetsvoorstel. Deze leden vragen de regering te preciseren welke criteria of kritieke grens zij hanteert om te bezien of en in welke mate het aandeel van de Nederlandse productie binnen de bijmengverplichting tegenvalt.

Het opbouwpad van de bijmengverplichting is gebaseerd op analyses van de verwachte groen gas beschikbaarheid in Nederland, waarin bestaande knelpunten en het wegnemen hiervan zijn meegewogen. Dit is afgestemd met de relevante sectorpartijen. In de eerste jaren passen de volumes binnen de bandbreedte van de huidige productiecapaciteit in Nederland. Bovendien heeft de regering recent een stikstofpakket gepresenteerd, waarmee perspectief ontstaat op meer stikstofruimte.

Op basis hiervan is de taxatie van de regering dat de te behalen opschaling door de bijmengverplichting goed haalbaar is. Daarbij tekent de regering wel aan dat dit soort ramingen een bepaalde onzekerheid bevatten en dat de groen gas markt in ontwikkeling is.

De regering zal de werking van de bijmengverplichting tussentijds monitoren en de Kamer hierover informeren, onder meer op basis van de rapportages van de NEa. Uit die monitoring blijkt ook in hoeverre de door de sector ingeschatte potentie binnen de huidige kaders en omstandigheden daadwerkelijk is gerealiseerd. Jaarlijks zal de NEa een overzicht openbaar maken waar per energieleverancier de aard en de herkomst van de grondstof van het ingeboekte groen gas en het gehanteerde duurzaamheidsysteem vermeld is. Ook zal de NEa meerdere keren per jaar actuele gegevens openbaar maken over het totaal aantal bijgeschreven en gespaarde GGE’s.

De regering is voornemens de bijmengverplichting te evalueren in 2029. De evaluatie zal in ieder geval ingaan op de bijdrage aan de klimaatdoelstellingen, de bijdrage aan groengasproductie in Nederland, de haalbaarheid van de jaarlijkse verplichting, de werking van de flexibiliteitsopties (buy-out, inclusief de hoogte, en sparen) en de meerkosten voor afnemers. De regering formuleert vooraf geen criteria of kritieke grens voor het aanpassen van de hoogte van de verplichting, maar zal op basis van een integrale evaluatie besluiten in hoeverre aanpassing nodig of wenselijk is.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken welke rol de regering groen gas op lange termijn toedicht in het energiesysteem. Hoe wordt geborgd dat schaarse volumes groen gas primair terechtkomen bij toepassingen waar alternatieven ontbreken of zeer kostbaar zijn, en niet via een generieke verplichting worden ingezet op plekken waar goedkopere of doelmatigere alternatieven bestaan?

Groen gas speelt een belangrijke rol in het Nederlandse energiesysteem. De regering onderschrijft dat de inzet van duurzame moleculen, waaronder groen gas, uiteindelijk primair wordt voorzien voor toepassingsgebieden waar geen alternatieven beschikbaar zijn of deze alternatieven zouden leiden tot hogere kosten dan groen gas. Met de bijmengverplichting wordt ingezet op de opschaling van groen gas. Op de lange termijn is de verwachting dat marktinstrumenten, zoals ETS1 en ETS2, borgen dat groen gas daar wordt ingezet waar de meerwaarde het grootst is.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te beoordelen wat de BMV betekent voor sectoren die met gas ook een systeembelang vervullen, zoals de glastuinbouw met warmtekrachtkoppeling (WKK). Heeft de regering onderzocht of hogere gaskosten ertoe kunnen leiden dat WKK’s minder worden ingezet en daarmee de leveringszekerheid en congestiemanagement op het elektriciteitsnet onder druk komen te staan?

De inzet van WKK’s kan bijdragen aan het verzachten van netcongestie door flexibele opwek. WKK’s draaien momenteel echter nog op aardgas, waardoor deze het grootste gedeelte van de uitstoot veroorzaken in de glastuinbouwsector. Voor de transitie naar een klimaatneutrale glastuinbouw (de ambitie van de sector voor 2040) is uiteindelijke afbouw van fossiele WKK’s van belang; in het eindbeeld kunnenWKK’s nodig zijn, bijv. voor netcongestie. In een dergelijk eindbeeld kunnen deze WKK’s vergroend draaien op bijvoorbeeld waterstof of groen gas. Voor zover in de tussentijd WKK’s nodig zijn om de leveringszekerheid te borgen, biedt beleid zoals het aanstaande capaciteitsmechanisme een vergoeding voor flexibele capaciteit.5 Daarbij creëert de bijmengverplichting groen gas een prikkel om op korte termijn de uitstoot van WKK’s al enigszins te reduceren.

  1. De leden van de SGP-fractie horen graag waarom het niet mogelijk is gebleken de bijmengverplichting alleen te richten op Nederlands groen gas. Wat betekent de import van groen gas voor de bijdrage aan de Nederlandse CO2-reductieopgave? Hoe groot is de kans dat import van groen gas aantrekkelijker wordt dan productie in eigen land?

Initieel was in de vormgeving van de bijmengverplichting een voorwaarde opgenomen dat alleen in Nederland geproduceerd groen gas kon worden gebruikt. Dat is echter door de Europese Commissie beoordeeld als zijnde in strijd met het vrij verkeer van goederen. De regering heeft hierop besloten deze voorwaarde te laten vallen, waarmee ook in de Europese Unie geproduceerd groen gas gebruikt kan worden om aan de bijmengverplichting te voldoen.

In de praktijk zijn er echter verschillende factoren die een rem zetten op de import van groen gas, zoals de eis dat groen gas binnen de bijmengverplichting moet zijn geproduceerd zonder exploitatiesubsidie, dat sommige landen export van gesubsidieerd groen gas verbieden (zoals Duitsland, Italië en Tsjechië) en dat verschillende Europese landen ook werken aan de introductie van een bijmengverplichting, waaronder Frankrijk, Duitsland en Ierland. Daarom is niet op voorhand te zeggen in welke mate de verplichting ingevuld gaat worden met groen gas uit andere Europese landen.

Om in deze context investeringszekerheid te versterken, creëert de regering specifiek voor Nederlandse producenten de mogelijkheid om maandelijks te wisselen tussen subsidiëring via de SDE++ of de bijmengverplichting. Daarmee vormt de SDE++ een vangnet voor Nederlandse producenten. Daarnaast zet de regering met de DEI++ en flankerend beleid, van zowel het energie- als landbouwdomein, in op het stimuleren van Nederlandse productie. De DEI++ is een investeringssubsidie en kan dus wel gecombineerd worden met de bijmengverplichting.

Marktpartijen geven aan, ondanks de openstelling voor buitenlands groen gas, nog steeds te verwachten dat Nederlands groen gas ingekocht gaat worden. Producenten geven daarbij aan te verwachten dat de bijmengverplichting een prikkel gaat leveren voor investeringen in productie-installaties in Nederland, onder andere omdat het binnen het landbouwdomein aantrekkelijker wordt om mestvergisting en mestverwerking te combineren ten behoeve van zowel de productie van groen gas als de reductie van methaan en stikstof.

De regering monitort de effecten van de bijmengverplichting en rapporteert hierover jaarlijks aan de Tweede Kamer. Uit die monitoring blijkt ook de oorsprong van het groen gas dat is ingezet binnen de bijmengverplichting. Uiteraard blijft het kabinet hierover in goed overleg met de sector.

  1. De leden van de PvdD-fractie verzoeken de regering om toe te lichten waarom groen gas in dit wetsvoorstel wordt gepositioneerd als noodzakelijk onderdeel van het toekomstige energiesysteem. Deze leden wijzen erop dat de klimaattransitie volgens hen vooral moet worden gebaseerd op energiebesparing, elektrificatie, warmtepompen, warmtenetten en duurzame opwek, en niet op het structureel in stand houden van meststromen.

Niet alle toepassingen kunnen worden verduurzaamd via elektrificatie of rechtstreekse levering van warmte. Groen gas is belangrijk voor hogetemperatuurtoepassingen of toepassingen waar moleculen, zoals methaan of CO2, als grondstof nodig zijn (o.a. glastuinbouw, bakstenen, staal). Daarnaast draagt ondersteunend gebruik van groen gas voor piekvraag of in tijden van schaarste in aanbod van elektriciteit, bij aan de robuustheid van het energiesysteem. Bovendien is een aandeel groen gas in het energiesysteem op systeemniveau kostenefficiënt.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het rapport van Guidehouse het eindbeeld dat inzet van groen gas het meest logisch lijkt in de piekvoorziening elektriciteit, in de piekvoorziening voor warmtenetten, in de keramieksector en de staalsector. Waarom sluit de regering hier met onderhavig wetsvoorstel niet bij aan?

Het klopt dat de verwachting is dat in het eindbeeld groen gas onder andere ingezet kan worden voor piekvoorziening en de keramiek- en staalsector. Met de bijmengverplichting wordt bijgedragen aan de generieke opschaling van groen gas richting 2035 en een hoger aandeel groen gas in het Nederlandse gasnet. Na 2035 is de verwachting dat het groen gas dat met de bijmengverplichting gerealiseerd is steeds meer ingezet zal worden in sectoren waarbij het past in het eindbeeld, gedreven door het ETS1 en ETS2. Groen gas wordt via het gasnet getransporteerd en op dezelfde manier als aardgas ingezet, daarom kan het flexibel van afnemer veranderen.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom is gekozen voor de afbakening voor de ETS2-sectoren. Deze leden lezen dat niet gekozen is om ETS1-industrie onder de bijmengverplichting te laten vallen, onder meer vanwege de verslechterde internationale concurrentiepositie die de kostenverhogende maatregel die niet geldt in andere landen tot gevolg kan hebben. Deze leden vragen of de regering zo exact mogelijk uiteen kan zetten wat de gevolgen van onderhavig wetsvoorstel zijn voor de internationale concurrentiepositie van de glastuinbouw en hoe wordt geborgd dat onderhavig wetsvoorstel niet bijdraagt aan een ongelijk(er) speelveld. Ook vragen zij naar de verwachte gevolgen voor de voedselproductie van de sector en voor de prijzen van de producten die worden verbouwd door de glastuinbouw.

Een bijmengverplichting is enkel uitvoerbaar als deze gebaseerd is op alle gasleveringen binnen ETS2 of ETS1. De regering houdt bij het invoeren van de bijmengverplichting rekening met het gelijke speelveld ten opzichte van andere EU-landen. Om deze reden zijn ETS1-sectoren, die veelal internationaal concurreren en waarbinnen bovendien niet alle ondernemingen een energieleverancier hebben, uitgesloten van de bijmengverplichting. Omdat er binnen ETS2 geen deelsectoren kunnen worden uitgesloten is het niet mogelijk om de glastuinbouwsector uit te zonderen van de bijmengverplichting. Om toch rekening te houden met het gelijke speelveld en vanwege het belang van een internationaal concurrerende glastuinbouwsector in Nederland, is de regering voornemens de sector te compenseren voor de meerkosten als gevolg van ETS2 en de bijmengverplichting groen gas, tot het CO2-tarief dat nodig is om het sectordoel in 2030 (4,3 Mton) te borgen. Hiermee wordt beoogd de impact van de bijmengverplichting op de glastuinbouwsector te mitigeren. Bij Prinsjesdag informeert de regering de Tweede Kamer hier verder over.

In een onderzoek van CE Delft6 naar de impact van de bijmengverplichting op verschillende sectoren is berekend dat de warmteprijs in de glastuinbouw kan stijgen met gemiddeld 9% tot 28%. Deze berekening is gemaakt voordat de omvang van de bijmengverplichting met een kwart is verlaagd, de raming van de meerkosten voor warmte zullen dus ook met ongeveer een kwart dalen. De impact is het grootst voor grootverbruikers met een WKK en het kleinst voor kleinere bedrijven met een gasketel. Afgezet tegen bedrijfsresultaten kwam CE Delft in de berekeningen uit op maximaal 8% extra kosten, wat neerkomt op maximaal 6% met de verlaagde doelstelling.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om tevens breder te reflecteren op de situatie van de glastuinbouw. De sector heeft zelf met de overheid bindende afspraken gemaakt over de CO2-reductie middels het Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022-2030. Een deel van de afgesproken randvoorwaarden zijn nog niet op orde, maar de sector heeft wel te maken met stijgende kosten, onder meer via de opt-in van de sector in ETS2, waardoor de sector ook onder de bijmengverplichting valt. Hoe kijkt de regering naar deze stapeling? Deze leden vragen de regering naar de plannen voor de compensatie van de glastuinbouw. Op welke manier borgt de regering dat de extra energiekosten voor alle telers evenredig wordt gecompenseerd?

In het Convenant zijn inderdaad afspraken gemaakt met de glastuinbouwsector, waaronder over een restemissiedoel van 4,3 Mton in 2030. Conform het Convenant wordt de beprijzing afgestemd op dit restemissiedoel. De regering is voornemens de sector te compenseren voor de meerkosten als gevolg van ETS2 en de bijmengverplichting groen gas, tot het CO2-tarief dat nodig is om het sectordoel in 2030 (4,3 Mton) te borgen. Hiermee wordt beoogd de impact van de bijmengverplichting op de glastuinbouwsector te mitigeren. Bij Prinsjesdag informeert de regering de Tweede Kamer hier verder over.

Daarnaast stelt de rijksoverheid subsidies beschikbaar voor de sector voor het realiseren van het doel, zoals de SDE++-, de Marktintroductie Energie-innovaties (MEI) en de Energie-efficiëntie Glastuinbouw (EG). Voor de SDE++ heeft de regering in het coalitieakkoord aangekondigd aanvullende middelen beschikbaar te zullen stellen, voor de MEI- en EG-regeling heeft de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur recent met de Kamer gedeeld deze regelingen voor de glastuinbouw te verlengen.7 Dit resulteert in een gebalanceerd pakket met beprijzing en stimulering.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom gekozen is om de bijmengverplichting niet te laten gelden voor leveranciers van gas aan de ETS2-sectoren, maar de verplichting enkel te koppelen aan het gasverbruik voor elektriciteitsproductie, waarbij de bijmengverplichting dus geldt voor leveranciers van gas aan gascentrales en WKK’s. In plaats van het wetsvoorstel aan te laten sluiten bij de afbakening van ETS2, zou dan worden aangesloten bij de afbakening van de Wet fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw. Deze leden vragen de regering om deze variant uit te werken. Hoe zou deze eruit komen te zien? Aan welke juridische, uitvoeringstechnische en budgettaire kaders moeten deze leden denken?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in dat kader om het verwachte jaarlijkse gasverbruik van gascentrales en WKK’s inzichtelijk te maken voor de jaren 2027 tot en met 2035. Wat is de verwachte CO2-ketenemissiereductie in 2031 specifiek voor de glastuinbouw als groen gas gericht wordt ingezet in WKK’s en gascentrales?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat, als bovenstaande variant wordt doorgerekend, de verwachte stijging van de energierekening is voor huishoudens en bedrijven? Ook vragen deze leden naar een vergelijking van de verwachte administratieve lasten met het huidige voorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering welke flankerende maatregelen nodig zouden zijn om te voorkomen dat een bijmengverplichting voor gascentrales en WKK’s leidt tot meer inzet van kolencentrales of meer import van grijze elektriciteit. Kan de regering daarbij ingaan op de mogelijkheden van een hogere kolenbelasting?

Zoals eerder aan de Kamer gemeld is de bijmengverplichting enkel uitvoerbaar als deze gebaseerd is op alle gasleveringen binnen ETS2 of ETS1.8 De regering houdt bij het invoeren van de bijmengverplichting rekening met het gelijke speelveld ten opzichte van andere EU-landen. Om deze reden zijn ETS1-sectoren, die veelal internationaal concurreren en waarbinnen bovendien niet alle ondernemingen een energieleverancier hebben, uitgesloten van de bijmengverplichting.

Binnen ETS2 kan geen onderscheid gemaakt worden tussen deelsectoren of specifieke afnemers. De hoogte van de bijmengverplichting per energieleverancier wordt bepaald op basis van het marktaandeel in het betreffende jaar. Voor die berekening zijn betrouwbare gegevens nodig. Zulke betrouwbare gegevens zijn niet beschikbaar specifiek over het gasverbruik voor elektriciteitsproductie in WKK’s. Dat zit bijvoorbeeld in de onmogelijkheid om vast te stellen welk gedeelte van de gaslevering aan een tuinder gebruikt wordt voor de productie van elektriciteit en welk gedeelte wordt gebruikt voor de productie van warmte of CO2. Een koppeling aan gasverbruik voor in elektriciteitscentrales en WKKs is hierdoor niet uitvoerbaar.

Daarnaast is dit voorstel onvoldoende effectief en toekomstbestendig. Gasverbruik voor elektriciteitsproductie wordt onder meer gebruikt voor het leveren van piekvermogen op het elektriciteitsnet. De benodigde hoeveelheid gas daarvoor is lastig te voorspellen, omdat dit sterk afhangt van de weersomstandigheden en de daaraan gerelateerde beschikbaarheid van hernieuwbare elektriciteit. Bij een dergelijke koppeling in de bijmengverplichting zouden energieleveranciers daarom lastig kunnen inschatten hoeveel groen gas zij dienen in te kopen. Dit levert een onvoldoende stabiele prikkel om investeringszekerheid in de groen gas sector te vergroten, wat noodzakelijk is voor een opschaling van productie. Daarnaast wordt een groot deel van de inzet van gas voor elektriciteitsopwekking de komende jaren vervangen door opwekking met wind en zon, en door batterijopslag. Op de lange termijn zal ook kernenergie een deel van de elektriciteitsproductie uit gas vervangen. Dat betekent dat bij een koppeling van de bijmengverplichting aan gasverbruik voor elektriciteitsproductie de grondslag voor de verplichting te snel en onvoorspelbaar verandert, waardoor de impact op afnemers niet goed in te schatten is.

Gezien de onuitvoerbaarheid van een koppeling van de bijmengverplichting aan gasgebruik voor elektriciteitsopwekking heeft de regering de effecten daarvan op het gebied van CO2-ketenemissiereductie, meerkosten en flankerend beleid niet verder in kaart gebracht.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om nader toe te lichten waarom er niet voor is gekozen om de SDE++-subsidie aan te passen om de opschaling van groen gas te stimuleren? Zou de regering willen uiteenzetten welke CO2-ketenemissiereductie wordt verwacht als enkel de SDE++-subsidie wordt aangepast?

Een aanpassing van de SDE++ is overwogen als alternatief voor de bijmengverplichting. De SDE++ is in de afgelopen jaren al een aantal keer geoptimaliseerd voor groen gas. Om de benodigde effectiviteit te bereiken via de SDE++ zou vergaande aanpassing nodig zijn, zoals een apart en aanvullend budget, meer verschillende categorieën en bedragen die dynamisch meebewegen met de biogrondstoffenmarkt. Dit past niet binnen de vormgeving en systematiek van de SDE++.

Het is niet mogelijk een voorspelling te maken van de hoeveelheid mogelijke inschrijvingen bij aanpassing van de SDE++. Om die reden kan alleen gekeken worden naar de potentiële jaarlijkse CO2-winst die behaald is in SDE++ ronden van de afgelopen jaren, met de kanttekening dat historische productiegroei vanwege veranderende marktomstandigheden niet per definitie een betrouwbare voorspeller is voor toekomstige groei. Daarnaast moet worden opgemerkt dat binnen de SDE++ niet wordt gerekend met ketenemissiereductie, maar met de CO2-reductie die plaatsvindt bij het gebruik van groen gas ten opzichte van de aardgasreferentie. In 2024 werden er groengasprojecten gestimuleerd met potentiële reductie van 0,26 miljoen ton CO2 per jaar.

2.2. Doelstelling

  1. De leden van de commissie constateren dat de regering gekozen heeft voor sturing op basis van CO2-reductie in de keten in plaats van voor een doel op basis van volume waarbij de CO2-reductie volgt uit de hoeveelheid aardgas die vervangen wordt door groen gas. De regering geeft in de memorie van toelichting aan dat deze keuze fraudegevoeliger is en moeilijker controleerbaar en dat door de extra toezichtstaken die hiermee samenhangen de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) als uitvoeringsorganisatie zwaarder belast zal worden. Ook constateren de leden van de commissie dat de NEa negatief adviseert over de keuze voor CO2-ketenemissiesturing. De regering geeft aan dat de op pagina 10 van de memorie van toelichting genoemde voordelen zwaarder wegen dan de nadelen en dat de nadelen zoveel mogelijk beperkt worden. De leden van de commissie vragen wat de gevolgen zijn als bij de evaluatie blijkt dat er daadwerkelijk (op grote schaal) fraude heeft voorgedaan, ook in relatie tot de achterliggende, Europese verplichting van broeikasgasemissiereductie. Kan en wordt er ook gemonitord op fraude en zijn er mogelijkheden om tussentijds bij te sturen? Kan op een later moment alsnog gekozen worden voor een doel op basis van volume? De leden van de commissie lezen ook dat de regering de argumenten van de NEa valide acht, waaronder de zorgen van de NEa over de toenemende uitvoeringslast. Kan de regering aangeven of en op welke wijze de zorgen van de NEa hierover zijn weggenomen?

De regering en de NEa zetten zich, in de breedte van het wetgevend kader, doorlopend in voor versterking van toezicht binnen het Europese kader. Indien daar op basis van de evaluatie noodzaak toe blijkt, kan tussentijds de wet- en regelgeving worden aangescherpt. Daarbij is het onwaarschijnlijk dat er een aanpassing wordt gemaakt naar een volumedoel, gezien de grote impact op de vormgeving en uitvoering van de verplichting en het gegeven dat bijv. de brandstoftransitieverplichting juist is overgestapt van een volume naar ketenemissiereductie doelstelling. De NEa is nauw betrokken bij de totstandkoming van het wetsvoorstel. Hoewel de NEa inderdaad bezwaren heeft bij de sturing op CO2-ketenemissiereductie en aandacht blijft vragen voor de noodzaak van het verbeteren van het toezichtstelsel, heeft de NEa aangegeven dat de voorgestelde sturing op CO2-ketenemissiereductie wel uitvoerbaar is. De regering vindt de voordelen van sturing op de ketenemissie opwegen tegen de nadelen. De combinatie van een Garantie van Oorsprong (hierna: GvO), bewijs van duurzaamheid en het Europees geborgde toezicht vormt in de basis een voldoende robuust en traceerbaar systeem waarmee de hernieuwbare oorsprong, de duurzaamheid en de broeikasgasemissiereductie kan worden aangetoond.

In de bijmengverplichting is borging, toezicht en handhaving van duurzaamheid van groen gas een samenspel van (private) certificering en audits en (publiek) toezicht aangevuld met handhaving. Voor het private toezicht wordt aangesloten bij de Europese systematiek van duurzaamheidsborging van biogrondstoffen, vloeibare biomassa, biobrandstoffen en biomassabrandstoffen, zoals vastgelegd in de Europese richtlijn hernieuwbare energie (hierna: REDIII). Dit betekent dat marktdeelnemers via certificering kunnen aantonen dat ze hun processen zo inrichten dat ze kunnen aantonen te voldoen aan de Europese duurzaamheidscriteria en de emissieberekeningen correct kunnen uitvoeren. Producenten, energieleveranciers en tussenliggende partijen moeten binnen de bijmengverplichting gecertificeerd zijn. Bij een gecertificeerde marktdeelnemer vindt periodiek een audit plaats door het certificeringsorgaan (CBI), om te controleren of nog voldaan wordt aan de eisen van het duurzaamheidsschema, en om de certificering te verlengen. Dit is inclusief de controle of de emissieberekeningen correct worden uitgevoerd. Lidstaten zijn conform de REDIII belast met het toezicht op CBI’s, dit is in Nederland ondergebracht bij de NEa.

De lidstaat kan tegen vermoedelijke fraude ten aanzien van de hoogte van de broeikasgasemissiereductie optreden door een melding te doen bij het desbetreffende duurzaamheidsysteem of vrijwillig systeem waarvoor de desbetreffende schakel in de keten is gecertificeerd. Daarnaast kan de lidstaat dit bij de Europese Commissie melden, die naar aanleiding hiervan tot maatregelen kan besluiten.

Aanvullend op het toezicht op de certificeringsorganen, houdt de NEa binnen Nederland toezicht op de gecertificeerde schakels in de keten. De NEa voert het toezicht risicogericht uit, om zo prioriteit te geven aan de grootste risico’s, naast het controleren bij lagere risico’s om blinde vlekken te voorkomen. Hierbij kan de NEa samenwerken met andere toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) of omgevingsdiensten. Voor de additionele taken die voortvloeien uit de bijmengverplichting zal de NEa extra capaciteit werven.

  1. De leden van de D66-fractie lezen dat de bijmengverplichting naar verwachting investeringen in nieuwe productiecapaciteit stimuleert, samenwerking in de keten bevordert en ondernemers meer zekerheid biedt over de toekomstige markt. Hoe waarborgt de regering dat deze prikkel daadwerkelijk leidt tot extra productie van groen gas en voldoende investeringszekerheid, met maximale stimulering van binnenlandse productie binnen de Europese kaders?

De bijmengverplichting verzekert producenten op lange termijn van een constante en toenemende vraag naar groen gas. Op die manier leidt de bijmengverplichting tot een prikkel tot extra productie van groen gas en investeringszekerheid op lange termijn. Daarbij is de bijmengverplichting onderdeel van een breder beleidsinstrumentarium dat erop gericht is om specifiek de productie van groen gas in Nederland te stimuleren. Dit gebeurt met onder meer de SDE++, de DEI++ en inzet op flankerend beleid, zowel vanuit het energiedomein als vanuit het landbouwdomein. Specifiek voor de SDE++ krijgen producenten de mogelijkheid om maandelijks te kiezen voor stimulering via de SDE++ of inzet in de bijmengverplichting. Zo fungeert de SDE++ als vangnet en bevordert het met een beschikkingstermijn van 12 jaar de investeringszekerheid op lange termijn.

De regering monitort de effecten van de bijmengverplichting en rapporteert hierover jaarlijks aan de Tweede Kamer. Uit die monitoring blijkt ook de oorsprong van het groen gas dat is ingezet binnen de bijmengverplichting. Uiteraard blijft het kabinet hierover in goed overleg met de sector.

  1. De leden van de D66-fractie lezen dat de bijmengverplichting in ieder geval tot 2035 wordt voortgezet om producenten en investeerders voldoende zekerheid te bieden, maar dat het verdere opbouwpad na 2031 en de toekomst van de verplichting na 2035 nog niet vaststaan. Zij wijzen erop dat ook na 2035 verdere opschaling van de groengasproductie nodig blijft voor de klimaatdoelen en een onafhankelijk energiesysteem. Wanneer geeft de regering duidelijkheid over het pad na 2035 en de toekomstige rol van de bijmengverplichting, zodat nieuwe investeringsonzekerheid wordt voorkomen?

De regering onderschrijft het belang van een verdere opschaling van de groengasproductie. Bij de beoogde evaluatie in 2029 wordt bezien in hoeverre een aanpassing en/of verlenging van de bijmengverplichting wenselijk is.

  1. De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering aangeeft dat het in de praktijk lastig is om de sterk wisselende business cases van groengasproducenten uitputtend te ondersteunen in een subsidie-instrument. Op welke manier draagt het voorliggende wetsvoorstel bij aan het verbeteren van de business case van met name kleinere producenten van groen gas die buiten het subsidie-instrument vallen? Hoe wordt gegarandeerd dat de bijmengverplichting daadwerkelijk leidt tot extra productie van groen gas in Nederland?

De bijmengverplichting creëert een extra verwaardingsroute van groen gas, voor zowel grote als kleine producenten. Met de bijmengverplichting is er op lange termijn een zekere vraag naar groen gas, waardoor producenten hun business case beter rond krijgen. De invulling van de bijmengverplichting is afhankelijk van marktwerking, daarom kunnen er geen garanties worden gegeven over specifieke groepen producenten. Voor Nederlandse producenten is de bijmengverplichting aanvullend ten opzichte van de SDE++, waarin een specifieke categorie is opgenomen voor kleine producenten. Daarnaast kunnen producenten maandelijks kiezen tussen subsidiëring via de SDE++ of inzet via de bijmengverplichting.

Doordat in het wetsvoorstel wordt gestuurd op ketenemissiereductie, worden kleine producenten additioneel gestimuleerd. Een gunstige ketenemissiereductiescore kan namelijk worden bereikt door vergisting van (dagverse) mest en door efficiënte (korte) ketens. Dit sluit met name goed aan bij de praktijk van kleine erfvergisters.

Naast de SDE++ zet de regering specifiek in op het stimuleren van Nederlandse productie van groen gas via de DEI++ en inzet op flankerend beleid, zowel vanuit het energiedomein als vanuit het landbouwdomein. De regering monitort de effecten van de bijmengverplichting en rapporteert hierover jaarlijks aan de Tweede Kamer. Uit die monitoring blijkt ook de oorsprong van het groen gas dat is ingezet binnen de bijmengverplichting. Uiteraard blijft het kabinet hierover in goed overleg met de sector.

  1. De leden van de PRO-fractie constateren dat de voorgestelde jaarverplichting een vaste, absolute hoeveelheid CO2-ketenemissiereductie betreft. Zij vragen de regering te verhelderen wat dit betekent voor het aandeel groen gas in de resterende gasleveringen wanneer de totale gasvraag sneller daalt dan nu voorzien, bijvoorbeeld door versnelde elektrificatie, isolatie en de aanleg van warmtenetten in de gebouwde omgeving. Groeit het aandeel groen gas dan automatisch mee doordat dezelfde absolute hoeveelheid wordt gedeeld door een kleinere totale vraag, of ontstaat het risico dat een vaste, niet-oplopende verplichting per saldo een steeds kleiner deel van de resterende, krimpende gasmarkt vergroent? Kan de regering toezeggen dat de uitrol van de bijmengverplichting steeds in samenhang wordt bezien met de voortgang van elektrificatie, warmtenetten en woningisolatie, zodat groen gas geen rem wordt op alternatieven die beschikbaar en betaalbaarder zijn? En waarom stelt de regering alleen een doel tot 2035, en niet tot 2040?

De bijmengverplichting wordt uitgedrukt in een absolute hoeveelheid CO2-ketenemissiereductie. Als de gasvraag sneller afneemt dan nu voorzien, zal de bijmengverplichting relatief een groter deel uitmaken van het resterende gasgebruik. De bijmengverplichting verhoogt de kosten van het gasgebruik en geeft dus een prikkel tot verdere verduurzaming. Bovendien is groen gas nodig om bepaalde verduurzamingsroutes helemaal te vergroenen, zoals hybride warmtepompen en warmtenetten. Het zet dus geen rem op alternatieven voor verduurzaming.

De regering stelt een looptijd van de bijmengverplichting voor tot en met 2035 en is voornemens de bijmengverplichting te evalueren in 2029. Daarbij wordt bezien in hoeverre een verhoging of verlenging van de bijmengverplichting noodzakelijk is. Dat is onder meer afhankelijk van de beschikbaarheid van groen gas voor ETS2 sectoren op de lange termijn en in hoeverre andere instrumenten (zoals ETS1 en ETS2) na 2035 voldoende stimulering bieden, onder meer voor investeringszekerheid voor producenten van groen gas en (mono)mestvergisting.

  1. De leden van de CDA-fractie constateren dat met de opschaling van de productie van groen gas wordt gestuurd op CO2-ketenemissiereductie. Voorts constateren zij dat CO2-reductie in de keten slechts kan worden berekend in plaats van gemeten en iedere kilogram reductie een financiële waarde vertegenwoordigt en dat de CO2-ketenemissiereductie daardoor moeilijk controleerbaar en fraudegevoelig is. De regering maakt in de memorie van toelichting duidelijk dat zij accepteert dat niet alle risico's op fraude kunnen worden weggenomen en dat zij deze risico's zoveel mogelijk zal proberen te beperken. Kan de regering concreet aangeven welke maatregelen zij zal treffen om frauderisico's zoveel mogelijk te beperken? Hoe zal na invoering van het wetsvoorstel worden gecontroleerd op mogelijke fraude en in hoeverre is daar aanvullende handhavingscapaciteit voor nodig?

Frauderisico’s kunnen nooit volledig worden uitgesloten. De combinatie van een GvO, bewijs van duurzaamheid en het Europees geborgde toezicht vormt in de basis een voldoende robuust en traceerbaar systeem waarmee de hernieuwbare oorsprong, de duurzaamheid en de broeikasgasemissiereductie kan worden aangetoond.

In de bijmengverplichting is borging, toezicht en handhaving van duurzaamheid van groen gas een samenspel van (private) certificering en audits en (publiek) toezicht aangevuld met handhaving. Voor het private toezicht wordt aangesloten bij de Europese systematiek van duurzaamheidsborging van biogrondstoffen, vloeibare biomassa, biobrandstoffen en biomassabrandstoffen, zoals vastgelegd in de Europese richtlijn hernieuwbare energie (hierna: REDIII). Dit betekent dat marktdeelnemers via certificering kunnen aantonen dat ze hun processen zo inrichten dat ze kunnen aantonen te voldoen aan de Europese duurzaamheidscriteria en de emissieberekeningen correct kunnen uitvoeren. Producenten, energieleveranciers en tussenliggende partijen moeten binnen de bijmengverplichting gecertificeerd zijn. Bij een gecertificeerde marktdeelnemer vindt periodiek een audit plaats door het certificeringsorgaan (CBI), om te controleren of nog voldaan wordt aan de eisen van het duurzaamheidsschema, en om de certificering te verlengen. Dit is inclusief de controle of de emissieberekeningen correct worden uitgevoerd. Lidstaten zijn conform de REDIII belast met het toezicht op CBI’s, dit is in Nederland ondergebracht bij de NEa.

De lidstaat kan tegen vermoedelijke fraude ten aanzien van de hoogte van de broeikasgasemissiereductie optreden door een melding te doen bij het desbetreffende duurzaamheidsysteem of vrijwillig systeem waarvoor de desbetreffende schakel in de keten is gecertificeerd. Daarnaast kan de lidstaat dit bij de Europese Commissie melden, die naar aanleiding hiervan tot maatregelen kan besluiten.

Aanvullend op het toezicht op de certificeringsorganen, houdt de NEa binnen Nederland toezicht op de gecertificeerde schakels in de keten. De NEa voert het toezicht risicogericht uit, om zo prioriteit te geven aan de grootste risico’s, naast het controleren bij lagere risico’s om blinde vlekken te voorkomen. Hierbij kan de NEa samenwerken met andere toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) of omgevingsdiensten. Voor de additionele taken die voortvloeien uit de bijmengverplichting zal de NEa extra capaciteit werven.

  1. De leden van de CDA-fractie constateren dat de bijmengverplichting nadrukkelijk bedoeld is als instrument om investeringen in nieuwe groen gasproductie uit te lokken en investeerders voldoende zekerheid te bieden om hun investeringen terug te verdienen. Om die reden wordt de bijmengverplichting volgens de memorie van toelichting in ieder geval tot en met 2035 voortgezet. Tegelijkertijd kiest de regering ervoor om het verplichtingsniveau na 2031 vooralsnog niet verder te verhogen, omdat onzeker is hoeveel groen gas op langere termijn beschikbaar zal zijn en welke rol andere instrumenten, zoals ETS1 en ETS2, daarbij zullen spelen. Voor de periode na 2035 bevat de memorie geen nadere beleidsmatige doorkijk, terwijl investeringsbeslissingen in groen gasprojecten, en in het bijzonder in (mono)mestvergisting, vaak een lange terugverdientijd kennen. Tegen deze achtergrond vragen deze leden hoe de regering de noodzaak beoordeelt van een structurele vraagprikkel voor groen gas na 2035, mede met het oog op investeringszekerheid voor producenten van groen gas en (mono)mestvergisting.

De regering is voornemens de bijmengverplichting te evalueren in 2029 en wil daarbij bezien in hoeverre een verhoging of verlenging van de bijmengverplichting noodzakelijk is. Dat is onder meer afhankelijk van de beschikbaarheid van groen gas voor ETS2-sectoren op de lange termijn en in hoeverre andere instrumenten (zoals ETS1 en ETS2) na 2035 voldoende stimulering bieden, onder meer voor investeringszekerheid voor producenten van groen gas en (mono)mestvergisting.

  1. De leden van de CDA-fractie vragen de regering op welk moment zij meer duidelijkheid verwacht te kunnen bieden over de toekomst van de bijmengverplichting en de marktordening voor groen gas in de periode na 2035. Deze leden vragen tevens welke mogelijkheden de regering ziet om reeds op kortere termijn meer langjarige zekerheid aan marktpartijen te bieden. Op welke wijze kan volgens de regering een balans worden gevonden tussen de benodigde flexibiliteit voor toekomstige beleidsaanpassingen en de investeringszekerheid die nodig is voor nieuwe groen gasprojecten? Is de regering bijvoorbeeld bereid te verkennen of bijvoorbeeld door een indicatief doel of groeipad voor de periode na 2035 vast te leggen in lagere regelgeving of beleidskaders meer lange termijn zekerheid geboden kan worden? Kan de regering tevens ingaan op de mogelijkheid om dergelijke doelstellingen periodiek te evalueren en zo nodig bij te stellen wanneer ontwikkelingen in aanbod, technologie, ETS1, ETS2 of de energiemarkt daartoe aanleiding geven?

De regering onderschrijft het belang van langjarige zekerheid voor marktpartijen in de groengassector. Hierbij dient voor marktpartijen tijdig duidelijk te zijn hoe de bijmengverplichting op lange termijn vorm krijgt en dient terughoudend te worden omgegaan met de mogelijkheid van tussentijdse bijstelling van de hoogte van het opbouwpad. De regering heeft hierin een balans gezocht door een evaluatie in 2029 voor te stellen. Indien er voldoende informatie beschikbaar is, kan op dat moment een besluit genomen worden over voortzetting van de bijmengverplichting na 2035.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om een actuele cijfermatige onderbouwing van de verwachte binnenlandse productiecapaciteit tot en met 2031, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bestaande productie, vergunde capaciteit, projecten met financiering, projecten met een netaansluiting en projecten die nog afhankelijk zijn van vergunningverlening of stikstofruimte. Welke productie is vóór 1 januari 2027 daadwerkelijk realiseerbaar?

De Nederlandse groengasproductie in 2025 was 336 miljoen m3. Alhoewel de toekomstige productie niet met zekerheid vastgesteld worden, kunnen de beschikte SDE++ groen gas projecten gebruikt worden ter indicatie. Op dit moment zijn SDE++ beschikkingen verleend voor in totaal 750 miljoen m3 groengasproductie per jaar, dit betreft projecten die al produceren of projecten die nog in voorbereiding zijn op de bouw van de installatie en/of productie. Daarnaast heeft de sector aangegeven dat met het vooruitzicht op de bijmengverplichting er ook partijen zijn die groen gas gaan produceren zonder SDE++. Ook is er een huidige productie van 140 miljoen m3 biogas voor elektriciteit en warmte waarvan een deel naar verwachting opgewaardeerd zal worden naar groen gas vanwege de bijmengverplichting.

Projecten die een aanvraag doen voor de SDE++ worden getoetst op de business case (en financiering) van het project, het hebben van de juiste omgevings- en natuurvergunningen en het hebben van een transportindicatie van de relevante netbeheerder. In de pijplijn van projecten die (nog) geen SDE++ aanvraag hebben ingediend kan geen onderscheid gemaakt worden tussen vergunde capaciteit, projecten met financiering, projecten met een netaansluiting en/of projecten die nog afhankelijk zijn van vergunningverlening of stikstofruimte omdat dit niet expliciet wordt gemonitord.

Gezien het opbouwpad van de bijmengverplichting liggen de volumes waaraan de eerste jaren voldaan moet worden nu al binnen de bandbreedte van huidige Nederlandse groengasproductievolumes. De groei in de jaren daarop kan worden opgevangen met de verwachte groei van Nederlandse producenten die nu al een SDE++ beschikking hebben, door additionele producenten die investeringsbeslissingen nemen nadat zij zeker weten dat de bijmengverplichting doorgang vindt en via import van groen gas uit andere Europese lidstaten.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering toe te lichten hoe de regering de uiteenlopende ramingen van het productiepotentieel weegt, variërend van circa 1,4 tot 1,6 miljard kubieke meter tot 3 miljard kubieke meter en hogere ambities richting 5 miljard kubieke meter. Welk deel van deze verwachtingen is gebaseerd op bestaande, commercieel bewezen technieken en welk deel is afhankelijk van verdere opschaling van vergassing of andere nog minder volwassen technologieën?

Het Nederlandse productiepotentieel wordt door CE Delft9 (2024) geraamd op 1,3 tot 1,8 miljard m3 in 2030. Guidehouse10 (2025) acht een Nederlandsche productie op 1,5 tot 2,0 miljard m3 in 2035 realistisch, deze analyses komen dus behoorlijk met elkaar overeen. Hierbij gaan CE delft en Guidehouse uit van 330 – 350 miljoen m3 groengasproductie door vergassing, wat een innovatieve techniek is. De resterende hoeveelheid wordt verwacht uit bestaande vergistingstechnieken. De regering acht een Nederlands productiepotentieel van 0,85 – 1,5 miljard m3 in 2030 realistisch, onderbouwd door eerder genoemde studies van Guidehouse en CE Delft en de huidige hoeveelheid SDE++ beschikkingen voor groengasproductie (± 750 miljoen m3).

In de studie van Guidehouse wordt het productiepotentieel in Nederland voor 2050 geraamd op 3,2 – 4,3 miljard m3. Logischerwijs bevat dit productiepotentieel voor 2050 een hoge mate van onzekerheid gezien dit ver in de toekomst ligt en er minder zicht is op de dan beschikbare grondstoffen en productietechnieken.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering uiteen te zetten hoe de positie van mestvergisting in de productieprognoses is verwerkt. Zijn de prognoses herijkt op basis van de actuele stikstofsituatie en de gevolgen daarvan voor vergunningverlening, en ziet de regering aanleiding het groeipad van de BMV aan te passen als mestvergisting niet tijdig op schaal kan worden gerealiseerd?

Groen gas kan geproduceerd worden door middel van het vergisten of vergassen van grondstoffen, waarbij vergisting een gangbare techniek is. Als het gaat om vergisting dan wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen monomestvergisting, waar 100% mest in wordt gebruikt, en allesvergisting waar allerlei soorten biogrondstoffen in kunnen worden vergist (waaronder mogelijk ook mest). Een subcategorie van allesvergisting is co-vergisting, waarbij alleen biogrondstoffen worden toegevoegd die expliciet en in beperkte hoeveelheid zijn toegestaan binnen de Meststoffenwet.

Doordat er een grote variatie is in productiemethoden en reststromen die gebruikt kunnen worden, komt het produceren van groen gas dus niet alleen op mestvergisting aan. Mestvergisting vormt wel een belangrijk onderdeel van groengasproductie omdat het een belangrijke rol kan spelen in de landbouwtransitie voor boeren en het reduceren van methaanemissies uit mestopslagen. Guidehouse noemt in haar studie het productiepotentieel op basis van mestgrondstoffen op 600 miljoen m3 in 2030, waar vergunningverlening als beperkende factor is meegenomen. De bijmengverplichting zal integraal worden geëvalueerd in 2029 waarbij ook de hoogte van de bijmengverplichting zal worden bezien, afhankelijk van onder andere de geschatte Nederlandse productiepotentie.

  1. De leden van de SGP-fractie constateren dat vergunningverlening voor onder meer mestvergistingsprojecten moeizaam tot stand komt door de stikstofproblematiek en bestemmingsplanprocedures. Deze leden vragen hoe de regering ervoor gaat zorgen dat deze vergunningverlening tijdig vlotgetrokken wordt.

De regering heeft op 26 juni 2026 een stikstofpakket aangekondigd, wat ertoe moet leiden dat er meer vergunningen verleend kunnen worden.11 Als onderdeel daarvan stimuleert de regering de komende jaren de opschaling van Renure in combinatie met mestvergisting en de daarvoor nodige randvoorwaarden, waaronder vergunningverlening. De regering werkt met betrokken partijen aan een versnelling van deze ontwikkeling.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie lezen de inschatting dat de beoogde CO2-ketenemissiereductie in 2031 kan worden bereikt met een groengasproductie van ongeveer 0,84 bcm in 2031, met een aandeel van 36% mestvergisting, 36% vergassing en 27% overig. De huidige groengasproductie is momenteel ca. 0,3 bcm, vrijwel enkel door vergisting van biomassa. Kan de regering per jaar onderbouwd uiteenzetten wat de verwachte Nederlandse productie per techniek is, bijvoorbeeld op basis van wat brancheorganisaties aangeven over voorgenomen investeringsbeslissingen? Acht de regering het aannemelijk dat de doelstellingen vanaf 2028 zonder grootschalige toepassing van de ‘buy-out’ kan worden gehaald? Zo ja, waarop baseert zij deze verwachting? Zo nee, welke financiële gevolgen verwacht de regering hiervan voor eindgebruikers?

Het doel van de bijmengverplichting is niet om een specifieke techniek te stimuleren. Welke technieken of grondstoffen ingezet zullen worden hangt ook af van marktontwikkelingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de prijsverschillen tussen verschillende mogelijke grondstoffen en de hoeveelheid CO2-reductie die per techniek gerealiseerd wordt. Het gevraagde overzicht met verwachte toekomstige Nederlandse productie per techniek is niet beschikbaar, ook niet bij brancheorganisaties.

Het opbouwpad van de bijmengverplichting is gebaseerd op analyses van de verwachte beschikbaarheid van groen gas in Nederland, waarin bestaande knelpunten en het wegnemen hiervan zijn meegewogen. Dit is afgestemd met de relevante sectorpartijen. In de eerste jaren passen de volumes binnen de bandbreedte van de huidige productiecapaciteit in Nederland. Bovendien heeft de regering recent een stikstofpakket gepresenteerd, waarmee perspectief ontstaat op meer stikstofruimte.

Op basis hiervan is de taxatie van de regering dat de te behalen opschaling door de bijmengverplichting goed haalbaar is. Daarbij tekent de regering wel aan dat dit soort ramingen een bepaalde onzekerheid bevatten en dat de groen gas markt in ontwikkeling is. Daarom houdt de regering vinger aan de pols en wordt de bijmengverplichting in 2029 geëvalueerd.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de gevolgen van de aangekondigde stikstofaanpak van het kabinet voor de productie van groen gas. Is bij deze aanpak rekening gehouden bij de vormgeving van de verwachte productievolumes?

Bij de doorrekening van de productiepotentie, ter onderbouwing van de hoogte van de bijmengverplichting, is rekening gehouden met een forse reductie van de beschikbaarheid van mest in Nederland.

In een onderzoek van CE Delft12 naar de haalbaarheid van de bijmengverplichting groen gas is uitgegaan van een reductie van de omvang van de hoeveelheid beschikbare mest in Nederland met ongeveer 20% en de vergisting van 75% van de resterende mest. De regering heeft besloten om hier conservatiever mee om te gaan bij het bepalen van de hoogte van de verplichting en is voor de zekerheid uitgegaan van 45% reductie van de resterende beschikbare hoeveelheid mest, dus 35% van de huidige hoeveelheid mest. Sinds dit onderzoek is de hoogte van de bijmengverplichting verlaagd en is het mogelijk geworden groen gas geproduceerd elders in Europa in te zetten voor de bijmengverplichting. De regering heeft daarom geen zorgen over de beschikbaarheid van voldoende volumes groen gas en verwacht niet dat de stikstofaanpak een beperkende factor gaat zijn in de haalbaarheid van de bijmengverplichting.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering tevens naar de verwachte productie richting 2050. Kan de regering uiteenzetten wat de verwachte productievolumes zijn voor de verschillende technieken richting 2050?

Guidehouse13 heeft in opdracht van de regering onderzocht wat het totale realiseerbare productiepotentieel is in Nederland in 2050, hieruit komt een totaal van 2,8 miljard m3 op basis van nationale grondstofstromen, waarvan 1,9 miljard m3 uit vergisting en 0,9 miljard m3 op basis van vergassing. Door import van grondstoffen kan hier mogelijk nog 0,7 miljard m3 bij komen (bandbreedte van 0,4-1,5 miljard m3) aan nationale productie. Hieruit blijkt dat er voldoende productiepotentieel is voor het huidige opbouwpad van de bijmengverplichting en ruimte voor een grotere bijdrage van groen gas in de toekomst, indien daarvoor in de toekomst gekozen wordt.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering toe te lichten in hoeverre de voorgestelde bijmengverplichting mede is bedoeld om investeringen in de vergassingstechniek te stimuleren. Mocht dit het geval zijn, waarom kiest de regering dan voor onderhavig wetsvoorstel en niet voor gerichte stimulering van deze techniek?

Het doel van de bijmengverplichting is niet om een specifieke techniek te stimuleren. Voor de stimulering van innovatieve technieken zoals vergassingstechniek is een generiek marktinstrument minder passend. Voor vergassing bestaan instrumenten zoals de Studies Voor Duurzame Industrie (STUDI), Demonstratie Energie Innovatie (DEI+) en is er binnen de SDE++ een aparte categorie voor groengasproductie middels vergassingstechnologie. Vergassingspartijen kunnen wel profiteren van de bijmengverplichting door groen gas te produceren en dit te verkopen aan energieleveranciers die onder de bijmengverplichting vallen.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom niet is gekozen voor een voorhangbepaling bij de algemene maatregel van bestuur die de jaarlijks voorgestelde verplichting en buy-outprijs regelt, om de parlementaire betrokkenheid te vergroten. Daarnaast vragen deze leden wanneer de evaluatiemomenten zijn om het tijdpad eventueel aan te passen en wat de criteria zijn aan de hand waarvan wordt besloten om het tijdpad aan te passen. Is de regering bijvoorbeeld bereid om de verplichting te verlagen als de productie achterblijft?

De regering heeft niet gekozen voor een voorhangprocedure omdat de kaders en voorgenomen invulling van hetgeen in de lagere regelgeving wordt geregeld uitgebreid zijn toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Het opbouwpad en de hoogte van de buy-out zijn daarin toegelicht. Geen van beide aspecten is in de uitwerking van de lagere regelgeving gewijzigd. De regering heeft op deze wijze beoogd het parlement vroegtijdig te betrekken bij de vormgeving van de bijmengverplichting, hoofdzakelijk via het wetsvoorstel, te meer om later in het proces zoveel mogelijk voortgang te kunnen maken met het oog op de beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027. De regering is voornemens de bijmengverplichting te evalueren in 2029.

De evaluatie zal in ieder geval ingaan op de bijdrage aan de klimaatdoelstellingen, de bijdrage aan de productie van groen gas in Nederland, de haalbaarheid van de jaarlijkse verplichting, de werking van de flexibiliteitsopties (buy-out, inclusief de hoogte, en sparen) en de meerkosten voor afnemers. Op basis van de evaluatie kan overwogen worden om de omvang van de verplichting bij te stellen middels aanpassing van de lagere regelgeving.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wanneer de regering verwacht duidelijkheid te kunnen geven over de bijmengverplichting na 2035?

De regering is voornemens de bijmengverplichting te evalueren in 2029 en wil daarbij bezien in hoeverre een verhoging of verlenging van de bijmengverplichting noodzakelijk is. Dat is onder meer afhankelijk van de beschikbaarheid van groen gas voor ETS2-sectoren op de lange termijn en in hoeverre andere instrumenten (zoals ETS1 en ETS2) na 2035 voldoende stimulering bieden, onder meer voor investeringszekerheid voor producenten van groen gas en (mono)mestvergisting.

2.3. Werking van de verplichting

  1. De leden van de commissie lezen dat de bijmengverplichting voor de leverancier wordt bepaald aan de hand van zijn marktaandeel in de totale gasleveringen van alle energieleveranciers gezamenlijk aan de ETS2-sectoren. De leden van de commissie constateren dat de NEa vanuit het oogpunt van de uitvoerbaarheid voorkeur heeft voor een procentueel doel boven een absoluut doel, en dat de NEa aangeeft dat, indien wordt vastgehouden aan een absoluut doel, de NEa aandringt op het verschuiven van de verplichtingsdata en het vastleggen van heldere criteria in het geval dat gegevens ontbreken. De verplichtingsdata waren: (a) deadline vaststellen bijmengverplichting 15 mei en (b)1 juli voldoen aan die bijmengverplichting. Alleen de deadline om de bijmengverplichting vast te stellen is opgeschoven naar 1 juni. De leden van commissie horen graag van de regering of voor de NEa het alleen opschuiven van de datum 15 mei naar 1 juni voldoende tijd biedt om de bijmengverplichting voor elke energieleverancier vast te stellen en vervolgens om aan de verplichting te voldoen door het inleveren van voldoende groengaseenheden (GGE’s).

De datum van 15 mei is inderdaad verschoven naar 1 juni. Uiterlijk op 1 juni informeert de NEa de energieleverancier over het marktaandeel en daarmee de hoogte van de verplichting over het daaraan voorafgaande jaar. Op 1 augustus moet een energieleverancier voldoende GGE’s op rekening hebben om aan die verplichting te voldoen. Daarmee is de tijd tussen de betreffende verplichtingsdata verruimd. De NEa is nauw betrokken bij de totstandkoming van het wetsvoorstel en deze tijdlijn is werkbaar voor de NEa.

  1. De leden van de VVD-fractie weten dat er zorgen zijn over de openstelling van groen gas uit het buitenland om de Nederlandse bijmengverplichting te halen. Hoe reflecteert op die zorgen? Op welke manier stimuleert de regering de groen gasproductie van Nederlandse ondernemers in het voorliggende wetsvoorstel?

De regering onderschrijft het belang van opschaling van groengasproductie binnen Nederland. Ondanks de openstelling van de bijmengverplichting voor groen gas uit andere Europese landen, geven marktpartijen aan nog steeds te verwachten dat Nederlands groen gas ingekocht gaat worden. Producenten geven daarbij aan te verwachten dat de bijmengverplichting een prikkel gaat leveren voor investeringen in productie-installaties in Nederland, onder andere omdat het binnen het landbouwdomein aantrekkelijker wordt om mestvergisting en mestverwerking te combineren ten behoeve van zowel de productie van groen gas als de reductie van methaan en stikstof.

De bijmengverplichting is onderdeel van een breder beleidsinstrumentarium dat er op gericht is om specifiek de productie van groen gas in Nederland te stimuleren. Dit gebeurt met onder meer de SDE++, de DEI++ en inzet op flankerend beleid, zowel vanuit het energiedomein als vanuit het landbouwdomein. De regering monitort de effecten van de bijmengverplichting en rapporteert hierover jaarlijks aan de Tweede Kamer. Uit die monitoring blijkt ook de oorsprong van het groen gas dat is ingezet binnen de bijmengverplichting. Uiteraard blijft het kabinet hierover in goed overleg met de sector.

  1. Daarnaast kijken de leden van de VVD-fractie met interesse naar innovatieve bedrijven die op stortplaatsen groen gas kunnen produceren. Heeft de regering gekeken welke kansen het voorliggende wetsvoorstel heeft voor innovaties zoals de productie van groen gas op stortplaatsen?

Op stortplaatsen wordt al groen gas gemaakt, dit valt ook binnen scope van de bijmengverplichting. Voor innovaties die bijvoorbeeld de productie van groen gas uit stortplaatsen vergroten kan de bijmengverplichting een interessant verdienmodel zijn.

  1. De leden van de VVD-fractie lezen in tabel 1 de jaarlijks voorgestelde bijmengverplichting. Hoe heeft de regering gewogen of de Nederlandse productie aan de indicatie hoeveelheid groen gas in miljard kubieke meter (bcm) kan voldoen? Op welke manier is de sector van groengasproducenten betrokken bij de vaststelling van de voorgestelde bijmengverplichting?

Het opbouwpad van de bijmengverplichting is gebaseerd op analyses van de verwachte beschikbaarheid van groen gas in Nederland, waarin bestaande knelpunten en het wegnemen hiervan zijn meegewogen. Dit is afgestemd met de relevante sectorpartijen, bijvoorbeeld via stakeholdersessies en middels de formele consultatiemomenten. In de eerste jaren passen de volumes binnen de bandbreedte van de huidige productiecapaciteit in Nederland. Bovendien heeft de regering recent een stikstofpakket gepresenteerd, waarmee perspectief ontstaat op meer stikstofruimte.

Op basis hiervan is de taxatie van de regering dat de te behalen opschaling door de bijmengverplichting haalbaar is. Daarbij tekent de regering wel aan dat dit soort ramingen een bepaalde onzekerheid bevatten en dat de groen gas markt in ontwikkeling is. Daarom houdt de regering vinger aan de pols en wordt de bijmengverplichting in 2029 geëvalueerd.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken hoe wordt voorkomen dat de BMV bij achterblijvende productie vooral leidt tot het betalen van hogere certificaatprijzen of een ‘buy-out’, zonder dat de beoogde extra productie en broeikasgasreductie daadwerkelijk worden gerealiseerd. Kan de regering aangeven of en hoe de jaarlijkse verplichting wordt gekoppeld aan de feitelijk gerealiseerde productie?

Het opbouwpad van de bijmengverplichting is gebaseerd op analyses van de verwachte groen gas beschikbaarheid in Nederland. Dit is afgestemd met de relevante sectorpartijen. In de eerste jaren passen de volumes binnen de bandbreedte van de huidige productiecapaciteit in Nederland. Bovendien heeft de regering recent een stikstofpakket gepresenteerd, waarmee perspectief ontstaat op meer stikstofruimte.

Op basis hiervan is de taxatie van de regering dat de te behalen opschaling door de bijmengverplichting haalbaar is. Aangezien de prijs van groen gas onder de buy-out prijs ligt, hebben leveranciers geen prikkel om van de buy-out gebruik te maken en is de verwachting dat de verplichting met feitelijk gerealiseerde productie wordt ingevuld.

Daarbij tekent de regering wel aan dat dit soort ramingen een bepaalde onzekerheid bevatten en dat de groen gas markt in ontwikkeling is. Daarom houdt de regering vinger aan de pols en wordt de bijmengverplichting in 2029 geëvalueerd. Specifiek zal bij de evaluatie onder meer gekeken worden naar de bijdrage van de bijmengverplichting aan de productie van groen gas in Nederland en naar de werking van de buy-out.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering aan te geven welke prijs- en volumeontwikkelingen de regering verwacht bij een tekort aan GGE’s. Worden kosten van schaarste of buy-out volledig doorberekend aan eindgebruikers, en hoe wordt voorkomen dat huishoudens en ondernemers betalen voor een verplichting terwijl het aanbod achterblijft?

De buy-out fungeert als een maximering van kosten die aan eindgebruikers kunnen worden doorberekend. Gegeven de huidige beschikbaarheid van groen gas in de markt, is er voldoende groen gas beschikbaar voor het invullen van de bijmengverplichting. Aangezien de prijs van groen gas onder de buy-out prijs ligt, hebben leveranciers geen prikkel om van de buy-out gebruik te maken en is de verwachting dat de verplichting met feitelijk gerealiseerde productie wordt ingevuld. Er wordt dan ook geen tekort aan GGE’s verwacht.

2.4. Inrichting van het systeem van de bijmengverplichting

  1. De leden van de commissie lezen dat om te waarborgen dat aan de consument de juiste hoeveelheid hernieuwbare energie wordt geleverd, gebruik wordt gemaakt van Garanties van Oorsprong (GvO) als bewijs van levering. Dit is een bewijs van hernieuwbaarheid richting de consument en dient ter voorkoming van dubbeltelling van de hoeveelheid hernieuwbare energie door meerdere afnemers of lidstaten. Iedere lidstaat moet op grond van de RED een GvO-systeem inrichten. Een GvO moet elektronisch worden afgegeven, overgedragen en geschrapt en moet nauwkeurig, betrouwbaar en fraudebestendig zijn.

De leden van de commissie vragen of de regering kan aangeven of er een onderzocht is welke risico’s er zijn bij het gebruik van dit systeem zijn (op fraude, uitval, administratieve verschillen, etc) en welke maatregelen er in dat geval genomen zijn om de risico’s te mitigeren?

In Nederland zijn de uitgifte, overdracht en afboeking van GvO’s wettelijk geregeld in de Energiewet en de Regeling garanties van oorsprong waarbij VertiCer is gemandateerd als uitvoerende instantie in Nederland.

De REDIII schrijft expliciet voor dat lidstaten en aangewezen bevoegde instanties passende mechanismen moeten instellen om te waarborgen dat GvO’s elektronisch worden uitgegeven, overgedragen en geannuleerd en dat deze nauwkeurig, betrouwbaar en fraudebestendig zijn. VertiCer voldoet aan deze regels.

Daarnaast worden risico’s beperkt doordat GvO’s slechts binnen een beperkte geldigheidsperiode kunnen worden gebruikt en door de afboeking van GvO’s als bewijs van levering. Hierdoor wordt voorkomen dat dezelfde hoeveelheid hernieuwbare energie meermaals wordt gebruikt voor een hernieuwbaarheidsclaim.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering precies aan te geven welke essentiële onderdelen van het stelsel nog in lagere regelgeving worden uitgewerkt. Wanneer ontvangt de Kamer de algemene maatregel van bestuur en de ministeriële regelingen over het groeipad, de ‘buy-out’, (GvO’s), GGE’s, duurzaamheidsinformatie, gegevensuitwisseling en rapportageverplichtingen?

Deze leden van verzoeken de regering te motiveren waarom de Kamer het wetsvoorstel al zou moeten behandelen voordat deze lagere regelgeving bekend is. Hoeveel voorbereidingstijd hebben energieleveranciers, producenten, de NEa, VertiCer en andere ketenpartijen nodig nadat de lagere regelgeving definitief is vastgesteld?

De wetsbehandeling van dit wetsvoorstel verloopt volgens een regulier proces, waarbij de AMvB ter advisering naar de Raad van State kan worden gestuurd als met het wetsvoorstel is ingestemd door de Tweede Kamer.

Om het parlement tijdig een zo volledig mogelijk beeld van de gehele systematiek te bieden is reeds in het wetsvoorstel toegelicht welke onderdelen op welke wijze in de lagere regelgeving worden uitgewerkt. In de AMvB wordt onder meer de hoogte van de verplichting, de werking van het GGE-register, de verdeling van de verplichting over leveranciers op basis van het marktaandeel, de systematiek voor het sparen van GGE’s en verdere regels omtrent het voorkomen van fraude en misbruik opgenomen. In de ministeriële regeling wordt onder meer de hoogte van de buy-out, de vereiste gegevens bij het inboeken van groen gas, eisen aan het openen van een rekening bij de NEa, openbaarmaking van beschikbare groengaseenheden en duurzaamheidseisen aan de grondstoffen (in overeenstemming met de eisen van de REDIII) opgenomen.

De lagere regelgeving is inmiddels in internetconsultatie geweest. Deze conceptversies van de AMvB en regeling zijn openbaar.14 Op basis daarvan heeft de sector kennis kunnen nemen van de bepalingen die opgenomen worden. Beide regelingen worden bij de notificatie begin september opnieuw openbaar gemaakt. De inhoud van de lagere regelgeving is daarnaast grotendeels toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, waaronder de hoogte van de verplichting en de hoogte van de buy-out prijs. De NEa en VertiCer zijn nauw betrokken bij de totstandkoming van de wet- en regelgeving en dus voldoende op de hoogte van de inhoud van de lagere regelgeving voor uitvoering per 1 januari 2027. Voor de uitvoering is het GGE-register belangrijk, de NEa heeft na publicatie van de regelgeving drie maanden nodig om dit register af te ronden. Hierbij geldt wel dat het voor de algehele systematiek niet uitmaakt wanneer dit register exact operationeel is, doordat het eerste nalevingsjaar pas na het eerste kwartaal van 2028 afgesloten wordt.

2.5. Flexibiliteit binnen de bijmengverplichting

  1. De leden van de commissie lezen dat het aan de ene kant nodig is om flexibiliteit in te bouwen maar aan de andere kant deze flexibiliteit niet te groot mag zijn. De leden van de commissie vragen in hoeverre de regering zicht heeft op de (potentiële) groengasmarkt. Welke prijsontwikkeling verwacht de regering? Wat is de bandbreedte van wat de regering acceptabel vindt aan prijspieken en -dalen? Kan de regering aangeven wanneer er sprake is van te veel flexibiliteit en welke mogelijkheden heeft de regering om bij te sturen op de groengasproductiemarkt?

De groen gasmarkt is complex, waarbij handel zich binnen Europa afspeelt, verkoop voornamelijk bilateraal plaatsvindt en er een grote heterogeniteit is van productietechnieken en grondstoffen. Dit leidt ertoe dat er geen sprake is van één uniforme prijs van groen gas, maar wel onderlinge concurrentie tussen producenten.

Vormgevingskeuzes binnen de bijmengverplichting, zoals het maximum spaarpercentage en de mogelijkheid om onderling in GGE’s te kunnen handelen, zijn erop gericht om de liquiditeit in de markt te bevorderen. De regering stuurt niet op een bepaalde bandbreedte in de prijs van groen gas en laat de prijsontwikkeling aan de markt, waarbij de buy-out fungeert als maximale prijs. De waarde van de buy-out is zo gekozen dat dit een goede balans is tussen stimulering van productie en maximering van meerkosten. Bij de beoogde evaluatie in 2029 beziet de regering in hoeverre aanpassing in de bijmengverplichting nodig en wenselijk is, daarbij wordt ook gekeken naar de verschillende flexibiliteitsmechanismen (de buy-out en de mogelijkheid tot sparen).

  1. De leden van de commissie merken op dat de ‘buy-out’-mogelijkheid ook al in de eerste versie van het wetsvoorstel was opgenomen. De leden van de commissie vragen of de regering de mogelijkheid van de ‘buy-out’ heeft heroverwogen met de tweede versie van het wetsvoorstel waarbij ook buitenlands geproduceerd gas beschikbaar is om aan de bijmengverplichting te voldoen. Ook in het licht van de risico’s die beschreven worden en de toename van complexiteit van het stelsel.

De belangrijkste doelen van de buy-out zijn het beperken van de maximale meerkosten voor het voldoen aan de verplichting en het bieden van flexibiliteit bij tegenvallende productie in de markt. Hoewel de openstelling van de bijmengverplichting voor buitenlands groen gas het risico op onvoldoende groen gas in de markt verkleint, acht de regering het onverminderd wenselijk om de meerkosten voor consumenten te beperken. De buy-out fungeert namelijk als een plafond, omdat het economisch onaantrekkelijk is om groen gas boven de prijs van de buy-out te verhandelen.

  1. De leden van de VVD-fractie lezen met interesse de geschetste marktwerking van de regering met betrekking tot de prijs van de GGE’s. Hoe heeft de regering deze totstandkoming gewogen? Specifiek, hoe voorkomt de regering dat de prijs van de GGE’s die verhandelbaar zijn voor de ‘buy-out’ een te hoge of te lage prijs krijgen? Op welke manier verwacht de regering dat de Nederlandse productie van groen gas en de mogelijkheid om deze makkelijk te transporteren naar het gasnet invloed heeft op de prijs van de GGE’s? Op welke manier verwacht de regering dat de productiekosten van groen gas in het buitenland invloed heeft op de verhandelbaarheid van GGE’s?

Groengaseenheden (GGE’s) zijn verhandelbaar tussen energieleveranciers die een rekening in het GGE-register hebben. Een energieleverancier kan aan de bijmengverplichting voldoen door zelf groen gas in te boeken en zo GGE’s te verwerven, door GGE’s over te kopen van andere leveranciers of door gebruik te maken van een (gedeeltelijke) buy-out. Het is economisch onaantrekkelijk om van de buy-out gebruik te maken, als het zelf inboeken van groen gas of overkopen van GGE’s goedkoper is. Om die reden is de verwachting dat de GGE-prijs onder het niveau van de buy-out ligt.

De prijs van GGE’s zal worden beïnvloed door de prijs van groen gas in de markt, de mate van overschotten aan GGE’s bij leveranciers en de hoogte van de buy-out, dat als een maximum fungeert. De prijs van groen gas is afhankelijk van de productiekosten van groen gas en van de dynamiek tussen vraag en aanbod. Als het aanbod aan groen gas hoger is, bijvoorbeeld doordat groen gas in Nederland eenvoudig via het gasnet kan worden ingevoed of omdat er groen gas elders in de Europese Unie wordt geproduceerd en ingevoed ten behoeve van de bijmengverplichting, dan zal de prijs van groen gas in de markt dichter bij de productiekosten liggen. Een groter aanbod van groen gas kan dus de prijs van groen gas laten dalen, wat vervolgens zorgt voor een verlaagde prijs van GGE’s.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering concreet te maken onder welke omstandigheden het groeipad kan worden aangepast. Is de regering bereid het groeipad jaarlijks te corrigeren wanneer binnenlandse productie achterblijft, de kosten disproportioneel stijgen of uitvoeringsinstanties aangeven dat het stelsel niet tijdig betrouwbaar kan functioneren?

De regering is voornemens de bijmengverplichting te evalueren in 2029 en wil daarbij bezien in hoeverre een verhoging of verlenging van de bijmengverplichting noodzakelijk is. Dat is onder meer afhankelijk van de beschikbaarheid van groen gas voor ETS2-sectoren op de lange termijn en in hoeverre andere instrumenten (zoals ETS1 en ETS2) op termijn voldoende stimulering bieden, onder meer voor investeringszekerheid voor producenten van groen gas en (mono)mestvergisting. Vanwege het belang van langjarige investeringszekerheid voor marktpartijen, zal de regering het groeipad niet jaarlijks bijstellen.

Bij de evaluatie wordt ook de bijdrage van de bijmengverplichting aan de productie van groen gas in Nederland betrokken. De meerkosten voor huishoudens en bedrijven zijn gemaximeerd door de buy-out systematiek en worden ook meegenomen in de evaluatie. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is verantwoordelijk voor de uitvoering van het wetsvoorstel. Het is van belang dat het stelsel betrouwbaar kan functioneren, hierover is en blijft de regering in nauw contact met de NEa.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de berekening van de buy-outprijs van 450 euro/ton CO2. Aan de hand van welke criteria besluit de regering tot een eventuele hogere of latere buy-outprijs? Wanneer zijn de evaluatiemomenten om de buy-outprijs eventueel bij te stellen? Deze leden vragen om inzichtelijk te maken wat de meerkosten voor huishoudens en bedrijven zouden zijn bij een buy-outprijs van respectievelijk 250, 350 en 550 euro.

Bij de voorgenomen evaluatie in 2029 betrekt de regering ook de werking van de buy-out. Bij deze evaluatie zal gekeken worden naar de prijs van groen gas in de markt, het effect van de buy-out daarop en de meerkosten voor huishoudens en bedrijven. Bij een eventuele aanpassing van de buy-out zal de regering de markt daar tijdig over informeren.

De hoogte van de buy-out is zo gekozen dat het in principe aantrekkelijker is om groen gas in te kopen dan van de buy-out gebruik te maken. Op basis van berekeningen van CE Delft had de regering initieel de hoogte van de buy-out vastgesteld op 500 euro per ton CO2, na de verlaging van de verplichting is dit bijgesteld naar 450 euro per ton CO2.

Omdat niet kan worden voorspeld in welke mate energieleveranciers gebruik zullen maken van de buy-out, kan niet met zekerheid gezegd worden hoe hoog de meerkosten gaan zijn bij verschillende niveaus van de buy-out. Wat wel kan worden ingeschat zijn de maximale meerkosten, in het hypothetische geval dat alle energieleveranciers alleen van de buy-out gebruik maken. In onderstaande tabel zijn deze maximale meerkosten in 2027 en in 2031 opgenomen bij de gevraagde buy-outprijzen. Vanaf 2027 lopen de meerkosten op t/m 2031, vanaf 2031 t/m 2035 zijn de meerkosten constant.

De hoogte van de buy-out heeft invloed op het maximale doelbereik van de bijmengverplichting. Bij een te lage buy-out is er onvoldoende prikkel voor producenten om de markt te betreden en voor energieleveranciers om groen gas in te kopen. Het verlagen van de buy-out verlaagt dus de maximale meerkosten maar verhoogt ook de kans dat dit ten koste gaat van de doeltreffendheid, en leidt tot meerkosten voor consumenten zonder dat daar verduurzaming tegenover staat.

Hoogte buy-outprijs per ton CO2 Maximale meerkosten in 2027 per kuub gas (excl. btw) Maximale meerkosten in 2031 per kuub gas (excl. btw)
€ 250 € 0,008 € 0,05
€ 350 € 0,012 € 0,07
€ 450 € 0,015 € 0,09
€ 550 € 0,018 € 0,11

3. Verhouding tot hoger recht

3.1. EU ETS2

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken om een integrale betaalbaarheidstoets waarin de BMV samen wordt bezien met het Europese emissiehandelssysteem voor gebouwen, wegvervoer en kleine industrie (ETS2), stijgende netbeheerkosten, energiebelasting en andere kostenverhogende klimaatmaatregelen op de energierekening. Waarom is de stapeling van lasten voor huishoudens en midden- en kleinbedrijf (mkb) niet vooraf als harde randvoorwaarde opgenomen?

Deze leden verzoeken de regering uiteen te zetten welk cumulatief effect de regering verwacht voor huishoudens met een laag, gemiddeld en hoog gasverbruik, en voor kleine ondernemers met een relatief hoge gasvraag. Welke maximale jaarlijkse lastenstijging acht de regering nog aanvaardbaar?

De regering onderschrijft het belang van een integrale analyse van de cumulatieve effecten van nationale en Europese klimaat- en energiemaatregelen op de energierekening van huishoudens en bedrijven, die inzichtelijk maakt aan welke knoppen er kan worden gedraaid om de energierekening betaalbaar te houden. Hier wordt momenteel aan gewerkt, zoals ook verzocht in de motie Jumelet-Van den Berg15.

De Tweede Kamer ontvangt bij de Miljoenennota 2027 een aantal partiële analyses van de ontwikkeling van de energierekening van huishoudens en bedrijven op de korte termijn. Deze publicaties zullen ook worden voorzien van reflecties door de regering op de getoonde ontwikkelingen. Dit zijn onder andere:

  1. Een prognose van de ontwikkeling van de energierekening voor verschillende groepen huishoudens in de komende vijf jaar, op basis van staand en aangenomen beleid, hierin worden de verwachtte meerkosten vanuit ETS2 en de bijmengverplichting meegenomen.

  2. Een studie naar de effecten van de voorgestelde tijdsgebonden nettarieven op de energierekening van huishoudens.

  3. In de Monitor Energiearmoede wordt jaarlijks voor het voorgaande jaar dieper ingegaan op huishoudens die kwetsbaar zijn voor hoge energieprijzen.

  4. In de jaarlijkse speelveldtoets wordt in beeld gebracht wat verschillen in klimaat- en energiebeleid zijn en hoe dit uitpakt voor kostenstructuur bedrijven.

  5. Daarnaast verschijnt jaarlijks een rapportage over verschillen in elektriciteits- en netwerkkosten tussen Nederland en een aantal geselecteerde landen.16

  6. Verder zal het geactualiseerde Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) dat met de Miljoenennota met de Kamer wordt gedeeld, nader ingaan op de kosten van de energietransitie voor burgers en bedrijven.

De regering werkt ondertussen ook aan integrale analyses met een doorkijk tot 2050. Dit is onderdeel van het kennisprogramma Energietransitie Integraal Kostenbeeld (EIK), een samenwerking van CBS, CPB, PBL, RVO, TNO en EZK. Op 18 mei jl. zijn daarvan het startrapport en het werkprogramma gepubliceerd.17 Het Ministerie van EZK is nauw betrokken bij de uitvoering van dit programma en zal daarbij inzetten op tijdige en volledige analyses en de inzichten daaruit delen met de Kamer.

De bijmengverplichting leidt volgens ramingen maximaal tot een kostenstijging van 1,5 cent per kuub gas (excl. btw) in 2027, oplopend naar maximaal 9 cent per kuub gas (excl. btw) vanaf 2031. In werkelijkheid liggen de verwachte meerkosten lager, door vraag-aanbod dynamiek in de handel in groen gas en GGE’s. Tegenover deze meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

3.2. RED richtlijn 2018/2001

  1. De leden van de commissie lezen dat de Uniedatabank al in werking had moeten zijn, maar dat de inwerkingtreding al een paar keer is uitgesteld. Kan de regering aangeven wat de reden van dit uitstel is?

Het ontwikkelen en inwerking laten treden van de Uniedatabank (UDB) voor gasvormige brandstoffen is een verantwoordelijkheid van de Europese Commissie. Het moment dat de UDB operationeel wordt is afhankelijk van de planning van de Europese Commissie voor het koppelen van de UDB aan de nationale instanties voor uitgifte van GvO’s. De regering heeft hierover nog geen nieuwe planning ontvangen van de Europese Commissie.

3.3. ESR-verordening 2023/857

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken om te verduidelijken hoe de broeikasgasreductie onder de Effort Sharing Regulation (ESR) wordt toegerekend wanneer groen gas uit andere Europese lidstaten wordt ingezet. Klopt het dat Nederlandse eindgebruikers kunnen betalen voor geïmporteerd groen gas terwijl de reductie in de Europese systematiek niet of slechts beperkt aan Nederland wordt toegerekend?

De broeikasgasreductie onder de Effort Sharing Regulation wordt toegerekend in het land waar groen gas in het gasnetwerk wordt geïnjecteerd. Dit betekent dat groen gas dat via het gasnetwerk naar Nederland wordt geïmporteerd meetelt in het exporterende land en dus niet in Nederland. Vice versa geldt hetzelfde voor landen waar Nederlandse producenten naar exporteren. De regering zet in op aanpassing van de Effort Sharing Regulation na 2030 om de regeling beter aan te laten sluiten bij een verder ontwikkelde Europese markt voor groen gas. Daarbij wordt ingezet op het laten meetellen van de emissiereductie daar waar het groen gas wordt geconsumeerd.

3.4 Notificatie op grond van Richtlijn (EU) 2015/1535

  1. De leden van de commissie lezen dat de regering geen beletsel ziet om door te gaan met het wetsvoorstel, omdat er onder meer geen sprake meer is van een ‘standstill’-periode waarin de lidstaat zich moet onthouden van onomkeerbare handelingen. Tegelijk lezen de leden van de commissie dat een deel van de vragen van de Europese Commissie over het wetsvoorstel nader wordt uitgewerkt in onderliggende regelgeving, met name in de toelichting. Ook begrijpen de leden van de commissie dat deze onderliggende regelgeving separaat worden genotificeerd. De leden van de commissie vragen zich af wat de gevolgen zijn voor het wetsvoorstel als in de notificatieprocedure van de onderliggende regelgeving bezwaren naar voren komen die mogelijk raken aan de inhoud van het wetsvoorstel. Ook vragen de leden van de commissie zich af wat de stand van zaken en planning van de onderliggende regeling is, mede in relatie tot de beoogde inwerkingtreding van 1 januari 2027. Klopt het dat op de onderliggende regelgeving een standstilltermijn van drie maanden van toepassing is? De leden van de commissie begrijpen dat de onderliggende regelgeving na de zomer wordt genotificeerd. Kan de regering een gedetailleerde planning geven, waarbij ook ingegaan wordt op de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn van minimaal twee maanden?

Het tijdspad om inwerkingtreding per 1 januari 2027 te halen is krap en afhankelijk van de snelheid van parlementaire behandeling, de advisering van de Raad van State op de AMvB en reactie van de Europese Commissie op de notificatie van onderliggende regelgeving. Op basis van de huidige stand van zaken acht de regering inwerkingtreding per 1 januari 2027 haalbaar.

De notificatieplicht van richtlijn (EU) 2015/1535 is een standaardprocedure van de Europese Commissie die geldt voor ontwerpen van regelgeving die mogelijk belemmeringen bevatten voor de interne markt. Deze zogenaamde technische voorschriften worden voorzien van een onderbouwing voorgelegd aan de Europese Commissie, ter beoordeling van de verenigbaarheid daarvan met de regels van de interne markt. In de notificatieprocedure van een eerder ontwerp van deze wet heeft de Europese Commissie een uitvoerig gemotiveerde mening (UGM) uitgebracht vanwege strijd met het vrij verkeer van goederen. In dat voorstel werd namelijk groen gas uitgesloten dat niet in Nederland is geproduceerd en ingevoed. In de formele reactie op de UGM heeft Nederland aangekondigd dat de belemmering zal worden opgeheven en ook zijn enkele andere technische voorschriften aangekondigd die Nederland uitwerkt in onderliggende regelgeving.

Op de notificatie van de lagere regelgeving is een standstill termijn van drie maanden van toepassing. Indien de Europese Commissie vragen heeft bij de AMvB of ministeriële regeling dan moeten deze worden beantwoord, maar leidt dit niet tot een verlenging van de standstill termijn. Wanneer de Europese Commissie of andere lidstaten een Uitvoerig Gemotiveerde Mening (UGM) indienen (hetgeen alleen betrekking mag hebben op opmerkingen over handelsbelemmeringen) dan wordt de standstill met drie maanden verlengd en is inwerkingtreding van de wet per 1 januari 2027 niet meer mogelijk. De AMvB en de ministeriële regeling geven uitvoering aan het wetsvoorstel. Daarom gaat de regering ervan uit dat de notificaties van de AMvB en de ministeriële regeling niet zullen leiden tot een UGM en dus niet tot aanpassingen van de wet- en regelgeving. Dit risico kan echter niet volledig worden uitgesloten.

Gegeven het krappe tijdspad is het voor de lagere regelgeving niet mogelijk om een minimuminvoeringstermijn van twee maanden te hanteren. Wel is en wordt doorlopend afgestemd met zowel producenten als energieleveranciers over de inhoud en planning van de wet- en regelgeving, zodat zij voldoende mogelijkheid hebben om zich hierop voor te bereiden.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om een actuele stand van zaken van de notificatieprocedure en om toe te lichten welke bezwaren of opmerkingen van de Europese Commissie nog juridisch relevant zijn. Kan de regering uitsluiten dat het wetsvoorstel of de lagere regelgeving later opnieuw moet worden aangepast vanwege Europese bezwaren?

De notificatieprocedure van het wetsvoorstel is afgerond. De lagere regelgeving wordt zeer binnenkort genotificeerd bij de Europese Commissie. Op de notificatie van de lagere regelgeving is een standstill termijn van drie maanden van toepassing. Indien de Europese Commissie vragen heeft bij de AMvB of ministeriële regeling dan moeten deze worden beantwoord, maar leidt dit niet tot een verlenging van de standstill termijn. Wanneer de Europese Commissie of andere lidstaten een Uitvoerig Gemotiveerde Mening (UGM) indienen (hetgeen alleen betrekking mag hebben op opmerkingen over handelsbelemmeringen) dan wordt de standstill met drie maanden verlengd en is inwerkingtreding van de wet per 1 januari 2027 niet meer mogelijk. De AMvB en de ministeriële regeling geven uitvoering aan het wetsvoorstel. Daarom gaat de regering ervan uit dat de notificaties van de AMvB en de ministeriële regeling niet zullen leiden tot een UGM en dus niet tot aanpassingen van de wet- en regelgeving. Dit risico kan echter niet volledig worden uitgesloten.

3.5. Internationale handelsbetrekkingen

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken of het primaire doel van de BMV het stimuleren van binnenlandse productie is of het realiseren van een volume groen gas ongeacht herkomst. Hoe voorkomt de regering dat goedkopere import Nederlandse investeringen verdringt en dat Nederlandse huishoudens betalen voor economische baten die vooral in het buitenland neerslaan?

Het doel van de bijmengverplichting is de beschikbaarheid van groen gas vergroten, wat bijdraagt aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem. Initieel was in de vormgeving van de bijmengverplichting een voorwaarde opgenomen dat alleen in Nederland geproduceerd groen gas kon worden gebruikt. Dat is echter door de Europese Commissie beoordeeld als zijnde in strijd met het vrije verkeer van goederen. De regering heeft hierop besloten deze voorwaarde te laten vallen, waarmee ook in de Europese Unie geproduceerd groen gas gebruikt kan worden om aan de bijmengverplichting te voldoen.

De bijmengverplichting is onderdeel van een breder beleidsinstrumentarium dat erop gericht is om specifiek de productie van groen gas in Nederland te stimuleren. Dit gebeurt met onder meer de SDE++, de DEI++ en inzet op flankerend beleid, zowel vanuit het energiedomein als vanuit het landbouwdomein.

De regering monitort de effecten van de bijmengverplichting en rapporteert hierover jaarlijks aan de Tweede Kamer. Uit die monitoring blijkt ook de oorsprong van het groen gas dat is ingezet binnen de bijmengverplichting. Uiteraard blijft het kabinet hierover ook in goed overleg met de sector.

Groen gas is bovendien niet alleen vanuit de productie belangrijk voor de Nederlandse transitie, maar bijvoorbeeld ook potentieel een belangrijke bron aan grondstoffen voor de groene chemie. Om die reden heeft Nederland ook belang bij de ontwikkeling van robuuste Europese ketens, naast eigen productie.

4. Gevolgen van de bijmengverplichting

4.1. Effecten van de bijmengverplichting voor producenten en afnemers

  1. De leden van de PVV-fractie lezen dat de bijmengverplichting naar verwachting zal zorgen voor een stijging in de energierekening voor afnemers in verband met de hogere kosten van groen gas. Zij vragen wat, concreet met cijfers onderbouwd, het effect van deze plannen op de (on)betaalbaarheid van energie (energiearmoede) is. Daarnaast vragen zij of de regering het met hen eens is dat (1) de energierekening reeds torenhoog en voor velen onbetaalbaar is, (2) een verdere stijging van de energierekening onacceptabel is en (3) de energierekening juist omláág moet.

Een betaalbare energierekening is belangrijk voor de regering. De bijmengverplichting is een klein onderdeel van de energierekening. Tegenover de meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

De ontwikkeling van de energierekening wordt jaarlijks gewogen als onderdeel van de koopkrachtbesluitvorming in augustus. Tegelijkertijd zet het kabinet in op structurele verlaging van de energierekening, onder meer door het beschikbaar stellen van subsidies, financiering en ondersteuning bij de verduurzaming van woningen. Dit flankerend beleid is geen onderdeel van dit wetsvoorstel.

De bijmengverplichting leidt volgens ramingen maximaal tot een kostenstijging van 1,5 cent per kuub gas (excl. btw) in 2027, oplopend naar maximaal 9 cent per kuub gas (excl. btw) vanaf 2031. In werkelijkheid liggen de verwachte meerkosten lager, door vraag-aanbod dynamiek in de handel in groen gas en GGE’s. Tegenover deze meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering uiteen te zetten welke concrete knelpunten voor producenten vóór 1 januari 2027 zijn opgelost. Hoeveel projecten lopen op dit moment vast op vergunningverlening, stikstofruimte, netcongestie of onvoldoende investeringszekerheid, en welke bijdrage verwacht de regering dat de BMV zelf levert aan het oplossen van deze knelpunten?

De beschikbare netcapaciteit, de stikstofruimte en de daarmee samenhangende vergunningverlening vormen op dit moment inderdaad een uitdaging voor verschillende ontwikkelingen binnen Nederland, ook voor de verdere opschaling van de productie van groen gas. De regering zet mede daarom in op het verbeteren van deze randvoorwaarden.

Eén van deze essentiële randvoorwaarden voor het opschalen van productie van groen gas is een sluitende business case. Al deze knelpunten moeten gelijktijdig worden aangepakt. De bijmengverplichting is een kosteneffectieve manier om de business case voor producenten te verbeteren en een essentieel onderdeel van het geheel aan beleidsmaatregelen en -interventies om groen gas te stimuleren.

Het opbouwpad van de bijmengverplichting is gebaseerd op analyses van de verwachte beschikbaarheid van groen gas in Nederland, waarin bestaande knelpunten en het wegnemen hiervan zijn meegewogen. Dit is afgestemd met de relevante sectorpartijen. In de eerste jaren passen de volumes binnen de bandbreedte van de huidige productiecapaciteit in Nederland. Bovendien heeft de regering recent een stikstofpakket gepresenteerd, waarmee perspectief ontstaat op meer stikstofruimte.

Op basis hiervan is de taxatie van de regering dat de te behalen opschaling door de bijmengverplichting haalbaar is. Daarbij tekent de regering wel aan dat dit soort ramingen een bepaalde onzekerheid bevatten en dat de groen gas markt in ontwikkeling is. Daarom houdt de regering vinger aan de pols en wordt de bijmengverplichting in 2029 geëvalueerd.

  1. Deze leden verzoeken de regering te onderbouwen waarom de BMV naar verwachting leidt tot extra binnenlandse productie en niet vooral tot hogere betalingsbereidheid, import of verschuiving van bestaande volumes. Welke objectieve criteria hanteert de regering om vast te stellen of de verplichting daadwerkelijk additionele productie in Nederland realiseert?

In de praktijk zijn er verschillende factoren die een rem zetten op de import van groen gas, zoals de eis dat groen gas binnen de bijmengverplichting moet zijn geproduceerd zonder exploitatiesubsidie, dat sommige landen export van gesubsidieerd groen gas verbieden (zoals Duitsland, Italië en Tsjechië) en dat verschillende Europese landen ook werken aan de introductie van een bijmengverplichting, waaronder Frankrijk, Duitsland en Ierland. Daarom is het niet op voorhand te zeggen in welke mate de verplichting ingevuld gaat worden met groen gas uit andere Europese landen.

Om in deze context investeringszekerheid te versterken creëert de regering specifiek voor Nederlandse producenten de mogelijkheid om maandelijks te wisselen tussen subsidiëring via de SDE++ of de bijmengverplichting. Daarmee vormt de SDE++ een vangnet voor Nederlandse producenten. Daarnaast zet de regering met de DEI++ en flankerend beleid, van zowel het energie- als landbouwdomein, in op het stimuleren van Nederlandse productie. De DEI++ is een investeringssubsidie en kan dus wel gecombineerd worden met de bijmengverplichting.

Marktpartijen geven aan, ondanks de openstelling voor buitenlands groen gas, nog steeds te verwachten dat Nederlands groen gas ingekocht gaat worden. Producenten geven daarbij aan te verwachten dat de bijmengverplichting een prikkel gaat leveren voor investeringen in productie-installaties in Nederland, onder andere omdat het binnen het landbouwdomein aantrekkelijker wordt om mestvergisting en mestverwerking te combineren ten behoeve van zowel de productie van groen gas als de reductie van methaan en stikstof.

De regering monitort de effecten van de bijmengverplichting en rapporteert hierover jaarlijks aan de Tweede Kamer. Uit die monitoring blijkt ook de oorsprong van het groen gas dat is ingezet binnen de bijmengverplichting. Uiteraard blijft het kabinet hierover in goed overleg met de sector.

  1. De leden van de SGP-fractie missen inzicht in de gevolgen van het voorliggende wetsvoorstel voor afnemers in het mkb. Kan de regering aangeven wat de bijmengverplichting betekent voor de energierekening van energie-intensieve bedrijven in het mkb?

In een onderzoek naar de impact van de bijmengverplichting heeft CE Delft berekend wat de bijmengverplichting maximaal aan meerkosten meebrengt voor verschillende sectoren.18 Daarbij heeft CE Delft ook gekeken naar de totale bedrijfskosten, aangezien energiekosten vaak een beperkte kostenpost is voor bedrijven. Afgezet naar het gemiddelde bedrijfsresultaat resulteert de prijsstijging door de bijmengverplichting in zeer beperkte meerkosten ten opzichte van de totale bedrijfskosten, in bijna alle sectoren bedraagt dit significant minder dan 0,1%, uitgaande van de maximale marktprijs voor groen gas, namelijk de waarde van de buy-out.

Uitzondering hierop is de glastuinbouwsector, voor deze sector stijgen de bedrijfskosten gemiddeld met 1,1% ten opzichte van de totale bedrijfskosten zoals berekend door CE Delft, wederom op basis van de maximale kosten. Specifiek voor die sector is de regering voornemens de sector te compenseren voor de meerkosten als gevolg van ETS2 en de bijmengverplichting groen gas, tot het CO2-tarief dat nodig is om het sectordoel in 2030 (4,3 Mton) te borgen. Hiermee wordt beoogd de impact van de bijmengverplichting op de glastuinbouwsector te mitigeren. Bij Prinsjesdag informeert de regering de Tweede Kamer hier verder over.

Als er alleen gekeken wordt naar de stijging van de energiekosten dan bedraagt deze volgens berekeningen van CE Delft 0-2% in het geval van een lage marktprijs voor groen gas en 2-8% in het geval van de maximale marktprijs voor groen gas (op basis van de buy-out), waarbij de variatie vooral afhankelijk is van het aandeel aardgas in de energiemix. Sommige sectoren gebruiken voornamelijk elektriciteit, terwijl anderen voornamelijk aardgas gebruiken.

Na afronding van het onderzoek van CE Delft heeft de regering besloten de omvang van de bijmengverplichting met 25% te verlagen, om de meerkosten te verlichten. Dat betekent dat de daadwerkelijke impact op de energierekening minder groot is dan zoals door CE Delft berekend.

  1. De leden van de SGP-fractie vragen aandacht voor de gevolgen van de bijmengverplichting voor glastuinbouwbedrijven. Deze kosten kunnen oplopen tot bijna 200 miljoen euro. Dat zijn aanzienlijke kostenstijgingen op bedrijfsniveau. Deze leden willen erop wijzen dat de sector al verschillende lastenverhogingen voor de kiezen krijgt. Is de veronderstelling juist dat Nederlandse glastuinbouwbedrijven met de voorgestelde lastenverzwaring een relatief hoge energierekening hebben ten opzichte van hun concurrenten in het buitenland? Deze leden willen erop wijzen dat de bijmengverplichting het gebruik van WKK’s in de glastuinbouw duurder maakt, terwijl deze WKK’s flexibel vermogen leveren die nodig is voor het balanceren van de elektriciteitsvoorziening. Het belang van deze bijdrage neemt eerder toe dan af. Hoe waardeert de regering in dit licht deze lastenverzwaring voor glastuinbouwbedrijven? Is de regering bereid de glastuinbouw uit te zonderen van de voorgestelde bijmengverplichting? Zo nee, waarom niet? Welke garanties kan de regering geven voor eventuele volwaardige compensatie van glastuinbouwbedrijven?

Net als in Nederland geldt in de buurlanden een veelheid aan belastingen, subsidies en kortingen op belastingen. In de reeds onderzochte landen is de netto-belastingdruk op energie in grote lijnen vergelijkbaar. Vooralsnog loopt Nederland voor in specifiek CO2-prijsbeleid voor de glastuinbouw, maar andere landen en regio’s volgen (Vlaanderen) of voeren meer generiek beleid dat vergelijkbare effecten heeft op de prijs van energie voor de glastuinbouwsector (Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk). Ten aanzien van ETS2 hebben tot nu toe Zweden, Finland en Oostenrijk gekozen voor een opt-in voor de glastuinbouw. België en Duitsland bereiden momenteel een ETS2 opt-in-besluit voor, waarbij inclusie van de glastuinbouw wordt overwogen. Het voornemen van Nederland om de glastuinbouw onder het ETS2 te brengen, vergroot de kans dat ook andere landen hiervoor zullen kiezen.

Zoals eerder aan de Kamer gemeld is het uitzonderen van de glastuinbouw van ETS2 (en dus de bijmengverplichting) niet uitvoerbaar.19 Daarbij zou zo'n beperking van de reikwijdte leiden tot een lastenstijging voor huishoudens (en kleine industrie, mkb, etc.), omdat een groot deel van de afname dan wegvalt, waardoor de lasten minder verdeeld kunnen worden. In plaats van het creëren van een uitzondering is de regering voornemens de sector te compenseren voor de meerkosten als gevolg van ETS2 en de bijmengverplichting groen gas, tot het CO2-tarief dat nodig is om het sectordoel in 2030 (4,3 Mton) te borgen. Hiermee wordt beoogd de impact van de bijmengverplichting op de glastuinbouwsector te mitigeren. Bij Prinsjesdag informeert de regering de Tweede Kamer hier verder over.

De inzet van WKK’s kan inderdaad bijdragen aan netcongestieverzachting door flexibele opwek en afname van elektriciteit en warmte. Voor de transitie naar een klimaatneutrale glastuinbouw (ambitie van de sector in 2040) is uiteindelijke afbouw van fossiele WKK’s van belang; in het eindbeeld kunnen WKK’s nodig zijn, bijv. voor netcongestie. In een dergelijk eindbeeld kunnen deze WKK’s vergroend ’worden door te draaien op waterstof of groen gas. In de tussentijd is er met het restemissiedoel van 4,3 Mton in 2030 nog uitstoot door de WKK’s voorzien en biedt het aanstaande capaciteitsmechanisme een prijs voor flexibele capaciteit.20 Hiermee werkt de regering aan generiek en effectief beleid voor netbalancering.

4.2. Klimaat- en milieueffecten en Sustainable Development Goals

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen wat het bredere systeemeffect zal zijn van de bijmengverplichting ten aanzien van het klimaat, wanneer de verplichting leidt tot ‘lock-in’ van de intensieve veehouderij. Deze leden wijzen erop dat de sector grote methaanemissies veroorzaakt en dat methaan een zeer krachtig broeikasgas is, tot 80 keer sterker dan CO2. Juist daarom moet beleid gericht zijn op het terugdringen van de bron, in plaats van op het verwaarden van mest.

Binnen de bijmengverplichting is mestvergisting een relatief aantrekkelijke route, omdat hiermee additionele methaanreductie behaald wordt waardoor de relatieve waarde van dit groen gas hoger is. Dat betekent niet dat voor een veehouder de business case van groengasproductie op zichzelf genoeg is om de kosten van het houden van meer vee te compenseren. De primaire business case blijft naar verwachting leidend voor de omvang van de hoeveelheid vee op een bedrijf en de totale veestapel in Nederland.

Wat hierbij een meer bepalende rol speelt is het landbouwbeleid in brede zin en het stikstofbeleid in specifieke zin. De bijmengverplichting groen gas is hierin volgend. Voor de bijmengverplichting is geen specifieke verhouding tussen bepaalde technieken of grondstoffen nodig. Er zijn voldoende andere biogene reststromen waarmee groen gas geproduceerd kan worden, dit hoeft geen mest te zijn.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen de regering uiteen te zetten wat de huidige staat van de bodem van landbouwgrond in Nederland is en welke trend hierin is te zien. Daarbij vragen deze leden naar de gevolgen van (grootschalige) mestvergisting voor de bodemkwaliteit in Nederland.

Meer dan ooit tevoren is er aandacht voor de gezondheid van de Nederlandse (landbouw)bodems. Onze landbouwbodems behoren nog steeds tot de meest productieve in de wereld, maar om dit zo te houden is die blijvende aandacht een vereiste. Daarom wordt sinds 2019 middels het Nationaal Programma Landbouwbodems ingezet op het duurzaam beheren van alle landbouwbodems en het vastleggen van extra CO2-equivalent in minerale landbouwbodems. Dat is niet altijd even makkelijk doordat uiteenlopende opgaven elkaar soms in de weg zitten. In dergelijke situaties wordt gezocht naar het optimum tussen de diverse opgaven. Zo wordt door het verdwijnen van de derogatie meer grasland omgezet naar bouwland. Daardoor neemt het gemiddelde organische stofgehalte in landbouwgronden af, maar neemt het gemiddelde voor bouwland juist toe omdat grasland een hoger organisch stofgehalte heeft dat niet zomaar is verdwenen. Ook de mestvergisting heeft een negatief effect op de hoeveelheid beschikbare organische stof voor landbouwbodems, maar het draagt wel bij aan een beter klimaat en een daarmee aan een gezondere leefomgeving. Zo werkt Nederland toch gestaag toe naar de doelstelling van de EU Bodemmonitoringsrichtlijn dat in 2050 alle bodems gezond moeten zijn.

4.3. Financiële effecten van de bijmengverplichting voor producenten en afnemers

  1. De leden van de D66-fractie lezen dat de bijmengverplichting kan leiden tot een hogere energierekening, met maximale meerkosten van naar schatting 90 euro per huishouden in 2031. Tegelijkertijd zullen de werkelijke kosten naar verwachting lager uitvallen, doordat de prijs van groen gas waarschijnlijk onder de maximale ‘buy-outprijs’ blijft en ook groen gas uit andere EU-lidstaten kan worden ingezet. Hoe borgt de regering dat de energierekening voor huishoudens betaalbaar blijft en dat de productie van groen gas gecontroleerd wordt opgeschaald, in lijn met de ontwikkeling van de vraag?

Een betaalbare energierekening is belangrijk voor de regering. De bijmengverplichting is een klein onderdeel van de energierekening. Tegenover de meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

De ontwikkeling van de energierekening wordt jaarlijks gewogen als onderdeel van de koopkrachtbesluitvorming in augustus. Tegelijkertijd zet de regering in op structurele verlaging van de energierekening, onder meer door het beschikbaar stellen van subsidies, financiering en ondersteuning bij de verduurzaming van woningen. Dit flankerend beleid is echter geen onderdeel van dit wetsvoorstel.

Met de bijmengverplichting kan de productie van groen gas gecontroleerd opgeschaald worden, omdat de bijmengverplichting per jaar een vaste hoeveelheid CO2-ketenemissiereductie vereist. Hiermee zal sprake zijn van een meer gecontroleerde groei in productie in vergelijking met techniekneutraal stimuleringsbeleid als de SDE++.

  1. De leden van de VVD-fractie kijken met enige zorgen naar de meerkosten voor producenten, en afnemers van groen gas. Kan de regering nader toelichten hoe zij tot de meerkosten voor energieleveranciers en huishoudens is gekomen? Op welke manier verwacht de regering dat de meerkostprijs van groen gas zich de komende jaren zal ontwikkelen? Welke randvoorwaarde zijn volgens de regering van belang om de meerkosten van groen gas zo laag mogelijk te houden? Een betaalbare energierekening is voor de VVD van groot belang. Hoe gaat de regering de betaalbaarheid van de energierekening van huishoudens borgen als de bijmengverplichting wordt ingevoerd?

De maximale meerkosten zijn berekend op basis van de omvang van de bijmengverplichting en de hoogte van de buy-out prijs. De verwachting is dat door extra vraag en productie van groen gas, de prijs van groen gas de komende jaren zal dalen. Door de openstelling van de bijmengverplichting voor buitenlands groen gas is er bovendien meer aanbod, wat naar verwachting de prijs verder zal drukken.

Een betaalbare energierekening is belangrijk voor de regering. De bijmengverplichting is een klein onderdeel van de energierekening. Tegenover de meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

De ontwikkeling van de energierekening wordt jaarlijks gewogen als onderdeel van de koopkrachtbesluitvorming in augustus. Tegelijkertijd zet de regering in op structurele verlaging van de energierekening, onder meer door het beschikbaar stellen van subsidies, financiering en ondersteuning bij de verduurzaming van woningen. Dit flankerend beleid is geen onderdeel van dit wetsvoorstel.

  1. Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat het voorliggende wetsvoorstel met name voor kleine installaties kan leiden tot mogelijke extra administratieve lasten. Heeft de regering overwogen om de administratieve lasten en extra regeldruk voor kleine installaties te verlagen?

Voor alle groengas-installaties gelden in beginsel dezelfde duurzaamheidscriteria uit de REDIII. Binnen de voorwaarden van de SDE++ worden kleine installaties uitgezonderd van de duurzaamheidscriteria uit de REDIII. Deze uitzondering bestaat echter niet binnen de brandstoftransitieverplichting en het ETS. Kleine installaties die groen gas binnen die markten willen afzetten moeten daarom nu al aan de duurzaamheids- en emissiereductiecriteria van de richtlijn hernieuwbare energie voldoen. De bijmengverplichting sluit hierbij aan. Door aan te sluiten bij het bestaande systeem van GvO’s en certificering worden de administratieve lasten zoveel als mogelijk beperkt.

  1. De leden van de PRO-fractie lezen dat de bijmengverplichting is gekoppeld aan de doelgroep van ETS2, waardoor de lasten over een bredere groep afnemers worden gespreid. Tegelijkertijd zullen de meerkosten van de energierekening nog steeds zwaarder drukken op huishoudens die niet gemakkelijk van het gas af kunnen, zoals huurders en bewoners van monumentale panden. Welke concrete maatregelen overweegt de regering om deze huishoudens te ontzien, bijvoorbeeld via gerichte ondersteuning?

Een betaalbare energierekening is belangrijk voor de regering. De bijmengverplichting is een klein onderdeel van de energierekening. Tegenover de meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

De ontwikkeling van de energierekening wordt jaarlijks gewogen als onderdeel van de koopkrachtbesluitvorming in augustus. Tegelijkertijd zet de regering in op structurele verlaging van de energierekening, onder meer door het beschikbaar stellen van subsidies, financiering en ondersteuning bij de verduurzaming van woningen. Hierbij wordt ook specifiek ingezet op maatregelen om huishoudens die niet gemakkelijk van het gas af kunnen te ondersteunen. Dit flankerend beleid is geen onderdeel van dit wetsvoorstel.

  1. De leden van de PRO-fractie hebben daarnaast vragen over de bestemming van de opbrengsten van de ‘buy-out’. De regering geeft aan dat deze middelen terugvloeien naar de schatkist en dat het huidige begrotingsbeleid geen ruimte biedt om deze inkomsten direct in te zetten voor compensatie van de energierekening. Waarom niet? Is de regering bereid om te verkennen of oormerking van deze middelen mogelijk is?

Binnen de begrotingsregels van de regering is afgesproken dat er een scheiding tussen inkomsten en uitgaven is, om trendmatig begrotingsbeleid te voeren. De regering is niet bereid om in het kader van de bijmengverplichting hiervan af te wijken. Hiernaast is het niet de verwachting dat het aantrekkelijk is voor leveranciers grootschalig gebruik te maken van de buy-out, omdat deze hoger ligt dan de verwachte marktprijs voor groen gas, en kan de mate waarin dit gebeurt van jaar tot jaar verschillen. Daardoor zouden de eventuele opbrengsten zich ook niet lenen als stabiele dekking voor een gerichte compensatie.

  1. De leden van de PRO-fractie vragen of de regering, gegeven de opeenstapeling van kostenverhogende factoren voor de energierekening (de bijmengverplichting, de stijgende nettarieven en de invoering van ETS2) bereid is een integrale doorrekening van deze cumulatieve effecten aan de Kamer te sturen, specifiek voor de laagste inkomensgroepen, vóór het moment waarop de bijmengverplichting daadwerkelijk in werking treedt. Is de regering daarnaast bereid de voorziene evaluatie van de hoogte van de ‘buy-out’, nu voorzien voor uiterlijk 2029, te vervroegen indien de meerkosten voor huishoudens sneller oplopen dan nu geraamd?

De regering onderschrijft het belang van een integrale analyse van de cumulatieve effecten van nationale en Europese klimaat- en energiemaatregelen op de energierekening van huishoudens en bedrijven, die inzichtelijk maakt aan welke knoppen er kan worden gedraaid om de energierekening betaalbaar te houden. Hier wordt momenteel aan gewerkt, zoals ook verzocht in de motie Jumelet-Van den Berg21.

De Tweede Kamer ontvangt bij de Miljoenennota 2027 al een aantal partiële analyses van de ontwikkeling van de energierekening van huishoudens en bedrijven op de korte termijn. Deze publicaties zullen ook worden voorzien van reflecties door de regering op de getoonde ontwikkelingen. Zie voor een overzicht de beantwoording van vraag 57.

De regering werkt ondertussen ook aan integrale analyses met een doorkijk over de volledige energietransitieperiode (tot 2050). Dit is onderdeel van het kennisprogramma Energietransitie Integraal Kostenbeeld (EIK), een samenwerking van CBS, CPB, PBL, RVO, TNO en EZK. Op 18 mei jl. zijn daarvan het startrapport en het werkprogramma gepubliceerd.22 Het ministerie van EZK is nauw betrokken bij de uitvoering van dit programma en zal daarbij inzetten op tijdige en volledige analyses en de inzichten daaruit delen met de Kamer.

De ontwikkeling van de energierekening wordt jaarlijks gewogen als onderdeel van de koopkrachtbesluitvorming in augustus. Bij de evaluatie van de bijmengverplichting in 2029 zullen ook de meerkosten voor huishoudens en bedrijven betrokken worden. In 2029 is er naar verwachting voldoende data beschikbaar om de evaluatie uit te voeren. De nu geraamde meerkosten zijn gebaseerd op de hoogte van de buy-out. Dat betekent dat in die raming uitgegaan wordt dat de verplichting volledig wordt gevuld met de buy-out. Dat is een onrealistisch scenario, omdat groen gas onder de buy-out prijs voldoende beschikbaar is. De buy-out fungeert als een plafond op de prijs van groen gas in de bijmengverplichting, op die manier zijn de meerkosten gemaximeerd.

  1. De leden van de CDA-fractie vragen ook aandacht voor de gevolgen van de bijmengverplichting voor de betaalbaarheid van de energierekening van huishoudens en bedrijven. In de memorie van toelichting wordt erkend dat de kosten van de bijmengverplichting naar verwachting zullen worden doorberekend aan afnemers, maar bevat slechts een globale inschatting van de gevolgen voor een gemiddeld huishouden. Een nadere analyse van de effecten voor verschillende typen huishoudens en bedrijven ontbreekt. Deze leden vragen daarom of de regering de verwachte gevolgen voor de energierekening nader kan uitsplitsen naar verschillende huishoudtypen, inkomensgroepen, woningtypen en gasverbruiksprofielen, alsmede naar verschillende sectoren en typen bedrijven, waaronder het mkb, de glastuinbouw, de industrie en andere gasintensieve sectoren.

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast nadrukkelijk aandacht voor de stapeling van effecten van klimaat- en energiemaatregelen op de energierekening. Huishoudens en bedrijven worden de komende jaren niet alleen geconfronteerd met de gevolgen van de bijmengverplichting groen gas, maar ook met andere ontwikkelingen die invloed hebben op de energierekening, waaronder de invoering van ETS2, stijgende netbeheerkosten en aanpassingen in energiebelastingen. Juist de cumulatie van deze maatregelen bepaalt uiteindelijk de betaalbaarheid voor huishoudens en de concurrentiepositie van bedrijven. In dat verband wijzen deze leden op de recent aangenomen gewijzigde motie-Jumelet c.s. waarin de regering wordt verzocht periodiek inzicht te geven in de cumulatieve effecten van klimaat- en energiemaatregelen op de energierekening van huishoudens en bedrijven (Kamerstuk 29023, nr. 704). Kan de regering toezeggen dat jaarlijks inzichtelijk wordt gemaakt welk deel van de ontwikkeling van de energierekening samenhangt met de bijmengverplichting, zo vragen deze leden.

De regering onderschrijft het belang van een integrale analyse van de cumulatieve effecten van nationale en Europese klimaat- en energiemaatregelen op de energierekening van huishoudens en bedrijven, die inzichtelijk maakt aan welke knoppen er kan worden gedraaid om de energierekening betaalbaar te houden. Hier wordt momenteel aan gewerkt, zoals ook verzocht in de motie Jumelet-Van den Berg23.

De Kamer ontvangt bij de Miljoenennota 2027 een aantal partiële analyses van de ontwikkeling van de energierekening van huishoudens en bedrijven op de korte termijn. Hierin wordt ook onderscheid gemaakt naar type huishoudens. Zie voor een overzicht de beantwoording van vraag 57. Deze publicaties zullen ook worden voorzien van reflecties door de regering op de getoonde ontwikkelingen. Hierin wordt ook inzicht gegeven in het aandeel van de bijmengverplichting ten opzichte van de totale energierekening.

Specifiek ten aanzien van de meerkosten als gevolg van de bijmengverplichting, heeft CE Delft de impact in kaart gebracht voor verschillende sectoren.24 Afhankelijk van het type sector stijgen de energiekosten als gevolg van de bijmengverplichting in dit onderzoek met ongeveer 2 tot 8%. Uitzondering hierop is de glastuinbouwsector, specifiek voor die sector is de regering voornemens te compenseren voor de meerkosten als gevolg van ETS2 en de bijmengverplichting groen gas, tot het CO2-tarief dat nodig is om het sectordoel in 2030 (4,3 Mton) te borgen. Hiermee wordt beoogd de impact van de bijmengverplichting op de glastuinbouwsector te mitigeren. Bij Prinsjesdag informeert de regering de Tweede Kamer hier verder over.

Voor huishoudens is de impact van de bijmengverplichting nog minder groot, indien de woning goed is geïsoleerd en/of een (hybride) warmtepomp is geïnstalleerd. De regering zet er middels subsidies, financiering en ondersteuning bij de verduurzaming van woningen op in om de energierekening structureel te verlagen. Dit flankerend beleid is geen onderdeel van dit wetsvoorstel.

  1. Voorts vragen de leden van de CDA-fractie op welke wijze de regering wil sturen op de betaalbaarheid indien blijkt dat de stapeling van maatregelen leidt tot hogere lasten dan voorzien. Is de regering bereid vooraf duidelijk te maken welke indicatoren, signaleringswaarden of beoordelingscriteria worden gehanteerd om vast te stellen wanneer de betaalbaarheid voor huishoudens of specifieke sectoren te veel onder druk komt te staan? Welke handelingsopties ziet de regering in dat geval in de vorm van flankerend beleid? Tot slot vragen deze leden of de regering kan toezeggen dat de evaluatie van de Wet bijmengverplichting groen gas niet alleen zal ingaan op de gerealiseerde productie van groen gas en de behaalde klimaatwinst, maar ook expliciet op de betaalbaarheid voor huishoudens en bedrijven, de verdeling van de lasten over verschillende groepen afnemers en de samenloop met andere klimaat- en energiegerelateerde lastenontwikkelingen.

De regering is voornemens de bijmengverplichting te evalueren in 2029. De evaluatie zal ook ingaan op de meerkosten voor huishoudens en bedrijven als gevolg van de bijmengverplichting. De bijmengverplichting is een klein onderdeel van de energierekening. Het is daarom belangrijk om de bijmengverplichting in het totaal van de energierekening te blijven bezien. Tegenover de meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

De regering werkt aan verschillende analyses omtrent de ontwikkeling van de energierekening op de relatief korte termijn, en een doorkijk over de volledige energietransitie tot 2050, zoals ook gevraagd in de motie Jumelet-Van den Berg.25 In deze studies wordt de impact van de bijmengverplichting op de energierekening meegenomen.

Daarnaast wordt de ontwikkeling van de energierekening jaarlijks gewogen als onderdeel van de koopkrachtbesluitvorming in augustus. Tevens zet de regering in op structurele verlaging van de energierekening, onder meer door het beschikbaar stellen van subsidies, financiering en ondersteuning bij de verduurzaming van woningen. Dit flankerend beleid is geen onderdeel van dit wetsvoorstel.

  1. De leden van de CDA-fractie merken op dat de bijmengverplichting groen gas ingrijpende gevolgen heeft voor de glastuinbouwsector. In combinatie met de ETS2-opt-in leidt deze tot hogere energielasten dan voor concurrerende telers in andere Europese lidstaten, waardoor de concurrentiepositie van de Nederlandse glastuinbouw verder onder druk komt te staan. Het kabinet heeft toegezegd deze extra lasten volledig te compenseren, maar er bestaan zorgen of de voorgestelde regeling daarvoor toereikend is. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe zij voorkomt dat de combinatie van de ETS2-‘opt-in’ en de bijmengverplichting groen gas de concurrentiepositie van de Nederlandse glastuinbouw verder verslechtert ten opzichte van buitenlandse concurrenten. Wat is de huidige stand van zaken van de gesprekken met de sector over een volledige en uitvoerbare compensatieregeling? Deze leden vragen in hoeverre er zicht is op een oplossing waar zowel de glastuinbouw als de regering mee uit de voeten kan.

In een onderzoek van CE Delft26 naar de impact van de bijmengverplichting op verschillende sectoren is berekend dat de warmteprijs in de glastuinbouw kan stijgen met gemiddeld 9% tot 28%. Deze berekening is gemaakt voordat de omvang van de bijmengverplichting met 25% is verlaagd, de raming van de meerkosten voor warmte daalt dus ook met ongeveer 25%. De impact is het grootst voor grootverbruikers met een WKK en het kleinst voor kleinere bedrijven met een gasketel. Afgezet tegen bedrijfsresultaten komt CE Delft in de berekeningen uit op maximaal 8% tot 8,5% extra kosten. Inclusief de reductie van 25% zou dit richting de 6% extra kosten gaan.

Deze meerkosten hoeven niet te resulteren in een verslechtering van de concurrentiepositie. Net als in Nederland geldt in de buurlanden een veelheid aan belastingen, subsidies en kortingen op belastingen. In een aantal onderzochte landen (België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, VK, Polen) is de netto-belastingdruk op energie in de glastuinbouw in grote lijnen vergelijkbaar.27 Vooralsnog loopt Nederland voor in specifiek CO2-prijsbeleid voor de glastuinbouw, maar andere landen en regio’s volgen (Vlaanderen) of voeren meer generiek beleid dat vergelijkbare effecten heeft op de prijs van energie voor de glastuinbouwsector (Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk).

Vanwege het belang van een concurrerende glastuinbouwsector in Nederland, is de regering voornemens de sector te compenseren voor de meerkosten als gevolg van ETS2 en de bijmengverplichting groen gas, tot het CO2-tarief dat nodig is om het sectordoel in 2030 (4,3 Mton) te borgen. Hiermee wordt beoogd de impact van de bijmengverplichting op de glastuinbouwsector te mitigeren. Bij Prinsjesdag informeert de regering de Tweede Kamer hier verder over.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering de kostenraming voor huishoudens en ondernemers te actualiseren. Welke aannames hanteert de regering over de prijs van groen gas, de beschikbaarheid van GGE’s, de inzet van de buy-out en de mate waarin leveranciers kosten doorberekenen aan eindgebruikers?

De maximale meerkosten zijn berekend op basis van de omvang van de bijmengverplichting en de hoogte van de buy-out prijs. Dit zouden dus de meerkosten zijn als alle energieleveranciers voor de volledige verplichting gebruik maken van de buy-out, dat is onrealistisch. In werkelijkheid zal de prijs onder het niveau van de buy-out liggen, omdat er voldoende groen gas beschikbaar is om aan de bijmengverplichting te voldoen en de huidige prijs onder de buy-out ligt.

Tegenover de meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken om te beoordelen hoe de BMV uitwerkt voor de glastuinbouw en andere energie-intensieve mkb-sectoren. Is onderzocht bij welke lastenstijging Nederlandse bedrijven hun concurrentiepositie verliezen ten opzichte van buitenlandse concurrenten die niet met dezelfde nationale kosten worden geconfronteerd?

In een onderzoek naar de impact van de bijmengverplichting heeft CE Delft berekend wat de bijmengverplichting maximaal aan meerkosten meebrengt voor verschillende sectoren.28

Afhankelijk van het type sector stijgen de energiekosten als gevolg van de bijmengverplichting in dit onderzoek met maximaal 2% tot 8%. Afgezet naar het bedrijfsresultaat resulteert deze prijsstijging in zeer beperkte meerkosten ten opzichte van de totale bedrijfskosten, in bijna alle sectoren bedraagt dit significant minder dan 0,1%. Na afronding van het onderzoek van CE Delft heeft de regering besloten de omvang van de bijmengverplichting met 25% te verlagen, om de meerkosten te verlichten. Dat betekent dat de daadwerkelijke impact op de energierekening minder groot is dan zoals door CE Delft berekend.

In een onderzoek van CE Delft29 naar de impact van de bijmengverplichting op verschillende sectoren is berekend dat de warmteprijs in de glastuinbouw kan stijgen met gemiddeld 9% tot 28%. Deze berekening is gemaakt voordat de omvang van de bijmengverplichting met 25% is verlaagd, de raming van de meerkosten voor warmte zullen dus ook met ongeveer 25% dalen. De impact is het grootst voor grootverbruikers met een WKK en het kleinst voor kleinere bedrijven met een gasketel. Afgezet tegen bedrijfsresultaten komt CE Delft in de berekeningen uit op maximaal 8% tot 8,5% extra kosten. Rekening houdend met de reductie van de hoogte van de verplichting met 25%, zou deze richting de 6% extra meerkosten gaan.

Deze meerkosten hoeven niet te resulteren in een verslechtering van de concurrentiepositie. Net als in Nederland geldt in de buurlanden een veelheid aan belastingen, subsidies en kortingen op belastingen. In een aantal onderzochte landen (België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, VK, Polen) is de netto-belastingdruk op energie in de glastuinbouw in grote lijnen vergelijkbaar.30 Vooralsnog loopt Nederland voor in specifiek CO2-prijsbeleid voor de glastuinbouw, maar andere landen en regio’s volgen (Vlaanderen) of voeren meer generiek beleid dat vergelijkbare effecten heeft op de prijs van energie voor de glastuinbouwsector (Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk).

4.4. Regeldrukeffecten

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te actualiseren welke administratieve lasten en compliancekosten de BMV veroorzaakt voor energieleveranciers, producenten en uitvoeringsinstanties. Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid over invoering en lagere regelgeving al in 2026 leidt tot risicopremies in energiecontracten voor 2027?

De regeldrukeffecten van de bijmengverplichting slaan in hoofdzaak neer bij energieleveranciers, omdat de plicht tot bijmenging van groen gas op hen rust. De verwachte administratieve lasten voor energieleveranciers zijn opgenomen in onderdeel 5.4. van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel en in de bedrijfseffectentoets zoals meegestuurd met de consultatie van de AMvB. De administratieve lasten van de betrokken partijen worden zoveel mogelijk beperkt, door aan te sluiten bij bestaande systemen als ETS2, GvO’s en certificering onder vrijwillige systemen als bedoeld in artikel 30 van de REDIII. De verwachte gemiddelde administratieve lasten voor energieleveranciers zijn ca. 7.200 euro aan eenmalige kosten en 21.000 euro aan structurele kosten per jaar.

De NEa is verantwoordelijk voor de uitvoering en handhaving van de bijmengverplichting. De NEa heeft hiervoor circa 3 miljoen euro per jaar gereserveerd. In de praktijk moet blijken hoeveel capaciteit exact nodig is voor de uitvoering van de taken, het ministerie en de NEa zullen hier bij stil staan in het kader van de reguliere begrotingscyclus.

Risicopremies door onzekerheid over invoering in 2027 zijn niet volledig uit te sluiten. Uiteindelijk is het namelijk aan de energieleverancier zelf om de inkoopstrategie en doorberekening in contracten vorm te geven. Hierbij gaat het in 2027 nog om lage bedragen, omdat het verplichtingsniveau beperkt is in het begin van de bijmengverplichting. Het is toegestaan om de levering van groen gas asymmetrisch plaats te laten vinden, dus om groen gas bijvoorbeeld pas in te prijzen in contracten die halverwege het kalenderjaar ingaan. De ACM houdt toezicht op de redelijkheid van de tarieven.

Hoewel de regering begrijpt dat het omgaan met de onduidelijkheid in aanloop naar de bijmengverplichting een uitdaging kan zijn, is de regering wel van mening dat energieleveranciers hier voldoende geëquipeerd voor zijn en dat voldoende mitigerende maatregelen worden geboden, zoals een buy-out optie. Ook hebben energieleveranciers ruimschoots de tijd gehad om op de bijmengverplichting te anticiperen, bijvoorbeeld via hun risicomanagement. De regering vindt dat het voordeel van tijdige invoering in 2027 daarom opweegt tegen de nadelen voortkomend uit de huidige krappe tijdslijn richting 2027, en streeft naar zo snel mogelijke inwerkingtreding. Dat biedt bovendien de meeste duidelijkheid richting energieleveranciers.

5. Uitvoering

5.1. Uitvoering door de NEa

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te bevestigen dat de NEa per 1 januari 2027 volledig is toegerust om de BMV uit te voeren en te controleren. Beschikt de NEa op dat moment over voldoende capaciteit en juridische grondslagen om ook ketenemissiereductie en geïmporteerd groen gas effectief te controleren?

De NEa ziet nu geen knelpunten met betrekking tot personele capaciteit. Voor deze nieuwe taak zal de NEa werven voor extra capaciteit en het binnenhalen van relevante kennis. Tot nu toe blijkt de NEa, ook met de huidige arbeidsmarkt, goed in staat om bij uitbreiding van haar taken voldoende talent aan te trekken. Hierbij speelt wel de grote toename van taken voor de NEa. Het bestuur van de NEa houdt bij het accepteren van nieuwe taken zoveel mogelijk rekening met de groeicapaciteit van de organisatie.

In de bijmengverplichting is borging, toezicht en handhaving van duurzaamheid van groen gas een samenspel van (private) certificering en audits en (publiek) toezicht aangevuld met handhaving. Voor het private toezicht wordt aangesloten bij de Europese systematiek van duurzaamheidsborging van biogrondstoffen, vloeibare biomassa, biobrandstoffen en biomassabrandstoffen, zoals vastgelegd in de Europese richtlijn hernieuwbare energie (hierna: REDIII). Dit betekent dat marktdeelnemers via certificering kunnen aantonen dat ze hun processen zo inrichten dat ze kunnen aantonen te voldoen aan de Europese duurzaamheidscriteria en de emissieberekeningen correct kunnen uitvoeren. Producenten, energieleveranciers en tussenliggende partijen moeten binnen de bijmengverplichting gecertificeerd zijn. Bij een gecertificeerde marktdeelnemer vindt periodiek een audit plaats door het certificeringsorgaan (CBI), om te controleren of nog voldaan wordt aan de eisen van het duurzaamheidsschema, en om de certificering te verlengen. Dit is inclusief de controle of de emissieberekeningen correct worden uitgevoerd. Lidstaten zijn conform de REDIII belast met het toezicht op CBI’s, dit is in Nederland ondergebracht bij de NEa.

De lidstaat kan tegen vermoedelijke fraude ten aanzien van de hoogte van de broeikasgasemissiereductie optreden door een melding te doen bij het desbetreffende duurzaamheidsysteem of vrijwillig systeem waarvoor de desbetreffende schakel in de keten is gecertificeerd. Daarnaast kan de lidstaat dit bij de Europese Commissie melden, die naar aanleiding hiervan tot maatregelen kan besluiten.

Aanvullend op het toezicht op de certificeringsorganen, houdt de NEa binnen Nederland toezicht op de gecertificeerde schakels in de keten. De NEa voert het toezicht risicogericht uit, om zo prioriteit te geven aan de grootste risico’s, naast het controleren bij lagere risico’s om blinde vlekken te voorkomen. Hierbij kan de NEa samenwerken met andere toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) of omgevingsdiensten. Voor de additionele taken die voortvloeien uit de bijmengverplichting zal de NEa extra capaciteit werven.

Voor de uitvoering is het GGE-register belangrijk, de NEa heeft na publicatie van de regelgeving drie maanden nodig om dit register af te ronden. Hierbij geldt dat het voor de algehele systematiek niet uitmaakt of dit register al bij de inwerkingtreding van de wet operationeel is, aangezien het eerste nalevingsjaar pas na het eerste kwartaal van 2028 afgesloten wordt.

5.2. Uitvoering door VertiCer

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering aan te geven welke afhankelijkheden bestaan tussen producenten, VertiCer, NEa en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) bij het tijdig opleveren van gegevens. Kan de regering garanderen dat voorlopige opgaven, jaarrapportages, definitieve GvO’s en afboekingen tijdig beschikbaar zijn voor de nalevingscyclus?

Het systeem voor het registeren en verhandelen van GvO’s is gebaseerd op staande praktijk en op dat gebied worden geen problemen verwacht voor de nalevingscyclus. Producenten kunnen bij de productie gebruik maken van de SDE++-subsidie indien zij een beschikking hebben, RVO voert de SDE++ uit. In de bijmengverplichting wordt aangesloten bij de bestaande systematiek van GvO’s. Dat betekent dat producenten via VertiCer GvO’s kunnen ontvangen en verhandelen. Hiervoor leveren zij maandelijks en jaarlijks een rapportage met gegevens aan, waaronder over of bij de productie van het groen gebruik is gemaakt van SDE++-subsidie. GvO’s voor groen gas dat is geproduceerd met SDE++-subsidie kunnen niet worden ingezet onder de bijmengverplichting.

De bijmengverplichting rust op energieleveranciers. Energieleveranciers hebben een rekening bij VertiCer. Indien zij groen gas aankopen waarvoor namens een lidstaat een GvO is afgegeven aan de producent, komt de GvO op hun rekening te staan. Indien een leverancier een GvO wil inzetten voor de bijmengverplichting, dan boekt die de GvO over op de NEa-rekening in VertiCer. Daarna kunnen ze het groen gas inboeken in het GGE-register van de NEa. Indien aan alle voorwaarden van de bijmengverplichting is voldaan, schrijft de NEa een GGE bij op de rekening van de betreffende energieleverancier in het GGE-register. Als VertiCer achteraf een correctie doorvoert op de uitgegeven GvO’s, dan leidt dit tot een correctie op de VertiCer-rekening, maar niet tot een correctie van GGE’s. Dit is reeds staande praktijk waarmee de nalevingscyclus van GvO’s en GGE’s voldoende is geborgd.

  1. De leden van de PvdD-fractie verzoeken de regering nader in te gaan op de rol van VertiCer en de betrouwbaarheid van de registratie- en certificeringssystematiek. Deze leden vragen of de regering kan garanderen dat de keten voldoende transparant is om ‘lock-in’, dubbeltelling en onwenselijke prikkels te voorkomen.

VertiCer is in Nederland verantwoordelijk voor de uitgifte van GvO’s en faciliteert overdracht en afboeking van GvO’s. Deze taken worden binnen het daarvoor geldende Nederlandse en Europese wettelijke kader uitgevoerd. De registratie- en certificeringssystematiek is erop gericht om de herkomst van hernieuwbare energie transparant en controleerbaar vast te leggen en dubbeltelling van hernieuwbare energie te voorkomen. GvO’s worden elektronisch geregistreerd en kunnen slechts eenmaal worden gebruikt voor een hernieuwbaarheidsclaim: na gebruik worden zij afgeboekt. Deze systematiek beperkt de risico’s op dubbeltelling, fraude en onjuiste claims. In de beantwoording van vraag 85 wordt nader ingegaan op de inrichting van het certificeringsstelsel.

  1. De leden van de PvdD-fractie wijzen op eerdere fraude-incidenten rond biobrandstoffen en mestvergisters. Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat een vergelijkbaar risico bij de productie van groen gas wordt voorkomen?

Frauderisico’s kunnen nooit volledig worden uitgesloten. De combinatie van een GvO, bewijs van duurzaamheid en het Europees geborgde toezicht vormt in de basis een voldoende robuust en traceerbaar systeem waarmee de hernieuwbare oorsprong, de duurzaamheid en de broeikasgasemissiereductie kan worden aangetoond. De regering en de NEa zetten zich doorlopend in voor versterking van toezicht binnen het Europese kader.

In de bijmengverplichting is borging, toezicht en handhaving van duurzaamheid van groen gas een samenspel van (private) certificering en audits en (publiek) toezicht aangevuld met handhaving. Voor het private toezicht wordt aangesloten bij de Europese systematiek van duurzaamheidsborging van biogrondstoffen, vloeibare biomassa, biobrandstoffen en biomassabrandstoffen, zoals vastgelegd in de REDIII. Dit betekent dat marktdeelnemers via certificering kunnen aantonen dat ze hun processen zo inrichten dat ze kunnen aantonen te voldoen aan de Europese duurzaamheidscriteria en de emissieberekeningen correct kunnen uitvoeren. Producenten, energieleveranciers en tussenliggende partijen moeten binnen de bijmengverplichting gecertificeerd zijn. Bij een gecertificeerde marktdeelnemer vindt periodiek een audit plaats door het certificeringsorgaan (CBI), om te controleren of nog voldaan wordt aan de eisen van het duurzaamheidsschema, en om de certificering te verlengen. Dit is inclusief de controle of de emissieberekeningen correct worden uitgevoerd. Lidstaten zijn conform de REDIII belast met het toezicht op CBI’s, dit is in Nederland ondergebracht bij de NEa.

De lidstaat kan tegen vermoedelijke fraude ten aanzien van de hoogte van de broeikasgasemissiereductie optreden door een melding te doen bij het desbetreffende duurzaamheidsysteem of vrijwillig systeem waarvoor de desbetreffende schakel in de keten is gecertificeerd. Daarnaast kan de lidstaat dit bij de Europese Commissie melden, die naar aanleiding hiervan tot maatregelen kan besluiten.

Aanvullend op het toezicht op de certificeringsorganen, houdt de NEa binnen Nederland toezicht op de gecertificeerde schakels in de keten. De NEa voert het toezicht risicogericht uit, om zo prioriteit te geven aan de grootste risico’s, naast het controleren bij lagere risico’s om blinde vlekken te voorkomen. Hierbij kan de NEa samenwerken met andere toezichthouders, zoals de NVWA, ILT of omgevingsdiensten.

5.3. Uitvoering in het kader van wisselen tussen de bijmengverplichting en subsidiering

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken hoe de BMV zich verhoudt tot de SDE++ en het verbod op stapeling. Welk deel van de huidige en toekomstige groen-gasproductie blijft naar verwachting onder SDE++ vallen en is daardoor niet beschikbaar voor de BMV, en is overwogen de SDE++ eerst zodanig aan te passen dat productie daadwerkelijk kan groeien? Wat zal de regering doen als door de SDE++ het aanbod groen gas voor de BMV te laag blijft?

Wanneer de bijmengverplichting van kracht is kunnen groengasproducenten maandelijks kiezen om hun groen gas onder de bijmengverplichting te leveren of gebruik te maken van hun SDE++-subsidie. Op de GvO die VertiCer uitgeeft wordt opgenomen of voor het groen gas subsidie is betaald. De NEa controleert bij de inboeking vervolgens de gegevens op de GvO, zo wordt stapeling van subsidie en de bijmengverplichting voorkomen.

Producenten zullen geen gebruik maken van de SDE++ wanneer zij verwachten dat hun inkomsten bij inzet voor de bijmengverplichting hoger zijn dan het beschikte SDE++-basisbedrag. In hoeverre groengasproducenten ervoor zullen kiezen om groen gas via de SDE++ in te zetten of onder de bijmengverplichting te laten vallen is aan producenten zelf. Doordat de SDE++ langetermijnzekerheid biedt aan ondernemers, dalen de financieringskosten en dus de onrendabele top. De zekerheid die de SDE++ biedt verlaagt op deze manier mogelijk de prijs van groen gas, zelfs in de maanden waarin een ondernemer kiest voor inzet voor de bijmengverplichting in plaats van subsidie via de SDE++.

Een aanpassing van de SDE++ is overwogen als alternatief voor de bijmengverplichting. De SDE++ is in de afgelopen jaren al een aantal keer geoptimaliseerd voor groen gas. Om de benodigde effectiviteit te bereiken via de SDE++ zou vergaande aanpassing nodig zijn, zoals een apart en aanvullend budget, meer verschillende categorieën en bedragen die dynamisch meebewegen met de biogrondstoffenmarkt. Dit past niet binnen de vormgeving en systematiek van de SDE++.

Gegeven de omvang van de bijmengverplichting is de verwachting dat er voldoende groen gas beschikbaar is om aan de verplichting te kunnen voldoen. Bij de beoogde evaluatie in 2029 zal de regering in kaart brengen wat de ontwikkeling is in de binnenlandse productie en mede op basis daarvan bezien in hoeverre aanpassing van de bijmengverplichting nodig is.

6. Toezicht en handhaving

6.1. Toezicht op ketenemissiereductie

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering nader toe te lichten hoe de NEa de opgegeven CO2-equivalent-ketenemissiereductie controleert, zeker wanneer grondstoffen, productie, certificering of levering deels buiten Nederland plaatsvinden. Hoe wordt voorkomen dat administratieve emissiereductie wordt opgevoerd zonder voldoende fysieke en duurzame onderbouwing?

In de bijmengverplichting is borging, toezicht en handhaving van duurzaamheid van groen gas een samenspel van (private) certificering en audits en (publiek) toezicht aangevuld met handhaving. Voor het private toezicht wordt aangesloten bij de Europese systematiek van duurzaamheidsborging van biogrondstoffen, vloeibare biomassa, biobrandstoffen en biomassabrandstoffen, zoals vastgelegd in de REDIII. Dit betekent dat marktdeelnemers via certificering kunnen aantonen dat ze hun processen zo inrichten dat ze kunnen aantonen te voldoen aan de Europese duurzaamheidscriteria en de emissieberekeningen correct kunnen uitvoeren. Producenten, energieleveranciers en tussenliggende partijen moeten binnen de bijmengverplichting gecertificeerd zijn. Bij een gecertificeerde marktdeelnemer vindt periodiek een audit plaats door het certificeringsorgaan (CBI), om te controleren of nog voldaan wordt aan de eisen van het duurzaamheidsschema, en om de certificering te verlengen. Dit is inclusief de controle of de emissieberekeningen correct worden uitgevoerd. Lidstaten zijn conform de REDIII belast met het toezicht op CBI’s, dit is in Nederland ondergebracht bij de NEa.

De lidstaat kan tegen vermoedelijke fraude ten aanzien van de hoogte van de broeikasgasemissiereductie optreden door een melding te doen bij het desbetreffende duurzaamheidsysteem of vrijwillig systeem waarvoor de desbetreffende schakel in de keten is gecertificeerd. Daarnaast kan de lidstaat dit bij de Europese Commissie melden, die naar aanleiding hiervan tot maatregelen kan besluiten. De regering en de NEa zetten zich doorlopend in voor versterking van toezicht binnen het Europese kader.

Aanvullend op het toezicht op de certificeringsorganen, houdt de NEa binnen Nederland toezicht op de gecertificeerde schakels in de keten. De NEa voert het toezicht risicogericht uit, om zo prioriteit te geven aan de grootste risico’s, naast het controleren bij lagere risico’s om blinde vlekken te voorkomen. Hierbij kan de NEa samenwerken met andere toezichthouders, zoals de NVWA, ILT of omgevingsdiensten.

  1. De leden van de SGP-fractie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van State de vinger legt bij de effectiviteit van het toezicht op de ketenemissiereductie. Als deze leden het goed begrijpen, gaat de NEa binnen Nederland zelf ook toezicht houden op de gecertificeerde schakels in de keten, maar moet voor geïmporteerd gas vertrouwd worden op de (buitenlandse) certificeringsorganen en het toezicht van buitenlandse toezichthouders. Hoe groot acht de regering het risico dat gemeten wordt met twee maten en Nederlandse producenten hierdoor op achterstand komen te staan? Is de regering van mening dat met de voorgestelde samenwerking met buitenlandse toezichthouders greenwashing helemaal voorkomen kan worden?

De eisen die aan de duurzaamheid van groen gas worden gesteld zijn afkomstig uit de REDIII. Nederlandse producenten hoeven niet aan strengere eisen te voldoen dan producenten elders binnen de Europese Unie. Voor het toezicht dient uitgegaan te worden van het Europees ingerichte systeem van privaat en publiek toezicht. Toezicht verkleint het risico op misstanden, maar die kunnen, helaas, nooit volledig worden uitgesloten. De combinatie tussen een GvO, bewijs van duurzaamheid en het Europees geborgde toezicht vormt in de basis een voldoende robuust en traceerbaar systeem waarmee de hernieuwbare oorsprong, de duurzaamheid en de broeikasgasemissiereductie kan worden aangetoond. De regering en de NEa zetten zich doorlopend in voor versterking van toezicht binnen het Europese kader.

  1. De leden van de PvdD-fractie verzoeken de regering om expliciet uit te leggen hoe toezicht op ketenemissiereductie plaatsvindt en hoe de meetbaarheid van die reducties wordt gewaarborgd. Deze leden vragen of de regering erkent dat dit type sturing fraude- en interpretatiegevoelig kan zijn, en hoe toezicht op misstanden concreet wordt georganiseerd.

Frauderisico’s kunnen nooit volledig worden uitgesloten. De combinatie van een GvO, bewijs van duurzaamheid en het Europees geborgde toezicht vormt in de basis een voldoende robuust en traceerbaar systeem waarmee de hernieuwbare oorsprong, de duurzaamheid en de broeikasgasemissiereductie kan worden aangetoond. De regering en de NEa zetten zich doorlopend in voor verdere versterking van toezicht binnen het Europese kader.

In de bijmengverplichting is borging, toezicht en handhaving van duurzaamheid van groen gas een samenspel van (private) certificering en audits en (publiek) toezicht aangevuld met handhaving. Voor het private toezicht wordt aangesloten bij de Europese systematiek van duurzaamheidsborging van biogrondstoffen, vloeibare biomassa, biobrandstoffen en biomassabrandstoffen, zoals vastgelegd in de REDIII. Dit betekent dat marktdeelnemers via certificering kunnen aantonen dat ze hun processen zo inrichten dat ze kunnen aantonen te voldoen aan de Europese duurzaamheidscriteria en de emissieberekeningen correct kunnen uitvoeren. Producenten, energieleveranciers en tussenliggende partijen moeten binnen de bijmengverplichting gecertificeerd zijn. Bij een gecertificeerde marktdeelnemer vindt periodiek een audit plaats door het certificeringsorgaan (CBI), om te controleren of nog voldaan wordt aan de eisen van het duurzaamheidsschema, en om de certificering te verlengen. Dit is inclusief de controle of de emissieberekeningen correct worden uitgevoerd. Lidstaten zijn conform de REDIII belast met het toezicht op CBI’s, dit is in Nederland ondergebracht bij de NEa.

De lidstaat kan tegen vermoedelijke fraude ten aanzien van de hoogte van de broeikasgasemissiereductie optreden door een melding te doen bij het desbetreffende duurzaamheidsysteem of vrijwillig systeem waarvoor de desbetreffende schakel in de keten is gecertificeerd. Daarnaast kan de lidstaat dit bij de Europese Commissie melden, die naar aanleiding hiervan tot maatregelen kan besluiten.

Aanvullend op het toezicht op de certificeringsorganen, houdt de NEa binnen Nederland toezicht op de gecertificeerde schakels in de keten. De NEa voert het toezicht risicogericht uit, om zo prioriteit te geven aan de grootste risico’s, naast het controleren bij lagere risico’s om blinde vlekken te voorkomen. Hierbij kan de NEa samenwerken met andere toezichthouders, zoals de NVWA, ILT of omgevingsdiensten.

6.2. Betrouwbaarheid van gegevens

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering aan te geven hoe dubbele inzet van GvO’s, GGE’s of duurzaamheidsinformatie wordt voorkomen. Is de Uniedatabank tijdig en volledig genoeg operationeel om controle op import betrouwbaar mogelijk te maken, en welke restrisico’s accepteert de regering als dat niet het geval is?

Een GvO dient altijd tezamen met een bewijs van duurzaamheid te worden ingeboekt onder de bijmengverplichting. Dit wordt onder meer geborgd door te vereisen dat bij het inboeken bij de NEa de GvO en het bewijs van duurzaamheid zien op dezelfde specifieke hoeveelheid groen gas.

Dubbele inzet van de GvO wordt voorkomen doordat een GvO wordt overgeboekt van de rekening van de energieleverancier in het VertiCer-register naar de rekening van de NEa in het VertiCer-register. Dat geldt ook voor buitenlandse GvO’s, die via de hub van de Association of Issuing Bodies (AIB) ingevoerd worden. Hierdoor is inzet van de GvO voor andere doeleinden na overboeking aan de NEa niet meer mogelijk. Door de koppeling van de GvO met het bewijs van duurzaamheid is ook het risico van dubbele inzet van het bewijs van duurzaamheid beperkt.

Daarnaast geldt voor GGE’s dat die alleen worden gecreëerd op het moment dat een geldige GvO en bewijs van duurzaamheid zijn ingeboekt in het GGE-register. De GGE kan dus niet tegelijk bestaan met een verhandelbare GvO en bewijs van duurzaamheid. Bovendien kunnen GGE’s enkel op de rekeningen in het GGE-register van de NEa worden gehouden, waardoor dubbele inzet onmogelijk is.

Hoewel de Uniedatabank bijdraagt aan de transparantie van de toeleveringsketen en de controle op de naleving van de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductievereisten kan vergemakkelijken, betekent dit niet dat effectief toezicht niet mogelijk is zonder de Uniedatabank. De combinatie van een GvO, bewijs van duurzaamheid en het Europees geborgde toezicht vormt in de basis een voldoende robuust en traceerbaar systeem waarmee de hernieuwbare oorsprong, de duurzaamheid en de broeikasgasemissiereductie kunnen worden aangetoond. De regering en de NEa zetten zich daarnaast doorlopend in voor verdere versterking van toezicht binnen het Europese kader.

De regering is voorstander van de inrichting van de Uniedatabank (UDB). Het ontwikkelen en in werking laten treden van de UDB voor gasvormige brandstoffen is echter een verantwoordelijkheid van de Europese Commissie. Het moment dat de UDB operationeel wordt is afhankelijk van de planning van de Europese Commissie bij het koppelen van de UDB aan de nationale GvO uitgifte instanties. De regering heeft hierover nog geen nieuwe planning ontvangen van de Europese Commissie.

6.3. Toezicht door de NEa op de verplichting

  1. Hoe kijkt de regering naar de opmerking van de NEa over de onduidelijkheid over de grenzen die gesteld worden aan de inzetbaarheid van specifieke grondstoffen, zoals bijvoorbeeld voedsel- en voedergewassen? Deze leden hopen dat de regering met duidelijke kaders komt zodat ondernemers vooraf duidelijkheid krijgen over de mogelijkheid tot productie van groen gas.

De eisen die aan de duurzaamheid van groen gas worden gesteld vloeien voort uit de REDIII. Dit zijn reeds bestaande eisen, waar de markt voldoende mee bekend en op ingericht is.

  1. De leden van de PRO-fractie hechten aan een betrouwbaar en fraudebestendig systeem van groen gas. Kan de regering aangeven hoe zij het toezicht op de duurzaamheid van groen gas heeft geborgd? Acht de regering dit als voldoende om fraude tegen te gaan? Hoe borgt de regering de betrouwbaarheid van groen gas internationaal? Hoe zit het met de Uniedatabank, die de tracering van groen gas door de hele Europese keten mogelijk moet maken, maar nog niet volledig operationeel is? Kan de regering een actuele planning geven voor de inwerkingtreding van de Uniedatabank, en aangeven welke waarborgen zij treft zolang deze databank niet volledig werkt, specifiek voor buitenlandse schakels in de keten waarop het Nederlandse toezicht geen grip heeft?

Frauderisico’s kunnen nooit volledig worden uitgesloten. De combinatie van een GvO, bewijs van duurzaamheid en het Europees geborgde toezicht vormt in de basis een voldoende robuust en traceerbaar systeem waarmee de hernieuwbare oorsprong, de duurzaamheid en de broeikasgasemissiereductie kan worden aangetoond. De regering en de NEa zetten zich doorlopend in voor versterking van toezicht binnen het Europese kader.

In de bijmengverplichting is borging, toezicht en handhaving van duurzaamheid van groen gas een samenspel van (private) certificering en audits en (publiek) toezicht aangevuld met handhaving. Voor het private toezicht wordt aangesloten bij de Europese systematiek van duurzaamheidsborging van biogrondstoffen, vloeibare biomassa, biobrandstoffen en biomassabrandstoffen, zoals vastgelegd in de REDIII. Dit betekent dat marktdeelnemers via certificering kunnen aantonen dat ze hun processen zo inrichten dat ze kunnen aantonen te voldoen aan de Europese duurzaamheidscriteria en de emissieberekeningen correct kunnen uitvoeren. Producenten, energieleveranciers en tussenliggende partijen moeten binnen de bijmengverplichting gecertificeerd zijn. Bij een gecertificeerde marktdeelnemer vindt periodiek een audit plaats door het certificeringsorgaan (CBI), om te controleren of nog voldaan wordt aan de eisen van het duurzaamheidsschema, en om de certificering te verlengen. Dit is inclusief de controle of de emissieberekeningen correct worden uitgevoerd. Lidstaten zijn conform de REDIII belast met het toezicht op CBI’s, dit is in Nederland ondergebracht bij de NEa.

De lidstaat kan tegen vermoedelijke fraude ten aanzien van de hoogte van de broeikasgasemissiereductie optreden door een melding te doen bij het desbetreffende duurzaamheidsysteem of vrijwillig systeem waarvoor de desbetreffende schakel in de keten is gecertificeerd. Daarnaast kan de lidstaat dit bij de Europese Commissie melden, die naar aanleiding hiervan tot maatregelen kan besluiten.

Aanvullend op het toezicht op de certificeringsorganen, houdt de NEa binnen Nederland toezicht op de gecertificeerde schakels in de keten. De NEa voert het toezicht risicogericht uit, om zo prioriteit te geven aan de grootste risico’s, naast het controleren bij lagere risico’s om blinde vlekken te voorkomen. Hierbij kan de NEa samenwerken met andere toezichthouders, zoals de NVWA, ILT of omgevingsdiensten.

Hoewel de Uniedatabank bijdraagt aan de transparantie van de toeleveringsketen en de controle op de naleving van de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductievereisten kan vergemakkelijken, betekent dit niet dat effectief toezicht niet mogelijk is zonder de Uniedatabank. De regering is voorstander van de inrichting van de Uniedatabank (UDB). Het ontwikkelen en inwerking laten treden van de UDB voor gasvormige brandstoffen is echter een verantwoordelijkheid van de Europese Commissie. Het moment dat de UDB operationeel wordt is afhankelijk van de planning van de Europese Commissie bij het koppelen van de UDB aan de nationale GvO uitgifte instanties. De regering heeft hierover nog geen nieuwe planning ontvangen van de Europese Commissie.

6.4. Handhaving

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken hoe proportioneel de handhaving uitwerkt wanneer leveranciers niet kunnen voldoen door aantoonbaar tekortschietend aanbod. Wordt in dat geval de verplichting aangepast of blijft handhaving plaatsvinden via financiële afkoop die uiteindelijk bij eindgebruikers terechtkomt?

Gegeven de huidige beschikbaarheid van groen gas in de markt en de hoogte van de bijmengverplichting, is er voldoende groen gas beschikbaar om aan de bijmengverplichting te kunnen voldoen. Bij een tekort aan GGE’s hebben energieleveranciers bovendien de mogelijkheid om te kiezen voor een (gedeeltelijke) ontheffing voor hun verplichting (de buy-out).

De NEa is belast met de handhaving van de bijmengverplichting. Indien er sprake is van een overtreding beoordeelt de NEa de aard en ernst van de overtreding en houdt daarbij rekening met de op te leggen sanctie.

7. Financiële gevolgen

  1. De leden van de commissie lezen dat de bijmengverplichting tot meerkosten voor huishoudens en bedrijven leidt, en dat de impact hiervan integraal gewogen wordt binnen het bredere klimaat- en energiebeleid. Ten slotte lezen de leden van de commissie dat dit eventueel aanleiding kan geven voor aanvullende maatregelen die zien op de kosten voor eindgebruikers, waarbij dit moet worden ingepast binnen de geldende budgettaire kaders. De leden van de commissie vragen of de regering in meer detail kan ingaan aan welke aanvullende maatregelen gedacht wordt?

Een betaalbare energierekening is belangrijk voor de regering. De bijmengverplichting is een klein onderdeel van de energierekening. Tegenover de meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

De ontwikkeling van de energierekening wordt jaarlijks gewogen als onderdeel van de koopkrachtbesluitvorming in augustus. Indien daar aanleiding toe is, worden op dat moment aanvullende maatregelen in kaart gebracht. Tegelijkertijd zet de regering reeds in op structurele verlaging van de energierekening, onder meer door het beschikbaar stellen van subsidies, financiering en ondersteuning bij de verduurzaming van woningen.

  1. De leden van de PVV-fractie zien dat de regering kiest voor het niet bijstaan van huishoudens op het gebied van de stijging van de energierekening en vinden dit zorgwekkend. Zij vragen of de regering het met hen eens is dat de energierekening niet verder omhoog mag, maar juist omláág moet – door een lagere btw op energie én een lagere energiebelasting.

Een betaalbare energierekening is belangrijk voor de regering. De bijmengverplichting is een klein onderdeel van de energierekening. Tegenover de meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

De ontwikkeling van de energierekening wordt jaarlijks gewogen als onderdeel van de koopkrachtbesluitvorming in augustus. Tegelijkertijd zet de regering in op structurele verlaging van de energierekening, onder meer door het beschikbaar stellen van subsidies, financiering en ondersteuning bij de verduurzaming van woningen. Dit flankerend beleid is geen onderdeel van dit wetsvoorstel. Hetzelfde geldt voor de hoogte van heffingen en belastingen.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken om uiteen te zetten welke budgettaire effecten de BMV heeft voor de overheid en welke bestemming eventuele ‘buy-out’-opbrengsten krijgen. Worden die opbrengsten gebruikt om binnenlandse productie te stimuleren of lasten voor huishoudens en mkb te verlichten?

De bijmengverplichting heeft beperkte financiële effecten voor de overheid, enkel via uitvoeringskosten en opbrengsten uit de buy-out. De NEa is verantwoordelijk voor de uitvoering en handhaving van de bijmengverplichting. De NEa heeft hiervoor circa 3 miljoen euro per jaar gereserveerd. In de praktijk moet blijken hoeveel capaciteit exact nodig is voor de uitvoering van de taken, het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en de NEa zullen hier bij stil staan als onderdeel van de reguliere begrotingscyclus.

De opbrengsten uit de buy-out worden niet specifiek bestemd, maar vloeien terug naar de Rijksbegroting. Binnen de begrotingsregels van de regering is afgesproken dat er een scheiding tussen inkomsten en uitgaven is, om trendmatig begrotingsbeleid te voeren.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering aan te geven welke gerichte compensatie wordt overwogen voor kwetsbare huishoudens en voor ondernemers die disproportioneel geraakt worden. Waarom is compensatie niet vooraf onderdeel gemaakt van het wetsvoorstel als de regering erkent dat groen gas duurder is dan aardgas?

Een betaalbare energierekening is belangrijk voor de regering. De bijmengverplichting is een klein onderdeel van de energierekening, ook voor ondernemers zoals in voorgaande beantwoording toegelicht. Tegenover de meerkosten staat een bijdrage aan een robuust, weerbaar en duurzaam energiesysteem op lange termijn. De opschaling van groen gas is bovendien kostenefficiënt in vergelijking met ander verduurzamingsopties en draagt bij aan het voorkomen van prijsschokken op de energierekening als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen.

De ontwikkeling van de energierekening wordt jaarlijks gewogen als onderdeel van de koopkrachtbesluitvorming in augustus. Tegelijkertijd zet de regering in op structurele verlaging van de energierekening, onder meer door het beschikbaar stellen van subsidies, financiering en ondersteuning bij de verduurzaming van woningen. Daarnaast is er specifiek beleid gericht op ondersteuning van kwetsbare huishoudens, zoals het noodfonds energie, ondersteuning via gemeenten en het Nationaal Warmtefonds. Dit flankerend beleid is geen onderdeel is van dit wetsvoorstel.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om, gelet op de stapeling van onzekerheden rond betaalbaarheid, productie, import, uitvoering en toezicht, een alternatief beleidspakket uit te werken dat aantoonbaar binnenlandse groengasproductie stimuleert voordat een afnameverplichting wordt ingevoerd. Is de regering bereid daarbij producenten, afnemers, netbeheerders, consumentenorganisaties en uitvoeringsinstanties te betrekken en de uitkomsten vóór verdere behandeling met de Kamer te delen?

De regering herkent zich niet in het geschetste beeld. De sector is nauw betrokken geweest bij de vormgeving van de bijmengverplichting. Zowel producenten als energieleveranciers verwachten een belangrijk aandeel Nederlandse productie binnen de bijmengverplichting. De bijmengverplichting biedt meer zekerheid van vraag naar groen gas.

De bijmengverplichting is onderdeel van een breder beleidsinstrumentarium dat erop gericht is om specifiek de productie van groen gas in Nederland te stimuleren. Dit gebeurt met onder meer de SDE++, de DEI++ en inzet op flankerend beleid, zowel vanuit het energiedomein als vanuit het landbouwdomein.

De regering monitort de effecten van de bijmengverplichting en rapporteert hierover jaarlijks aan de Tweede Kamer. Uit die monitoring blijkt ook de oorsprong van het groen gas dat is ingezet binnen de bijmengverplichting. Uiteraard blijft het kabinet hierover in goed overleg met de sector.

8. Advies en consultatie

8.1. Internetconsultatie

  1. De leden van de D66-fractie lezen dat netcongestie de ontwikkeling van groengasprojecten kan belemmeren, omdat productie-installaties en groengasboosters afhankelijk zijn van een elektriciteitsaansluiting. Tegelijkertijd kan opschaling van groen gas de druk op het elektriciteitsnet helpen beperken, doordat niet alle verduurzaming via elektrificatie hoeft plaats te vinden. Deelt de regering deze analyse? Welke concrete maatregelen neemt de regering om ervoor te zorgen dat groengasprojecten ook in gebieden met netcongestie tijdig toegang krijgen tot de benodigde elektriciteitsaansluiting?

De regering deelt de analyse dat een elektriciteitsaansluiting een randvoorwaarde is voor een groengasproductie-installatie en dus ook een knelpunt kan zijn. De regering deelt ook de analyse dat opschaling van groengasproductie en -consumptie essentieel is om de druk op het toekomstige elektriciteitsnet te helpen verlichten. Groen gas is onder meer belangrijk voor toepassingen waar elektrificatie niet mogelijk is en voor het leveren van piekvraag. Door grotere inzet van groen gas worden disproportionele investeringen in het elektriciteitsnet voorkomen, doordat het elektriciteitsnet niet hoeft te worden gedimensioneerd op de piekvraag.

Groengasprojecten lopen aan tegen dezelfde beperkingen als andere bedrijven die extra elektriciteit nodig hebben voor uitbreiding en/of verduurzaming van hun activiteiten, namelijk de beperkte beschikbaarheid van transportcapaciteit voor elektriciteit. Om de wachtrijen die hiervan het gevolg zijn tegen te gaan is de regering samen met netbeheerders, bedrijfsleven en de ACM begin dit jaar een Aansluitoffensief gestart.31 Hierin wordt gewerkt aan acht doorbraken die gezamenlijk de potentie hebben om de komende tijd een groot deel van de bestaande wachtrij weg te werken.

9. Evaluatie

  1. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering kijkt naar het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over brandstofleveranciers. Hoe voorkomt de regering een stapeling van emmissiereductieverplichtingen voor brandstofleveranciers die relatief veel groen gas aan de sector wegvervoer leveren?

Er is geen sprake van een stapeling tussen de bijmengverplichting en de brandstoftransitieverplichting, aangezien beide verplichtingen op afzonderlijke partijen rusten en de broeikasgasemissiereductie slechts één keer kan worden geclaimd. Dit is uitgebreid toegelicht in het nader rapport van 20 mei 2026 en paragraaf 2.3.2 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.

Kortgezegd komt het erop neer dat de bijmengverplichting rust op energieleveranciers die gas leveren via een aansluiting op het gasnet en de brandstoftransitieverplichting rust op brandstofleveranciers die brandstoffen leveren aan de vervoerssector. In het geval van aardgas gaat het om Compressed Natural Gas (CNG) die na onttrekking aan het gasnet wordt gecomprimeerd. Geen van beide verplichtingen rusten dus op de leveranciers van gas aan vervoer. De brandstoftransitieverplichting kan ingevuld worden met leveringen van groen gas aan vervoer, maar daar bestaat geen verplichting toe. Het is niet mogelijk om dezelfde eenheid groen gas in te zetten voor beide verplichtingen.

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering de evaluatie niet pas achteraf als herstelmechanisme te gebruiken, maar vooraf duidelijke toetsmomenten vast te leggen. Is de regering bereid de Kamer jaarlijks te informeren over gerealiseerde binnenlandse productie, import, kosten voor eindgebruikers, gebruik van de ‘buy-out’, uitvoeringsproblemen en voortgang van vergunningverlening? De leden verzoeken de regering objectieve stop- of bijstelcriteria in de evaluatie op te nemen. Bij welke kostenstijging, productietekort of uitvoeringsproblemen wordt het groeipad aangepast of de verplichting tijdelijk gepauzeerd?

De regering zal de werking van de bijmengverplichting tussentijds monitoren en de Tweede Kamer hierover informeren, onder meer op basis van de rapportages van de NEa. Jaarlijks zal de NEa een overzicht openbaar maken waar per energieleverancier de aard en de herkomst van de grondstof van het ingeboekte groen gas en het gehanteerde duurzaamheidsysteem vermeld is. Meerdere keren per jaar zal de NEa actuele gegevens over het totaal aantal bijgeschreven en gespaarde GGE’s openbaar maken.

De regering is voornemens de bijmengverplichting te evalueren in 2029. De evaluatie zal in ieder geval ingaan op de bijdrage aan de klimaatdoelstellingen, de bijdrage aan groengasproductie in Nederland, de haalbaarheid van de jaarlijkse verplichting, de werking van de flexibiliteitsopties (buy-out, inclusief de hoogte, en sparen) en de meerkosten voor afnemers. De regering formuleert vooraf geen stop- of bijstelcriteria, maar zal op basis van een integrale evaluatie besluiten in hoeverre aanpassing nodig of wenselijk is.

  1. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of in de evaluatie de effecten van de bijmengverplichting worden vergeleken ten opzichte van effecten van alternatieve beleidsopties, als een aanpassing van de SDE++subsidie of een bijmengverplichting voor gascentrales en WKK’s in plaats van voor ETS2-sectoren.

Bij de integrale evaluatie van het wetsvoorstel wordt ook gekeken naar de doelmatigheid van de bijmengverplichting ten opzichte van alternatieve beleidsopties, waaronder een aanpassing van de SDE++ en ontwikkelingen van ETS1 en ETS2.

10. Inwerkingtreding en overgangsrecht

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te bevestigen dat het juridisch mogelijk is de inwerkingtreding van de BMV uit te stellen of afhankelijk te maken van vooraf vastgestelde randvoorwaarden. Is de regering bereid de wet pas in werking te laten treden nadat de Kamer een integrale betaalbaarheidstoets, een productie- en vergunningenplan, een uitvoerings- en fraudetoets en de lagere regelgeving heeft ontvangen? Deze leden verzoeken de regering om de Kamer voorafgaand aan inwerkingtreding expliciet te laten oordelen over de algemene maatregel van bestuur waarin het groeipad wordt vastgelegd. Is de regering bereid te voorzien in een voorhangprocedure of ander parlementair controlemoment?

Het is juridisch mogelijk om de inwerkingtreding van de bijmengverplichting uit te stellen. Inwerkingtreding is niet mogelijk halverwege het jaar, omdat de verplichting wordt bepaald op basis van de ETS2-emissieverslagen die enkel over een geheel jaar worden uitgegeven. De regering is echter van mening dat de genoemde randvoorwaarden op orde zijn om de wet- en regelgeving per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Daarmee krijgt de sector de langverwachte duidelijkheid voor het nemen van investeringsbeslissingen. De hoogte van de verplichting is opgenomen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel en ongewijzigd verwerkt in de lagere regelgeving, die reeds in internetconsultatie is geweest. De consultatie is openbaar32 en heeft niet geleid tot wijzigingen hierin. Beide regelingen worden bij de notificatie begin september opnieuw openbaar gemaakt.

De regering heeft niet gekozen voor een voorhangprocedure, omdat de kaders van hetgeen in de lagere regelgeving wordt geregeld uitgebreid zijn toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Het opbouwpad en de hoogte van de buy-out zijn bijvoorbeeld daarin opgenomen. Voor deze constructie is gekozen om het parlement vroegtijdig te betrekken bij de vormgeving van de bijmengverplichting, hoofdzakelijk via het wetsvoorstel, te meer om later in het proces zoveel mogelijk voortgang te kunnen maken om inwerkingtreding per 1 januari 2027 binnen bereik te houden. De regering tracht vragen van uw Kamer over de lagere regelgeving zo volledig mogelijk te beantwoorden bij de behandeling van onderhavig wetsvoorstel.

11. Overig

  1. De leden van de PvdD-fractie hebben vernomen dat de regering inzet op een enorme opschaling van mestvergisting van de huidige 5% naar 50% van het totale mestvolume. Deze leden hebben hier een aantal vragen over. Deze leden vragen welk deel van de melkveehouders een mestvergister zal moeten aanschaffen om te voldoen aan het door het kabinet gestelde doel voor mestvergisting.

De bijmengverplichting stuurt niet op een specifiek percentage mestvergisting, en kan dus ook ingevuld worden met andere technieken. In een onderzoek van CE Delft33 naar de haalbaarheid van de bijmengverplichting groen gas is uitgegaan van een reductie van de omvang van de hoeveelheid beschikbare mest in Nederland met ongeveer 20%, en de vergisting van 75% van de resterende mest. De regering heeft dit in de vormgeving van de bijmengverplichting aangescherpt naar 45% reductie van de resterende beschikbare mest, dus 36% van de huidige hoeveelheid mest. Dit was voordat de hoogte van de bijmengverplichting naar beneden werd gesteld met 25%.

Het deel van de melkveehouders besluit een vergister aan te schaffen is het gevolg van verschillende factoren, waaronder de bedrijfsvoering en de locatie van het bedrijf, en niet alleen de bijmengverplichting.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen wat voor stalsystemen de regering voor ogen heeft voor boeren met een rendabele mestvergister op het eigen bedrijf en voor boeren die zich aansluiten bij een mestvergisters-hub.

Voor vergisting wordt bij voorkeur dagverse mest gebruikt om zoveel mogelijk reductie van methaan te borgen. Hiervoor zijn bepaalde stalsystemen nodig, waarmee overigens ook de ammoniakemissies in de stal sterk worden gereduceerd. Vergisting van oudere mest kan echter ook en komt in de praktijk voor. De regering verplicht binnen de bijmengverplichting groen gas geen specifiek(e) stalsysteem of bedrijfsvoering.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen hoeveel mestvergisterhubs de regering voor ogen heeft om het opschalingsdoel te bereiken. Hoeveel boeren zullen zich gemiddeld bij één hub moeten aansluiten? Hoeveel koeien zijn er in totaal nodig om een hub rendabel te laten lopen?

De regering stuurt niet op het aantal hubs. Het is aan de markt om het passende bedrijfsmodel te kiezen. Hubs waarbij sprake is van collectieve vergisting van mest van verschillende veehouders gaan veelal uit van ten minste 500 koeien. Het gemiddelde aantal koeien per veehouder is ca. 110 en 80% van de melkveehouderijen heeft minder dan 150 koeien.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen de regering hoeveel koeien gemiddeld nodig zijn om op één melkveebedrijf met dagontmesting een monomestvergister rendabel te laten draaien. Deze leden vragen of het hierbij uitmaakt of koeien hun leven op stal staan of ook naar buiten mogen.? Zo ja, kan de regering een onderscheid maken in de benodigde hoeveelheid koeien om een mestvergister te laten renderen, wanneer zij hun hele leven op stal staan, en wanneer zij naar buiten mogen, uitsplitst naar aantal uren weidegang?

Er bestaan verschillende bedrijfsmodellen voor mestvergisting, variërend van individuele monomestvergisting op bedrijfsniveau, tot collectieve mestvergisting (hubs) met samenwerkingsverbanden van meerdere veehouders. Dit kan een oplossing zijn voor kleinere melkveehouders waar de hoeveelheid mest, door het aantal koeien en/of de hoeveelheid weidegang, onvoldoende is voor een rendabele vergisting op basis van alleen eigen mest. Door mest van een aantal veehouders op een centrale locatie te vergisten is ook voor deze veehouders een reductie van ammoniak- en methaanemissies te realiseren. Welk bedrijfsmodel wordt gekozen is aan veehouders.

Deze variatie in vergistingsvormen kennen we ook nu al in de SDE++. Monomestvergisting is hier een onderdeel van, veehouders kunnen deze subsidie aanvragen in een aantal verschillende categorieën, met variatie in de hoeveelheid mesttoevoer en een passend subsidiebedrag, berekend op basis van de specifieke kenmerken van de referentiegrootte.

Wanneer de bijmengverplichting van kracht is kunnen groengasproducenten er maandelijks voor kiezen om gas onder de bijmengverplichting te leveren, de SDE++-subsidie wordt dan voor die maand stopgezet. Producenten zullen dit doen als de bijmengverplichting hun onrendabele top voldoende compenseert. Dit borgt dat groengasproducenten een rendabele business case kunnen hebben, ongeacht de schaalgrootte.

  1. De leden van de PvdD-fractie lezen in de media dat dat banken hebben aangegeven dat een stal met vierhonderd koeien nog een te groot financieel risico met zich meebrengt om te investeren in een mestvergister. Herkent de regering dit signaal?

De regering herkent dit signaal niet. Het is waar dat sommige banken aangeven dat grotere vergisters een robuustere business case hebben. Tegelijkertijd betekent dit niet dat kleine vergisters per definitie geen goede business case hebben. Zo is een beschikte SDE++-subsidie doorgaans een goede basis voor financiering, de SDE++ kent een categorie tot 110 kW, met een referentiegrootte 72 kW, of ongeveer 130 koeien.

De regering verwacht dat de bijmengverplichting groen gas bijdraagt aan een verbeterd investeringsklimaat voor mestvergisting, door meer zekerheid over voldoende afzetmarkt en voldoende hoge marktprijzen om de kosten te compenseren.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen op welke manieren boeren de mest kunnen opvangen, zodat de mest naar de mestvergister kan?

Bij traditionele stallen met roostervloer en mestkelder is de combinatie met een vergister ook mogelijk. De schaalgrootte van het bedrijf bepaalt of deze combinatie rendabel is. Bij dagverse mest is de biogasopbrengst hoger en zal mestvergisting bij een kleinere schaalgrootte rendabel zijn.

  1. De leden van de PvdD-fractie vragen of het klopt dat dit voornamelijk in stalsystemen zal gebeuren waarbij koeien in de stal staan, in combinatie met een systeem als dagontmesting?

De leden van de PvdD-fractie wijzen op de uitspraak van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij het plenaire debat over de samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en stikstof (dd. 1 juli 2026): “Voor juist die hoogproductievere boeren zou mestvergisting een heel interessante optie kunnen zijn, zonder dat het betekent dat je koeien nooit meer in de wei komen.”

De leden van de PvdD-fractie vragen of het klopt dat een mestvergister niet of nauwelijks rendabel is wanneer koeien weidegang krijgen.

De leden van de PvdD-fractie vragen of het klopt dat in een systeem waarin mest uit stallen moet worden opgevangen om een mestvergister goed te laten renderen, het loont om koeien vaker en langer binnen te houden. Zo nee, waarom niet?

Ook bij bedrijven die volledige weidegang toepassen (tenminste 120 dagen, 6 uur per dag) kan er voldoende mest in de stal worden opgevangen om een vergister rendabel te exploiteren. Dieren zijn in de winterperiode en vaak dus ook ’s nachts voldoende in de stal om mest te verzamelen die kan worden ingevoed in de vergister. Er zijn in Nederland bedrijven die dit combineren.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Artikel 9.9.2.1

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering toe te lichten hoe de omvang van de jaarverplichting per jaar wordt vastgesteld en welke ruimte de regering heeft om daarvan af te wijken. Kan worden vastgelegd dat de verplichting niet hoger mag zijn dan redelijkerwijs haalbaar is op basis van daadwerkelijk beschikbare duurzame productie?

De omvang van de totale jaarverplichting van alle energieleveranciers gezamenlijk wordt vastgesteld in het Besluit bijmengverplichting groen gas en wordt uitgedrukt in CO2-ketenemissiereductie. Het opbouwpad van de verplichting wordt geregeld tot en met 2035. Bij de bepaling van dit opbouwpad heeft de regering al gewogen in hoeverre de verplichting haalbaar is. Gegeven de huidige beschikbaarheid van groen gas in de markt en de hoogte van de bijmengverplichting, is er voldoende groen gas beschikbaar om aan de bijmengverplichting te kunnen voldoen. De regering is niet voornemens om de haalbaarheid expliciet in wet- en regelgeving op te nemen zoals wordt voorgesteld, omdat een dergelijke norm onvoldoende (rechts-)zekerheid biedt. De beschikbaarheid van groen gas zal tijdens de looptijd van de bijmengverplichting wel de voortdurende aandacht hebben van de regering. De haalbaarheid van de bijmengverplichting zal daarnaast ook onderdeel zijn van de evaluatie die de regering voornemens is uit te voeren in 2029.

Artikel 9.9.3.1 en artikel 9.9.4.1

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken welke voorwaarden gelden voor het creëren en inboeken van GGE’s. Hoe wordt voorkomen dat certificaten uit bestaande of gesubsidieerde productie worden ingezet op een wijze die geen additionele productie oplevert?

De voorwaarden voor het inboeken van GGE’s worden opgenomen in lagere regelgeving. Zoals toegelicht in de memorie van toelichting dienen energieleveranciers een GvO en een bewijs van duurzaamheid te overleggen die zien op dezelfde hoeveelheid gas. Daarnaast mag voor de productie van het gas geen exploitatiesubsidie zijn verkregen. Uit artikel 19 van de REDIII volgt welke gegevens minimaal op een GvO vermeld dienen te worden, hieronder valt in elk geval de vraag of overheidssteun is ontvangen. Indien uit een GvO blijkt dat de betreffende levering met exploitatiesubsidie tot stand is gekomen, zal de NEa geen GGE’s afgeven voor de betreffende levering. Door de bijmengverplichting ontstaat meer vraag naar groen gas. Er is additionele productie nodig om aan die extra vraag te voldoen.

Artikel 9.9.5.1

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te bevestigen wanneer het GGE-register volledig operationeel, getest en toegankelijk is voor alle betrokken partijen. Wat gebeurt er als het register of de gegevensketen niet tijdig gereed is?

De NEa, die belast is met de uitvoering van deze wet, geeft aan dat het GGE-register naar verwachting drie maanden na publicatie van de volledige regelgeving geopend kan worden. Energieleveranciers hebben een eerste verplichting gerelateerd aan het GGE-register vóór 1 mei 2028. Voor die tijd moeten ze hun leveringen registreren en groen gas inboeken. Daarvoor zijn wel handelingen op de NEa-rekening van Verticer nodig, maar die stap is onafhankelijk van het operationaliseren van het GGE-register.

Artikel II

  1. De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te motiveren waarom overtredingen onder de Wet op de economische delicten moeten worden gebracht zolang essentiële uitvoeringsregels nog niet definitief zijn. Hoe wordt geborgd dat marktpartijen niet strafrechtelijk of economisch zwaar worden geraakt door onduidelijkheden die voortkomen uit late regelgeving of onvoldoende aanbod?

De regering begrijpt dat bekendheid met de definitieve uitvoeringsregels in een zo vroeg mogelijk stadium gewenst is, maar vindt dat de voordelen van een spoedige invoering per 1 januari 2027 opwegen tegen de nadelen voortkomend uit de krappe tijdslijn. Hoewel de regering begrijpt dat resterende onduidelijkheden in aanloop naar de invoering van de bijmengverplichting een uitdaging kunnen zijn, is de regering van mening dat energieleveranciers voldoende toegerust zijn om de bijmengverplichting uit te voeren. Hierover is de regering ook in goed contact met zowel energieleveranciers als producenten van groen gas.

Het wetsvoorstel zal tegelijkertijd met de onderliggende regelgeving in werking treden. Zowel de AMvB als de ministeriële regeling zijn openbaar geconsulteerd34, als gevolg daarvan zijn geen grote wijzigingen doorgevoerd. Beide regelingen worden bij de notificatie begin september opnieuw openbaar gemaakt. Tot aan de invoering van de bijmengverplichting zal nauw contact met zowel de energieleveranciers als de sector groen gas worden gehouden.

Ten overvloede merkt de regering op dat er geen aanwijzingen zijn dat het nog niet definitief zijn van de uitvoeringsregels zal resulteren in strafrechtelijke of economische gevolgen voor de energieleveranciers. Gelet op de gesprekken met de sector gaat de regering er juist van uit dat inwerkingtreding per 1 januari 2027 haalbaar en zelfs gewenst is.

De Minister van Klimaat en Groene Groei,

S. van Veldhoven-van der Meer


  1. CE Delft (april 2022), zie: 2022D28633&id=2022D28633&">https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?did=2022D28633&id=2022D28633&↩︎

  2. Kamerstukken II 2019/20, 32 813, nr. 487↩︎

  3. Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIV, nr. 87.↩︎

  4. Kamerstukken II, 2025/26, 29023, nr. 626 en Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIV, nr. 87.↩︎

  5. Kamerstukken II, 2025/26, 29 023, nr. 705.↩︎

  6. CE Delft (september 2024), zie: https://ce.nl/publicaties/meerkosten-en-impact-bijmengverplichting-groengas/↩︎

  7. Kamerstukken II, 2025/26, 32627, nr. 73↩︎

  8. Kamerstukken II 2024/25, 32 831, nr. 1413 en Kamerstukken II 2024/25, 32 831, nr. 1524.↩︎

  9. CE Delft (2024), zie: Scenariostudie groengasproductie rond 2030 - CE Delft↩︎

  10. Guidehouse (2025), zie: Onderzoek lange termijn productie en inzet groen gras | Rijksoverheid.nl↩︎

  11. Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIV, nr. 87.↩︎

  12. CE Delft (september 2024), zie: https://ce.nl/publicaties/meerkosten-en-impact-bijmengverplichting-groengas/↩︎

  13. Guidehouse (maart 2025), zie: https://open.overheid.nl/documenten/a03ca577-1938-4b68-a967-b810c30043aa/file↩︎

  14. Zie: https://www.internetconsultatie.nl/bijmengverplichtinggroengasamvb/b1 en https://www.internetconsultatie.nl/bijmengverplichtinggroengasmr/b1↩︎

  15. Kamerstukken II, 2025/26, 29023, nr. 698↩︎

  16. Zie voor de meest recente rapportage: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-1218505.pdf↩︎

  17. Zie: https://energy.nl/energietransitie-integraal-kostenbeeld/↩︎

  18. CE Delft (september 2024), zie: https://ce.nl/publicaties/meerkosten-en-impact-bijmengverplichting-groengas/↩︎

  19. Kamerstukken II 2024/25, 32 831, nr. 1413 en Kamerstukken II 2024/25, 32 831, nr. 1524.↩︎

  20. Kamerstukken II 2025/26, 29 023, nr. 705.↩︎

  21. Kamerstukken II, 2025/26, 29023, nr. 698↩︎

  22. Zie: https://energy.nl/energietransitie-integraal-kostenbeeld/↩︎

  23. Kamerstukken II, 2025/26, 29023, nr. 698↩︎

  24. CE Delft (september 2024), zie: https://ce.nl/publicaties/meerkosten-en-impact-bijmengverplichting-groengas/↩︎

  25. Kamerstukken II, 2025/26, 29023, nr. 698↩︎

  26. CE Delft (september 2024), zie: https://ce.nl/publicaties/meerkosten-en-impact-bijmengverplichting-groengas/↩︎

  27. Wageningen Social & Economic Research (2026), zie: https://edepot.wur.nl/717785↩︎

  28. CE Delft (september 2024), zie: https://ce.nl/publicaties/meerkosten-en-impact-bijmengverplichting-groengas/↩︎

  29. CE Delft (september 2024), zie: https://ce.nl/publicaties/meerkosten-en-impact-bijmengverplichting-groengas/↩︎

  30. Wageningen Social & Economic Research (2026), zie: https://edepot.wur.nl/717785↩︎

  31. Kamerstukken II, 2025-26, 29023, nr. 626↩︎

  32. Zie: https://www.internetconsultatie.nl/bijmengverplichtinggroengasamvb/b1 en https://www.internetconsultatie.nl/bijmengverplichtinggroengasmr/b1↩︎

  33. CE Delft (september 2024), zie: https://ce.nl/publicaties/meerkosten-en-impact-bijmengverplichting-groengas/↩︎

  34. Zie: https://www.internetconsultatie.nl/bijmengverplichtinggroengasamvb/b1 en https://www.internetconsultatie.nl/bijmengverplichtinggroengasmr/b1↩︎