Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van de medisch hulpverlener acute zorg en de klinisch fysicus in de lijst van registerberoepen (36832) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D40653, datum: 2026-09-02, bijgewerkt: 2026-09-03 09:41, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-09-02 19:10: Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van de medisch hulpverlener acute zorg en de klinisch fysicus in de lijst van registerberoepen (36832) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Opnemen van de medisch hulpverlener acute zorg en de klinisch fysicus in de lijst van registerberoepen
Opnemen van de medisch hulpverlener acute zorg en de klinisch fysicus
in de lijst van registerberoepen
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van de medisch hulpverlener acute zorg en de klinisch fysicus in de lijst van registerberoepen (36832).
De voorzitter:
We gaan vervolgens met elkaar en met deze minister in debat over de
Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in
verband met het opnemen van de medisch hulpverlener acute zorg en de
klinisch fysicus in de lijst van registerberoepen. Daar hebben zich een
aantal sprekers voor aangemeld. Ik hoop eigenlijk dat we daar direct mee
kunnen starten.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Daarbij dacht ik vooral aan de heer Bushoff. Hij staat als eerste
spreker aangemeld op de lijst van sprekers. Goed om u te zien. Het is
wetgeving, dus hebben we indicatieve spreektijden, maar het is altijd
prettig voor een debat om een kort en bondig en scherp betoog te houden.
Dat kunt u als geen ander. Meneer Bushoff, aan u het woord.
De heer Bushoff (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Tien minuten indicatieve spreektijd. Ik ga
proberen het in iets kortere tijd te doen. Ik heb een vijftal korte
punten, die ik graag zou willen aanhalen.
Allereerst: waar hebben we het vandaag over? We hebben het vandaag over
de Wet BIG. Dat is de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg. Die moet er aan de ene kant voor zorgen dat de
kwaliteit van zorg bewaakt en bevorderd wordt. Ook moet die ervoor
zorgen dat patiënten beschermd worden tegen onbekwaam en onzorgvuldig
handelen van zorgprofessionals. De Wet BIG regelt simpel gezegd dat je
geregistreerd moet zijn in het BIG-register op het moment dat jij een
beschermde titel voert, bijvoorbeeld als — ik noem maar wat —
fysiotherapeut of verpleegkundige. Patiënten moeten er dus ook van uit
kunnen gaan dat je dat beroep goed kan uitoefenen. We hebben het vandaag
dus over de Wet BIG.
Dan specifiek over een tweetal dingen. Eén: het toevoegen van twee
beroepen aan de Wet BIG, namelijk de beroepen medisch hulpverlener acute
zorg en klinisch fysicus. Er is nog een andere kleine technische
wijziging. Daar kom ik helemaal op het einde nog even kort op
terug.
Eerst over die twee beroepen die worden toegevoegd. Dat is gelijk mijn
tweede punt. Op zichzelf snapt PRO heel goed dat die twee beroepen
worden toegevoegd aan de Wet BIG. Dat kunnen we ook steunen. Toch hebben
we een klein probleem als het gaat om het toevoegen van het beroep
klinisch fysicus aan de Wet BIG zoals dat nu is geregeld. Dat is gelijk
mijn derde punt. Daar zal ik even wat nader op ingaan.
Op het moment dat wij hier in de Tweede Kamer wetgeving maken, is
eigenlijk vaak de vraag: volgt de wet nou de praktijk of willen we dat
de wet de praktijk ook daadwerkelijk verandert? Die afweging moeten wij
hier in de Tweede Kamer goed proberen te maken. Daarvoor leg je dan ook
je oor te luisteren in de praktijk. In dit geval valt ons dan eigenlijk
op dat het beroep klinisch fysicus, zoals het nu is opgeschreven en
wordt toegevoegd aan de Wet BIG, niet helemaal aan lijkt te sluiten bij
hoe de praktijk op dit moment is en hoe we dat voor ons zien.
Dat zit 'm in twee dingen. Eén. Voor het beroep klinisch fysicus worden
eigenlijk vier werkterreinen omschreven. Die worden vastgelegd in het
voorstel van de regering op dit moment. Eigenlijk moet je dat zien als
een soort momentopname, een fotomoment, zo van "nu staat het er zo voor
en nu leggen we deze vier werkterreinen op deze manier vast in de wet",
terwijl het heel goed zou kunnen zijn dat de werkterreinen van de
klinisch fysicus en de opleiding daartoe veranderen. Het is dus
eigenlijk niet zo logisch om een foto te maken en die foto vast te
leggen in de wet, terwijl er sprake is van een soort film, zou je kunnen
zeggen. Het beroep klinisch fysicus en de opleiding daartoe zijn
namelijk continu in beweging. Het gaat ons dus eigenlijk net wat te ver
om het zo strak en rigide vast te leggen in de wet.
Bovendien is in het voorstel van de regering ook vastgelegd dat de
klinisch fysicus-audioloog eigenlijk niet zou kunnen werken met
radioactief materiaal en ioniserende straling. Ook dat gaat ons wat te
ver, omdat dat in de praktijk wel degelijk voorkomt, zeker in kleinere
ziekenhuizen. Bovendien hebben ze daar vaak wel een opleiding voor
gehad. Ook daar vinden we dat de wet eigenlijk niet goed genoeg aansluit
bij de praktijk.
Dat brengt me bij mijn vierde punt. Ik heb samen met mijn collega's
Vervuurt en Wendel een amendement ingediend om op dit punt het
wetsvoorstel van de regering te wijzigen. Wat willen we dan wijzigen? We
zeggen: haal die vier werkterreinen die nu vrij rigide, om het zo te
zeggen, in het voorstel van de regering staan beschreven eruit en laten
we zeggen dat de werkterreinen van die klinisch fysicus bij algemene
maatregel van bestuur worden vastgelegd.
Waarom is dat een beter idee, denken wij? Eén. Je zorgt er dan voor dat
het makkelijker aan te passen is als de praktijk daarom vraagt in de
toekomst. Je bent dus flexibeler en je legt het minder rigide vast. Dat
is één. Twee. Het geeft ook de kans aan de minister, mocht het
amendement worden aangenomen — dat is dan ook gelijk mijn vraag — om nog
eens goed met de beroepsgroep in overleg te gaan over hoe dit er nou
precies op een goede manier uit zou kunnen komen te zien, zodat wat wij
opschrijven in die algemene maatregel van bestuur, wat wij opschrijven
op papier, ook echt aansluit bij de praktijk. Ik zou de minister
eigenlijk willen oproepen om, op het moment dat dit amendement wordt
aangenomen, dat ook echt in goed overleg met de beroepsgroep vorm te
geven.
Voorzitter. Tot slot mijn vijfde punt. Deze wet regelt nog één ander
ding. Dat is vrij technisch en niet spannend. Op het moment dat mensen
die in het buitenland zijn opgeleid hier aan het werk gaan, moeten ze
vaak een proeve van bekwaamheid of een soort stage doen om te kijken of
zij daadwerkelijk bekwaam zijn om het beroep waar zij in het buitenland
voor zijn opgeleid, volgens onze standaarden in Nederland uit te voeren.
Nou is het bij de Wet BIG zo dat je na een bepaalde periode op moet gaan
voor een herregistratie. De vraag is eigenlijk: vanaf wanneer ga je
tellen dat je op moet gaan voor je herregistratie? Is dat vanaf het
moment dat je je diploma in het buitenland hebt gehaald? Of is dat vanaf
het moment dat je hier in Nederland werkt en die proeve van bekwaamheid
hebt behaald?
Het voorstel van de regering is om vanaf dat laatste moment te gaan
tellen. Dat vind ik een supergoed idee. Alleen zie ik dat er nog best
wel vaak mensen vanuit het buitenland hier in Nederland heel graag in de
zorg willen gaan werken, mensen die dus eigenlijk best wel bekwaam
zouden kunnen zijn, maar die om verschillende redenen, bijvoorbeeld
omdat het behalen van die proeve van bekwaamheid wat drempels kent, niet
zo gauw aan de slag zouden kunnen gaan als ze misschien zelf zouden
willen en waar wij met z'n allen bij gebaat zouden zijn, omdat we gewoon
heel veel mensen in de zorg nodig hebben. Ik ben eigenlijk benieuwd:
herkent de minister dit signaal? Ziet zij mogelijkheden om eventueel te
kijken welke drempels voor mensen met een buitenlands diploma ervaren
worden om bijvoorbeeld die proeve van bekwaamheid te doorlopen, om er zo
voor te zorgen dat we die drempels dan ook zo goed mogelijk kunnen
verlagen? Zo kunnen mensen die uit het buitenland komen, daar opgeleid
zijn en goed opgeleid zijn, hier zo snel mogelijk, als ze hier mogen
verblijven en werken, ook daadwerkelijk aan de slag, natuurlijk met
behoud van kwaliteitsstandaarden zoals we die in Nederland hebben.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dank aan de heer Bushoff. Als u nog even blijft staan … Uw
betoog met vier onderdelen, met subs daaronder en daaronder ook weer
subs, en dat zonder een klein spiekbriefje — dat zeg ik vanaf hier ook
even — is toch vrij indrukwekkend. Het leidt tot een vraag van mevrouw
Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dank u, voorzitter. De heer Bushoff was iets sneller klaar dan waar ik
rekening mee had gehouden. Ik had een vraag over het amendement. Het
amendement haalt de vier werkterreinen uit de wet. Het biedt dus die
flexibiliteit. We hebben ook de brief gelezen van de Nederlandse
Vereniging voor Klinische Fysica. Zij steunen dat, maar ze vragen
tegelijkertijd wel expliciet bij de uitwerking van die AMvB om ruimte
voor ontwikkeling. De heer Bushoff had het ook over betrokkenheid.
Nogmaals, zij slaan ook aan op het niet uitsluiten van de audiologen. De
heer Bushoff zei daar ook over dat dat niet aansluit bij de praktijk.
Als ik het dan concreet mag maken, in de veronderstelling dat dit
amendement mogelijk zal worden aangenomen: verwacht de heer Bushoff ook
dat de minister straks ook juist deze punten gaat oplossen, en daarmee
ook die soort van patstelling, als ik het nu even zo mag formuleren,
tussen wat nu de stelling van de minister lijkt te zijn over die
uitsluiting en die van het veld?
De heer Bushoff (PRO):
Heel kort daarover. Eén. Dat is natuurlijk precies het doel van het
amendement: om er eigenlijk voor te zorgen dat wat er op papier wordt
gezet ook goed aansluit bij de praktijk; ik noemde het al. Dat is dus
het doel. Daarvoor dienen wij dit amendement in. Ik heb ook mijn oproep
aan de minister gedaan om, mocht het amendement het inderdaad halen, met
de beroepsgroep in gesprek te gaan om het goed vorm te geven, zodat
inderdaad wat er op papier komt te staan goed aan gaat sluiten bij de
praktijk.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vervolgvraag. Mevrouw Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik denk dat dat doel op zich goed is. Dan heb ik alleen nog wel een
beetje een zorg. In de stukken voor het debat lezen we volgens mij dat
de zorgen vanuit het veld ook al vrij duidelijk naar voren zijn
gebracht, maar dat de wet ondertussen op dat punt niet is gewijzigd. Dus
ik snap wat de heer Bushoff hier eigenlijk aan de minister vraagt,
namelijk om dit in overleg met het veld wel op een manier uit te werken
die voor de praktijk goed is. Ik weet echter niet helemaal zeker of dat
ook het uiteindelijke resultaat zou zijn. In het licht daarvan: zou het
dan goed zijn om in dat amendement toch nog een soort parlementaire
controle in te bouwen door middel van een voorhangprocedure?
De heer Bushoff (PRO):
Kijk, in eerste plaats het volgende. Laat glashelder zijn dat, mocht het
amendement worden aangenomen, het onderscheid tussen die vier
werkterreinen dat nu op voorstel van de regering wordt vastgelegd, uit
de wet geamendeerd is; dat wordt dan straks per AMvB vastgesteld. Dan is
in die zin dus het doel dat wij volgens mij delen, bereikt, namelijk dat
die vier werkterreinen niet zo rigide in de wet zijn vastgelegd, dus ook
als het gaat om het punt van de klinisch fysicus audiologie. Dat is het
eerste punt dat ik wil maken. Mocht het amendement worden aangenomen,
dan bereiken we dat doel dus al. Dan kan het nog zo zijn dat in de
uitwerking van de algemene maatregel van bestuur door het kabinet een
andere afslag wordt genomen dan dat wij en de beroepsgroep voor ogen
hebben. Ik ga daar niet van uit, vandaar mijn oproep om met het veld in
goed overleg te treden en tot een goede uitkomst te komen. Als het dan
nog nodig is om de AMvB via een lichte voorhangprocedure aan de Kamer
voor leggen, heb ik daar geen bezwaar tegen en lijkt me dat heel
prima.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Op dat laatste punt. Het zou de meest logische route zijn dat dit ook in
het amendement wordt geregeld. Ik heb een subamendement liggen. Dat is
misschien een vreemde figuur, dat kan, maar mijn verzoek aan u is om het
in het amendement zo te regelen dat ook de parlementaire controle
geborgd is.
De heer Bushoff (PRO):
Misschien is het de makkelijkste route om aan de minister te vragen of
zij bereid zou zijn om dat via een lichte voorhangprocedure aan de Kamer
voor te leggen en om haar te vragen of dat een raar figuur is in dezen
en of daar hele grote nadelen aan vastzitten. Ik denk het niet, ik kan
dat niet overzien, maar laten we die vraag bij de minister neerleggen en
het antwoord afwachten. Ik kan dan eventueel aan de hand van het
antwoord daarover met de mede-indieners in overleg treden.
De voorzitter:
Ik zie over en weer de bereidheid om tot elkaar te komen.
De heer Claassen is de volgende spreker in dit debat, namens de Groep
Markuszower. Aan u het woord.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. Een rijbewijs haal je en dat bewijst dat je op dat moment
mag rijden, maar dan geldt niet per definitie dat je ook goed kunt
rijden. Dat verschil loopt een beetje door het wetsvoorstel heen. Jaren
geleden stond ik zelf voor de klas en begeleidde ik studenten in het
skillslab, bij het monitoren van infusen bij oefenpoppen. Als je dat
niet goed deed, ging de pop dood. Dat kon om een verkeerde inschatting
gaan of om verkeerd communiceren; er waren allerlei redenen mogelijk. In
het onderwijs, en ook in de zorgverleningsberoepen, is het altijd de
vraag wanneer je bekwaam genoeg bent om bevoegd te zijn. De wet regelt
wel dat je bevoegd bent, door de opleiding, maar als je niet bekwaam
bent, of je niet bekwaam voelt, moet je soms dingen niet doen. En als
dat misgaat, ben je tuchtrechtelijk aansprakelijk. De
onderwijswetenschappen buigen zich altijd over de vraag wanneer iemand
bekwaam is. Daarbij speelt de context waarin je handelingen doet
natuurlijk een grote rol. Als de context verandert, kan het zijn dat
iemand wel bevoegd is, maar een stuk minder bekwaam, wat tot fouten kan
leiden.
Maar de Nederlandse Alliantie steunt wel de kern van dit voorstel, want
titelbescherming en tuchtrecht zijn hierin een investering in
patiëntveiligheid. Om die reden heb ik drie vragen. Ik zal die dadelijk
inleiden. Dit wetsvoorstel zet de medisch hulpverlener acute zorg in het
zwaarste deel van de Wet BIG: een beschermde titel, persoonlijk
aanspreekbaar voor het tuchtrecht. Daarvoor gelden twee ingangen. Ten
eerste dat je risicovolle handelingen op eigen indicatie mag verrichten.
Dat gaat hier niet op. De medisch hulpverlener werkt in opdracht van een
arts. Dan blijft de tweede ingang over en die kent vier toetsvragen. De
inspectie schrijft dat de onderbouwing daarvan zeer summier is en vraagt
de regering die te verbeteren. Voorzover ik dat kan overzien, is dat
niet gebeurd. Een student vroeg mij eens waarom zij een bepaalde
handeling op de intensive care wel mocht verrichten en op de
spoedeisende hulp niet. De nota antwoordt dat zo'n wisseling geen
gevolgen heeft voor de bevoegdheid. Daar zit dus mijn grote zorg. Het is
geen probleem in de bevoegdheid, maar in de bekwaamheid. Natuurlijk ligt
dat bij de individuele beroepsbeoefenaar zelf. Zo staat de bevoegdheid
in de wet, ligt de bekwaamheid bij de werkgever en de aansprakelijkheid
bij de beroepsbeoefenaar. Bij de aanpassingsstage en de proeve van
bekwaamheid, wat dat ook zou moge zijn, zegt de nota wie toetst, maar
niet waaraan.
Een. Waarom heeft de regering die vier toetsvragen niet alsnog
langsgelopen? Aan welke landelijke norm wordt bekwaamheid getoetst bij
een wisseling van zorgcontext of een proeve van bekwaamheid?
Twee. Dan de klinisch fysicus-audioloog. Op dit punt en op andere leg ik
in tweede termijn moties voor. Ik had eerst bedacht daarvoor een
amendement in te dienen, dat hangt er nog aan, maar bij dezen trek ik
dat in, omdat ik geprobeerd heb op vier punten een goed voorstel te
doen. Het is gesneuveld op het vierde punt en dat moet je elkaar niet
aandoen. Stel je voor dat hier een wet wordt aangenomen die net niet
klopt. Ik ga in tweede termijn proberen met een motie de regering een
bepaalde kant op te krijgen. Het amendement dat aan het wetsvoorstel
hing, is wat ons betreft ingetrokken.
Op dit punt en twee andere leg ik in de tweede termijn moties voor. Ze
vragen om erkende bekwaamheidsaantekening voor de audioloog, om
duidelijkheid over de norm bij overlappende bevoegdheid en om een
landelijk toetsingskader voor de aanpassingsstage en de proeve van
bekwaamheid. Het deskundigheidsoordeel over dit werkterrein staat
volgens de memorie van toelichting in een advies van februari 2023. In
het verslag wijzen meerdere fracties op de signalen van de Federatie
Medisch Specialisten en de NVKF over de beeldvorming van het binnenoor.
Op de vraag om opnieuw met het veld te spreken, antwoordt de regering
dat dat niet tot andere inzichten zal leiden. Het oordeel staat dus vast
voordat het gesprek is gevoerd. Bevoegdheid hoort te volgen uit
aantoonbare bekwaamheid en niet uit naam van differentiatie.
De tweede vraag is: is de regering bereid met de NVKF een erkende
bekwaamheidsaantekening voor dit werkterrein in te stellen en de Kamer
daarover binnen bijvoorbeeld zes maanden te informeren?
Mijn derde punt gaat over de verantwoordelijkheid. Het gaat mij niet om
de taakverdeling met de hoofdbehandelaar en niet om het verdelen van
aansprakelijkheid. Iedere beroepsbeoefenaar blijft verantwoordelijk voor
het eigen handelen. Bij een bestralingsplan gaat het om twee zelfstandig
bevoegde mensen, de arts voor het medisch beleid en de klinisch fysicus
voor de bestraling, en één patiënt. De memorie van toelichting schrijft
dat de arts dat advies volgt of daarover in overleg treedt. Wat er
gebeurt als zij het niet eens worden, staat er niet in. Wie dan waaraan
wordt afgemeten, blijkt pas als er een tuchtklacht is en dan is het te
laat. De voorzitters van de tuchtcolleges noemen de kostenraming
onjuist. Volgens de uitvoeringstoets gaat het om zestien te werven
beroepsgenoten en €162.000 per jaar, maar in de financiële paragraaf kan
ik daar niets over vinden. Dat leidt tot de derde vraag — als ik hem mag
afmaken: waar komt dat geld dan vandaan? Is de regering bereid vooraf
vast te leggen aan welke norm dat handelen wordt getoetst?
Ik rond af. Wij steunen tevens de digitalisering van het tuchtproces.
Dat was ook een onderdeel van de wet. Maar een evaluatiebepaling
ontbreekt. Wij hebben twee nieuwe registerberoepen die het terrein gaan
betreden. Op een rijbewijs staat niet alleen wat iemand mag, maar ook
wat hij heeft laten zien. Wie een aanhanger wil trekken, haalt daar een
aantekening bij. Deze wet legt de categorie vast en laat de aantekening
weg.
Op deze drie vragen hoor ik graag een antwoord van de minister. Ik hoop
ook op een toelichting op de evaluatiebepaling.
De voorzitter:
Dank aan de heer Claassen. Bij wetgeving hebben we een indicatieve
spreektijd. U bent iets over de inschatting heen gegaan. Even voor de
administratie: het amendement waar de heer Claassen op doelde, is het
amendement op stuk nr. 12. Dat is ingetrokken en maakt geen onderdeel
meer uit van de beraadslaging.
Het amendement-Claassen (stuk nr. 12) is ingetrokken.
We gaan luisteren naar de bijdrage van de heer Vervuurt aan het debat over deze wet. Hij doet dat namens D66.
De heer Vervuurt (D66):
Dank u wel, voorzitter. We staan hier vandaag voor een vrij technisch
onderwerp. Een wetswijziging waarmee we medisch hulpverlener acute zorg
en klinisch fysicus toevoegen aan de lijst van registerberoepen. Wat
mijn fractie betreft is dat een goede stap. Maar het is voor mij wel een
onderwerp met een persoonlijk tintje, want als afgestudeerd medisch
ingenieur heb ik in mijn opleiding veel van de klinische fysica
meegekregen. Ik heb ook gestudeerd met mensen die vandaag de dag
klinisch fysicus zijn. Ik weet dan ook van vrij dichtbij hoe de klinisch
fysicus bijdraagt aan technologische innovaties in de zorg en aan
effectieve toepassingen van die innovaties. En dan de medisch
hulpverlener acute zorg. Dat is een heel belangrijke professional, die
levensreddende zorg kan verlenen in ziekenhuizen, op de spoedeisende
hulp, op de hartbewaking en in ambulances.
Het zijn twee bijzonder waardevolle beroepen. En daarom wil ik degenen
van hen die hier vandaag op de tribune zitten of het debat op afstand
volgen, van harte bedanken voor hun inzet elke dag. Met de toevoeging
aan het register worden zij beter gereguleerd om de patiëntveiligheid te
borgen. Maar daarnaast is het wat mij betreft ook een stuk erkenning
voor deze belangrijke beroepen binnen ons zorgsysteem. Een hele goede
stap dus.
Tegelijkertijd ziet mijn fractie één belangrijk aandachtspunt bij deze
wetswijziging. Dat is het wettelijk vastleggen van de verschillende
werkterreinen voor de klinisch fysicus. Dat roept zorgen op, niet alleen
van collega-Kamerleden, maar ook breed uit het veld, onder andere van de
Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica, van UMCNL en de KNMG.
Juist vanuit persoonlijke ervaring en contacten zie ik hoe belangrijk
het is om dit goed in te regelen. Dat is ook de reden waarom wij het
voorstel doen om een amendement te maken, waar de heer Bushoff al aan
refereerde, om de werkterreinen van de klinisch fysicus niet in de wet
zelf vast te leggen, maar om die in te regelen via een AMvB. Daarmee
blijft de wettelijke basis stevig, terwijl de uitwerking sneller kan
worden aangepast aan de ontwikkelingen die er vandaag de dag zijn.
Daarmee houd je gelijke tred met de innovatie in het veld en met
ontwikkelingen in het beroep, de opleiding en de praktijk. Zo hoef je
niet iedere keer de wet te wijzigen, wat natuurlijk een vrij omslachtige
procedure is. Het geeft de mogelijkheid om beter in te spelen op dat
soort actualiteiten. Wij zijn dan ook heel blij dat de Nederlandse
Vereniging voor Klinische Fysica ons amendement heeft omarmd. Dat doet
ons goed. De NVKF riep ons als Kamer in een brief wel op om de
regelgeving op tijd te evalueren, om te bepalen of de gekozen uitwerking
van de werkterreinen in de praktijk nog steeds goed werkt en genoeg
ruimte laat voor innovatie. Wij horen graag of de minister kan toezeggen
dat er tijdig geëvalueerd wordt.
Voorzitter. Daarmee is wat ons betreft de richting helder. Die is:
veiligheid voor patiënten voorop, maar ook erkenning voor deze beroepen
en voldoende ruimte om te blijven aansluiten bij de praktijk. We kijken
uit naar de reactie van de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat leidt nog tot een vraag van mevrouw Maeijer, dus blijft
u nog even staan.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik heb aan de heer Vervuurt, als indiener van het amendement, eigenlijk
dezelfde vraag die ik net aan de heer Bushoff stelde. Ik vroeg collega
Bushoff of dit amendement niet zou moeten voorzien in een
voorhangprocedure, zodat de parlementaire controle gewaarborgd blijft.
Ik snap het doel van het amendement en ik zie dat het ondersteund wordt
vanuit het veld. Tegelijkertijd heb ik nog zorgen over de kritiekpunten
die de NVKF, ook in haar meest recente brief, nog steeds onderschreef.
Die gaan over betrokkenheid, maar ook over het niet uitsluiten van de
audioloog. Zal dat doel nu uiteindelijk bereikt worden, of wordt het
straks, oneerbiedig gezegd, copy-paste van de wetstekst naar de AMvB?
Want dan hebben we geen controle meer.
De heer Vervuurt (D66):
Op het moment dat we dit borgen in de algemene maatregel van bestuur
kunnen we in ieder geval sneller inspelen op de actualiteit, zoals ik
net al heb gezegd. Dan rest de vraag of je nu al moet zeggen dat er een
lichte voorhangprocedure bij moet, zodat de Kamer erin meegenomen wordt.
Dan sluit ik toch graag aan bij de woorden van de heer Bushoff: dit doen
we voor geen enkel ander beroep in de Wet BIG. Nu er discussie is op dit
punt, snap ik heel goed dat we daar goed over moeten nadenken. Maar ik
ben ook wel heel erg benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt en of zij
daar bezwaren of kansen in ziet. Dat is iets wat ik zwaar wil laten
meewegen in mijn overweging voor een mogelijk subamendement van uw
hand.
De voorzitter:
Daar horen we nog over. Mevrouw Maeijer, een vervolgvraag.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Goed. We horen de antwoorden van de minister nog. Volgens mij is het
overigens niet de eerste keer dat er een AMvB onder de Wet BIG wordt
voorzien van een lichte voorhang. Daar weet de minister waarschijnlijk
meer over dan ik, dus dat horen we graag. Nog even voor de helderheid,
voor mijn begrip en ook voor de afweging die ik straks maak: wat is het
doel van het amendement? Is het doel ook dat de discussie die nu blijft
bestaan over het al dan niet uitsluiten van de audioloog straks
ordentelijk wordt opgelost? Dat blijft voor mijn gevoel een beetje boven
de markt hangen, op welke manier het nu ook geregeld wordt.
De heer Vervuurt (D66):
U vraagt wat het doel van het amendement is. Als de minister een
algemene maatregel van bestuur instelt waarin zij dit soort dingen
reguleert, moet zij dat doen op basis van onder andere de adviezen van
het Zorginstituut, maar ook op basis van discussies met het veld zelf,
bijvoorbeeld met de beroepsvereniging. Mocht het in de wet komen, zoals
het oorspronkelijke voorstel was, of mocht het amendement worden
aangenomen, waarmee het via een AMvB gebeurt, dan denk ik dat het heel
erg belangrijk is dat die discussie in ieder geval gevoerd wordt. Want
het moet samen met het veld en ook op basis van de adviezen van het
Zorginstituut.
De voorzitter:
Helder. Dank u wel. Ik nodig mevrouw Wendel uit voor haar bijdrage aan
dit debat. Mevrouw Wendel spreekt namens de VVD.
Mevrouw Wendel (VVD):
Voorzitter. Of je jong of oud bent, of je vaak naar het ziekenhuis moet
of praktisch nooit: als je zorg nodig hebt, is het belangrijk dat je
kunt vertrouwen op veilige zorg van goede kwaliteit. Mensen moeten erop
kunnen vertrouwen dat zorgverleners voldoende gekwalificeerd zijn om
deze zorg te leveren. Daarom is het goed dat de Wet BIG er is. De Wet
BIG is namelijk in het leven geroepen om patiënten te beschermen tegen
ondeskundig en onzorgvuldig handelen door slecht opgeleide
zorgverleners. Het bewaakt en bevordert de kwaliteit van de
beroepsuitoefening. Zorgverleners kunnen zich alleen onder bepaalde
voorwaarden in het BIG-register inschrijven en dan het beroep
uitoefenen. Vandaag spreken we over het voorstel van de minister om de
medisch helpverlener acute zorg en de klinisch fysicus in het
BIG-register te laten opnemen. Laat ik maar meteen helder zijn: ik vind
het verfrissend om te kunnen zeggen dat we hier als Kamer eensgezind
over kunnen zijn. De VVD steunt het voornemen van de minister, maar doet
dit niet zonder kritische noot, zoals u vanavond ook al van andere
partijen gehoord hebt.
De minister stelt voor om klinisch fysicus in vier werkterreinen in te
delen. In het voorstel van de minister wordt de klinisch fysicus
audiologie uitgesloten van de bevoegdheid om te werken met ioniserende
straling. De VVD is het daar niet mee eens. Wij vinden het belangrijk,
zeker nu we kampen met personeelstekorten, dat we de zorgprofessionals
niet onnodig belemmeren in hun flexibiliteit. Ik wil de minister vragen
waarom zij de klinisch fysicus toch per se wil onderverdelen in vier
werkterreinen en daarbij de klinisch fysicus audiologie wil uitsluiten
van werkzaamheden met ioniserende straling. De VVD vindt het niet
noodzakelijk om de klinisch fysicus audiologie te beperken in de
bevoegdheid om te werken met die straling. Deze professionals zijn
hiertoe namelijk gewoon opgeleid en voeren dat soort werkzaamheden ook
al uit binnen de bestaande wettelijke kaders, waaronder het artikel in
de BIG waarin gesteld wordt dat een beroepsuitoefenaar uitsluitend
voorbehouden handelingen verricht als hij daartoe bekwaam is.
Door de klinisch fysici tegen de bestaande praktijk in onder te verdelen
in vier werkterreinen, helpen we de patiënt niet, maar maken we de
praktijk juist complexer en minder flexibel. Dat kan een belemmering
vormen voor innovatie en onbedoelde beperkingen opwerpen voor
professionals die aantoonbaar bekwaam zijn om de bedoelde werkzaamheden
uit te voeren. Om deze reden heb ik samen met de leden Vervuurt en
Bushoff een amendement ingediend waarin we voorstellen om de klinisch
fysicus als één beroep in de Wet BIG op te nemen, maar de werkterreinen
bij AMvB vast te stellen. Zo behouden we de ruimte die past bij de
snelle ontwikkelingen en de rol van de klinisch fysicus als innovator in
de zorg.
De voorzitter:
De heer Claassen heeft daarover een vraag.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ons zorgpunt zit vooral in de door mevrouw genoemde woorden "aantoonbaar
bekwaam". In mijn bijdrage had ik het erover dat de context waarin je
handelingen doet, bepaalt of je echt bekwaam bent. Als je het generiek
zou maken, hoe wil mevrouw Wendel dan regelen dat het aantoonbaar is dat
iemand die in een bepaalde context iets geleerd heeft, dat ook in een
andere context kan uitvoeren? Dat geldt overigens ook voor de MHAZ. Hoe
zou dat in de praktijk moeten werken?
Mevrouw Wendel (VVD):
Het simpele antwoord is wat mij betreft: zoals het nu in de praktijk al
werkt bij alle beroepen die in de Wet BIG op deze manier zijn
geregistreerd. In die wet zitten al waarborgen. Wat mij betreft kunnen
die waarborgen exact op dezelfde manier gelden voor de klinisch fysicus
en de medische hulpverlener acute zorg.
De voorzitter:
De heer Classen heeft een vervolgvraag.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Het verschil is dat op grond van artikel 3 de een zelfstandig bevoegd is
en de ander niet. Dat is op zich een heel groot verschil. Dat maakt voor
mevrouw Wendel blijkbaar niet uit.
Mevrouw Wendel (VVD):
Nou en of. Er zit een verschil tussen of je wel of niet die handelingen
zelfstandig mag uitvoeren. Maar het feit dat je bekwaam moet zijn, is
goed geregeld in de Wet BIG. Voor mij staat voorop dat de Wet BIG de
veiligheid van patiënten waarborgt. Volgens mij doen we dat absoluut op
deze manier.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Die bekwaamheid is op zich niet goed geregeld in de Wet BIG. De
bevoegdheid is geregeld in de Wet BIG. Bekwaamheid zegt eigenlijk dat
het aan de individuele hulpverlener is om te bepalen of hij, omdat hij
bevoegd is, ook bekwaam is. De vraag, die ik ook stelde in mijn eigen
inbreng, is: waar ligt dan de toetsnorm waaraan iemand kan staven of hij
bekwaam is, ondanks dat hij bevoegd is? Als hij niet bekwaam is, is hij
niet bevoegd.
Mevrouw Wendel (VVD):
De VVD vindt het belangrijk dat we met deze wetswijziging niet de
flexibiliteit, die deze beroepsgroep juist nodig heeft, eruit halen. Wij
zeggen: we moeten vertrouwen hebben in deze beroepsgroep. We leggen dit
vast in de Wet BIG. Het is belangrijk dat mensen bekwaam zijn en alleen
dan hun werk mogen uitoefenen als zij daartoe opgeleid zijn. Maar we
vinden het wel belangrijk dat de beroepsgroep flexibel blijft. Ik denk
dat we, juist door het amendement in te dienen waarop dit in een AMvB
wordt vastgelegd, de mogelijkheid behouden om de patiëntveiligheid goed
te waarborgen.
De voorzitter:
Dank aan mevrouw Wendel. De laatste spreker in dit debat is mevrouw
Maeijer. Zij spreekt namens de PVV. Aan u het woord, mevrouw
Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Het doel van de Wet BIG is het bewaken van de
kwaliteit en het beschermen van de patiënt tegen onzorgvuldig handelen.
De PVV steunt dan ook het toevoegen van de medisch hulpverlener acute
zorg en de klinisch fysicus aan het regime van artikel 3 van deze wet.
Wetgeving moet de praktijk echter wel ondersteunen, niet
bemoeilijken.
Voorzitter. De klinisch fysicus is een specialist die garandeert dat
levensreddende maar risicovolle technologieën, zoals geavanceerde
bestralingsapparaten en MRI-scanners, optimaal en veilig voor de patiënt
functioneren. Een klinisch fysicus audioloog is specifiek betrokken bij
patiënten met complexe gehoor- en evenwichtsproblemen. De medische
technologieën waar zij gebruik van maken, worden steeds complexer. De
verantwoordelijkheid van de klinisch fysicus groeit navenant. Artikel
3-registratie is hier zonder twijfel op zijn plaats, maar over de manier
waarop heeft mijn fractie nog wel een aantal vragen.
De minister kiest in het wetsvoorstel voor een rigide wettelijke
splitsing van het beroep in vier aparte werkterreinen, om vervolgens de
differentiatie audiologie categorisch uit te sluiten van de zelfstandige
stralingsbevoegdheid. Dat stuit op kritiek vanuit het veld. Daarom heb
ik de volgende vragen. Waarom is er gekozen voor het op wetsniveau
vastleggen van de afzonderlijke werkterreinen binnen het beroep? Waarom
kiest de minister hier voor een afwijking van de gebruikelijke
systematiek? Deelt de minister de kritiek dat dit het beroep minder
flexibel en minder toekomstbestendig maakt? Mijn fractie maakt zich ook
zorgen over de gevolgen voor regionale ziekenhuizen. Hoe gaat de
minister voorkomen dat zij hierdoor worden geraakt?
De klinisch fysicus in de audiologie wordt uitgesloten van de
bevoegdheid om met ioniserende straling te werken. Kan de minister nog
eens toelichten waarom zij hiertoe heeft besloten? Hoe verhoudt dat
besluit zich tot de eindconclusie en de uitdrukkelijke waarschuwing van
het Zorginstituut dat het maken van uitzonderingen binnen één
basisberoep ongewenst is en de complexiteit onnodig verhoogt.
Veldorganisaties hebben hier herhaaldelijk en uitgebreid op gewezen. Zij
verzetten zich ook tegen de negatieve deelconstatering over de
stralingsdeskundigheid van de audioloog uit het eerste advies van het
Zorginstituut. Zij schrijven bijvoorbeeld dat de klinisch fysicus
audioloog in opleiding 84 uur stralingsonderwijs krijgt en de verplichte
kwalificatie toezichthoudend medewerker stralingsbescherming bezit. Dat
is een veelvoud van de zes uur stralingsles die een basisarts in zijn
opleiding krijgt. Die arts krijgt wel de volledige zelfstandige
bevoegdheid. Kan de minister hier nog eens op ingaan?
Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 13 van de heer Vervuurt, de heer
Bushoff en mevrouw Wendel haalt de werkterreinen uit de wet en
verplaatst deze naar een AMvB. Dit voorkomt een rigide momentopname. Ik
begrijp dat de veldpartijen blij zijn met dit amendement, maar zij
vragen nog wel aandacht voor de uitwerking ervan. Zij willen
bijvoorbeeld een sterke betrokkenheid. Ze vragen ruimte voor
flexibiliteit en het niet uitsluiten van de audioloog. Is de minister
hiertoe bereid? Wat wordt de inzet van de minister als zij een AMvB moet
uitwerken? Worden het verschil van inzicht over de
stralingsdeskundigheid en de argumenten vanuit het veld dan ook
meegenomen? Zo nee, waarom niet?
Voorzitter, tot slot. Ik heb zojuist mijn collega's gevraagd of het
amendement dat ik net benoemde, ook niet zou moeten voorzien in een
voorhangprocedure. Ik heb daartoe zojuist een amendement ingediend,
zodat het voor de minister wat makkelijker wordt om daarop te reageren.
Gelet op de patstelling die ik eigenlijk beschrijf, vind ik het namelijk
van groot belang dat de Kamer grip blijft houden op dit proces en haar
controlerende rol kan uitvoeren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank aan mevrouw Maeijer. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de
eerste termijn aan de zijde van de Kamer. De minister vroeg tijd om dit
goed voor te bereiden voor haar beantwoording. Daar kan ik me alles bij
voorstellen. Ik zou 25 minuten willen schorsen. Dan gaan we om 20.35
uur, 20.36 uur luisteren naar de beantwoording van de minister. Dit
debat is geschorst tot 20.35 uur.
De vergadering wordt van 20.12 uur tot 20.39 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen dit debat. De minister staat er al helemaal klaar voor. We
gaan luisteren naar de beantwoording van de in eerste termijn gestelde
vragen. Ik geef het woord aan de minister.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Fijn om iedereen weer te zien. Sommigen zijn met
een wel hele frisse look terug van het reces, maar goed — dat heb ik ook
bij het vorige debat gezegd — dat iedereen weer in goede gezondheid hier
terug is.
Mevrouw Wendel zei het ook al: jong en oud willen natuurlijk graag dat
als ze iets overkomt en ze overgeleverd zijn aan medische zorg, ze erop
kunnen vertrouwen dat dat veilig is en dat dat een goede kwaliteit
heeft. Daarom hebben we deze wet. Dat is eigenlijk ook waar het vandaag
over gaat. Hoe zorgen we nou dat we rondom die beroepen die dit hele,
soms risicovolle, handelen moeten gaan uitvoeren, zeker weten dat dat
van goede kwaliteit is en veilig voor ons gebeurt?
In Nederland werken zo'n 1,6 miljoen mensen in zorg en welzijn. Van hen
zijn ongeveer 400.000 zorgmedewerkers ingeschreven in het BIG-register.
Dat betekent dat het grootste deel van de zorgprofessionals zijn werk
doet zonder wettelijke titelbescherming. Dat is ook precies de
bedoeling. Bij de vraag of opname in de Wet BIG noodzakelijk is, staat
steeds de patiëntveiligheid centraal. Is wettelijke regulering
noodzakelijk om, één, de patiënt te beschermen en, twee, de kwaliteit
van de beroepsuitoefening te borgen? De Wet BIG is daarbij geen middel
om een beroep of het werk zelf meer erkenning te geven of
financieringsproblematiek op te lossen. Bij de vraag of en hoe een
beroep wordt gereguleerd, kijken we daarom steeds vanuit het perspectief
van de patiënt en diens veiligheid. Onnodige regulering bevordert
namelijk niet die veiligheid, maar zorgt juist voor beperkingen in de
inzetbaarheid van zorgprofessionals, extra administratieve lasten en
hogere kosten. We weten allemaal: met het groeiende tekort aan handen in
de zorg is het nodig dat we zo veel mogelijk drempels wegnemen.
De Gezondheidsraad heeft in juni 2025 zijn advies uitgebracht over de
toekomstbestendigheid van de Wet BIG. De raad onderschrijft het
nee-tenzijprincipe en benadrukt dat de Wet BIG niet bedoeld is voor
andere doelen, zoals het organiseren van taakherschikking tussen
beroepen. Daarvoor bestaan namelijk andere instrumenten. Wat regelt het
wetsvoorstel waar we het vandaag over hebben en wat verandert het ten
opzichte van de huidige praktijk? Er zijn drie belangrijke hoofdlijnen.
Ten eerste: gerichte regulering, waarbij we alleen reguleren als dat
nodig is om de patiëntveiligheid te beschermen. Het nee-tenzijprincipe
is daarbij het uitgangspunt. Ten tweede: het verbeteren van de
consistentie van de Wet BIG. Daarom schrappen we ook artikel 36a van de
Wet BIG. Dat artikel was bedoeld om taakherschikking te faciliteren,
maar dat is niet het doel van deze wet. Ten derde: het versterken van
het toetsingskader voor de toekomst door een onafhankelijke instantie,
zoals ook geadviseerd door de Gezondheidsraad. Het Zorginstituut
Nederland werkt aan een nieuw kader voor beroepenregulering, dat naar
verwachting in het najaar van 2026 gereed is. Dit helpt ook om in de
toekomst zorgvuldig en consistent te beoordelen of regulering
noodzakelijk is.
Voorzitter. Tegen deze achtergrond ligt vandaag dit wetsvoorstel voor,
dat een blanco advies van de Raad van State kreeg. Voor twee
beroepsgroepen, de MHAZ, de medisch hulpverlener acute zorg, en de
klinisch fysicus, was de besluitvorming over opname in de Wet BIG al
geruime tijd in voorbereiding. Deze trajecten zijn gestart vóór de
adviesaanvraag aan de Gezondheidsraad en worden met dit wetsvoorstel
zorgvuldig afgerond binnen het bestaande kader. Waarom is dit
belangrijk? Met dit wetsvoorstel borgen we dat alleen gekwalificeerde
professionals deze titels mogen voeren. We regelen registratie in het
BIG-register en brengen deze beroepsgroepen onder het publiek
tuchtrecht. Daarmee beschermen we patiënten tegen ondeskundig en
onzorgvuldig handelen. Tegelijkertijd blijven we trouw aan het
uitgangspunt dat regulering niet verder mag gaan dan nodig is.
Voorzitter. Dit wetsvoorstel laat zien waar de Wet BIG voor bedoeld is,
namelijk het beschermen van patiënten en het borgen van kwaliteit voor
individuele beroepsuitoefening, niet meer en ook niet minder. De Wet BIG
is niet bedoeld om een beroep te erkennen of beter de positioneren, maar
juist om de patiënt te beschermen waar dat noodzakelijk is.
Voorzitter. Dan wilt u vast weten of ik nog blokjes heb. Ik heb er drie,
waarvan één vrij uitgebreid en de rest, denk ik, heel kort. Ik begin met
de klinisch fysicus, dan de medisch hulpverlener acute zorg en dan
vragen rond buitenlands gediplomeerden.
De voorzitter:
Voordat u daaraan begint, is er een interruptie van de heer
Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Die heeft te maken met de inleiding die de minister hield. Ik heb op
twee onderwerpen een verduidelijkende vraag.
De eerste gaat over het volgende. De minister liet zich iets ontvallen
als: we hebben mensen nodig in de zorg. Ik vraag me af hoe deze
wetswijziging ertoe moet bijdragen dat we meer mensen in de zorg
krijgen. Ik zie het niet, maar de minister misschien wel.
Ten tweede zei de minister dat de Wet BIG niks doet, omdat het een
centenkwestie is. Ik twijfel daar deels aan. Het gaat bij de Wet BIG
bijvoorbeeld over zelfstandige bevoegdheid. Dat betekent dat
bijvoorbeeld de mondhygiëniste, als die dat zou willen, zelfstandig een
eigen praktijk mag hebben. Die heeft dan niet de hulp van een tandarts
nodig en kan de praktijk uitbreiden. Die kan veel meer dingen gaan doen
en andere zaken gaan declareren. Dus zomaar zeggen dat de Wet BIG niet
gekoppeld is aan financiën voor de zorgverlener, gaat volgens mij niet
helemaal op.
Minister Sterk:
Die eerste vraag stelt dat ik de wet die we vandaag behandelen zou
hebben gemaakt omdat die zou leiden tot meer mensen in de zorg. Dat is
niet waar dit wetsvoorstel over gaat. Ik zei dat in de volgende context.
Je moet altijd goed bekijken hoe je zo min mogelijk drempels opwerpt,
zodat zo veel mogelijk mensen makkelijk in de zorg kunnen gaan werken.
Maar we constateren ook dat als professionals ingrijpende handelingen
kunnen verrichten bij patiënten, dat wel veilig moet gebeuren. Dat wil
je geborgd hebben. Vanuit die optiek menen wij nu — dat doen we trouwens
op advies van het Zorginstituut; dat is niet mijn eigen opvatting — dat
het goed is om deze twee beroepsgroepen op te nemen in de Wet BIG.
De voorzitter:
Meneer Claassen, heeft u een vervolgvraag?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, maar dit was alleen het antwoord op de eerste vraag die ik had. Ik
had het in mijn bijdrage ook over de vraag hoe dit dan werkt. Als
antwoord op de eerste vraag zegt de minister nu het volgende over die
Wet BIG. Ik kan het niet helemaal goed citeren, maar ze zegt dat de
kwaliteit per definitie beter wordt door dit te doen. Hoe zou dat dan
moeten werken?
Minister Sterk:
Enerzijds is het zo dat wordt vastgelegd aan welke opleiding er moet
worden voldaan. Iedereen die met een bepaalde beroepstitel
BIG-geregistreerd wordt, heeft hetzelfde type opleiding gehad. Iedere
vijf jaar moet met die herregistratie opnieuw aangetoond worden dat
iemand inderdaad heeft gewerkt op het werkterrein waarvoor die staat
ingeschreven, en in die zin ook bekwaam is.
De voorzitter:
Meneer Claassen, tot slot.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dit gaat nog steeds over de eerste vraag, hè? Ja, hoor ik. Dat is ten
dele zo, want mensen uit het veld die ik spreek, bijvoorbeeld iemand die
de MHAZ heeft gedaan en op de eerste hulp werkt, zijn geen
verpleegkundigen. Zo iemand kan dus ook niet verpleegkundig redeneren en
kan niet zelf tot verpleegkundige diagnostiek en de daarbij behorende
interventies komen. Maar we hebben het hier dus alleen over het
interventieniveau — dat regelt de Wet BIG — dus de vraag welke
handelingen iemand dan mag uitvoeren. Dat mag dan in de context van de
SEH; laten we dit als voorbeeld nemen. Als iemand naar de ic gaat,
hebben we een nieuwe context en dat betekent in de praktijk toch vaak
dat aanvullend dingen aangeleerd moeten worden. Het gaat dan om een
bepaalde context, misschien ook om iets andere handelingen; dat moet
apart worden beoordeeld. Dat kan met behulp van EPA's en op andere
manieren. Daar is het werkveld ook nog niet helemaal uit en dat is nog
erg onduidelijk. Er wordt op dat niveau bepaald of iemand het in die
context mag; iemand die er volgens de MHAZ en de Wet BIG wel toe bevoegd
is, is toch niet bekwaam, omdat die wisselt van context. In die zin
regelt de wet dat natuurlijk helemaal niet.
Minister Sterk:
Dit is eigenlijk al het blokje MHAZ, maar misschien kunnen we dat dan
meteen even bij de kop pakken. Dan ga ik toch even een beetje college
geven. U heeft het over bevoegdheid en bekwaamheid. Dat zijn inderdaad,
zoals u ook zegt, twee verschillende dingen. Als je bevoegd bent,
betekent dat dat je een handeling mag uitvoeren; je hebt daarvoor de
juiste opleiding, een diploma en een wettelijke erkenning in de BIG.
"Bekwaam" betekent dat je die handeling ook daadwerkelijk veilig en goed
kunt uitvoeren; je hebt voldoende kennis, vaardigheden en ervaring. Een
voorbeeld is het volgende. Een MHAZ kan bevoegd zijn om een injectie te
geven, bijvoorbeeld op de SEH, omdat dit binnen de opleiding en de
functie valt, maar als diegene de handeling al lange tijd niet heeft
uitgevoerd en de vaardigheid niet meer beheerst, kan die persoon
niet-bekwaam zijn. Bekwaamheid is altijd contextafhankelijk; dat zegt
Kamerlid Claassen eigenlijk ook. Bij een nieuwe werkomgeving worden
zorgprofessionals ingewerkt en waar nodig bijgeschoold. Dit staat los
van de wettelijke bevoegdheden op grond van de Wet BIG, maar de
werkgever is wel verantwoordelijk voor de bekwaamheid en moet deze ook
toetsen. Dat is dus inderdaad niet iets wat in deze wet wordt bepaald,
maar het is wel de verantwoordelijkheid van de werkgever om dat te
doen.
Die functionele zelfstandigheid van de MHAZ geldt generiek binnen de
acute zorg en verandert niet bij een wisseling van de zorgsetting. De
MHAZ werkt in spoedeisende en vaak levensbedreigende situaties waarin
snel handelen noodzakelijk is en daarbij worden risicovolle en
voorbehouden handelingen verricht. Daarom is het voor de
patiëntveiligheid van belang dat alleen opgeleide en bekwame
beroepsbeoefenaren deze handelingen uitvoeren. Opname in artikel 3 maakt
die registratie in het BIG-register en de toepassing van
publiekrechtelijk tuchtrecht mogelijk, maar de werkgever is
verantwoordelijk in het kader van de Wet kwaliteit, klachten en
geschillen zorg voor goede zorg en bekwame medewerkers.
De voorzitter:
Is dat een antwoord op de door u gestelde vraag, vraag ik aan meneer
Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja en nee. Ik had nog een tweede vraag, maar even afrondend over die
eerste vraag. Prima, hoor: als ik straks weer terug het onderwijs in ga
en ik iemand zoek die de Wet BIG wil uitleggen, dan zal ik minister
Sterk zeker uitnodigen om dat te komen doen, want ik weet het allemaal
al. Maar u hoeft het mij niet uit te leggen. De vraag is of nu voldoende
geborgd is dat dat gebeurt. Ik reageer op het feit dat de minister er
nogal stellig over is dat het een vanzelfsprekendheid is dat die
kwaliteit bij wisselingen van context geborgd is. Ik maak me er zorgen
over of dat wel zo is.
Minister Sterk:
Die signalen herken ik niet. Nogmaals, we hebben ook in de wet geregeld
dat de werkgever daar ook op moet toezien. Dat is ook gewoon een
verantwoordelijkheid die bij de werkgever is neergelegd. Ik herken de
signalen dus niet.
De voorzitter:
U heeft over een ander punt een vraag?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik wil niet het hele debat gaan stelen, hoor, helemaal niet.
De voorzitter:
Jaja.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
We moeten alle blokjes goed kunnen volgen. De minister had het erover
dat het geen centenkwestie is. Ik wil daartegen inbrengen dat als een
zorgverlener zelfstandig bevoegd is en dus een eigen praktijk kan hebben
en zelfstandig dingen kan doen, daar andere declaraties bij horen. Ik
gaf de mondhygiënist als voorbeeld. Als dat voor hem zou gelden — het is
niet zo — kan die dus zelfstandig interventies en behandelingen
uitvoeren. Dat levert wel geld op, want dan kan hij declareren. Er wordt
te stellig gezegd dat de Wet BIG niks met centen te maken heeft; ik wil
dat dus weerleggen door te zeggen dat dat wél zo zou kunnen werken.
Minister Sterk:
Kijk, de Wet BIG heeft niet te maken met centen in die zin dat de Wet
BIG gaat over patiëntveiligheid en kwaliteit. Dat daar soms een
financieel label aan wordt geplakt, is niet wat deze wet beoogt in
zichzelf.
De voorzitter:
Helder. Nu ben ik even het spoor bijster. Wat gaan we doen?
Minister Sterk:
Voorzitter, ik ga u helpen. Wij gaan nu door naar het blokje klinisch
fysicus. Het blokje MHAZ hebben we inmiddels gehad.
De voorzitter:
Oké, dan hebben we dus nog twee blokjes over, zeg ik ook even richting
andere leden die nog vragen hebben over MHAZ. Dat moet dan nu. Dat is
niet het geval; dan gaan we naar klinisch fysicus.
Minister Sterk:
Daar zijn heel veel verschillende vragen over gesteld. Ik wil ze
eigenlijk proberen samen te vatten om een beetje de lijn aan te geven
van de redenatie die wij hierin hebben gevolgd. De keuze die wij nu
maken in dit wetsvoorstel door de klinisch fysicus op te nemen in
artikel 3 maar de klinisch fysicus-audioloog uit te zonderen van de
voorbehouden handeling, hebben wij gebaseerd op een wetstraject dat is
gebaseerd op de twee adviezen van het Zorginstituut, één uit februari
2023 en één uit juli 2024. Uit het eerste rapport blijkt dat de klinisch
fysicus, met uitzondering van de klinisch fysicus-audioloog, over de
nodige deskundigheid beschikt om een voorbehouden handeling op het
gebied van radioactieve stoffen of toestellen die ioniserende stralen
uitzenden zelfstandig te indiceren, uit te voeren en te delegeren. De
klinisch fysicus audiologie voert volgens het rapport geen voorbehouden
handeling uit en beschikt niet over de nodige deskundigheid om de
voorbehouden handeling te indiceren, uit te voeren of te delegeren. Dat
hoort namelijk bij dat artikel 36, waar ze dan onder komen. Daarmee
voldoen ze dus ook niet aan het voorbehoudenhandelingencriterium. Dat is
de reden waarom we deze voorbehouden handeling dus niet toekennen.
Dit is volgens mij een heel zorgvuldig traject geweest, waarbij er twee
keer adviezen zijn geweest, in 2022 en 2024. Toen is dat ook besproken,
ook met de beroepsvereniging en met de MFZ. Daar is toen eigenlijk
helemaal geen commentaar op gekomen. Ook de Raad van State heeft een
blanco advies gegeven, dus wij zijn in die lijn doorgegaan en hebben dit
op deze manier ook in het wetsvoorstel vormgegeven. Het Zorginstituut is
wettelijk verplicht om ons als kabinet en mij als minister te adviseren.
We laten het juist door het Zorginstituut doen, omdat dit een
onafhankelijk orgaan is. Dat moeten wij niet zelf als kabinet op basis
van allerlei politieke voorkeuren doen, maar dat doen wij omdat dat een
onafhankelijk orgaan is. Daarom volg ik ook de lijn die zij kiezen en
zijn wij ertoe overgegaan om dit op deze manier in deze wet te doen. Nu
was er ook wel discussie over de vraag of het toch niet verstandig zou
zijn om het, voor als het toch zou wijzigen, in lagere wetgeving te
plaatsen. Opleidingen en de eisen die daaraan worden gesteld, kunnen
bijvoorbeeld wijzigen. Dat vind ik eigenlijk best een redelijke vraag.
Ik denk dat dat ook misschien wel wenselijk is. Dan blijft wel nog
steeds het uitgangspunt dat we de scheiding maken in de manier waarop we
binnen die werkterreinen die voorbehouden handeling hebben geregeld,
omdat ik het advies van het Zorginstituut wil volgen. Het geeft echter
wel de mogelijkheid dat het Zorginstituut ernaar kijkt als er op een
gegeven moment signalen zijn dat bijvoorbeeld de opleidingseisen zijn
veranderd. Als het Zorginstituut vaststelt dat er nu inderdaad wel een
bekwaamheid is of dat er een bevoegdheid ontstaat om die handeling te
doen, kan dat via die AMvB opgenomen worden. Dan was er ook nog de vraag
of we daar dan geen voorhang voor de Kamer van kunnen maken. Volgens mij
zou dat enorm remmend werken bij dit hele proces. Het gaat niet om een
politieke voorkeur; het gaat om een advies van het Zorginstituut dat we
hier vormgeven. Dat advies kan ook weer veranderen op het moment dat de
situatie verandert. Dat zouden we dan dus kunnen doen via de AMvB die u
hier ook in een amendement heeft voorgelegd.
Voorzitter. Dan kijk ik even naar de vragen die verder nog zijn gesteld
en die ik misschien nu nog niet heb beantwoord.
De voorzitter:
Even om het expliciet te maken: we hebben het amendement op stuk nr. 13
en tijdens het debat is ook het amendement op stuk nr. 14 ingediend.
Misschien kunt u uw oordeel daarover wat explicieter maken.
Minister Sterk:
Ik weet niet de precieze nummers. Het amendement van de heer Bushoff en
de heer Vervuurt, dat toeziet op het verplaatsen naar de AMvB, is wat
mij betreft oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dat is het amendement op stuk nr. 13.
Minister Sterk:
Ja. Het amendement op stuk nr. 14 over de voorhang moet ik ontraden.
De voorzitter:
Het amendement-Maeijer op stuk nr. 14 over de lichte voorhang:
ontraden.
Minister Sterk:
Ik hoop dat ik even mijn blokje mag afmaken voordat er vragen worden
gesteld, voor de volledigheid.
De voorzitter:
Ja. Laten we dat doen.
Minister Sterk:
Dan was er een vraag van mevrouw Wendel. Zij vraagt waarom ik het dan
toch per se wil onderverdelen in vier werkterreinen. Dat is niet mijn
keuze. Het werk van de klinisch fysicus bestaat gewoon uit vier
werkterreinen. Dat is het enige wat we hier vastleggen. Maar wij zeggen
dat er op één werkterrein geen sprake is van werken met ioniserende
straling en de kennis daarover, en dat het daarom niet onder dat artikel
36 kan gaan vallen.
Dan vroeg de heer Bushoff ook naar die lichte voorhang. Daar heb ik net
antwoord op gegeven. U vroeg trouwens ook of ik dan met de beroepsgroep
wil overleggen over de inhoud van de AMvB. Ja, dat wil ik toezeggen,
want in zo'n AMvB ga je natuurlijk ook vastleggen wat precies de
opleidingseisen zijn. Natuurlijk is het goed om dat samen met de
beroepsgroep te doen. Die toezegging wil ik dus doen.
De heer Vervuurt vroeg ook nog of ik bereid ben om dat dan te evalueren,
als dat in die AMvB komt. Ik wil dat niet over drie jaar evalueren. Dat
is gewoon niet proportioneel en past ook niet bij de generieke en
onafhankelijke systematiek die wordt toegepast. Het zou bovendien een
precedent scheppen voor andere afzonderlijke beoordelingsroutes. De
klinisch fysicus zal worden meegenomen in de periodieke herbeoordeling
van de BIG-beroepen door het Zorginstituut. Daarbij zal het
Zorginstituut ook de werkterreinen bezien. Zoals ik net al zei: als er
eerder signalen zijn dat de kwaliteit van de beroepsuitoefening of de
patiëntveiligheid in het geding is, kan het Zorginstituut deze signalen
vanuit zijn onafhankelijke taak beoordelen en de minister adviseren over
de noodzaak om de regulering opnieuw te bezien of om daarin iets te
wijzigen.
Dat is eigenlijk ook een antwoord op de vraag van de heer Claassen of ik
bereid ben om met de NVKF in gesprek te gaan om de
erkendebekwaamheidsaantekening in te stellen en de Kamer daarover over
zes maanden te informeren. U wilt die individuele beroepsbeoefenaar
eigenlijk als norm nemen, maar dat past gewoon niet binnen de
systematiek van de Wet BIG. Daar kan niet zomaar een zelfstandige
bevoegdheid aan toegekend worden. Daar kan ik dus helaas niet aan
tegemoetkomen.
Mevrouw Maeijer had ook nog de vraag hoe de minister gaat voorkomen dat
de regionale ziekenhuizen hierdoor worden geraakt. Ik denk dat het goed
is om hier toch even te benoemen dat het wetsvoorstel de inzet van
klinisch fysici niet beperkt en ook geen gevolgen heeft voor de
regionale ziekenhuizen. Het wetsvoorstel brengt immers geen wijziging
aan in de huidige praktijk, maar kent alleen een zelfstandige
bevoegdheid toe en introduceert geen nieuwe beperkingen. We verruimen
dus en we beperken niks. Het wordt dus niet minder dan de situatie zoals
die nu is. Door het aan de klinisch fysicus, met uitzondering van de
audioloog, toekennen van een zelfstandige bevoegdheid om te werken met
ioniserende straling wordt de inzetbaarheid van een grote groep klinisch
fysici verruimd. Gelet op de aard van de risicovolle voorbehouden
handelingen kent het wetsvoorstel een specifieke bevoegdheid toe ter
borging van de patiëntveiligheid en de kwaliteit van de individuele
beroepsbeoefenaar. De flexibiliteit en de brede inzetbaarheid die
essentieel zijn voor de continuïteit en de kwaliteit van zorg, blijven
daarmee behouden.
Ik heb zojuist ook aangegeven waarom ik op zich best bereid ben om dit
ook in lagere regelgeving vorm te geven, zoals mevrouw Maeijer
vroeg.
Ten slotte de vraag van mevrouw Maeijer of ik de kritiek deel dat het
beroep minder flexibel en minder toekomstbestendig wordt. Nee, die
kritiek deel ik niet. Bij veel innovaties en de inzet van nieuwe
technologieën gaat het niet om voorbehouden handelingen. Deze worden dan
ook niet gereguleerd in de Wet BIG. Door alleen te reguleren wat
noodzakelijk is, vinden er geen onnodige restricties plaats die het
aantal potentiële zorgmedewerkers of de flexibiliteit en de mobiliteit
kunnen beperken.
Dat was dit blokje, voorzitter.
De voorzitter:
Dan kijk ik even of er vragen zijn vanuit de zaal. Ik geef het woord
eerst aan de heer Claassen voor een vraag.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb een vraagje over het antwoord over de lichte voorhang. Een lichte
voorhang vind ik een goed idee, maar het antwoord van de minister was
dat het eigenlijk allemaal lastig is, omdat het werkveld verandert en
omdat we het Zorginstituut Nederland hebben. Met andere woorden, we
kunnen de Tweede Kamer net zo goed afschaffen, want we hebben als
overheid een heleboel instanties in het leven geroepen die het voor ons
regelen. Dat is eigenlijk de afdronk van dat antwoord. Volgens mij kan
de Kamer ook wetten maken en veranderen. Volgens mij is dat onze
opdracht. Als het nodig is, moeten wij dat toch gewoon doen?
De voorzitter:
Dat is een hele filosofische vraag.
Minister Sterk:
Ja! Ik wil natuurlijk niks afdoen aan — hoe moet ik dat zeggen? — de
zwaarte van de Tweede Kamer. Uiteindelijk bent u degene dit land
eigenlijk regeert, want ... Ja, ik bedoel de Tweede Kamer; ik kijk naar
u, voorzitter, als Tweede Kamer.
De voorzitter:
Ja.
Minister Sterk:
Ik sta hier aan de kant van het kabinet. Het is ook een advies, hè, dat
wij als kabinet geven over uw amendement. Het is aan u wat u daarmee
doet. Ik probeer alleen aan te geven dat ik in het amendement dat beoogt
om de werkterreinen in lagere regelgeving vast te leggen via een AMvB in
overleg met de beroepsgroep, een voordeel zie in de zin dat het
flexibeler is om het aan te kunnen passen. Alleen denk ik dat een
voorhang ons vertraagt in de snelheid die we willen maken, en in die zin
niets toevoegt. Maar dat is uiteraard aan de Tweede Kamer.
De voorzitter:
Dan de heer Bushoff, ook met een vraag naar aanleiding van de
beantwoording in dit blok.
De heer Bushoff (PRO):
Het is op zich fijn om te horen dat de minister zegt: om de
flexibiliteit te bewaren, gaan we die vier werkterreinen niet in de wet
vastleggen, maar gaan we dat in lagere regelgeving doen. Alleen had ik
nog wel de volgende vraag aan de minister. Kan het wel zo zijn dat er in
die lagere regelgeving, dus in die algemene maatregel van bestuur,
andere werkterreinen worden vastgelegd of een andere verdeling van de
werkterreinen wordt vastgelegd dan wat er oorspronkelijk in de wet
stond? Of gaat de minister zo meteen exact wat in de wet stond, ook in
die AMvB opschrijven?
Minister Sterk:
Er komt geen andere indeling van werkterreinen, want die vier
werkterreinen zijn gewoon vastgesteld. Dat is niet een keuze die wij
maken. Alleen maak ik inderdaad één uitzondering, namelijk voor de
voorbehouden handeling. Dat is wat ik op die manier in de AMvB wil
zetten. Alleen op het moment dat blijkt dat er wijzigingen komen voor de
klinisch fysicus-audioloog en de beroepsgroep aan het Zorginstituut het
signaal geeft "kijk, het is nu anders geregeld", dan moet het
Zorginstituut dat opnieuw beoordelen. Ik ga af op het oordeel van het
Zorginstituut, en dat zou kunnen leiden tot aanpassing van die AMvB.
De voorzitter:
De heer Bushoff voor een vervolgvraag.
De heer Bushoff (PRO):
Ja, een vervolgvraag. De minister schermt best vaak met het advies van
het Zorginstituut. Dat is op zichzelf heel logisch en ook
geruststellend. In dat advies van het Zorginstituut staat: "Toch
adviseert het Zorginstituut de gehele beroepsgroep klinisch fysicus in
artikel 3 van de Wet BIG op te nemen. Een onderscheid tussen de
differentiaties van het beroep klinisch fysicus zal de complexiteit van
de beroepsregulering verhogen. Mocht overigens een zelfstandige
bevoegdheid tot het verrichten van de handeling met ioniserende straling
aan de gehele beroepsgroep worden toegekend, dan geldt altijd nog het
principe van 'bevoegd mits bekwaam'." Als je dat stuk van het advies van
het Zorginstituut volgt, zou je dus ook tot een andere afweging kunnen
komen dan wat de minister ons nu voorspiegelt. Zou de minister bereid
zijn om, gegeven dit deel van het advies van het Zorginstituut, toch nog
eens met de beroepsgroep te kijken wat nou de meest praktische invulling
van die algemene maatregel van bestuur is?
Minister Sterk:
Ik volg de lijn van het Zorginstituut, en volgens mij stelt het
Zorginstituut dat het belangrijk is om in artikel 3 gewoon de klinisch
fysicus op te nemen, dus alle vier de werkterreinen die de klinisch
fysicus beslaat. Maar dit gaat over de vraag aan wie je voorbehouden
handelingen toekent, en dat zit eigenlijk in een ander artikel. Dat
wordt namelijk geregeld óf via artikel 36 óf via artikel 39. Wij kiezen
er hier dus voor om die drie werkterreinen wel onder artikel 36 te laten
vallen, maar het werkterrein van de klinisch fysicus-audioloog niet. Dat
staat dus los van de artikel 3-discussie.
De voorzitter:
Ja. Tot slot de heer Bushoff.
De heer Bushoff (PRO):
Ja, tot slot. Dat snap ik. Mijn punt is alleen dat in datzelfde advies
van het Zorginstituut ook wel degelijk wordt gesproken over het
toekennen van die handeling met ioniserende straling aan de gehele
beroepsgroep, en dat het Zorginstituut zegt: "Dat zouden wij ook kunnen
volgen, want dan geldt nog steeds altijd het principe van 'bevoegd mits
bekwaam'." Ik lees het letterlijk voor. Ik vind dus dat de minister in
die zin het advies vrij eenzijdig uitlegt. Ik ben benieuwd waarom zij
dit deel van het advies dan niet volgt. Daar is ze nog niet op
ingegaan.
Minister Sterk:
Ik stel voor dat ik daar in tweede termijn nog even op terugkom.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik heb een aantal vragen. Ten eerste heb ik enigszins moeite met de
uitspraak dat de beroepsgroepen ten tijde van de consultatie geen
bezwaren kenbaar hebben gemaakt. Die zin kwam ook elke keer terug in de
nota naar aanleiding van het verslag en de minister zei het zonet weer.
Dat ging dan over het uitsluiten van de audioloog. Ik begrijp niet zo
goed waarom de minister dat maar blijft herhalen, terwijl er nu toch
vele brieven zijn binnengekomen die juist op dit punt bezwaar maken. Ik
wil dat toch even gezegd hebben. Ik vind het een gekke redenering, want
die bezwaren zijn er wel degelijk. Ik zou de minister willen meegeven
dat, ook al komen bezwaren op een later moment, wetten altijd kunnen
worden gewijzigd en overleggen altijd nog kunnen worden gevoerd. Het is
nooit te laat om tot een ander inzicht te komen.
Dat gezegd hebbend, wil ik enigszins voortborduren op de vraag van zonet
van de heer Bushoff. De minister baseert zich op het advies van het
Zorginstituut, maar dat zegt ook dat differentiatie binnen de
beroepsgroep ongewenst is. Ik sluit me aan bij de opmerking van de
collega dat het een vrij eenzijdige interpretatie is van het advies. De
minister gaf net aan dat nieuwe signalen vanuit de beroepsgroep zouden
kunnen leiden tot een nieuwe adviesvraag, een nieuwe beoordeling van het
Zorginstituut. Is dit dan niet het moment om zo'n advies te vragen? Het
uitwerken van de AMvB met de beroepsgroep heeft straks ook inhoudelijk
meer zin, lijkt me. Anders wordt het volgens mij gewoon een copy-paste
van wat er nu in de wetstekst staat; dat zetten we straks in de AMvB en
dan gaan we allemaal slapen.
Minister Sterk:
Kijk, het belangrijkste is dat wij het advies van het Zorginstituut
volgen. Dat is waarom wij ervoor kiezen om het op deze manier in de wet
te zetten. Ik heb alleen aangegeven dat het natuurlijk wel bijzonder is
dat er geen enkele kritiek op komt terwijl je al heel lang met zo'n
traject bezig bent en in overleg bent met de beroepsgroep. We zijn al
vanaf 2018 bezig en vanaf 2022 hebben er gesprekken over dat advies
plaatsgevonden met de beroepsgroep. In 2024 is het opnieuw gedaan en
toen kwam er ook geen kritiek op. En nu het af is komt er ineens wél
bezwaar op een voornemen dat toen ook al bestond. Dat is niet leidend —
het uitgangspunt blijft het Zorginstituut — maar het is wel opmerkelijk.
Dat is waarom ik het hier ook noem. Als dat eerder was ingegeven, hadden
we daar misschien ook anders naar kunnen kijken. Het Zorginstituut heeft
het op deze manier in die twee adviezen vastgesteld. Dat is de lijn die
wij hier aanhouden.
De voorzitter:
Mevrouw Maeijer, een vervolgvraag.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik vind dat toch een beetje ingewikkeld, want we constateren enerzijds
dat dit bij uitstek een veld is dat zich ontwikkelt, dat innoveert en
dat werkt met innovaties. Tegelijkertijd is dit heel star. We houden
vast aan wat ten tijde van internetconsultaties is ingebracht. Ik snap
dat het misschien praktischer was als het toen was ingebracht — dat kan
ik me zo voorstellen — maar een wet waarover nog niet is gestemd, kan
gewoon worden gewijzigd of daar kan goed over gesproken worden als er
veel signalen komen dat dit niet de juiste manier is om dit uiteindelijk
wettelijk vast te leggen. Ik begrijp de starre houding oprecht niet.
Minister Sterk:
Wij hebben een Zorginstituut dat de wettelijke taak heeft om ons te
adviseren. Dat advies volgen wij hierin. Daar kunt u wat van vinden,
maar dat is wel de weg die wij kiezen. Nogmaals, het is ook niet zo dat
het Zorginstituut dat helemaal eigenstandig heeft bedacht, want er is
heel veel overleg geweest in al die jaren op verschillende momenten. De
stukken zijn op verschillende momenten ook besproken. Het is dus niet zo
dat het helemaal geïsoleerd van iedereen die ermee te maken krijgt, is
gekomen. Daarom ben ik ook wel wat verrast door het verzet dat nu ineens
helemaal aan het eind van het traject ontstaat. Het Zorginstituut heeft
vastgesteld dat dit werkterrein niet een voorbehouden handeling doet en
daarmee dus ook niet in aanmerking komt om onder artikel 36 te komen. Ik
val een beetje in herhaling, voorzitter, denk ik.
De voorzitter:
Ja. Mevrouw Maeijer, u gaat er als Kamer over. We hebben amendementen
waarover we gaan stemmen. Ik wil maar zeggen dat u, zoals de heer
Claassen net zei, als medewetgever hierbij aan het roer staat. Maar stel
uw vraag.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Voorzitter, u brengt mij nu een beetje van mijn à propos. Dat was
misschien de ontregelmodus om minder vragen te stellen.
De voorzitter:
Nee hoor.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Waar mijn zorg gewoon zit … Aan de ene kant kun je die AMvB zien als een
nieuw moment waarop we juist de nu ingebrachte zorgen opnieuw kunnen
wegen, indachtig het advies van het Zorginstituut, maar ook indachtig
het feit dat dat advies tweeledig is. Aan de ene kant is er het deel
waar de minister zich vooral op beroept, maar aan de andere kant is er
ook het deel dat zegt dat het beroep niet onnodig uit elkaar getrokken
moet worden — dat zijn even mijn eigen woorden — en zijn er de bezwaren
die er nu zijn. Dus het zou ook een nieuw weegmoment kunnen zijn voor de
minister. Ik zou toch willen vragen hoe de minister nou straks de
invulling van de AMvB voor zich ziet. Ik had daar in mijn tekst ook een
aantal vragen over gesteld. In de nota naar aanleiding van het verslag
zegt ze eigenlijk heel stellig dat opnieuw met het veld in gesprek gaan
over precies dit punt niet zal leiden tot andere inzichten, maar dan
vraag ik me wel af, met alle respect, waar we het op specifiek dit punt
dan over gaan hebben als dit het uitgangspunt is. Of geeft de minister
hier aan dat zij toch bereid is om ook op dit punt gewoon serieus in
gesprek te gaan, gelet op de signalen die er zijn en gelet op het feit
dat zij ook gewoon een nieuw advies aan het Zorginstituut kan
vragen?
Minister Sterk:
Wat betreft de eerste vraag heb ik net al aangegeven dat ik in de tweede
termijn even terug zal komen op de verwarring die nu lijkt te ontstaan
over of wij nou wel het hele advies van het Zorginstituut volgen, dus
daar kom ik in de tweede termijn op terug.
In de AMvB regel je meer dan alleen maar het toedelen van de
werkterreinen. Nogmaals, ik zie geen reden om dat toedelen van de
werkterreinen anders te doen. Alleen leg je er ook bijvoorbeeld
opleidingseisen in vast. Dat zijn natuurlijk zaken die je ook samen met
het beroepsveld vaststelt. Daarover gaan we dus in overleg; dat hoort
ook bij de manier waarop je zo'n AMvB invult. Zo hebben we overigens ook
de afgelopen jaren natuurlijk steeds overlegd met het beroepsveld,
alleen zijn we nu wel op dit punt uitgekomen.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dat snap ik natuurlijk en dat is natuurlijk ook goed, alleen zit de
discussie nu vooral op een ander punt. Het is volgens mij een hele
legitieme vraag om te stellen of ook dat punt nog inhoudelijk kan worden
besproken of dat het uitgangspunt er gewoon ligt zoals het nu in de wet
ligt, dat de minister dat nog een keer zal toelichten met een kop koffie
en dat we dan verdergaan. Ik wil graag ook een beetje weten wat we dan
kunnen verwachten van zo'n AMvB.
Minister Sterk:
Ik ben niet van plan om dat op een andere manier vorm te geven in die
AMvB. Ik heb wel toegezegd dat ik in de tweede termijn nog even in zal
gaan op de verwarring die er ontstaat over of wij dat advies nou wel
volledig volgen. Twee keer is er dit advies geweest. Ook de Raad van
State heeft een blanco advies gegeven. Ik zie geen noodzaak om dat
hiermee aan te passen. Aan de huidige praktijk verandert er ook niks,
hè. Het is niet zo dat wij beperkingen opleggen aan de klinisch fysici
van dit moment, alleen maken we wel de bevoegdheden groter voor klinisch
fysici met deze drie betreffende werkterreinen.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Tot slot een vraag over het subamendement dat ik heb ingediend over een
lichte voorhangprocedure. De minister ontraadt het net met de korte zin
dat dit remmend werkt. Ik moet wel zeggen: op een traject van negen jaar
en een AMvB, waarvan ik weet niet wanneer we die krijgen maar ik gok
niet morgen, vind ik een lichte voorhang van vier weken … Remmend
effect? Even op het geheel gezien. Ik heb er ook graag haast bij, maar
dit kan toch niet het argument zijn om het te ontraden?
Minister Sterk:
De Kamer gaat over haar eigen beslissingen. Ik heb ook gezegd dat ik het
onnodig vind. Het vertraagt en ik vind het onnodig, maar het is
uiteindelijk natuurlijk aan de Kamer om daar de afweging in te
maken.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Volgens mij hoorde ik de minister in antwoord op mevrouw Maeijer net
zeggen met het werkveld in gesprek te gaan over die bekwaamheid. Klopt
dat?
Minister Sterk:
Ik ben bereid om met het veld … Of nou ja, "ik"? We zijn natuurlijk
bereid om met het veld in gesprek te gaan over de invulling van die
AMvB. Dan gaat het over de deskundigheid en de opleidingseisen, maar het
gaat er niet om dat dat zal leiden tot een aanpassing van de
indeling.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Oké. Ik had de vraag gesteld of de regering bereid is met het werkveld
erkende bekwaamheidsaantekeningen voor dit werkterrein in te stellen en
te verkennen en de Kamer hierover te informeren. Daarop zei u daarstraks
bij uw eerste antwoord dat u dat niet wilde doen. En nu zegt u eigenlijk
tegen mevrouw Maeijer: ik ga dat wel doen. Dus nu ben ik in de war. Bent
u nu bereid om het wel te doen of niet?
Minister Sterk:
Dat kan ik mij voorstellen. Ik kom daar in de tweede termijn even op
terug.
De voorzitter:
Goed. Zullen we naar het derde blokje gaan? Maar niet voordat meneer
Vervuurt nog een vraag heeft gesteld.
De heer Vervuurt (D66):
Ik heb nog een korte vraag. In mijn spreektekst heb ik ook gerefereerd
aan de ambitie die we hebben dat er ook tijdig geëvalueerd wordt, dat er
ook continu met het veld, met de beroepsgroep, maar ook met het
Zorginstituut, in gesprek wordt gegaan om te kijken of de manier waarop
we het ingeregeld hebben nog wel van deze tijd is. We willen ook dat dat
tijdig gebeurt. Ik hoor de minister zeggen dat dat niet op een termijn
van drie jaar kan. Ik begrijp dat de standaardtermijn waarop zoiets
gebeurt vijf jaar is. Kan de minister ook gewoon toezeggen dat dat
binnen die vijf jaar in ieder geval gebeurt? Maar mochten er signalen of
ontwikkelingen zijn die ervoor zorgen dat dat sneller zou moeten, kan de
minister dan toezeggen dat ze daar ook zo naar zal gaan kijken?
Minister Sterk:
Volgens mij gaat het Zorginstituut daar in principe zelf over, maar ik
kan de wens van de Kamer overbrengen dat in ieder geval dit onderdeel,
de klinisch fysicus tenminste, wordt meegenomen in dat traject als het
inderdaad over vijf jaar gebeurt. Ik heb ook aangegeven dat het mogelijk
kan leiden tot een eerder advies op dat punt als er eerder signalen zijn
en als die terechtkomen bij het Zorginstituut.
De voorzitter:
We gaan naar het derde blokje.
Minister Sterk:
Voorzitter. Dat ging over de buitenlands gediplomeerden. De heer Bushoff
had daar twee vragen over, uit mijn hoofd. De eerste was of ik herken
dat er drempels worden ervaren door mensen uit het buitenland die hier
aan de slag willen. Ja, dat herken ik zeker, als u tenminste doelt op de
erkenning van buitenlands gediplomeerden. Ik herken die signalen. Ik
vind het ook belangrijk dat onbenut arbeidspotentieel, zoals buitenlands
gediplomeerden die in Nederland verblijven, wordt benut om de druk op de
arbeidsmarkt te verminderen, maar eerlijk gezegd ook voor henzelf, om
gewoon weer deel te kunnen nemen aan de samenleving.
Zoals ik uw Kamer regelmatig heb geïnformeerd, onderneemt het kabinet
verschillende dingen om, met behoud van kwaliteit en patiëntveiligheid,
de BIG-toelatingsprocedure voor buitenlandse zorgverleners te versnellen
en te stroomlijnen. Zo is er in het voorjaar, met behoud van kwaliteit
en patiëntveiligheid, op advies van de Commissie Buitenslands
Gediplomeerden Volksgezondheid de beroepsinhoudelijke toets voor artsen
ingekort door de deeltoets klinische kennis los te laten. Dat versnellen
en stroomlijnen blijft gewoon een continu proces en ik blijf me daar ook
voor inzetten.
Dan had u nog een andere vraag over vanaf wanneer je nou precies gaat
tellen voor het moment dat je opgaat voor je herregistratie: is dat
vanaf dat je het diploma gehaald hebt in het buitenland of in Nederland?
Dan gaat het over die proeve van bekwaamheid. Een deel van deze
zorgverleners kan met hun buitenlandse diploma pas in Nederland worden
ingeschreven in het BIG-register als ze — dat zei u volgens mij ook al —
aanvullend hun bekwaamheid aantonen via die aanpassingsstage. Met dit
wetsvoorstel wordt geregeld dat de peildatum voor de inschrijving in het
BIG-register is gelegen op de datum waarop de aanpassingsstage of die
proeve van bekwaamheid is afgelegd. De afgiftedatum van het diploma uit
het land van herkomst wordt dus buiten beschouwing gelaten. Daarmee wil
je voorkomen dat mensen zich meteen na inschrijving alweer zouden moeten
herregistreren. Dat is volgens mij ook uw punt. Dat willen we dus niet.
We gaan inderdaad uit van die recentere datum van dat diploma.
De voorzitter:
Bent u daarmee ook aan het einde van dit blokje gekomen?
Minister Sterk:
Ja.
De voorzitter:
Meneer Claassen heeft nog een vraag voor u.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb nog een vraag over dit blokje en het antwoord van de minister
zojuist. Om je in te schrijven in het BIG-register wordt ook een taaleis
gesteld. Dat verschilt een beetje per niveau. Is het mbo 2, 3 of 4, hbo
of vwo? Die taaleis verschilt en gaat van B2+ tot C1. Mijn voorstel aan
de minister is als volgt. Is het mogelijk, als het toch gaat om de
kwaliteit van zorg, om voor de inschrijving in het BIG-register gewoon
één taaleis te hebben en die vast te stellen op C1?
Minister Sterk:
Dat is een nieuwe vraag. Die heb ik nog niet voorbereid. Daar kom ik in
tweede termijn graag even op terug.
De voorzitter:
Over de tweede termijn gesproken: ik wil daar direct mee beginnen. Het
woord is aan de heer Bushoff.
De heer Bushoff (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de minister en de ondersteuning
voor de beantwoording van de vragen. Ik denk dat er op één punt nog wel
het een en ander aan werk te doen is, wellicht voor de tweede termijn,
maar hopelijk kunnen we dat kort houden. Dat gaat toch over dat punt van
die klinisch fysicus-audioloog. Ga je nou in die AMvB, zoals de minister
ook in de wet voor ogen had, die vier werkterreinen en welke handelingen
wie mag verrichten precies opsplitsen, zoals dat ook in de wet stond? Ga
je dat ook precies zo doen in die algemene maatregel van bestuur? Daar
voel ik eigenlijk niet zo heel veel voor, mede omdat het Zorginstituut
naar mijn weten ook het advies gaf dat je prima aan die hele
beroepsgroep de bevoegdheid zou kunnen toekennen om deze handelingen ook
met ioniserende straling te verrichten, omdat dan nog steeds dat
principe van bekwaam en bevoegd zou gelden.
Dat stond ook in het advies, waar de minister logischerwijs — dat doe ik
zelf ook — veel waarde aan hecht. Als dat ook in het advies staat, kan
ik me voorstellen dat de minister in de tweede termijn zegt: gegeven dat
dat tweede deel van het advies in eerste instantie achterwege is
gelaten, maar ik dat nu toch tot me heb genomen, ga ik toch nog eens
goed met de beroepsgroep overleggen, gegeven het advies van het
Zorginstituut, en kijken of we er dan uit zouden kunnen komen. Ik hoop
echt dat de minister dat in de tweede termijn op die manier zou kunnen
toezeggen, en niet op voorhand al zo stevig blijft vasthouden aan de
inrichting van de AMvB zoals die eigenlijk in de wet stond. Ik doe een
klemmend beroep op de minister om er toch iets flexibeler in te gaan
staan, omdat dat volgens mij echt kan volgens het advies van het
Zorginstituut.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende heb ik nog één andere korte opmerking.
De minister geeft aan dat de Raad van State een blanco advies had.
Daarmee geeft ze aan dat de Raad van State geen problemen met dit
wetsvoorstel heeft gezien. Dat klopt. Er stond alleen bij dat de Raad
van State natuurlijk verder geen beleidsinhoudelijke opvattingen had
over hoe dit precies is vormgegeven. Als dit het argument zou zijn bij
de vraag waarom er dan nu kritisch naar gekeken wordt, dan gaat dat niet
helemaal op, zou ik de minister willen meegeven.
Dan nog één motie op het allerlaatste punt van mijn eerste inbreng; de
minister eindigde daar ook mee. Dat gaat er eigenlijk over dat we ervoor
zorgen dat het zo efficiënt mogelijk wordt voor mensen die in het
buitenland een diploma hebben gehaald, dat ze zo snel mogelijk hier aan
de slag kunnen gaan, maar dit alles natuurlijk wel met borging van de
kwaliteit die wij hier in Nederland voor ogen hebben. Die motie luidt
als volgt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er een tekort is aan handen in de zorg;
overwegende dat het voorliggende voorstel van wetswijziging al een
eerste stap zet in het verminderen van onnodige drempels bij de
erkenning van buitenlandse diploma's;
overwegende dat een snellere erkenning van buitenlandse diploma's, onder
andere door een snellere doorlooptijd van een aanpassingsstage of het
afleggen van een proeve van bekwaamheid, kan bijdragen aan meer
personeel in de zorg;
verzoekt de regering in kaart te brengen welke drempels mensen
ondervinden bij de erkenning van hun buitenlandse diploma's, hoe deze
weggewerkt kunnen worden, en of er mogelijkheden zijn om de doorlooptijd
van de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid te versnellen,
zonder daarbij in te boeten op de kwaliteit van de geleverde zorg;
verzoekt de regering de Kamer daarover te informeren voor het
voorjaarsreces,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bushoff.
Zij krijgt nr. 15 (36832) (#1).
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Claassen stond al klaar. Hij krijgt het woord voor
zijn tweede termijn.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter, staat u mij toe dat ik vier moties ga indienen?
De voorzitter:
Dat mag.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
De eerste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat dit wetsvoorstel de klinisch fysicus met de
differentiatie audiologie categorisch uitsluit van de zelfstandige
bevoegdheid om de voorbehouden handeling met radioactieve stoffen of
ioniserende straling te verrichten, op basis van de generieke opleiding
van deze differentiatie;
overwegende dat uit signalen vanuit het veld blijkt dat een deel van de
klinisch fysici audiologie in de praktijk al werkzaamheden met
ioniserende straling verricht en daarvoor aantoonbaar is
toegerust;
overwegende dat de systematiek van de Wet BIG geen ruimte biedt om
zelfstandige bevoegdheid aan individuele beroepsbeoefenaren toe te
kennen, maar wel aan een erkende categorie of differentiatie,
bijvoorbeeld via een bekwaamheidsaantekening;
verzoekt de regering, in overleg met de beroepsgroep (NVKF), een erkende
bekwaamheidsaantekening voor de differentiatie audiologie in te stellen
en de bijbehorende deskundigheidscriteria vast te stellen, zodat
klinisch fysici audiologie die deze aantekening behalen bij de
eerstvolgende daarvoor geëigende wetgevingsgelegenheid voor de
zelfstandige bevoegdheid in aanmerking kunnen worden gebracht, en de
Kamer hierover binnen zes maanden te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 16 (36832) (#2).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de klinisch fysicus met dit wetsvoorstel zelfstandig
bevoegd wordt tot het verrichten van de voorbehouden handeling met
radioactieve stoffen en ioniserende straling;
constaterende dat de klinisch fysicus daarbij gelijktijdig samenwerkt
met een hoofdbehandelaar die eindverantwoordelijk blijft voor het
medisch beleid;
overwegende dat de memorie van toelichting niet verduidelijkt aan welke
norm het eigen handelen van de klinisch fysicus wordt getoetst wanneer
beide bevoegdheden elkaar overlappen;
overwegende dat deze rechtsonzekerheid vooraf moet worden weggenomen en
niet pas achteraf in een tuchtprocedure;
verzoekt de regering in overleg met de NVKF en de Federatie Medisch
Specialisten de verantwoordelijkheidsverdeling tussen klinisch fysicus
en hoofdbehandelaar bij overlappende bevoegdheden vast te leggen, en de
Kamer hierover vóór inwerkingtreding van deze wet te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 17 (36832) (#3).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat dit wetsvoorstel de herregistratietermijn verruimt
voor houders van een niet automatisch erkend diploma uit de Europese
Unie of Zwitserland die een aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid
hebben doorlopen;
constaterende dat de regering deze verruiming motiveert met de stelling
dat de bestaande Nederlandse scholingseis een niet gerechtvaardigde
belemmering vormt in de zin van richtlijn 2005/36/EG;
overwegende dat de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid zelf
niet aan een landelijk vastgesteld en openbaar toetsingskader zijn
gebonden, maar worden ingevuld door de begeleidende zorgverlener of de
aanvaarde instelling;
verzoekt de regering een landelijk en openbaar toetsingskader vast te
stellen voor de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid, met
eenduidige eisen aan beoordelaar, inhoud en beheersing van het
Nederlands, en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 18 (36832) (#4).
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ten slotte, ook al komt de minister er dadelijk in de tweede termijn op
terug misschien toch alvast deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de taaleis voor inschrijving in het BIG-register
verschilt per opleidingsniveau, met B2+ voor academische beroepen, B2
voor hbo-beroepen en B1 voor mbo-beroepen zoals verpleegkundige en
verzorgende-IG;
overwegende dat ook verpleegkundigen zelfstandig overdragen, rapporteren
in het patiëntendossier en signalen van patiënten moeten opvangen, en
dat miscommunicatie daarover even risicovol is als in het spreekuur van
de arts;
verzoekt de regering de taaleis voor alle beroepen in het BIG-register
gelijk te trekken op niveau C1, en de Kamer binnen zes maanden te
informeren over de uitwerking en het overgangsrecht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 19 (36832) (#5).
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Vervuurt ziet af van zijn tweede termijn, mevrouw
Wendel ook. Dan kom ik bij de bijdrage van mevrouw Maeijer. Het woord is
aan u.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Voorzitter. De PVV steunt het toevoegen van de MHAZ en de klinisch
fysicus aan het regime van artikel 3 van de wet. Maar de manier waarop
de minister dit wil regelen, riep bij ons een hoop vragen op. Gelet op
de beantwoording blijven die zorgen overeind, omdat de minister
eigenlijk, zo krijgen wij de indruk, letterlijk de tekst in de AMvB wil
zetten. Dat baart mij zorgen. We hebben een amendement dat werkterreinen
uit de wet haalt en ze naar de AMvB verplaatst. Dit is een stap in de
goede richting, maar de aandacht voor de uitwerking ervan blijft van
groot belang. Er is een patstelling tussen de minister en de
veldpartijen op basis van de adviezen van het Zorginstituut. Die
adviezen moeten opgehelderd worden. De luwte van een AMvB zou daar een
goede gelegenheid voor kunnen bieden, maar dat vraagt wel om een
welwillende houding van de minister. Gelet op de antwoorden die we nu
hebben gekregen, heb ik daar echt wel mijn vraagtekens bij. Ik zou de
minister willen vragen om heel concreet een sterke betrokkenheid van de
veldpartijen bij de uitwerking van de AMvB toe te zeggen, maar ook
ruimte te bieden voor flexibiliteit en een open gesprek over het al dan
niet uitsluiten van de audioloog. Dit laatste ook indachtig het advies
van het Zorginstituut — het deel waar de minister straks nog op
terugkomt — om de beroepsgroep niet te splitsen.
Voorzitter. Ik sluit af met een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering de algemene maatregel van bestuur op grond van
artikel 33j, tweede lid, van de Wet BIG met betrekking tot
opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch fysicus voortvarend uit
te werken en de betrokken veldorganisaties, in het bijzonder de
Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF) en de Stichting
Opleiding Klinisch Fysicus (OKF), hier vanaf de start van de uitwerking
nauw bij te betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Maeijer.
Zij krijgt nr. 20 (36832) (#6).
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn
van de zijde van de Kamer. De minister heeft een schorsing van een
kwartier gevraagd. Ik schors dit debat en om 21.45 uur gaan we luisteren
naar de beantwoording van de minister in tweede termijn.
De vergadering wordt van 21.28 uur tot 21.52 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heet de minister van harte welkom. We gaan luisteren naar de
beantwoording in tweede termijn.
Minister Sterk:
Excuus dat het ietsje langer duurde. Ik heb vooral even nagedacht over
een oplossing voor het dilemma waar ik nu voor sta. Ik hoor heel goed de
zorgen van de Kamer. Voor een deel zitten die volgens mij in de vraag
hoe het kan dat er een advies ligt van het ZIN en dat de
beroepsorganisaties daar anders over denken en hoe zich dat verhoudt tot
de tekst die meneer Bushoff net uit het rapport heeft voorgelezen. Ik
heb daar even naar gekeken. In het eerste rapport, waar u uit citeert,
staat op pagina 14: in de differentiatie audiologie/videologie worden
geen voorbehouden handelingen uitgevoerd. Dat is de stellingname van het
ZIN. Op pagina 20 staat: de klinisch fysicus, met uitzondering van de
differentiatie audiologie/videologie, beschikt over de nodige
deskundigheid om de voorbehouden handeling met ioniserende straling
zelfstandig te indiceren, uit te voeren en te delegeren. Dat is wat het
ZIN zegt. De verwarring zit dan in de passage daaronder.
Ik wil het volgende voorstellen. Ik heb al aangegeven dat ik er helemaal
geen moeite mee heb om een AMvB te maken waarin we deze dingen regelen
en dat ik in dat traject een brief vraag van het Zorginstituut hoe het
nu precies die passage heeft bedoeld in relatie tot de stelling die we
daarvoor lezen, namelijk dat juist op dat werkterrein geen voorbehouden
handelingen zouden moeten worden toegekend. Dat zou opheldering kunnen
geven over hoe het precies bedoeld is.
Verder wil ik ook graag toezeggen dat we in de uitwerking van de AMvB
ook de beroepsgroep zullen betrekken, omdat het om meer gaat dan alleen
de indeling van de werkterreinen en de voorbehouden handelingen. Het
gaat ook over de deskundigheids- en opleidingseisen. Ik hoop daarmee in
ieder geval een beetje tegemoet te komen aan de zorgen die u heeft en
opheldering te geven aan de toch wel wat verwarrende passage die in het
eerste rapport stond. Het lijkt mij fair om daarover verduidelijking te
vragen.
Voorzitter. Ik ga over naar de appreciatie van de moties. De motie van
de heer Bushoff op stuk nr. 15 krijgt oordeel Kamer.
De motie van de heer Claassen op stuk nr. 16 ontraad ik. We hebben in
eerste termijn al gewisseld dat een individuele beroepsbeoefenaar binnen
de systematiek van de wet geen zelfstandige bevoegdheid kan worden
toegekend. Een beroepsbeoefenaar moet om een handeling te kunnen
uitoefenen, zowel bevoegd als bekwaam zijn.
De motie van de heer Claassen op stuk nr. 17 ontraad ik ook, omdat dat
niet iets is dat in de BIG wordt geregeld. Dat vindt plaats in
protocollen en richtlijnen. Daar is het veld zelf verantwoordelijk
voor.
De motie van de heer Claassen op stuk nr. 18 ontraad ik ook. Als ik hem
goed begrijp, wil hij eigenlijk een soort generiek toetsingskader voor
alle opleidingen. Ik denk dat het belangrijk is dat het toetsingskader
maatwerk is, omdat verschillende beroepen nu eenmaal verschillende
opleidingsniveaus hebben en daarmee ook verschillende kaders
vragen.
De motie van de heer Claassen op stuk nr. 19 roept op om de taaleis in
het BIG-register op C1-niveau te stellen. Ook die wil ik ontraden, omdat
met het vereiste taalniveau is aangesloten bij het niveau dat is vereist
voor de opleiding in Nederland. Het taalniveau voor mbo-beroepen is B1,
voor hbo-beroepen B2 en voor wo-beroepen B2+. Ik zie geen reden om dat
anders te doen.
Tot slot de motie van mevrouw Maijer op stuk nr. 20: die wil ik
overnemen.
De voorzitter:
Ik kijk even of mevrouw Maeijer daarmee instemt. Ja, dat is akkoord.
De motie-Maeijer (36832, nr. 20) is overgenomen.
Die motie komt dan dus niet in stemming.
De andere moties zijn geapprecieerd. De heer Claassen heeft daar nog een
vraag over.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat voldoet geheel aan de verwachtingen. Dat is mooi. De minister zegt
dat het geen plek heeft in de Wet BIG. Ik heb volgens mij nergens in het
dictum staan dat het in de Wet BIG moet. Ik vraag me even af waarom de
minister zegt dat het niet past in de Wet BIG. In het dictum staat niet:
"en neem dat op in de Wet BIG".
Minister Sterk:
Ik pak even de motie erbij. Welk nummer was het ook alweer? Het is de
motie op stuk nr. 17. U vraagt of wij dat willen gaan doen. U heeft
gelijk; u vraagt nergens om het op te nemen in de Wet BIG. Dat punt is
voor u. Fijn dat ik soms zo voorspelbaar ben. Dat kan het debat soms wat
vergemakkelijken, denk ik. U vraagt of ik in overleg wil gaan met de
NVKF en met de Federatie Medisch Specialisten over die
verantwoordelijkheidsverdeling, maar dat is echt aan de sector zelf. Dat
is niet aan mij als lid van de regering. Dat is wat ik probeerde te
zeggen als appreciatie van deze motie.
De voorzitter:
Mevrouw Wendel met een vraag naar aanleiding van de beantwoording.
Mevrouw Wendel (VVD):
Een vraag naar aanleiding van het allereerste wat de minister zei in de
tweede termijn. Het gaat over de functie van de klinisch fysicus die al
dan niet wordt onderverdeeld in vier werkterreinen. De minister zegt het
een en ander toe. Ik wil even controleren of ik het goed begrepen heb.
Volgens mij is een deel van de Kamer best duidelijk, namelijk dat we
flexibiliteit willen behouden en dat we niet willen dat er onnodige
drempels worden opgeworpen die innovaties in deze beroepsgroep in de weg
zitten. Dat is volgens mij de oproep die de beroepsgroep zelf doet. Mijn
vraag is concreet: begrijp ik het goed dat de minister voor het
samenstellen van de AMvB niet alleen in gesprek gaat met het
Zorginstituut om verduidelijking te vragen over die brief, maar ook met
de beroepsgroep? Klopt het dat wat nu in de wet staat niet zomaar blind
in een AMvB wordt gegoten, maar dat de minister echt in gesprek gaat met
de beroepsgroep, teruggaat naar het Zorginstituut en op die manier de
AMvB vormgeeft?
Minister Sterk:
Ja, dat klopt voor 99%. Wat ik doe is vragen waarom het Zorginstituut
stelt dat een audioloog niet is opgeleid om te werken met ioniserende
straling. Daarbij vraag ik naar die verwarrende tekstpassage die er
vervolgens onder staat. Dat is namelijk waar de verwarring ontstaat: wat
zegt het Zorginstituut nu precies? Wij lezen het advies van het
Zorginstituut zo dat het niet iets is wat past bij het werkterrein van
de klinisch fysicus-audioloog. Daar ga ik verheldering over vragen. Maar
de AMvB gaat sowieso over veel meer. We zullen zeker ook de beroepsgroep
erbij betrekken om dat uit te werken. Het gaat ook over
deskundigheidseisen en over opleidingseisen. Dat gaan we absoluut doen.
We zullen dit natuurlijk ook bespreken als ik die brief heb. Het gaat
dus over een advies en ik ga eerst een brief vragen over de tekstpassage
uit het advies. Maar natuurlijk is het goed om dat ook opnieuw te
bespreken met de beroepsvereniging. Dat wil ik ook toezeggen. Die zullen
we ook betrekken bij de uitrol van de AMvB.
De voorzitter:
Mevrouw Wendel, vervolgvraag.
Mevrouw Wendel (VVD):
Het begint een beetje complex te worden, hoor ik ook in de beantwoording
van de minister. Wat de VVD in ieder geval graag zou willen, is dat de
minister de AMvB vaststelt naar aanleiding van gesprekken met de
beroepsgroep en naar aanleiding van het verhelderende advies van het
Zorginstituut. Wij willen op die manier tot een weloverwogen AMvB komen
en niet nu blind deze vier werkterreinen in een AMvB gieten. Ik hoop dat
de minister dat zou willen meenemen.
Minister Sterk:
Ik ga inderdaad een tussenstap zetten.
De voorzitter:
Daarmee is de minister aan het einde gekomen van haar tweede
termijn.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
De stemming over dit wetsvoorstel, de twee amendementen en de moties is
op dinsdag 22 september. Door het aanbieden van de Miljoenennota op
Prinsjesdag schuift de stemming een week op.
Dat gezegd hebbende sluit ik hierbij de vergadering en dank ik de leden
en de minister hartelijk voor dit vruchtbare debat. Fijne avond.
Sluiting
Sluiting 22.01 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|