[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 29 juni 2026, over wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1069 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht (‘strategische rechtszaken tegen publieke participatie’) (36731)

Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1069 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht (‘strategische rechtszaken tegen publieke participatie’)

Verslag van een wetgevingsoverleg

Nummer: 2026D40774, datum: 2026-09-02, bijgewerkt: 2026-09-03 14:40, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36731 -12 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1069 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht (‘strategische rechtszaken tegen publieke participatie’).

Onderdeel van zaak 2026Z17864:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36731 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1069 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht (‘strategische rechtszaken tegen publieke participatie’)

Nr. 12 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 2 september 2026

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 29 juni 2026 overleg gevoerd met mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, over:

- het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1069 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht ("strategische rechtszaken tegen publieke participatie") (Kamerstuk 36731).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie,

Eerdmans

De griffier van de commissie,

Van Tilburg

Voorzitter: Ellian

Griffier: Paauwe

Aanwezig zijn vier leden der Kamer, te weten: Abdi, Ellian, Sneller en Straatman,

en mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Aanvang 14.01 uur.

De voorzitter:

Dames en heren, goedemiddag. Ik open deze vergadering van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid. Op de agenda staat een wetgevingsoverleg. Het is een hele mond vol met allerlei getallen en verwijzingen, maar afgekort is het: strategische rechtszaken tegen publieke participatie. Het gaat om de implementatie van een Europese richtlijn. Ik heet de staatssecretaris natuurlijk van harte welkom. Ze heeft nog geen naambordje, maar voor degene die het niet weet: dit is staatssecretaris Claudia van Bruggen. Ik heet natuurlijk alle anderen welkom die hier zijn of anderszins dit wetgevingsoverleg gaan volgen. Ik zie drie collega's plus mijzelf: de heer Sneller namens D66, mevrouw Abdi namens PRO en mevrouw Straatman namens het CDA. Ik zal ook kort het woord doen namens de VVD. Met jullie welnemen wil ik het maar gewoon op volgorde doen en bij meneer Sneller beginnen, waarna de rest volgt. Of wil iemand heel graag als eerste? We kunnen ook een ordevoorstel doen. Nee? Dan beginnen we gewoon bij meneer Sneller. We hebben vijf amendementen. Ik check even of iedereen de beschikking heeft over de amendementen. De staatssecretaris heeft die ook. Vergeet ik iets? Nee, toch? Dan gaan we beginnen. Meneer Sneller, wat mij betreft is het woord aan u.

De heer Sneller (D66):

Dank u wel, voorzitter. Democratie vraagt om macht, maar zeker ook om tegenmacht. Die vrije samenleving leunt op mensen die hun nek durven uit te steken en kritisch durven te zijn: journalisten, wetenschappers, activisten, klokkenluiders et cetera. Het is dus ook een wapen waarmee hun het zwijgen wordt opgelegd, want dat is uiteraard het beste voor de machthebbers of degenen die iets in het geheim willen blijven doen: het verhaal dat nooit verschijnt en de kritiek die nooit wordt geuit. Een van de manieren waarop dat gebeurt -- u zei het al, voorzitter -- zijn de strategische rechtszaken tegen publieke participatie, oftewel: ongefundeerde of overdreven civielrechtelijke, juridische acties tegen individuen of groepen die zich publiekelijk uitlaten over politieke of publieke zaken. Vaak doet alleen de dreiging daarvan al haar werk. Het leidt namelijk tot zelfcensuur.

Voorzitter. Begin 2018 organiseerde ik samen met mijn VVD-collega en mediawoordvoerder Yeşilgöz een rondetafelgesprek over de bedreiging van journalisten. Dat was ook de eerste keer dat ik over SLAPP's hoorde. Onderzoeksjournalist Peter Olsthoorn begon destijds zijn positionpaper met de volgende woorden: "Een paar keer ben ik als journalist fysiek en online bedreigd, maar ik vermoed dat financiële, technologische en juridische druk veel grotere problemen zijn voor de journalistiek in Nederland. Ook in het debat mag daarop voor mij de nadruk liggen. Als freelance onderzoeksjournalist heb ik zwaar te kampen met ondernemingen die met -- dreiging met -- rechtszaken publicatie van onwelgevallige onthullingen dwarsbomen. Een advocaat kost 350 euro per uur. (…) Dat verdient een onderzoeksjournalist nog niet per week. Eigenlijk kan ik geen onderzoek meer doen naar bijvoorbeeld de grote invloed van vastgoed op lokale politiek, waarover ik eerder al publiceerde." Deze journalist sloot af met een oproep: "Ik vind het de hoogste tijd dat u serieus werk maakt van de totstandkoming van wetgeving die voorkomt dat financieel kwetsbare partijen slachtoffer worden van dreiging met rechtszaken die hen op hoge kosten jaagt en/of publicaties binnen de grenzen van de wet de in weg staat."

Dat was maart 2018. Het is meer dan acht jaar later. Intussen zijn er tal van zaken geweest die veel weg hadden van een SLAPP. Hoeveel precies is lastig te zeggen. SLAPP's leiden lang niet altijd tot rechterlijke uitspraken. Als ze voor de rechter verschijnen, worden ze lang niet altijd als zodanig herkend. Daarbij gaan directe slachtoffers of hun collega's niet graag in gesprek over de impact van dit soort rechtszaken.

Voorzitter. Het is goed dat wij deze implementatiewetgeving nu bespreken, ook al zitten we al na de implementatiedeadline. Het is ook goed om daarbij oog te houden voor de andere kant van de medaille, waarop een democratische waarde staat, namelijk toegang tot de rechter. Het gaat erom dat je ook je recht kan halen als je oprecht meent dat je goede naam wordt aangetast of dat je ander onrecht wordt aangedaan. Kortom, het is goed dat we de richtlijn nu implementeren, maar laten we dat dan in één keer goed doen. Sommige mensen zouden kunnen denken: de Raad van State gaf dictum a, dus wat doet u verder nog moeilijk? De kern van mijn probleem met het voorliggende wetsvoorstel is dat het nogal een smalle variant kiest, met als hoofdargument: het bestaande instrumentarium volstaat. Volgens mij is het goed dat we daarover debatteren vandaag.

Er liggen een aantal dilemma's voor. Aan de ene kant zien we het argument dat rechters nog niet bekend genoeg zijn met het fenomeen SLAPP's en dat die onbekendheid ertoe leidt dat SLAPP's niet altijd herkend worden door de rechters. Daardoor wordt het bestaande instrumentarium ook beperkt toegepast. Dat leidt er weer toe dat er wordt getwijfeld aan de noodzaak om stevigere maatregelen in het kader van de aanpak van SLAPP's in de wet op te nemen. Daardoor blijft het weer minder bekend. Oftewel: we dreigen in een soort vicieuze cirkel van bagatellisering te blijven hangen.

Ook over de toepassing van het bestaande instrumentarium lijken wat meningsverschillen te bestaan. Aan de ene kant zie ik heel vaak, ook in de nota naar aanleiding van het verslag, de redenering dat het al kan, maar volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat dat nog niet wil zeggen dat het in de praktijk ook gebeurt. Ik zie dan inderdaad wel de meningsverschillen over of we nou met een aantal specifieke bepalingen de wet extra compliceren of dat we daarmee juist de doelstellingen van de richtlijn dichterbij brengen.

Als laatste de nationale toepassing; dat zie ik er ook doorheen lopen. Aan de ene kant -- dat is volgens mij belangrijk -- is de achterliggende gedachte daarvan vaak: laten we een gelijk speelveld met andere landen nastreven. We lezen echter ook in de nota naar aanleiding van het verslag dat de meeste andere landen juist ook van plan zijn om nationale toepassing te regelen. Daarnaast zou je ook kunnen zeggen dat daardoor juist puur nationale kwesties een ongelijke behandeling krijgen ten opzichte van grensoverschrijdende zaken, zonder dat daar nou een echte rechtvaardiging voor is. Daarnaast ligt er ook een aanbeveling van de Europese Commissie en de Raad van Europa om juist ook voor die nationale gevallen iets te regelen.

Voorzitter. Dan kom ik bij de amendementen die ik samen met collega Abdi daarover heb ingediend. Het eerste punt is het amendement op stuk nr. 7. Dat moet zorgen dat er expliciet in de wet wordt opgenomen dat SLAPP's in een zo vroeg mogelijk stadium kunnen worden afgedaan. Daarbij heb ik nog een specifieke vraag aan de staatssecretaris over de verdeling van de bewijslast. In de stukken lees ik, op pagina 15 van de memorie van toelichting, voor de meeluisteraars, bij de passage over het beoordelen van de gegrondheid van de vordering: daarbij moeten de lidstaten ervoor zorgen dat wanneer een verweerder om vroegtijdige afwijzing heeft verzocht, het aan de eiser is om de vordering te onderbouwen, opdat de rechter kan beoordelen of deze al dan niet kennelijk ongegrond is. Oftewel: het is aan de eiser om de vordering te onderbouwen. Vervolgens wordt er gezegd: de verweerder die stelt dat sprake is van misbruik van procesrecht of een kennelijk ongegronde vordering, zal dát moeten onderbouwen. Mijn vraag is: wie is in deze kwestie nou degene die stelt, en wie is dus degene die daarin moet bewijzen? Dat is mij nog niet helemaal duidelijk. Het lijkt alsof artikel 12 niet helemaal overeenkomt met wat er in burgerlijke rechtsvordering wordt geregeld.

Dan het amendement op stuk nr. 8, over de volledige kostenveroordeling. De huidige praktijk is dat het weinig gebeurt, dat de bewijslast hoog ligt en dat daardoor de preventieve werking tegen eisers ook relatief laag is, en dat het risico op zelfcensuur dus intact blijft. Wat mij en mevrouw Abdi betreft, leggen wij die hoofdregel dus vast in de wet.

Dan het amendement op stuk nr. 9. Dat ziet op de onbekendheid. Dat amendement regelt dat de criteria expliciet worden opgenomen in de wet, zodat daar ook door rechters en advocaten direct kennis van kan worden genomen.

Als laatste het amendement op stuk nr. 10. Dat gaat over de toepassing van de zekerheidstelling, die nu wel voor de grensoverschrijdende zaken wordt geregeld, maar nog niet voor de puur nationale. Daarvan heeft de regering gezegd, bij monde van de vorige staatssecretaris, in de nota naar aanleiding van het verslag: dat regelen we later en we zoeken naar de eerstvolgende gelegenheid daarvoor. Mijn stelling is: laten we dat nu al doen.

Voorzitter. Dan als laatste een vraag. Ik zei het al even: de definitie die ik noemde, gaat over civielrechtelijke zaken; daar gaat dit allemaal over. Nou las ik ook een bijdrage van Schuurmans en Stolk, waarin zij juist ook aandacht vragen voor bestuursrechtelijke SLAPP's. Zij schrijven: "Het bestuursrecht kan bij uitstek een middel zijn om te vertragen en om publieke watchdogs onder druk te zetten om broninformatie te ontsluiten of hun informatievergaring te frustreren. In de rechtspraak" -- zo schrijven zij -- "rond procesverboden zou wat ons betreft niet alleen aandacht moeten krijgen dat een fundamenteel recht van toegang tot de rechter wordt beperkt, maar ook of de vordering tegen een public watchdog", oftewel een publieke waakhond, "wordt ingesteld." Mijn vraag aan de staatssecretaris is: hoe kunnen we dit beter monitoren en ziet de staatssecretaris daarbij al reden tot actie?

Dank u wel.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik heb even het betoog van de heer Sneller afgewacht om het juiste moment te vinden. De heer Sneller zei zojuist, en heel terecht, denk ik: er zit een dilemma in de implementatie van deze wetgeving. Aan de ene kant hebben we in Nederland nog maar heel weinig SLAPP's gezien, waardoor de rechter er nog onbekend mee is, waardoor je zou kunnen zeggen dat de rechter het huidige instrumentarium nog onvoldoende toepast. Aan de andere kant zou je kunnen zeggen: omdat ze nog niet voorgekomen zijn, is de rechter nog onvoldoende in de gelegenheid geweest om bijvoorbeeld artikel 3:13 BW op die manier, richtlijnconform, uit te leggen. Hoe weegt de heer Sneller die twee dingen, dus de onbekendheid van de rechter daarmee en het feit dat die zaken nog weinig zijn voorgekomen, versus zijn keuze om de wet toch wel aanzienlijk te compliceren, terwijl de rechter eigenlijk nog helemaal niet de kans heeft gehad om het huidige instrumentarium richtlijnconform te gebruiken?

De heer Sneller (D66):

Een tweeledig antwoord. Dank voor de vraag, collega Straatman. Aan de ene kant zou ik zeggen: misbruik van procesrecht was er al een hele tijd. Zoals ik schetste, zijn de SLAPP's ook al langer in de discussie. Ik heb dat nu, omwille van mijn spreektijd, even overgeslagen, maar ook in het stuk van Schuurmans en Stolk wordt bijvoorbeeld aangehaald dat deze zaken al in de jaren zeventig bekend waren. In 1989 verscheen er al een artikel over dit fenomeen. Dat heeft al die tijd in de Nederlandse praktijk rechters geen aanleiding gegeven om hier meer gebruik van te maken. Dat zou voor mij de ene kant zijn. Ik denk dat er wel iets meer nodig is.

Aan de andere kant is de richtlijnconforme interpretatie natuurlijk wél relatief nieuw in dat opzicht. In de eerste rechtszaken die hierover plaatsvinden en waarin daarnaar wordt verwezen, zie ik echter nog niet direct de gevolgen waar ik op zou hopen. Daarom denk ik dat het nodig is -- daarom heb ik daarover een amendement ingediend -- om een stok achter de deur te zetten of een steuntje in de rug te geven voor de interpretatie zoals beoogd in de doelstelling van de richtlijn.

Mevrouw Straatman (CDA):

Volgens mij doelt de heer Sneller bijvoorbeeld op de Greenpeacezaak. In die specifieke zaak is al geprocedeerd, maar de rechter zegt wel, als ik de uitspraak goed lees: ik kan het eigenlijk nog niet richtlijnconform uitleggen, omdat de zaken die in die zaak voorliggen, nog van voor de datum van überhaupt de inwerkingtreding van die richtlijn zijn. Ik begrijp heel goed wat de heer Sneller en mevrouw Abdi proberen te doen, maar in die zin vraag ik me dus af of we met de amendementen het Burgerlijk Wetboek niet onnodig compliceren, bijvoorbeeld als we kijken naar het amendement op stuk nr. 9 of het amendement op stuk nr. 7. Het huidige wettelijke kader is al zo dat je vroegtijdig kan afwijzen en dat je ook gewoon al een definitie hebt van "misbruik van procesrecht". Ik vraag me oprecht af wat we nu anders gaan doen op het moment dat we deze amendementen aannemen, behalve heel wat artikelen toevoegen aan het toch al behoorlijk lijvige Burgerlijk Wetboek.

De heer Sneller (D66):

Mevrouw Straatman gaat verder in op het dilemma dat ik in mijn inbreng al schetste. Ik denk dan: het is toch goed, omwille van de doelstelling van de richtlijn en ook omwille van wat we hiermee overkoepelend proberen te bereiken, om het wel expliciet op te nemen in de wet en er ook wel expliciete bepalingen voor op te nemen. Mevrouw Straatman zegt zelf ook dat "misbruik van procesrecht" er eerder ook al was. Ik ga haar termijn dus graag beluisteren, want ik snap ook het dilemma en waarom zij denkt dat met de aanname van de richtlijn en de implementatie van de richtlijn wel die materiële verandering wordt bereikt die blijkbaar tot nu toe nog niet tot stand is gekomen.

De voorzitter:

Ja, ga uw gang. Het is wetgeving.

Mevrouw Straatman (CDA):

Een laatste slotvraag, voorzitter. Als we deze subcategorie toevoegen aan de wet, zoals wordt beoogd met de amendementen, ziet de heer Sneller dan niet het gevaar dat je een soort subcategorie binnen het algemene leerstuk van misbruik van procesrecht introduceert, waardoor het lijkt alsof deze categorie van misbruik van procesrecht ernstiger is of langs een lagere lat beoordeeld moet worden dan andere voorbeelden van misbruik van procesrecht die we natuurlijk ook kennen en die ook talrijk zijn, maar die niet in de categorie "SLAPP" vallen? Maak je niet juist onderscheid waar je een gelijk speelveld wilt?

De heer Sneller (D66):

Ik denk dat het zich hier wel deels wreekt dat het bij misbruik van procesrecht echt over de rechtszaak gaat, over de omvang van het geding en wat daarin kan gebeuren, terwijl we bij de SLAPP's juist zien dat ook zaken buiten de rechtszaak als zodanig, relevante omstandigheden zijn die moeten worden meegewogen. Ik denk dat het deels echt ongelijke fenomenen zijn die in dat opzicht ook wel een ongelijke behandeling verdienen.

De voorzitter:

Oké. Dan gaan we naar mevrouw Abdi namens PRO.

Mevrouw Abdi (PRO):

Dank, voorzitter. Daphne Caruana Galizia was een Maltese onderzoeksjournalist. Voordat ze in 2017 werd vermoord door een autobom, was ze al jarenlang doelwit van iets wat de Belgen heel toepasselijk "pestprocedures" noemen, in het Engels "SLAPP's": Strategic Lawsuits Against Public Participation. Met een spervuur aan juridische procedures werd geprobeerd om haar monddood te maken, haar uit te putten, bang te maken en financieel te ruïneren. Haar dood werd de uiteindelijke aanleiding voor de totstandkoming van deze Europese richtlijn om journalisten, publieke waakhonden en, belangrijker nog, burgers te beschermen tegen dit soort misbruik van het rechtssysteem.

Wie denkt dat SLAPP's Amerikaanse toestanden zijn, komt bedrogen uit. Follow the Money is doelwit van een, toegegeven, Amerikaans advocatenkantoor dat zegt op te komen voor de belangen van een Duitse biotechinvesteerder. Ze eisten een verbod van alle publicaties. Dit soort intimidaties brengen Follow the Money ertoe om vóór publicatie alles nog eens grondig tegen het licht te houden en door juristen te laten analyseren. Dat vergroot de kans op uitstel en zelfs afstel van publicatie. Een ander voorbeeld is financieel adviseur Ferris van H., die door een tussenkomst van maar liefst zeven advocaten probeert om publicaties tegen te houden over zijn rol in een vastgoedimperium: miljoenenclaims, schermen met persoonlijke aansprakelijkheid van journalisten, met uiteindelijk het doel om deze onderzoeksjournalisten het zwijgen op te leggen. Of wat denk je van theatermaker Tijn de Jong, die voor de rechtbank werd gesleept door een vrouw nadat hij haar transfobe opmerking had gedeeld op een platform dat voor hem van belang was, ook als trans man? Hij vertelde mij dat hij in een burn-out raakte en zichzelf bijna een soort censuur begon op te leggen omdat hij bang was voor een nieuwe rechtszaak.

Dit zijn allemaal geen uitzonderingen. De een is meer publiek, de ander is meer onder de radar, maar ze hebben wel een gemene deler, namelijk om te intimideren. Ik denk dat dat ook de kern is van wat we vandaag met elkaar bespreken: dat het niet bijzondere uitspraken zijn, maar echt pestprocedures. Free Press Unlimited constateert dat de toenemende juridische druk op media en individuele journalisten in Nederland leidt tot zelfcensuur en psychologische en financiële druk. Maar het gaat echt verder dan journalisten. Ook activisten, ook wetenschappers, ook gewone burgers die zich uitspreken tegen onrecht kunnen zomaar worden beticht van smaad of van onrechtmatige daad. Dit soort aanklachten komt doorgaans uit de hoek van het grote geld of de macht, met één doel: tegenspraak met gelegitimeerde intimidatie de kop indrukken. Wie zich niet laat intimideren, is in ieder geval heel veel tijd en geld kwijt aan het weerleggen van beschuldigingen in plaats van het aan de kaak stellen van misstanden. Het is hiermee ook een directe bedreiging van het vrije woord, de academische vrijheid en de vrije pers.

Nu ligt er eindelijk een wetsvoorstel waarmee de richtlijn ook eindelijk wordt geïmplementeerd. Dit moet bescherming bieden tegen ongegronde civiele en handelsrechtszaken met een grensoverschrijdend aspect. Ik zeg ook echt: dit moet. Hoewel we dit natuurlijk op papier en ook in de wet goed willen regelen, moet de praktijk uiteindelijk uitwijzen hoe effectief het is en of het er ook daadwerkelijk voor zorgt dat vrije pers, academische vrijheid of überhaupt het recht om tegen te spreken, hoog staan in ons land. De bedoeling is namelijk dat we dit soort zaken snel kunnen afdoen.

Dat is misschien ook mijn eerste vraag aan de staatssecretaris: we zien eigenlijk nu al dat het belangrijk is om vooral een duidelijk signaal af te geven aan potentiële SLAPP-eisers dat het gewoon niet loont om dit soort zaken te doen. Maar wat gebeurt er als bijvoorbeeld Nederland een veel lichtere implementatie van de richtlijn toepast en België veel strengere wetgeving? Maken we Nederland hiermee eigenlijk niet aantrekkelijker voor allerlei SLAPP-eisers, die denken: we gaan hier even het recht doen toepassen? Dat is een vraag die ik heb.

Een andere vraag werd ook gesteld door collega Sneller. We zien nu dat de richtlijn zich beperkt tot civiele en handelszaken, maar we zien ook in andere rechtsgebieden dat het recht misbruikt kan worden om het doelwit te intimideren. Hoe wordt hier eigenlijk tegen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke SLAPP's aangekeken? Is het kabinet bereid om hier in ieder geval de nodige aandacht aan te besteden?

Dan het tweede. Hier heb ik ook amendementen op ingediend. Voor de bevoegdheid van een Nederlandse rechter is het nodig dat er sprake is van bijkomende omstandigheden, naast de woonplaats of de plaats van vestiging van een SLAPP-doelwit in Nederland. Maar dat is er niet expliciet in geregeld op dit moment. Deskundigen wijzen erop dat dit vereiste ertoe kan leiden dat SLAPP-slachtoffers geen effectieve toegang hebben tot de Nederlandse rechter en daarmee ook dat de beoogde bescherming volgens de richtlijn wordt ondermijnd. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris hiernaar kijkt.

Dan een ander punt dat mij niet helder werd. Waarom zijn we afgeweken van het beginsel dat Europese Nederlandse wetgeving ook in Caribisch Nederland van toepassing is? Eerst werd het argument tijdsdruk gegeven, toen werd er gezegd dat er een onderzoek kwam en toen werd er gezegd: we kunnen het onmogelijk daar toepassen, want de capaciteit daar is beperkt. Wat is hieruit gekomen? Is het kabinet van plan om nog wijzigingen op te nemen in de aldaar geldende wetgeving? Ik zeg dit juist ook omdat we zien dat zoiets als persvrijheid, om maar iets te noemen, enorm onder druk staat in Caribisch Nederland en dat het belangrijk is dat er geen verschillen tussen burgers zijn in het Koninkrijk.

Daarnaast vraag ik me af hoe de in de richtlijn voorgestelde procedurele waarborgen worden geflankeerd door expliciete steun aan SLAPP-slachtoffers als het gaat om informatieverschaffing, rechtsbijstand en financiële en psychologische ondersteuning, waartoe artikel 19 van de richtlijn verplicht. Die wordt op dit moment niet concreet ingevuld en ik hoor graag wanneer ik van de Kamer concrete maatregelen kan verwachten. Dat vraag ik in het bijzonder omdat het me in eerdere stukken weer opvalt dat er wordt gewezen op het bestaan van een initiatief voor persveiligheid. Maar ook hierin wil je dat er geen verschil is in hoeverre je wordt geholpen, of je nou een wetenschapper, een activist of een medewerker van een maatschappelijke organisatie bent. Hoe gaan we dat doen als het gaat om het informeren en ondersteunen? Op dit moment zie ik een website. Ik begrijp dat het met de website op papier goed geregeld is, maar, nogmaals, dat zal in de praktijk niet zo zijn. Ik denk dat ook door collega's in deze Kamer terecht de discussie is aangevoerd waar we het nou over hebben. In hoeverre zijn er nou heel veel SLAPP-zaken? Ik denk dat het precies hierin zit. Als iemand zoiets overkomt, heeft die niet meteen door: ik behoor tot deze bijzondere categorie. Ik denk dat we daarvan echt rekenschap moeten geven met elkaar. Hoe bekender het wordt dat dit soort dingen er zijn, hoe meer mensen hulp gaan zoeken. Dan vind ik een website waar je alleen leest wat je rechten zijn en niet waar je ondersteund kan worden, een beetje te makkelijk. Ik zou daar dus graag iets meer over willen horen.

Tot slot de publicatie van SLAPP-uitspraken. Ik lees dat het kabinet in gesprek ging om te kijken of dit uiteindelijk gepubliceerd kan worden. Ik ben benieuwd hoe het daarmee staat. Ik denk namelijk dat het in het kader van transparantie en normstelling belangrijk is dat dat werkelijk gebeurt.

Als u mij toestaat, voorzitter, heb ik nog een paar afsluitende woorden. Wat staat er vandaag op het spel? Een democratie zonder vrije pers is geen democratie. Een samenleving waarin burgers bang zijn om zich uit te spreken, is geen vrije samenleving. SLAPP's ondermijnen niet alleen individuen; ze ondermijnen het fundament van onze rechtsstaat. Ze maken van het recht, dat er is om iedereen te beschermen, juist een instrument om de allerrijksten en allermachtigsten onder ons te beschermen. We kunnen dat niet accepteren, dus dit wetsvoorstel is volgens onze fractie een goed begin, maar de praktijk wordt uiteindelijk cruciaal. Zolang kritische stemmen het zwijgen wordt opgelegd door wie het meeste geld heeft voor advocaten, is er namelijk geen vrij woord, en zonder vrij woord geen democratie.

Mevrouw Straatman (CDA):

Aan mevrouw Abdi heb ik dezelfde soort vraag als de vraag die ik aan de heer Sneller stelde, maar dan misschien net iets anders geformuleerd. Ik ben namelijk zoekende wat betreft de amendementen die u beiden heeft ingediend, die toch een soort subcategorie maken binnen de categorie in het leerstuk misbruik van procesrecht. Ik denk dat mevrouw Abdi heel terecht zegt wat er op het spel staat, waarom het belangrijk is dat iedereen toegang tot het recht heeft en dat daar geen misbruik van gemaakt mag worden. Maar ik heb een heel concrete casus om aan te geven dat er natuurlijk ook in andere situaties misbruik van procesrecht kan worden gemaakt waarbij de financiële positie heel anders is. Stel, je hebt een multinational met heel veel geld die een bepaald bedrijfsmodel heeft en een bepaald product maakt; die ziet een opkomende start-up die potentieel heel veel van het marktaandeel kan innemen. Ook in dat soort situaties kan er strategisch geprocedeerd worden tegen die kleine mkb- of start-upondernemer. Er is natuurlijk ook een enorm verschil in financiële positie en in toegang tot het recht, om het maar zo te zeggen. Toch lijkt het, als we de amendementen van de heer Sneller en mevrouw Abdi aannemen, alsof in beide gevallen misbruik wordt gemaakt van procesrecht, maar waarbij voor de ene categorie een andere set regels geldt, een andere lat in het bewijsrecht, dan voor deze specifieke casus. Kan mevrouw Abdi uitleggen waarom dat goede wetgeving zou zijn?

Mevrouw Abdi (PRO):

Dank aan collega Straatman voor de vraag. Ik moet zeggen dat ik het dilemma deels herken, maar niet helemaal. Volgens mij beogen we hier vandaag het volgende te doen. Dit gaat om bijzondere omstandigheden en bijzondere gevallen. Dat is ook het belang van de richtlijn, die uitwijst waarom het belangrijk is om dat zo toe te passen. Ik herken niet dat misbruik van procesrecht betekent dat je de een hoger zet dan de ander. Mevrouw Straatman verwijst naar financiële ongelijkheid. Dat is natuurlijk niet wat we hier met elkaar betogen. We betogen hier met elkaar dat we zaken zoals persvrijheid, academische vrijheid, tegenspraak in de democratie en het voorkomen van machtsmisbruik belangrijk vinden. Strategisch procederen is één ding, maar het gaat ons erom dat de rechtszaken die worden aangespannen juist tot doel hebben om te intimideren en dit soort andere rechten te ondermijnen. Wij denken dus dat die bijzondere omstandigheden inderdaad vragen om bijzondere bepalingen, maar ik herken het dilemma van collega Straatman.

Tegelijkertijd zou je ook andersom kunnen redeneren. We kunnen ook afwachten totdat allerlei rechtszaken worden gevoerd en je blijft doorprocederen tot aan het Hof, omdat Nederland de wet misschien niet goed heeft geïmplementeerd. Dat is natuurlijk ook een risico als je het heel minimaal houdt. Ik denk dat wij in ieder geval beogen om bij de dingen die we zien, ook op basis van experts, meer rechtszekerheid en meer duidelijkheid te geven. Denk aan de criteria -- die zijn, denk ik, heel belangrijk -- om concrete handvatten te geven en aan vroegtijdig afwijzen, waarmee je ook de onnodige druk op rechtbanken verlicht. Ik denk dat wij hierin van inzicht verschillen, maar ik hoop dat mevrouw Straatman ook kan inzien dat we het hiermee niet onnodig ingewikkeld maken, maar het misschien juist makkelijker maken om te zeggen welke categorie we nu hebben.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik deel het doel van deze richtlijn, maar ik ben het niet helemaal eens met de analyse die mevrouw Abdi maakt. Kijk naar het amendement op stuk nr. 7, over vroegtijdig afwijzen. Volgens mij kun je dan twee redeneringen ophangen. Dan kun je zeggen: we kennen in Nederland al het misbruik van procesrecht en je kunt een incident opwerpen om dit heel vroeg in de procedure als argument aan te voeren. Dat kan in alle gevallen van misbruik van procesrecht. Daarvan zeggen de leden Sneller en Abdi: nee, we moeten een specifieke categorie maken, waardoor je alleen voor de gevallen van SLAPP's in een zo vroeg mogelijk stadium ook kunt afwijzen. In alle andere gevallen gebruik je dan dus het normale instrumentarium en in dit specifieke geval krijg je een soort extra instrument, waarvan ik niet helemaal duidelijk voor ogen heb wat dat extra instrument dan zou zijn. Daarom is mijn vraag als volgt. Waarom is het gerechtvaardigd om alleen voor deze subcategorie een extra mogelijkheid te creëren om in een zo vroeg mogelijk stadium af te wijzen, terwijl je datzelfde instrument niet geeft in al die andere gevallen die ik schetste? Dat van de grote multinational versus een kleine start-up was natuurlijk maar een voorbeeld, maar dat kan ook aan misbruik van procesrecht voldoen. Moet je dan niet zeggen: of we creëren een extra instrument voor alle zaken van misbruik van procesrecht, of we houden het bij het bestaande instrumentarium, dat ook geldig wordt voor SLAPP-zaken?

Mevrouw Abdi (PRO):

Om op het eerste in te gaan: ik ben benieuwd welke suggesties mevrouw Straatman daarvoor heeft, dus ik zal haar bijdrage ook met heel veel interesse volgen.

Dan het tweede. Kijk, dat is natuurlijk de kern. De bepalingen die we nu hebben, de huidige wettelijke voorzieningen, zijn best wel algemeen, waardoor je het bijzondere karakter van deze SLAPP-zaken eigenlijk niet in acht neemt. Die bieden ook geen garantie voor naleving. Dat is, denk ik, ook een hele belangrijke. Bij de toetsing van voldoende belang, artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek, moet de rechter nu terughoudendheid in acht nemen. Dat is een verzwarende factor. Die ondermijnt eigenlijk de bescherming die wordt geboden door de richtlijn.

Ten tweede denk ik dat het ook goed is om te zeggen dat je dit in samenhang moet zien. Die criteria zijn juist bedoeld om handvatten te geven voor hoe je ervoor kan zorgen dat zo'n SLAPP-doelwit uiteindelijk wordt beschermd, ook in het Nederlandse recht. Ik denk dat de combinatie van die belangenafweging en die terughoudende toetsing niet strookt met de enkele beoordeling of sprake is van een kennelijk ongegronde vordering. Een ander belangrijk punt, om daar nog op in te gaan, is dat de bewijslast nu wordt neergelegd bij het SLAPP-doelwit en niet bij de eiser. Dat proberen wij natuurlijk ook om te zetten.

De voorzitter:

Dan gaan we luisteren naar de bijdrage van mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Om even kort te reageren op dat laatste punt: als het inderdaad zo zou zijn dat artikel 3:13 te beperkend is -- daar wil ik best een discussie over voeren -- dan zou ik zeggen: pas dan 3:13 aan, zodat in alle gevallen van misbruik van procesrecht dezelfde regels gelden.

Voorzitter. Ik ga verder met mijn bijdrage. We spreken regelmatig over de staat van onze rechtsstaat. De ongemakkelijke werkelijkheid is dat een rechtsstaat niet vanzelfsprekend goed functioneert. Voorbeelden uit landen dicht bij huis laten zien dat structurele problemen de rechtsstaat onder druk kunnen zetten. De moord op onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia in Malta staat ons nog scherp voor ogen. Rechtsstatelijke waarborgen vragen dus voortdurend onderhoud, want zonder aandacht kunnen zij langzaam afbrokkelen. Vandaag hebben we het in dit kader over SLAPP's, oftewel strategische rechtszaken die ingezet worden tegen publieke personen om deelname aan het publieke debat te voorkomen, te beperken of te ontmoedigen. Het gaat om journalisten, mensenrechtenorganisaties of anderen die zich actief in het publieke debat mengen. Zij krijgen te maken met strategische procedures, niet omdat zij onrechtmatig hebben gehandeld, maar puur en alleen om hen het zwijgen op te leggen, te intimideren of onder druk te zetten. Het recht als middel om onvrijheid te bevorderen. Het spreekt voor zich dat dit soort praktijken aangepakt moeten worden. In 2022 gaf het kabinet gelukkig aan dat juridische procedures in Nederland om journalisten en mensenrechtenverdedigers te intimideren of te bedreigen, nog niet veel voorkomen. Kan de staatssecretaris bevestigen dat dit beeld nog steeds actueel is?

Voorzitter. Maar hoe dan ook, het is essentieel dat mensen die bijdragen aan het publieke debat hun werk onbelemmerd kunnen doen, want dat raakt aan de kern van onze democratische rechtsstaat. De vraag is echter hoe je SLAPP's effectief aanpakt. De Europese richtlijn van 11 april 2024 poogt SLAPP's aan te pakken met extra waarborgen in het burgerlijk procesrecht. Veel van die maatregelen kent Nederland al. Dat geeft aan dat wij een robuust burgerlijk procesrecht hebben. Tegelijkertijd roept dit ook de vraag op: wat voegt deze richtlijn voor de Nederlandse rechtsorde dan precies toe? Wat ons betreft is het eerlijke verhaal: verdomd weinig, in alle eerlijkheid. Dat is wat ons betreft een gemiste kans.

Voorzitter. Met dit wetsvoorstel hoeft nog slechts één maatregel uit de richtlijn omgezet te worden in nationale wetgeving. Dat is de zekerheidstelling. Het gaat om de mogelijkheid voor een verweerder om zekerheid te krijgen voor de betaling van proceskosten en een schadevergoeding van een eiser, die volgens de wederpartij misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Als dat misbruik wordt aangetoond en het SLAPP-doelwit, bijvoorbeeld een journalist, de rechtszaak wint, dan heeft hij een financiële garantie dat degene die de SLAPP-zaak is gestart, ook daadwerkelijk verhaal biedt voor de proceskostenveroordeling. Maar ook dit instrument van zekerheidstelling is niet nieuw in het Nederlandse procesrecht. Ook nu kun je zekerheid verzoeken, maar alleen als je in een rechtszaak getrokken wordt door een eiser van buiten Nederland, afkomstig uit een land waar Nederland ook geen verdragsrechtelijke verplichting mee heeft. Reden voor deze beperking is dat in nationale gevallen al andere juridische instrumenten voorhanden zijn, bijvoorbeeld executieprocedures in verdragen, of andere nationale instrumenten, bijvoorbeeld het leggen van conservatoir beslag. Precies om die reden wordt in Nederland ook maar zeer beperkt een beroep gedaan op artikel 224 Rv. In juridische rechtsbronnen wordt geschreven over de praktische betekenis van dit artikel. Ik citeer uit een juridische bron: "De uitzonderingen van lid 2 reduceren het bereik van de hoofdregel van lid 1 in zodanige mate dat in de praktijk slechts bij uitzondering met vrucht zekerheidstelling kan worden gevorderd van een in het buitenland wonende eiser."

Voorzitter. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt de staande praktijk aangepast en wordt het dus alleen in SLAPP-zaken wél mogelijk om zekerheid te stellen als een eiser zijn woonplaats in Nederland heeft. Begrijp me goed: alle beetjes om de onwenselijkheid van SLAPP's tegen te gaan hebben mijn steun. Mijn fractie voelt echter ongemak doordat hiermee de logica van de wetssystematiek wordt doorbroken, want natuurlijk geldt ook voor SLAPP-doelwitten dat andere nationale instrumenten voorhanden zijn, waardoor met deze wetgeving een moeilijk verklaarbaar onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende zaken waarin sprake is van misbruik van procesrecht. Daarnaast geldt ook voor SLAPP-doelwitten dat beperkingen gelden vanwege verdragsrechtelijke afspraken, waardoor ook in deze nieuwe situatie de zekerheidstelling slechts zeer beperkt bruikbaar zal zijn. Onderaan de streep is het dus maar de vraag of met deze wetswijziging artikel 224 Rv een effectiever instrument wordt, terwijl zeker is dat wetgeving hierdoor meer inconsistent en complexer wordt gemaakt. Zou de staatssecretaris hierop kunnen reflecteren?

Voorzitter. Diezelfde bedenkingen bij de effectiviteit heeft mijn fractie ook bij de instrumenten die al onderdeel uitmaken van het juridisch arsenaal, zoals het vroegtijdig afdoen van deze procedure en de volledige proceskostenvergoeding. Onderaan de streep staat of valt het namelijk met het bewijs dat er sprake is van misbruik van recht, en die lat ligt nu eenmaal hoog. Als die lat niet wordt gehaald, kan de rechter ook niet vroegtijdig afdoen en kan hij ook geen volledige proceskostenvergoeding toewijzen.

Voorzitter. Zelfs als die hoge lat van misbruik van procesrecht bewijsrechtelijk wordt gehaald, is het nog aan de vrije beoordeling van de rechter om te beslissen of de eiser de volledige proceskosten moet vergoeden. De leden Sneller en Abdi hebben een amendement ingediend om dit standaardpraktijk te laten zijn. Dat amendement begrijp ik, want dit is het enige onderdeel van de wet met echt tanden. Waarom kiest de staatssecretaris ervoor om bij intellectueeleigendomszaken bijvoorbeeld wél standaard die volledige proceskostenvergoeding in de wet op te nemen en dat bij dit type zaken niet te doen?

Voorzitter. Ik rond af. Mijn kritiek op deze wet doet niets af aan het feit dat mijn fractie de doelstellingen van deze wet volledig ondersteunt, namelijk het aanpakken van SLAPP's. De vraag is alleen of dit de meest vruchtbare route is. Daarom wil ik tot slot nog twee opmerkingen maken. Allereerst. Op dit moment komen SLAPP's gelukkig nog niet tot zeer gering voor in Nederland, maar dat wil niet zeggen dat we op onze lauweren moeten gaan rusten. Mijn fractie ziet meer heil in het verbeteren van de kennisdeling over SLAPP's en het uitbreiden van juridische en psychische ondersteuning van publieke personen. Organisaties als Persvrijheid spelen daarin een belangrijke rol en moeten wat het CDA betreft goed worden ondersteund. Kan de staatssecretaris aangeven welke stappen zij zet om kennis over SLAPP's verder te ontwikkelen en organisaties die opkomen voor de belangen van publieke personen te ondersteunen?

De staatssecretaris heeft bovendien eerder aangegeven te werken aan toegankelijke en begrijpelijke informatie voor mensen die te maken krijgen met dit soort procedures. Kan zij toelichten hoe deze informatievoorziening wordt ingericht en op welke manier ervoor wordt gezorgd dat betrokkenen deze ondersteuning ook daadwerkelijk weten te vinden?

Voorzitter. Ten tweede. Deze richtlijn richt zich hoofdzakelijk op personen die misbruik maken van het Nederlands rechtssysteem om zo publieke personen de mond te snoeren en daarmee het publieke debat onmogelijk te maken. De rechtspraak is hiervoor helemaal niet bedoeld; laat dat duidelijk zijn. Maar datzelfde geldt wat mijn fractie betreft ook voor activistische zaken tegen particuliere bedrijven waar niet een juridische maar een politieke zaak ligt, maar die toch over de band van de rechtspraak worden uitgevochten, zoals de klimaatzaak tegen Shell. Wat mijn fractie betreft moeten we ook scherp zijn op dit type zaken, omdat ook daarvoor geldt dat het de rol van de verschillende staatsmachten in onze rechtsstaat risicovol vermengt. Voor politieke vragen moet je namelijk hier zijn, in dit huis, of een rechtszaak starten tegen de Staat, maar niet tegen particuliere bedrijven. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Wil zij ook voor dit type zaken onderzoeken welke extra waarborgen nodig zijn om dit type zaken te voorkomen?

Voorzitter, tot slot. Mijn fractie begrijpt dat Nederland is gehouden de richtlijnen te implementeren en zal dan ook gewoon voor deze wet stemmen. Maar het is goed om te blijven benadrukken dat we bepaalde maatschappelijke fenomenen niet altijd met extra regels kunnen oplossen. Dit wetsvoorstel is hiervan wat mij betreft een goed voorbeeld; zeker als het gaat over de regeling van de zekerheidstelling kan ik niet anders concluderen dan dat we nu ons Burgerlijk Wetboek onnodig compliceren zonder dat dit naar mijn verwachting effect gaat sorteren. In dat kader is het teleurstellend dat er geen impactassessment is geweest voordat de richtlijn werd vastgesteld. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar? Wil zij in de komende onderhandelingen er scherper op toezien dat zo'n impactassessment altijd wordt uitgevoerd?

Dank u wel.

De voorzitter:

Oké. Ik kijk even rond. Er is nog een vraag van mevrouw Abdi.

Mevrouw Abdi (PRO):

Dank aan collega Straatman voor haar bijdrage en haar kritische kanttekening. Zij zegt terecht -- "gelukkig" zou ik bijna zeggen -- dat zij wel de doelstellingen van de wet onderstreept. Hoe kijkt zij aan tegen de zorg dat als Nederland de richtlijn heel minimaal toepast, vooral als het gaat om de volledige proceskostenveroordeling en het vroegtijdig afwijzen van een ongegronde vordering, Nederland daarmee een gunstig land wordt voor eisers in SLAPP-zaken, wat ons rechterlijke apparaat dan onnodig belast? Hoe kijkt mevrouw Straatman hiertegen aan?

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank aan mevrouw Abdi voor de vraag. De kern van mijn betoog is dat de instrumenten in deze richtlijn in mijn beleving heel weinig effectief zijn om het hele fenomeen SLAPP actief te kunnen aanpakken. U vraagt: worden we een soort toevluchtsoord voor SLAPP-zaken als we deze richtlijn niet heel ruimhartig implementeren? Dat denk ik niet. Ik denk namelijk dat SLAPP's ook bij een hele ruime implementatie van deze richtlijn nog steeds kunnen voorkomen.

Er zijn eigenlijk drie elementen: vroegtijdig afdoen, zekerheid kunnen stellen en die volledige proceskostenvergoeding. In dat derde element zie ik wel heil. Ik denk dat dit tanden kan hebben, omdat dit ook een preventieve werking aan de voorkant kan hebben. Als je weet dat je het volledige bedrag van je advocatenkosten moet terugbetalen … Ik kan dit uit eigen ervaring zeggen, want ik heb daar een tijdje rondgelopen: dat hou je financieel niet heel lang vol. Ik denk dus dat dit tanden kan hebben. Daarom begrijp ik dat amendement ook goed. Ik denk alleen dat de andere amendementen heel weinig impact hebben. Bovendien denk ik dat de wet nu al voldoende instrumenten biedt om vroegtijdig te kunnen afdoen. Dat staat volgens mij ook in de memorie van toelichting. Je kunt op dit moment gewoon een incident opwerpen om te bespreken op basis van 3:13. Volgens mij hebben we in ons Burgerlijk Wetboek al alle middelen om dit vroegtijdig te kunnen aanpakken en hoeven we de wet dus echt niet onnodig te compliceren.

De heer Sneller (D66):

Nog een korte vraag. Aan de ene kant zegt mevrouw Straatman: "Het is een hele hoge lat, die eigenlijk nooit gehaald wordt, omdat dat heel lastig is. Dat moet je dus ook niet verwachten. Je kunt ook niet alles met regels oplossen." Dat laatste is op zich, in abstracto, een mooie oproep, die ik ook deel. Maar aan de andere kant hoor ik "we moeten ook niets veranderen dat zou maken dat het wel meer kan worden aangepakt". Wat is nou precies de redenering?

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik constateer dat het op dit moment een hoge lat is en dat rechters terughoudend met het leerstuk misbruik van procesrecht omgaan. Op het moment dat deze richtlijn wordt geïmplementeerd, zullen de rechters ook richtlijnconform moeten uitleggen. Jurisprudentie is continu in beweging, dus ook het leerstuk misbruik van procesrecht is in beweging. Ik ben er ook van overtuigd dat op het moment dat meer SLAPP-zaken zich voordoen in Nederland, dit zich zal vertalen in een jurisprudentiële ontwikkeling van artikel 3:13. Het is dus, met reden, een hoge lat, maar dat wil niet zeggen dat artikel 3:13 onvoldoende tanden heeft op dit moment.

Als dat wel de conclusie zou zijn en we met z'n allen zouden zeggen "we moeten meer waarborgen inbouwen in het leerstuk misbruik van procesrecht" dan zou ik daar best over willen spreken. Maar ik vind dat je dat dan voor het hele leerstuk, voor iedere situatie waarin misbruik van het procesrecht zich voordoet, moet doen. Je moet dat niet alleen voor een subcategorie doen, want dan maak je de wet dermate ingewikkeld en complex dat we de komende jaren alleen maar bezig zullen zijn om extra subcategorieën toe te voegen. In het kader van vereenvoudiging is dat volgens mij niet wat we willen.

De heer Sneller (D66):

Een laatste vraag. Die laatste oproep heb ik goed gehoord, hoor, maar ik heb ook het volgende opgeschreven. "Mevrouw Straatman zegt: wat voegt het toe? Verdomd weinig. De lat blijft hoog. De lat zal hoog blijven. Live with it." Maar aan het begin van haar inbreng beschrijft mevrouw Straatman ook hoe het ondermijnend kan zijn voor onze democratie. Ik zoek een beetje naar of het "live with it" is, of dat u zegt: nee, ik verwacht dat het op basis van deze richtlijn daadwerkelijk gaat veranderen, zonder dat we de amendementen hoeven aan te nemen.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik kan natuurlijk niet in de toekomst kijken, maar ik ga ervan uit dat rechters zich rekenschap geven van deze richtlijn ten aanzien van het leerstuk misbruik van procesrecht en dat zij ook richtlijnconform zullen uitleggen. Het wordt dus wel degelijk mogelijk om langs die lat te procederen tegen SLAPP-zaken en zaken vroegtijdig af te doen. Maar de voorstellen die hier voorliggen, verlagen die lat helemaal niet; dat is precies mijn punt. Het is niet zo dat met het vroegtijdig afdoen de definitie van misbruik van het procesrecht wordt aangepast, ook niet met de amendementen van de heer Sneller en mevrouw Abdi. Het is niet zo dat je als je zekerheid stelt makkelijker aan de lat voor misbruik van procesrecht voldoet. Sterker nog, die dingen zijn met elkaar in tegenspraak, want waarom zou je nog zekerheid stellen als dat veronderstelt dat je op enig moment aan een inhoudelijke behandeling van de zaak toekomt en je, als ooit blijkt dat jij die zaak wint, die proceskosten kan verhalen. Want "afdoen" wil zeggen: ik wil zo snel mogelijk van die zaak af en het hele beperkte bedrag dat aan kosten is gemaakt, is nog wel te overzien. Ik denk dat de instrumenten in deze richtlijn helemaal niets doen om de lat te verlagen. Dat is mijn kernpunt. Die helpen helemaal niet. Ik begrijp heel goed dat we iets aan SLAPP's willen doen, maar ik denk wel dat we er eerlijk over moeten zijn dat deze procesrechtelijke middelen heel beperkt zullen gaan werken.

De voorzitter:

Oké. Ik kijk even rond. Kan meneer Sneller het voorzitterschap even overnemen?

Voorzitter: Sneller

De voorzitter:

Ik geef graag het woord aan de heer Ellian voor de inbreng namens de VVD-fractie.

De heer Ellian (VVD):

Dank u wel, vervangend voorzitter. Dit is natuurlijk leuke materie als je advocaat bent geweest. Dat was mevrouw Straatman ook. Ik was ook civilist en ik heb heel veel geprocedeerd. Toen ik me ging voorbereiden, vond ik het leuk om mijn tanden weer even te zetten in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Ik ga het kort houden namens de VVD, want er is al best veel gewisseld. Het standpunt van de VVD sluit het meest aan bij het standpunt van de fractie van het CDA. We hebben in de voorbereiding gekeken wat het wetsvoorstel uiteindelijk beoogt om voor elkaar te krijgen. Wat is het primaire doel? Daar zijn we het allemaal over eens: je wilt een drempel opwerpen tegen SLAPP-zaken. Ik sprak het eerst op zijn Nederlands uit, als "slap", maar toen zei mijn medewerker "dat mag je niet zeggen in het debat; het is SLAPP", dus op z'n Engels. Het gaat om zaken waarvan de intentie is om ervoor te zorgen dat iemand twee keer nadenkt voordat die een actieve maatschappelijke bijdrage levert, zoals in de richtlijn omschreven staat. Het meest gevoelige voorbeeld is dat van journalisten. Dat is het doel. Dat is vrij duidelijk.

De regering heeft gekeken: hoe moeten we dit implementeren? Daar komt uit dat we het stellen van een zekerheid moeten regelen, want dat is het enige wat het Nederlands recht nog niet kent op die manier. Als ik het goed heb gelezen, dan heeft de regering gesteld: "Dat gaan we in de eerste plaats doen voor zaken met een grensoverschrijdend belang. Uiteraard zien wij ook dat dit in Nederland moet, maar geeft u ons alstublieft even. We gaan het netjes uitwerken en dan komen we daarmee." Op alle andere onderdelen zegt de regering: daarvoor kent het Nederlands recht al een duidelijke regeling. Denk aan de regeling voor misbruik van recht en bevoegdheid en dergelijke, artikel 3:13 BW. Denk ook aan het adagium: geen recht, geen belang.

Wat doe ik als Kamerlid? Ik kijk of het klopt wat de regering zegt en of de regel die we nu hebben, de mensen beschermt die mogelijk intimidatie van een SLAPP-zaak kunnen ondervinden. Bereikt het voorgestelde wetsvoorstel uiteindelijk het doel, namelijk dat grote ondernemingen of wie dan ook -- in theorie zou het ook een overheid kunnen zijn -- wel twee keer nadenken voordat ze dit gaan doen? Dat is volgens mij de essentie.

Hoe bereik je dat? Er zijn twee smaken. Je kunt kiezen voor de figuur die van toepassing is in het intellectueeleigendomsrecht. Die stamt van tien of vijftien jaar geleden, ook op basis van veranderingen op Europees niveau. Daarvoor geldt het leerstuk uit 1019h uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, namelijk dat de reëel gemaakte kosten van een advocaat voor vergoeding in aanmerking komen. De gedachte daarachter is dat je niet zomaar inbreuk moet maken op iemands intellectueeleigendomsrecht. Daar staat tegenover dat als er inbreuk wordt gemaakt, de ander zich daartegen moet kunnen verweren en moet kunnen zeggen: luister eens, als je dit blijft doen, dan kan dat je een hoop geld kosten.

Het ingewikkelde hiervan is dat dit een afbakening is. In IE-zaken geldt dit uitgangspunt als een drempel: gij zult goed nadenken voordat gij een rechtszaak start als het gaat om intellectueel eigendom. De vraag is hoe je dat bij een SLAPP kunt realiseren. Het wetsvoorstel kiest voor een zekerheidstelling. Ik onderschrijf de bedenkingen van mevrouw Straatman. Als de gedachte is dat je die SLAPP's zo snel mogelijk moet afdoen, dan is die zekerheid een beetje illusoir. Ik volg wel de regering in de gedachte dat ons civiele proces de mogelijkheid biedt om direct een incident op te werpen. Je kunt zeggen: ik wil dat mijn verweer zo snel mogelijk wordt beoordeeld. Overigens hoeft dat niet, want ook op een zitting, op een comparitie, zou een rechter daar eventueel meteen iets mee kunnen doen.

De VVD-fractie ziet dit als volgt. Je hebt twee smaken: of je doet iets met de zekerheidstelling of je doet iets met de vergoeding van in redelijkheid gemaakte kosten. Dat tweede zou kunnen in dit geval. Dan is de vraag wanneer dat aan de orde is, maar dan kom je bij de kwestie hoe duidelijk het is wanneer er sprake is van misbruik van recht. Dat is natuurlijk eigenlijk voor ons het meest ingewikkelde. Dat is natuurlijk ook in de richtlijn niet heel duidelijk aangegeven. Wij zien er niets in om dan nu allerlei elementen te gaan toevoegen aan artikel 3.13, want dan komt de vraag op: waarom doe je dat dan bij SLAPP's wel en in een heleboel andere zaken niet? Ik kan ook uit eigen ervaring spreken. Ik heb dat eerder in deze mooie zaal bij andere commissiedebatten gezegd: ik heb zát zaken meegemaakt waarbij ik gewoon aan de voorkant voor 99% wist dat wat op dat moment geëist werd onzinnig was. Voor het publiek noem ik even dat ik dagvaardingen heb gezien waarbij ontbinding en dwaling door elkaar werden gehaald! Dan weet je dat het een kansloze exercitie is. Ik heb tot aan het gerechtshof bij zaken gezeten waarbij de voorzitter van het hof tegen de tegenpartij, in dit geval de eisende partij, zei: ik weet niet goed wat u hier komt doen, maar weet u hoeveel kosten … Dus in alle eerlijkheid … Is dat dan misbruik van recht? Nee, maar het kost iedereen een hele hoop geld. Ik ben dus wel benieuwd hoe de staatssecretaris -- dat is eigenlijk ook mijn enige vraag -- dat ziet, namelijk hoe je er nou voor zorgt dat iemand die vindt dat er sprake is van een SLAPP dat inhoudelijk duidelijk kan maken.

Dat betekent ook -- dan ben ik klaar -- dat ik de amendementen behoorlijk kritisch beschouw. Of "kritisch" … Ik waardeer zeer … Dat meen ik oprecht, want er is flink werk van gemaakt en vanuit de gedachte van de indieners, dus de redenering dat we meer bescherming willen, begrijp ik echt wel dat je moet gaan sleutelen aan de wet. Dat waardeer ik in die zin enorm, alleen is voor mij de essentie, dus een vroegtijdige afwijzing, er al. Ik zie niet in waarom we nu een extra figuur zouden toevoegen aan het civiele proces. De figuur van de volledige kosten ken je nergens in het Nederlandse civiele recht. Dat vind ik echt ver gaan, zeker gecombineerd met de zekerheidstelling. Wat moet iemand dan zekerstellen? Dan moet je dat aan de voorkant gaan begroten.

Dan de indicatoren. Dat zou een fundamentele wijziging van artikel 3.13 betekenen. Ik denk, conform wat collega Straatman zegt, dat de rechter aan de hand van richtlijnconforme interpretatie, als iemand zegt zich te beroepen op het feit dat er sprake is van een SLAPP, dat leerstuk van artikel 3.13 kan inkleuren aan de hand van de wetsgeschiedenis en van de richtlijn en dus kan zeggen: deze elementen, deze gezichtspunten, neem ik mee. Dat amendement zie ik dus ook niet zo zitten.

Die uitbreiding van de zekerheidstelling naar Nederland. Op zich zegt de regering: dat hadden wij ook willen doen. Ik wacht even af wat de staatssecretaris van het amendement vindt, maar dat vind ik niet zo'n probleem.

Alles overziend, zeg ik het volgende. We begrijpen het doel. Het wetsvoorstel kunnen we in de vorm zoals ingediend door de regering steunen. Ik sta niet negatief tegenover het amendement om de zekerheidstelling uit te breiden naar Nederland, dus naar zaken die alleen een Nederlands belang hebben. Van de andere amendementen denk ik dat die meer problemen opleveren dan oplossen.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de collega's of er nog vragen zijn. Dat is niet het geval. Dan geef ik u graag het voorzitterschap terug.

Voorzitter: Ellian

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Sneller. Dat was vriendelijk van u. Mevrouw de staatssecretaris, hoeveel tijd heeft u nodig? Twintig minuten? Dat is helemaal perfect. Dan krijgt u drie minuten extra en gaan we verder om 15.15 uur. Ik schors de vergadering tot 15.15 uur.

De vergadering wordt van 14.53 uur tot 15.19 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering van de vaste commissie van Justitie en Veiligheid. We zijn nog steeds bij het wetgevingsoverleg over strategische rechtszaken tegen publieke participatie. We gaan luisteren naar de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Dat gaat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid doen. U gaat natuurlijk over uw eigen woorden, mevrouw de staatssecretaris, maar ik kan me zo voorstellen dat u begint met iets algemeen, en dan de vragen en de amendementen behandelt. De amendementen zijn, denk ik, de kern van het WGO. Dus als u die dan meteen wilt appreciëren, dan kijken we daarna hoe en wat. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Dank u wel, voorzitter. Ik heb inderdaad een inleidende tekst, en daarbij meteen mijn appreciatie van de amendementen. Vervolgens zal ik nog wat specifieke vragen beantwoorden. Ik dank de leden voor hun inbreng. Ik spreek vandaag voor het eerst over de implementatie van die anti-SLAPP-richtlijn. Dat is een belangrijk onderwerp. Ik kan de heer Sneller dan ook meteen geruststellen: ik voel de urgentie ook. Zeker in de voorbereiding merkte ik ook ten aanzien van dit onderwerp: hoe meer je ervan weet, hoe groter je zorgen worden. Gelukkig hebben we een richtlijn te implementeren met elkaar.

U heeft allemaal kort stilgestaan bij SLAPP's: dat zijn de rechtszaken die bedoeld zijn om deelnemers aan het publieke debat de mond te snoeren. Vaak gaat het om journalisten. Juist hun bijdragen aan het publieke debat zijn onmisbaar in een goed functionerende democratische rechtsstaat. Het kabinet staat dan ook pal voor onafhankelijke journalistiek, de veiligheid van journalisten en artistieke vrijheid. Zonder vrije pers en vrije kunsten is er geen vrije democratie. Daarom gaan we de mensen die zich inzetten voor de rechtsstaat beter beschermen. Dat hebben we ook zo afgesproken in het coalitieakkoord. Het gaat niet alleen om journalisten, want iedere deelnemer aan het publieke debat moet zich vrij voelen om te zeggen wat hij of zij wil. Vandaag de dag is het dreigen met een rechtszaak echter helaas geen uitzondering meer. De samenleving is een stuk grimmiger geworden voor journalisten en andere deelnemers aan het publieke debat. Denk hierbij aan mensenrechtenverdedigers, wetenschappers, milieuorganisaties en andere maatschappelijke organisaties.

Ik sta ook voor de toegang tot het recht. Niemand hoeft te dulden dat er leugens over hem worden verspreid, maar als de toegang tot het recht gebruikt wordt om te intimideren en iemand de mond te snoeren, dan wordt het recht misbruikt en dan komen de SLAPP's in beeld. We moeten ook in Nederland alert blijven. SLAPP's kunnen zich ook hier voordoen. Mevrouw Straatman vroeg al even: "Hoe is het beeld ten opzichte van 2022? Toen was het beeld namelijk dat ze in Nederland niet zo heel veel voorkomen. Is dat nog steeds het actuele beeld?" Nou, vanuit de journalistiek wordt aangegeven dat de juridische druk toeneemt. Er wordt steeds vaker gedreigd met rechtszaken. Volgens Free Press Unlimited en NDP Nieuwsmedia is in sommige gevallen ook al afgezien van publicatie. Vorige week is ook een petitie aangeboden aan uw Kamer, waarin hier aandacht voor is gevraagd. Daarom is het goed dat er aandacht is voor SLAPP's en vooral voor hoe mensen zich daartegen kunnen verdedigen. Ik onderschrijf dan ook volledig het doel van de richtlijn om deelnemers aan het publieke debat te beschermen tegen de zogenoemde SLAPP's.

We kennen een robuust rechtssysteem. Mevrouw Straatman merkte dat ook terecht op in haar bijdrage. Naar de letter hoeven we dan ook niet veel meer te implementeren. Een belangrijk deel van de bijdragen van uw Kamer ging over de vraag hoe breed en specifiek die omzetting naar nationaal recht nou precies moet zijn. Er zijn hierover vier amendementen ingediend door de heer Sneller en mevrouw Abdi. Dat betreffen de amendementen op de stukken nrs. 7, 8, 9 en 10. Er is ook nog een amendement op stuk nr. 11 van mevrouw Abdi. U keek even wat verwonderd, maar wat ik zeg, klopt volgens mij, toch? Ja. Goed. Laat ik beginnen met zeggen dat ik het eens ben met de strekking van deze amendementen. Daarin vinden wij elkaar. Ik ga daarom alle amendementen oordeel Kamer geven. Ik zal u uitleggen waarom ik dat doe.

Ik begin met de amendementen op de stukken nrs. 7 tot en met 10. Alle SLAPP-doelwitten verdienen bescherming. Het maakt niet uit of het een grensoverschrijdende of een puur nationale SLAPP is. Deze amendementen laten zien dat er voor deze implementatie grofweg twee smaken zijn, namelijk een aparte bepaling voor SLAPP's opstellen of zo veel mogelijk aansluiten bij de bestaande regels. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen om aan te sluiten bij het bestaande wettelijk instrumentarium. Dat biedt nu al afdoende bescherming. Het Burgerlijk Wetboek kent al het concept "misbruik van procesrecht". Ons procesrecht geeft de rechter ook al voldoende ruimte om kennelijk ongegronde vorderingen snel af te kunnen wijzen. In beide gevallen kan de rechter volledige proceskosten toekennen. De Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse orde van advocaten en de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht onderschrijven daarom ook omzetting van de richtlijn door aansluiting bij het bestaande recht.

Dat rechters terughoudend omgaan met misbruik van het procesrecht, kan komen doordat het concept "SLAPP's" relatief nieuw is. Ook de advocatuur moet hierin wellicht haar weg nog vinden. De heer Sneller refereerde daar zelf ook al aan. Er wordt door verschillende ministeries gewerkt aan voorlichting hierover voor alle betrokkenen: mogelijke doelwitten, advocaten en de rechtspraak zelf. De rechtspraktijk moet ervaring opdoen met het herkennen ervan. Iemand die een SLAPP indient, zegt er immers nooit bij: dit is een SLAPP, dus let even goed op, rechter. Hoe dan ook is de vraag altijd of er sprake is van misbruik van procesrecht. Dat vereist in elke zaak een inhoudelijke beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Die moeten worden afgewogen tegen het belang van toegang tot het recht. Deze beoordeling ligt telkens bij de rechter. Ook als we in de wet een specifieke regeling opnemen over SLAPP's, moet de rechter dit nog steeds per geval beoordelen en deze afweging maken. Omdat deze vier amendementen in lijn liggen met het doel van de richtlijn, kan ik de strekking en de voorgestelde bepalingen wel positief beoordelen. Ik zal ze per stuk even aflopen.

Het amendement op stuk nr. 7 ziet op de expliciete bepaling om, kort gezegd, de SLAPP's zo snel mogelijk af te kunnen doen. Ik heb hiertegen geen bezwaar, maar ik snap ook wat de heer Ellian en mevrouw Straatman hierover zeggen. Het blijft de vraag of dit daadwerkelijk sneller zal gaan als de rechter dit met het bestaande recht doet. Dat weten we niet.

Het amendement op stuk nr. 8 ziet op de expliciete bepaling op grond waarvan de eiser in een SLAPP kan worden veroordeeld tot het betalen van alle kosten van het SLAPP-doelwit. Ik zie de kosten van een SLAPP als nodeloos veroorzaakt. Dat is in ons procesrecht een reden voor een volledige vergoeding daarvan. Het debat van vandaag laat echter ook zien dat een specifieke regeling hiervoor het voor het doelwit net iets makkelijker maakt om hierom te vragen.

Het amendement op stuk nr. 9 legt in het Burgerlijk Wetboek vast dat een SLAPP misbruik van procesrecht is. Ik zie dit als een regeling die eigenlijk precies doet wat 3:13, lid 2, BW nu ook wil regelen, maar ik heb goed gehoord wat u hierover heeft gewisseld. Ook hier valt niet met zekerheid te zeggen hoe dit uitpakt, ook voor andere vormen van misbruik van recht.

Het amendement op stuk nr. 10 gaat over het ook laten gelden van de zekerheidstelling in nationale gevallen. Ik heb in de memorie van toelichting al toegezegd dat ik dit ga regelen. Ik zie ook dat de praktische uitwerking niet zo groot zal zijn, maar ik vind het goed om alle SLAPP's gelijk te behandelen.

Het amendement op stuk nr. 11 van mevrouw Abdi gaat over de bevoegdheid inzake een schadevergoeding bij een buitenlandse SLAPP. Ook hier heb ik inhoudelijk gezien geen problemen mee. De toelichting vraagt wel om enige nuance. Ik ga er namelijk van uit dat artikel 6, sub e, Rv volstaat. Dat is ook de bepaling op grond waarvan de rechtbank in eerste aanleg bevoegdheid heeft aangenomen in de Greenpeacezaak, maar het kan geen kwaad om dit alsnog specifiek te regelen. Zo heb ik dat ook besproken met de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht en met de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht.

Kanttekening. Misschien dat we daar dan nu aan toekomen, want ik heb wel nog wat kanttekeningen bij de amendementen.

De voorzitter:

Ik constateer dat dit dus de appreciaties zijn. We gaan naar mevrouw Straatman en dan kunnen we daarna naar de kanttekening. Mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):

Voorzitter, ik kon ook wachten op de kanttekening, hoor.

Ik begrijp het niet helemaal. Als ik de toelichting op de amendementen goed lees, dan zeggen de leden eigenlijk: het instrumentarium is er, maar het bestaande instrumentarium is onvoldoende om de richtlijn op een juiste manier te implementeren. Als ik de staatssecretaris goed begrijp -- corrigeer me als ik het niet goed parafraseer -- dan zegt zij: ja, we hebben een bestaand instrumentarium en dat is eigenlijk voldoende, maar ten overvloede kan ik deze amendementen oordeel Kamer geven. Daar lijkt nu enig licht tussen te zitten. Is de staatssecretaris het ermee eens dat het bestaande instrumentarium voldoende is om precies hetzelfde te regelen als wat met de amendementen wordt beoogd?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ja, in beginsel ben ik het daar helemaal mee eens. Wij implementeren de richtlijn binnen wat we hebben, en dat is eigenlijk voldoende, ware het niet dat het iets kan toevoegen. Kijk, hiermee zullen we ervaring moeten opdoen in de zaken die zich zullen aandienen, maar in feite voldoet ons Nederlands recht.

Ik wil wat opmerkingen maken die hier ook aan refereren. Wellicht gaat dat helpen, ook in het gesprek dat we hier verder met elkaar over voeren.

Anders dan in de toelichting op de amendementen wordt gesuggereerd, volstaat het bestaande recht echt voor het overgrote deel al. Ook met het wetsvoorstel dat nu voorligt wordt de richtlijn goed geïmplementeerd. Oordeel Kamer gaat dus wel. Dat vind ik. Dat is ook iets wat we met elkaar zouden kunnen accepteren, om het maar even zo te zeggen. Ik kan daarmee dus uit de voeten, maar ook als de amendementen niet worden aangenomen, hebben wij een keurige implementatie van deze richtlijn.

Ik merk bovendien op dat de amendementen strikt genomen een nationale kop bevatten. De uitbreiding tot nationale gevallen die in de amendementen staat, volgt niet uit de richtlijn. Inhoudelijk gezien is dit geen enkel probleem. Net als de indieners van de amendementen vind ik dat in alle gevallen SLAPP-doelwitten op dezelfde bescherming en waarborgen moeten kunnen rekenen, ook in puur nationale zaken. Dit volgt ook uit de aanbeveling van de Europese Commissie en de aanbeveling van de Raad van Europa. Tegelijkertijd is het een vast uitgangspunt dat implementatiewetsvoorstellen niet verder gaan dan wat nodig is voor implementatie.

Wat op dat laatste punt wel kan, is de uitbreiding tot nationale gevallen regelen in een afzonderlijk wetsvoorstel. Daarom het volgende. Als uw Kamer specifieke bepalingen wil, maar zonder nationale kop, dan moeten de amendementen dus nog wel worden aangepast. Ik kan daarbij het volgende toezeggen. Ik kan dan heel voortvarend een apart wetsvoorstel maken waarmee de specifieke bepalingen ook voor nationale gevallen gaan gelden. Het wetsvoorstel kan ik vrij snel, naar verwachting kort na de zomer, klaar hebben en dan voor advies naar de Raad van State sturen.

Tot zover de appreciatie van de amendementen. Dan kom ik bij de beantwoording van de specifiekere vragen, te beginnen bij het nut en de noodzaak van het voorstel. Mevrouw Straatman vroeg naar mijn reflectie op de opmerking dat de nieuwe bepaling voor de zekerheidstelling naar verwachting niet veel zal worden gebruikt. Dat ben ik met u eens. Daar kan ik heel kort over zijn. De bepaling is nodig om aan de richtlijn te voldoen, maar de reikwijdte is zeer beperkt. De bepaling geldt alleen voor in Nederland gevestigde eisers in grensoverschrijdende SLAPP's.

Dan de vragen over de inhoud van de richtlijn en de procedurele waarborgen. Een vraag van de heer Sneller: "Hoe zit het nou met de bewijslast? Wie moet nou stellen en wie moet bewijzen?" We hebben de tekst er nog even heel goed op nageslagen. U gaf ook dat voorbeeld en vroeg of het nou wel helemaal klopt hoe het er staat. Elke eiser die een vordering indient, moet daarvoor al in de dagvaarding voldoende feiten en onderbouwingen aandragen en de mogelijke bewijsmiddelen daarvoor noemen. Als de gedaagde in zijn verweer stelt dat het gaat om een SLAPP, dan moet de gedaagde daarvoor weer enige onderbouwing geven. Een kale bewering is dan te weinig. De rechter beoordeelt vervolgens of hij voldoende informatie heeft om te kunnen vaststellen dat het om een SLAPP gaat. Dat is in ieder geval hoe de tekst nu door ons gelezen wordt. Dat is ook in lijn met de richtlijn.

Dan die inhoud van de richtlijn, de proceskostenveroordeling. Een vraag van mevrouw Straatman: hoe verhoudt de bepaling dat het aan de rechter is om te oordelen over een volledige proceskostenveroordeling bij misbruik van procesrecht, dus bij de SLAPP's, zich tot de keuze om volledige proceskostenveroordeling bij intellectueeleigendomszaken wel expliciet in de wet op te nemen? Het is in de Richtlijn handhaving intellectueeleigendomsrecht net iets anders geformuleerd. De richtlijn bepaalt voor SLAPP's dat de rechter de mogelijkheid -- dikgedrukt -- moet hebben om een volledige proceskostenveroordeling toe te kennen. Dat sluit aan bij de bestaande regeling voor kostenveroordeling bij misbruik van het procesrecht. Een specifieke regeling kan overigens ook. Daarom laat ik het amendement van de heer Sneller en mevrouw Abdi over de volledige proceskostenveroordeling dan ook graag oordeel Kamer.

Voorzitter. Dan het blokje beleidsmatige voorzieningen. De vraag van de heer Sneller en mevrouw Abdi: hoe kunnen we de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke SLAPP's beter monitoren en ziet de staatssecretaris al reden tot actie? Die EU-richtlijn ziet echt op die civielrechtelijke SLAPP's. Hoe dan ook, het belang van participatie aan het publieke debat vindt natuurlijk op al die rechtsgebieden plaats. Het is goed dat we het daar dus ook moeten beschermen en waarborgen. Daarom is dit wetsvoorstel belangrijk, maar het ziet dus niet op die bestuursrechtelijke en strafrechtelijke SLAPP's. Bij bestuursrecht zie ik juist een verschuiving naar meer betrokkenheid van belangenbehartigers. Bovendien kunnen belangenbehartigers steeds vaker zelfstandig beroep indienen tegen een besluit. Via de Woo-verzoeken kunnen zij de beschikking krijgen over voor hen relevante informatie. Vooralsnog zie ik, ook ten aanzien van het strafrecht, dus geen reden tot actie. Daarbij zeg ik dat op het moment dat dat wel geconstateerd wordt, ofwel door deze Kamerleden ofwel op een andere manier, daar dan uiteraard door mij op geanticipeerd zal worden. Maar nogmaals, de richtlijn ziet hier dus niet op.

Dan de vragen van mevrouw Abdi en mevrouw Straatman: hoe wordt steun geboden aan slachtoffers van SLAPP's en informatie over SLAPP's gegeven? Slachtoffers kunnen gebruikmaken van die bestaande structuren. U noemde net al even onze eigen website, maar van belang is vooral de informatievoorziening en ondersteuning vanuit de Balie Persvrijheid van PersVeilig en het meldpunt voor SLAPP's van het bureau toezicht van de orde van advocaten. De Balie Persvrijheid kan verder helpen met de juridische ondersteuning. PersVeilig doet nu onderzoek hoe journalisten met SLAPP's te maken krijgen en gebruikt deze informatie om hen beter te helpen. Wij kiezen ervoor om zo veel mogelijk aan te sluiten en gebruik te maken van de bestaande structuren ten aanzien van de informatie en ondersteuning. Natuurlijk werkt de overheid naar aanleiding van deze anti-SLAPP-richtlijn wel aan een aangepaste pagina op rijksoverheid.nl. De inhoud is afhankelijk van wat er uiteindelijk uit de wetgeving volgt. Daarnaast blijven we de ontwikkelingen rondom SLAPP's in Nederland monitoren, onder andere door het voeren van gesprekken met de Raad voor de rechtspraak. Ik doe dat natuurlijk niet alleen. Ik doe dat samen met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zij ondersteunen de stichting PersVeilig ook financieel. Ik realiseer me dat freelancejournalisten en kleine nieuwsorganisaties heel kwetsbaar zijn, juist als het gaat over de SLAPP's en de zaken die tegen hen kunnen worden aangespannen. Bij PersVeilig werken juristen die hen kunnen ondersteunen met raad en daad. PersVeilig speelt een belangrijke rol in het vergroten van het bewustzijn bij de journalisten. Zoals ik net al zei, doet PersVeilig daarom op dit moment onderzoek naar juridische druk en SLAPP's bij journalisten, om te weten wat er speelt en wat hun behoeften zijn, ook in die juridische ondersteuning. Het vergroot het bewustzijn. De resultaten daarvan worden in september verwacht. Ik zou ze dan ook graag met de Kamer willen delen. PersVeilig is bekend onder journalisten, ook omdat zij daar bijvoorbeeld trainingen geven.

Dan een vraag van mevrouw Abdi, die zag op de SLAPP-uitspraken die gepubliceerd zouden moeten kunnen worden.

De voorzitter:

Ik zie dat sommige leden willen interrumperen. Misschien kunnen we daar even mee wachten. Volgens mij is de staatssecretaris bijna klaar. Zullen we even wachten en dan daarna gewoon alle vragen doen? Gaat u verder, staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Dank voor het geduld. Het is belangrijk om dit mapje even af te maken.

Kunnen die uitspraken gepubliceerd worden? Ja, dat gesprek hebben we natuurlijk ook met de rechtspraak. Zij geven aan dat zij SLAPP-zaken zullen registreren in het processysteem. Dergelijke zaken worden gepubliceerd op rechtspraak.nl. Zo kunnen we heel specifiek bijhouden hoeveel zaken gaan over deze situatie, waarin er sprake is van een SLAPP. Er zal expliciet in de inhoudsindicatie worden vermeld dat het om een SLAPP-zaak gaat, dat de SLAPP is beoordeeld of dat er SLAPP-verweer aan de orde is. Het gebeurt ook dat de rechter uiteindelijk oordeelt dat het geen SLAPP-zaak is. Daar hebben we dus goed zicht op. Het zorgt ervoor dat SLAPP-zaken gemakkelijk terug te vinden zullen zijn. Deze werkwijze is met het ministerie afgestemd. Het gaat ons namelijk ook helpen om in de gaten te houden hoe vaak hier sprake van is. Het proces maakt onderdeel uit van een bredere inzet voor publicatie van rechtszaken. Er wordt parallel gewerkt aan een wettelijk kader voor publicatie en hergebruik van rechterlijke uitspraken. De vraagpunten en denkrichtingen van dit traject worden uitgewerkt in een contourenbrief, die uw Kamer zal ontvangen in het derde kwartaal van dit jaar. Dat gaat dus ook vlot.

Dan heb ik nog een laatste mapje met diverse andere belangrijke onderwerpen, waaronder het gelijke speelveld. Dat was een vraag van mevrouw Abdi. Zij geeft aan dat het belangrijk is om een duidelijk signaal af te geven dat het niet loont om dit soort zaken te doen. Ze vroeg: wat gebeurt er als Nederland een lichtere implementatie dan de buurlanden toepast? Maken we Nederland dan niet juist veel aantrekkelijker? We hebben juist met deze richtlijn een gelijk speelveld gecreëerd in de Europese Unie. Dat lijkt ook de uitwerking te kunnen zijn. Waar in de Unie ook, eenieder die meent dat er sprake is van een SLAPP kan aanspraak maken op de in de richtlijn opgenomen waarborgen. Dat geldt ook in Nederland. We gaan uit van zuivere implementatie en niet van minimale implementatie. Het is dus goed om dat even te benadrukken. Je kunt ook kiezen voor specifieke bepalingen. Dat is dus ook mijn appreciatie bij deze amendementen geweest. Hoe dan ook zal het even duren voordat de aanpak van SLAPP's goed is geland in de juridische rechtspraktijk. Voorlichting is daarbij belangrijk. Ik zie daar ook een grote taak en rol voor de Rijksoverheid, voor ons dus. We zullen dan ook in overleg treden met de Raad voor de rechtspraak over hoe we dit doorlopend goed onder de aandacht kunnen brengen.

Dan de vraag over het Caribisch deel van het Koninkrijk. In Caribisch Nederland staat de persvrijheid ook onder druk. Wat is de stand van de aanpassing van de wetgeving daar? De liaison BES is gevraagd om na te gaan of er in Caribisch Nederland behoefte is aan aanpassing van de BES-regelgeving op dit punt. Het is nu niet meegenomen in de implementatie, omdat EU-richtlijnen niet van toepassing zijn op Caribisch Nederland. Het opnemen van bepalingen voor Caribisch Nederland in dit implementatievoorstel zou nu een nationale kop zijn. We kijken in overleg met de betrokken partijen in Caribisch Nederland of het nodig is om de daar geldende wetgeving aan te passen.

Dan de vraag van mevrouw Straatman. Die heeft bij mij de titel Wamca. Ze dachten vast: dat is het gesprek dat we eerder met elkaar hebben gevoerd. Dat klopt. Mevrouw Straatman vroeg hoe ik aankijk tegen zaken zoals de klimaatzaak tegen Shell. In dat kader vroeg ze ook of ik wil onderzoeken welke extra waarborgen nodig zijn om dit soort zaken te voorkomen. Dan kom ik bij het gesprek dat we eerder voerden over het rechtsvergelijkend onderzoek naar de ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties in collectieve actie. Het was namelijk onderdeel van het evaluatieonderzoek van de Wamca, de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie. Daar spraken we onlangs over. Uit het rechtsvergelijkend onderzoek blijkt in ieder geval geen noodzaak voor het stellen van nadere eisen. Ik heb in het debat Civielrechtelijke onderwerpen ook al toegezegd hier nader op in te gaan in de inhoudelijke kabinetsreactie op het evaluatieonderzoek. Die kabinetsreactie volgt ook in het derde kwartaal van dit jaar.

Dan de vraag over de voorbereiding van de richtlijn en het impactassessment. Het is altijd de vraag in hoeverre je daar invloed op hebt. Nederland is altijd heel stellig over het belang van het uitvoeren van een impactassessment, bij welke nieuwe richtlijn, wetgeving of regelgeving dan ook. In dit geval is het niet gelukt. Soms is het wel zo en andere keren is het niet zo. Wij vinden dat ook jammer. We zullen ons altijd blijven inzetten in Brussel om zo'n impactassessment te laten afnemen, omdat je daarmee voorkomt dat je in landelijke of regionale discussies komt over of je bepaalde zaken wel of niet goed in hebt kunnen schatten. Of dat in dit geval had kunnen helpen, laat zich raden.

Voorzitter. Dat was de beantwoording in de eerste termijn van mijn zijde. Dank.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Ik ga maar gewoon even kijken wie wat heeft.

De appreciaties hebben we; die zijn allemaal oordeel Kamer, als ik het goed heb, dus er hoeft wat de staatssecretaris betreft ook niets gewijzigd te worden aan de amendementen.

Oké, dan kijk ik even rond en ga ik het rijtje af. Meneer Sneller? Nee. Mevrouw Abdi?

Mevrouw Abdi (PRO):

Twee punten. Ik sla heel erg aan op de opmerkingen van de staatssecretaris over hoe we mensen in de praktijk gaan ondersteunen. Er wordt verwezen naar heel veel bestaande structuren, maar ik merk dat ik dat eigenlijk gewoon onprettig vind. Ik snap dat het op korte termijn niet mogelijk is om daar heel duidelijk op in te gaan, maar ik heb over de persveiligheid gesprekken gevoerd met journalisten, en die zeggen: dat gaat de goede kant op, er is inderdaad meer geld bij gekomen, er is meer zichtbaarheid en bekendheid. In de discussie over wetenschappers -- dat is een discussie die ik ook vaak voer met uw collega, minister Letschert -- wordt echter erkend "we zien dit fenomeen, we zien dat dit mensen toekomt", maar is er helemaal niks voor opgezet. Zo kan ik wel doorgaan, of je nou een medewerker bent bij een ngo of een burger, zoals die Tijn, die ik al aanhaalde.

Vinden wij echt dat wij aan onze plicht als overheid voldoen door alleen een website neer te zetten waarop staat "dit zijn uw rechten"? Volgens mij is er nodig -- en dat herken ik ook in bijdrages van collega's -- dat er meer duiding is van in hoeverre het een fenomeen is, bewustwording dus, hoe je mensen kunt ondersteunen en waar ze terechtkunnen. Ik vind het antwoord van een website toch niet helemaal zaligmakend. Hoe kunnen we dat gelijktrekken, zodat het niet uitmaakt of je nou een journalist bent of een medewerker van een maatschappelijke ngo? Hoe kunnen mensen je proberen te ondersteunen als er een rechtszaak tegen jou gevoerd wordt met als doel om jouw werk eigenlijk onmogelijk te maken, en is het niet belangrijk dat dat departementsoverstijgend gebeurt?

Daar hou ik het bij en dan bewaar ik mijn tweede vraag.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ik heb daar absoluut niet mee bedoeld dat ik het niet belangrijk vind en dat de website afdoende is. Vooral de samenwerking die we hierin hebben met OCW en ook de financiering van PersVeilig geven natuurlijk wel aan dat we het juist heel erg belangrijk vinden dat er mogelijkheden zijn voor informatievoorziening en ondersteuning in dit soort complexe gevallen. Wat ik heb willen zeggen over onze eigen website, is dat we dit wetsvoorstel afwachten, omdat deze wijzigingen moeten worden aangenomen om de juiste informatie weer te kunnen delen. Dat gesprek heb ik met de Raad voor de rechtspraak. Ik wil daar op alle mogelijke manieren ook in de ondersteuning aan bijdragen, omdat ik, zoals ik in mijn inleiding al zei, echt het belang onderschrijf van de alertheid hierop. Het chilling effect, om het toch maar zo te noemen, van je uiteindelijk niet meer vrij genoeg voelen in een land om je te kunnen uitspreken of te schrijven over wat jij belangrijk vindt, omdat je denkt "oei, nu hangt me toch wel een heel grote rechtszaak boven het hoofd", kan nooit de bedoeling zijn. Daar zal ik ook echt mijn uiterste best voor doen. Dat het feitelijk zo is dat we nu de website hebben en daarin ook de mogelijkheid hebben om te verwijzen naar die andere zaken, is niet alleen een papieren kwestie, om het maar even zo te zeggen. Dit gaat natuurlijk veel verder en hier heb je ook de gesprekken met elkaar over.

Mevrouw Abdi (PRO):

Dank, staatssecretaris. Om u te corrigeren: ik bedoel zeker niet dat u dat doel niet onderstreept. Het gaat me echt om de praktijk. Je hebt een SLAPP-meldpunt, dat bij de deken van de Amsterdamse orde van advocaten is ingericht, waarvan het niet duidelijk is wat daaruit komt. Je hebt inderdaad PersVeilig en je hebt dan de website. Ik probeer even voor mezelf de samenhang te vinden. Doen we dan eigenlijk wel genoeg om mensen wegwijs te maken als ze met zo'n procedure te maken hebben? Het informatiepunt is volgens mij namelijk helder. Wat je volgens mij echter nodig hebt, is dat er een soort centraal contactpunt is; dat er een forum is, een plek waar je gewoon echt samen kan komen. Zo kunnen we, nu de wet geïmplementeerd wordt en we natuurlijk gaan evalueren hoe dat verloopt, ook daadwerkelijk zien: ja, we doen inderdaad het juiste om mensen hierin verder te ondersteunen, te informeren en wegwijs te maken. Zo blijft het niet bij alles dat we op papier hebben staan, maar is er een samenhang. Hoe ziet de staatssecretaris dat?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Hoe ik het zie, is dat het uiteindelijk bij de Rijksoverheid bij elkaar komt. Dat is dus eigenlijk precies wat u nu noemt, mevrouw Abdi, zeg ik via de voorzitter. We hebben de informatiebronnen via de orde van advocaten, dus de advocaten worden geïnformeerd. We hebben het informatiepunt van PersVeilig, dus de journalisten zelf worden geïnformeerd. De Raad voor de rechtspraak, waar de rechters uiteindelijk hun informatie vandaan halen, wordt geïnformeerd en is erbij betrokken. Wij, voor heel Nederland, hebben de informatievoorziening via de Rijksoverheid.

Ik denk dat de crux zal zitten -- daar heeft mevrouw Abdi volgens mij een terecht punt -- in de vraag hoe we het bij elkaar brengen. Hoe brengen we zorgen en vragen bij elkaar, zodat we er uiteindelijk een goed beeld van hebben of de informatievoorziening afdoende is of niet? Een nieuw meldpunt naast een meldpunt, om het zo maar even te zeggen, heeft niet mijn voorkeur. Ik zie u het hoofd schudden en ik denk inderdaad, zeg ik via de voorzitter, dat dat niet de oplossing zal zijn. Voor ons zal het belangrijkste zijn: hoe brengen we de vragen die het oproept en de ingewikkeldheden die de implementatie met zich meebrengt, dus de toepassing, bij elkaar? De implementatie valt wel mee, maar het gaat om de toepassing. Hoe brengen we dat bij elkaar? Dat is denk ik het belangrijkste. Wat ik daarin te doen heb, is vooral via de website van de Rijksoverheid die informatie bij elkaar brengen. Hoe we dat op andere manieren zouden kunnen doen, moet de komende periode gaan blijken, als we deze wetswijziging verder brengen met elkaar.

De voorzitter:

Oké. Ik kijk even rond. Wilt u doorgaan op dit punt? Ik wil nu gewoon een ronde interrupties en vragen doen. Op dit punt? Ja? Dat is dan uw derde. Gaat uw gang.

Mevrouw Abdi (PRO):

Op dit punt. Ik heb helemaal geen zin om hier weer een motie over in te dienen. Ik merk dat het onbevredigend blijft. Als je ziet wat er nu bestaat, zie je dat er onvoldoende instroom is. Er is onvoldoende bekendheid. Wat ook echt een probleem van de Rijksoverheid is, is dat alles gefragmenteerd wordt aangepakt; dat moet ik ook echt zeggen. Ik zou het wenselijk vinden als er iets meer een toezegging van de staatssecretaris kan komen. Hoe kunnen we dat samenbrengen, concreet en helder? Iedereen moet namelijk ook weten wat de rol van de anderen is, met als doel om die mensen beter te ondersteunen.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ik zie voor mezelf inderdaad de regierol om te monitoren of al die verschillende informatiepunten en voorzieningen voldoende en afdoende zijn in de komende periode, waarin we natuurlijk nog veel onzekerheden kennen ten aanzien van hoe dit zich verder gaat ontwikkelen. Ik kan toezeggen dat ik het ga monitoren. Ik denk dat dat belangrijk is. Volgens mij hebben we hetzelfde doel, namelijk heel goed inzichtelijk maken dat we a niet een nieuw meldpunt organiseren maar b wel zicht houden op de zorgen en vragen die er zijn vanuit de praktijk bij advocaten, journalisten en rechters, die hier toch het allermeeste mee te maken zullen krijgen. Dat ga ik dus zeker doen.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik heb een korte vraag. De staatssecretaris zegt duidelijk: ik ben ervan overtuigd dat het bestaande instrumentarium volstaat. Als die overtuiging er is, begrijp ik niet helemaal dat de staatssecretaris dan van allerlei toevoegingen op de wet zegt: voeg die ten overvloede maar toe aan de wet, maar inhoudelijk gaan ze niets veranderen en ook niets toevoegen. Hoe past dat in het kader van het vereenvoudigen en begrijpelijk houden van het Burgerlijk Wetboek?

Staatssecretaris Van Bruggen:

De ervaring zal ons dat ook moeten leren. Zoals ik net al zei, doen we niet een minimale implementatie van de richtlijn maar een heel zuivere. Het belangrijkste is wel dat het ook geen afbreuk doet. Deze amendementen voegen iets toe. Dat kan op inhoud. Hoe het zal uitwerken, moeten we gewoon gaan ervaren. Daarom geef ik ook geen oordeel anders dan "oordeel Kamer", omdat dit echt een keuze is. Ik zeg maar even: je hebt misschien de rekkelijken en de preciezen. Hoe expliciet wil je zijn in je wetswijziging? Hoe expliciet wil je zijn in de toevoegingen? Is het afdoende op dit moment? Ja, dat is het. Kan het kwaad om deze toevoegingen te doen? Nee, dat kan het niet. Dat is eigenlijk precies het oordeel, dat ik dus ook graag bij uw Kamer laat.

Mevrouw Straatman (CDA):

Misschien dan kort een reactie daarop. "Het kan geen kwaad", zegt de staatssecretaris. Loopt ze daarmee niet het risico dat er subcategorieën komen en dat verschillende situaties van misbruik van procesrecht anders worden beoordeeld omdat de ene subcategorie wel expliciet wordt genoemd en de andere niet? Hoe ziet zij dat?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ik denk sowieso dat het zich zal moeten uitwijzen hoe de rechter in deze zaken omgaat met de beoordeling van de wetswijzigingen en al dan niet de aanvullingen daarop. Dat laat ik ook gewoon heel graag bij de rechter. Wij moeten goed kijken of wij hiermee een nationale kop organiseren die het ingewikkelder maakt. Over het eerste zeg ik: ja, het is een nationale kop. Over het tweede zeg ik: nou, het hoeft het niet per se ingewikkelder te maken. Maar dat is ook vooral aan de toepassing van de rechter. Ik ga dat natuurlijk heel goed in de gaten houden in de ontwikkelingen die dat met zich meebrengt.

Mevrouw Straatman (CDA):

Mijn laatste punt, omdat ik het toch niet helemaal begrijp. Ik snap wat de staatssecretaris zegt. Tegelijkertijd worden er, in ieder geval als het gaat om misbruik van procesrecht, wel een heel aantal subcategorieën toegevoegd waarvan we nu in alle eerlijkheid zeggen dat we eigenlijk niet weten wat ze toevoegen. Dan vraag ik me af: waarom zijn we dat aan het doen? Ik heb een heel concrete vraag over het vroegtijdig afwijzen, artikel 2.24b. Wat gaat er dan veranderen? Wat voegt dit toe ten opzichte van het opwerpen van een incident?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Het antwoord is eigenlijk heel eenvoudig, namelijk: er is geen verschil. De amendementen regelen inhoudelijk iets wat gelijk is aan bestaand recht. In feite kan ik het niet mooier, maar ook niet ingewikkelder maken dan dat. Daar blijf ik dan ook bij.

De voorzitter:

Met goedvinden van de collega's zal ik ook nog iets vragen. De staatssecretaris zei op het einde … Hoe moet je dat nou netjes zeggen? Ik vind het een opmerkelijke redenering, om heel eerlijk te zijn, want er wordt gewoon een wijziging aangebracht aan het Wetboek van Rechtsvordering. Er wordt een aparte procedure gecreëerd. Als ik dat zou hebben gedaan over gedetineerden of over strafrecht, had een deel van de Kamer en waarschijnlijk ook het kabinet tegen mij gezegd: u moet naar de Raad van State; waarom doet u dit? Ik vind het nogal wat. Er wordt vanuit de civielrechtelijke praktijk wel met enige verbazing hiernaar gekeken, zo van: oké, dus we gaan nu nieuwe toevoegen terwijl je niet weet wat het nut is. Als het gaat om 3.13: voor één type zaak wordt er een uitzondering in de wet opgenomen. Dit is een materieelrechtelijke wijziging. Dit gaat dus niet meer over het stellen van zekerheid. Dit is een materieelrechtelijke wijziging. Er wordt een criterium toegevoegd in de wet. Ik vind dat de staatssecretaris wel een beetje makkelijk zegt: dat maakt toch niet uit. Ik wil hiermee geen afbreuk doen aan … Ik vind het altijd mooi als collega's strijden voor iets wat zij belangrijk vinden; dat doe ik zelf ook op alle onderwerpen. Alleen vind ik de omgang van de staatssecretaris daarmee een beetje makkelijk. Komt het door de hitte? Waar komt het door?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ik zou dat oordeel misschien toch nog een beetje achterwege laten. Ik begrijp heel goed wat u zegt. De rechter heeft nu de mogelijkheid om juist ook binnen artikel 3:13 die afweging te maken. Maakt hij die ook als je die aanvulling doet? Ja, wellicht. Dan staat die er heel specifiek. Dat is een feit. Hoe dat gaat uitpakken, zullen we moeten ervaren. Wat ik het belangrijkste vind -- dat is, denk ik, ook wat we hier met elkaar doen, zeker in Nederland, maar ook in deze Kamer -- is het gesprek voeren over de inhoud. Dat probeer ik zeker ook met u te doen vanmiddag. Ik laat dan ook heel graag de appreciatie bij mijzelf, waarbij ik zeg: het is oordeel Kamer. Hoe gaat u hiermee om als het gaat om de kwaliteit van de wetgeving? Het belangrijkste is dat we daarin niet iets doen wat meer kwaad doet dan goed. Dat is mijn belangrijkste afweging.

De voorzitter:

Ja, tot slot een reactie vanuit mijzelf namens de VVD-fractie. Ik sluit mij daarbij wel aan bij collega Straatman. Het is wel grappig dat de oud-advocaten in deze zaal elkaar dan op dit punt vinden. Volgens mij kun je niet op voorhand zeggen dat het geen kwaad kan. Dat weet je helemaal niet, volgens mij. Wat je zeker kunt weten, is dat er een richtlijn ligt. Die moet geïmplementeerd worden. Daarvan kun je zeggen dat we bijna alles wat erin staat, al hebben, op één punt na: de zekerheidstelling. Die wordt geïntroduceerd met de wet. Dat is al een interessante figuur waarvan we moeten afwachten of en hopen dat het gaat helpen en bijdragen aan het doel, want ook dat weten we niet. Punt, tenzij je vindt dat het allemaal niet voldoet en te weinig is. Dat zeggen collega's Sneller en Abdi: er moet dus nog van alles bij. Daarom verwondert het antwoord me. Je kunt niet zeker weten wat voor negatieve neveneffecten uitgaan van het creëren van een extra processtap in de civielrechtelijke procedure of de explicitering in artikel 3:13. Dat kan ook een negatief effect hebben. Dat wilde ik maar gemarkeerd hebben. De staatssecretaris was op zich duidelijk, maar ik weet niet of zij … Oké, dat is het dan.

Dan ga ik even kijken. Eén laatste interruptie en daarna gaan we gewoon de tweede termijn doen, want dat moeten we formeel doen vanwege moties. Ik liet mij influisteren dat er één motie door deze zaal ging.

Mevrouw Abdi (PRO):

Ja, als u mij toestaat, voorzitter. Ik wil toch even terugkomen op het punt over Caribisch Nederland. Het klopt dat de richtlijn alleen geldt voor Europees Nederland, maar het kabinet heeft eerder de wens uitgesproken om te bezien of er toch een aanpassing wenselijk en haalbaar is. Dan vind ik één gesprek met de liaison een beetje te makkelijk. Er werd eerder in de beantwoording van het kabinet ook gezegd: "We moeten rekening houden met het beperkte zogeheten absorptievermogen en de beperkte uitvoeringscapaciteit op de BES, alsook de beschikbare wetgevingscapaciteit in Nederland om dit te doen." Het leest voor mij toch een beetje als: het hoeft niet echt, we hebben één belletje gepleegd en eigenlijk is het te lastig. Dan denk ik: hoe zou ik mij voelen als inwoner van Caribisch Nederland, als journalist? We weten dat daar de persvrijheid, om maar één aspect te noemen, zwaar onder druk staat als het gaat om onderzoekers daar. Dan wordt er voor jou eigenlijk niet bezien of er iets mogelijk is. Het kabinet had die wens uitgesproken. Ik zou het kabinet er echt toe op willen roepen om daar nogmaals naar te kijken en echt in overleg te treden, zeker gelet op het recente bezoek van de minister-president aan Caribisch Nederland, om ervoor te zorgen dat dat idee in ieder geval weggenomen kan worden.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ja, zeker. Het is ook niet één belletje naar de liaison om te zeggen: "Speelt dit bij jullie? Nee? Dan gaan we gauw weer tot de orde van de dag." Ik overleg regelmatig met de liaison, ook over de implementatie van wetgeving en de aanleiding om vandaag met elkaar te spreken. Juist het belang daarvan wordt onderschreven door dit kabinet, dus daar heeft mevrouw Abdi helemaal gelijk in. Hier zal ik dus ook dicht op zitten. Op het moment dat ervaren wordt dat de persvrijheid juist in het Caribisch deel van het Koninkrijk dermate onder druk staat dat het noodzakelijk is om dit ook in de Caribische wetgeving vast te leggen, moeten we daarop actie weten te ondernemen met elkaar. Natuurlijk kijk je dan ook altijd naar de wetgevingscapaciteit op de eilanden. Dat weten we ook, want we hebben er ook hier in de Kamer met elkaar verschillende gesprekken over gevoerd dat die bij tijd en wijle onder druk staat. Dan moet je echt kijken hoe urgent dit is. En als die urgentie zo hoog blijkt te zijn, dan heb ik dat gesprek gewoon met de liaison, en zij ook met mij in dit geval. Dat gaat dus over en weer, want dan hebben we het over het belang van de implementatie van wetgeving, juist om de veiligheid daar ook te kunnen waarborgen.

De voorzitter:

Dan gaan we deze termijn nu afsluiten en ga ik over naar de tweede termijn van de Kamer. De heer Sneller.

De heer Sneller (D66):

Dank, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording en appreciatie. Ik zal de toelichtingen op haar kanttekening nog even nalezen. Ze zegt dat er ook zonder de keurige implementatie -- dat zijn haar woorden -- nog redactionele wijzigingen nodig zijn. Ook zal ik nog even met de mede-indiener kijken naar de opmerkingen die ze heeft gemaakt over een aparte procedure.

Er zijn ook een aantal dingen genoemd bij onder andere de bestuursrechtelijke SLAPP's. We moeten dan monitoren en evalueren. Artikel 21 van de richtlijn is de evaluatiebepaling voor de Europese Commissie. In de transponeringstabel staat: "Deze bepaling behoeft geen implementatie in de vorm van wetgeving. Hieraan wordt beleidsmatig uitvoering gegeven voor zover de gevraagde informatie beschikbaar is." Ik denk dus dat het goed is om -- dat hoeft niet à la minute -- bijvoorbeeld richting de Eerste Kamer ook te laten weten op welke wijze gegevens worden vergaard en wat er precies gaat worden verzameld gedurende de looptijd, zodat we weten welke effecten het wetsvoorstel heeft, in welke vorm dan ook. Dat geldt ook voor de andere dingen die hier aan de orde zijn geweest. Ik denk namelijk dat dat belangrijk is om ook een goed inzicht te krijgen.

Als laatste heb ik een vraag aan de voorzitter. Ik neem aan dat wij donderdag bij de middagvergadering stemmen over het wetsvoorstel, ook met het oog op een eventuele wijziging van de amendementen.

De voorzitter:

We gaan het even uitzoeken, want de laatste week is altijd … We hebben meerdere stemmingen deze week, dus we gaan even goed kijken. Mevrouw Abdi.

Mevrouw Abdi (PRO):

Dank, voorzitter. Ik houd het ook even kort, want ik denk dat we genoeg met elkaar gewisseld hebben over het belang van deze wet. Ik sluit me aan bij mijn collega Sneller: we gaan de beantwoording en de kritische kanttekeningen, ook vanuit het kabinet, gewoon even rustig lezen.

Ik wil wel twee kritische kanttekeningen plaatsen; die zijn dan van mij. Ik denk dat het doel van het kabinet en mijzelf niet verschilt als het gaat over hoe we mensen beter kunnen ondersteunen. Maar ik vind het nog steeds een beetje te veel een papieren werkelijkheid. Ik geloof dat we er dicht op zitten. Alleen, ik zou het vaak concreter willen zien. We hebben momenteel weinig geregeld voor wetenschappers en burgers om de weg te vinden. Ik denk dat we dat echt onderschatten.

Ik vind het extra pijnlijk als er over Caribisch Nederland wordt gezegd: we moeten kijken naar de urgentie. Die urgentie is er. Denk alleen al aan de persveiligheid. Nederlands-Caribische journalisten hebben het ontzettend zwaar. Eerdere kabinetten hebben daar ook weinig opvolging aan gegeven. Ik zou het mooi vinden als dit kabinet daarmee breekt en zegt: nee, wij vinden dat ook belangrijk en maken geen verschil binnen het Koninkrijk. Ik wil hier dus toch vragen of de staatssecretaris daarop nader kan terugkomen in een tweede termijn.

Ik betwist niet dat ze erbovenop zit, maar het moet concreet en haalbaar worden. Als je daar journalist bent en je iets overkomt, moet je weten: ook ik krijg die ondersteuning, ook ik verdien die bescherming en ook ik kan mijn weg hierin vinden. Tot nu toe is dat heel moeilijk.

De voorzitter:

Oké. Ondertussen heb ik even overleg gehad. We moeten dan inderdaad donderdagmiddag bij aanvang van de middagvergadering stemmen over de amendementen. Er is geen motie, hoor ik. Alhoewel men de voorkeur heeft dat we zo veel mogelijk donderdagmiddag stemmen, zou dat betekenen dat we het wetsvoorstel in de avond doen, zodat je het uit elkaar hebt getrokken. Dat lijkt me de normale gang van zaken. Mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Het lijkt me goed om nog te onderstrepen dat mijn kritische inbreng niets afdoet aan het feit dat ik het doel van dit wetsvoorstel helemaal onderschrijf. Ik zou bijna willen zeggen: juist daarom ben ik heel kritisch. Ik denk namelijk dat de instrumenten die hierin staan nog onvoldoende zijn om journalisten en mensenrechtenorganisaties daadwerkelijk te kunnen beschermen. Laten we dus vooral het gesprek blijven voeren over welke andere instrumenten er nog zijn. Denk bijvoorbeeld ook aan de rol van de advocatuur. Als het gaat om kennisdeling ten aanzien van SLAPP's, dan zie ik daar zeker ook een rol voor de advocaat.

Verder is er veel gezegd over de amendementen. In mijn hoofd is het heel zwart-wit: óf een amendement voegt materieel iets toe aan het huidige, bestaande wettelijk instrumentarium, en als het iets toevoegt, moet ook direct duidelijk zijn wat dat dan is, óf dat is niet zo en het voegt niets toe. Als ik de staatssecretaris goed begrijp, zitten we in die tweede categorie en weten we eigenlijk niet wat er anders is dan het wettelijk instrumentarium dat we nu hebben. Dan denk ik dat we, in het kader van goede wetgeving en minder regels, die bepalingen niet moeten toevoegen aan het Burgerlijk Wetboek, want waar eindigt het dan? Dan komen er nog zo veel richtlijnen waarvan we er ook nog zo veel ten overvloede kunnen toevoegen aan het Burgerlijk Wetboek. Dan weten we één ding zeker: niemand snapt nog wat we in godsnaam ooit hebben afgesproken. Zo zal ik dus ook de amendementen lezen, maar nogmaals, dat doet niets af aan het belang van het aanpakken van SLAPP's.

De voorzitter:

Dank u wel.

Voorzitter: Sneller

De heer Ellian (VVD):

Ik ga zelf ook afronden in de tweede termijn. Dank u wel, mevrouw de staatssecretaris. Het is overigens wel goed, ook al was mijn fractie oké met het wetsvoorstel in oorspronkelijke vorm, dat we dan toch even met elkaar doorakkeren wat de bedoeling is. Als collega's daar andere ideeën bij hebben, dan kan dat.

Ik hoop dat de staatssecretaris mij dit woord vergeeft -- dat bedoel ik niet zo zwaar -- maar ik vind het een wat lichtzinnige appreciatie, omdat iets toevoegen aan de civiele procedure maar ook een materieel criterium veranderen, terwijl dat niet nodig is, voor mij wel degelijk een politieke weging heeft. Maar ik ben oprecht ook inhoudelijk niet helemaal ervan overtuigd dat dit noodzakelijk zou zijn. Ik denk dat het goede gesprek juist is: ben je ervan overtuigd dat die zekerheidstelling gaat werken of zou je toch moeten kijken naar de figuur uit het IE-recht, dus dat echte advocaatkosten voor vergoeding in aanmerking komen na een toets van de rechter? Daarvan weten we namelijk dat het een drempel opwerpt. Dat had ikzelf, en ook de VVD-fractie, best een interessante constructie gevonden. Daarom is het fijn dat we gesplitst gaan stemmen. Ik ga kijken hoe het loopt met de amendementen. Laat ik er nog niet te veel op vooruitlopen, maar het kan gevolgen hebben voor hoe de VVD-fractie naar de wet kijkt. Maar dat hoort bij onze medewetgevende taak.

Voorzitter: Ellian

De voorzitter:

Mevrouw de staatssecretaris. Of wilt u eerst schorsen? Nee, toch? Gaat uw gang.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Voorzitter, dank. Ik heb hele goede voorbereiding naast mij, waardoor ik de openstaande vragen nog kan beantwoorden. De heer Sneller en in het verlengde daarvan mevrouw Abdi gaven aan: kijk nog eens naar de toelichting bij de amendementen. We hebben nog enkele puur redactionele suggesties bij de amendementen. Die geven we door aan Bureau Wetgeving, dus daar kunt u wellicht nog uw inspiratie opdoen.

Dan de vraag over de verzameling van de gegevens, ook over bestuursrechtelijke en strafrechtelijke rechtsgebieden. Dat kunnen we meenemen. Het lijkt me goed om dit te monitoren en de info voor de evaluatie van de richtlijn te hebben, dus dat wil ik bij dezen graag toezeggen.

Dan de vraag van mevrouw Abdi over de BES-eilanden. Ik wil echt voorkomen dat we in een soort welles-nietes komen over het belang daarvan. Het belang onderschrijf ik echt ten zeerste. We proberen op alle mogelijke manieren juist ook met het Caribisch deel van Nederland dit gesprek aan te gaan en het belang ervan te organiseren. Als het niet lukt om de capaciteit daar op orde te krijgen, proberen we dat soms zelfs vanuit Nederland te organiseren. Alle mogelijke manieren worden verkend om juist het evenredige belang daarvan aan te geven. Journalisten en wetenschappers en alle anderen die zich onder druk gezet kunnen voelen, zullen zich even veilig moeten kunnen voelen binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk. Dit gesprek heb ik met de liaison. Als het aan de orde is, dan doen we dat uiteraard. Dat is op dit moment niet het geval. Ik neem het weer mee. Dat kan ik dan ook bij dezen toezeggen. Ik begrijp dat "het meenemen" u misschien wel wat frustreert, maar tegelijkertijd wil ik daar ook zorgvuldig in zijn. Dat is waarom ik op dit moment deze aanpak kies. Hopelijk komen we er op een later moment over te spreken dat dat ook de goede manier is. Als blijkt dat we daar nog meer aandacht voor moeten hebben en het wel sneller zullen moeten regelen, doe ik dat ook van harte.

Mevrouw Abdi (PRO):

Heel kort. Dan wil ik heel graag een brief ontvangen waarin echt punt voor punt uiteen wordt gezet wat we momenteel doen en wat we momenteel bieden aan journalisten. Ik kan het via een andere weg ook doen, door op een later moment een ander debat hierover aan te jagen met mijn collega Mohandis. De staatssecretaris gaf net aan dat ze nu meerdere dingen aan het verkennen is. Ik zou daarom heel graag concreet in een brief willen zien wat we nu doen en waar het staat, zodat ik dat kan toetsen.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ik wil met alle liefde een brief sturen naar de Kamer over wat we allemaal doen in de informatievoorziening en in de afstemming. Volgens mij heeft dat geen invloed op het stemmen aanstaande donderdag over de amendementen en het wetsvoorstel, maar ik wil er wel heel zorgvuldig in zijn dat we onszelf niet de vertraging in helpen. Maar met alle liefde stuur ik een brief naar de Kamer hierover.

Dank u wel.

De voorzitter:

Oké. Ik kijk even welke plichtplegingen ik nog moet doen. Volgens mij is er een toezegging. Ja, er is een brief toegezegd. Wanneer krijgen we die brief? Voor het reces? Nee, grapje.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Voor welk reces, vraag ik dan.

De voorzitter:

Kijk, de staatssecretaris leert snel. Heel goed.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ze leert zo snel!

De voorzitter:

Wanneer is redelijk?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Q3 2026. Na de zomer.

De voorzitter:

Prima. Nee, niet prima? Mevrouw Abdi zegt "niet prima". Wat wil mevrouw Abdi?

Mevrouw Abdi (PRO):

Mevrouw Straatman fluistert me in dat "na de zomer" ook met kerst kan zijn. Maar het was Q3, inderdaad. Als ik er mogelijk iets mee wil doen, bijvoorbeeld richting de begroting, wil ik er echter graag eerder een brief over ontvangen. Ik snap dat dat misschien moeilijk is, maar zouden we er iets van versnelling in kunnen aanbrengen?

De voorzitter:

Op welke begrotingsbehandelingen doelt mevrouw Abdi dan? U zegt "meerdere". Oké, dan gaan we gewoon kijken. De staatssecretaris is het niet verplicht, maar ik denk dat om u te helpen, je het zou hebben over uiterlijk september. Is dat te doen?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Als we richting de begroting gaan en u zou er op dat moment iets mee willen, kan ik de brief in september naar de Kamer sturen.

De voorzitter:

Kijk. Voilà. We krijgen de brief in september. Dat is mooi. Zijn er nog andere toezeggingen? Even kijken.

- De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt toe dat de Kamer wordt geïnformeerd over de verdere uitwerking van informatie en publicatie in de rechtspraak via de contourenbrief in het derde kwartaal van dit jaar.

Dat klopt toch? Ik zie dat dat zo is. Toppie.

- De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt toe in een brief concreet aan te geven en op te sommen wat er wordt gedaan in de informatievoorziening en afstemming voor het Caribisch deel van het Koninkrijk, uiterlijk voor 1 oktober aanstaande.

Is dat zo goed omschreven? Ja? Goed zo. Dan ga ik de staatssecretaris en haar ondersteuning danken voor de aanwezigheid en de collega's voor al hun inspanningen en het prettige debat. Ik dank ook de mensen die dit debat gevolgd hebben. Vergeet ik dan iemand te bedanken? Ja, onze eigen ondersteuning en de griffie.

Ik sluit de vergadering.

Sluiting 16.10 uur.