Debat over het rapport-Wennink ‘De route naar toekomstige welvaart’ (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D40938, datum: 2026-09-03, bijgewerkt: 2026-09-04 09:22, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-09-03 11:40: Debat over het rapport-Wennink ‘De route naar toekomstige welvaart’ (Plenair debat (debat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Rapport-Wennink "De route naar toekomstige welvaart"
Rapport-Wennink "De route naar toekomstige welvaart"
Aan de orde is de voortzetting van het debat over
het rapport-Wennink "De route naar toekomstige
welvaart".
De voorzitter:
Aan de orde is de voortzetting van het debat over het rapport-Wennink
"De route naar toekomstige welvaart". Daarvoor geef ik het woord aan de
heer Flach voor zijn inbreng namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.
Het kwam als een verrassing. Gaat uw gang.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Stel je voor dat Cornelis Lely aan het begin van
de vorige eeuw had gezegd: die Afsluitdijk is veel te duur en veel te
ingewikkeld en we weten niet eens wat die over 20, 30 of 50 jaar gaat
opleveren. Dan was die dijk er misschien nooit gekomen. Lely keek niet
alleen naar wat de plannen vandaag kosten, maar ook naar wat Nederland
op de lange termijn nodig had. Je moet soms investeren in iets waarvan
de opbrengst pas veel later zichtbaar wordt.
Het rapport-Wennink leest als één groot alarmsignaal: als we nu niet
doorpakken, raakt Nederland achterop en leveren we de welvaart van
morgen en zelfs die van vandaag in. Het kabinet zegt inmiddels dat
Wennink gelijk heeft, maar dat is pas het begin, want Nederland is
historisch gezien niet groot geworden door plannen te omarmen. Het is
groot geworden door ze uit te voeren. Trekt het kabinet de portemonnee
om onze economie te verstevigen? Hoe wordt private investering
losgetrokken?
Voorzitter. Ondernemers hebben baat bij een vaste koers, niet bij
zwabberbeleid. Nu is er weer onzekerheid over de begroting van volgend
jaar, laat staan dat het helder is waar we op koersen over tien of
twintig jaar. De SGP wil daarom al langer een nationaal
ondernemersakkoord, waarin de overheid en het bedrijfsleven langjarige
afspraken maken over investeringen, belastingen en het bredere
vestigingsklimaat. Dat geeft financiers en bedrijven zekerheid en
commitment om in Nederland te investeren. We zullen ook verstikkende
regelgeving uit de weg moeten ruimen. 500 regels schrappen klinkt leuk,
maar is eigenlijk te mager. Wanneer er jaarlijks duizenden nieuwe regels
en verplichtingen bij komen, zijn we aan het dweilen met de kraan open.
Daarom wil de SGP een kabinetsbrede doelstelling voor regeldrukreductie
invoeren. Niet het aantal regels is daarbij bepalend, maar de
daadwerkelijke tijd en kosten die ondernemers eraan kwijt zijn. Legt het
kabinet zich nu eindelijk een reductietarget op?
Dan de aanpak van netcongestie. Daar hebben we al vele debatten over
gevoerd. Ik merk dat het verschil tussen woorden en daden vaak zit in de
huiver om af te wijken van de altijd gevolgde werkwijze en normering.
Wat betreft de inzet op flexibel netgebruik of het zwaarder belasten van
het net: deelt het kabinet de gedachte dat de belangen zo groot zijn dat
we op dergelijke punten meer lef moeten tonen?
Over stikstof volgt Wennink de eenvoudige redenering, namelijk: de
landbouw is de grootste boosdoener in het stikstofdossier, terwijl de
bijdrage aan het bbp beperkt is, dus huppekee met die moeilijke keuzes!
Dat vind ik een elitaire, kortzichtige insteek. Hightechchips kun je
tenslotte ook niet op je brood smeren, zal ik maar zeggen. Problemen in
de primaire sector werken door naar de ketenpartijen erachter. Het is
niet los verkrijgbaar. De landbouw levert een belangrijke bijdrage aan
de bedrijvigheid buiten de Randstad. De innovatiekracht bij
boerenbedrijven wordt juist gefrustreerd door de Haagse
modellenwerkelijkheid. Dat energieprojecten tegen de
stikstofproblematiek aan lopen, zoals Wennink aangeeft, is puur een
juridisch probleem. Ziet het kabinet dat boerenbedrijven vooral
onderdeel zijn van de oplossing, in plaats van veroorzaker van de
ellende?
Voorzitter. Dan een punt dat me na aan het hart ligt. Nederland is hét
waterland bij uitstek. Onze maritieme maakindustrie is dan ook al
decennialang toonaangevend in de wereld. Dat moeten we zo houden:
Hollands glorie. Met de aangenomen motie die ik daarover heb ingediend,
wordt de sectoragenda voortgezet, maar heeft het kabinet voor de komende
jaren ook het budget vrijgemaakt?
Tot slot. De Afsluitdijk werd niet gebouwd omdat iedereen zeker wist wat
hij zou opleveren. Hij werd gebouwd omdat men begreep wat er op het spel
stond als je niets deed. Misschien is dat wel de kern van de discussie
van vandaag: niet vragen of we het eens zijn met Wennink, maar of we
bereid zijn te doen wat nodig is.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft nog een interruptie van de heer Jimmy Dijk, die dat
heel goed kort en bondig kan.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik schijn daar een ster in te zijn, heb ik begrepen van u.
De voorzitter:
Zeker, ik weet het.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Complimenteus ook altijd naar mij op dat vlak. Ik zal het echt kort
doen. Ik hoorde de SGP het hebben over diepte-investeringen, een
Afsluitdijk bijvoorbeeld. Een van de dingen die de heer Wennink ook
adviseert, en waar ik het ontzettend mee eens ben, is afstappen van het
kasstelsel en overstappen naar het baten-lastenstelsel. Ik ben benieuwd
of de SGP daar ook een voorstander van is, met al die grote
investeringen, bijvoorbeeld in de infrastructuur, die we moeten doen de
komende jaren.
De heer Flach (SGP):
Oeh, dit is een buitengewoon interessante vraag die me best wel
bezighoudt en waar ik graag op reageer. Het wordt dan wel een beetje een
financieel-technisch debat als we niet uitkijken. Ik heb die vraag ook
al een aantal keren voorgelegd aan de minister van Financiën. Ik kom uit
de gemeentewereld. Daar werken we met zo'n baten-lastenstelsel. Dat
geeft een veel stabieler beeld van je investeringen. Je kunt ze namelijk
afschrijven, zoals ieder normaal bedrijf dat doet, en wij hanteren nog
steeds dat in mijn ogen wat gekke stelsel: wat je nu uitgeeft, moet in
één keer op je begroting. Ik heb wel geleerd in de afgelopen 1.002 dagen
dat ik hier actief ben, dat het omzetten van zo'n stelsel erg
ingewikkeld is. Dat is één. Het is praktisch gezien een van de grootste
operaties die je kunt doorvoeren in de rijksbegroting. Het tweede is, en
dat merkte ik ook wel op gemeentelijk niveau: naarmate je wat langer
bezig bent met dat baten-lastenstelsel wordt je begroting steeds
zwaarder met onderdelen waar je geen invloed meer op hebt, want de lonen
staan min of meer vast en ook je kapitaallasten staan vast. Dus het
beïnvloedbare deel, met andere woorden de budgetruimte waar je als Kamer
nog over gaat, wordt wel steeds kleiner. Dat zie ik wel als een nadeel,
maar ik vind het een hele interessante oproep. Zeker, ja.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik heb omwille van de tijd niet iedereen op dit punt geïnterrumpeerd,
maar het is, denk ik, wel de kern van hoe je naar de economie kijkt of
niet: kijk je naar diepte-investeringen die echt kunnen helpen om een
toekomstplan te gaan maken, naar langdurige investeringen. Als we het
dan toch hebben over allerlei andere landen waar we mee zouden moeten
concurreren volgens heel veel sprekers hier, dan is dit een van de
dingen die zij wel doen: meerjarenplannen maken, diepte-investeringen
doen. En dat kan eigenlijk enkel en alleen als je ook dat
financieringsstelsel aanpast. U zei dat gemeenten dat doen.
Woningbouwcorporaties doen dat, bedrijven doen dat. Als zij dat niet
kunnen, dan kunnen zij die diepte-investeringen voor de toekomst, voor
onze woningen, voor onze infrastructuur, niet doen. Dus het zou mij een
lief ding waard zijn als een van de uitkomsten van dit debat is dat deze
Kamer vandaag de uitspraak zou doen om dat wél te gaan doen.
De heer Flach (SGP):
Ik begrijp dat. Wij zijn als Kamer te vaak bezig met leuke dingen voor
de mensen — soms is het wat financieel strooigoed, zonder al te
bagatelliserend te willen zijn — en te weinig met diepte-investeringen.
We zijn nu bezig met hele grote investeringen die eigenlijk ook voor de
volgende generatie zijn, zoals het aanpakken van netcongestie,
woningnood en Defensie. Het gekke is dat we dat allemaal nú op onze
begroting kwijt moeten, terwijl het voor tientallen jaren is. Dus er zit
echt wel iets in de gedachte om dat nog eens een keer goed te
beschouwen. Ik denk wel dat we dat niet vandaag in één dag kunnen
aftikken. Daar zal wel een of andere commissie van wijze mensen, waar
misschien de heer Dijk in zou kunnen zitten, over moeten nadenken. Maar
ik vind het zeker interessant om het daarover te hebben.
De heer Vermeer (BBB):
Ik neem aan dat de heer Flach ervan op de hoogte is dat die
investeringen in netcongestie niet op deze begroting staan, maar betaald
worden door burgers en bedrijven vanuit de netwerkkosten. Dus ik zou dat
voorbeeld de volgende keer niet gebruiken.
De heer Flach (SGP):
Dat is ook precies het probleem. Die investeringen zijn namelijk zo
gigantisch dat we zoeken naar allerlei kunstgrepen om die nu ergens weg
te moffelen in tarieven, terwijl je ook zou kunnen zeggen: dat is gewoon
een activum dat je op je balans hebt staan en dat je in de loop van 50
of misschien wel 100 jaar afschrijft. Dan wordt het veel
draaglijker.
De heer Vermeer (BBB):
Daar kan ik me helemaal in vinden. Ik zie voorstellen tegemoet hoe we
dit samen aan gaan pakken, want het systeem moet echt anders. Helemaal
mee eens.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Schenk, namens Forum voor
Democratie, in de eerste termijn.
De heer Schenk (FVD):
Voorzitter. Het ontbreekt ons in Nederland niet aan ondernemerskennis en
kapitaal. We houden onszelf echter al decennialang klein door
mogelijkheden te begrenzen, grootsheid te onderdrukken en succes te
bestraffen. Het zijn allemaal verkeerde politieke keuzes die gemaakt
zijn en worden.
Nu ligt er een rapport van voormalig ASML-topman Peter Wennink. Daar
spreken wij vandaag over. Dat rapport beschrijft veel symptomen die
voortvloeien uit die verkeerde politieke keuzes. De route naar
toekomstige welvaart, niet geheel ontoevallig de titel van het rapport,
is uitermate onzeker — zeg gerust: doodlopend — wanneer wij op deze
manier doorgaan. De regeldruk als gevolg van onnodige machtsoverdracht
aan Brussel, een tekort aan goed opgeleide vakmensen als gevolg van de
verwaarlozing van ons onderwijs en onbetaalbare energieprijzen als
gevolg van de rampzalige energietransitie: ga met zo'n realiteit maar
eens je boterham verdienen.
Voorzitter. Het moet overduidelijk anders, maar precies daar laat het
rapport van de heer Wennink steken vallen. We zouden onze economie en
ons verdienvermogen namelijk redden, zo zegt het rapport, met nieuwe
investeringsinstellingen, publiek gestuurd kapitaal, allerhande
taskforces en een hele bestuurlijke architectuur rond vier door de
overheid geselecteerde economische domeinen. Waarom voor die vier
specifieke domeinen, van klimaattechnologie tot weerbaarheid, is gekozen
en niet voor andere domeinen, zoals agrifood of watermanagement, blijft
volstrekt onduidelijk. De oplossingen lijken voor het rapport-Wennink
hoe dan ook te liggen in de ultieme samensmelting van big government en
big business. Wie niet erkent dat politieke keuzes de oorzaak zijn van
het verwateren van onze welvaart, zal inderdaad op dergelijke
oplossingen uitkomen. Wie die oorzaak wél erkent, komt tot de conclusie
dat we niet meer, maar juist minder overheid nodig hebben.
Dan is het enigszins ironisch dat de coalitie van D66, VVD en CDA zich
nu met het rapport onder de arm presenteert als de redder van het
Nederlandse verdienvermogen. De hypocrisie tussen woord en daad kan
bijna niet groter. Juist onder en door het bestuur van voornamelijk deze
drie partijen kregen we de afgelopen jaren te maken met de problemen
waar Wennink op wijst. Door deze partijen verslechterde het ondernemers-
en vestigingsklimaat in Nederland en daarmee ons verdienvermogen. De
grootse woorden van het kabinet over economische groei staan in schril
contrast met de werkelijkheid. De partijen die Nederland afbraken gaan
het nu, zonder enige zelfreflectie op hun eigen beleid, schijnbaar
ineens oplossen.
Forum voor Democratie ziet een ander pad voor zich. Wij geloven in een
economie die ontstaat vanuit de kracht van ons land en vanuit ons
ondernemersbloed, dat kruipt waar het niet gaan kan. We erkennen dat
ASML een bijzonder en essentieel groot bedrijf is, waar we ook enorm
trots op zijn, maar het mkb vormt de ruggengraat van onze economie. Wij
geloven bovendien in een economie waarin er voor wat nu nog mkb is
ruimte bestaat om het ASML van de toekomst te worden, dan wel om de
bakker op de hoek te blijven, en in beide gevallen uitstekend en
waardevol werk te leveren en bij te dragen aan een mooier, beter en
rijker Nederland. Wij geloven dat er in ons land ruimte moet zijn voor
maakindustrie, want uiteindelijk wordt daar de echte waarde gecreëerd.
We vinden dat we de chemie koste wat kost moeten behouden, net als de
internationale relevantie van onze prachtige Rotterdamse haven en onze
belangrijke luchthaven Schiphol. Wij willen dat onze boeren gewoon
kunnen boeren en dat er geen cent gaat naar de afbraak van de
ongelofelijke rijkdom die onze geweldige landbouw ons oplevert. We
houden van onze vissers en willen onze vissersvloot weer in volle glorie
zien uitvaren.
Laten we mensen aanmoedigen te beleggen. Laten we het kapitaal dat onze
economie nodig heeft om te groeien niet uit de zakken van de overheid
laten vloeien, maar uit het enthousiasme en ondernemerschap van gewone,
hardwerkende Nederlanders, uit hun geloof in het Nederland van de
toekomst. Laten we niet vergeten dat het gewone guldens van gewone
Amsterdammers waren die in 1602 het startkapitaal van de VOC vormden.
Van klein beginnen en groots denken naar stijgen naar de absolute
wereldtop!
Voorzitter. De overheid moet daarvoor de randvoorwaarden creëren. Het
gaat om goedkope en betrouwbare energie, minder regels, lage
belastingen, goed onderwijs, hoogwaardige infrastructuur en vrijheid van
ondernemerschap. Als we dat organiseren, heeft Nederland alles in huis
om opnieuw een van de meest ondernemende, productieve en welvarende
landen ter wereld te zijn. Het enige wat de politiek daarvoor moet doen,
is ophouden met dat potentieel voortdurend in de weg te staan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Prickaertz voor zijn inbreng namens
de PVV in de eerste termijn.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank, voorzitter. Het rapport-Wennink gaat over een vraag die centraal
zou moeten staan in het economische beleid: hoe zorgen we ervoor dat
Nederland ook in de toekomst nog een welvarend land is? Dat is een
terechte vraag, maar voordat we bepalen waar Nederland over twintig jaar
moet staan, moeten we ook eerlijk kijken naar waar we vandaag staan.
Nederland was ooit een land waar ondernemerschap werd beloond, waar
mensen met een goed idee de ruimte kregen om dat idee uit te werken,
waar ondernemers konden investeren, groeien en risico nemen. Juist
daardoor hebben Nederlandse ondernemers bedrijven en innovaties
voortgebracht die de wereld hebben veranderd, maar van dat
ondernemingsklimaat blijft steeds minder over. De ondernemer van vandaag
krijgt te maken met steeds meer regels, verplichtingen,
duurzaamheidseisen, belastingen en vergunningstrajecten. Ondernemers
zijn steeds meer tijd en geld kwijt aan voldoen aan wat de overheid van
hen verlangt en steeds minder aan waar ze goed in zijn, namelijk
ondernemen.
Laat ik vooropstellen dat de PVV de analyse deelt dat Nederland moet
blijven werken aan zijn verdienvermogen. Nederland moet blijven
investeren, innoveren en groeien, maar de PVV heeft grote moeite met de
manier waarop dit rapport vervolgens de toekomst van onze economie vorm
wil geven. We zien een hele sterke nadruk op zogenaamd strategische
sectoren, innovatie, technologie en duurzaamheid. Er worden duidelijke
keuzes gemaakt over waar Nederland volgens het rapport zijn economische
toekomst moet zoeken. Oftewel: de overheid gaat bepalen waar de economie
naartoe moet. Geen ministerie, geen ambtenaar en geen adviescommissie
kan met zekerheid voorspellen welke sector over twintig jaar de wereld
gaat veroveren. De geschiedenis van innovatie staat juist vol met
ontwikkelingen die vooraf door niemand voorspeld hadden kunnen worden.
Sterker nog: van de Nederlandse start-ups die worden opgericht, is
binnen tien jaar bijna de helft alweer verdwenen. Maar ook dat is
ondernemerschap. Wie vandaag als overheid bepaalt welke sectoren de
winnaars van morgen zijn, bepaalt automatisch ook welke ondernemers en
sectoren minder belangrijk worden gevonden.
Dat is wat de PVV betreft de verkeerde route. Waar zijn in dit verhaal
de ondernemer die gewoon een bedrijf wil runnen, de bakker op de hoek,
de loodgieter die met zijn bedrijfsbus een klant niet meer kan bereiken
vanwege een zero-emissiezone, de winkelier die iedere maand meer regels
en administratieve verplichtingen op zijn bord krijgt of mkb'ers die
helemaal niets hebben aan een miljardenfonds voor strategische
technologie maar die vooral behoefte hebben aan betaalbare energie,
lagere belastingen en een vergunning die gewoon op tijd wordt afgegeven?
Het mkb is de levensader van onze economie. Grote bedrijven hebben
toegang tot ministeries, consultants en subsidieprogramma's. De
gemiddelde kleine mkb'er heeft dat niet.
En dan het pijnlijkste onderdeel van het rapport: de positie …
De voorzitter:
Maar eerst een interruptie van mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Is de PVV ervan op de hoogte voor hoeveel werkgelegenheid bijvoorbeeld
ASML zorgt als spil in een ecosysteem, direct voor mkb-bedrijven?
De heer Prickaertz (PVV):
Dat klopt; daar is de PVV van op de hoogte. Zoals u ook weet, is ASML
ooit begonnen als onderdeel van Philips. Daar is heel veel geld in
geïnvesteerd en het is uiteindelijk een hele grote speler geworden.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ja, oké, dan neem ik het eerste gedeelte van uw bijdrage dus met een
korrel zout, want het kan soms dus wel degelijk zo zijn dat je bedrijven
waarvan eventuele rendementen nog onduidelijk zijn, moet ondersteunen.
Dan heb ik een vervolgvraag, want ik ken de PVV eigenlijk als een partij
die tegen alles is waar het mkb op dit moment baat bij heeft,
bijvoorbeeld met een actieve lobby voor verhoging van het minimumloon,
terwijl horecazaken en verschillende winkels in winkelstraten het water
al aan de lippen staat en zij die verhoging niet willen. En volgens mij
is uw partij tegen aanpassing van de twee jaar loondoorbetaling bij
ziekte en ook tegen aanpassing van het ontslagrecht. Wat zou de PVV dus
bereid zijn te hervormen in de SZW-hoek?
De heer Prickaertz (PVV):
Volgens mij is dat niet helemaal waar. Wij zijn juist tegen elke vorm
van bezuiniging op de sociale voorzieningen. Dit is een van de
onderdelen van het bezuinigen op sociale voorzieningen: het terugbrengen
van de WW-duur, de WIA en noem het allemaal maar op. Daar is de PVV
gewoon strikt tegen.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dat is ook wat ik vraag. Dit betekent dus in theorie dat de PVV nog
steeds voor het verhogen van het minimumloon, het in stand houden van de
twee jaar loondoorbetaling bij ziekte en het behouden van het
ontslagrecht is. De PVV wil dus eigenlijk alles in stand houden waarvan
de mkb'er nu om aanpassing ervan smeekt.
De heer Prickaertz (PVV):
Het gaat erom dat die mkb'er alleen maar in staat is om dit soort dingen
te betalen als hij ook de ruimte krijgt en heeft om te kunnen
ondernemen. Dat is waar het nu misgaat.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Eigenlijk geeft de heer Prickaertz geen antwoord op de vraag. Dat snap
ik wel, want als jij net rond kan komen, maak je je zorgen over je baan.
Als je dan discussies hoort over versoepeling van het ontslagrecht en
over niet twee jaar maar een jaar loondoorbetaling bij ziekte, denk je:
wauw, wat gebeurt hier? Precies op dat treintje springt de PVV. Is het
niet verstandig, als je vindt dat het mkb de ruimte moet krijgen om te
ondernemen, om die belangenafweging uit te leggen aan je kiezer en een
andere keuze te maken?
De heer Prickaertz (PVV):
Ik denk dat wij die belangen heel goed afwegen en ook kunnen uitleggen
aan onze kiezer. Ik ben zelf ondernemer, zoals u waarschijnlijk weet.
Het grote probleem zit 'm niet in het feit dat een aantal dingen betaald
moet worden door de ondernemer, door de werkgever. Het grote probleem
zit 'm in het feit dat de kosten dusdanig gegroeid zijn dat je bijna
geen ruimte meer hebt om überhaupt nog wat te kunnen verdienen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is ook waar. Daar heeft de heer Prickaertz gelijk in. Maar als je
een ondernemer, dus de bakker op de hoek of een kleine logistieke
ondernemer, spreekt, dan begint die altijd over het feit dat je twee
jaar hangt als iemand zich ziek meldt.
De heer Prickaertz (PVV):
Ja.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dan moet je twee jaar betalen. Maar toch maakt de PVV daar geen keuzes
over. Het ontslagrecht, idem dito. Als je iemand in dienst neemt die
niet functioneert, kom je er bijna niet meer van af, behalve nadat je
ontzettend veel geld betaald hebt. En nogmaals, ik snap dat dit een
moeilijke afweging is, maar als je uiteindelijk alles weegt en voor de
mkb-ondernemer staat, dan moet je als belangrijke politieke partij in
Nederland die vindt dat het mkb de ruimte moet krijgen, dat toch juist
ook willen uitleggen aan je kiezer?
De heer Prickaertz (PVV):
Mevrouw Keijzer weet ook dat die problemen iets zijn van de laatste
jaren. In het verleden was dat niet eens zo'n heel groot probleem. Ik
heb bijvoorbeeld binnen mijn bedrijf altijd mijn personeel volledig
verzekerd, waardoor ik maar verantwoordelijk was voor een klein deel van
de doorbetaling op het moment dat mensen langdurig ziek waren. Er waren
allerlei mogelijkheden om dit soort dingen ook als ondernemer te
ondervangen. Alleen, op het moment dat er geen geld meer verdiend kan
worden, kan je niks meer ondervangen. Dat is het grote probleem. De PVV
wil inderdaad dat het mkb de ruimte krijgt om te ondernemen, maar is ook
een partij die niets wil veranderen aan de zekerheden van het personeel.
Ik denk dat die ook heel belangrijk zijn. Ik sta daar als ondernemer
zelf ook gewoon voor honderd procent achter.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Uiteraard, want je personeel is het belangrijkste kapitaal in je
bedrijf.
De heer Prickaertz (PVV):
Precies.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Maar toch is dit een klein beetje om de hete brij heen draaien. Als je
al die voorwaarden bij het collectief, bij de overheid laat, betekent
dat hoge overheidslasten, die we weer met z'n allen moeten betalen via
de belastingen. Linksom of rechtsom pak je dan je eigen kiezer. Dus
nogmaals, ik snap dat de heer Prickaertz hier nu niet even opeens een
ander beleid kan uitstippelen, maar zou er toch niet eens binnen de
eigen gelederen moeten worden nagedacht over het ondernemersklimaat in
dit land? Daar hebben we het hier over. Hoe kunnen we de lasten voor
ondernemers en burgers lager houden? Dit soort moeilijke discussies
zouden we toch eens een keertje moeten voeren.
De heer Prickaertz (PVV):
Daar ben ik het eigenlijk volledig mee eens. Die discussie moet ook
gevoerd worden. Ik denk ook dat het heel belangrijk is om die discussie
te voeren en te bekijken … Kijk, mevrouw Keijzer geeft al aan dat de
overheid het zal moeten betalen op het moment dat je het neerlegt bij de
overheid. Ik denk dat de overheid dat uitstekend kan, zeker gezien de
hoeveelheid belasting die er betaald wordt door ondernemers. Maar op het
moment dat de overheid ervoor kiest om dat geld aan heel andere dingen
te besteden, is er geen geld meer om dit soort dingen op te vangen.
De heer Flach (SGP):
Toch even hierop door. Ik hoor van collega Prickaertz een soort rechts
betoog over het vestigingsklimaat en de omgang met bedrijven, maar het
probleem is dat de PVV in de aard eigenlijk sociaal-economisch links is
en eigenlijk meer lijkt op de SP. Daardoor durft ze de moeilijke keuzes
over zaken die ondernemers belemmeren in hun ondernemerschap niet te
maken. Er zijn net bepaalde hervormingen genoemd. Die inconsistentie in
de opstelling van de PVV draagt er volgens mij aan bij dat er nooit een
stevige meerderheid is die zegt: nu gaan we het ondernemersklimaat in
Nederland echt eens even de goeie kant op sturen. Graag een reflectie
daarop.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik snap de vraag van meneer Flach. Die ruimte is er wel op het moment
dat ondernemers weer kunnen ondernemen. Net waren we al overeengekomen
dat personeel je belangrijkste asset is. Het is belangrijk om goed voor
personeel te zijn en dat ook zo veel mogelijk binnen te houden. Maar
daar moeten wel de financiële mogelijkheden voor zijn. Wij zijn ervan
overtuigd dat die mogelijkheid er ook gewoon is op het moment dat je de
ondernemer weer de ruimte geeft om te ondernemen en je de lasten gaat
verlichten voor ondernemers. Dan bedoel ik dus de lasten die vanuit de
overheid worden opgelegd. Ik zie het dus niet als of-of, maar meer als
en-en.
De heer Flach (SGP):
Als je ondernemers spreekt, noemen die een aantal grote problemen: de
lastendruk en onder andere personeelslasten. Om daar wat aan te doen,
zul je ook impopulaire maatregelen moeten nemen. Ik roep de PVV dan ook
op om die echt eens in overweging te nemen. Op het moment dat die
langskomen, of het nu gaat om het hervormen van de AOW of om andere
ingrepen, zie ik toch dat de PVV die keuzes niet durft te maken.
Uiteindelijk komt het bonnetje daarvan altijd bij de ondernemers
terecht. Ik wens de heer Prickaertz heel veel succes om binnen zijn
fractie dit geluid verder te brengen en te zorgen voor een meer
consistente visie op ondernemerschap en sociale zekerheid.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik kan meneer Flach toezeggen dat ik die discussie zeer zeker intern zal
voeren.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Laat ik 'm even heel concreet maken. Het minimumloon is nu heel actueel.
Het kan niet allebei. Je kunt niet voor lastenverlichting voor
ondernemers zijn en voor verhoging van het minimumloon, dus wat gaat het
worden bij de PVV?
De heer Prickaertz (PVV):
Als we even kijken naar het minimumloon en we kijken even naar het
algemene niveau van de lonen van, laten we zeggen, voor de coronaperiode
en na de coronaperiode, vooral in de horeca, zijn de lonen natuurlijk
gigantisch gestegen. We hebben in Nederland al jaren te maken met een
enorm personeelstekort. Dat betekent dat de lonen automatisch zullen
stijgen, omdat je gewoon meer moet gaan betalen om mensen binnen te
kunnen halen. Ja, je kunt een hele discussie voeren over het
minimumloon. Ja, wij zijn voorstander van het verhogen van het
minimumloon, omdat wij denken dat het beter is voor de koopkracht van de
consument. Daarentegen liggen de lonen vrij hoog op dit moment.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Nu gaan er dingen door elkaar lopen. Als ondernemers beslissen om de
lonen te verhogen, is dat een beslissing van de markt. Het is
marktwerking: er is schaarste en je gaat meer betalen. De verhoging van
het minimumloon is overheidsingrijpen. Dat is links beleid. Het hindert
ondernemers en neemt de vrije keuze weg bij ondernemers. Dat is dus geen
goed voorbeeld. Ik ben gewoon zo benieuwd. Of de PVV moet gewoon zeggen:
wij zijn sociaaleconomisch inderdaad een linkse partij en zitten meer op
de lijn van de SP; cultureel en op asiel zijn we een beetje rechts. Maar
dan snap ik het rechtse verhaal weer niet zo goed dat hier wordt
verteld. Nogmaals: wordt het het minimumloon omhoog of wordt het
lastenverlichting voor ondernemers?
De heer Prickaertz (PVV):
Beide.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik zei eerder vandaag dat ik overbodig Engels niet zo leuk vind, maar
you can't have your cake and eat it too. De kiezer en de ondernemer zijn
hier nu niet zo bij gebaat. Die weten nu niet wat ze aan de PVV hebben
op dit gebied. We staan hier natuurlijk in een economisch verhaal. Met
name ondernemers zullen nu denken: welke kant moeten we nu op met de
PVV? Dat is natuurlijk verder op zich niet mijn probleem, maar ik zou
net als de heer Flach heel graag willen dat we elkaar daar misschien in
kunnen vinden. Het kabinet moet toch rechtsaf; dat zal de heer
Prickaertz toch ook met mij eens zijn.
De heer Prickaertz (PVV):
Het is gewoon en-en, zoals ik net zei. Ik denk dat de ondernemer heel
goed weet waar de PVV voor staat. De PVV is de partij die staat voor
meer ondernemen en minder regels, minder belasting en minder lasten. Dat
is de enige manier om te kunnen ondernemen. Op het moment dat een
ondernemer kan ondernemen en geld kan verdienen, is dit eigenlijk een
achterafdiscussie.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank u. Ik was bij de boer gebleven. Als er één groep ondernemers is die
het afgelopen jaar voortdurend is geconfronteerd met veranderd
overheidsbeleid, dan zijn het onze boeren. Vervolgens krijgen zij te
horen van Wennink dat hun bedrijf eigenlijk niet meer past binnen het
toekomstbeeld van onze economie. We moeten niet eerst ondernemers
stimuleren om te investeren en ze vervolgens jaren later vertellen dat
hun sector niet langer gewenst is. De PVV wil geen overheid die bepaalt
welke ondernemer toekomst heeft. De PVV wil een overheid die ervoor
zorgt dat iedere ondernemer toekomst heeft, of je nu een hightechbedrijf
hebt, een fabriek runt of een transportbedrijf, winkel, garage of
boerenbedrijf hebt. Want wat heb je aan miljarden aan innovatie als
bedrijven Nederland verlaten omdat energie hier simpelweg onbetaalbaar
is geworden? Een ondernemer die wil investeren moet vervolgens jarenlang
wachten op een vergunning en kan zijn plannen net zo goed in de
prullenbak gooien. Dat betekent ook: een aantrekkelijk fiscaal klimaat,
waarin werken, investeren en ondernemen daadwerkelijk weer lonen.
Misschien wel de belangrijkste les uit het rapport Wennink is dat
Nederland ondernemers niet hoeft te vertellen wat ze moeten ondernemen.
Nederland moet ondernemers weer de ruimte geven om te ondernemen. Het
volgende ASML, de volgende innovatieve start-up of de volgende
wereldspeler wordt misschien helemaal niet geboren in de sector die
vandaag door de overheid als "strategisch" wordt aangewezen. Geef de
huidige, maar ook de nieuwe ondernemers dus de ruimte om te ondernemen.
Laat hen investeren. Laat hen risico nemen en laat hen groeien.
Een sterke economie ontstaat immers niet door een overheid die de
winnaars van morgen aanwijst. Een sterke economie ontstaat wanneer de
overheid de voorwaarden schept op basis waarvan iedere ondernemer de
kans krijgt om de winnaar van morgen te worden. Dat is de keuze van de
PVV: een sterk ondernemersklimaat voor alle ondernemers en niet een
overheid die bepaalt hoe Nederland er over twintig jaar uitziet.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Prickaertz. Het woord is aan mevrouw Keijzer voor
haar eerste termijn.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank u wel, voorzitter. Nederland was eeuwenlang het land waar mensen
naartoe kwamen om zaken te doen. Maar wat eeuwenlang als vanzelf ging,
lijkt inmiddels onder druk te staan. Onder het motto van goede
bedoelingen, het beschermen van de natuur en de mensenrechten hebben we
een land gebouwd waarin modellen belangrijker zijn geworden dan
ondernemen. Ondernemers die willen investeren en uitbreiden, lopen vast
in vergunningen, bezwaarprocedures, stikstofberekeningen, stikstofwetten
en andere juridische onzekerheden. Wat je dan volgens mij absoluut niet
moet doen, is komen met zaken waarmee Wennink komt, hoewel er ook een
aantal goede dingen in zijn rapport staan, namelijk een commissaris voor
toekomstige welvaart, juridisch in een wet vastgelegd, en een taskforce
waarin Den Haag met Den Haag overlegt, met een toefje ondernemers
erbij.
Wat we nodig hebben, is lef en vrijheid om te ondernemen. Maak de
vergunningstermijnen echt korter. Haal de Nederlandse koppen van de
Europese regels af. Los alsjeblieft de stikstofimpasse op zonder onze
agrarische sector op te offeren. Geef ondernemers fiscale zekerheid voor
de langere termijn. Doe iets aan de box 3-regelgeving. Een sterke
economie kan bovendien niet zonder een betrouwbaar en betaalbaar
energiesysteem. Onze industrie, de hightechsector en de maakindustrie,
kan alleen maar ondernemen en concurreren als er voldoende energie
beschikbaar is, als die energie betrouwbaar is en als de prijs
concurrerend blijft. Op al die punten schiet Nederland tekort. Dat is
geen natuurverschijnsel; dat zijn politieke keuzes.
De belangrijkste vraag vandaag is wat mij betreft niet: wat kan de
overheid investeren? Nee, de belangrijkste vraag is: waarom heeft de
overheid het voor ondernemers zo moeilijk gemaakt om zelf te investeren?
Ooit zei iemand in vak K in de oude Kamer: Nederland kan het weer. Hij
noemde daarbij de VOC-mentaliteit. Weet u, ik denk dat die mentaliteit
er nog steeds is. De koopmansgeest, de ondernemerszin en de wil om iets
te bouwen zijn we niet kwijtgeraakt. Die zijn alleen onder al die goede
bedoelingen, wetten en regelgeving komen te liggen.
Een ondernemer of een spaarzame burger kan geen vermogen opbouwen als
dat via belastingen wordt afgeroomd. Meer werken doe je ook niet, want
dan kom je in de armoedeval terecht vanwege toeslagen. Laten we daarom
kiezen voor een Nederland dat weer de meest concurrerende economie van
Europa heeft. Dat Nederland waren wij ooit, maar dat zijn we nu niet
meer. We moeten weer een land worden dat bouwt in plaats van blokkeert,
dat onderneemt in plaats van reguleert en dat werken weer laat
lonen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Oualhadj namens D66.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Voorzitter, dank u wel. Allereerst complimenten aan de heer Wennink.
Zijn rapport ligt er al even, maar blijft terecht volop in de aandacht
staan, zeker ook dankzij zijn eigen blijvende inzet. Dat is belangrijk,
want de urgentie is er nog steeds.
Voorzitter. Het gaat vandaag over je bed op de intensive care, over de
bibliotheek in de wijk en over de juf voor de klas van je kind. Dat is
namelijk het verdienvermogen. Wennink rekende ons voor dat een gemiddeld
huishouden er over tien jaar €1.700 aankoopkracht op achteruitgaat als
we niets doen. Gelukkig doet dit kabinet wél wat. Sterker nog, er wordt
niet alleen geïnvesteerd om te voorkomen dat we achteropraken; we doen
dit juist ook om vooruitgang te boeken. Ik zie daarvan de eerste stappen
terug.
Voorzitter. We hebben het vandaag ook over onze onafhankelijkheid. Als
wij technologisch niet vooroplopen, dan maken we ons afhankelijk van
anderen. Zo moeten we zelf onze chips gaan ontwikkelen en produceren en
kunnen bepalen waar onze gegevens worden opgeslagen. We worden echter
niet vanzelf onafhankelijk. Gisteren zette ik, net zoals de heer Van der
Lee, samen met 100 bestuurders mijn handtekening onder het
ondernemersakkoord van Future Up. Dat zijn bedrijven die geloven dat
Nederland gaat verdienen aan de economie van morgen. Dat zijn bedrijven
die weten dat we daarvoor sneller moeten kiezen voor schone, innovatieve
producten die hier bedacht en geproduceerd zijn. Met de nog steeds
afgesloten Straat van Hormuz zouden we daar allemaal van doordrongen
moeten zijn.
Voorzitter. De ideeën zijn er, het geld is er en deze bedrijven staan
klaar. Nu zijn wij aan zet wat betreft ruimte, keuzes maken en
vergunningen verlenen. Veel van wat Wennink vraagt, staat gelukkig al in
het coalitieakkoord. Zo krijgen we meer ruimte om nieuwe technologie
sneller te kunnen testen in de zogenaamde sandboxes. We gaan ons
overheidsgeld aanwenden om onze eigen innovaties aan te jagen. Helaas
zijn de meeste van die plannen nog niet gestart.
Daarom heb ik een aantal vragen aan deze minister, te beginnen bij die
sandboxes, de testruimtes voor nieuwe AI-toepassingen. Die moeten er van
Europa uiterlijk in augustus 2027 zijn. Kan de minister toezeggen dat
die sandboxes er zo snel mogelijk komen? Wat mij betreft is dat voor de
zomer van 2027. We hoeven niet te wachten op de uiterste datum. Kan zij
daarnaast aangeven wat er nu aan plannen ligt voor de fysieke
experimenteerruimte, zodat een bedrijf echt een eerste testfabriek zou
kunnen neerzetten zonder jaren te moeten wachten op de
vergunningen?
Dan de 51 investeringsvoorstellen uit het rapport-Wennink. We willen
daar zo snel mogelijk mee van start gaan, maar we weten ook dat niet
alles direct en tegelijk kan. Juist daarom is het belangrijk dat wij als
Kamer kunnen kiezen voor de voorstellen waarvoor er nu de grootste
kansen liggen. Is de minister bereid de Kamer te voorzien van de drie
meest impactvolle investeringsvoorstellen per groeimarkt? Kan de
minister daarbij aangeven wat er nu nodig is om deze investeringen
daadwerkelijk mogelijk te maken?
De heer Flach (SGP):
Ik weet niet of de bijdrage al af was, of misschien gaat die nog over
regeldruk. Voor de SGP ligt er op dat punt wel een heel belangrijke
vraag. Ik kreeg een noodkreet van een van de wethouders uit ons land. In
zijn gemeente zijn 45 projecten, waarvan sommige in de afrondende fase,
stilgelegd omdat er een controleur van allerlei regelgeving is
geschorst. Nederland verzuipt in de regelgeving en de controledrift. Wat
zijn de plannen van D66 om dit aan te pakken, behalve die 500 regels?
Dat is absoluut veel te weinig. Je ziet nu dat één controlebureau de
hele boel onderuit kan halen.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Een van de belangrijke punten uit het rapport-Wennink is veel werken aan
de randvoorwaarden om ervoor te zorgen dat het sneller van start kan
gaan. Dan hoeven ondernemers inderdaad niet op die vergunningen en
regelgeving te wachten. Een van de belangrijkste randvoorwaarden is
bijvoorbeeld stikstof. Het kabinet heeft plannen aangeleverd om dat punt
uit het slop te trekken. Dat kan ervoor zorgen dat het opgelost is wat
betreft de vele vergunningen en regelgeving die op dit moment
dwarsliggen. Volgens mij is dat een van de zaken die heel belangrijk
zijn om mee aan de slag te gaan, zeg ik via de voorzitter.
De heer Flach (SGP):
Dat is niet helemaal wat ik bedoel, want dit is eigenlijk een aparte
discussie. Ik lees even voor uit dat bericht. "1.300 bouwprojecten
vallen stil door de schorsing van één controleur." We hebben zo'n
complex regelstelsel opgesteld, met allerlei controlerende instanties,
dat het nu zo kwetsbaar is geworden dat 1.300 bouwprojecten stil dreigen
te vallen. Daar kun je niet tegenaan werken. Daar kun je geen beleid
tegenaan maken. Is het niet tijd om radicaal het mes te zetten in die
regelgeving en om meer uit te gaan van vertrouwen en de kracht van de
samenleving en het bedrijfsleven in plaats van van die doorgeschoten
controledrift?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik ben het helemaal eens met de heer Flach. Regels zijn er inderdaad
helemaal niet om tegen ondernemers te werken of in dit geval tegen
bouwvergunningen. Dat ben ik helemaal met u eens. Wat we daaraan doen,
kunt u lezen in het coalitieakkoord. Dat er aan de ene kant heel veel
randvoorwaarden zijn die nu niet zijn opgelost, houdt wel degelijk
verband met de situatie die u hier ook schetst.
De heer Flach (SGP):
Dan komen we ergens, want het coalitieakkoord is hierop echt absoluut te
mager. Dat heb ik ook in mijn termijn betoogd. Die "500 regels" is leuk,
maar ze zijn niet gekwantificeerd in tijd of in geld. Met andere
woorden: we moeten het veel impactvoller maken door daarop te gaan
sturen. Ik kom daar graag bij u op terug om erin samen te werken.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Heel graag, zeg ik via de voorzitter.
De voorzitter:
Laten we inderdaad blijven spreken via de voorzitter.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De heer Flach gaf daarstraks een mooi voorbeeld. Acht jaar geleden heb
ik in deze Kamer samen met D66 een voorstel gedaan over Schiphol op zee.
Dat was een visionair project waar je eigenlijk wel durf voor moet
hebben. Dat ontbreekt zo ontzettend in dit regeerakkoord. Ik kijk even
naar de collega van D66: zijn er nou nog projecten of is er nog durf bij
D66 om zo'n uitdaging aan te gaan?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ja, hoor. Ik denk dat D66 nog altijd bekendstaat als die ene partij die
baanbrekende dingen durft te agenderen. Schiphol op zee? Heel graag.
Tegelijkertijd hebben we in het coalitieakkoord het NADI opgenomen,
juist om dit soort baanbrekende innovaties mogelijk te maken. Al deze
mooie slimme ideeën kunnen u en ik bedenken, maar er zijn nog veel meer
mensen in Nederland die het misschien nog wel beter kunnen. Dan is het
aan ons om een organisatie op te tuigen waarin dat samen kan komen,
zodat het ook kan vliegen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dat zou heel mooi zijn. Ik zie in ieder geval niet dit soort uitstraling
vanuit het regeerakkoord komen. De vraag is of wij een D66 zien die
binnen haar coalitie collega's meekrijgt om dit soort durf te tonen.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ook hier: graag. Ik ga graag met iedereen in de Kamer nadenken over
baanbrekende ideeën.
De heer Dassen (Volt):
In de eerste interruptiedebatjes ging het over de manier waarop we
begroten en wat dat probleem doet met de investeringsbereidheid en het
vermogen van de overheid om ervoor te zorgen dat we de randvoorwaarden
voor een goed vestigingsklimaat goed op orde hebben. Wennink heeft daar
ook kritiek op gegeven, vrij harde kritiek. Ik ben benieuwd hoe D66 in
deze discussie staat.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Kritiek hebben mag altijd. Dat is ook heel goed. Het is goed om overal
discussies over te blijven voeren. Tegelijkertijd kijk ik ook naar een
coalitieakkoord waarmee binnen de huidige kaders heel veel kan. Dat
hebben we hier vandaag een paar keer over en weer gehoord. Er ligt een
coalitieakkoord waarin miljarden voor plannen beschikbaar zijn. Ook u en
ik kunnen verder nadenken over de invulling van die miljarden die
klaarliggen.
De heer Dassen (Volt):
Ik had gehoopt op een iets opener antwoord van collega Oualhadj. Voor de
verkiezingen hebben haar collega's een duidelijke inzending gedaan,
waarin ze hebben aangegeven dat de huidige begrotingssystematiek
onvoldoende rekening houdt met de langetermijnbaten. Als we op deze
manier doorgaan, gaat het ten koste van onze toekomstige welvaart.
Zouden we niet als Kamer aan het kabinet de opdracht moeten meegeven om
daar kritisch naar te kijken? Kijk nou eens of we die investeringen op
een andere manier kunnen begroten en of we die kunnen meenemen in de
langjarige termijn, zodat we meer ruimte hebben om ervoor te zorgen dat
de investeringen, binnen het toekomstige verdienvermogen en de kaders
die daarvoor nodig zijn, daadwerkelijk kunnen worden gedaan.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Nogmaals: die investeringen doen we. In dit coalitieakkoord is er
ontzettend veel ruimte opgenomen om te gaan investeren. Ik kan met u nog
een keer een begrotingssystematiekdiscussie voeren, maar ik denk niet
dat het voor dit debat bijdraagt aan wat er wel ligt en wat we wel
kunnen doen. Die mogelijkheid hebben we, ook u en ik, zeg ik via de
voorzitter tegen de heer …
De voorzitter:
Ook de heer Dassen en ik.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ja. Het is dus helemaal geen gesloten antwoord, het is juist een open
antwoord, waarin ik u uitnodig om met mij mee te denken over hoe we die
miljarden kunnen uitgeven.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Dassen (Volt):
Ik denk dat de kritiek van de heer Wennink vrij hard was. Hij sprak over
"een middeleeuwse begroting". Als ik kijk naar de investeringen die we
bijvoorbeeld in infrastructuur moeten doen, lijkt het kabinet 1,5
miljard uit te willen trekken voor voornamelijk wegen en sporen, terwijl
hiervoor meer dan 35 miljard nodig is, geloof ik. Dan hebben we het nog
niet eens over de digitale infrastructuur gehad, waar dit kabinet tot op
heden in ieder geval nul euro extra voor uit heeft getrokken. Het zijn
wel investeringen die we met elkaar moeten doen, omdat we anders dat
toekomstige concurrentievermogen niet overeind kunnen houden. Dat is
niet meegenomen in de miljarden die mevrouw Oualhadj net opnoemde. Maar
dat gaat ons wel raken. Ik wil mijn collega van D66 daarom toch uitdagen
om te kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat we die investeringen op een
makkelijkere manier kunnen doen, omdat die juist renderen op de
middellange termijn en die niet in het kader van het
kortetermijnperspectief van de begrotingssystematiek die we nu handhaven
gebruikt kunnen worden.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik ben juist heel erg blij met de investeringen die in het
coalitieakkoord staan, omdat dat juist investeringen zijn die ook heel
erg gelden voor de lange termijn. Er zitten ontzettend veel plannen in
het coalitieakkoord die niet over vandaag of morgen gaan. Die gaan over
het zetten van een stip op de horizon, zodat we over twintig jaar kunnen
terugkijken en er inderdaad een nieuwe ASML is geboren.
De heer Schenk (FVD):
Ik ken D66 als een liberale partij, hoe je het ook wendt of keert. De
grondbeginselen daarvan zijn vrijheid van ondernemerschap, de markt zijn
werk laten doen en toch minder overheid. In het rapport-Wennink lees ik
toch ook wel heel veel "meer overheid". Er wordt voorgesteld om een
investeringsbankinstelling, of hoe je het ook noemt, op te zetten, net
als een nieuw agentschap voor baanbrekende innovatie. Voorgesteld wordt
de verantwoordelijkheid voor toekomstige welvaart bij de
minister-president te beleggen en er wordt gesproken over een
welvaartscommissaris met mandaatfonds en uitvoeringsunit. Ik kan nog wel
even doorgaan. Waar ligt de grens? Ik begrijp best dat je op een aantal
punten ook als overheid aanjager zal moeten zijn van bijvoorbeeld
innovatie, maar er is toch ergens een grens waarboven het genoeg
overheid is geweest?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Het antwoord wordt eigenlijk al gegeven: juist die instelling speelt een
cruciale rol bij het overbruggen van het financieringsgat. Daar ligt ook
de grens. Dat financieringsgat komt zo vaak voor. Dat noemen we ook wel
de valley of death. Daar ligt dus ook de grens. Dat is precies waarom we
een nationale financieringsinstelling oprichten.
De heer Schenk (FVD):
Dat kan ik tot op zekere hoogte volgen, maar Wennink diagnosticeert ook
heel terecht regeldruk, problemen met vergunningen en eigenlijk dus
projecten die niet van de grond komen. Door dit soort dingen te gaan
doen, dus door meer overheid te introduceren, gaan we niet alle
ondernemers die nu tegen beperkingen aan lopen helpen. Wat gaan we nou
nog meer doen, behalve dan de acties rondom die 500 regels — die
overigens ook totaal niet van de grond komen, hebben we gezien in de
statistieken — om de ondernemer vanaf vandaag, vanaf morgen of in ieder
geval zo snel mogelijk ruim baan te geven om hen het Nederland van
morgen te laten bouwen?
Mevrouw Oualhadj (D66):
We gaan werken aan al die randvoorwaarden die de ondernemer op dit
moment in de weg zitten. Daar werken we aan. Dat betekent dus dat we
stikstof moeten aanpakken. Dat betekent dat we de netcongestie moeten
aanpakken. In vak K zitten de mensen die daarmee bezig zijn, dag in, dag
uit. Althans, daar heb ik alle vertrouwen in. Mijn kritiek richt zich
erop dat het wel wat sneller zou mogen. Wat dat betreft, zeg ik via de
voorzitter, ben ik het helemaal met u eens.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Schenk (FVD):
Ik vind het eigenlijk best een optimistisch verhaal, maar uiteindelijk
hebben we straks ook met allerlei nieuwe Europese regelgeving te maken.
We hebben afgelopen maand ook iets gezien van verpakkingsregels,
waardoor een ondernemer die een kleine webshop heeft nu allerlei
registratieverplichtingen in het buitenland heeft en €7.000 kwijt is
voordat überhaupt één pakketje verstuurd is. Als we met al die Europese
regels, waar vaak ook nog eens nationale koppen op komen, te maken
blijven hebben, dan blijven we de ondernemer toch alleen maar beknotten
in dit land? Moeten we niet juist al die regels schrappen en de
ondernemer de vrijheid geven, zodat we Nederland weer in bloei kunnen
zetten?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Nogmaals, ik ben blij dat het optimisme overkomt, want ik ben inderdaad
vrij optimistisch over wat ik zie aan plannen. Ik ben alleen ietsje
kritischer op het tempo. Daar moeten we inderdaad wat aan doen.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik haak even aan op de interruptie van de heer Dassen net in de richting
van mevrouw Oualhadj van D66. Als je gewoon goed kijkt, dan zijn het
VNO-NCW, de Algemene Rekenkamer, alle economen die je zo ongeveer
spreekt … Ik weet het ook van deze kant van de Kamer, tot en met de BBB,
en ik hoorde de SGP net in een interruptie ook zeggen dat we inderdaad
moeten gaan kijken naar een andere manier van langetermijninvesteringen,
omdat de markt altijd gericht is op de korte termijn en de overheid op
de lange termijn. Wat houdt mevrouw Oualhadj tegen om te zeggen: laten
we dat uitwerken; laten we dat andere stelsel van investeringen, dus
kosten-bateninvesteringen, doen in plaats van het kasstelsel dat we nu
hebben?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Niets houdt mij tegen. We kunnen dat gesprek wel degelijk voeren. Ik
weet ook dat een ander debat er specifiek voor bedoeld is om daarover
van gedachten te wisselen.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dus dan hoor ik het goed dat als ik straks met een voorstel kom om uit
te werken hoe we over kunnen stappen op een kosten-batenstelsel, D66
zegt: goed idee, dat gaan we uitwerken, dat kunnen we doen, daar kunnen
we het kabinet mee op pad sturen?
Mevrouw Oualhadj (D66):
U kunt altijd met mij over van alles in gesprek, zeg ik via de
voorzitter tegen de heer Dijk. Ik zeg tegelijkertijd ook dat als u kijkt
binnen de huidige kaders — daar gaat dit debat vandaag ook over: wat
kunnen we nou vandaag doen als we het hebben over de economie van
morgen? — er heel veel mogelijk is. Dat hoort u mij ook zeggen. Er is
heel veel mogelijk, omdat er in dit coalitieakkoord, nogmaals, miljarden
klaarliggen om uitgegeven te worden.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Daarover kunnen we ook met elkaar in gesprek.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik vind het wat ongeloofwaardig, want u draait eromheen.
De voorzitter:
"Mevrouw Oualhadj …"
De heer Jimmy Dijk (SP):
Mevrouw Oualhadj draait eromheen. Ik stel gewoon een hele normale vraag,
over of we dat vandaag kunnen regelen of niet. Het is een breed
maatschappelijk debat. Dat speelt al een hele lange tijd. Het is niets
nieuws. Ik kan gewoon tellen. Er is een volle meerderheid in deze Kamer
daarvoor, alleen als de VVD het niet wil en het CDA en D66 in het hok
trapt, dan gaat het niet gebeuren. Dat gaat ten koste van
diepte-investeringen. Laat ik er eentje noemen, en dan wil ik daar een
antwoord van u op hebben: de miljarden die nodig zijn voor onze
infrastructuur en wegen, die staan niet in dit plan. Dat zijn tientallen
miljarden. Hoe gaat u dat doen zonder dat we dat aanpassen?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Nogmaals, er kan over van alles met elkaar gediscussieerd worden. We
kunnen over van alles met elkaar van gedachten wisselen, ook over welke
investeringen er nodig zijn. Dat betekent wel dat dat ten koste kan gaan
van iets anders. Ik kijk op dit moment, in dit debat, naar wat er nodig
is om de economie uit het slop te trekken. Dan zie ik investeringen in
het onderwijs van 1,5 miljard. Ik zie een nationale
investeringsinstelling waar 3 miljard tot 5 miljard voor begroot is in
het coalitieakkoord. Ik zie voor stikstof, een van de belangrijkste
randvoorwaarden om dit op te lossen, waar ook de heer Wennink het over
heeft, dat er 20 miljard naartoe gaat. 20 miljard! Ik herhaal het nog
maar even. Dat zijn miljarden. Dat is echt geld dat we nu uit kunnen
geven.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik denk dat de heer Dijk van de SP en ik vanuit JA21 van verschillende
kanten tegen hetzelfde probleem aanlopen: een regeringspartij die geen
keuzes durft te maken. Er worden hier allemaal bedragen en plannen
opgenoemd. Natuurlijk moet je beginnen met een droom en een idee. We
hebben verschillende dromen. Ik droom van kerncentrales en D66 droomt
van meer Europa, maar wat wij gemeen hebben, is het volgende. Ik haal er
één voorbeeld uit. Ik denk dat wij allebei dromen — het stond in uw
verkiezingscampagne — van tien nieuwe steden. Laat daar nou een hele zak
geld voor zijn. Dan is er een stikstofslot. Dan is er een netcongestie.
Bedenk even wat die tien nieuwe steden gaan doen qua impuls voor onze
economie. Maar D66 zet die droom op slot met hun ideeën, hun idealen,
hun dingen die allemaal niet kunnen als je een bloeiende economie wil
hebben.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik moet er een beetje om gniffelen, omdat mevrouw juist die dingen noemt
… Aan de ene kant zegt zij dat wij niet kiezen, maar aan de andere kant
noemt zij precies de elementen die wij dus wél doen, namelijk een
crisiswet netcongestie die eraan komt, namelijk een stikstofplan dat
gepresenteerd is voor het zomerreces. Dat zijn precies de zaken waar
juist D66 in dit kabinet hard aan heeft meegewerkt en gepresenteerd
heeft, of die eraan zitten te komen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Het klimaatbeleid dat deze netcongestie heeft veroorzaakt, blijft
onverkort in stand. Er wordt dus helemaal niets opgelost. Over het
stikstofslot: we kunnen er nu, vandaag nog, as we speak, voor kiezen om
die rekenkundige norm, die nu weer is uitgesteld, toe te passen. Er
worden dus plannen gemaakt voor ellende, maar er wordt geen keuze
gemaakt over die ellende. Er wordt geen verstandig klimaatbeleid
gevoerd. Er wordt geen verstandig stikstofbeleid gevoerd. Er zijn wat
pleisters geplakt. Maak keuzes! Als het over links gaat, dan is meneer
Dijk blij en als het over rechts gaat, zijn wij blij. Maar de boel staat
nu stil, en D66 is daar hoogst verantwoordelijk voor. Plannen zijn mooi,
maar wat gaan we doen? Wat gaat D66 doen?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Mevrouw Nanninga heeft helemaal gelijk: het begint met een plan. Nou,
dat is ook gepresenteerd. Dat heet een "coalitieakkoord". En dan moeten
we naar de uitvoering kijken. Daar is dit kabinet mee bezig. Ik heb net
twee belangrijke elementen genoemd die in het Wenninkrapport staan en
waarover in het rapport staat: dát moet opgelost worden, zodat die
ondernemer in Nederland weer aan de slag kan. Nou, dat doen we en dan is
het weer niet goed. Ik nodig mevrouw Nanninga juist uit om met ons mee
te denken over hoe we het voor die ondernemer, waarover we het vandaag
hebben, te verbeteren. Er is nog best veel ruimte om na te denken over
hoe we precies invulling gaan geven aan alle miljarden die ik net
noemde.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dus ik begrijp niet helemaal waar mevrouw Nanninga naartoe wil.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Het is natuurlijk een beetje raar om dat nu bij mij, bij ons, neer te
leggen. Wij hebben als oppositiepartij al tig ideeën en moties
gelanceerd, en geprobeerd in onderhandelingen dit beleid bij te sturen.
Het rapport-Wennink staat vol aanbevelingen. Maar of mevrouw Oualhadj
nou bewust doet alsof ze het niet snapt of dat ze het echt niet snapt —
dat laatste is zorgwekkender — het zijn allemaal oplossingen voor
problemen die D66 gecreëerd heeft. Dan kan je dus wel zeggen "kijk ons
lekker bezig zijn", maar stel dat ik hier een emmer water over de vloer
gooi, dan is het probleem dat alles hier zeiknat is. Dan kan ik wel
zeggen "kijk mij lekker dweilen", maar dan had ik beter die emmer water
niet kunnen omgooien. Draai die rare ideologische sloten die D66 op dit
land zet nou eens terug.
Mevrouw Oualhadj (D66):
De laatste keer dat er hier, voor dit kabinet, een regering zat, is er
nogal wat stilstand gecreëerd. Juist dit kabinet kijkt naar hoe we die
stilstand weer kunnen doorbreken. Ik geloof er heel erg in dat als we
alles wat in het coalitieakkoord staat gaan doen met elkaar en dat als
wij nou eens kijken — dat is ook een oproep aan de Kamer — naar wat er
mogelijk is en hoe we de zaken die we nu zien en alle problemen waar
ondernemers op dit moment tegenaan lopen eens met elkaar gaan oplossen,
de ondernemer, die vandaag ook over onze schouder meekijkt, dan met een
gerust hart naar bed kan.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Voorzitter. Ik was gebleven bij de 51 goede investeringsvoorstellen die
de heer Wennink in zijn rapport heeft geschetst. Even kijken waar ik was
gebleven. Ik vroeg daarbij naar de impactvolle investeringsvoorstellen
per groeimarkt en of de minister daarbij wil aangeven wat er nodig is.
Die vraag had ik al gehad. Ik denk bijvoorbeeld aan specifieke acties,
zodat we vergunningen kunnen versnellen, regelgeving kunnen versoepelen
en fysieke ruimte en netaansluitingen kunnen creëren. Lukt het de
minister om per voorstel te schetsen wat de verwachte bijdrage is aan
onze brede welvaart?
Het rapport heet De route naar toekomstige welvaart. Volgens mij ligt
die route klaar. De 100 bestuurders die gisteren met mij tekenden,
wachten niet op een voortgangsevaluatie. Zij willen gewoon aan de slag.
Ik vraag de minister dan ook om te bekijken hoe we naar een nog hogere
versnelling kunnen om dat te bereiken. Ik kijk uit naar de
beantwoording.
Dank u wel.
De heer Van der Lee (PRO):
Dank aan mevrouw Oualhadj voor haar verhaal. Ik heb even een
verduidelijkende vraag over de 51 projecten. We krijgen nieuwe
instrumenten. Mogelijk gaan die projecten daarvan profiteren. Begrijp ik
nou goed dat D66 eigenlijk parallel daaraan een soort maatwerkaanpak wil
waarin de minister voor alle projecten of een selectie per speergebied
moet zorgen voor een soort maatwerkaanpak met aanvullend beleid om die
investeringen los te trekken? Is dat wat D66 wil?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Heel goed. Nee, wat ik vraag is het volgende. Er is een aantal
groeimarkten geïdentificeerd. Er staan 51 projectvoorstellen,
investeringsvoorstellen, in dat rapport. Ik kan me voorstellen dat niet
alles nu tegelijk en direct kan. Mijn vraag aan de minister is dus
eigenlijk of er een overzicht kan komen van, laten we zeggen, de drie
meest impactvolle investeringsvoorstellen per groeimarkt.
De heer Van der Lee (PRO):
Daar ben ik ook hartstikke voor, want informatie is belangrijk, maar
waar wil D66 naartoe? Dat laatste is mijn punt. We gaan vehikels creëren
waarin experts beslissen wat de kansrijke investeringen zijn, maar ik
proef ook een beetje een paralleltraject waarbij wij als politiek gaan
kiezen uit die 51 en dan daarnaast nog maatwerk willen gaan toepassen.
Is dat nou waar we naartoe gaan? Dat wil ik graag weten.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Nee, heel goed. Nog een keer voor de helderheid dan: nog een
paralleltraject is inderdaad niet de bedoeling. Volgens mij hebben we
namelijk al genoeg trajecten. Nee, het is de bedoeling om te kijken waar
nou per voorstel de meeste impact zit, zodat we ook weten wat er nu kan.
Het liefst doen we al die 51 voorstellen nu tegelijk. Als dat kan, zeg
ik tegen de minister: graag, laten we dat vooral doen. Maar als van die
51 per groeimarkt duidelijk is wat nu kan en wat ook nog eens de meeste
impact heeft, denk ik dat u en ik daar alleen maar blij van worden,
toch?
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van Brenk namens 50PLUS, de laatste
spreker van de zijde van de Kamer. Nee, meneer Dassen, als u had willen
interrumperen, had u er al moeten staan. Mevrouw Oualhadj was aan het
eind van haar betoog en er is ook nog een tweede termijn. En zoals ik al
zei: dit debat duurt tot 18.00 uur. Er is namelijk ook een
avondprogramma in deze zaal. Daar zit u allen ook weer, dus ik doe dit
eigenlijk voor u!
Gaat uw gang, mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ten eerste wil ik mevrouw Bühler feliciteren met haar
maidenspeech.
Voorzitter. Europeanen, en ook wij Nederlanders, zijn de jaren twintig
van deze eeuw ingestapt met een rotsvast vertrouwen in de grootmacht van
de Europese Unie. Onze sociale Europese Unie zou haar verworvenheden op
het gebied van onder andere sociaal beleid, gelijkheid, strenge regels
voor het bedrijfsleven en zorg voor het milieu wel gaan exporteren naar
de rest van de wereld. We waren ervan overtuigd dat wij niet alleen de
juiste mening en de juiste moraal hebben, maar in vergelijking met
anderen ook de meest kansrijke én rechtvaardige economische dynamiek.
Maar inmiddels zijn er duidelijke haarscheurtjes ontstaan in dat
rotsvaste vertrouwen. De EU is haar toonaangevende positie aan het
kwijtraken. We hebben een ministerie van Groene Groei en in Brussel zit
een Eurocommissaris voor Schone Groei, maar Nederland noch Europa is
leidend geworden op het gebied van zonnepanelen, windturbines en
batterijtechnologie. Een onstilbare honger naar nieuwe regels en nieuwe
belastinginkomsten heeft onze economische motor beschadigd. We raakten
ongemerkt achterop, niet door nominale krimp, maar door het mislopen van
de groei die onze concurrenten in de wereld wél binnenslepen.
De rapporten van Wennink en, op Europees niveau, Draghi trachten het
ontbreken van urgentie te doorbreken. Deze rapporten vormen in feite een
schop tegen onze kont. Nederland en Europa moeten stevig aan de bak om
aansluiting bij de top van de wereld te behouden. Dat is wat er op het
spel staat. Wij houden ons hart vast als Nederland en Europa er niet in
slagen om de economische wedstrijd te winnen. Dan zullen anderen
namelijk gaan bepalen wat de morele, sociale en milieugerelateerde
ondergrenzen in de wereld worden. Dat was en is toch juist niet de
bedoeling? Wat vindt deze minister daarvan?
Wij betwisten de keuze voor de vier domeinen in het rapport-Wennink
niet, maar wij herinneren ons wel de strategische keuzes voor groene,
duurzame klimaattechnologie van inmiddels twintig jaar geleden. Die
hebben we niet naar ons toe weten te trekken. Integendeel: anderen zijn
daar leidend in geworden. Wat hebben wij hiervan geleerd, vraag ik de
minister. Ook deze regering zal namelijk op basis van feiten en
resultaten moeten erkennen dat de strategische keuzes van Europese
lidstaten en van de Europese Unie, die zijn ondersteund met veel
subsidie en publiek geld, ons vooralsnog geen klinkende strategische
overwinningen hebben opgeleverd, maar eerder stagnatie en achteruitgang.
Ziet de minister dat ook zo? Wij vrezen voor dezelfde centraal geleide
dynamiek met teleurstellende resultaten. Hoe gaat de regering dit
voorkomen?
Het rapport van Wennink spreekt ook over deregulering, flexibilisering,
infrastructuur en het versterken van de beschikbaarheid van privaat
kapitaal. Waarom is regeldruk dan geen onderdeel van de scope van de
taskforce? Deelt de regering onze visie dat de fundamentele verandering
van de strategie die wij nodig hebben er een is waarbij de inzet van
overheden niet centraal staat, maar faciliterend is? Ziet de regering
wel voldoende in dat de inzet om van de EU een regulatory superpower te
maken is mislukt? Of blijft die ambitie stiekem overeind? Wij
constateren dat Wennink en Draghi dat wel gezien hebben en dat zij dat
ook goed opgeschreven hebben.
Voorzitter, ik ben bijna klaar. Ik heb net al gezegd dat ik me er zorgen
over maak dat er 28 rapporten-Wennink komen in 28 lidstaten, met 28
afzonderlijke keuzes. Hoe gaan we ervoor zorgen dat die allemaal bij
elkaar komen en dat we de enorme potentie van de Europese markt niet
inruilen voor kabouterdoelen?
De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors tot 15.40 uur voor de beantwoording van de zijde
van het kabinet. De vergadering is geschorst tot 15.40 uur.
De vergadering wordt van 15.18 uur tot 15.41 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het debat
over het rapport-Wennink De route naar toekomstige welvaart. Ik wil het
woord geven aan de minister voor de eerste termijn van de zijde van het
kabinet. Natuurlijk is er ruimte voor een goed debat, maar wel binnen de
kaders van de klok die we hebben. Ik stel dus voor dat we flink ruimte
blijven geven voor interrupties, maar wel steeds even na afronding van
een subonderdeel van de beantwoording van de minister. En natuurlijk
zijn interrupties kort en bondig. Als u zich daarin kunt vinden, en ik
zie dat dat het geval is, dan zou ik de minister willen vragen langs
welke lijnen zij haar beantwoording heeft gestroomlijnd.
Minister Herbert:
Voorzitter. Ik zou graag eerst een algemene inleiding willen geven.
Vervolgens zal ik in vier blokjes de vragen voorbij laten komen. Als
eerste zal ik ingaan op de analyse van Wennink, ten tweede op de
randvoorwaarden, ten derde zal ik de markten en sectoren behandelen en
ten vierde zal ik met name de financiële initiatieven wat verdiepen.
De voorzitter:
Uitstekend. Gaat uw gang.
Minister Herbert:
Dank, voorzitter. Als u het mij toestaat wil ik beginnen met het
feliciteren van lid Bühler met haar maidenspeech. Het is een mooie,
persoonlijke en inhoudelijke toevoeging aan dit debat. Ik herken in haar
verhaal de urgentie, die ook door Peter Wennink is geschetst. Toen hij
afgelopen december zijn rapport presenteerde, gaf hij aan dat hij de
opdracht om onafhankelijk advies uit te brengen over het toekomstig
verdienvermogen van Nederland en het Nederlands investeringsklimaat had
geaccepteerd vanuit het gevoel van urgentie. Nederland, zo schetste hij,
is een welvarend en gelukkig land, maar die welvaart is niet
vanzelfsprekend. In zijn rapport beschrijft Wennink hoe onze welvaart in
het geding komt, onder andere door teruglopende productiviteitsgroei,
een vergrijzende beroepsbevolking, door toenemende afhankelijkheden van
de VS en China en door grote uitdagingen op het gebied van klimaat en
defensie. Ik deel de urgentie die door de heer Wennink en ook door
mevrouw Bühler zijn geschetst, volledig.
Dit kabinet voelt de verantwoordelijkheid om de Nederlandse economie,
het fundament onder onze brede welvaart, gezond te houden. Daarvoor moet
onze productiviteit omhoog, want in een productievere economie kunnen we
met minder arbeidsuren meer werk verzetten. Dat is hoognodig om in een
vergrijzende samenleving het werk te kunnen blijven uitvoeren en
voorzieningen te kunnen betalen. Daarmee kunnen we onze brede welvaart
behouden. Onze economie moet ook weerbaar zijn. De afgelopen jaren
hebben ons het belang van een weerbare economie laten zien, weerbaar
tegen schokken zoals de energieschok, die voortkwam uit het conflict in
het Midden-Oosten, maar ook weerbaar tegen internationale druk, zodat we
niet eenzijdig afhankelijk worden van derde landen en zo onze autonomie
kwijtraken. Daar werk ik aan: een productieve en weerbare economie, die
levert voor heel Nederland.
Het kabinet heeft zich, geïnspireerd door het rapport-Wennink, ten doel
gesteld om structureel 1,5% groei te realiseren. Om deze ambitie waar te
maken moeten we beleid voor de lange termijn maken en in lange lijnen
denken. Het vereist investeringen die we nu doen, maar waarvan we de
effecten misschien pas over enkele jaren terugzien. Dat betekent dat we
over de begrotingscyclus heen moeten kijken, zelfs over deze
kabinetsperiode heen. Maar voor de toekomstige welvaart van Nederland
moeten we politiek bedrijven die niet van dag tot dag, debat tot debat,
begroting tot begroting, wijzigt.
Stabiliteit is niet de enige randvoorwaarde. Zoals het rapport-Wennink
liet zien wordt onze economie op meerdere vlakken bekneld. Stikstof,
netcongestie, schaars talent, regeldruk: het zijn allemaal zaken die
ondernemers in heel Nederland belemmeren. Deze knelpunten zijn niet van
de ene op de andere dag opgelost. Ze zijn ook niet de
verantwoordelijkheid van één bewindspersoon. Was het maar zo simpel. Het
is een gezamenlijke inspanning van dit kabinet om knelpunten aan te
pakken en het economisch potentieel van Nederland volop te benutten.
Daar werk ik dan ook samen met collega-bewindspersonen hard aan.
De afgelopen maanden hebben we de eerste stappen gezet. Zo hebben we uw
Kamer eerder geïnformeerd over belangrijke opleverpunten, zoals op
netcongestie, met een stikstofpakket en met onze talentstrategie. Dat
zijn allemaal dingen die belangrijk zijn voor bedrijven,
kennisinstellingen en ondernemers om kans te krijgen om weer verder te
bouwen aan die Nederlandse economie van morgen.
Ik ben ook aan de slag gegaan met vergunningverlening en die meer
voortvarend en voorspelbaar te maken. Bijvoorbeeld in de haven van
Rotterdam zijn we gestart met een rapid delivery traject om de verlening
van complexe omgevingsvergunningen 60% tot 80% sneller te laten
verlopen. Dat doe ik niet alleen. Dat doe ik samen met de ministeries
van KGG, VRO, IenW, de omgevingsdiensten, de provincie Zuid-Holland,
Deltalinqs, Havenbedrijf Rotterdam, allemaal in samenspraak met de
gemeenten en het bedrijfsleven. Dus deze maand krijg ik vanuit deze
groep elf interventies die tot versnelling gaan leiden. Dat is ook
precies waar ik mij voor inzet: samen met een heleboel betrokken
partijen werken om ervoor te zorgen dat er concrete resultaten komen
voor ondernemers, zodat die ruimte ervaren om te ondernemen.
Er zijn ook financieringsinstrumenten nodig. We moeten niet alleen
ruimte maken voor ondernemers, maar ze ook toegang geven tot passende
financiering. Om innovatie en investeringen verder aan te jagen richt ik
mij met de taskforce op drie financieringsinitiatieven. Die heeft u ook
herkend in het coalitieakkoord. Het gaat om de nationale
investeringsinstelling, het Nationaal Agentschap voor Disruptieve
Innovatie en het Nationaal Groeifonds.
Helaas kan ik vandaag nog niet vooruitlopen op de resultaten van de
financiële besluitvorming. Daarvoor wachten we allemaal tot Prinsjesdag.
Ik beloof al wel dat ik de Kamer deze maand nog zal informeren over de
plannen van het kabinet voor deze financieringsinitiatieven. Ik weet ook
hoezeer u hierop wacht.
Ik heb wel al eerder geïnformeerd over het industriebeleid. De
internationale context waarin we opereren vereist dat we keuzes maken.
De internationale concurrentie neemt namelijk toe. Handelsketens worden
echt kwetsbaarder en landen zetten steeds sterker in op hun eigen
strategische sectoren. In ons nieuwe industriebeleid maken we die
keuzes. Dat vraagt lef. Ik voel ook aan uw interventies dat u dat soms
wil bevragen.
Wij hebben er als kabinet voor gekozen om het advies uit het
Wenninkrapport te volgen en te kiezen voor vier domeinen die essentieel
zijn voor enerzijds de toekomstige economie en anderzijds het
maatschappelijk welzijn en die ook nog eens helpen om meer weerbaar te
worden. Die vier domeinen zijn: digitalisering en AI, veiligheid en
weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en
biotechnologie.
In deze vier domeinen hebben we als Nederland een sterke technologische
positie. Het is dus ook iets om uit te kunnen bouwen. Daartoe kiest het
kabinet voor zes strategische markten binnen die domeinen waarin
Nederland een sterke uitgangspositie heeft. Met concrete interventies en
investeringen werken we hierbij aan het versterken van weerbaarheid en
het verdienvermogen van de Nederlandse economie. De Taskforce
Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat, waarvan ik coördinerend
bewindspersoon ben, vervult hierin een cruciale rol, door doorbraken te
realiseren waar nodig.
De eerste uitingen van dat beleid zijn al zichtbaar. We investeren
namelijk 102,5 miljoen euro in het Nederlandse medtech-ecosysteem. Dat
doen we niet alleen, maar samen met het bedrijfsleven in deze sector.
Dat heeft namelijk al toegezegd dat het deze investering minstens wil
verdubbelen. Philips draagt bijvoorbeeld al voor 50 miljoen bij. Dat is
een voorbeeld van hoe ik voor me zie hoe er in al die sectoren roadmaps
uitgelegd worden. Met die investeringen bouwen we aan het Nederlandse
verdienvermogen en tegelijkertijd aan de kwaliteit van de Nederlandse
zorg. Van dit soort investeringen profiteert de Nederlandse samenleving
dus dubbel.
Er is ontzettend veel optimisme en energie in dit land. Daar willen we
met elkaar de schouders onder zetten. Het rapport-Wennink is voor dit
kabinet een belangrijke inspiratiebron om die energie ook om te zetten
in zichtbare verbeteringen voor onze ondernemers. Ik ben me er echt van
bewust dat dat voor veel van hen niet snel genoeg gaat en dat er op
allerlei vlakken nog steeds belemmeringen zijn. Het stroomnet is nog
vol, het verstrekken van natuurvergunningen verloopt in veel regio's
moeizaam en financiering blijft een knelpunt voor groeiende bedrijven.
We zijn er echter van overtuigd dat we met de adviezen van Wennink de
juiste richting te pakken hebben en dat de eerste stappen zijn gezet.
Ook weet ik zeker dat er nog heel veel werk te verzetten is, juist in
die samenwerking. Ik wil die samenwerking uitbouwen en ik kijk ernaar
uit om dat met uw Kamer samen in gesprek te brengen.
Dit zou mijn overstap zijn naar de blokjes, voorzitter.
De voorzitter:
Er zijn interrupties van de heer Flach en mevrouw Keijzer. Meneer
Flach.
De heer Flach (SGP):
Even over die vier sectoren die het kabinet heeft overgenomen uit het
rapport-Wennink: digitalisering, veiligheid, energie en life sciences.
Dat zijn allemaal "hoogwaardige sectoren", zoals dat dan wordt genoemd.
Het zijn echter ook sectoren waarin ontwikkelingen vaak nog in de
kinderschoenen staan en waarin we heel erg afhankelijk zijn van kennis
uit het buitenland. Wat gebeurt er met de sectoren waarin mensen, nog
met de broodtrommel achter op de fiets, al jarenlang een ijzersterke
wereldwijde positie hebben? Ik noem bijvoorbeeld de maritieme sector
enzovoorts. Wat gaat het kabinet daarmee doen?
Minister Herbert:
Het klopt dat er gekozen is voor domeinen waarin unieke kennis aanwezig
is waarvan de bedrijvigheid verder ontwikkeld moet worden en waarin we
ook goeie kansen zien. Betekent dat dan dat alle andere sectoren in
Nederland er niet meer toe doen? Nee, dat betekent het niet. Juist in
het werk van onze taskforce richten we ons op generieke verbeteringen.
Ik noemde er al een aantal van. Het oplossen van de
stikstofproblematiek, netcongestieproblemen en schaarste aan talent moet
ten bate van heel veel sectoren komen, ook van de maritieme sector
waarnaar u verwijst, meneer Flach. Overigens weet ik heel goed — ik zoek
het er even bij — dat we daar werken met de maritieme sectoragenda No
guts, no glorie! We zullen ook met een rapportage komen over hoe we
daarmee verdergaan. Dan zullen we ook ingaan op uw motie.
De heer Flach (SGP):
Dit past ook uitstekend onder veiligheid en weerbaarheid; dat is helder.
Ik snap best dat het kabinet niet tegen de rest van de economie zegt:
nou, u bekijkt het maar. Maar als er staat "focussen op domeinen waar we
een strategische positie kunnen opbouwen", neem je ook een gok. In
landen als China en Japan zijn ze op sommige vlakken immers al veel
verder. Je kunt het dus ook zomaar verliezen. Moeten we niet veel meer
ook de basis stevig houden? We hebben immers gezien wat er kan gebeuren
als je afhankelijk wordt van hele basale industrieën van andere landen.
Die afhankelijkheden mogen dus ook wel een rol spelen in die focus. Ik
zou dus eigenlijk van de minister willen horen dat er naast focus op
groei in strategische sectoren ook echt een stevige inzet blijft op
basissectoren.
Minister Herbert:
Het is inderdaad zo dat wij wel echt het lef hebben willen tonen om te
kiezen en dat dit betekent dat we niet alles, duizend bloemen, laten
bloeien. Dat gaat vooral over daar waar wij nog gerichter ondersteunend
beleid willen inzetten en versnelling willen creëren. Dat doen we omdat
we daar oprechte kansen zien, veel sterkte vanuit Nederland die
makkelijk uitbouwbaar is en waarmee we onze weerbaarheid vergroten. Ik
blijf herhalen dat dit niet betekent dat we de rest van onze industrie
willen verkwanselen. En ja, dan zijn de basisindustrieën waar u het ook
over heeft dus relevant.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Flach (SGP):
Ik ben toch nog niet helemaal gelukkig, want ja zeggen tegen het ene is
ook nee zeggen tegen het andere. Met beperkte budgetten sneuvelen er ook
gewoon dingen, zoals we ook zien in hele begrotingsgesprekken. Ik zou de
minister dus echt willen uitdagen om ook aan tafel te gaan met
vertegenwoordigers van de industrieën die hier al tientallen jaren veel
welvaart hebben gebracht om te kijken wat zij nodig hebben. Dan kom je
er niet met alleen "we gaan het stikstofprobleem oppakken". Dan zal er
echt meer nodig zijn, ook op het gebied van regeldruk, financiering en
personeelsbeleid. Ik zou de minister daar dus graag toe willen
oproepen.
Minister Herbert:
Ik heb dit zeer goed gehoord en heb er nog steeds geen twijfel over dat
de generieke insteek van taskforce en kabinet precies gaat bijdragen aan
wat meneer Flach ook beoogt.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik zit nu naar de inleiding van de minister te luisteren, maar ik
beluister zo weinig urgentie. Het gaat over een taskforce en een
vergadering met alle ministers, die de minister hier nu trouwens in haar
eentje laten zitten. Er mogen af en toe wat ondernemers voorbijkomen. Er
komt een bedrag van 100 miljoen voorbij in een bepaald soort industrie.
Maar ik hoor haar niet over het daadwerkelijk aanpakken van de echte
problemen waardoor dit land steeds verder achterop dreigt te komen te
lopen. Wat doet zij daar nou voor? Wat treffen wij nou straks op
Prinsjesdag aan? Ik snap dat zij geen maatregelen kan noemen, maar welke
urgentie legt zij daar nu neer?
Minister Herbert:
Ik zou mevrouw Keijzer willen bevestigen hoeveel urgentie ik voel. Als
het prettig is als ik dat iedere keer benadruk, wil ik dat echt met
liefde doen, want u mag van mij weten dat ik mij echt zorgen maak over
de toekomst van onze economie, niet op zo'n manier dat ik op mijn rug ga
liggen maar juist op zo'n manier dat ik hier hard aan wil werken. Dat
betekent dat hier in de afgelopen periode ook elke dag aan gewerkt is. U
weet dat ik zes maanden geleden ben begonnen. Er is in die tijd ook door
mijn collega's van alles opgeleverd. Ik heb een aantal plannen genoemd
die inmiddels gepresenteerd zijn. Het is ook zo dat er wel samenwerking
tussen allerlei departementen nodig is om tot keuzes te komen die tot
die doorbraken gaan leiden. Dat vraagt enige afstemming. Ik beloof echt
dat wij voor al die sectoren met heel gerichte plannen gaan komen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Een voorbeeld. Gisteren was president Macron in Nederland bij ASML om te
praten en afspraken te maken over investeren in die industrie. Daar was
deze minister niet bij aanwezig. Waarom was zij daar niet? Het tweede
punt dat ik haar zou willen voorleggen, is dat een van de grootste
problemen die wij in Nederland hebben, is dat een bedrijf dat het goed
doet, vervolgens te maken krijgt met allerlei beperkingen waarop
doorbraken nodig zijn. We weten allang welke beperkingen dat zijn en
welke doorbraken nodig zijn. Op dat punt gebeurt maar niks. Wat gaat zij
nou doen om te voorkomen dat zo'n bedrijf hier straks groeit en het, net
als het wat wordt, húp richting Frankrijk gaat?
Minister Herbert:
Daarin zijn onder andere de financieringsvoorstellen relevant die we op
Prinsjesdag denken te gaan presenteren. Die zijn nodig om te kijken hoe
je financiering losmaakt om bedrijven in Nederland te laten groeien.
Maar mevrouw Keijzer verwijst ook naar andere voorwaarden, zoals
netcongestie — positief gezegd: netaansluitingen — en het zorgen voor
vergunningen. Daar bestaan natuurlijk ook heel concrete voorbeelden van.
Onlangs nog hebben we gelukkig kunnen zien dat Eli Lilly wil investeren
in Nederland. Dat is een goed bericht. Het is gelukt om daar allerlei
zaken voor klaar te maken zodat het bedrijf zich ook echt kan gaan
vestigen. Dat zijn allemaal heel concrete zaken waarvoor niet alleen ik
mij inzet, maar ook mijn collega's zich inzetten.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Een van de problemen is bijvoorbeeld het vermogen in aandelen in box 3.
Dat is vooruitgeschoven door dit kabinet. Ik snap dat wel — het kost in
de CPB-systematiek een hoop geld — maar als je daar niks aan doet en
investeerders vervolgens hun geld terugtrekken of bedrijven naar het
buitenland verdwijnen omdat ze alleen daar een goede propositie kunnen
maken, dan heb je uiteindelijk niks. Onderschrijft de minister in ieder
geval dát?
Minister Herbert:
Ik herken zeer dat er een zeer groot aantal criteria is op basis waarvan
bedrijven hun investeringsbeslissingen nemen. Dat heeft enerzijds te
maken met het fiscale klimaat. Het heeft ook te maken met mogelijkheden
om ruimte te krijgen, die ook nog eens vergund is. Ook heeft het met
financieringsmogelijkheden te maken. Het bittere nieuws is dat er op al
die domeinen voortgang nodig is en dat niet alles tegelijk kan, en er
dus continu keuzes gemaakt moeten worden. Ons kabinet zoekt daarin naar
het goede evenwicht. Daar zullen wij op Prinsjesdag ook weer plannen
voor presenteren.
De heer Van der Lee (PRO):
Dank aan de minister voor haar inleiding. Ik ben toch nog benieuwd of
zij een kwalificatie kan geven van wat dit nou eigenlijk historisch
betekent als het gaat om een veel actiever industriebeleid. Hebben we
nou te maken met een waterscheiding, waarin wij als overheid keuzes
maken en we niet meer duizend bloemen laten bloeien maar kiezen voor
vier domeinen en voor sleutelmarkten? Is het een evolutie? Is het ook
een mentaliteitsverandering bij het ministerie, dat traditioneel altijd
voor vrijhandel vocht?
Minister Herbert:
Deze vraag van meneer Van der Lee houdt ook mij wel bezig. Ik denk dat
we in een tijdperk leven waarin het, meer dan hiervoor, nodig is om ook
als overheid richting te geven. Dat vraagt om keuzes, die lef vragen.
Dat kun je zien als ongewenste overheidsinmenging, maar ik zie het
persoonlijk zo dat het broodnodig is om ergens in te kunnen gaan
excelleren. Er zijn namelijk allerlei schaarse zaken nodig, die
aangesproken worden, of het nou gaat om talent, om geld of om ruimte,
waarbij we niet duizend bloemen kunnen laten bloeien. Daarin moeten we
de naïviteit kwijtraken van denken dat alles in een wereld van
vrijhandel wel goed gaat komen. Ik denk dat we dat in de afgelopen jaren
meer en meer ondervonden hebben. Daar passen ook het Nederlandse beleid
en het Europese beleid bij.
De heer Van der Lee (PRO):
Ik dank de minister daarvoor. Ik vind dat helder. Ook mijn partij zit op
die lijn, namelijk de lijn van het inzicht dat we in andere tijden leven
en dat we daarin zouden moeten terugvallen op onze kracht. En dat is
toch het Rijnlands model. Ik had ook verwacht dat de minister in haar
inleiding zou ingaan op mijn oproep tot een breed sociaal akkoord. Neem
werknemers hierin mee. Die hebben weinig kunnen meepraten bij het
rapport-Wennink, willen een akkoord sluiten en zijn broodnodig om die
hele brede agenda ook qua randvoorwaarden te realiseren. Erkent de
minister dat?
Minister Herbert:
Ik ben persoonlijk enorm gecharmeerd van het Rijnlands model. Ik zie ook
geen tegenstelling tussen belangen van medewerkers en belangen van
bedrijven of andere stakeholders. Ik zie vooral het belang om daarin één
richting op te bewegen en voor gezamenlijk perspectief te gaan. Ik hoor
dat overigens ook als ik in gesprek ben met allerlei soorten partijen in
het land: er is niemand die betwist dat wij onze economie moeten laten
groeien. Ik ben er dus voor om dat gesprek zo snel mogelijk aan te gaan
met alle partijen die daaraan moeten bijdragen en ik zal daar zelf ook
met veel energie aan tafel gaan zitten.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Van der Lee (PRO):
Betekent dat dat de minister zich binnen het kabinet en binnen de
taksforce inzet om te bereiken dat de gesprekken over een sociaal
akkoord van de grond kunnen komen en dat ze obstakels die er nu liggen,
wil wegnemen?
Minister Herbert:
Ik ervaar dat al mijn collega's in het kabinet dolgraag aan tafel willen
om verder te kunnen. Niemand houdt ervan om vast te zitten.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik borduur even voort op de vraag van mevrouw Keijzer. We hadden het
over het ophalen van geld, over het ophalen van kapitaal, en ook over
box 3. Klopt het dat de inzet van de minister van Economische Zaken wel
is dat we op termijn geheel overstappen naar volledige
vermogenswinstbelasting? Is dat wel de inzet van de minister van
Economische Zaken, zoals in het akkoord staat?
Minister Herbert:
Ik moet nog een beetje oefenen, voorzitter, in waar ik mijn rol en waar
ik mijn kabinetslidmaatschap vertegenwoordig. Als ik kijk naar het
belang van bedrijven, gaat het als nummer één over stabiliteit,
voorspelbaarheid, weten waar je aan toe bent. En ja, dan zeggen
bedrijven: we willen de vermogenswinstbelasting. Het kabinet heeft
daarvan ook gezegd: daar willen we uitkomen, en we moeten de route
daarnaartoe tekenen. Over hoe die route eruit gaat zien, kan ik nu geen
verdere uitspraken doen.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dat vraag ik ook niet, want we wachten op de plannen op Prinsjesdag.
Maar in het akkoord is wel afgesproken dat we overgaan naar die
volledige vermogenswinstbelasting. Ik wil alleen maar dubbelchecken of
dat nog de inzet is van deze minister van Economische Zaken namens het
bedrijfsleven.
Minister Herbert:
Ja.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik ben blij dat de minister de haven van Rotterdam noemt. De plannen
daar … Ik zie dat het daar bruist, bij het Erasmus Medisch Centrum, bij
Rotterdam Square. "Geen woorden, maar daden" willen ze daar. Ziet de
minister dat ook?
Minister Herbert:
Geen woorden, maar daden. Ja, maar ik moet even wat hulp hebben: wat is
de precieze vraag waarop ik antwoord moet geven?
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik zie dat Rotterdam best vragen heeft, dat ze daar echt meer willen. De
vraag is: gaat daarin ook geïnvesteerd worden?
Minister Herbert:
De allereerste focus in Rotterdam zit nu op het versnellen van al die
vergunningverleningen. Net in Rotterdam ligt er ontzettend veel privaat
investeringspotentieel. Bedrijven willen dolgraag doorinvesteren en
hebben daarvoor vooral allereerst een akkoord nodig. "Kunnen we hier
verder?" Dat zit 'm in vergunningen, in helderheid waar we naartoe
bewegen, de lijn in een aantal plannen. Daar zijn we allemaal nauw over
in gesprek.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Heel fijn en heel goed. De vraag is even: wordt er ook nog gekeken naar
de verdeling in het land? Rotterdam is natuurlijk een hele belangrijke,
maar er zijn vast meer plekken in het land, ook in de regio's.
Minister Herbert:
Dat is absoluut zo, omdat ik er veel belang aan hecht dat alle regio's
in Nederland perspectief hebben. Ik ben persoonlijk niet van de school
dat daarom alles eerlijk verdeeld moet worden. Ik denk namelijk dat je
ook voor winnaars op bepaalde domeinen moet kiezen. De haven in
Rotterdam heeft een unieke positie, een rol in Nederland voor de
Nederlandse economie, ook voor het achterland. Dat vraagt om
maatwerkzaken, net zoals dat voor andere regio's op andere onderdelen
geldt. Dat is de inzet die u van mij mag verwachten.
De voorzitter:
Meneer Prickaertz. En ik stel voor dat de minister daarna haar
beantwoording vervolgt.
De heer Prickaertz (PVV):
We hebben het vandaag over het rapport-Wennink. Ik heb hier niet geheel
toevallig het FD van vandaag bij mij. Daarin staat een artikel over de
Business Climate Heatmap die accountants- en adviesorganisatie PwC voor
de derde keer heeft gepubliceerd. Daarin staat het — ik zal het kort
houden, voorzitter — heel duidelijk omschreven: "Nederland verliest
geleidelijk zijn aantrekkingskracht op het bedrijfsleven. Niet door één
grote oorzaak maar door een opeenstapeling van knelpunten (…) overvolle
elektriciteitsnetten, vergunningen die niet worden verstrekt,
personeelsschaarste, woningtekorten en de stikstofcrisis. Daardoor wordt
investeren in Nederland risicovoller, duurder en minder voorspelbaar dan
in concurrerende landen. Ondernemers ervaren hier niet de ruimte om te
groeien."
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Prickaertz (PVV):
Mijn vraag aan de minister is hierop gebaseerd, want dit bewijst voor de
zoveelste keer waar we het al eerder in debatten over hebben gehad: wat
denkt de minister hier op korte termijn aan te doen?
Minister Herbert:
Het is een lijstje waarvan je kunt gaan huilen. Tegelijkertijd spreek ik
gelukkig ook bedrijven die goed kunnen benoemen wat er nog steeds zo
aantrekkelijk is aan Nederland en waarom ze in ieder geval niet een
dikke streep door Nederland zetten. Overigens zeg ik dit niet om te
relativeren. Ik zeg dit omdat ik daarmee nog beter mijn best wil doen om
juist de problemen die meneer Prickaertz noemt, te helpen oplossen. Daar
gaat nou net die hele aanpak over die vanuit de taskforce wordt opgezet.
Ik heb al verteld dat er bepaalde eerste stappen zijn gezet, met het
presenteren van een stikstofplan en met de aanpak van de
500-regelreductie die we doorzetten. Er gaat nog veel meer komen.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik snap wat de minister zegt, maar we hebben het hier al meerdere malen
over gehad. Ik vraag me echt af of de minister zich realiseert hoe
urgent deze problemen zijn. Hoelang gaan we nog wachten tot hier
werkelijk wat aan gebeurt? We kunnen op een gegeven moment door blijven
debatteren over dit soort zaken en over hoe we dat eventueel zouden
kunnen gaan oplossen, maar ik denk dat het gros van de bedrijven dan
gewoon verdwenen is of dat er niet meer geïnvesteerd wordt in het
land.
Minister Herbert:
Ik weet heel goed hoe de beslistermijnen binnen bedrijven liggen. Die
zijn kort, korter dan wat wij hier in Den Haag gewend zijn. In de zes
maanden dat ik nu in deze rol zit, doe ik erg mijn best om tempo te
maken. Daarvoor zijn een aantal dingen in de voorwas gezet, waarvan ik
hoop dat ze na Prinsjesdag volop tot uitvoering kunnen komen. En er zal
meer komen.
De voorzitter:
Dan de analyse op het rapport-Wennink.
Minister Herbert:
De analyse op het rapport, ja. Ik start met de bovenliggende vraag, die
door mevrouw Martens-America werd gepitcht. Eigenlijk bevraagt zij
waarom er zo'n summiere en late reactie komt op het rapport, dat toch zo
veel urgentie heeft. Ik denk zelf dat in het coalitieakkoord al een heel
deel van de reactie op z'n mooist is samengevat, namelijk door volledig
te erkennen waar meneer Wennink op wijst en door dat meteen op te nemen
in dat akkoord. Dat heeft ook meteen geleid tot allerlei best duidelijke
keuzes waar doorbraken in gehaald moeten worden. Daar zijn eerste
stappen voor gezet. We voelen de urgentie om ons in te zetten voor het
vestigingsklimaat heel erg. Daar wordt niet alleen in mijn taskforce aan
gewerkt, maar ook bijvoorbeeld in die waar over stikstof gesproken
wordt. Bij Prinsjesdag zullen we die verdere stappen specificeren.
Als het gaat om de route naar toekomstige welvaart, hebben meerdere
leden gevraagd hoe we de snelheid kunnen vergroten. Dat is inderdaad
iets waar ik ook naar op zoek ben. Het vraagt om lef te tonen, zelfs
daar waar je het niet altijd helemaal met elkaar over eens bent, omdat
voortgang beter is dan stilstand. Daarom ben ik er eigenlijk ook best
tevreden over dat we op het medtechvoorbeeld dat ik net noemde alvast
hebben gedurfd om een investering uit te zetten zonder dat dit voor alle
domeinen al helemaal uitgetekend was. Dat is namelijk precies het
dilemma: moet je eerst alles hebben afgewogen voordat je je eerste stap
zet? Zou dat eerlijk en rechtvaardig zijn? Of rechtvaardigt die snelheid
het dat je soms vooruitloopt op al dit soort afwegingen? Nou, we
verbouwen met de winkel open. Ik doe erg mijn best om stap voor stap
heel concrete dingen te doen. Dat voelt dan soms misschien als klein,
maar zie het iedere keer als een eerste stap voor volgende acties. Er is
om roadmaps gevraagd. Ook die heb ik zelf voor ogen. Ik denk daar in het
eerste kwartaal van volgend jaar meer duidelijkheid over te kunnen
geven.
Even kijken. Dan nog iets specifieker over die urgentie. Daar werd ook
door mevrouw Nanninga om gevraagd. Er is een heel helder doel voor mij:
1,5% structurele economische groei. Die is nodig, omdat we anders
achteruit boeren in Nederland. Eigenlijk heeft meneer Wennink gezegd dat
die 1,5% zelfs de onderkant is van wat je zou moeten beogen. Voor mij
zijn bijvoorbeeld de financieringsinitiatieven als de nationale
investeringsinstelling en het NADI — ik zal daar straks nog nader ingaan
— heel belangrijke interventies om investeringen aan te jagen. Ik weet
dat daar een van de grote sleutels zit om meer bedrijvigheid los te
maken. Nou, daar gaan we na Prinsjesdag volop mee verder. Er wordt op
dit moment ook heel goed gekeken naar concrete interventies op al die
strategische markten. Die bijlage van het rapport-Wennink, waarvan
hijzelf altijd zei dat het misschien wel het belangrijkste deel van zijn
rapport was, ligt op mijn bureau om te zorgen dat we er keuzes in maken
en vooruitgang in behalen.
Over het Rijnlands model ben ik bevraagd. Ik heb daar al wat over gezegd
in antwoord op meneer Van der Lee. Meneer Grinwis heeft verwezen naar
een motie die al bij de vorige minister lag. In mijn beleving is die
motie ook echt beantwoord in een verzamelbrief van 16 januari van dit
jaar. Daarin gaat mijn voorganger in op de verankering van het Rijnlands
model in de wetgeving, in jurisprudentie en zelfregulering. Geborgd is
bijvoorbeeld dat bestuurders en commissarissen alle belangen moeten
meewegen. Vennootschappen hebben een mate van ruimte in hoe ze dat
precies invullen. Dat past ook bij de handelsgeest van Nederland. Het is
ook fijn, omdat we daarin kunnen meebewegen met alles wat er om ons heen
verandert. Ik zie geen aanleiding om de regeldruk te vergroten door nog
meer aanvullende regelgeving in te zetten. Het is wel belangrijk dat de
dialoog tussen bestuurders en commissarissen met stakeholders goed wordt
gedaan. Dat zal ik ook overal entameren waar ik kan.
Dan ga ik door naar investeren. Ik moet even lezen, voorzitter, want er
zijn veel zaken voorbijgekomen in dit debat. Meneer Van der Lee heeft
een appel gedaan en vroeg hoe ik maatschappelijke en strategische doelen
ook centraal ga zetten daar waar er wordt geïnvesteerd, zeker als dat
met publiek geld is. Ik ben het ermee eens dat langetermijninvesteringen
en -samenwerkingen alleen nuttig kunnen zijn als er ook gerichte en
concrete doelen worden gesteld. Het is daarin wel zoeken naar dat wat je
op afstand van ons, de overheid, wilt laten gebeuren en dat waar je
richting in wilt meegeven. Voor mij zijn de vier domeinen en zes markten
het richtinggevende: het willen stimuleren van alles wat innovatieve
technologie nodig heeft om productiever en weerbaarder te worden. Het
betekent niet dat ik zelf aan de knoppen zal zitten of zou willen zitten
bij iets van bijvoorbeeld een investeringsinstelling.
Dan het Angelsaksisch model. Heb ik niet de zorg dat we bij
bezuinigingen op sociale zekerheid schieten naar een Angelsaksisch
model? Ik kijk daar zelf als volgt naar. Het allereerste doel in
Nederland zou moeten zijn om zo veel mogelijk mensen te laten meedoen,
omdat ik ervan overtuigd ben dat dit maakt dat je je een waardevol en
gewaardeerd mens kunt voelen in een bredere samenleving. Dat is
allereerst mijn inzet en insteek, met natuurlijk, daar waar dat allemaal
niet mogelijk is voor sommige van onze medeburgers, het intact houden
van een sociaalzekerheidsstelsel dat ervoor zorgt dat zij ook een
waardig bestaan kunnen leiden. Dat is voor mij een belangrijk gegeven.
Het betekent wel dat ik ook denk dat het huidige stelsel een aantal
veranderingen nodig heeft, omdat het nu niet helemaal optimaal werkt,
bijvoorbeeld omdat er bij het UWV te veel mensen te lang moeten wachten
totdat zij worden geholpen om weer te kunnen meedoen. Dat soort
knelpunten wil ik dolgraag helpen aanpakken, allemaal met als doel om
mensen te laten meedoen en onze economie sterker te maken. Op
Prinsjesdag zal het kabinet plannen presenteren. Ik heb goede hoop dat
dat een start kan zijn voor constructieve gesprekken met de sociale
partners.
Mevrouw Martens-America heeft een vraag gesteld over consumptieve
uitgaven versus investeringen. Het kabinet erkent allereerst ontzettend
het belang van investeringen. Dat is noodzakelijk voor de welvaart van
morgen. Daartoe moeten we zorgen dat mensen en bedrijven meer kunnen en
willen investeren in de economie. Er zijn verschillende definities van
"publieke investeringen". Het CBS geeft een smalle definitie, die zich
vooral richt op infrastructuur, onderzoek en ontwikkeling maar ook
wapensystemen. Zij concluderen dat de overheid zo'n 41 miljard
investeert in 2025, tegenover een overheidsconsumptie van circa 300
miljard. Een bredere definitie, dus breder dan die het CBS gebruikt, zou
bijvoorbeeld kunnen gaan over uitgaven aan onderwijs. Volgens mij had
mevrouw Martens zelf in haar opsomming een heel lijstje met veel grotere
bedragen. Die afbakening van dat soort investeringen is best wel lastig
en rekbaar. Er zijn ook geen heel goede cijfers voorhanden voor die
bredere definitie. In de Miljoenennota zal het kabinet verder ingaan op
alle investeringen die we ons voorgenomen hebben en dan zullen we dat
ook beter uitsplitsen. Ik ben ervoor dat we goed blijven kijken naar hoe
we goed blijven investeren, zodat we constructieve uitgaven op de lange
termijn kunnen blijven financieren, want daarvoor moet er eerst geld
verdiend worden.
Mevrouw Keijzer uit haar zorgen over de mogelijkheid voor ondernemers om
te investeren en bevraagt mij op het punt waarom we het eigenlijk zo
moeilijk hebben gemaakt om zelf te investeren. Ik ben het eens met
mevrouw Keijzer dat ondernemers meer ruimte moeten krijgen om te
investeren — ik geloof daar ook heel erg in — en daarvoor is het zo
belangrijk dat die randvoorwaarden beter op orde komen, in de breedte
van al die aspecten die we eerder ook al voorbij hebben horen komen.
Juist daarom zet het kabinet in op het verminderen of het aanpakken van
netcongestie, de stikstofproblematiek en al die procedures voor die
vergunningen. Dan zetten we publieke investeringen in als hefboom voor
private investeringen, wat we bijvoorbeeld nu al doen bij Invest-NL en
het Nationaal Groeifonds, en dat straks vorm krijgt door nieuwe
instrumenten.
Vanuit Volt ben ik bevraagd over eigenlijk een prikkelende uitspraak die
meneer Wennink zelf deed, namelijk over de wijze waarop wij in Nederland
begroten. Het is door meerdere Kamerleden herhaald. Ik ben het eens met
meneer Wennink dat we veel meer prioriteit moeten geven aan
investeringen en ook veel beter onderscheid moeten maken tussen
investeringen en consumptieve uitgaven. Alleen, dat betekent voor mij
niet dat we dan direct onze begrotingssystematiek moeten aanpakken, want
onze huidige begrotingsregels staan investeringen helemaal niet ten
principale in de weg. Ik denk dat we dus vooral in moeten zetten op het
wegnemen van knelpunten voor investeringen, zoals die lange
vergunningsprocedures, die netcongestie en die regeldruk, en dat is ook
precies waar we aan werken.
Voorzitter, u wilt misschien van mij weten hoeveel vragen er nog in dit
blokje zitten?
De voorzitter:
Ja.
Minister Herbert:
Ja. Er zijn namelijk ontzettend veel dingen voorbijgekomen. Even kijken:
vier, vijf, zes, zeven.
De voorzitter:
We maken dat gewoon even af en dan is er ruimte voor interrupties.
Minister Herbert:
Goed. Er zijn vragen gesteld over of we het Europese perspectief
benutten en of we investeren in een gezamenlijke toekomst. Het was een
vraag waar meneer Dassen vooral naar verwees. Ik ben het eens met meneer
Dassen dat we de economische opgave niet alleen moeten bekijken in de
Nederlandse context, maar juist ook met partners, en natuurlijk
allereerst met de partners in de Europese Unie. We benutten dat Europese
perspectief als kabinet ook actief, om te investeren in onze
gezamenlijke toekomst. Daar gaan heel veel van mijn gesprekken met
collega's in de Europese Unie ook over. Het kabinet werkt constructief
met die Europese partners en heeft de visie om het
EU-concurrentievermogen te versterken. Dat gaat dan bijvoorbeeld heel
concreet over het versterken van de interne markt, over het samen
innemen van een positie in onderzoek en innovatie, over toekomstig
industriebeleid en over de kapitaalmarkt, eigenlijk al die dingen waar
we het over gehad hebben. Ja, dat is broodnodig om als Nederland
überhaupt te overleven.
Dan de strategische symmetrie met China. Daar ben ik op bevraagd door
meneer Grinwis en het is door meerderen van u benoemd. Eigenlijk werd
daarbij de vraag voorgelegd of wij niet eigenlijk meer met eenzelfde
soort methodes moeten reageren daar waar wij voelen dat andere delen van
de wereld dat richting ons doen. Laat ik 'm dan even breder trekken: of
dat nou China of Amerika is, eigenlijk moeten we op dat punt goed
positie innemen. Ja, ik vind dat wij goed positie moeten innemen en dat
we dat vooral ook moeten doen in de Europese context, dus niet op eigen
houtje. Ik vind dat we dat ook moeten doen door niet naïef te zijn en
iedere keer opnieuw te blijven bevragen in hoeverre wij nog vast kunnen
houden aan wat zo lang ons kenmerk is geweest, namelijk onze
vrijehandelsmentaliteit en onze vrijemarktbenadering. Ik heb daar net al
wat over gezegd toen ik meneer Van der Lee antwoord gaf. Wij blijven
daarom ook oneerlijke concurrentie monitoren, ook vanuit China. Daar
hebben we echt veel aandacht voor. We proberen daarover in dialoog te
blijven, maar we proberen ook gebruik te maken van een handelsdefensief
instrumentarium, ook weer samen met Europese partners. Het klopt dat een
aantal van de dingen die in het rapport van de WRR staan en die wij
kunnen doen, weer best verstrekkende tegenmaatregelen op kunnen roepen.
Daar proberen we als kabinet goed over na te denken, zonder angstig te
worden, maar wel zelfbewust te weten waar we voor kiezen en daar ook
weer voorbereidingen op te treffen. Ik ben de eerste om te beamen dat we
in tijden leven die anders aanvoelen dan een aantal jaren geleden. We
gaan de komende maanden overigens met een uitgebreidere reactie komen op
dat WRR-rapport. Ik zal daar dan graag met uw Kamer over in gesprek
gaan.
Strategische keuzes vanuit de Europese Unie. Mevrouw Van Brenk vroeg
zich af: is het nou eigenlijk zo dat al die keuzes in de Europese Unie
vooral veel geld kosten en alleen maar teleurstelling opleveren? Nou, ik
ben daar minder pessimistisch over. Ik zie echt dat de Europese Unie een
aanjager is van investeringen in onderzoek en innovatie. Het bezoek van
meneer Macron, waar net al aan gerefereerd werd, is ook alweer een
voorbeeld van hoe we juist samen sterk kunnen zijn in die Europese
context. Er zijn allerlei Nederlandse bedrijven die goed gebruikmaken
van Europese innovatieprogramma's. Dat is iets waar wij als Nederland
juist onevenredig goed uitkomen binnen ons lidmaatschap van de EU. Door
ons te richten op die sleuteltechnologieën kunnen we ook goed mee
blijven denken over prioriteiten in Europa. Dat is belangrijk voor
Nederland en belangrijk voor heel Europa.
De Wennink-rapporten. Eigenlijk heeft mevrouw Van Brenk twee keer
benoemd hoezeer zij zich zorgen maakt over het feit dat ieder land een
eigen Wennink-rapport gaat uitvoeren. Ik denk dat wij dat hier niet
kunnen voorkomen. Wat wij wel kunnen doen, is een voorbeeld neerzetten
over hoe je goede vervolgacties daarop inzet. Daar wil ik mij hard voor
maken. Ik ben ook bereid om daar iedere keer met alle partners in de EU
goed over te blijven afstemmen, zodat we leren van elkaar.
Laatste twee, voorzitter. Mevrouw Van Brenk heeft ook gevraagd of de
regering de visie deelt dat er een fundamentele verandering van
strategie nodig is, waarbij de inzet van overheden niet centraal staat
maar faciliterend is. Ik denk dat de overheid zeker faciliterend moet
zijn. We moeten niet denken dat de overheid een bedrijf is.
Tegelijkertijd heb ik net ook betoogd dat we daar volgens mij een
actievere rol in moeten nemen in vergelijking met hoe we daar wellicht
in voorgaande jaren over dachten, omdat de wereld om ons heen vraagt om
snellere vooruitgang en dus ook meer focus en gezamenlijk oplijnen. Dat
doe ik met mijn collega's binnen het kabinet, maar ook met medeoverheden
en zo veel mogelijk samen met bedrijven. Een instituut als NARIS gaat,
denk ik, ook weer helpen om daar gezamenlijk lijnen voor uit te
zetten.
Dan het laatste punt, de verduurzaming in EU-verband. 50-PLUS vraagt of
de verduurzaming ons in de weg staat om economisch concurrerend te zijn.
Voor mij staat natuurlijk boven alles dat we economisch concurrerend
moeten zijn. Het gaat niet alleen over een economische wedstrijd. De
economie moet ook ten dienste blijven staan van een land waarin je
prettig kunt wonen en waarin sprake is van een gezamenlijke welvaart,
sociale zekerheid en leefbaarheid. Daar horen ook duurzaamheidsaspecten
bij. Voor mij zijn dat dingen die hand in hand moeten gaan. Het
Wennink-rapport gaat daar zelf ook op in. Dat onderschrijf ik.
We moeten inzetten op nichemarkten waar we goed in zijn als Nederland en
als EU. Tegelijkertijd moeten we er ook voor zorgen dat we een aantal
dingen in eigen hand houden, zodat we niet te veel afhankelijk worden
van andere delen van de wereld.
Ik sluit hierbij dit blok af.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Wij hadden de minister expliciet gevraagd naar de diversiteits- en
inclusiedoelstellingen van een eventuele nationale
investeringsinstelling. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van zo'n
instelling. Invest-NL en het Nationaal Groeifonds doen dat wel. Hoe
kijkt de minister daarnaar?
Minister Herbert:
Ik had eigenlijk bedacht om op deze specifieke vraag in te gaan bij het
blokje dat gaat over die financiële initiatieven.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dan ga ik dat rustig afwachten.
Minister Herbert:
Dan ben ik heel benieuwd.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik wil niet de verkeerde vraag stellen bij het verkeerde blokje. Dit was
toch blokje 1.
De voorzitter:
Blokje 2.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik mis een heel klein beetje het volgende. We hebben een heel uitgebreid
beschouwend verhaal gehoord. Het is fijn om van de minister te horen hoe
zij hiernaar kijkt, maar ik mis wel de heel concrete stappen. Volgens
mij zijn we aangekomen bij het moment waarop we gaan bedenken hoe we dit
gaan uitvoeren. Ik mis een heel groot stuk over de zaken die Nederland
zou moeten hervormen om een groot gedeelte van het rapport-Wennink na te
volgen. Welke rol ziet de minister voor zich als het gaat over de
talentstrategie en over de gesprekken met de polder?
Minister Herbert:
Ik herken, net zoals mevrouw Martens-America, hoe wezenlijk al die
elementen zijn voor een goed draaiende economie. Dat maakt economie ook
een lastig, maar wel interessant onderwerp. Het is niet één kleine
snipper, maar het vraagt juist om een goede samenhang tussen dingen.
Volgens mij doelt mevrouw Martens-America vooral op zaken die gaan over
werknemers, sociale wetgeving en dergelijke. U noemde ook al
talentstrategie. Mijn insteek en inzet in dezen is dat we zo veel
mogelijk mensen in staat moeten stellen om mee te kunnen doen. Dat
vraagt om hen iedere keer te blijven preppen voor de nieuwe
werkelijkheid, dus om hen nieuwe kennis te laten opdoen. Dat is een
gezamenlijke verantwoordelijkheid van zowel de bedrijven als de
overheid, waarbij de mensen ook vooral zelf het initiatief moeten kunnen
nemen en waarbij er ook een vangnet nodig is voor degenen die daarin
niet mee kunnen doen.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Met alle respect, maar dit komt by far niet in de buurt van wat ik
vraag. Het rapport-Wennink geeft heel concrete aanbevelingen. Het
kabinet heeft ervoor gekozen om niet voor chefsache te gaan. Wij hebben
vertrouwen in de minister, maar daarom willen wij wel een concrete
uitwerking van de punten die zijn aanbevolen. Dat de minister erop inzet
dat iedereen meedoet, vindt waarschijnlijk iedereen in deze zaal — ik
hoop dat we dat allemaal vinden. Maar wat gaat de minister doen om
ervoor te zorgen dat het onderwijs aansluit op de arbeidsmarkt? En
wellicht handiger voor ons: kunt u schetsen welke rol u heeft richting
uw collega's in het kabinet en met welk mandaat u hier spreekt, zodat
wij weten welke debatten wij waar moeten voeren?
De voorzitter:
Met "u" spreekt u alleen tegen de voorzitter.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik zal het niet meer doen, voorzitter.
Minister Herbert:
Dat blijft ook voor mij uitdagend, voorzitter.
Mevrouw Martens-America vraagt eigenlijk naar de volgende stappen in het
kader van de Talentstrategie die voor de zomer is uitgezet. Die gaan
natuurlijk keurig uitgewerkt worden in een plan. Daar zal mijn collega,
de minister van OCW, uw Kamer over informeren. Wij hebben daar een
gezamenlijk gesprek over in de taskforce.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Maar dan gaan we de ontschotting die Wennink aanbeveelt natuurlijk niet
tegen, want het gaat erom dat volgens mij de minister van Economische
Zaken regie heeft op de uitvoering van het plan-Wennink. Dan kan het
niet zo zijn dat er via een andere minister weer een brief naar de
collega's gaat. We zoeken regie. Mijn vraag hier — misschien kunt u die
meenemen in uw tweede termijn — is hoe we ervoor gaan zorgen dat de
commissie Economische Zaken op de hoogte blijft van alle plannen die
naar de Kamer worden gestuurd, om te zorgen dat we die ook integraal
kunnen bekijken. Op dit moment heb ik namelijk geen idee wie waarmee
bezig is.
Minister Herbert:
Het spijt mij om dat te horen, omdat we, bijvoorbeeld in de brief die
voor de zomer nog verstuurd is, juist iedere keer de samenhang vanuit de
taskforces en zo proberen te duiden. Daar zal ik anders vanaf nu nog
beter mijn best voor gaan doen. Ik stuur er in mijn rol als coördinerend
bewindspersoon in de taskforce juist op om bijvoorbeeld de
talentstrategie een-op-een te laten aansluiten op de keuze voor de vier
domeinen. Dat is iets waarbij wij samen naar dezelfde doelen werken, met
als hoogste doel die 1,5% economische groei. Ik hoor de suggestie van
mevrouw Martens-America om hier toch nog een specifieker antwoord op te
geven in tweede termijn. Als dat nodig is, dan zal ik dat doen.
De heer Flach (SGP):
Even over financieringen in het publieke domein. De minister ging daar
vrij kort en snel overheen in haar antwoord door te zeggen: ons huidige
stelsel zit investeringen eigenlijk niet in de weg. Ik ben helemaal niet
per se op zoek naar een technische aanpassing van onze
begrotingssystematiek, maar ik vind de aanbeveling in hoofdstuk 5 heel
belangwekkend. Daarin wordt eigenlijk gezegd dat investeringen worden
afgeremd door de manier waarop wij met onze begroting omgaan. Het is dus
wel degelijk een serieus probleem. Zonder dat je aan de techniek moet
zitten, moet het mogelijk zijn om minder te sturen op consumptieve
uitgaven en minder met koopkrachtplaatjes en lastendrukplaatjes bezig te
zijn en veel meer bezig te zijn met de maatschappelijke
langetermijnbaten. Dat zal leiden tot investeringstoename. Is de
minister dat met mij eens?
Minister Herbert:
Ik ben het ermee eens dat iedereen die wil investeren, daarvoor een
langetermijnvisie neerzet. Dat geldt voor bedrijven, maar overigens ook
voor andere investeringsfondsen. Die hebben soms nodig dat de overheid
laat zien hoe die daar een soort basis voor kan neerleggen. Zou de
overheid zelf daarmee de begrotingssystematiek moeten aanpassen? Ik denk
dat meneer Flach daarop wijst. Dat is een stap die voor mij te snel
gaat. Het is wel degelijk bewust zo dat er bijvoorbeeld voor het NADI
gezegd is: goh, dat zou niet meteen revolverend zou moeten zijn, want
daarmee sla je alle lucht uit innovatie.
De heer Flach (SGP):
Ik ben niet op zoek naar systematiekdiscussies. Dit is niet helemaal wat
ik bedoel. Mij gaat het erom dat we hier elk jaar bij de begroting
discussiëren over 0,1% koopkracht — begrijp me niet verkeerd: dat is
allemaal prima — en lastendruk voor nu of misschien volgend jaar, maar
dat we nauwelijks ooit kijken naar langetermijneffecten. Dat doen we wel
bij het doorrekenen van verkiezingsprogramma's. Maar dan nog worden er
allerlei beperkingen meegegeven waardoor je echte investeringen in de
toekomst, die pas over tien of twintig jaar rendement opleveren,
nauwelijks kunt wegschrijven in een begroting. Dat adresseert Wennink
hier als een serieus probleem. Hij suggereert ook: ga investeringen en
consumptieve uitgaven nou anders waarderen in je begroting of doe dat
naast je begroting en geef een beoordelingskader. Daar kleven allerlei
financiële bezwaren aan; dat snap ik.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Flach (SGP):
Hoe kijkt de minister naar de aanbevelingen in paragraaf 5.2 van het
rapport?
Minister Herbert:
Ik stel voor dat ik hier in tweede termijn even op terugkom, want dan
wil ik even iets preciezer kijken naar waar meneer Flach naar
verwijst.
De heer Van der Lee (PRO):
Het gaat over heel veel onderwerpen; dat snap ik. Ik kom even terug op
de beantwoording over maatschappelijke en strategische doelen. Mijn punt
is namelijk dat ik overkoepelend hoor: 1,5% is ons doel. Nou vind ik dat
op zich legitiem, maar ik vind het niet een doel op zich. We willen
namelijk groeien om maatschappelijke en strategische vraagstukken op te
lossen. Is het nou zo dat in de uitwerking van de vier domeinen of in de
zes uitvoeringsprogramma's ook meer wordt ingevuld welke doelen,
maatschappelijk of strategisch, het kabinet wil bereiken? Anders kunnen
we namelijk alleen maar controleren op een macrocijfer en niet op het
niveau van domeinen en programma's.
Minister Herbert:
Het korte antwoord op de vraag van meneer Van der Lee is nee. Het is
inderdaad zo dat economische groei het doel is bij die domeinen, maar
dat de domeinen in zichzelf wel geselecteerd zijn op maatschappelijke
relevantie en de noodzaak om weerbaar te zijn. Ja, we hebben daarin weer
losse doelen, maar die koppel ik niet rechtstreeks aan eisen voor
bedrijven die bijvoorbeeld steun zouden moeten kunnen krijgen bij een
investeringsinstelling. Overigens ben ik niet van plan om daar zelf
keuzes in te maken.
De heer Van der Lee (PRO):
We gaan hier vast in de toekomst nog over praten, maar ik vind dat wat
vaag, ook voor de Kamer. We kunnen dan niet op het niveau van domein of
uitvoeringsprogramma controleren of die mate van — noem het maar zo —
weerbaarheid is bereikt, omdat niet is geformuleerd wat nou eigenlijk
het doel is. Dus ik zou de minister echt willen oproepen om dit toch wat
meer in te vullen, zodat we niet alleen over de macrocijfers praten,
waaraan van alles en nog wat is toe te schrijven en die onderuit kunnen
worden gehaald door een oorlog elders op de wereld, en ook wij kunnen
toezien op een adequate uitvoering en af en toe de agenda kunnen
bijsturen.
Minister Herbert:
Ik denk dat ik het helemaal eens ben met de heer Van der Lee dat er
natuurlijk doelstellingen moeten zijn waar het gaat over onze
weerbaarheid. Daar ben ik het dus mee eens, en ook op een heleboel
andere maatschappelijke onderwerpen. Waarover wij misschien van mening
verschillen, is of dat het keuzecriterium gaat zijn voor welke
industrieën meer specifieke opdrachten moeten krijgen. Daar wil ik in
mijn rol van minister niet op sturen.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Van der Lee (PRO):
Dan komen we denk ik tot elkaar. Ik bedoel, dat wil ik ook niet, dus dat
vraag ik dan ook niet aan de minister. Maar er wordt een
uitvoeringsprogramma gemaakt, met zes markten en vier domeinen.
Daarbinnen wil je wel iets bereiken, maatschappelijk of strategisch. Dat
moet op een bepaalde manier meetbaar zijn, en niet alleen aan de
macrogroeicijfers, die over de hele economie gaan. Ik hoop dat we elkaar
daar in een later stadium ook op kunnen vinden.
Minister Herbert:
Ja.
De heer Dassen (Volt):
De minister zegt: ja. Ik had hier ook een vraag over, omdat ik hier ook
een vraag over had gesteld. Ik ben dan wel benieuwd naar wat de
indicatoren zijn waaraan de minister denkt voor hoe je kunt monitoren of
een programma succesvol is of moet worden bijgestuurd. Dat is volgens
mij wat de heer Van der Lee vraagt. Ik ben dus even benieuwd of hierover
daadwerkelijk overeenstemming is, of dat de minister met "ja" zei dat ze
er nog eens over na zou gaan denken. Dus: aan welke indicatoren denkt de
minister en hoe gaan wij dat als Kamer kunnen controleren?
Minister Herbert:
Het is zo dat deze indicatoren nu nog niet afgestemd zijn. Maar ik zou
mij kunnen voorstellen dat, als ik met uw Kamer in gesprek ga over de
wijze waarop we voortgang behalen in die vier domeinen en zes markten,
waarvan ik net al heb gezegd dat ik me kan voorstellen dat we dat in Q1
van volgend jaar doen, dit bij dat gesprek zou kunnen behoren.
De heer Dassen (Volt):
Dus als ik het goed begrijp, dan komt de minister in Q1 met een voorstel
met de indicatoren waarvan zij denkt dat, als wij deze programma's
succesvol willen doorlopen, zij daarnaar gaat kijken om te zien of we
het ook daadwerkelijk behalen; en dat we, als deze indicatoren rood
uitslaan, of groen, slecht bezig zijn, of goed, en dat ze dan weet hoe
ze moet bijsturen.
Minister Herbert:
Meneer Dassen vult het hiermee vrij specifiek in. Ik wil graag nog wat
ruimte voelen om daar mijn eigen vorm aan te geven. Maar ook ik hecht er
heel erg aan om de effectiviteit van het ingrijpen te kunnen toetsen.
Dat is allereerst op of het lukt om met de eerste interventies een
vliegwiel aan het draaien te krijgen waardoor er vooruitgang zit in een
bepaald domein, en waarbij de heer Dassen en de heer Van der Lee dat
aanvullen met kwalitatieve criteria die passen bij die domeinen. En daar
wil ik mij op beraden.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Dassen (Volt):
Dan kom ik daar graag op een later moment op terug. Wat betreft de
begrotingssystematiek begrijp ik dat u daar in tweede termijn
uitgebreider op gaat terugkomen.
Minister Herbert:
Ja, alhoewel meneer Flach zei — volgens mij was hij degene die dat zei —
dat het hem niet zozeer gaat om de systematiek. Eigenlijk wilde ik
aansluiten bij de vraag van de heer Flach, die verwees naar hoofdstuk 5,
punt 2 — dat zei hij volgens mij — om daarop terug te komen.
De voorzitter:
Nu mevrouw Bühler en mevrouw Keijzer. Daarna zou ik eigenlijk weer
verder willen gaan met de beantwoording van de minister. Mevrouw
Bühler.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank aan de minister voor de antwoorden. Het is een groot debat, met
veel onderwerpen. Ik houd heel erg van praktisch. En ik vind het heel
mooi dat de minister het heeft over investeringen aanjagen. U gaf het
voorbeeld van de netwerkinterventie. Dat is mooi, want u gaat
interveniëren waar de energie zit en u kijkt waar de grootste hefboom
zit. Ik vraag me dan af of de minister ook de innovatiekracht van het
mkb daarin meeneemt, dat ook produceert en levert.
Minister Herbert:
Ik ben ervan overtuigd dat het mkb een ontzettend cruciale rol heeft in
juist de ecosystemen die goed moeten draaien. Daar is door meerderen van
u aan gerefereerd. ASML zou niet succesvol kunnen zijn zonder juist een
enorm netwerk van mkb-bedrijven. Dus ja, ik zie dat als een samenhangend
geheel.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik heb nog een vraag. We hebben het ook vaak over regionale
activiteiten. Daar is net ook al door de heer Flach aan gerefereerd. PBL
heeft een mooi rapport geschreven. Neemt u ook de lessen mee die uit dat
rapport komen, evenals de inrichting van de regionale overlegtafels?
Minister Herbert:
Ik ben even overvraagd als het gaat om wat er specifiek in dat rapport
staat, dus daar wil ik me dan eventjes in kunnen verdiepen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Of het nou komt door de luchtkwaliteit hier of door de antwoorden van de
minister, maar bij mij loopt inmiddels alle energie eruit. Ik hoor de
minister praten over systemen en rapporten, maar op geen enkele concrete
vraag komt er een antwoord. Dat zou kunnen komen doordat deze minister
feitelijk niet gaat over de randvoorwaarden die nodig zijn om dit land
weer ondernemend te krijgen. Ik ga toch een poging wagen, even concreet,
...
De voorzitter:
Eén vraag.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
… hoewel ik begrijp dat dit onderwerp ook is overgelaten aan
staatssecretaris Van der Burg.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Mijn vraag gaat over de deregulering. Het is niet gelukt om de 500
regels te schrappen. Toch blijft de ambitie staan. Hoeveel gaat de
minister er schrappen voordat het Prinsjesdag is?
Minister Herbert:
Ik denk niet dat het zinnig is om op deze vraag antwoord te geven. Ik
begrijp overigens wel heel goed de portee van de vraag van mevrouw
Keijzer. Het klopt dat de 500-regelaanpak, zoals die vorig jaar al is
gestart bij Economische Zaken, in het coalitieakkoord gewoon opnieuw een
plek heeft gekregen. Kan ik in mijn rol als minister van Economische
Zaken regels schrappen voor bedrijven? Heel vaak niet, omdat dat bij
andere departementen in eigenaarschap is. Ik doe er wel elke dag mijn
best voor en ik heb beloofd dat ik er, na de 403 regels die aangewezen
zijn sinds we vorig jaar september zijn gestart, richting 1 juli volgend
jaar opnieuw 250 ga laten schrappen, of ze in ieder geval ga aanwijzen
zodat ze geschrapt of vereenvoudigd kunnen worden. Dat kan ik niet
allemaal zelf doen, maar dat kan ik wel aanjagen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Klopt het dat de heer Van der Burg, de staatssecretaris van BZK, daar
feitelijk voor verantwoordelijk is? Als dat zo is, heeft deze minister
dan elke week een gesprek met hem daarover?
Minister Herbert:
Ik heb daar inderdaad deze week nog met meneer Van der Burg over
gesproken. Het klopt dat hij verantwoordelijk is voor de totaalaanpak
van de 500 regels, die zowel voor bedrijven als voor burgers verlichting
moet geven. Ik voel mij daarin verantwoordelijk voor de 250 regels die
voor bedrijven zijn aangewezen om te versimpelen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Het is fijn als je jezelf verantwoordelijk voelt, maar als je het niet
bént, kom je niet verder. Wat zijn de overwegingen geweest om dat af te
staan aan deze staatssecretaris? Welke regel is dan in het gesprek van
deze week geschrapt? Of beter gezegd: welke regels zijn er deze week
geschrapt? Je zult er immers elke week meerdere moeten schrappen, wil je
deze aantallen halen.
Minister Herbert:
Eerst even over wat de reden is geweest om dat af te staan. Het is
gewoon een keuze geweest in het coalitieakkoord om dit daar neer te
leggen. We hebben zelfs een Ministeriële Taskforce Slagvaardige
Overheid, waarin dit onderdeel van de aanpak is. Ik blijf mij
onverminderd inzetten voor het verminderen van regeldruk voor bedrijven.
De lijst die ik van mevrouw Nanninga heb gekregen, is bijvoorbeeld een
heel concrete; ik kijk regelmatig hoe het daarmee gaat. Daar staan
zestien regels in, zoals de bijschrijfplicht in de horeca, en zo kan ik
er nog een aantal noemen.
De voorzitter:
De heer Grinwis en mevrouw Van den Brink zijn als interrumpanten
aangeschoven in de rij. Eigenlijk had ik gezegd dat we voort zouden gaan
met de beantwoording van de minister. Ik wil het voor nu toestaan, maar
daarna moeten we echt even meters gaan maken, want de zaal is vanavond
ook voor andere debatten geboekt, dus dan gaan we weer even meters
maken. Meneer Grinwis, kort en bondig.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, ik ben u erkentelijk en ik zou ook niks kritisch durven
zeggen over de atmosfeer hier. Er is natuurlijk altijd het risico dat de
zuurgraad wordt overschreden.
De voorzitter:
Bij mij niet, hoor. U kent mij.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nee, bij mij ook niet. Zo is dat, voorzitter.
Ik heb een vraag. Ik ben blij dat de minister antwoord gaf op de vraag
waarin ik refereerde aan een ander rapport dan dat van Wennink, namelijk
het rapport Strategisch handelen, van het eerbiedwaardige instituut WRR,
maar ik merkte aan het antwoord dat de minister nog zoekende is. Hoe
gaan we om met die nieuwe blokken graniet, waarmee we als Europese Unie
en Nederlandse economie te maken hebben? Dan heb ik het niet alleen over
Amerika, maar ook over China.
De voorzitter:
Uw vraag graag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De minister zei dat ze met een kabinetsreactie komt op het WRR-rapport.
Voor wat we gewend zijn van de WRR vind ik het een buitengewoon urgent
en ook concreet rapport, maar dat vereist dan ook een concrete
beleidsreactie. De uitdaging voor de minister is dan: wanneer komt de
minister/het kabinet met een kabinetsreactie? Is dat nog voor de
begrotingsbehandeling van EZ? Dat zou mooi zijn.
Ten tweede daag ik de minister uit om zo concreet mogelijk te worden,
want het is echt urgent. De wereld zoals we die kenden bestaat niet
meer. Durf buiten bestaande kaders te denken. Nu de wereld fundamenteel
is veranderd, is het van belang om ingesleten posities op het gebied van
handelsbeleid, industriebeleid, overheidsregie en competitie te
heroverwegen. Dan is het fijn als het kabinet het niet alleen
constateert, maar ook durft.
De voorzitter:
Deze interruptie duurde anderhalve minuut. De minister.
Minister Herbert:
Ja, ik herken die urgentie. Het lef waar meneer Grinwis om vraagt, is
precies wat ik eerder ook al noemde. Gaat het me lukken voor de
begrotingsbehandeling? Nee. Dit gaat om een afgestemde kabinetsreactie
vragen. Dus daar zal iets meer tijd voor nodig zijn, maar ik zal het
zeker met urgentie blijven aanjagen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De minister had het in haar reactie over een aantal negatieve punten. We
hebben twintig jaar geleden een keuze gemaakt voor klimaat en dat is
niet gelukt. We zijn daarin geen leader geworden. De vraag was: welke
lessen hebben we daarvan geleerd? We gaan nu weer nieuwe plannen
bedenken of aanwijzen. Wat hebben we ervan geleerd dat we het de vorige
keer niet goed hebben gedaan?
Minister Herbert:
Ik kan hier niet uit mijn hoofd wat dingen noemen. Ik zou mij er meer in
moeten verdiepen welke lessen daar expliciet geleerd zijn. Ik denk
overigens dat dit vooral zit bij de minister van KGG.
De voorzitter:
De minister vervolgt met de beantwoording over de randvoorwaarden.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Nou, voorzitter, echt …
De voorzitter:
Een vervolgvraag, mevrouw Van Brenk?
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik vind inderdaad dat dit toch wel heel treurig is. Ik zou eigenlijk
willen vragen aan de minister of ze in tweede instantie misschien een
poging kan doen om te zeggen: wij hebben de batterij aan Tesla verloren
en we zijn de windmolens en de zonnecellen allemaal aan China
kwijtgeraakt; we moeten daar toch van leren. We maken nu nieuwe keuzes
en straks gaan we weer dezelfde fouten maken. Dat is wat ik vraag.
Minister Herbert:
Eigenlijk gaat alles waar we het vandaag over hebben over de vraag hoe
we zuiniger zijn op de unieke kennis die we in ons land hebben en hoe we
die uitbouwen tot een succesvolle sterke economie, die ook nog eens onze
weerbaarheid vergroot. Alle adviezen daarover die ik lees in het
rapport-Wennink proberen we zo goed mogelijk opvolging te geven. Daar
hebben we het over gehad. Ik zie dat als onze reflectie op alles wat we
hebben kunnen leren in het verleden.
De voorzitter:
De minister vervolgt haar beantwoording over de randvoorwaarden.
Minister Herbert:
Ik ga proberen te filteren, want ik merk dat we vastlopen als ik
allemaal losse vragen ga beantwoorden. In het blokje randvoorwaarden
hebben we het gehad over een sociaal akkoord. Meneer Dijk heeft
specifiek gevraagd naar de motie die is ingediend over het
collectiviseren van de loonbetaling in het tweede jaar. Als ik specifiek
inga op dat onderwerp, dan zie ik dat het natuurlijk enerzijds een
effectief instrument is om ziekte te voorkomen en solidariteit te
waarborgen, maar anderzijds is die periode van twee jaar in
internationale context ontzettend lang. Ik weet dat na Nederland
Duitsland het eerstvolgende land is, met zes weken loondoorbetaling.
Zoals eerder aangekondigd en ook opgenomen in het coalitieakkoord,
willen we kijken hoe we dit totaal kunnen hervormen, leidend tot minder
mensen die ziek worden, maar die wel kunnen blijven rekenen op steun.
Nog voor Prinsjesdag zal de minister van Werk en Participatie een brief
met uw Kamer delen waarin hij scenario's schetst over hoe om te gaan met
loondoorbetaling bij ziekte. Daarin wordt ook de motie-Dijk/Yeşilgöz
meegenomen. Daarna gaat het kabinet graag in gesprek met uw Kamer en
sociale partners om te komen tot een stap vooruit op dit punt.
Ik weet dat mevrouw Martens-America eerder heeft gevraagd naar de
concrete vervolgstappen op de talentstrategie. Zij vroeg wat wij kunnen
verwachten en op welke termijn. In de komende maanden gaan de concrete
akkoorden opgesteld worden met betrokken partijen. Zo gaat er onder
andere met onderwijsveldwerkgevers en andere belanghebbenden een plan
komen om de instroom van technische opleidingen te verhogen. Dit najaar
komt de minister van Sociale Zaken met een nadere verkenning naar de
pilot vakkrachten. Die pilot wordt gebruikt om via gerichte
arbeidsmigratie tijdelijk goed geschoolde vakkrachten aan te trekken.
Samen met bedrijven wordt de behoefte daaraan verder in kaart gebracht.
De minister van Sociale Zaken informeert de Kamer uiterlijk volgend
voorjaar ook over de LLO-regeling, die ziet op scholing van mensen
richting kansrijke sectoren vanuit die talentstrategie. Ik hoop dat dit
de vervolgstappen duidelijk schetst.
Er is vanuit de SP op allerlei manieren besproken hoe we voorkomen dat
we in een race to the bottom terechtkomen. Het is gewoon wel een
werkelijkheid dat bedrijven en investeerders voortdurend de afweging
maken: ga ik nou in Nederland, ergens anders in de EU of nog daarbuiten
investeren? Fiscaliteit is een van de factoren die daarin meewegen, maar
er zijn nog heel veel andere factoren, bijvoorbeeld ook of er talent
aanwezig is en of er ruimte is qua infrastructuur. Daarom zetten we in
Europa in op internationale coördinatie op die fiscaliteit. Dat doen we
eigenlijk juist om te voorkomen dat we te veel concurreren daarin.
Nederland kent verschillende belastingen die direct en indirect gedragen
worden door ondernemingen. De overheid zorgt er met ons belastingstelsel
en de herverdeling voor dat die baten van investeringen en bedrijvigheid
in algemene zin breed gedeeld worden en helpen om publieke voorzieningen
in stand te houden. We zullen die verdeling echt goed in de gaten
houden. Bijvoorbeeld als het gaat om Invest-NL is dat ook iets waar de
overheid meedeelt in de lusten.
Hoe gaan wij het vertrouwen terugwinnen? Ja. Is het voor stabiliteit en
contracten met het bedrijfsleven een idee om te kijken of we de
beleidsrisico's van het bedrijfsleven beter kunnen afdekken, vroeg de
heer Grinwis. Ik ken de roep van bedrijven heel goed en weet hoezeer zij
hechten aan stabiliteit en voorspelbaarheid in beleid. Ik snap zelfs dat
daarin soms de stap gemaakt wordt: kunnen we daar ook een contractje
onder leggen en afrekenen als een van beiden het contract verbreekt?
Tegelijkertijd denk ik dat het niet reëel is om te denken dat de wereld
om ons heen onveranderlijk blijft en dat het ook niet slim en verstandig
is om met belastingcenten contracten af te sluiten die hierover gaan.
Dat betekent niet dat ik daarmee denk: we kunnen elk jaar wel van alles
veranderen. Dat wil ik niet. Ik wil dus samen met u mij er hard voor
maken dat we voorspelbaar blijven, zonder dat in contracten vast te
leggen.
Over nettarieven is ook door meneer Grinwis gezegd: wat moeten we toch
veel betalen voor de nettarieven; hoe gaat de minister de
energie-envelop uit het coalitieakkoord invullen? Het kabinet deelt de
zorgen over de relatief hoge nettarieven voor de energie-intensieve
industrie. Daar gaat het ook best vaak over. We hebben het er dan over
dat het de concurrentiepositie ondergraaft en elektrificatie belemmert.
Dat is ook de precies de reden dat het kabinet significante middelen
heeft vrijgemaakt om elektriciteitskosten te verlagen, bijvoorbeeld in
die envelop waar meneer Grinwis naar verwees. In de afgelopen maanden
heeft het kabinet verschillende bestedingsopties onderzocht, onder
andere gericht op het verlagen van de netkosten voor de industrie. Dit
najaar informeert de minister van Klimaat en Groene Groei u via een
brief over de uitkomsten van deze analyse. Het kabinet is van plan om
volgend voorjaar een besluit te nemen over de middelen in die
envelop.
Moeten we de mobiliteitsinfrastructuur niet op dezelfde manier als
randvoorwaarde zien als bijvoorbeeld de energienetinfrastructuur? Ja.
Dat was onder anderen een vraag van de heer Vermeer. Ik herken dat
mobiliteit ontzettend belangrijk is voor de economie. Dat speelt in de
haven en dat speelt bij Schiphol, maar dat speelt in alle delen van het
land. Dat is dus een belangrijke randvoorwaarde. Het is ook niet voor
niks dat mijn collega van IenW in die taskforce voor dat toekomstige
verdienvermogen zit. Die is ook bezig om de prioritering van de
investeringen te ordenen en daarin de basis weer op orde te krijgen. Wij
zijn vanuit Economische Zaken nauw betrokken daarbij en brengen daarbij
dus ook het economische perspectief in.
Dan heeft meneer Flach mij gevraagd: zou je boeren eigenlijk ook niet
vooral als onderdeel van de oplossingen moeten zien in plaats van als
het probleem als het gaat om stikstof? Dat zie ik inderdaad ook zo. Ik
denk dat dat ook wordt geïllustreerd door het pakket dat het kabinet in
juni heeft gepresenteerd. Daarmee komt er weer ruimte voor
vergunningverlening. We moeten die maatregelen uit dat pakket natuurlijk
nog wel borgen in wet- en regelgeving. Daar zal de agrarische sector ook
een belangrijk aandeel in hebben, onder andere door emissiereducerende
maatregelen te nemen. Ik weet hoe vaak dat al gebeurt bij allerlei
agrarische ondernemingen. Het kabinet vindt en draagt ook uit dat niet
alleen de boeren daarvoor staan, maar dat het kabinet daar veel steun
aan moet geven. Ik hoop dat mensen dat ook herkennen in dat pakket. Dan
heeft mevrouw Oualhadj gevraagd naar de fysieke experimenteerruimte, de
regulatory sandboxes. Ik herken de uitdagingen die mevrouw Oualhadj
schetst en ik hou er ook heel erg van om daar juist op door te zetten,
om te zoeken naar plekken waar we even kunnen experimenteren buiten de
bestaande regels om. TNO onderzoekt in het kader van het
3%-R&D-actieplan welke specifieke experimenteerruimtes we het beste
kunnen inrichten. Daarover zal ik de Kamer later dit jaar
informeren.
Over de 500 regels hebben we het gehad. Het is nog niet helemaal
opgelost, maar ik heb daarvan gezegd dat de Taskforce Slagvaardige
Overheid daar in ieder geval de lead in heeft.
Dan AI-rekenkracht. Daar zijn meerdere vragen over gesteld, onder andere
door meneer Dassen en mevrouw Martens-America. Ik zie dat de Europese
cloud- en rekeninfrastructuur sterk wordt gedomineerd door Amerikaanse
hyperscalers. Die beperkte toegang voor Europese bedrijven is daarin
echt wel een reëel knelpunt. Wat het kabinet wil doen, is de digitale
open strategische autonomie van Nederland en de EU versterken. Daarom
zetten we in op de uitbreiding van de Europese rekeninfrastructuur,
onder meer via AI-fabrieken, AI-gigafabrieken en de voorgestelde Cloud
and AI Development Act. Het is geen kabinetsambitie om niet-Europese
aanbieders van de Nederlandse markt te weren. Wij denken dat juist de
aanwezigheid van die spelers wel degelijk kan bijdragen aan onze
economie en digitale infrastructuur. We moeten ook hier weer niet naïef
zijn. Geopolitieke ontwikkelingen onderstrepen ook echt het belang van
die Europese autonomie. In lijn met de motie-El Boujdaini c.s. verkent
het kabinet daarom of en hoe bij vergunningverlening voor datacentra het
vergroten van Europees-autonome datacentercapaciteit kan worden
gestimuleerd. De uitkomsten worden meegenomen in een geïntegreerde
nationale aanpak voor datacenters. Die wordt naar verwachting dit najaar
gedeeld met de Kamer. Op Europees niveau wordt ook gewerkt aan een
EuroHPC Joint Undertaking. Dat is een Europees publiek-privaat
partnership dat middelen bundelt om Europa wereldwijd koploper te maken
in supercomputing, quantum computing en AI-infrastructuren. Via dat
Europese samenwerkingsverband wordt de beschikbare rekenkracht voor AI
fors opgeschaald en ook toegankelijk gemaakt voor Europese bedrijven,
kennisinstellingen en andere partijen. Dat gebeurt onder meer via het
netwerk van AI-fabrieken. Die AI-fabriek in Groningen is daar weer een
element in. Daarnaast wordt ook op Europees niveau rekenkracht ingekocht
bij toekomstige AI-gigafabrieken. Nederlandse bedrijven kunnen via die
EuroHPC-regelingen toegang krijgen tot deze Europese rekenkracht.
Daarmee zorgen we ervoor dat de extra capaciteit niet alleen in Europa
wordt gebouwd, maar ook daadwerkelijk beschikbaar komt voor Europese
gebruikers.
Dan vraagt meneer Dassen of ik erken dat er niet genoeg contracten op IT
gesloten worden met Europese aanbieders. Dit onderwerp valt binnen het
terrein van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Voor vragen over IT-inkoop door de overheid verwijs
ik daarom graag naar de collega-staatssecretaris die hiervoor
verantwoordelijk is.
Dan vraagt mevrouw Martens-America of we een beetje vooruit kunnen
kijken in de rekensom van de rekenkracht die we in de toekomst nodig
hebben, om te voorkomen dat we achter de feiten aan blijven lopen. Ja,
conform de motie van het lid Kathmann is het kabinet voornemens om in Q1
van 2027 te komen tot scenario's voor de ruimte en rekenkracht die nodig
is voor een strategische positionering van Nederland op het gebied van
AI.
Het laatste punt: de sandboxes, eigenlijk nog een vraag van mevrouw
Oualhadj, ook weer sandboxes op het gebied van AI-systemen. Ik ben daar
voorstander van, ook voor innovatieve AI-toepassingen. Het is vooral
belangrijk om daarin ook een rol te geven aan toezichthouders: hoe
moeten zij zich verhouden tot die AI-toepassingen? De AP en RDI zijn als
coördinerend toezichthouders voornemens om dit najaar te starten met een
eerste vorm van een AI-sandbox. Zolang de toezichthouders nog niet
formeel zijn aangewezen, zijn hun bevoegdheden in die sandbox echter nog
beperkt.
Voorzitter. Misschien moet ik het hier even bij laten.
De voorzitter:
Dat was randvoorwaarden.
Minister Herbert:
Dit was randvoorwaarden.
De voorzitter:
De heer Dassen staat te popelen. Gaat uw gang.
De heer Dassen (Volt):
Het gaat over AI, en volgens mij is dat een van de grootste drijvers
achter welvaart en concurrentievermogen, en lopen wij daar als Europese
Unie onwijs ver op achter. Als ik kijk naar de beantwoording van de
minister, denk ik dat we onszelf wel wat meer zorgen mogen maken over
hoe we onze eigen Europese infrastructuur gaan opbouwen en hoe we ervoor
zorgen dat die Europese bedrijven daadwerkelijk kunnen gaan concurreren
met die Amerikaanse bedrijven. Want de minister zegt: ik ga ze niet
weren. Dat begrijp ik, maar tegelijkertijd zien we dat de investeringen
die Europese bedrijven kunnen doen, gewoon verbleken bij de
investeringen die de Amerikaanse techbedrijven kunnen doen. Dus hoe gaan
we dat speelveld dan gelijktrekken?
Minister Herbert:
Daar schetst de heer Dassen iets … Ik zie absoluut hetzelfde. Ik denk
dat we niet kunnen gaan concurreren met de mate van investeringen in
bepaalde andere delen van de wereld. Ik denk ook dat we onszelf dus op
een aantal zaken iets beter moeten beschermen, dat we daar een aantal
afspraken over moeten maken en dat we goed moeten kijken naar de niches
waarin wij onderscheidend kunnen zijn. Dit is het niveau waarop ik
hierop antwoord kan geven.
De heer Dassen (Volt):
Dat vind ik wel onvoldoende en ik hoop dat de minister dat begrijpt. De
snelheid waarmee AI zich nu ontwikkelt is immens. Ik denk dat ook
Wennink dat in zijn rapport duidelijk schetst, evenals de
afhankelijkheid die we op dat gebied hebben van de Verenigde Staten en
de gigantische kracht waarmee daar nu geïnvesteerd wordt. Ik weet het:
het zijn Amerikanen, dus je weet ook niet of die bubbel een keer gaat
barsten. Tegelijkertijd ben ik wel zoekende hoe wij dan die
infrastructuur gaan bouwen. En hoe gaan we zorgen dat Europese bedrijven
ook die groeipotentie krijgen?
Minister Herbert:
Er is in de Europese context ook een plan voor hoe we met
giga-AI-fabrieken zorgen dat we grote rekenkracht beschikbaar krijgen,
hoe we daarop eigen bouw kunnen doorzetten. Een bedrijf zoals Mistral
die interesse heeft in Groningen om daar verder te gaan ontwikkelen, dat
zijn allemaal mooie initiatieven. Ik begrijp heel goed dat de urgentie
van de vraag van meneer Dassen eigenlijk veel groter is, van: is dit
genoeg om onszelf te beschermen of in positie te blijven in het
wereldwijde veld? Ik stel voor dat ik hierop in tweede termijn nog even
terugkom voor een vervolg.
De voorzitter:
Meneer Dassen, tot slot.
De heer Dassen (Volt):
Dan even specifiek over die rekenkracht. Een van de zorgen die wij horen
uit bedrijven uit Europa, waaronder Mistral, is dat zij zeggen: de
manier waarop dat nu wordt ingericht, is juist koren op de molen van de
Amerikaanse bedrijven en dat zorgt er uiteindelijk voor dat wij dadelijk
nog steeds niet de mogelijkheid hebben om die rekenkracht die we nodig
hebben, te gaan gebruiken. Ik denk dat we echt kritisch moeten kijken
naar hoe we rekenkracht beschikbaar gaan stellen aan Europese bedrijven,
zodat die kunnen opschalen, dat wij daar garant voor staan, dat we die
inkopen, om er uiteindelijk voor te zorgen dat we die concurrentie
aankunnen. Ik hoop dat de minister in tweede termijn met een ander
antwoord daarop komt, en met een doorkijk naar wanneer we dat mogen
verwachten.
Minister Herbert:
Dat zal ik straks doen.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik wilde toch nog even terugkomen op de onrust die door meerdere
partijen werd genoemd, wellicht wat ongeduldig, en op hoe we dat zouden
kunnen oplossen. Wat ik merk, wat iedereen merkt, is dat we zoekende
zijn naar welke bewindspersoon ons waarvan op de hoogte gaat houden. Ik
heb even de brieven uitgeprint die u ons heeft doen toekomen. Er zijn in
een half jaar tijd drie brieven gelinkt aan het rapport-Wennink, terwijl
er op andere dossiers heel veel gebeurt en Wennink spreekt over
ontschotting, over dat we regie moeten pakken. Hoe kunnen wij de
minister helpen om te zorgen dat wij hier met deze commissie de
inhoudelijke debatten voeren over het grote vraagstuk, namelijk over al
die knoppen waar we aan moeten draaien?
Minister Herbert:
Ik waardeer de vraag van mevrouw Martens-America over hoe de Kamer mij
kan helpen. Eerlijk gezegd weet ik nu even niet wat daar het goede
antwoord op is. Ik ga dit dus meenemen en kom hier dan straks op terug.
Ik begrijp de onrust, of eigenlijk vooral het ongeduld, en de behoefte
aan actie. Die actie ligt in de breedte van het kabinet, maar daar moet
dan wel regie op worden gevoeld.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Er is vandaag aan begrip geen gebrek bij deze minister, maar aan
urgentie mijns inziens wel. De minister zei net in antwoord op mijn
vraag dat beleidsrisico's niet afgedekt gaan worden: richting het
bedrijfsleven wordt daar geen verplichting aan gehangen, want we hebben
gewoon de morele taak om dat netjes te doen en niet te vaak van beleid
te wijzigen. Sinds het jaar 2000 zijn wij vaker naar de stembus gegaan
dan de Italianen. Wij hebben iedere keer een nieuw kabinet, met een
enorme volatiliteit in beleid. Het is dan toch alleszins redelijk om bij
grote investeringen, zoals we dat bij de maatwerkafspraken eigenlijk ook
doen, een soort betrouwbaarheidscommitment met het bedrijfsleven aan te
gaan? Dat doet geen inbreuk op het democratische primaat. We kunnen dan
nog steeds veranderen van beleid, maar dan moeten we ook op de blaren
zitten als bedrijven die investeringsbeslissingen hebben gemaakt,
daardoor kosten ondervinden.
Minister Herbert:
Ik voel heel erg mee in het medeverantwoordelijkheid nemen voor
beslissingen die genomen zijn tegen een achtergrond die verandert. Die
medeverantwoordelijkheid nemen zou ik breder willen invullen dan alleen
een contract afsluiten met een soort financiële afrekening. Daar is
eigenlijk ook niemand mee geholpen. Het gaat erom hoe we beter
vooruitgaan. Als ik de vraag dus in die breedte mag voelen, dan heeft
meneer Grinwis mij helemaal aan zijn zijde. Ja, dan wil ik daar
medeverantwoordelijkheid voor nemen.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, kort en bondig.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Oké. Dan ga ik proberen in de tweede termijn toch een uitspraak aan de
Kamer voor te leggen. Dat is dan inderdaad niet om het vast te leggen in
de vorm van een contract, maar meer in de geest van de maatwerkafspraken
die we ook aan het maken zijn. Op die manier kunnen we kijken of we
belangrijke beleidsrisico's toch enigszins kunnen afdekken richting het
bedrijfsleven als wij eigenlijk enorm grote investeringen van ze
verwachten en als we hopen dat ze die hier in Nederland doen en niet
elders.
De heer Flach (SGP):
Ik ga hier ook even op door. Bij het soort grote
investeringsbeslissingen die ons vestigingsklimaat vraagt, gaat het om
vertrouwen. Daarin is de politiek eigenlijk het allergrootste risico
geworden. Wij zijn het grootste risico voor bedrijven geworden. Ik heb
eerder gepleit voor een ondernemersakkoord, waarin je je als overheid
dwingt om langjarige afspraken te maken met het bedrijfsleven over
netcongestie, het beschikbaar hebben van voldoende geschoold personeel
enzovoorts. Je maakt dan afspraken over al die belangrijke
randvoorwaarden. De bedrijven kijken nu aan tegen een jaarlijks
wisselend kabinet, een jaarlijks wisselende Kamer. Dan overdrijf ik een
beetje, maar …
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Flach (SGP):
Zo kijken ze inmiddels naar de Haagse politiek. Waarom wil de minister
niet aan dat idee van zo'n soort ondernemersakkoord?
Minister Herbert:
Ik kan niet de verantwoordelijkheid nemen voor de snel wisselende
kabinetten. Ik doe erg mijn best om hier een langere tijd aan de bal te
kunnen blijven, met als doel om betrouwbaar beleid uit te kunnen zetten.
Waarom wil ik geen ondernemersakkoord, of hoe we dat ook noemen?
Eigenlijk wil ik vooral dat we niet meer te veel zoeken naar middelen,
naar vormen, maar dat we samen in gesprek zijn om samen te kunnen
investeren. Daarom hecht ik er ook zo aan om goed te herkennen welke
spelers actief zijn in die domeinen en markten en om ervoor te zorgen
dat we elkaar in de ogen kunnen kijken en vooruit kunnen.
De heer Flach (SGP):
Dit gaat echt voorbij aan wat ik net zei over vertrouwen. Het kan wel
zijn dat deze minister dat wil — dat vertrouw ik wel — maar de
ondernemer kan er niet meer op vertrouwen dat deze minister er volgend
jaar nog zit. Wie zit er dan? Gaat die minister dan niet een hele andere
kant op? Zij eisen gewoon duidelijkheid, want anders zijn ze weg. Daarom
gaat het mij ook niet om de vorm van een ondernemersakkoord. Het gaat
erom dat wij als politiek durven zeggen dat we die grote beslissingen
even politiek neutraal maken. Die beslissingen leggen we voor tien jaar
vast. Wie er dan ook komt, zit er gewoon aan vast. Dat is je
vertrekpunt. Als we dat niet doen, gaan de bedrijven echt voor andere
landen kiezen, omdat wij jaarlijks wisselend beleid hebben.
Minister Herbert:
Ik denk dat we hierin vooral het principe "practice what you preach"
moeten volgen. We moeten dus laten zien hoe we werken aan die
stabiliteit. Ik denk dat er geen andere landen zijn die beloftes
hierover vastleggen in welke vorm dan ook. Ik blijf niet enthousiast
over de vorm waarover u mij bevraagt, maar wel over het doel dat u voor
ogen heeft.
De heer Flach (SGP):
Ondernemers zijn wel enthousiast over zo'n ondernemersakkoord. We hebben
pensioenakkoorden, we hebben tal van akkoorden. Ik vind echt dat het
tijd is dat ondernemers ook eens een keer zekerheid krijgen die verder
gaat dan deze kabinetsperiode. Ik blijf er dus op aandringen en ik hoop
dat de minister met het verstrijken van de maanden ook enthousiaster zal
worden hierover.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Als je hier in de Kamer een debat voert over de economie, dan gaat het
al heel snel over het midden- en kleinbedrijf. Partijen vinden dat daar
te weinig aandacht voor is. Dat is zeer terecht, vind ik. Ik heb dat een
paar partijen vandaag horen zeggen. Nou is in 2015, dus elf jaar
geleden, al het voorstel van een van mijn voorgangers aangenomen om voor
het midden- en kleinbedrijf het tweede jaar loondoorbetaling bij ziekte
collectief te organiseren. Dat zijn allemaal voorgangers in de Kamer
hier ...
De voorzitter:
Ja, en uw vraag.
De heer Jimmy Dijk (SP):
… en het is nog niet geregeld. In 2025 is een vergelijkbaar voorstel van
de SP en de VVD aangenomen. Dat is uniek. Dat gebeurt niet vaak. Het
voorstel is echt simpel: het tweede jaar loondoorbetaling collectief
organiseren. Ik begrijp echt niet … Als je een mkb'er in Nederland
spreekt, dan is dat het allereerste wat ze zeggen. Dus hou op met die
500 regels schrappen en dat soort dingen. Laat dat maar eventjes. Regel
dit! Waarom wordt dit niet geregeld? Het is niet ingewikkeld!
Minister Herbert:
Ik heb geprobeerd om antwoord te geven op dit eerdere appel van meneer
Dijk door te zeggen dat de minister van Werk en Participatie voor
Prinsjesdag een brief met uw Kamer zal delen waarin hij scenario's
schetst voor hoe om te gaan met loondoorbetaling bij ziekte, en dat hij
daarin ook ingaat op de motie-Dijk/Yeşilgöz. Ik had de hoop dat daarmee
helderheid gegeven is.
De voorzitter:
Meneer Dijk, kort en bondig.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Een brief is geen helderheid. Ik wil gewoon klip-en-klaar van deze
minister horen: ja, dat moeten we gaan regelen. Ik wil dat eigenlijk ook
horen van de minister van Sociale Zaken, die verantwoordelijk is voor de
arbeidsmarkt. Daar wil ik het ook van horen, en daar hoor ik het niet
van. Wij wachten nu al twaalf jaar hierop. Het hele debat hier vandaag
gaat over brainports, mainports. Hartstikke mooi. Ik wil het regelen
voor de slager, de bakker, de garagehouder, de snackbar op de hoek. Die
zitten op dit soort dingen te wachten. Dan krijgen we vandaag heel veel
abstract gepraat en de uitkomst zal eigenlijk concreet niets zijn. Maar
ik wil van deze minister in die brief horen: ja, we gaan dat volgend
jaar regelen. Een meerderheid van de Kamer wil het. U kunt het gewoon
doen.
Minister Herbert:
Ik begrijp hoe graag u dit antwoord van mij zou willen krijgen. Dat ga
ik vandaag niet kunnen geven, al was het maar omdat er een enorme
samenhang zit met allerlei andere zaken die bijvoorbeeld op Prinsjesdag
verder gecommuniceerd worden.
De voorzitter:
Mevrouw Bühler. Meneer Dijk, u krijgt hetzelfde antwoord. U stelt steeds
dezelfde vraag. Dan moet u een andere vraag stellen. Drie interrupties
werken niet als we drie keer dezelfde vraag stellen en drie keer
hetzelfde antwoord krijgen.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dan zou ik heel graag aan de minister willen vragen of zij in die brief
kan meenemen dat er voor 1 december een keuze wordt gemaakt door dit
kabinet en dat er inderdaad een regeling komt voor het midden- en
kleinbedrijf, waarbij het eerste jaar loonbetaling wel door het bedrijf
wordt geregeld en het tweede jaar gecollectiviseerd wordt.
Minister Herbert:
Nee, die toezegging kan ik niet doen. Ik ga die brief niet schrijven.
Die komt van een collega van mij. Ik zal deze wens graag doorgeven.
Mevrouw Bühler (CDA):
We hebben het over investeren, middelen, Europees geld. Er komt een MFK
aan. Er zullen middelen worden doorgeschoven naar Europa, naar de
lidstaten. Er is wel geld nodig voor cofinanciering. Die cofinanciering
is heel belangrijk om aan Europees geld te komen. De vraag is dus: hoe
kijkt de minister daarnaar en op welke wijze gaan we dit
organiseren?
Minister Herbert:
Ik herken hoe belangrijk het is om op sommige initiatieven te kunnen
cofinancieren. Dat is onderdeel van hoe we de kansrijkheid beoordelen
van de initiatieven die in de bijlage van het rapport-Wennink zitten.
Zien we die als een mogelijkheid om te cofinancieren? Daar hebben we
niet ongelimiteerd geld voor. Ik heb bijvoorbeeld zelf al gezien dat
bepaalde IPCEI-projecten heel veel cofinanciering vragen, dus daar
zullen we selectief moeten zijn. Hoe we dat gaan doen? We zullen op
Prinsjesdag weer meer duidelijkheid krijgen over wat daar de beschikbare
middelen voor zijn.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dan zou ik ook heel graag willen vragen om bij het maken van de
prioritering te kijken hoe we zo veel mogelijk geld kunnen krijgen,
zodat we er echt werk van kunnen maken om onze ambities uit te
voeren.
Minister Herbert:
Ik ben het daar zeer mee eens.
De heer Vermeer (BBB):
Wij hebben nu meerdere blokjes gehad waarin de minister allemaal
antwoorden geeft. Ik ken de minister uit de vorige debatten als iemand
die meestal geen blad voor de mond neemt en gewoon zegt wat ze zelf
vindt. Ik vind dat ze nu heel veel technische antwoorden geeft.
Misschien zijn de vragen dan te technisch en lokt dat het uit. Ik stel
een lange vraag. Als ik gewoon in één keer antwoord krijg, ben ik ook
klaar hoor, voorzitter.
De voorzitter:
Prima. Dan geef ik u die ruimte.
De heer Vermeer (BBB):
De heer Dijk heeft het terecht over de loondoorbetaling bij ziekte.
Mevrouw Bühler had het ook al over de IPCEI-projecten. De minister zegt
in het vorige blok "aan Europese innovatieprogramma's doen we volop
mee", maar wij horen juist dat er niet volop aan meegedaan wordt, juist
omdat die cofinanciering niet beschikbaar is en omdat er hier maar één
minister is die heel veel budget heeft of misschien twee: Defensie en
Financiën. De rest moet elke keer maar schuiven: 10 miljoen hier, 5
miljoen daar. Daarmee ga je niet uitvoeren wat in het rapport-Wennink
staat. Ook het industrieel participatiebeleid bij Defensie — dat heeft
de Rekenkamer al geconstateerd — komt eigenlijk nauwelijks op gang.
Daarnaast is het ook niet controleerbaar. De minister zegt "boeren zijn
de oplossing, die leveren de oplossing", maar de heer Flach had het over
verdienvermogen. Ik kan u zeggen: als een sector krimpt, dan draagt dat
negatief bij aan het verdienvermogen. Als ik de antwoorden beluister,
gaat alles perfect en wordt alles uitgevoerd zoals in het rapport staat
en anders komt het volgende week bij de stukken van Prinsjesdag wel.
Maar wat denkt de minister nou echt? Wat vindt zij, als ze in haar eigen
hart kijkt, als minister van Economische zaken eigenlijk dat wij dan af
moeten dwingen bij de minister van Financiën? Wat moet er geregeld
worden in dit land?
Minister Herbert:
Als er ongelimiteerd geld zou zijn, zouden er een heleboel kansrijke
initiatieven zijn om verder op in te zetten. Ik vind het normaal dat er
niet ongelimiteerd geld is en dat daar dus altijd keuzes in gemaakt
worden. Die keuzes zijn mooi voorgezet door meneer Wennink door die
domeinen aan te geven. Dat helpt, maar dat is nog steeds niet genoeg om
dan alles wat er binnen die domeinen valt wel te kunnen financieren. Dus
we zullen ons vooral moeten inzetten om met publiek geld heel veel
privaat geld aan te trekken. Daarvoor hecht ik bijvoorbeeld zo
ontzettend veel waarde aan zo'n nationale investeringsinstelling. Dat is
iets waarin vooral die leverage naar privaat kapitaal heel goed moet
gaan werken. Gelukkig hebben we daar heel veel goede gesprekken over met
stakeholders uit het financiële veld. Ik heb er ook vertrouwen in dat we
daar kunnen bereiken wat we voor ogen hebben.
De voorzitter:
U vervolgt met markten en sectoren. Meneer Vermeer, het waren twee
minuten en u zei dat het dan in één keer kon.
De heer Vermeer (BBB):
Ja. Ik wou een afconcludering doen.
De voorzitter:
Heel kort dan, want het waren twee minuten.
De heer Vermeer (BBB):
Ik vind, net als gelukkig steeds meer partijen in deze Kamer, dat we
moeten stoppen met alles als kosten te zien en met een balans moeten
gaan werken en vanuit investeringen, want op deze manier bezuinigen we
alles naar de filistijnen.
De voorzitter:
Ja. De minister continueert haar beantwoording met het onderwerp markten
en sectoren.
Minister Herbert:
Sectoren, ja.
De voorzitter:
Maar mogelijk zitten daar ook wat dubbelingen in met interrupties.
Minister Herbert:
Ja. Ik ga mijn best doen om te kijken wat ik eruit kan filteren.
Mevrouw Oualhadj had een vrij concrete vraag, namelijk of ik bereid ben
om per groeimarkt inzicht te geven in de drie meest impactvolle
investeringsvoorstellen en daarmee eigenlijk een soort aanpak per domein
of per markt duidelijk te maken. Waar zij naar vraagt, is eigenlijk
precies waar ik in geloof: dat we per domein moeten zien wat het
vliegwiel gaat zijn voor het vervolg. Waar moet je als eerste al je
energie aan geven, misschien wat geld op inzetten of wat regelruimte aan
geven? Of dat dan precies drie initiatieven uit die bijlage zijn, daar
zou ik me eigenlijk niet op willen laten vastpinnen, maar aan het
uittekenen van een concrete route daarin wordt gewerkt. In Q1 van 2027
kom ik met de voortgang op het industriebeleid. Overigens kunnen we
daar, als u daaraan hecht, ook in een technische briefing verder inzicht
in geven.
Dan de regionale innovatieclusters. Ik ben daar volgens mij al een
beetje op ingegaan. Daar willen we volop op inzetten, niet alleen in
Drachten, maar ook in Leiden, in Maastricht en in Wageningen. Dat zijn
allemaal plekken waar unieke kennis zit. Er moet geïnvesteerd worden in
ecosystemen. We moeten daar focus in aanbrengen, niet alleen ik, met
alle instrumenten die ik tot mijn beschikking heb, maar vooral ook in
samenwerking met de andere bestuurslagen in Nederland. Denk aan de
ROM's, de regio's en de provincies. Dat is ook precies wat ik de hele
tijd doe. Ik wil daarmee voorkomen dat we in losse trajecten onze
aandacht en ons geld versnipperen.
Mevrouw Martens-America vraagt of ik van plan ben om verder te
trechteren in de sectoren die nu gekozen zijn. Ik wil eigenlijk niet
verder trechteren, maar ik probeer wel te voorkomen dat we uitdijen in
de nu aangebrachte focus. Ik ben er ook erg van om dan te denken: we
zetten eerst de stappen die uiteindelijk naar vervolg moeten leiden. Ik
bedoel daarmee het vliegwiel waar ik het net over had.
Dan de maakindustrie. Meneer Dijk vroeg mij hiernaar. Wat doe ik nou aan
de maakindustrie die verdwijnt? Eigenlijk is machinebouw juist een van
de prioritaire markten. Daar zetten we dus volop op in. We concurreren
met nieuwe technologie, kunstmatige intelligentie en robotica. Betekent
dat dan dat we daarmee alle bedrijven behouden? Nee, ongetwijfeld niet.
Maar het is zeker iets wat we niet afschrijven voor Nederland.
Meneer Van der Lee wil graag weten hoe ik naar cleantech kijk, naar
schone technologie, omdat hij dat zegt te missen in de focussectoren van
het kabinet. Ikzelf zie het terug in de groeimarkten waar cleantech
eigenlijk in verankerd is, namelijk bij de innovatieve chemie en bij de
machinebouw. Bij de innovatieve chemie is cleantech een van de drie
hoofdpijlers. We beperken ons dan wel tot onderdelen waarin we verschil
kunnen maken als Nederland op het gebied van verdienvermogen en
randvoorwaarden die we kunnen regelen. Bij machinebouw gaat het vooral
over batterijen en de bijbehorende maakindustrie. We hebben daar dus
selecties uit gepakt. Het is wel degelijk iets wat opgenomen is in de
focus.
Dan ga ik naar agrifood. Daar heeft meneer Vermeer mij op bevraagd. Ik
herken dat ook als een vraag van hem. We hebben het daar ook eerder over
gehad in commissiedebatten. Het klopt dat agrifood geen apart
focusgebied is, maar het is ook weer iets wat niet doorgestreept is,
want ook zeker bij machinebouw is er oog voor de agritech. Het
specifieke programma Food 2040 zit in de bijlage van project-Wennink.
Dat wordt dus ook beoordeeld tegen een heleboel andere
voorstellen.
Dan de vormgeving van de programma's. Ik ben daar net op ingegaan. Ik
denk dat ik dat nu niet meer moet doen.
Hoe komen we van analyse naar uitvoering? Dat is eigenlijk de hele tijd
de bovenliggende en de onderliggende vraag in dit hele rapport. Ikzelf
kijk erg uit naar het moment waarop we bij Prinsjesdag kunnen zeggen hoe
we weer geld kunnen koppelen aan allerlei zaken die in het
coalitieakkoord zijn benoemd als dat wat we willen. Denk aan het NADI,
de nationale investeringsinstelling, het Nationaal Groeifonds, hoe we
verdergaan met het strategisch industriebeleid en de Talentstrategie.
Daar komt dan een uitwerking van. Ik vind het ook vervelend dat ik daar
niet vandaag met u over kan praten.
Kan ik een regierol pakken als het gaat over samenwerking met de
regio's? Daar heb ik net al even iets over gezegd: ja, dat doe ik, met
die ROM's, en met die structuurfondsen ook op Europees niveau. Eigenlijk
ben ik overal bezig om te voorkomen dat er losse agenda's
ontstaan.
Deze had ik al gedaan; daarmee heb ik behandeld wat ik in dit blok wilde
behandelen.
De voorzitter:
Mevrouw Keijzer, meneer Schenk en dan doen we het laatst blokje. Ik zie
nog meneer Van der Lee, meneer Vermeer en mevrouw Oualhadj. Meneer
Vermeer loopt weg.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wil deze minister dat Nederland weer de meest concurrerende economie van
Europa wordt?
Minister Herbert:
Ja, dat wil ik. Dat is overigens makkelijk gezegd, maar moeilijker te
realiseren. Ik wil graag structureel 1,5% economische groei per jaar.
Dat wil ik bereiken door een productievere en weerbaardere economie na
te streven. Ik heb een strategiehuis waarin dit allemaal uitgetekend
staat, met opleverpunten erin. Ik denk dat mevrouw Keijzer mij wil
brengen naar de vraag waarom het dan niet al geregeld is. Dat komt
doordat willen en uitvoeren niet op één dag bij elkaar te brengen zijn.
Werk ik er elke dag hard aan, vanuit deze wil? Ja.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is mooi. Het is nog niet zo lang geleden dat we dat waren, trouwens.
Wanneer wil deze minister dat Nederland weer de meest concurrerende
economie van Europa is?
Minister Herbert:
Ik richt al mijn doelen op 2030. Met elke dag dat het eerder kan, ben ik
ontzettend gelukkig, maar dit is de ambitie.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Genoteerd, 2030. We houden deze minister in de gaten.
De heer Schenk (FVD):
Toch nog even door op die 1,5% structurele economische groei, want dat
kan natuurlijk een heel vertekend beeld geven. Er staat expliciet in het
regeerakkoord: als we het niet halen of dreigen niet te halen, sturen we
bij. Als 1,5% economische groei op zichzelf het doel wordt, zou het dus
zo kunnen zijn dat je als overheid ineens 100 miljard euro extra in de
economie pompt en zegt: nou, kijk eens, de economie is gegroeid.
Ondertussen is er enorme inflatie, kunnen de mensen hun rekening aan de
pomp en hun energierekening niet meer betalen en zien ze het bedrag op
hun boodschappenbon stijgen. Wat zegt die economische groei nou precies
voor de mensen thuis die moeite hebben om het dagelijks levensonderhoud
te kunnen betalen?
Minister Herbert:
Ik ben blij met deze vraag, omdat die 1,5% economische groei voor mij
alleen maar doelmatig is omdat we die nodig hebben voor onze brede
welvaart. Daarom koppel ik hem rechtstreeks aan het betaalbaar kunnen
houden van onze zorg, ons onderwijs, onze veiligheid en alle zaken die
belangrijk zijn voor een goed leven. Fijn dat meneer Schenk mij hierover
laat vertellen dat het natuurlijk niet alleen om het cijfertje gaat,
maar om wat je daarmee kunt betalen in Nederland.
De heer Schenk (FVD):
Ik ben op zich heel blij met dit antwoord, maar zo lees ik het niet
terug. Het staat niet zo in het rapport-Wennink, waar dit ook in staat;
daar heeft het kabinet het volgens mij ook uit gehaald. Het staat ook
niet zo in het regeerakkoord, zoals ik al zei. Daarin staat gewoon dat
1,5% economische groei het doel is. Stel dat we straks 1% economische
groei hebben, maar dat wel betekent dat de koopkracht erop vooruit is
gegaan. Is het dan voor het kabinet ook goed, of zeggen ze dan: nou, we
moeten misschien toch als overheid nog even wat miljarden publiek geld
investeren, want anders halen we die 1,5% niet? Het kan toch niet zo
zijn dat dat streefgetal op zich het doel is? Het moet toch gaan om wat
er onder de streep als besteedbaar inkomen voor de mensen in Nederland
overblijft? Zijn wij het daarover eens?
Minister Herbert:
In het rapport van meneer Wennink wordt onze economie structureel 1,5% à
2% laten groeien als voorwaarde genoemd om een heleboel andere zaken in
Nederland op orde te houden, waaronder de koopkracht van onze
mede-Nederlanders, maar ook onze weerbare positie in de wereld. Er zijn
dus meerdere doelen naast die koopkracht, die ik overigens ook
belangrijk vind. De suggestie die de heer Schenk doet, alsof ik extra
miljarden ergens vandaan kan plukken als de 1,5% economische groei niet
gehaald wordt ... Dat het zo werkt, herken ik niet helemaal.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Schenk (FVD):
Daar zit dus wel een beetje mijn angst. Wanneer je heel expliciet als
doel stelt "1,5% economische groei" en we aan het einde van het jaar
rond 1,3 zitten, ben ik bang dat de tendens van de overheid wederom zal
zijn: we gooien als overheid er zelf nog even extra geld in, misschien
wat extra ambtenaren aannemen, misschien openen we ergens een heel nieuw
ministerie of laten we nog wat ambtenaren uit India overvliegen. Onder
de streep zorgt dat allemaal voor een groei van het bruto binnenlands
product en dus voor een groei van de economie, maar dat zegt heel weinig
over wat mensen te besteden hebben en dus over de koopkracht. Laat dat
dan ook mijn oproep zijn: ik hoop echt dat die economische groei
daadwerkelijk gericht is op koopkracht voor Nederlanders.
Minister Herbert:
Zoals ik net heb gezegd, is de economische groei noodzakelijk en
voorwaardelijk voor enerzijds onze toekomstige brede welvaart, alles
waarmee we ons onderwijs, onze veiligheid en onze zorg kunnen gaan
betalen en onze positie in de wereldorde kunnen blijven innemen. Daar
zet ik mij voor in en daarvoor zijn een heleboel zaken nodig die anders
zijn dan alleen maar mensen aan het werk zetten. Er moeten problemen
opgelost worden. Dat is de focus.
De voorzitter:
Meneer Van der Lee, mevrouw Oualhadj en daarna rondt de minister haar
beantwoording af.
De heer Van der Lee (PRO):
Ik had een ondernemersakkoord aan de minister gegeven van bedrijven die
koploper zijn, ook in cleantech. Dat is niet alleen groene chemie of
machinebouw. Het gaat bijvoorbeeld om de bouwopgave: biobased bouwen,
circulair bouwen, cementvrij beton. Daar liggen enorme kansen. We hebben
goede bedrijven en het zou zonde zijn als we die kansen missen. Is de
minister bereid om nog eens naar dat akkoord te kijken en nog even na te
denken over de positie van cleantech in haar strategie?
Minister Herbert:
Ik ben natuurlijk altijd bereid om naar dat rapport te kijken dat ik in
ontvangst heb genomen. Dat ga ik zeker lezen. De positie van cleantech:
ik ben er niet op uit om mijn focus te verbreden, ik ben er wel op uit
om kansrijke bedrijven alle kansen te geven om goed te ondernemen in
Nederland. Dat kan ook, want er zitten nergens beperkingen om verder te
kunnen gaan met welke onderneming dan ook.
De heer Van der Lee (PRO):
Dit stelt mij nog niet gerust. Ik zal een motie indienen en dan komen we
in de tweede termijn wel even terug op de vraag of de minister nog
ergens over na wil denken. We zullen zien of ik 'm aanhoud, of toch in
stemming breng.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik wil even iets verhelderen. De minister gaf inderdaad antwoord op de
vraag over die investeringsvoorstellen. Heel fijn dat die brief eraan
komt. Ik had echter ook een aantal vervolgvragen daarover gesteld,
namelijk of dat dan meteen ook gekoppeld kan worden aan welke specifieke
acties er nog nodig zijn om die voorstellen uit te kunnen voeren. Een
andere vraag was of de brede welvaart per voorstel uitgewerkt kan
worden. Staat dat er dan ook echt in? Dat hoorde ik namelijk niet in uw
beantwoording, zeg ik via de voorzitter.
Minister Herbert:
Het klopt dat ik daar niet specifiek op in ben gegaan. Dat stretcht ook
mijn idee over wat er nodig zou zijn om aan de slag te kunnen gaan in
die domeinen. Laat mij nog even kijken of ik dit een goede toevoeging
vind.
De voorzitter:
U vervolgt met het laatste deel van uw beantwoording.
Minister Herbert:
Ja, voorzitter, het laatste deel.
De voorzitter:
Daarna gaan we meteen door met de tweede termijn van de Kamer. Daarin
heeft u een derde van de spreektijd die u in de eerste termijn had. Het
is nogal eens een misverstand dat de leden twee minuten spreektijd
denken te hebben, maar zij hebben dus een derde van de spreektijd in
eerste termijn.
De minister vervolgt haar beantwoording.
Minister Herbert:
Ook hier probeer ik weer te selecteren, voorzitter. Ik ga naar de
financiële initiatieven. Meneer Flach vroeg: hoe wordt private
financiering losgetrokken? Ik ben toch een beetje bang dat ik in
herhaling ga vallen. Dat wil ik niet. De nationale
investeringsinstelling is heel erg bedoeld om privaat geld los te
trekken, overigens ook om een aantal andere instrumenten in onder te
brengen. Ik ga hier niet preciezer op in.
Welke concrete acties liggen er om de private R&D-uitgaven los te
krijgen? Dat was een vraag van mevrouw Martens-America. Meneer Van der
Lee heeft daar ook vragen over gesteld. Het kabinet heeft de ambitie om
3% van het bruto binnenlands product te investeren in R&D. De
ambitie daarbinnen is om 1% vanuit publieke investeringen te laten komen
en 2% vanuit private investeringen. Dat halen we nu niet. Daarom komt er
een 3%-R&D-actieplan. Dat ligt op de plank en komt volgens mij in
september. Daar staan concrete stappen in beschreven om dat doel te
bereiken. Het NADI, de academische spin-offs en die nationale
investeringsinstelling gaan daar een belangrijke rol in spelen, niet als
enigen, maar wel onder anderen.
Dan kom ik nu terug op de vraag die mevrouw Nanninga mij al eerder in
herinnering heeft gebracht. Die vraag was hoe ik kijk naar de wijze
waarop er nu bij Invest-NL wordt gewerkt. Zij heeft specifiek haar oog
laten vallen op een diversiteitsprogramma, met een waarde van 50
miljoen. Ik denk dat u daarbij refereert aan een programma dat bedoeld
is om toegang tot financiering voor vrouwelijke fondsmanagers te
vergroten. Dat is nou net iets waar ik wel echt stevig mijn
ondersteuning voor wil uitspreken, want, zoals wij hebben gezien, zijn
vrouwen sterk ondervertegenwoordigd in de Nederlandse kapitaalsector.
Slechts 10% van de oprichters in de technologiesector is vrouw. Het is
belangrijk om dat percentage toch wel iets op te trekken, of op zijn
minst te willen weten waarom het zo laag is en of daar blokkades
weggehaald moeten worden. Ik vind het dus goed dat daar aandacht aan
besteed wordt.
Kan ik toezeggen, vraagt meneer Van der Lee, dat de nationale
investeringsinstelling gaat opereren als een publieke aanvulling op de
markt. Ja, dat kan ik toezeggen, want het is cruciaal dat de
investeringsinstelling additioneel gaat opereren — wel marktconform,
maar additioneel. De NII moet een hefboom worden voor private
investeringen.
Hoelang moeten we nog wachten op de nationale investeringsbank? Nou,
eerst dus Prinsjesdag en dan zal de brief komen met de informatie over
de scope, de vermogensstructuur, de governance en de betrokkenheid van
de private sector.
Meneer Dassen vraagt naar de financiering van het NADI. Hij vraagt of
dit gaat om EMU-relevant geld of niet. Ik onderschrijf de analyse van
meneer Dassen dat niet-saldorelevante middelen die voor het NADI zijn
gereserveerd in het coalitieakkoord te veel beperkingen opleggen. Dat
gaat gewoon niet helpen om die innovaties met lef aan te kunnen gaan. Je
kunt niet afdwingen dat die succesvol worden en ook nog op korte termijn
moeten renderen. Tegelijkertijd kan ik niet vooruitlopen op de
budgettaire besluitvorming van dit kabinet, dus opnieuw moet ik
verwijzen naar Prinsjesdag.
De laatste: staatsdeelnemingen in de strategische sectoren. Meneer
Grinwis heeft hier een vraag over gesteld. De overheid kiest voor een
deelneming in kernenergie omdat hier een duidelijke overheidstaak ligt
in de energievoorziening. Ik denk dat mevrouw Nanninga daarvan
geporteerd is. In andere markten is daar meestal geen sprake van. We
bekijken dit per markt, conform het deelnemingenbeleid. In andere
strategische sectoren moet het initiatief voor ontwikkeling dus uit de
markt komen. Bijvoorbeeld kan er wel vanuit Invest-NL een investering
gedaan worden op basis van een rendabele businesscase.
Dit was de informatie die ik wilde delen in dit blokje, voorzitter.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw gehele beantwoording?
Minister Herbert:
Laten we zeggen: ja.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Inzake publiek geld investeren en daar dan allerlei diversiteitscriteria
aan hangen: daar zijn we niet voor. Het klopt overigens niet wat de
minister zegt, dat het gaat om vrouwen in AI. Dat is overigens
natuurlijk ook totaal onbelangrijk. Of er nou mensen werken die man of
vrouw zijn of rood haar hebben, dat zou er natuurlijk helemaal niet toe
moeten doen. 50 miljoen. Ik citeer even van Invest-NL: "50% van het
managementteam moet genderdivers of cultureel divers zijn. Zo zet
Invest-NL een concrete stap naar een inclusievere investeringssector."
Dat heeft natuurlijk niets te maken met rendabel zijn, met hoe we
verantwoord in een investeringsinstelling geld willen gaan uitgeven. Dus
ik wil heel graag van de minister horen dat dit soort
diversiteitskwakzalverij geen onderdeel gaat uitmaken van een
investeringsinstelling. Dat is echt heel ondoelmatig besteed geld. Dat
is ideologie en dit moet gewoon gaan om investeringen en rendement.
Minister Herbert:
Ik ben het helemaal met mevrouw Nanninga eens dat het moet gaan over
succesvolle financieringsinitiatieven. En ik persoonlijk ben ervan
overtuigd dat het daarvoor zeer ter zake is om daarbij diverse
perspectieven mee te nemen, omdat ik zeker weet dat er daarmee beter
afgewogen beslissingen genomen worden.
Mevrouw Nanninga (JA21):
De minister noemt het woord al: overtuiging. Het is echt een
ideologische aanname dat diversiteit zou leiden tot betere resultaten.
Wat wij vragen is vrij rationeel: dat de enige afweging die gemaakt moet
worden, is of de boel een beetje rendabel is. 50 miljoen investeren in
diversiteitsprogramma's, wat bij Invest-NL gebeurt, is natuurlijk voor
geen meter rendabel. Wij willen heel graag … De steun voor zo'n
investeringsinstelling is wankel en wij zitten ook een beetje op het
randje, maar dit kan het kwartje bij ons wel doen vallen naar: nou, dan
steunen we het niet, als we weer dit soort onzin gaan doen.
Minister Herbert:
Ik zou in ieder geval toekomstige voorstellen niet willen afmeten aan
dit voorbeeld, maar ik heb goed gehoord wat mevrouw Nanninga zegt en zal
zorgen dat zij alle vertrouwen kan hebben in de voorstellen die hier
straks op tafel komen liggen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Nou, dan overwegen wij een motie op dit punt. Want nogmaals, het gaat om
investeringen van heel veel geld die onze economie vlot moeten trekken
en ik zou graag aan de voorkant, dus in dit debat, de garantie hebben
dat we niet nog meer regels optuigen en commissies optuigen en
ondoelmatig geld uitgeven. Dat is nou precies wat we niet moeten willen.
Diversiteitsbeleid heeft hier niets mee te maken en ik wil heel graag
horen van de minister dat dat buiten die investeringsinstelling blijft.
Daar is onze steun echt mede van afhankelijk.
Minister Herbert:
Als het gaat om het opzetten van een goede organisatie, dan zullen we
daar werken met de normale spelregels die er zijn vanuit deze
werkelijkheid, de Haagse realiteit. Ik zal eerlijk zeggen: ik ken die
niet helemaal uit mijn hoofd. Dus ik zeg toe aan mevrouw Nanninga dat ik
me hierin zal verdiepen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
In ieder geval een prachtig woord: diversiteitskwakzalverij. Mijn
complimenten.
Mijn vraag gaat over een antwoord dat de minister gaf op mijn vraag over
het oprichten van een staatsdeelneming of deelnemen in bedrijfstakken of
bedrijven. Ook daar had ik gevoel dat de jaren negentig tot mij spraken,
dus de Paarse jaren waarin we een laissez-faire en de regels van de
markt …
De voorzitter:
Ja, en uw vraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Mijn vraag is of we dat niet, juist gelet op bijvoorbeeld het rapport
van de WRR en de enorme ontwikkelingen in de geopolitieke uitdagingen,
juist zouden moeten heroverwegen. Als we bijvoorbeeld niet instappen in
een deel van de basischemie, is die basischemie over een paar jaar
verleden tijd en zijn de Rotterdamse haven en Zeeuws-Vlaanderen één
groot industrieel museum in plaats van dat daar verdiend wordt.
Minister Herbert:
Ik herken net als meneer Grinwis dat er absoluut betrokkenheid vanuit de
overheid nodig is om bepaalde dingen wel te laten gebeuren of juist niet
te laten gebeuren. Ik deel niet de overweging dat dat zich moet uiten in
staatsdeelnemingen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Hoe je dat precies vormgeeft, is natuurlijk een tweede. Dat ben ik met
de minister eens, maar tegelijkertijd hebben wij in het verleden, in de
jaren tachtig, als Nederlandse Staat een blauwtje gelopen met heel
actief, misschien zelfs activistisch industriebeleid. Tegelijkertijd
zijn de geopolitieke palen zo verzet dat we daar opnieuw over moeten
nadenken. Volgens mij doen we dat ook, ook bij het ministerie. Kijk naar
de best wel activistische stap op het gebied van Nexperia. Dus ik zou de
minister willen uitdagen om ook op die manier over een aantal
industriële sectoren na te denken, waarop we, als we niet opletten, over
een jaar of tien als Europa en als Nederland compleet afhankelijk zijn
van blokken buiten Europa.
Minister Herbert:
Ik wil altijd overal over nadenken, dus dat zeg ik meteen toe.
De heer Van der Lee (PRO):
We hebben het al vaker gehad over de investeringsinstelling en over de
vraag over wel of niet saldorelevante uitgaven. Mag die instelling ook
niet-marktconform handelen om marktfalen op te lossen? Komt daar
voldoende ruimte voor? De minister zei over het NADI dat daar beweging
in zit. Maar ja, ik ben er nog niet gerust op als het gaat om de
investeringsinstelling. Hoe staat het daar nou mee? Of moeten we echt
wachten tot na Prinsjesdag om daar duidelijkheid over te krijgen?
Minister Herbert:
Ja.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording in eerste termijn.
Ik geef het woord aan mevrouw Martens-America voor haar inbreng namens
de VVD in tweede termijn. U heeft 1 minuut en 20 seconden spreektijd.
Moties zijn, conform artikel 8.20 van het Reglement van Orde, kort en
duidelijk geformuleerd. Het woord is aan mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Voorzitter, ik ga u blij maken: ik ga geen moties indienen vandaag en ik
houd het heel kort. Ik wil het eigenlijk houden bij de vraag die ik heb
gesteld in een van mijn laatste interrupties. De afdronk is dat er aan
beste intenties geen gebrek is. Ik ben ervan overtuigd dat de minister
weet wat er moet gebeuren. Ik mis alleen het doorzetten naar daadkracht.
De versplintering hebben we met z'n allen gezien en geconstateerd. Ik
hoor alleen geen oplossingen. Mijn vraag aan de minister — ik snap dat
dat niet lukt in de tweede termijn — is dus: hoe gaat zij vanuit EZ en
met het mandaat dat zij heeft gekregen op dit rapport, de commissie EZ
hierbij betrekken en op de hoogte houden van de voortgang? Dan gaat het
niet alleen om de plannen. Ik wil ook heel graag horen wat we gaan doen
en wat we gaan veranderen. Ik ontvang heel graag heel snel, nog voor
kerst, een voortgangsbrief over het rapport.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Het woord is aan de heer Jimmy Dijk namens de SP in
tweede termijn.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel, voorzitter. Twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het rapport-Wennink laat zien dat de huidige
begrotingssystematiek onvoldoende onderscheid maakt tussen
langetermijninvesteringen en consumptieve uitgaven;
overwegende dat onze begrotingssystematiek hierdoor investeringen afremt
in plaats van stimuleert;
overwegende dat investeringen nodig zijn om toekomstige economische
groei en welvaart te realiseren;
overwegende dat een stelsel dat een realistischer beeld biedt van de
economische baten en kosten van uitgaven hard nodig is;
verzoekt de regering om de mogelijkheden in kaart te brengen om de
aanbeveling op te volgen van Wennink om een begrotingssystematiek te
creëren die de baten van investeringen correct waardeert,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jimmy Dijk, Flach, Van der Lee
en Vermeer.
Zij krijgt nr. 5 (36630) (#1).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat loondoorbetaling bij ziekte een probleem is voor
kleine werkgevers;
constaterende dat de motie-Roemer (34300, nr. 8) in 2015 is
aangenomen;
constaterende dat de motie-Dijk/Yeşilgöz (36800, nr. 37) in 2025 is
aangenomen;
verzoekt het kabinet de motie-Dijk/Yeşilgöz (36800, nr. 37) uit te
voeren en voor 1 december 2026 met een concreet voorstel te komen
waarbij het tweede jaar loondoorbetaling bij ziekte voor kleine
werkgevers wordt vervangen door een collectieve voorziening,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jimmy Dijk en Keijzer.
Zij krijgt nr. 6 (36630) (#2).
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik wil hier nog de mogelijkheid geven aan de VVD, aan mevrouw
Martens-America, om daar eventueel ook onder te staan, maar ik heb haar
daar nog onvoldoende over kunnen spreken. Daarom dien ik 'm wel gewoon
in.
De voorzitter:
De tweede termijn is nog niet voorbij.
Het woord is aan de heer Van der Lee namens PRO in tweede termijn.
De heer Van der Lee (PRO):
Dank aan de minister. Drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de markt onvoldoende risicodragende financiering biedt
voor projecten met grote maatschappelijke en strategische waarde, zoals
het opschalen van technologie of investeringen in infrastructuur;
verzoekt de regering de nationale investeringsinstelling zo vorm te
geven dat zij marktfalen kan helpen oplossen door voldoende ruimte te
hebben om niet marktconform te hoeven handelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Lee.
Zij krijgt nr. 7 (36630) (#3).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Duitsland met SPRIND voorwaarden stelt aan
financiering op het gebied van onder andere intellectueel eigendom,
commercialisering en zeggenschap om de daaruit voortvloeiende
waardecreatie zo veel mogelijk te behouden;
verzoekt de regering bij de vormgeving van NADI, naar voorbeeld van
SPRIND, vergelijkbare voorwaarden te hanteren om waardecreatie zo veel
mogelijk in Nederland en Europa te behouden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Lee.
Zij krijgt nr. 8 (36630) (#4).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat schone technologie, ook wel "cleantech", als groeimarkt
naast economisch, ook cruciaal is voor onze strategische
autonomie;
verzoekt de regering schone technologie integraal onderdeel te maken van
de inzet van de taskforce en het industriebeleid, en hierop een
programma in te richten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Lee.
Zij krijgt nr. 9 (36630) (#5).
De heer Van der Lee (PRO):
Nogmaals dank aan de minister. Ik weet dat het over ontzettend veel
onderwerpen gaat, dus ik hoop ook dat de minister in de uitwerking
handvatten geeft aan de Kamer om de voortgang te kunnen volgen en ook op
indicatoren te kunnen toetsen. Daar heeft de minister een toezegging
over gedaan. Ik wacht de invulling daarvan af.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Dassen namens Volt in tweede
termijn.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het inzichtelijker maken van de baten van
investeringen kansen biedt om beter de investeringen te kiezen die het
toekomstige verdienvermogen van de economie vergroten;
verzoekt de regering richting een volgend kabinet te onderzoeken hoe
investeringen buiten de reguliere uitgavekaders kunnen worden geplaatst
en de SBR te verzoeken dit expliciet mee te nemen in zijn volgende
advies,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 10 (36630) (#6).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een significant deel van publieke aanbestedingen van
AI-diensten belandt bij Amerikaanse aanbieders;
van mening dat Europese publieke middelen zo veel mogelijk ten goede
moeten komen aan Europese bedrijven;
verzoekt de regering haar rol als launching customer bij Europese
AI-bedrijven te gebruiken om een verantwoorde, Europese AI-industrie te
stimuleren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 11 (36630) (#7).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat lokale overheden en bedrijven al veel economische
plannen hebben ontworpen, maar de overheid onvoldoende duidelijkheid
verschaft in de vorm van middelen of waardering;
overwegende dat het maken van nieuwe plannen veelal een herhaling van
zetten zou zijn, terwijl we het onszelf niet kunnen veroorloven om nog
langer te wachten met investeren;
verzoekt de regering keuzes te maken over welke bestaande economische
plannen wel of geen uitvoering krijgen, voordat zij nieuwe plannen
maakt, en hierover een tijdlijn te delen met de Kamer;
verzoekt de regering daarnaast om bij de uitvoering van deze plannen
doelstellingen te formuleren met concrete economische indicatoren en
deze actief te monitoren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen en Van der Lee.
Zij krijgt nr. 12 (36630) (#8).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Vermeer, namens BBB, in tweede termijn.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het rapport-Wennink economische infrastructuur noemt
als belangrijke randvoorwaarde voor toekomstig verdienvermogen;
overwegende dat bereikbaarheid en betrouwbare verbindingen noodzakelijk
zijn voor bedrijven om te kunnen investeren, produceren en
groeien;
verzoekt de regering fysieke mobiliteitsinfrastructuur concreet en
expliciet mee te nemen als strategische economische basisinfrastructuur
bij de uitvoering van het rapport-Wennink en bij de uitwerking van
strategische economische clusters,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vermeer en Jimmy Dijk.
Zij krijgt nr. 13 (36630) (#9).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voedselzekerheid, hoogwaardige voedselproductie en
agrarische technologie van economisch en strategisch belang zijn;
overwegende dat de Nederlandse food- en agrisector bestaat uit een breed
ecosysteem van boeren, tuinders, veredelaars, machinebouwers,
kennisinstellingen, familiebedrijven en innovatief mkb;
verzoekt de regering food en agri een volwaardige en herkenbare positie
te geven in de uitwerking van het rapport-Wennink en daarbij specifiek
aandacht te besteden aan biotechnologie, robotica, AI, veredeling,
agrarische techniek en innovatieve voedselproductie;
verzoekt de regering tevens hiervoor concrete projecten,
verantwoordelijke bewindspersonen, financieringsmogelijkheden en een
tijdpad te presenteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vermeer en Schenk.
Zij krijgt nr. 14 (36630) (#10).
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Nanninga, namens JA21, in tweede
termijn.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. En dank voor de beantwoording.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederlandse scale-ups, innovatieve ondernemingen en
grote industriële projecten problemen ervaren bij het aantrekken van
voldoende investeringskapitaal;
overwegende dat een nationale investeringsinstelling gaten in de
financiering kan helpen overbruggen, maar geen vervanging mag worden
voor een goed functionerende private kapitaalmarkt;
overwegende dat structureel meer investeringen alleen mogelijk worden
wanneer ook nationale en Europese fiscale, juridische en
grensoverschrijdende belemmeringen voor privaat kapitaal worden
weggenomen;
verzoekt de regering om parallel aan de uitwerking van de nationale
investeringsinstelling een plan voor de verbetering van de kapitaalmarkt
aan de Kamer te sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Nanninga.
Zij krijgt nr. 15 (36630) (#11).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet werkt aan de oprichting van een nationale
investeringsinstelling;
overwegende dat bij Invest-NL momenteel programma's bestaan waarin
diversiteit expliciet onderdeel is van de investeringscriteria;
overwegende dat kenmerken van personen zoals geslacht, afkomst of
culturele achtergrond geen rol behoren te spelen bij de vraag of een
investering economisch kansrijk is;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat beleid omtrent kenmerken als
geslacht, afkomst of culturele achtergrond geen investeringscriterium
worden bij de nationale investeringsinstelling,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nanninga en Keijzer.
Zij krijgt nr. 16 (36630) (#12).
Mevrouw Nanninga (JA21):
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u. Het woord is aan de heer Grinwis, namens de ChristenUnie, in
tweede termijn.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. En ook dank aan de minister voor de beantwoording. Ik
snap dat zij in haar eentje als Economische Zaken eigenlijk op ongeveer
alle beleidsterreinen van vanmiddag een antwoord moest formuleren. Dat
valt natuurlijk niet mee, dus dank.
Ik heb één motie meegebracht. Die kondigde ik al aan.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat grote investeringen door bedrijven vaak
terugverdientijden van decennia kennen;
overwegende dat tussentijdse wijzigingen van overheidsbeleid waar bij
investeringsbeslissingen nog geen rekening mee kon worden gehouden, het
investeringsklimaat schaden;
overwegende dat bedrijven bij grote investeringen behoefte kunnen hebben
aan langjarige afspraken met de overheid om specifieke beleidsrisico's
af te dekken bij onvoorspelbaar beleid;
van mening dat de overheid de verantwoordelijkheid draagt zich als een
aan te spreken betrouwbare bondgenoot met commitment op te
stellen;
verzoekt de regering te verkennen hoe gedurende de terugverdientijd van
grote investeringen door bedrijven zij beter kunnen worden gevrijwaard
van beleidsrisico's met een grote negatieve impact op die
terugverdientijd, bijvoorbeeld in de geest van de maatwerkafspraken via
langjarige afspraken met bedrijven en/of sectoren, en de Kamer hierover
te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Flach.
Zij krijgt nr. 17 (36630) (#13).
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Bühler van het CDA, voor haar tweede termijn.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de minister voor de beantwoording.
Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat sterke regionale innovatieclusters concrete
investeringsprojecten voortbrengen die bijdragen aan het toekomstige
verdienvermogen van Nederland en dat we daarom niet verder vertraging op
mogen lopen;
constaterende dat de realisatie van deze projecten regelmatig wordt
belemmerd door knelpunten op het gebied van onder meer netcongestie,
ruimte, vergunningen, stikstof, talent en financiering;
overwegende dat niet alles tegelijk kan, en dat daarom juist bij
projecten met strategische relevantie, een groot hefboomeffect en
private investeringsbereidheid de overheid doorbraken moet gaan
realiseren;
verzoekt de regering de doorbraakaanpak onderdeel te maken van de
verdere opdracht aan de Taskforce Toekomstige Welvaart en
Vestigingsklimaat, daarbij de benodigde instrumenten en
doorbraakmechanismen op orde te brengen, en de Kamer jaarlijks te
rapporteren over de geselecteerde concrete projecten en de gerealiseerde
doorbraken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bühler.
Zij krijgt nr. 18 (36630) (#14).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Flach, van de Staatkundig Gereformeerde Partij.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank. Ik kreeg tijdens dit debat een mailtje binnen van de
bekende professor Barbara Baarsma. Ik zou dat met liefde helemaal hebben
willen voorlezen hier, maar ik lees er nu even twee zinnen uit voor. Ze
wijst erop dat de Nederlandse economie niet te maken heeft met een
tijdelijke terugval, maar met een structurele verzwakking. Als
belangrijkste oorzaken noemt ze bestuurlijke slagkracht,
voorspelbaarheid van beleid en kwaliteit van regelgeving. Een dikke
streep onder wat we hier vanmiddag hebben gewisseld met elkaar. De bal
ligt bij ons, bij de overheid. We moeten er echt iets aan doen.
In dat verband heb ik één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet voornemens is departementale
reductiedoelstellingen vast te stellen, maar dat momenteel gestuurd
wordt op het aantal regels en niet op vermindering van de totale
regeldrukkosten;
overwegende dat in het verleden kabinetten kwantitatieve
nettodoelstellingen vaststelden voor de vermindering van administratieve
regeldruk, zodat extra regeldruk in euro's ook gepaard moest gaan met
regeldrukverlaging in euro's elders, en dat deze doelstellingen allemaal
bereikt zijn;
verzoekt de regering ambitieuze, departementale
nettoreductiedoelstellingen in euro's voor nationale regelgeving vast te
stellen, inclusief nationale koppen volgens de brede definitie, zodat de
regeldruk deze kabinetsperiode niet verder stijgt maar daadwerkelijk
afneemt, en de Kamer jaarlijks over de voortgang te rapporteren;
verzoekt de regering tevens te onderzoeken of deze doelen net als in
2004 aan de begrotingssystematiek gekoppeld kunnen worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.
Zij krijgt nr. 19 (36630) (#15).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Schenk, namens Forum voor Democratie.
De heer Schenk (FVD):
Dank, voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet als doelstelling hanteert om actief te
sturen op 1,5% structurele economische groei en bij te sturen indien
deze doelstelling niet wordt gehaald;
overwegende dat groei van de Nederlandse economie als geheel niet
noodzakelijk betekent dat de welvaart per Nederlander eveneens
toeneemt;
overwegende dat economische groei van 1,5% geen doel op zichzelf behoort
te zijn, maar ten dienste moet staan van een hogere en duurzame welvaart
voor Nederlanders;
verzoekt de regering bij het toewerken naar de doelstelling van 1,5%
structurele economische groei de ontwikkeling van de welvaart van de
Nederlandse bevolking leidend te maken, daarbij in ieder geval de
ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit en het reëel besteedbaar
inkomen per hoofd te betrekken, en hierover jaarlijks aan de Kamer te
rapporteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schenk en Vermeer.
Zij krijgt nr. 20 (36630) (#16).
De heer Schenk (FVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Prickaertz van de Partij voor de
Vrijheid.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank, voorzitter. Om te beginnen wil ik de minister danken voor het
beantwoorden van alle vragen en voor het debat van vandaag. Ik heb één
motie en die luidt als volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland steeds minder aantrekkelijk wordt als
vestigings- en ondernemingsland;
verzoekt de regering geen voorkeursbehandeling te geven aan specifieke
sectoren, maar het ondernemingsklimaat voor het gehele bedrijfsleven te
verbeteren door te zorgen voor betaalbare energie, minder regeldruk en
snellere vergunningverlening,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Prickaertz.
Zij krijgt nr. 21 (36630) (#17).
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Keijzer, voor haar tweede termijn.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Voorzitter. Ik heb weinig energie gekregen van dit debat. Het gaat over
systemen, modellen, plannen van aanpak, doorbraken en noem het allemaal
maar op, terwijl we allemaal weten wat hier nodig is: dereguleren,
investeren in infrastructuur en iets doen aan de arbeidsmarkt en de
fiscaliteit. Daarom heb ik maar één concrete motie, om te kijken of we
ergens kunnen komen vandaag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland voor toekomstige welvaart afhankelijk is van
investeringen, ondernemerschap en een aantrekkelijk vestigings- en
investeringsklimaat;
overwegende dat langdurige onzekerheid over box 3-investeringen
ontmoedigt, vermogensvorming belemmert en het vertrouwen van
ondernemers, spaarders en particuliere investeerders schaadt;
verzoekt de regering voor de behandeling van het Belastingplan met
opties te komen die op korte termijn verlichting bieden voor vermogen en
aandelen in box 3 en in ieder geval mogelijk te maken dat het onderdeel
van de Wet werkelijk rendement box 3 dat toeziet op vastgoed
afzonderlijk en volgens de oorspronkelijke planning in werking kan
treden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Keijzer.
Zij krijgt nr. 22 (36630) (#18).
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Oualhadj namens D66 in tweede
termijn.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Voorzitter, dank u wel. Ook ik wil de minister bedanken voor haar
beantwoording. Ik begrijp dat zij moet wachten op de financiële
besluitvorming voordat zij meer kan uitweiden over de
investeringsinstelling en het NADI, maar laten wij in elk geval met
elkaar afspreken dat we ook echt ambitieuzer zijn in het tempo en de
uitvoering. Om het kabinet een eindje op weg te helpen de volgende
motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet heeft aangekondigd nationale regie te
nemen op projecten van strategisch belang en ruimte voor cruciale
innovatieclusters aan te wijzen;
verzoekt de regering ten minste één innovatiecluster aan te wijzen als
versnelde vergunningszone, waarin projecten binnen de strategische
markten met voorrang, met één aanspreekpunt en binnen een vooraf
vastgestelde maximale doorlooptijd worden behandeld, en de Kamer voor de
begrotingsbehandeling EZK te informeren over locatie en tijdpad,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Oualhadj.
Zij krijgt nr. 23 (36630) (#19).
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Tot slot is het woord aan mevrouw Van Brenk van 50PLUS in
tweede termijn.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het verminderen van regeldruk en het wegnemen van
juridische en institutionele barrières voor ondernemers belangrijke
onderdelen zijn van de analyse van de heren Wennink en Draghi;
overwegende dat het verminderen van de regeldruk volgens de brief van 10
juli expliciet niet tot de directe scope van de Taskforce Toekomstige
Welvaart en Vestigingsklimaat behoort;
overwegende dat het thema "vermindering regeldruk" belegd wordt bij
andere taskforces en gremia;
verzoekt de regering het thema "vermindering regeldruk" te stroomlijnen
en te promoveren tot een ambitieuze taskforce met haalbare en meetbare
doelen op het gebied van kostenreductie en het bevorderen van de
economische dynamiek,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.
Zij krijgt nr. 24 (36630) (#20).
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Als we in EU-verband een krachtige vuist willen maken op het
wereldtoneel, dan moeten we erop kunnen rekenen dat er een goede
onderlinge afstemming is tussen alle 28 lidstaten. 50PLUS verzoekt de
minister zich daarvoor in te zetten. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn
van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 18.10 uur voor de beantwoording
door de minister.
De vergadering wordt van 17.56 uur tot 18.10 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.
Minister Herbert:
Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een paar openstaande dingen. Daar zal
ik mee beginnen en daarna afsluiten met de moties. Het waren er
twintig.
Even kijken. De vraag van mevrouw Martens-America was: hoe kan de Kamer
u helpen? Ik doe een eerste schot voor de boeg, want alles kan misschien
nog beter worden afgestemd na deze bijeenkomst. Ik ben hartstikke blij
dat er veel steun is in de Kamer om vooral volle vaart vooruit te zetten
op ons vestigingsklimaat en het behalen van die 1,5% groei. Ik herken
alles wat u benoemde. Dat hoort allemaal bij verschillende domeinen.
Maar als coördinerend minister van de taskforce kan ik toch ook wel echt
dingen naar u toe communiceren, bijvoorbeeld zoals dat al gebeurd is
over die talentstrategie. Natuurlijk kan ik u exact aangeven voor welk
onderwerp welke collega in de lead is, zodat uw Kamer over dat onderwerp
ook in gesprek kan met die collega's van mij. Ik hou regie over het
totaalpakket en ik wil eigenlijk met de commissie het gesprek aangaan
over hoe we hier het best overkoepelend over kunnen spreken. Op
Prinsjesdag zal het kabinet verdere maatregelen aankondigen die we
inzetten op al onze doelen. De timing van dit debat is inderdaad wat
ongelukkig. Dus u helpt mij door de plannen die we presenteren op
Prinsjesdag kritisch te bezien en daarop te reageren.
Meneer Dassen van Volt vroeg hoe we onze eigen Europese infrastructuur
opbouwen en ervoor zorgen dat onze bedrijven — het ging over AI —
daadwerkelijk kunnen gaan concurreren met Amerikaanse bedrijven, hoe we
dat speelveld gelijktrekken. Er wordt nu volop Europees gewerkt aan het
opbouwen van AI-infrastructuur en het toegankelijk maken hiervan voor
Europese bedrijven. Dat is niet morgen al gerealiseerd, maar we werken
daar hard aan. Het kabinet voelt ook de urgentie daarvoor en weet dat er
naast rekenkracht veel meer nodig is om daadwerkelijk te kunnen
concurreren op het wereldtoneel, bijvoorbeeld voldoende data, talent en
privaat kapitaal. Dit is een onderwerp op het terrein van mijn collega,
de staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit. Zij komt
hierop terug in een Kamerbrief die voor het debat over ditzelfde
onderwerp op 7 oktober met uw Kamer wordt gedeeld.
Mevrouw Oualhadj heeft een vervolgvraag over acties op die specifieke
domeinen. Als die programma's per markt gereed zijn, hebben we ook
scherp welke obstakels er zijn. Vaak zijn die trouwens al in beeld en
ligt dat helemaal in lijn met wat in het rapport-Wennink staat. Alle
programma's zijn maatwerk. Ik weet niet helemaal of het zinvol is om per
brief alle obstakels nog eens te benoemen. Als het gaat om de
opbrengsten, vind ik dat ook wel lastig, want voordat interventies en
investeringsprojecten effect sorteren, zijn we vaak jaren verder. Ik
vind het lastig om er een soort businesscase van te maken. Misschien
zouden we samen nog eens kunnen kijken naar waar mevrouw Oualhadj naar
zoekt en hoe ik daar verder in kan helpen. Ik ben er met mevrouw
Oualhadj op uit om heel effectief te zijn in alles wat we doen.
Dan de appreciatie van het begrotingsbeleid in het rapport-Wennink. Hier
heb ik een uitgebreide tekst over. Ik denk dat het goed is dat ik die
even voorlees, omdat die ook goed is afgestemd met het ministerie van
Financiën. Ik kom terug op de aanbevelingen van Wennink over
begrotingsbeleid, onder andere in paragraaf 5.2. Meneer Grinwis of
Flach, een van beiden, verwees mij hiernaar. Wennink heeft twee concrete
aanbevelingen over begrotingsbeleid. Ten eerste: stimuleer met
inachtneming van onafhankelijkheid de verdere ontwikkeling van
economische ramingsmodellen bij de planbureaus en kennisinstellingen,
zodat langetermijneffecten van productiviteitsverhogende investeringen,
zoals in R&D, beter kunnen worden meegewogen in begrotings- en
beleidsbeslissingen. Dit is een aanbeveling waar het kabinet mee aan de
slag is. Zo loopt er een onderzoek samen met het CPB om de
langetermijnbaten van onder andere onderwijs en R&D beter in kaart
te brengen, zodat die meegewogen kunnen worden bij beslissingen in het
hier en nu. Dit onderzoek is inmiddels gepubliceerd. Er vinden sessies
plaats om te zien hoe we dit kunnen verwerken. U wordt hier nog dit jaar
over geïnformeerd. Dat was de eerste.
De tweede suggestie vanuit het rapport-Wennink over begrotingsbeleid
was: "Voer op basis hiervan binnen het begrotingsbeleid een systematiek
in waarin duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen constructieve
uitgaven en investeringen, toets en prioriteer beleidsvoorstellen met
een grote financiële impact standaard op basis van hun bijdrage aan de
noodzakelijke economische groei van minimaal 1,5%". Ik deel de noodzaak
om onderscheid te maken tussen consumptieve uitgaven en investeringen.
We proberen om wat duidelijker uit te lichten wat nou investeringen zijn
en wat niet. Maar de discussie over hoe dit in de begrotingssystematiek
verankerd zou kunnen of moeten worden, zult u met de minister van
Financiën moeten voeren. Daar kan ik vandaag niet verder op
ingaan.
Voorzitter. Dan zou ik naar de moties willen gaan.
De voorzitter:
Ik sta één vervolgvraag toe, mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Deze laatste "ik" was "ik, de minister van Economische Zaken". Ik heb er
toch een klein beetje moeite mee dat hier stukken voorgelezen worden die
blijkbaar opgeschreven zijn door de minister van Financiën en dan moet
je maar zoeken of de minister van Economische Zaken dat ook vindt. Ik
denk dat het verstandig is dat we volgende keer hier een debat hebben
met gewoon de verantwoordelijke ministers erbij, want dit schiet op deze
manier weinig op.
Minister Herbert:
Ik ga naar de moties, voorzitter.
De voorzitter:
De moties, zeker.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 5 gaat over een realistischer beeld, over de
mogelijkheid van begrotingen met baten en lasten. Die moet ik ontraden,
want dit is toch echt iets wat in het domein van de minister van
Financiën ligt. Ik ondersteun het belang van investeringen. Dat heb ik
net ook laten blijken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 6.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 6 is een motie over het tweede jaar
loondoorbetaling. Die was van meneer Dijk en mevrouw Keijzer. Ik wil de
indieners vragen om te wachten op het antwoord van de minister van
Sociale Zaken, dus ik moet deze motie hier ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 7.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 7 van de heer Van der Lee. Ik ontraad deze motie,
die gaat over het minder marktconform handelen van de nationale
investeringsinstelling. Het is namelijk zo dat de nationale
investeringsinstelling marktconform moet werken om te voorkomen dat ze
beticht kan worden van staatssteun. Op instellingsniveau zal het wel
mogelijk zijn om een lager dan marktconform rendement na te streven.
Overigens hebben wij er dan wel belang bij dat het nog steeds positief
is. Juist dat zorgt ervoor dat de NII ook additioneel de markt kan
financieren en onderscheidend kan zijn zonder de private markt te
verstoren. Buiten het kernkapitaal zijn er overigens wel mogelijkheden
om niet-marktconform te financieren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 8.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 8, ook van meneer Van der Lee, ging over het NADI.
Die geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 9.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 9 is er een die ik helaas weer moet ontraden. Ze
gaat over cleantech. Ik hou me bij de selectie van strategische
groeimarkten en ben ervan overtuigd dat cleantech daar sterk in is
verankerd. Daar zetten we dus ook op in vanuit programma's, maar niet
door er een aparte sector van te maken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 10.
Minister Herbert:
Die gaat weer over het begrotingsbeleid. Die moet ik net als de
voorgaande motie ontraden. Ik ondersteun het belang van die
investeringen en ik zie daar ook een rol in voor de Studiegroep
Begrotingsruimte. Ik wil zeker ook het signaal hoezeer u hierin
geïnteresseerd bent, doorgeleiden naar de minister van Financiën.
De voorzitter:
Er is één vervolgvraag van de heer Van der Lee op de motie op stuk nr.
9, schat ik in.
De heer Van der Lee (PRO):
Ik ben bereid de motie over cleantech aan te houden, als de minister
toezegt om het ondernemersakkoord nog eens goed te bekijken en toch nog
even na te denken of cleantech niet nog iets beter verankerd kan
worden.
Minister Herbert:
Ik wil dat toezeggen.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Van der Lee stel ik voor zijn motie (36630, nr.
9) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 11.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 11 vraagt of de regering haar rol als launching
customer kan gebruiken. Die motie geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 12.
Minister Herbert:
Dat is een motie van de heer Dassen. Als we het eens zijn over de
interpretatie dat het hier gaat om een oproep voor de invulling van de
programma's van het industriebeleid, om daarin geen nieuwe dingen te
verzinnen maar vooral door te bouwen op bestaande initiatieven, dan kan
ik 'm oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Ik zie team Volt knikken, dus daarmee krijgt de motie op stuk nr. 12
oordeel Kamer.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 13 moet ik ontraden. De motie is eigenlijk
ontijdig, en daarmee ontraad ik 'm. Dit ligt echt bij mijn collega van
Infrastructuur en Waterstaat. Ik weet dat hij bezig is met die
mobiliteitsinfrastructuur. Het economisch belang wordt daarin
meegewogen.
De voorzitter:
Dan zijn er twee smaken. De eerste smaak is om aan de heer Vermeer te
vragen of hij bereid is om de motie aan te houden. Als hij dat niet is,
dan is de motie ontijdig. De andere smaak is dat de minister de motie
ontraadt. Dat zijn twee verschillende zaken. Is de heer Vermeer bereid
om de motie aan te houden?
De heer Vermeer (BBB):
Nee, zeker niet. Wij hebben juist gevraagd om een grotere afvaardiging
van het kabinet bij dit debat. Alleen deze minister zit hier. De motie
wordt nu ontijdig verklaard, omdat die bij IenW hoort en die minister
hier niet is. Dit is nou precies het probleem. Dit benoemt Wennink in
zijn rapport. We moeten eens kappen met al die silo's en gewoon
doorzetten. We zien wel wat de Kamer ervan vindt.
Minister Herbert:
Dan moet ik 'm ontraden.
De voorzitter:
Ontraden of ontijdig?
Minister Herbert:
Ontraden, hoor ik. Met dank …
De voorzitter:
Met dank aan de indiener. Dit gebeurt niet vaak. Dan gaan we naar de
motie op stuk nr. 14.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 14 moet ik ontraden. Ik snap de oproep van de heer
Vermeer wel, maar ik wil de focus niet verder oprekken. Er is oog voor
agrifood. Ik ontraad de motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 15.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 15 is van mevrouw Nanninga. Die gaat over de
ontwikkeling van de kapitaalmarkt. Als ik de motie zo mag interpreteren
dat ik de Kamer informeer over de ontwikkelingen op de
durfkapitaalmarkt, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Mag dat? Ik zie een aarzelende instemming. Daarmee krijgt de motie op
stuk nr. 15 oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 16.
Minister Herbert:
Die motie wil ik ontraden. Die gaat over het meegeven van criteria, of
juist het zeggen dat er geen criteria mogen zijn. Ik wil niet op
detailniveau financieringscriteria meegeven aan of uitsluiten voor een
nationale investeringsinstelling.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 17.
Minister Herbert:
Die motie moet ik ontraden. Dit is een motie van de heer Grinwis. Het
kabinet onderschrijft het belang van stabiel en voorspelbaar beleid,
maar beleidsrisico's afdekken is echt een brug te ver. We moeten
flexibel kunnen blijven bij onverwachte ontwikkelingen, zoals oorlogen.
Langjarige afspraken kunnen de beleidsvrijheid van toekomstige
kabinetten en van de wetgever zeer beperken, dus dat lijkt me niet
verstandig.
De voorzitter:
Eén vervolgvraag van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik constateer dat de minister een andere tekst opleest dan de tekst die
is ingediend. Ze heeft het over "afdekken", maar dat woord staat
helemaal niet in het dictum. Ten tweede benadrukte professor Baarsma —
de heer Flach haalde dat net ook al aan — het belang van
voorspelbaarheid van overheidsbeleid, juist bij bedrijfsinvesteringen.
Juist op die randvoorwaarde laten wij het afweten. De motie schrijft
niet voor hoe het moet. Ik denk dat de tekst die de minister voor zich
heeft niet klopt, want in de motie staat letterlijk dat wordt verkend
hoe bedrijven beter kunnen worden gevrijwaard van beleidsrisico's
gedurende de terugverdientijd. Er staat ook hoe dat bijvoorbeeld zou
kunnen. De motie is dus al afgezwakt ten opzichte van wat we hebben
besproken en van de versie die misschien eerder bij het ministerie
lag.
Minister Herbert:
Ik heb dan inderdaad een andere tekst voor mij liggen. Dat brengt mij nu
in verlegenheid. Mag ik hier schriftelijk op terugkomen?
De voorzitter:
Dat mag altijd. De minister komt schriftelijk terug op de motie op stuk
nr. 17.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 18 is een motie van mevrouw Bühler. Als ik geen
aparte voortgangsrapportage hoef te gaan maken, maar de rapportage over
de voortgang kan verwerken in reguliere brieven, dan zou ik de motie
oordeel Kamer kunnen geven.
De voorzitter:
Ik kijk of dat mag van mevrouw Bühler. Ik zie een diepe zucht, maar het
mag. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 18 oordeel Kamer. De motie op
stuk nr. 19.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 19 zou ik willen laten aanhouden. Er is namelijk
een commissiedebat over regeldruk op 29 oktober aanstaande. Het lijkt me
dat de motie daar goed bij past.
De voorzitter:
Is de heer Flach daartoe bereid?
De heer Flach (SGP):
Ja, maar ik deel wel de frustratie die ik eerder ook bij andere
appreciaties voelde. Moties worden ontraden omdat een bepaalde minister
erover gaat. Ja, dan moeten we dit soort debatten niet meer voeren met
één bewindspersoon. Ik vind het voor de orde van het debat storend als
op basis daarvan moties worden ontraden of aangehouden. We moeten wel
zaken kunnen doen met de vertegenwoordiging van het kabinet die
tegenover ons zit, zeg ik even bij dezen.
Minister Herbert:
Ik leef mee met de opmerking van meneer Flach. In dit geval zou ik
denken dat ik het echt een interessante inhoudelijke suggestie vindt die
meneer Flach doet en dat ik het belangrijk vind dat juist daarover het
debat kan plaatsvinden.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Flach stel ik voor zijn motie (36630, nr. 19) aan
te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 20.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 20 is overbodig, omdat we al jaarlijks rapporteren
over nationale productiviteit en welvaartsontwikkeling. Die voegt dus
niets toe. Overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 20: overbodig. Een vervolgvraag van meneer
Schenk.
De heer Schenk (FVD):
Ja, want volgens mij staat dat er niet. Er staat om dat specifiek te
doen bij het toewerken naar de doelstelling van 1,5% structurele
economische groei. Dat is toch iets heel anders dan hoe de motie nu
beoordeeld/geapprecieerd wordt?
Minister Herbert:
Ik lees de motie zo dat bij het toewerken de welvaart leidend gemaakt
wordt en de arbeidsproductiviteit meegenomen wordt, en daarover
jaarlijks te rapporteren. Misschien heb ik te veel gefocust op het
jaarlijks rapporteren van die voortgang. Nee. Als de nadruk ligt op de
ontwikkeling van arbeidsproductiviteit en welvaart leidend maken in het
zoeken naar de toekomstige economie, dan moet ik 'm ontraden.
De voorzitter:
Ik zie meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
De heer Van der Lee zou de motie op stuk nr. 12 graag mee willen
ondertekenen, dus dat wilde ik via deze weg doorgeven.
De voorzitter:
We noteren dat. De motie op stuk nr. 21.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 21 moet ik ontraden. Ja, ik ga eigenlijk juist wel
een voorkeursbehandeling geven aan bepaalde sectoren. Dat is de kern van
het industriebeleid. Daarom moet ik die motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 22.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 22 is van mevrouw Keijzer. Die moet ik ontraden. Ik
moet doorverwijzen naar Prinsjesdag.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 23.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 23 geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 24.
Minister Herbert:
De motie op stuk nr. 24 moet ik ontraden. Ik zou nu willen vasthouden
aan de gekozen methodiek daar waar het gaat over regeldruk. Ik zou deze
commissie wel graag willen informeren over de voortgang daar waar het
gaat om reductie van regels en regeldruk voor bedrijven.
De voorzitter:
Ik dank de minister. Ik zie meneer Dijk nog.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik had even netjes afgewacht tot alle moties geapprecieerd waren. Ik wil
toch even terugkomen op de motie over loondoorbetaling bij ziekte voor
kleine werkgevers.
De voorzitter:
En het nummer daarbij?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dat is de motie op stuk nr. 6. Ik snap dat de minister bij dit debat
denkt "wat heb ik nou weer aan mijn fiets hangen?", maar het zou me wel
een lief ding waard zijn als er voor 1 december een voorstel komt te
liggen. Mijn vraag is: wat zou ervoor nodig zijn om dit voorstel aan te
passen? Zouden we bijvoorbeeld moeten vragen aan het kabinet om er ook
een dekking bij te regelen, zodat u daar de vrijheid in heeft? Wat is
ervoor nodig om toch een andere appreciatie te krijgen dan "ontijdig" of
"ontraden"?
Minister Herbert:
Mag ik voorstellen dat ik aan mijn collega, de minister van Sociale
Zaken, vraag om hierop te reageren?
De voorzitter:
Dat lijkt me uitstekend. Dat zal dan schriftelijk zijn. Ik dank de
minister … Nee, meneer Dijk, we doen één interruptie, één vervolgvraag.
De minister heeft toegezegd hier schriftelijk op terug te komen.
Ik dank de minister voor de beantwoording in tweede termijn en voor het
gevoerde debat. Ik dank de leden voor het gevoerde debat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Over de ingediende moties zal dinsdag worden gestemd. Ik schors de
vergadering tot 19.30 uur voor de dinerpauze. De vergadering is
geschorst.
De vergadering wordt van 18.29 uur tot 19.30 uur geschorst.