[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Antwoorden op vragen commissie van de V-100 over houdbaarheid van het landbouwsysteem

Brief regering

Nummer: 2026D41067, datum: 2026-09-04, bijgewerkt: 2026-09-04 15:00, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z18018:

Preview document (šŸ”— origineel)


Geachte Voorzitter,

Op 4 juni 2026 heeft de Commissie voor de Rijksuitgaven mij een verzoek gestuurd om beantwoording van vragen van de V-100 over de houdbaarheid van het landbouwsysteem voor toekomstige generaties (uw kenmerk 2026Z11985/2026D27217).

Hierbij ontvangt u, mede namens de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur de beantwoording van de vragen.

Jaimi van Essen

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

  1. Kunt u toelichten waarom de Subsidie voor Vestiging van Jonge Landbouwers toetst op bestaande (en dus niet op toekomstige) verdiencapaciteit? Bent u zich ervan bewust deze regeling daarmee niet geschikt is voor zij-instromers? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Voor het in aanmerking komen voor de vestigingssubsidie gelden specifieke voorwaarden omtrent de doelgroep, de status van de overname en het economisch perspectief van het bedrijf. Om te waarborgen dat de subsidie terechtkomt bij bedrijven met voldoende toekomstperspectief, wordt getoetst aan de bestaande standaardverdiencapaciteit (SVC). Een objectieve toets op een toekomstige SVC is niet goed mogelijk.

De regeling staat open voor zij-instromers jonger dan 40 jaar die reeds feitelijk een agrarisch bedrijf hebben overgenomen en beschikken over een passende opleiding of aantoonbare vakbekwaamheid. Binnen de kaders van deze regeling worden zij aangemerkt als jonge landbouwer.

  1. Welke mogelijkheden ziet u om onnodige belemmeringen voor verduurzaming van landbouwbedrijven, zoals belemmeringen voor de aanleg van landschapselementen en bomen op landbouwgrond, weg te nemen? Wat gaat u doen om deze belemmeringen weg te nemen? En hoe gaat u daarbij samenwerken met de gemeenten/de VNG?

Antwoord:

Het kabinet kiest voor een omslag naar een systeem van doelsturing op emissies en gebiedsgerichte samenwerking. Daardoor moet meer ruimte ontstaan voor ondernemers om zelf invulling te geven aan verduurzaming van hun bedrijf.

Daarbij zet het kabinet onder meer in op het volgende:

  • Vereenvoudigen van regelgeving. Het kabinet kondigt een brede wetgevingsagenda aan waarin wet- en regelgeving voor landbouw, natuur en stikstof wordt aangepast. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar uitvoerbaarheid en vermindering van onnodige belemmeringen voor de transitie naar duurzame landbouw.

  • Belonen van landschaps- en natuurprestaties. Het kabinet wil het areaal agrarisch natuur- en landschapsbeheer fors uitbreiden. Daardoor ontstaat meer ruimte en financiering voor landschapselementen en natuurinclusieve maatregelen op landbouwbedrijven.

  • Integrale gebiedsaanpak. In de gebieden rond kwetsbare natuur wordt niet uitsluitend gestuurd op stikstofreductie, maar ook op natuurherstel, waterkwaliteit en toekomstperspectief voor landbouwbedrijven. Daarbij kunnen landschapselementen en bomen op landbouwgrond onderdeel zijn van gebiedsplannen.

  • FinanciĆ«le ondersteuning. Het kabinet reserveert binnen het pakket van circa €20 miljard voor de uitvoering van het maatregelpakket voor Landbouw, Natuur en Stikstof, een aanzienlijk bedrag voor verduurzaming, extensivering en natuurherstel. Daarmee kunnen ondernemers worden ondersteund bij investeringen die ook landschappelijke kwaliteit verbeteren.

Het agrarisch ontwikkelperspectief, zoals rond kwetsbare natuur- en watergebieden, biedt ruimte om landschapselementen, houtwallen, bomenrijen en agroforestry beter onderdeel te maken van een toekomstbestendige bedrijfsvoering. Aanleg van landschapselementen is subsidiabel en vormt onderdeel van de basispremie en de ecoregeling (GLB).

Zoals aangekondigd in het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof, staan rijk, provincies, waterschappen en gemeenten als overheden voor de uitdaging om invulling te geven aan de opgaven. Dat kunnen Rijk en medeoverheden alleen samen. Samenwerking met onder andere VNG zal worden gezocht bij uitvoering van de kabinetsplannen.

  1. Nederland kent verschillende onderzoeksinstituten die adviezen geven over het landbouw- en natuurbeleid die strengere regels impliceren dan de huidige. Op welke wijze gaat u deze adviezen meenemen in natuurinclusief landbouwbeleid, om zo de toekomst van (jonge) boeren en ecosysteemdiensten te waarborgen?

Antwoord:

Onderzoeksinstituten geven regelmatig adviezen over wat vanuit wetenschappelijk perspectief wenselijk zou zijn om bepaalde beleidsdoelen te realiseren. Dat geldt ook voor doelen op het gebied van biodiversiteit in het agrarisch gebied. Het kabinet ziet die wetenschappelijke adviezen als essentieel onderdeel van de beleidsontwikkeling, maar kan in de afweging met andere belangen ook kiezen voor andere opties om de gestelde doelen te realiseren. Daarbij staat het grote belang dat het kabinet hecht aan de toekomst van (jonge) boeren en het bevorderen van ecosysteemdiensten niet ter discussie: zie hiervoor bijvoorbeeld ook de antwoorden op vragen 1, 2 en 4.

  1. Het behouden en verbeteren van ecosysteemdiensten is essentieel voor onze leefomgeving en landbouwsystemen. Welke mogelijkheden ziet u om het leveren van ecosysteemdiensten te bevorderen onder boeren? En hoe gaat u dit concreet vertalen naar beleid en samenwerking op nationaal en lokaal niveau?

Antwoord:

Het behoud en de verbetering van ecosysteemdiensten zijn van groot belang voor zowel een duurzame landbouw als een gezonde leefomgeving. Boeren spelen hierbij een centrale rol, omdat zij door hun bedrijfsvoering direct invloed hebben op de kwaliteit van bodem, water, biodiversiteit en landschap. Het kabinet ziet verschillende mogelijkheden om boeren te stimuleren bij het leveren van deze diensten en zet hiervoor in op een combinatie van financiƫle prikkels, kennisdeling en samenwerking. Een belangrijk instrument hierbij is het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Binnen het GLB ontvangen boeren via de eco-regeling een vergoeding voor het uitvoeren van verschillende milieu- en klimaatvriendelijke praktijken. Denk hierbij aan bijvoorbeeld kruidenrijke bufferstroken, voedselbossen of precisielandbouw. Deze maatregelen dragen bij aan onder andere het versterken van biodiversiteit en het verbeteren van de waterkwaliteit.

Naast de eco-regeling ondersteunt het kabinet boeren via het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). Het ANLb richt zich specifiek op het behoud en herstel van biodiversiteit, het behalen van water- en klimaatdoelen en het beheer van agrarische natuur en landschapselementen. Boeren kunnen via het ANLb meerjarige beheerovereenkomsten aangaan, waarbij zij een vergoeding ontvangen voor het uitvoeren van natuur- en landschapsbeheer op hun bedrijf.

Naast financiĆ«le prikkels zet het kabinet in op het versterken van kennis en innovatie. Boeren worden ondersteund bij het toepassen van nieuwe technieken en duurzame bedrijfsvoering, bijvoorbeeld via onderzoeksprogramma’s, demonstratieprojecten en adviesdiensten. Ook wordt ingezet op samenwerking op lokaal niveau, waarbij boeren, overheden, natuurorganisaties en andere stakeholders gezamenlijk werken aan gebiedsgerichte oplossingen.

  1. Als jongeren zien we dat jonge boeren, vooral boeren die kleinschaliger te werk gaan, zich steeds vaker niet uitspreken over de huidige politieke ontwikkelingen. Dit soort geluiden worden niet voldoende gehoord aan tafel, omdat deze boeren zich soms afkeren van de politiek. Hoe kunt u er op structurele wijze voor zorgen dat dit soort verloren stemmen alsnog gehoord worden? Hoe gaat u ervoor zorgen dat het vertrouwen van deze boeren weer toeneemt?

Antwoord:

Bij het maken van beleid wordt altijd geprobeerd om betrokken partijen hierin mee te nemen en de verschillende belangen af te wegen. Daarbij wordt er goed gekeken naar de effecten van beleid op de samenleving en de mogelijke effecten op groepen of partijen die zich niet onderling verenigen of zichzelf niet laten horen. Bij wetgeving is er bijvoorbeeld een verplichte toets om te waarborgen dat al deze effecten in beeld komen. Ook vindt bij de ontwikkeling van nieuwe regelgeving een internetconsultatie plaats, waar iedere burger en ieder bedrijf op kan reageren. Er is daarnaast contact met vele verschillende stakeholders, zoals het NAJK, Natuurorganisaties en het onderwijs, die ook een brede en gevarieerde groep jongeren vertegenwoordigen.

Het is van belang om te blijven werken aan het vertrouwen in de politiek en de overheid. Dat doen we onder meer door vele gesprekken te voeren, goed te communiceren over plannen, deze plannen met verschillende partijen te bespreken, en daarna de besluiten en de afwegingen goed uit te leggen. Het kabinet moedigt iedereen aan om zich uit te uitspreken en vindt het van groot belang dat iedereen zich daarbij veilig voelt.

  1. Momenteel zorgt polarisatie binnen en buiten de politiek ervoor dat beleid soms niet wordt doorgevoerd. Dit heeft impact op het huidige landbouwbeleid, maar ook op het uitblijven van bepaalde beslissingen die nu genomen moeten worden, waardoor toekomstige generaties de negatieve effecten kunnen ervaren. Polarisatie komt steeds vaker voor. Zeker onder jongeren, die vaker in aanraking komen met sociale media, vormt dit een groot probleem. Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit zo min mogelijk effect heeft op de uitvoering van het beleid van uw ministerie in de komende jaren?

Antwoord:

Het is helaas waar dat toenemende polarisatie het vermogen om gezamenlijk problemen op te lossen, bemoeilijkt. Door over en weer oog te hebben voor elkaars waarden en belangen zullen we toch tot gedragen oplossingen moeten komen.

Het project ā€˜Tussen stad en stal’ van het Jongerenplatform Groenpact is een aansprekend voorbeeld dat laat zien dat als mensen met zeer uiteenlopende achtergronden en perspectieven met elkaar in gesprek gaan, vooroordelen en polarisatie tussen stadse en plattelandsperspectieven kunnen worden doorbroken.

Daarnaast is het belangrijk om bij het maken van beleid juist oog te hebben voor de gevolgen in de toekomst en voor toekomstige generaties. Daar moet bewust aandacht aan gegeven worden. Het is heel mooi dat voor de V-100 van 2026 het thema ā€˜Effecten van beleid op toekomstige generaties’ gekozen is. Ook bij andere trajecten kunnen jongeren worden ingeschakeld om te zorgen dat het perspectief van toekomstige generaties voldoende meeweegt.

  1. De afgelopen jaren hebben ons laten zien hoe afhankelijk wij zijn van andere landen wat betreft onze voedselzekerheid, niet alleen van import van voedsel voor mensen en dieren, maar ook van bijvoorbeeld kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Gezien de grote onzekerheid en ongewenste afhankelijkheid die dit brengt: in hoeverre wilt u afhankelijk zijn van import uit Europese en niet-Europese landen? En hoe kunnen we binnen de landsgrenzen het voedselsysteem zo aanpassen dat we deze afhankelijkheid verkleinen?

Antwoord:

Voedselvoorziening omvat een samenhangend geheel van import, productie, verwerking, verhandeling en logistiek. De Nederlandse voedselvoorziening is deels gebaseerd op binnenlandse productie en verwerking, en deels op invoer van voedsel, grondstoffen en productiemiddelen uit het buitenland. De belangrijkste handelspartners bevinden zich binnen de Europese interne markt. Deze combinatie van eigen productie en handel draagt bij aan de zekerheid van een divers, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod in Nederland en daarmee aan een grote mate van voedselzekerheid.

Het nastreven van een volledig autonoom voedselsysteem is niet haalbaar. Voor de huidige Nederlandse consumptie veel meer landbouwgrond nodig dan we in Nederland hebben. Bovendien ontstaat veerkracht juist door de combinatie van diverse binnenlandse productie Ć©n import. Daarnaast is import van voedsel en grondstoffen een logisch gevolg van handelsspecialisatie: landen focussen op de productie en verwerking waar ze het meest efficiĆ«nt in zijn. Tegelijkertijd moeten we oog houden voor de leveringszekerheidsrisico’s van een selecte categorie grondstoffen, voedingsmiddelen en productiemiddelen die van groot belang zijn voor onze voedselzekerheid en afkomstig zijn uit niet-Europese landen, onder meer kunstmeststoffen. In die categorie spreken we van risicovolle strategische afhankelijkheden. Risico's van strategische afhankelijkheden zijn doorgaans te verminderen door risicospreiding middels handelsdiversificatie en technologische innovatie.

Deze zomer informeert de staatssecretaris van LVVN de Tweede Kamer over de contouren van een op te stellen Strategische Agenda Voedselzekerheid. De aanleiding daarvoor is vooral de toegenomen geopolitieke dynamiek.

  1. Welke stappen moet u nu zetten om over honderd jaar voedselzekerheid te garanderen voor de toekomstige generaties, gezien:

  1. De bodemkwaliteit (bijv. zware metalen, PFAS, verzuring en verzilting)

  2. De waterkwaliteit (bijv. fosfaat, glyfosaat, fluorantheen en nitraat)

  3. Resistentie voor (dier)medicatie

  4. Monocultuur, verminderen genetische diversiteit en resistentie van gewasbeschermingsmiddelen door ā€˜plaagdieren’ waarmee het risico op grootschalige plantziekteuitbraken vergroot wordt?

Antwoord:

In aanvulling op het antwoord op vraag 7 is voor toekomstige voedselzekerheid ook een stabiele en weerbare productie in Nederland met voldoende kritische massa van belang. Wat precies nodig is om over honderd jaar voedselzekerheid te garanderen, is nu niet met zekerheid te zeggen. Het is wel verstandig om zoveel mogelijk te anticiperen op trends en bedreigingen die zich nu al aandienen. Naast de uitdagingen die u al noemt zal daarbij ook aandacht moeten zijn voor bijvoorbeeld klimaatverandering, afname van waterbeschikbaarheid en biodiversiteitsverlies; al deze trends kunnen problemen opleveren voor voedselproductie hier en elders.

  1. Gezien de constateringen uit de vorige vragen en het feit dat het huidige landbouwsysteem niet houdbaar is, zou u concreet aan ons als jongeren kunnen toelichten hoe het landbouwsysteem er in 2050 uitziet, binnen welke planetaire grenzen wij dan leven en wat de belangrijkste stappen zijn geweest om hier te komen?

Antwoord:

Nederland heeft zich gecommitteerd aan belangrijke internationale afspraken, die onder andere beogen om de overschrijding van de planetaire grenzen zoveel mogelijk ongedaan te maken. Denk aan de Sustainable Development Goals, en internationale afspraken over klimaat en biodiversiteit. Er zijn tal van initiatieven voor de realisatie van die doelen; helder is ook dat we er nog niet zijn. Hoe het landbouwsysteem er in de toekomst precies uitziet, is moeilijk te zeggen. Het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs schetst in een recente publicatie toekomstbeelden voor 2050 die uiteenlopen van onder andere natuurinclusieve kringlooplandbouw en duurzame precisielandbouw tot industriƫle gebouwgebonden agro-productie. Iedere ondernemer zal haar of zijn eigen pad kiezen, waarbij vertrouwen kan worden geput uit de ervaring dat iedere generatie heeft bewezen vooruit te kunnen met grote opgaven die telkens opnieuw op de sector afkomen. De rol van de overheid is om de randvoorwaarden te formuleren waarbinnen de sector zal moeten opereren en daarop te sturen, bijvoorbeeld met normen of subsidies. Binnen die kaders zullen ondernemers zelf keuzen moeten maken. Voor landbouw is een belangrijke stap in de goede richting het maatregelenpakket van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof dat op 26 juni naar de Tweede Kamer is gestuurd.

  1. Hoeveel fte heeft de NVWA om de vis die aan land wordt gebracht te inspecteren? Vindt de staatssecretaris dat er genoeg controle is op illegale, ongereguleerde en niet gerapporteerde visserij? Zo nee, hoe gaat de staatssecretaris die controle aanscherpen?

Antwoord:

De NVWA beschikt momenteel over circa 28 FTE die zich grotendeels bezighoudt met het toezicht op en de inspectie van vis die in Nederland aan land wordt gebracht. Deze capaciteit wordt risicogericht ingezet, waarbij controles plaatsvinden op de naleving van nationale en Europese regelgeving, waaronder de regels ter voorkoming van illegale, ongemelde en ongereguleerde (IOO-)visserij.

De staatssecretaris is van oordeel dat met de huidige inzet een robuust controlesysteem aanwezig is. Deze inzet heeft onder meer geresulteerd in het afsluiten van de ingebrekestelling door de Europese Commissie op de controle op de weging, registratie en traceerbaarheid van visserijproducten (Kamerstukken 21501-32, nr. 1814). De NVWA werkt nauw samen met andere nationale en internationale handhavingsinstanties en maakt gebruik van moderne controlemethoden, data- en risico-analyses om inspecties zo effectief en efficiƫnt mogelijk uit te voeren.

Tegelijkertijd blijft voortdurende aandacht voor de bestrijding van IOO-visserij noodzakelijk. Daarom wordt de effectiviteit van het toezicht regelmatig geƫvalueerd en wordt waar nodig gekeken naar verdere versterking van de informatiepositie, samenwerking en risicogerichte handhaving. Op deze manier blijft Nederland zich inzetten voor een duurzame en transparante visserijketen.