Antwoord op vragen van de leden Grinwis, Goudzwaard, Flach en Struijs over de impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D41153, datum: 2026-09-04, bijgewerkt: 2026-09-04 17:57, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Onderdeel van zaak 2026Z16351:
- Gericht aan: J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: TK
Onderdeel van zaak 2026Z16361:
- Gericht aan: J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: TK
Onderdeel van zaak 2026Z16371:
- Gericht aan: K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- Volgcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: TK
Onderdeel van zaak 2026Z16372:
- Gericht aan: H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
- Voortouwcommissie: TK
Onderdeel van zaak 2026Z17022:
- Gericht aan: J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de leden Grinwis (ChristenUnie), Goudzwaard (JA21), Flach (SGP) en Struijs (50PLUS) aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief (kenmerknr. 2026Z17022), ingezonden op 19 augustus 2026.
Jaimi van Essen
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden, waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Antwoord
Op 26 juni hebben we als kabinet de aanpak gepresenteerd om te komen tot natuurherstel, een toekomstbestendige landbouw en een oplossing voor de stikstofproblematiek. We zijn in de Kamerbrief zo concreet mogelijk geweest wat deze aanpak betekent. Tegelijkertijd vragen diverse onderdelen om verdere, soms gebiedsgerichte, uitwerking voordat exact kan worden gezegd wat dit betekent op gebieds- en bedrijfsniveau. Dat doen we de komende tijd zorgvuldig met de betrokken partijen.
Het is een omvangrijk pakket, want dat is nodig om de beoogde doorbraak te realiseren. We vragen daarbij in de periode tot 2035 veel, zeker ook van de agrarische sector. Het is begrijpelijk dat daar vragen en zorgen over zijn. Helder en zorgvuldig uitleggen wat we doen, waarom we dat doen en wat dit richting 2035 gaat betekenen zie ik daarom als essentieel. Ik heb de afgelopen zomer daarom zelf gesprekken gevoerd met individuele boeren, sectorpartijen en terreinbeherende organisaties, over de inhoud van het pakket en de manier waarop we daar invulling aan kunnen geven. Die gesprekken zijn heel waardevol en inzichten daaruit benut ik voor de verdere uitwerking van de plannen.
De afgelopen periode heb ik mij zowel rechtstreeks als via belangrijke stakeholders, ingespannen om vragen die in de sector leven zo goed mogelijk te beantwoorden. Via zaakbegeleiders is er individueel contact met agrarisch ondernemers. Medeoverheden zijn deze zomer in een webinar geïnformeerd over de zoneringsplannen en er zijn bijeenkomsten geweest met agrarisch bedrijfsadviseurs, zodat ook zij in staat zijn om het gesprek te voeren met agrarisch ondernemers. Ondernemers kunnen met vragen ook terecht bij het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. De ervaring tot nu toe leert dat er relatief weinig vragen zijn gesteld bij deze loketten. Niettemin blijven we de komende periode actief communiceren, onder andere via de websites groeiennaarmorgen.nl en onslevendlandschap.nl, en blijven we beschikbaar om vragen van ondernemers zo goed mogelijk te beantwoorden.
De verdere invulling van de maatregelen is van groot belang voor de duidelijkheid die vanuit de sector wordt gevraagd. Dit kwam ook naar voren in het gesprek dat op 20 augustus met LTO en NAJK is gevoerd. We hebben afgesproken om frequent en structureel in gesprek te blijven. Het kabinet zal de komende periode benutten om samen met medeoverheden, maatschappelijke partijen en uw Kamer te komen tot een verdere invulling van de verschillende maatregelen.
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van de bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders in ons land? Of klopt de globale inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
Antwoord
De gestelde emissienorm voor de melkveehouderij zal flinke inspanningen vragen van ondernemers om emissies te reduceren en zal in veel gevallen ook stevige investeringen vragen. Daarom is belangrijk dat we duidelijkheid bieden waar ondernemers staan ten opzichte van de norm en welke handelingsperspectieven zij hebben. Ondernemers kunnen nu via Kringloopwijzer al een eerste indicatie krijgen hoe zij scoren ten opzichte van de bedrijfsemissienormen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeien naar morgen3.
Het kabinet zal daarnaast op korte termijn, met input van sectorpartijen en private initiatieven, verschillende herkenbare bedrijfssituaties uitwerken als voorbeelden en daarover communiceren. Ook heeft LVVN opdracht aan WUR verleend om een gebruiksvriendelijke, maar ook wetenschappelijk gevalideerde, tool te bouwen waarmee melkveehouders inzicht krijgen wat er op hun bedrijf mogelijkheden zijn om aan de emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen te voldoen.
Er is online een aantal tools te vinden die door derden worden aangeboden, waarmee boeren een berekening kunnen maken van wat de opgave betekent voor hun bedrijf. Deze tools zijn niet allemaal juist of volledig, in de tool van Agractie staan bijvoorbeeld geen managementmaatregelen voor ammoniakreductie in. Aanpassingen in voer of weidegang worden ook niet meegenomen, terwijl hier wel reductie mee bereikt kan worden.
De gestelde normen zullen veel vragen van ondernemers. Om ondernemers te helpen bij het nemen van maatregelen heeft het kabinet ook middelen gereserveerd voor het ondersteunen van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen.
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni jl.4 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw? Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de zones?
Antwoord
In de Kamerbrief van 26 juni jl. heeft het kabinet een samenhangende aanpak geschetst om natuurherstel te realiseren en vergunningverlening mogelijk te maken. Deze aanpak bestaat uit (systeemherstel)maatregelen die op meerdere drukfactoren zijn gericht, waaronder de opgave voor stikstof.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn gericht op het verminderen van de emissie per bedrijf via techniek- en managementmaatregelen. In eerste instantie door te informeren en stimuleren via subsidies. Per 2035 worden deze normen afrekenbaar. De normen worden vastgesteld op een ambitieus maar haalbaar niveau om zo de innovatiekracht van de Nederlandse landbouw aan te spreken en te gebruiken om een zo groot mogelijk gedeelte van de opgave mee te behalen. Tezamen met generiek beleid, zoals gericht op extensivering en vrijwillige beëindiging, wordt daarmee de emissiereductieopgave ingevuld en een belangrijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de drukfactor stikstof. De zoneringsaanpak richt zich op een vijftal drukfactoren in relatie tot landbouw en grondgebruik, te weten hydrologie, waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen, versnippering en stikstof. Voor met name deze laatste drukfactor geldt dat een belangrijke bijdrage aan wegnemen van deze drukfactor door generiek beleid wordt geleverd. Hoe dit uitwerkt voor een individueel landbouwbedrijf is afhankelijk van de specifieke staat van de natuur in de relevante gebieden en van de nadere invulling van de samenhangende aanpak.
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake Lieftinghsbroek5, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt, en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen (lid 3), PAS-melders en interimmers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
Antwoord
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over Lieftinghsbroek onderschrijft dat de onderbouwing gebiedsgericht moet zijn. In die zaak was een verwijzing naar het landelijke maatregelpakket op zichzelf onvoldoende. Pas toen inzichtelijk was gemaakt welk effect concrete maatregelen in en rond dit gebied hebben, achtte de afdeling de motivering toereikend. Uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied volgt niet automatisch een generieke landelijke reductiedoelstelling.
Generieke reductie is, net zoals een uitsluitend gebiedsgerichte aanpak, op zichzelf onvoldoende effectief om de vergunningverlening overal los te trekken. Juist met de samenhangende aanpak wordt gewerkt aan de oplossing om Nederland weer in beweging te krijgen. Op deze manier biedt het kabinet een basis om additionaliteit te onderbouwen en komt er, stapsgewijs en per gebied, weer ruimte voor vergunningverlening. Het zo goed als mogelijk monitoren van de staat van de natuur in de verschillende gebieden, en ook de relevante drukfactoren, is daarbij doorlopend van belang.
Vanwege de noodzaak om zo snel als mogelijk vergunningverlening los te trekken kiest het kabinet ervoor om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak. Dit betekent dat er parallel wordt gewerkt aan de invulling van het generieke beleid, de gebiedsgerichte aanpak en natuurherstelmaatregelen. Voor het kabinet zijn deze onderdelen niet tegenstrijdig maar versterken zij elkaar juist.
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal en landelijk)? Hoe kunnen ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever ze zijn en wat er nog moet gebeuren?
Antwoord
Het kabinet vindt het van belang dat de voortgang richting doelbereik nauwkeurig wordt bijgehouden, en dat de inspanningen die ondernemers leveren hier direct in worden door vertaald. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande monitoringssystematiek waar nodig geactualiseerd en richten we aanvullende monitoring in, bijvoorbeeld om de realisatie op gebiedsniveau inzichtelijk te maken. Het maatregelpakket dat in juni is gepresenteerd wordt vastgelegd in een nieuw programma. Het kabinet verstuurt het Ontwerpprogramma dit najaar aan de Kamer, hierin zal de systematiek voor monitoring en evaluatie ook een plek hebben. Hierbinnen kan onderscheid worden gemaakt tussen monitoring van stikstofemissies op nationaal en sectorniveau, de monitoring van bedrijfsspecifieke emissienormen, en monitoring van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
De voortgang richting de stikstofemissiedoelen per sector voor 2035 wordt inzichtelijk gemaakt via de nationale realisatiecijfers door WUR (Emissies naar de lucht uit de landbouw berekend met NEMA), de Emissieregistratie, en de RIVM-rapportage Monitor stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. In deze jaarlijkse rapportages wordt voor de (deel)sectoren landbouw, industrie en mobiliteit op nationaal niveau de ontwikkeling van de ammoniakemissie opgenomen. Ook is te vinden welke emissiereductie sinds 2019 al is behaald door de sector.
Het kabinet stuurt via bedrijfsspecifieke emissienormen op emissiereductie in de melkveehouderij en in de intensieve veehouderij. Deze normen zijn pas afrekenbaar in 2035 en ondernemers worden ondersteund bij het treffen van maatregelen om aan deze normen te kunnen voldoen. Voor de bedrijfsspecifieke emissienormen geldt dat het belangrijk is dat ondernemers inzicht hebben in wat deze normen in de praktijk voor hun bedrijf betekenen, en hoe zij stappen kunnen zetten in het behalen van die normen. Melkveehouders kunnen vrijblijvend de Kringloopwijzer raadplegen voor een eerste indicatie waar zij staan ten opzichte van de normen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeiennaarmorgen.nl/kringloopwijzer. Ook wordt er een gebruiksvriendelijke tool gebouwd voor ammoniak en broeikasgassen die wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd is. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
De effecten van de gebiedsgerichte inzet en van de natuurherstelmaatregelen op de Natura 2000-gebieden worden gemonitord via de, door het Verbeterprogramma VHR-monitoring ontwikkelde, maatregelregistratie-applicatie. De resultaten daarvan worden iedere twee jaar gerapporteerd door een consortium van PBL, WUR en RIVM in het kader van Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering. Specifiek voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt daarnaast dat de staat van instandhouding in beeld wordt gebracht via de Natuurdoelanalyses. De Natuurdoelanalyses worden op termijn voor alle Natura 2000-gebieden gedaan, gekoppeld aan de beheerplancycli.
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert) en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
Antwoord
De aanpak van het kabinet bestaat uit generieke maatregelen (waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen), een gebiedsgerichte inzet, natuurherstelmaatregelen, en maatregelen gericht op ondersteuning van boerenbedrijven en het platteland. Alleen in combinatie en samenhang leiden de verschillende onderdelen van de aanpak tot de noodzakelijke emissiereductie en het bredere natuurherstel, die nodig is voor ruimte voor vergunningverlening.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn generiek en gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen die veehouders kunnen toepassen en dit reductiepotentieel is niet anders in andere provincies. Dat betekent dat de bedrijfsspecifieke normen niet vervangen kunnen worden door gebiedsgerichte inzet. Bij de verdere uitwerking van de bedrijfsspecifieke emissienormen blijven we wel in gesprek met de provincies om onder andere te leren van relevante ervaringen die zijn opgedaan.
Een ‘alternatieve invulling’ voor de gebiedsgerichte aanpak (een omwisselbeslissing)6 ziet toe op de vervanging van de aanvullende gebiedsgerichte inspanning die van boeren in zones rond Natura 2000-gebieden wordt gevraagd. De Rijksinstructieregels vormen daarmee de ruggengraat van de aanpak. Hieruit volgen kaders op bijvoorbeeld doelbereik, borging, financiën en tijdspad waaraan een omwisselbeslissing dient te voldoen. In meerdere gebieden zijn boeren samen met andere partijen in gebiedsprocessen aan de slag. De omwisselbeslissing kan een uitkomst bieden voor partijen die, op basis van kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden, mogelijkheden zien om de aanvullende gebiedsgerichte inspanning op een andere manier te leveren.
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief (geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie in dat geborgde gebiedsplan) of het alternatief voldoende is?
Antwoord
Bovenop het generieke beleid is aanvullende gebiedsgerichte inspanning nodig om verdere achteruitgang te stoppen. Het ambitieniveau en de borging (het wat) van deze aanvullende inspanning is niet te vervangen als we stevige stappen willen zetten op natuurherstel en het vlottrekken van de vergunningverlening. De manier waarop we dit doen (het hoe) kan wel alternatieven kennen. Gezien de urgentie van de problematiek in veel Natura 2000-gebieden, de effecten hiervan op de vergunningverlening, en de mogelijke intrekkingen als gevolg van een onvoldoende geborgd of doelmatig pakket moet een alternatief plan (een omwisselbeslissing7) eenzelfde ambitieniveau en borging in de tijd kennen met eenzelfde middelenbehoefte. Anders is deze alternatieve aanpak onvoldoende stevig om de benodigde stappen te zetten. De inhoudelijke kaders en het proces van de omwisselbeslissing worden momenteel verder uitgewerkt. Eind oktober zal ik hier meer informatie over delen met uw Kamer. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. In de loop van 2028 wordt duidelijk of deze omwisselbeslissing aan de vereisten voldoet en kan dienen als volwaardige vervanging van de door het Rijk uitgewerkte aanpak.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige gebiedsplannen te komen? Kunt u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs beschikbaar zijn om deze processen zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in welke mate de betreffende gebieden hierbij worden ondersteund?
Antwoord
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het opstellen en indienen van een omwisselbeslissing enerzijds en het volledig uitvoeren van het onderliggende plan. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. Dat betekent niet dat het onderliggende plan dan al volledig moet zijn uitgevoerd. Bovendien zijn in veel gebieden al belangrijke stappen gezet en kan op bestaande processen worden voortgebouwd. Tegelijk vraagt de volledige uitvoering van het onderliggende plan bij een omwisselbeslissing op onderdelen om trajecten met een langere doorlooptijd, waarin onder meer kavelruil en herverkaveling een rol spelen. Ondernemers krijgen de komende jaren dan ook de ruimte om hun bedrijfsvoering geleidelijk aan te passen en maken daarbij zelf de keuzes richting extensivering. Dat vraagt om goede afstemming op gebiedsniveau, waarbij onder meer grondbehoefte en de inzet van vrijvallende grond samenkomen.
Die puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor gebiedsgerichte coördinatie en zullen doorgaans als gebiedsregisseur optreden. Daar hoort passende ondersteuning bij. Het faciliterend pakket wordt er onder meer op ingericht om grondmobiliteit op gang te brengen, ondernemers te ondersteunen bij hun bedrijfsplannen en te voorzien in kennisondersteuning en zaakbegeleiding. Rijk, provincies en gemeenten werken daarnaast gezamenlijk aan toereikende procesbegeleiding en voldoende uitvoeringscapaciteit, zodat binnen het gestelde tijdsframe in alle gezoneerde gebieden waar nodig tot een werkbaar gebiedsproces kan worden gekomen.
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor 500 meter en voor (de locatie van) 1000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Antwoord
Er zijn verschillende onderzoeken en rapporten (zie hieronder) benut die de keuzes omtrent de zoneringsaanpak kunnen motiveren. Daarbij gaat het onder andere om de noodzaak voor gebiedsgerichte maatregelen buiten het Natura 2000-gebied, evenals het type maatregelen, het ambitieniveau van deze maatregelen, en het ruimtebeslag hiervan. Daarnaast is een eigen methodiek toegepast om op basis van beschikbare landbouwgegevens over bedrijfslocaties, bedrijfstypen en bedrijfsemissies te bepalen waar voldoende aanleiding is om een zone van 1000 meter voor te stellen om voldoende bij te dragen aan een vermindering van druk op het Natura 2000-gebied door (lokale) stikstofemissies.
Kleinere zones zijn in een eerder stadium ook verkend. Om voldoende effect te hebben zou dat wel betekenen dat het regime in een kleinere zone ingrijpend strenger zou moeten, wat resulteert in onvoldoende perspectief voor een vorm van landbouwkundig gebruik. Om een toekomst voor de landbouw rondom Natura 2000-gebieden te bieden (al dan niet in een extensieve vorm) is gekozen voor zones met een lager ambitieniveau en een groter ruimtebeslag. Een keuze voor kleinere zones zou op basis van het huidige ambitieniveau (namelijk behoud van extensieve landbouw) onvoldoende effectief zijn om landbouw-gerelateerde drukfactoren op Natura 2000-gebieden voldoende te verminderen. Daarmee zou het doel, natuurherstel realiseren waardoor Nederland stapsgewijs van het slot komt, niet behaald worden. Als overheden gaan Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen met prioriteit aan de slag in de vijf prioritaire gebieden, juist omdat hier de grootste opgaven liggen en gestapelde drukfactoren. Hier plegen de vier overheden extra inzet, onder meer op het versterken van de uitvoeringskracht.
Voor de Veluwe hebben de vier overheden met elkaar de samenwerkingsovereenkomst voor de Aanpak Veluwe ondertekend. In de Kamerbrief is hierover opgenomen: ‘Bredere inzet op emissiereductie, natuurherstel en fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven via de Aanpak Veluwe.’ Hiervoor is met de regionale bestuurders al afgesproken dat aanpassingen kunnen worden gemaakt in de begrenzing van de zone. Een uitbreiding van de zone van 500 meter naar 1000 meter is voor de Veluwe niet nodig omdat emissiereductie (65%-69%) op een groter gebied dan de 1000m-zone, namelijk het hele gebied van de Aanpak Veluwe, wordt gerealiseerd. Binnen de Aanpak Veluwe worden de natuur- en watermaatregelen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke vereisten (KRW en VHR) en die voldoende zijn voor robuust systeemherstel en weer kunnen aantonen van additionaliteit. Op een later moment zal besloten worden of de Aanpak Veluwe, of het strokenbeleid als onderdeel hiervan, kan dienen als omwisselbeslissing voor de instructieregels van de zonering. Anders wordt de Aanpak Veluwe en/of het strokenbeleid aangepast of gaan de instructieregels in de zone gelden.
En niet-uitputtende lijst van bronnen en onderzoeken die zijn benut voor de totstandkoming van de zoneringsaanpak:
| Omschrijving | Bron |
| Rapport van de Ecologische Autoriteit over de weging van maatregelen en prioritering van drukfactoren in Natura 2000-gebieden | https://pas.ecologischeautoriteit.nl/files/ea/5180/5180_advies_prioritering_van_drukfactoren_en_maatregelen_voor_natura_2000-gebieden.pdf |
| RIVM-rapport over emissies en deposities uit zones rond Natura 2000-gebieden | https://www.rivm.nl/publicaties/emissies-en-deposities-uit-zones-rondom-natura-2000-gebieden |
| Kennisnotitie WENR over effect van maatregelen in zones van verschillende afstanden rondom Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland | https://pzh.notubiz.nl/document/16196953/1?connection_type=16&connection_id=1099963 |
| Arcadis Rapport met inzicht over drukfactoren per Natura 2000-gebied in de provincie Zuid-Holland | https://pzh.notubiz.nl/document/16196949/1?connection_type=16&connection_id=1099963 |
| PBL Landbouw- en natuurverkenning met scenario’s voor een toekomst van de landbouw in Nederland met inzicht in overgangszones rond N2000-gebieden | https://www.pbl.nl/publicaties/landbouw-en-natuurverkenning |
| Onderzoek naar de verspreiding van pesticiden in de Peel | https://wbdp.nl/wp-content/uploads/2026/04/2026-04-28-WBdP-onderzoek-verspreiding-pesticiden-Groote-Peel.pdf |
| Reflectie op MCEN-maatregelenpakket vanuit kennisconsortium PBL, Deltares, RIVM & WUR | https://open.overheid.nl/documenten/a073be31-687e-42a2-a598-4d84e72b3d8c/file |
| Haalbaarheidsstudie WSN-doelen met maatschappelijke kosten-batenanalyse voor scenario met zone van 1km | https://www.greenpeace.org/static/planet4-netherlands-stateless/2026/06/7e06f796-haalbaarheidsstudie-doelen-wet-stikstofreductie-en-natuurherstel-20260601.pdf |
| WUR-rapport over voorkomen pesticiden in N2000-gebieden met inzicht in problematiek rond gewasbeschermingsmiddelen | https://research.wur.nl/en/publications/pesticiden-in-terrestrische-natura-2000-gebieden-verkennende-beoo/ |
| Rapport over ruimtelijke benadering voor het oplossen van de stikstofproblematiek in Nederland | https://ontspannennederland.nl/static/naar-een-ontspannen-nederland.pdf |
| PON-Telos rapport grond voor verbinding over een grondstrategie rondom Natura 2000-gebieden | https://hetpon-telos.nl/projecten/grond-voor-verbinding-naar-een-grondstrategie-voor-overgangszones/ |
| Natuurdoelanalyses uitgevoerd voor 131 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met per gebied inzicht in de knelpunten en oplossingsrichtingen voor de instandhouding van het Natura 2000-gebied. | Zie individuele publicaties bij verschillende provincies of website Ecologische Autoriteit. |
| Advies van de Ecologische Autoriteit om Op basis van de hoofdbevindingen en veldbezoeken nav de natuurdoelanalyses breder te adviseren over wat nodig is om de natuurdoelen te halen. | https://pas.ecologischeautoriteit.nl/files/ea/5133/advies_doen_wat_moet_en_kan.pdf |
| RIVM Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025 | https://www.rivm.nl/publicaties/monitor-stikstofdepositie-in-natura-2000-gebieden-2025 |
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie- en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden, aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk gebied?
Antwoord
Specifiek voor cijfers over stikstofemissie en –depositie in/uit de zones is gebruik gemaakt van de RIVM-kennisnotitie Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden en onderliggende databestanden.8 Voor de mate van KDW-overschrijding per gebied is gebruik gemaakt van de cijfers uit het RIVM-rapport Monitor Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden 2025.9
Voor andere drukfactoren wordt op dit moment een proces doorlopen met de provincies om tot definitieve aanwijzing per gebied te komen. Zoals in de kamerbrief is gesteld is zonering niet voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebied nuttig en nodig, omdat er bijvoorbeeld geen landbouw plaatsvindt of dat (zicht is op dat) instandhouding van het gebied bereikt wordt.
Voor beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderstaande bronnen benut om te concluderen wat de landbouwgerelateerde problematiek voor de specifieke beken en grondwaterbeschermingsgebieden is en welke oplossingsrichtingen daar mogelijk zijn
Bronnenoverzicht kwetsbare watergebieden:
|
|---|
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Antwoord
In Nederland hebben we een eenduidig kader om te voldoen aan de juridische eisen, onder andere voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd, zodat maatwerk mogelijk is met inachtneming van de fysieke kenmerken van en specifieke kennis uit een gebied. Om aan de geldende juridische kaders te voldoen is een goede, gebiedsspecifieke, evaluatiemethodiek van belang, waarin alle relevante drukfactoren worden meegenomen. De natuurdoelanalyses (NDA’s) spelen hierin een belangrijke rol. Ik heb de Ecologische Autoriteit gevraagd te adviseren over de geactualiseerde handleiding voor de NDA’s. Daarnaast bezie ik of aanvullende instructieregels voor Natura 2000-beheerplannen nodig zijn.
Via de SNL-systematiek is de monitoring van het natuurbeheer in belangrijke mate gestandaardiseerd. In aanvulling daarop monitoren provincies de effecten van drukfactoren, hierin is veel ruimte voor maatwerk. Ik werk via het Verbeterprogramma VHR-monitoring met provincies aan verbetering van de monitoring, onder meer van omgevingscondities. Dit moet adequaat beheer ten goede komen. Daarnaast kunnen provincies aan de slag met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Het stikstofbeleid richt zich dan ook op maatregelen die nodig zijn voor zowel het eerste, tweede als derde lid van de VHR.
Voor de genoemde situatie in Noord-Brabant geldt dat provincies als bevoegd gezag individuele intrekkingsverzoeken beoordelen. In dit geval ging het om een passende maatregel gebaseerd op artikel 6, tweede lid van de VHR. Als minister ben ik systeemverantwoordelijk voor duidelijke landelijke kaders. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 12 en mijn eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp12.
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid) ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Antwoord
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Van der Plas13 vind ik het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Als een intrekkingsverzoek wordt gedaan, zijn provincies in Nederland het bevoegde gezag om die verzoeken te beoordelen, waarbij een grote mate van zorgvuldigheid nodig is. Als minister ben ik systeemverantwoordelijk. Daaraan geef ik invulling met het stikstofpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd. Het landelijke pakket gaat daarbij uit van een bijdrage van alle sectoren, met perspectief voor de agrarische sector. Naast de agrarische sector leveren ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten.
In Noord-Brabant heeft de provincie zich naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond Natura-2000 gebieden tot het voornemen genoodzaakt gezien om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken. Ik heb daarover bij de provincie aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden totdat het trappetje van Remkes is doorlopen en dat de effecten van het maatregelenpakket worden meegenomen bij de afweging.
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee, waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Antwoord
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met deze samenhangende aanpak de vergunningverlening losgetrokken kan worden en ruimte kan worden geboden voor boer, natuur en bouw. Deze aanpak bestaat onder andere aan de bedrijfsspecifieke emissienormen maar ook uit ander generiek en gebiedsgericht beleid.
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van 26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang, eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht? Waarom wel/niet?
Antwoord
Het klopt dat de bedrijfsspecifieke emissienorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen gebaseerd is op stal- en opslagemissies. Er is gekozen om voor het terugdringen van de veldemissies van ammoniak geen systeem van doelsturing in te voeren omdat de keuzemogelijkheden ten opzichte van de bestaande middelvoorschriften beperkt zijn. Daarbij geldt ook dat de borging van veldemissies complexer is omdat het meten hiervan lastiger is ten opzichte van emissies uit stallen. Daarnaast speelt een rol bij de keuze voor een norm per fosfaatrecht dat het meenemen van veldemissies niet goed past in de systematiek, omdat er dan een prikkel zou ontstaan om zoveel mogelijk land te verkopen en mest af te voeren (waardoor er ook geen veldemissies op het bedrijf zijn en een melkveehouder beter scoort op een norm per fosfaatrecht). Tevens worden de hoogtes van de veldemissies ook bepaald door omstandigheden waar een ondernemer geen invloed op heeft, zoals het weer. Daarom wordt ingezet op het verder aanscherpen van de voorschriften voor emissiearm aanwenden van meststoffen.
Het is een misverstand dat alleen technische stalmaatregelen kunnen worden ingezet om aan de norm te voldoen. Om de norm de te halen kunnen ondernemers verschillende maatregelen nemen, zoals meer weidegang of eiwit armer voeren. Keuzevrijheid en ruimte voor ondernemerschap zijn één van de belangrijkste uitgangspunten van bedrijfsgerichte doelsturing. De overheid stelt de normen, maar ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om aan deze normen te voldoen. De inzet van managementmaatregelen kunnen hier een belangrijk onderdeel van zijn bij zowel gangbare als extensieve bedrijven. Hierbij is het goed om rekening te houden dat het kabinet heeft aangekondigd om te kijken naar de gevolgen van de ammoniak norm voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve en/of productie-extensieve melkveehouderijen en of dit moet leiden tot een aanpassing van de emissienormen voor deze categorie bedrijven, of in de gehanteerde rekenmethoden ook voldoende rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering van extensieve veehouderij en of extra (financiële) ondersteuning noodzakelijk is. Bovendien is ook al een uitzondering aangekondigd op de klimaatnorm voor biologische bedrijven omdat niet alle maatregelen passen binnen de biologische bedrijfsvoering. Daarmee heeft en houdt het kabinet oog voor extensieve en biologische melkveebedrijven.
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
Antwoord
De huidige emissienorm voor ammoniak (NH₃) van 0,164 kg per fosfaatrecht is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen gericht op stal- en opslagemissies. Veldemissies zijn in de bepaling hiervan niet meegenomen en een aanpassing van de norm is daarom nu niet aan de orde. Er vindt nog een nadere wetenschappelijke validatie van de normen plaats. De uitkomsten hiervan volgen in het eerste kwartaal van volgend jaar.
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Antwoord
Met het stellen van een bedrijfsspecifieke emissienorm per fosfaatrecht krijgen bedrijven een duidelijk doel op bedrijfsniveau dat afhankelijk is van het aantal fosfaatrechten dat zij hebben. In eerste instantie wordt daarbij ingezet op het informeren en stimuleren van ondernemers. In 2035 wordt de norm afrekenbaar en moeten ondernemers daaraan voldoen. Ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om de benodigde emissiereductie te realiseren, zoals het aanpassen van de stal, het nemen van managementmaatregelen, het verwerven van meer fosfaatrechten, of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
De emissienorm is vastgesteld op basis van het technisch reductiepotentieel en daarmee is er sprake van één generieke norm om overal in Nederland te sturen op geborgde emissiereductie. Ook wordt hiermee voorkomen dat er complexe systematiek ontstaat waarin er verschillende normen gaan gelden voor verschillende bedrijven en gebieden.
Daarbij geldt wel dat het kabinet in de brief van 26 juni al heeft aangegeven goed te kijken naar de impact van de stikstofnorm op biologische en extensieve bedrijven. Mogelijk past deze norm niet goed bij de bedrijfsvoering van deze groep ondernemers. Daarom wordt er gekeken naar of er aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning nodig is voor deze bedrijven. Voor de klimaatnorm geldt dat biologische bedrijven beperktere handelingsperspectieven hebben en daarom zal voor deze bedrijven een uitzondering worden uitgewerkt.
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit? ; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop? Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking? Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Antwoord
Beantwoording onder vraag 18.
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Antwoord 17 en 18
Om de hoogte van de norm te bepalen is in beeld gebracht wat op basis van bekende maatregelen het technisch reductiepotentieel is. Hiervoor is door de WUR het rapport ‘Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij’14 opgesteld. Deze gedane analyse rust in belangrijke mate op technische studies en rapporten, waarbij gekeken is naar op dat moment concreet beschikbare maatregelen in de sector. Daardoor wordt niet het onmogelijke gevraagd van blijvende ondernemers15. Uitgangspunt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen is het technisch reductiepotentieel. Met de bekende technieken kan niet de hele opgave worden gerealiseerd. Daarom zijn er ook aanvullende maatregelen nodig. Het kabinet kiest er zodoende voor om de hoeveelheid productierechten te verminderen via afroming en vrijwillige beëindiging, en is niet voornemens om doorgehaalde rechten opnieuw uit te geven. Pas nadat de totale nationale fosfaatproductie onder het nationale mestproductieplafond ligt kan de fosfaatbank opengesteld worden waarmee het mogelijk wordt om aan grondgebonden (jonge) boeren niet-verhandelbare ontheffingen te verlenen voor de productie van een in de ontheffing opgenomen hoeveelheid fosfaat met melkvee, zonder dat de melkveehouders daar fosfaatrechten voor nodig hebben.
Om aan de normen te voldoen kunnen ondernemers verschillende maatregelen inzetten, zoals de inzet van (stal)techniek en innovatie, toepassing van managementmaatregelen, extensivering van de bedrijfsvoering, of verwerving van extra fosfaatrechten. Ondernemers die al stappen hebben gezet en al investeringen hebben gedaan, kunnen de gerealiseerde reductie meetellen in het halen van de norm. Uiteindelijk mogen de individuele bedrijven maximaal de gestelde emissienormen uitstoten en moet een ondernemer dit ook geborgd kunnen aantonen. Voor de inzet van (stal)technieken is het dan wel van belang dat (stal)technieken doen wat ze beloven. Hier zijn nog wel stappen te zetten, zodat nieuwe technieken en stalmaatregelen ook goed geborgd zijn. Daarom zijn de ministeries IenW en LVVN bezig met het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. In dit programma wordt een systematiek ontwikkeld waarbij de gemiddelde emissiereducties van staltechnieken geborgd wordt aangetoond en zo deze technieken voorzien van onderbouwde emissielabels waarmee ondernemers beslissingen kunnen nemen of en welke technieken zij in willen zetten. Juist ook om te borgen dat maatregelen doen wat ze beloven, en ondernemers ook voldoende rechtszekerheid te bieden en voldoende ruimte voor hun vakmanschap zijn nog de nodige stappen te zetten. Daarom worden de normen ook pas in 2035 afrekenbaar en niet eerder.
In de uitwerking van de gehele stikstofaanpak, dus ook bij de uitwerking van de emissienormen, zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen, waaronder voor integraal duurzame stallen.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
Antwoord
In de brief van 26 juni jl. heeft het kabinet al een uitzondering voor de biologische sector aangekondigd op de klimaatnorm, omdat niet alle maatregelen die melkveehouders kunnen nemen passen binnen de biologische bedrijfsvoering (zoals het gebruik van voeradditieven) en deze norm daarmee niet als haalbaar wordt gezien voor biologische bedrijven. Hoe deze uitzondering eruit moet komen te zien, wordt met de biologische sector besproken.
De klimaatnorm voor gangbare bedrijven is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen om broeikasgasuitstoot te verminderen. Onder meer dagontmesting, mestvergisting en methaanremmende additieven kunnen hieraan bijdragen.
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische en/of extensieve bedrijfsvoering?
Antwoord
Met een keuze voor het fosfaatrecht wordt verhandeling van emissieruimte mogelijk, hetgeen bedrijven meer handelingsperspectieven biedt en wordt de totale emissie in de melkveesector absoluut begrenst. Voor veel bedrijven zal gelden dat ook investeringen in stalaanpassingen noodzakelijk zullen zijn om aan de normen te kunnen voldoen. Er worden middelen ter beschikking gesteld om bedrijven hierbij te ondersteunen. Voor biologische en extensieve bedrijven zal, ook in overleg met partijen, worden gekeken naar de impact van de norm op de bedrijfsvoering en zal worden bekeken of het nodig is om aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning te bieden. Dit omdat deze bedrijven op allerlei fronten een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke doelen.
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing? Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
Antwoord
De voorgestelde grondgebondenheidsnorm zorgt voor een balans tussen het aantal stuks melkvee en het areaal landbouwgrond in een gebied. Dat draagt bij aan een toekomstbestendige melkveehouderij, die in balans is met de leefomgeving én een bijdrage levert aan de verbetering van waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang en biodiversiteit. Grondgebondenheid is dus niet louter gericht op waterkwaliteit.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat een zoveel mogelijk gesloten kringloop per bedrijf of per gebied minder vervuilend is en goed voor de waterkwaliteit en dat een eenvoudige grondgebondenheidsnorm wordt ingevoerd voor de melkveehouderij met een uitzondering voor bedrijven die voldoen aan doelsturing. Het kabinet heeft ervoor gekozen om niet aan vast te houden aan de koppeling met doelsturing en heeft hierbij in ogenschouw genomen dat het al dan niet realiseren van een norm voor waterkwaliteit ook wordt bepaald door factoren die buiten de invloed van de melkveehouder liggen zoals weersomstandigheden en dat de effecten op de waterkwaliteit in achtereenvolgende jaren kunnen fluctueren. Afhankelijk van de vormgeving van de uitzondering, heeft dit grote gevolgen voor melkveehouders als zij op een bepaald moment opeens niet blijken te voldoen aan de norm. De koppeling kan zorgen voor juridische risico’s voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van zowel de grondgebondenheidsnorm als van afrekenbare doelsturing.
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden gerealiseerd? Welke ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op gebiedsniveau met ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Antwoord
Als er voldoende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor natuur, zijn intern– en extern salderen mogelijk. Met de samenhangende aanpak en bijbehorend maatregelpakket zal dat stapsgewijs en per gebied beter mogelijk worden. Het is mogelijk voor een gebied om een alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossingen (zoals een collectieve aanpak) vast te stellen als kan worden verzekerd dat individuele wijzigingen niet leiden tot mogelijke significante effecten.
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
Antwoord
In de brief van 26 juni jl. heb ik aangekondigd dat het kabinet zo snel mogelijk, maar uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027 de Rekenkundige Ondergrens (RKO) in zal voeren. Hiervoor zijn, aanvullend op een voldoende en geborgd maatregelenpakket, specifieke beheersmaatregelen nodig. Samen met provincies werk ik deze beheersmaatregelen uit en voor het eind van het jaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Met de invoering van de RKO zet het kabinet een volgende stap in het verbeteren van het gebruik van modellen en de toepassing van AERIUS in beleid, in opvolging van meerdere wetenschappelijke adviezen. AERIUS Calculator, of een vergelijkbaar systeem met depositiemodellen, blijft een rol spelen bij toestemmingverlening zolang het vergunningenstelsel een beoordeling van de stikstofdepositie vereist. Volledig overstappen naar emissiesturing is een brede wens. Met voornoemde Kamerbrief heb ik voor veel beleidsuitgangspunten een eerste stap in die richting gezet.
Om ook bij toestemmingverlening over te gaan op emissiesturing, zijn echter nog wel een aantal stappen nodig. Op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is het immers verplicht om het effect van de emissie van een nieuwe of te wijzigen activiteit op de Natura 2000-gebieden te beoordelen. Een berekening van de depositie is daarbij op dit moment doorgaans noodzakelijk. Op dit moment is het nog niet te zeggen wanneer de overstap naar emissiesturing ook bij toestemmingverlening mogelijk gaat zijn.
6 misverstanden over het maatregelpakket landbouw, natuur en stikstof | Levend Landschap↩︎
Agractie, 22 juli 2026, Ontdek in enkele minuten wat impact van de stikstofbrief op jouw bedrijf kan betekenen↩︎
Met KringloopWijzer eerste inzicht in emissies op bedrijfsniveau | Groeien naar morgen↩︎
Kamerstuk 36800-XIV, nr. 87↩︎
Raad van State, 8 april 2026, Uitspraak 202301494/1/R2 | Raad van State↩︎
Een omwisselbeslissing is een term die wordt gebruikt om alternatieve (gebiedseigen) vervangende aanpakken voor de Rijkszonering te duiden. Het gaat om het inruilen van maatregelen voor een lokaal alternatief. Een omwisselbeslissing is geen beslissing waartegen burgers bezwaar of beroep kunnen aantekenen. Dat komt omdat een omwisselbeslissing geen direct rechtsgevolg heeft voor burgers maar bijvoorbeeld eerst nog moet worden vastgelegd in een provinciale omgevingsverordening of op een andere manier bestuursrechtelijk wordt geborgd. Deze bestuursrechtelijke borging geeft mogelijkheden voor participatie door burgers.↩︎
Zie eerdere voetnoot voor toelichting.↩︎
Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden | RIVM↩︎
Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025 | RIVM↩︎
Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden - Research Portal - Wageningen University & Research↩︎
Verkenning van het effect van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van nutriënten uit de bodem - Research Portal - Wageningen University & Research↩︎
Kenmerknr. 2026Z16351, 2026Z16361, 2026Z16371 en 2026Z16372.↩︎
Kenmerknr. 2026Z16361.↩︎
Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij | WUR↩︎